„Ik heb den heelen nacht voor u gebeden. Verhoort God mijn smeeken niet, dan zal ik toch mijn belofte gestand doen en u volgen.MELEESE.”
„Ik heb den heelen nacht voor u gebeden. Verhoort God mijn smeeken niet, dan zal ik toch mijn belofte gestand doen en u volgen.
MELEESE.”
Howland hoorde een zachte beweging en hij sloeg de oogen op. Jean was weg. De deur sloot zich langzaam en de grendel werd weer voorgeschoven. Het geluid van de zich verwijderende mocassins ging aldra geheel verloren.
Meleese.
Minuten lang bleef Howland roerloos staan; het was alsof elk spoor van leven uit hem was geweken. Zijn oogen waren op de deur gericht—maar zij zagen niet. Hij maakte geen geluid en hij ging ook niet weer naar de spleet in den wand. Het noodlot had hem den laatsten schok gegeven en toen hij zich ten laatste herstelde, bleef er geen vonk van hoop over in zijn hart en dacht hij geen oogenblik meer aan pogingen om zijn vrijheid te herwinnen. Het was nu kwart over vijf. Hem restten nog maar vijf en veertig minuten.
Nog drie kwartier en dan—de dood! Dezen keer was er geen twijfel meer mogelijk. Zelfs in de coyote had hij, met de eeuwigheid voor oogen, nog gehoopt en om het leven gestreden. Maar hier was geen hoop en hier zou geen strijd zijn. Zij wilden hem neerschieten door een van die zwarte openingen in den muur; hem werd geen kans gelaten om zich te verdedigen of zijn onschuld te bewijzen. En Meleese—dacht ook zij, dat hij schuldig was aan de misdaad?
Hij kreunde luid, toen hij het briefje weer opnam. Zacht herhaalde hij de laatste woorden: „Verhoort God mijn smeeken niet, dan zal ik toch mijn belofte gestand doen en u volgen.” Die woorden schenen zijn vonnis te bevatten. Zelfs Meleese had alle hoop opgegeven. Of—lag er misschien een diepere beteekenis in haar woorden? Hij ontwaakte; het was of iemand hem een stoot had toegebracht en zijn oogen schitterden.
„En u volgen!”
Dezen keer bracht hij die woorden bijkans snikkend uit. Zijn handen trilden; hij liet het papier weer op de tafel vallen en keerde den angstig starenden blik naar de deur. Wat wilde zij daarmee zeggen? Wilde zij zelf een eind aan haar leven maken, wanneer hij door haar broeders gedood werd? Een andere beteekenis kon hij niet vinden in haar laatste boodschap aan hem en gedurende eenige oogenblikken, nadat de vreeselijke beteekenis van haar woorden hem duidelijk was geworden, dacht hij alleen aan de mogelijkheid om Jean terug te roepen. Als hij maar kans zag om haar te schrijven—als hij haar nog maar eenmaal de verzekering vermocht te geven van zijn groote liefde—als hij haar nog maar eenmaal kon zeggen, hoe haar genegenheid hem ruimschoots vergoedde wat hij verloren had en nog verliezen zou—hoe zij hem in deze laatste ure van zijn martelaarschap een geluk had geschonken, dat nooit eerder zijn deel was geweest.
Tot tweemaal toe riep hij Croisset, maar er kwam geen ander antwoord dan de holle echo van zijn eigen stem door de onderaardsche ruimten. En intusschen kwam zijn gedachtengang tot meer normalen toestand terug. Als Meleese een gevangene was in haar eigen kamer, dan zou Croisset, die nu door de nederzetting vrij wel als een verrader werd beschouwd, niet langer toegang tot haar hebben. Meleese had zeker kans gezien om den half-ras langs omwegen haar briefje te doen toekomen en hij had zijn laatste zending volbracht.
Langzamerhand ontwaakte er in Howland een gevoel van sympathie voor Croisset. Veel, dat hij eerst niet had begrepen, werd hem nu duidelijk. Hij begreep waarom Meleese den naam van zijn belagers te Prince Albert en aan de Wekusko niet had willen noemen; hij begreep waarom zij hem was ontweken na zijn ontvoering en hoe Jean om harentwil het geheim zoo trouw had bewaard. Zij had gestreden om hem te beschermen tegenover haar eigen bloedverwanten en ook Jean had gestreden om hem te behoeden. O, hoe graag had hij in deze laatste levensure Croisset nog eenmaal de hand gedrukt en hem gedankt voor alles wat hij deed! En juist omdat de half-ras voorMeleese en voor hem had gevochten, zou diens lot bijna even vreeselijk zijn als het zijne. Hij—Jean Croisset—moest om zes uur het noodlottige schot lossen. Niet de broeders van Meleese, maar Jean Croisset zou zijn beul en zijn moordenaar zijn.
De minuten gingen snel voorbij en naarmate die voorbijgingen, verbaasde Howland er zich over, dat hij zoo kalm het einde afwachtte. Hij begon zelfs te beredeneeren door welke spleet de kogel waarschijnlijk wel zou komen. Waar hij ook ging staan, overal zou het licht van de groote hanglamp op hem vallen. Er was geen enkele volslagen duistere hoek, waarin hij voor luttele minuten misschien zijn beul zou kunnen ontgaan. Hij moest zelfs glimlachen, toen hij bedacht hoe hij in de laatste instantie het licht zou kunnen dooven en onder de tafel zou kunnen kruipen om op die wijze een kort uitstel te verkrijgen. Maar wat zou een kort uitstel hem geven? Hij verlangde nu zelfs naar het einde, naar het oogenblik, dat alles voorbij zou zijn.
En toch had hij ook nog gelukkige momenten; dat was wanneer in het kille doodsvertrek visioenen van Meleese voor hem oprezen—van Meleese, nog liefelijker en nog beminnelijker in zijn oog, nu hij wist hoe zij zichzelf had opgeofferd tusschen die twee groote gevoelens, genegenheid voor haar familie en liefde voor hem. En ten slotte had zij hem gekozen! Had zij dat kunnen doen, wanneer zij evenals haar broeders meende, dat hij de moordenaar was van haar vader—dat hij de zoon was van den duivel, die haar van een moeder had beroofd? Dat was onmogelijk, zei hij bij zichzelf. Zij dacht hem onschuldig. Maar—waarom had zij in haar schrijven er met geen enkel woord van gerept?
Zijn oogen gingen naar het briefje op de tafel en hij begon in de zakken van zijn buis te zoeken. In een daarvan vond hij een stompje potlood en hij begon nu een woord van afscheid aan Meleese te schrijven zonder langer aan de voorbijsnellende minuten te denken. Toen hij er mee klaar was, vouwde hij het papier dicht en legde hij het onder zijn horloge. Hij wilde op het laatste oogenblik nog aan Jean vragen om het mee te nemen. Zijn oogen vielen op de wijzerplaat van het uurwerk en er kwam een kreet over zijn lippen.
Er bleven hem nog maar tien minuten over!
Boven zich hoorde hij onduidelijk het geblaf van honden—en den hollen klank van mannenstemmen. Een oogenblik later werd er snel heen en weer geloopen en daarop trad er een diepe stilte in.
„Jean!” riep hij met vaste stem—„Hallo, Jean—Jean Croisset!”
Hij nam het papier op en liep van de eene spleet naar de andere, voortdurend den naam van den half-ras roepend.
„Zoowaar ge uw God liefhebt, Jean—zoowaar ge op den hemel hoopt—breng dit briefje aan Meleese!” smeekte hij. „Jean—Jean Croisset!”
Er kwam geen antwoord; er was daar buiten niet de minste beweging te bespeuren. Hij had het kloppen van zijn hart willen tegengaan, om beter te kunnen luisteren. Croisset moest daar zijn! Hij keek weer op zijn horloge, dat hij nu in de hand hield. Binnen vier minuten zou het schot vallen. Een koud zweet bedekte zijn gelaat. Opnieuw wilde hij roepen, maar het was of zijn keel werd dichtgeknepen en een snik was al wat hij vermocht te uiten. Hij liep terug naar de tafel en legde het briefje onder het horloge. Nog twee minuten—nog anderhalve minuut—nog één!
Plotseling sprong hij met een uitdagenden kreet tot midden in den kerker; hij keerde zijn gelaat naar de opening het dichtst bij de deur en breidde de armen uit.
Nog een keer riep hij met luide stem:
„Jean Croisset, er ligt een briefje onder mijn horloge op de tafel. Geef het aan Meleese, wanneer gij mij hebt gedood. Als je het niet doet, zal ik je tot aan je dood toe vervolgen!”
Nog steeds geen geluid—nog steeds geen blinkend staal op hem gericht door de zwarte opening. Zou het schot hem misschien in den rug treffen?
Tik-tik-tik-tik—zei zijn horloge—en hij telde tot twintig. Toen kwam er een ander geluid; hij sloot de oogen en er ging een huivering door zijn lichaam.
Het was het slagwerk van zijn horloge, dat fijn en schril zes uur sloeg!
Nauwelijks waren die klanken in zijn brein verstorven of er liet zich van ver weg in het donker buiten de gevangenismuren een krakend geluid hooren; daarop was het alsof een zware deur langzaam op haar hengsels draaide en alsof er een luik geopend werd en toen kwamen er stemmen, eerst gedempte, maar daarop luidsprekende, opgewonden stemmen—en eindelijk een haastig geloop, terwijl er een lichtstraal door de duisternis schoot. Zij kwamen! Het zou dus ten slotte toch geen besloten gezelschap zijn—en Jean zou, evenals de beul in de beschaafde wereld, moeten dooden ten aanschouwe van een publiek. Howland's armen vielen langs hem neer. Dit was nog vreeselijker dan al het andere—dit zien en hooren van de toebereidselen, waarin hij den klik van Croisset's geweer bij het overhalen van den trekker meende te onderscheiden.
En in plaats daarvan bleek het een tasten naar de deurklink te zijn.
Er lieten zich nu geen stemmen meer hooren; hij vernam alleen een vreemd gesteun, dat hij niet kon thuis brengen. Nog een oogenblik en alles werd hem duidelijk. De deur ging open en Meleese snelde op hem af in een wit gewaad en met een kreet, die door de kerkerruimte weerklonk. Wat er daarop gebeurde—een trekken van bleeke gezichten voorbij zijn deur, een onderdrukt gemurmel van stemmen—het ging alles voor hem verloren in het enkele feit, dat zij haar op het laatst hadden toegestaan om tot hem te gaan, dat hij haar vast in zijn armen hield en dat zij haar gelaat tegen zijn borst drukte, woorden uitsnikkend, die hij niet begreep. Eens of tweemaal eerder in zijn leven was het hem overkomen, dat hij zichzelf moest afvragen of de werkelijkheid niet een droom was—en zoo ging het hem ook nu, terwijl hij de warmte voelde van haar handen en haar gelaat en den hartstochtelijken druk van haar lippen op de zijne. Hij hief de oogen op en in de deur stond Croisset en achter dezen een woest, gebaard gelaat—het gelaat, dat hij boven zich had gezien, toen zijn levenop het groote Pad naar het Noorden in gevaar verkeerde. En achter die twee gestalten zag hij nog andere, die onduidelijk en schimachtig leken in de diepe duisternis van de gang buiten den kerker. Hij klemde Meleese vast tegen zich aan en toen hij haar in het gelaat keek, zag hij, dat haar mooie oogen vol tranen stonden en dat er toch groote blijdschap uit sprak. Maar op eens maakte zij zich los uit zijn omarming en liep zij naar de deur—en nu kwam Jean Croisset naar hem toe, terwijl de man met den woesten baard nog steeds over diens schouder naar hem bleef kijken.
„M'sieur, wilt ge ons volgen?” vroeg Jean.
De man met den baard week terug in de zwarte duisternis en zonder een woord te spreken volgde Howland Croisset, zijn oogen gevestigd op de liefelijke gestalte van Meleese. De bleeke gezichten keerden zich af van het licht en het geluid van de zich verwijderende voetstappen klonk door de duistere gang. Jean liep naast Howland, terwijl de forsche man met den baard een pas of drie voor hem uit ging. Een dozijn schreden bracht hen bij een trap, waarop een licht stond te branden. De half-ras legde een hand op Howland's arm, als om hem tegen te houden en toen zij een oogenblik later boven kwamen, waren allen weg, behalve Jean en de man met den baard. De dageraad brak aan en dat bleeke licht viel door de vensters van de kamer, waarin zij zich nu bevonden. Op een tafel brandde een lamp en daaromheen stonden verscheidene stoelen geschaard. Croisset wees den ingenieur op een daarvan en toen Howland ging zitten, keerde de man met den baard zich langzaam om en verdween hij door een deur. Jean haalde even de schouders op.
„Mon Dieu!dat wil zeggen, dat hij het verdere aan mij overlaat!” riep hij uit. „Nu—ik begrijp heel goed, dat het hem moeite zou kosten om te spreken, M'sieur. Begint gij te begrijpen?”
„Ja—gedeeltelijk,” antwoordde Howland. Zijn hart bonsde, als had hij een hoogen berg beklommen. „Dat was de man, die mij trachtte te dooden. Maar Meleese—de—” Verder vermocht hij hetniet te brengen. Nauwelijks ademend, wachtte hij op wat Jean zou zeggen.
„Die man is Pierre Thoreau,” zei de half-ras, „de oudste broer van Meleese. Eigenlijk behoorde hij u te vertellen, wat er gebeurd is. Maar hij is te zeer onder den indruk om te kunnen spreken. Dat verbaast u? En toch verzeker ik u, dat niemand een warmer hart bezit dan Pierre Thoreau—zij het ook, dat hij tot driemaal toe beproefde om u te dooden. Herinnert ge u, M'sieur, wat ge me daar straks hebt gevraagd—of ik dacht, datgijde John Howland waart, die zestien jaar geleden den vader van Meleese doodschoot? Bij alle Heiligen, ik dacht het, tot nu nauwelijks een half uur geleden, toen er een man uit het Zuiden inkwam en met zijn woorden een mijn voor onze voeten deed springen. Dat was François Thoreau, M'sieur, de jongste van de drie broers—wij hebben een vreeselijken misslag begaan—en wij smeeken u om ons te vergeven.”
In diepe stilte ontmoetten de blikken van de twee mannen elkaar over de tafel. Het was niet de gedachte aan zijn redding, die bij Howland op den voorgrond trad, maar wel de gedachte aan Meleese—aan het heerlijke feit, dat zij, op het oogenblik, toen alles verloren leek, nader tot hem was gekomen dan ooit te voren. Metdichtgeknepenhanden en schitterende oogen boog hij zich over de tafel. Jean voelde dat niet en hij ging snel voort:
„Ik weet, dat het hard voor u is, M'sieur. Misschien zal het u niet mogelijk zijn om ons volkomen vergiffenis te schenken. Wij hebben getracht u te dooden, u door langzame marteling te dooden, omdat wij meenden, dat ge dit hadt verdiend. Maar stel u een oogenblik in onze plaats, M'sieur en denk een oogenblik aan wat nu zestien jaar geleden hier bij ons gebeurde. Ik heb u verteld hoe ik dien duivel worgde. En zoo zou ik ook u geworgd hebben, als Meleese er niet was geweest. Ook ik heb schuld aan het misverstand. Nu zes jaar geleden hoorden we, dat John Howland, de zoon van den man dien ik doodde, zich in Montreal bevond en wij zonden François, den jongsten van de broers, uit om hem op te sporen. Evenals Meleesehad François daar jaren lang school gegaan en hij was beter bekend met het Zuiden dan een van ons anderen. Maar het gelukte hem toen niet, M'sieur, om den man te vinden en het was eerst kort geleden, dat hij meende dien te hebben ontdekt.
„De Heilige Maagd zij mijn getuige, M'sieur—het was allerminst vreemd, dat hij u voor dien man aanzag, in aanmerking genomen hoe ge lijkt op wat ik mij van den jongen herinner. Maar het feit blijft, dat François zich deerlijk vergiste, toen hij aan zijn broeders liet weten, dat gij de persoon waart, dien zij zochten en tegelijkertijd de aangewezen man om Gregson en Thorne te vervangen, wanneer die eenmaal uit den weg waren geruimd. Ik zweer bij de Heilige Moeder Gods, M'sieur, dat Meleese buiten dit alles stond. Zij wist niets van de plannen van haar broeders om Gregson en Thorne door plagerijen naar het Zuiden terug te drijven. Het was hun niet te doen om die ingenieurs te dooden—zij wilden hen alleen verjagen om u in hun plaats naar het Noorden te krijgen. Nooit konden die twee een voet verzetten of er gebeurde iets. Gregson verloor een vinger, Thorne kreeg zwaar letsel aan zijn arm. 's Nachts vlogen er kogels door hun ramen. Met Jackpine—onzen vriend—in hun lijfdienst, was het niet moeilijk om hen te benaderen en het duurde dan ook niet lang of zij verzochten de directie om een ander in hun plaats te zenden.”
Nu voor het eerst voelde Howland toorn in zich opkomen.
„De lafaards!” riep hij. „Een mooi span, Croisset—zelf kropen zij onder uit de val, terwijl zij van boven een ander binnenlieten!”
„Misschien was het niet zoo erg gemeend,” vergoelijkte Jean. „Men had hun aan het verstand gebracht, dat zij—en zij alleen—niet gewild waren in die omgeving. Misschien kwam het niet in hen op, dat het ook leelijk kon zijn voor u en daarom verzwegen zij wat er gebeurd was. Misschien ook vonden zij het niet prettig als het bekend werd, dat zij wegliepen voor het gevaar. En dat is menschelijk, niet waar, M'sieur?—Hoe dan ook, gij werdt aangewezen om als hun opvolger naar het Noorden te komen en eerst toen hoorde Meleese van alles wat voorgevallen was.”
De half-ras hield een oogenblik in. De gloed was verdwenen uit Howland's oogen. De strakke lijnen van zijn gelaat ontspanden zich.
„Ik—ik geloof, dat ik nu alles begrijp, Jean,” zei hij. „Gij hebt den verkeerden John Howland opgespoord—daar komt het op neer. Maar ik heb Meleese lief, Jean. Ik zou dien John Howland willen dooden om haar. Ik verlang er naar om haar broers te ontmoeten en hun de hand te drukken. Ik veroordeel hen niet. Zij handelden als menschen. Maar treurig doet het mij aan om te moeten bedenken, dat Meleese van dit alles af wist en bijna mede een moord beging.”
„Mon Dieu, M'sieur en is zij het niet juist, die uw leven gered heeft? Luister!—Toen Meleese wist wat er gebeurd was, richtte zij zich tot mij, dien zij indertijd tot den gelukkigste van alle stervelingen had gemaakt, door mijn Mariane uit Churchill mee hierheen te brengen, wel wetend, dat ik dadelijk op haar zou verlieven—en dat deed ik, M'sieur—Meleese kwam dus bij mij, bij Jean Croisset en in plaats van uw dood te beramen, maakte zij plannen om uw leven te redden—met mij!—met den man, die u in stukken had willen snijden van een vinger lang en u tot voedsel had willen geven aan de raven—met mij, die u zou hebben willen worgen tot de oogen u uit het hoofd puilden—zooals ik deed met dien anderen, daarginds bij het Groote Slavenmeer!—Begrijpt ge het nu, M'sieur? Het was Meleese, die bij mij kwam en die mij smeekte om uw leven te sparen—nog vóór ge Chicago verlaten hadt, nog vóór zij iets meer dan uw naam had gehoord, nog vóór—”
Croisset aarzelde en zweeg even.
„Nog vóór wat, Jean?”
„Nog vóór zij u had leeren liefhebben, M'sieur.”
„God zegene haar!” riep Howland.
„Ge gelooft mij dus, M'sieur?”
„Zoo waar ik in God geloof!”
„Dan zal ik u zeggen, wat zij deed, M'sieur,” ging hij voort op zachten toon. „Haar broers hadden het plan gesmeed om u bij Prince Albert te overvallen en u mede te nemen naar het Noorden. Ik alleenwist wat zij daar verder dachten te doen. Het zou een mooie wraak zijn geweest, M'sieur—een langzame marteldood op dezelfde plek, waar zestien jaar geleden de misdaad werd begaan. Maar van dat alles wist Meleese niets. Haar maakten zij wijs, dat zij u hier, waar haar vader en haar moeder stierven, wilden overleveren aan de Wet—aan de afdeeling bereden politie, die op gezette tijden dezen kant uitkomt. Zij is maar een jong meisje, M'sieur,en het is niet moeilijk om haar op dergelijke punten om den tuin te leiden—anders zou zij het zeker wel vreemd hebben gevonden, dat men u niet liever te Prince Albert aan de justitie overleverde. Het was de oudste broer, die de list bedacht om haar als lokvink te gebruiken en u op die wijze buiten de stad in handen te krijgen. Eerst op het allerlaatste oogenblik, toen wij gereed stonden om met dit doel naar het Zuiden te trekken, vernam Meleese bij toeval uit enkele woorden, die zij opving, dat haar broers van plan waren om u te dooden. En het was daarom, M'sieur, dat zij tot mij kwam.”
„En jij, Jean?”
„Op den dag, dat Mariane mijn vrouw werd, M'sieur, had ik de Heilige Moeder Gods beloofd, dat ik te eeniger tijd mijn schuld aan Meleese zou afdoen en nu had ik daartoe gelegenheid. Ook Jackpine was haar slaaf en wij beiden sloegen de handen ineen. Twee uren nadat Meleese en haar broeders de reis naar het Zuiden hadden ondernomen, volgde ik hen met afgeschoren baard en uiterlijk zóó veranderd, dat niemand mij herkende bij het gevecht op het Groote Pad naar het Noorden. Meleese dacht, dat haar broers u dien nacht gevangen wilden nemen, zonder u verder letsel te doen toekomen. Men had haar gezegd, op welke wijze zij u gemakkelijk naar het kamp kon brengen. Zij wist niets van de hinderlaag totdat de mannen uit hun schuilhoek op u lossprongen. Eerst na het gevecht, toen de Thoreau's—in hun woede over uw ontsnapping—haar vertelden, dat het hun plan was geweest om u te dooden, besefte zij ten volle wat zij had gedaan. Dat is alles, M'sieur. Ge weet wat er verder gebeurde. Zij durfde u aan de Wekusko niet zeggen, wie uw vijanden waren, wantdie vijanden waren haar eigen vleesch en bloed en haar dierbaarder dan het leven. Zij hing tusschen twee groote liefdes, M'sieur—de liefde voor haar broeders en—”
Weer aarzelde Jean.
„Haar liefde voor mij,” voleindigde Howland.
„Ja, haar liefde voor u, M'sieur.”
De twee mannen verhieven zich gelijktijdig van hun zitplaatsen en een oogenblik bleven zij hand in hand staan in het rookerige licht van de lamp en van den dageraad. Geen van beiden hoorde hoe er op de deur geklopt werd, die naar de naaste kamer leidde; zij zagen niet hoe die deur zich zacht naar binnen opende en dat Meleese, als weifelend, op den drempel bleef staan.
Het was Howland, die het eerst sprak.
„Ik dank God, dat dit alles gebeurd is, Jean,” zei hij plechtig. „Ik ben blij, dat gij mij tijdelijk voor dien anderen John Howland hebt gehouden en dat Pierre Thoreau en zijn broers het plan smeedden om mij te Prince Albert of aan de Wekusko te dooden, want als dit alles niet was gebeurd, dan zou ik Meleese nooit ontmoet hebben. En nu, Jean—”
Zijn ooren vernamen een zacht geritsel en zich omwendend, zag hij nog juist hoe Meleese behoedzaam trachtte weg te sluipen.
In een ommezien volgde hij haar, terwijl Jean bij de tafel bleef staan. Door de deur viel alleen de schemering van den grijzen morgen, maar dat was hem voldoende om de gestalte te onderscheiden van haar, die hij liefhad en die—zich half omwendend—op hem scheen te wachten. Met een kreet van vreugde sprong hij vooruit en sloot hij haar vast in zijn armen.
„Meleese—mijn Meleese!—” fluisterde hij.
En daarna kwam er geen geluid meer uit die tweede kamer, die door den dageraad werd verlicht, maar Jean Croisset, die nog steeds bij de tafel stond, mompelde zacht: „Onze Lieve Vrouwe zij geprezen, want het komt uit, zooals Jean Croisset het gewenscht had—en nu kan ik weer teruggaan naar mijn Mariane!”
INHOUD.Bladz.Hoofdstuk I.De Sneeuwjonkvrouw5„II.Lippen, die niet spreken12„III.De Geheimzinnige Overval20„IV.De Waarschuwing26„V.Een Middernachtelijk Bezoek37„VI.De Liefde van een Man53„VII.Het opblazen van de coyote62„VIII.De Ure des Doods73„IX.De Samenkomst81„X.Een sledevaart het Noorden in87„XI.Het Huis van den Rooden Dood98„XII.Het Gevecht110„XIII.De Vervolging118„XIV.Een Lichtstraal126„XV.In het Slaapvertrek139„XVI.Jean's Verhaal150„XVII.Meleese163
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 7GregtonGregsonBlz. 23reddenreddeBlz. 36,[Verwijderd.]Blz. 59hakkentakkenBlz. 66[Niet in Bron.]”Blz. 72[Niet in Bron.]”Blz. 91bezorgdverzorgdBlz. 91ge[Verwijderd.]Blz. 95[Niet in Bron.]„Blz. 98ommetelijkeonmetelijkeBlz. 126[Niet in Bron.]„Blz. 131”[Verwijderd.]Blz. 137[Niet in Bron.].Blz. 144,[Verwijderd.]Blz. 146stiettenstietenBlz. 155vechtvochtBlz. 156,[Verwijderd.]Blz. 159[Niet in Bron.]„Blz. 169dicht geknependichtgeknepenBlz. 170[Niet in Bron.]”Blz. 172[Niet in Bron.],
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: