Een paar jaren later, ik stond juist op 't punt van naar huis te gaan, kwam de jongste bediende mijn privé-kantoor binnen met een visitekaartje en de boodschap: of u een oogenblikje te spreken is?
—Zeker! Zeker! laat mijnheer dadelijk binnenkomen. Ik lei mijn hoed en handschoenen naast mij neer en trok haastig mijn overjas weer uit, omdat ik, naar ik meende, een Wethouder der gemeente, die mij de eer van zijn bezoek gunde, niet in haast mocht ontvangen.
Terwijl de deur voor den bezoeker geopend werd, hoorde ik in het voorkantoor een onderdrukt gelach, dat mij zeer ongepast scheen, maar zoodra ik den binnentredende zag, begreep ik alles. Holtsman stond voor me, even theatraal en gewichtig als vroeger, maar ouder geworden en nog meer vervallen. Hij droeg een wijde manteljas en hield zijnmijbekenden, hoogen grijzen hoed in de hand.
—O, is u 't?
—Om u te dienen. Een onberispelijke buiging volgde.
—Maar?... ik keek op 't visitekaartje ... ik dacht?
Vóór ik verder spreken kon, was hij mij genaderd en nam met een snelle, maar zeer beleefde beweging, voorzichtig met duim en vingertop, het kaartje uit mijn hând:
—Permitteer mij, dat ik mijn talisman weer tot me neem? Hij borg het kaartje zorgvuldig weg. Ik zou 't voor geen geld ter wereld willen missen, want het is mijn Sesam-open-u?
—Aha!—nu begrijp ik 't—uw gewone truc.
—Noem het, zooals u wil, mijnheer, maar 't is voor mij een levenskwestie, dat ik persoonlijk toegang krijg tot menschen van positie en stand. Och, ik ben wel genoodzaakt zoo'n handigheid te baat te nemen, de meeste heeren zijn zoo ongenaakbaar; 't is, alsof men bang is voor een artist.... Ik kom u een vriendelijk verzoek doen. Zijn glimlach werd zoetelijk.
—Geeft u soms weer een benefiet?
Holstman keek mij min of meer verwijtend aan, strekte de handen, artistiek gebogen, als afwerend uit, wendde zijn gelaat, waarover een smartelijke trek gleed, een paar seconden af en zei:
—O, ik bid u, herinner mij niet aan dien vreeselijken avond. Ik ben dàt leed nòg niet te boven; ik tràcht te vergeten, maar ... ik-kan-niét, helaas! En na eene kleine kunstpauze:
—N-neen! ik speel niet veel meer, en toch leeft hier,—hij tikte zachtjes met den rechter-middelvinger op zijn borst—hier, in 'tdiepste van mijn binnenste, lièfde voor de kunst; de denkende artist sluimert slechts een wijle, omdat—voorzichtig rondziende, alsof hij in een verradersrol op de planken stond: ... Zijn wij hier alléén?
—U kan vrijuit spreken.
—Welaan dan!... omdat de lijfelijke mensch behoeften heeft. Ja, meneer! 't is treurig, maar ik ben weer in den handel moeten gaan. O! 't is met een blos van schaamte, dat ik 't beken: mijn hart bloedt, mijn geheele kunstenaarsziel komt in opstand maar ... ik heb een familie, die eten moet.
Met een mooi tragisch gebaar één hand voor de oogen brengend en in zijn stem een bitter droeve klank leggend herhaalde hij:—Een huisgezin, dat fatsoenlijk wil blijven. Ik wil het niet voor iedereen weten, dat ik ... God het is zoo hard om te zeggen ... een kleine negotie heb. Men kan immers nooit weten of ik niet weer op het niveau kom, waar ik thuis hoor. 't Publiek zal toch wel ééns genoeg krijgen van al dat moderne gespeel, en van die kopjes-thee-stukken, maar "en attendant" moet men leven—dat's logisch niet waar?
—Zeker!
—Daarom kom ik persoonlijk "en privé"—bij de chefs van groote firma's, bij bekende kunstbeschermers en menschen van hoogere ontwikkeling. Hun durf ik vrijmoedig naderen en vragen, ... zijn stem daalde tot fluisteren:—Zou u van een miskend artist niet een doosje stalen pennen en wat postpapier willen koopen?
Toen sloeg hij zijn wijde manteljas open en ik zag, dat hij er een reistaschje onder droeg.
Haastig nam hij er een paar doosjes pennen en een pakje postpapier uit, lei een en ander op mijn schrijftafel en zei met gebogen hoofd en afgewend gelaat, zuchtend:
—Ze kosten me ingekocht één gulden ... ik laat met gerustheid aan u over, wat u er voor betalen wil ... ik ben geen handelsman.
—Meneer Holtsman, u is een diplomaat!
Ik accepteerde de pennen en 't papier en gaf hem een klein bedrag. Met weergalooze nonchalance liet hij 't zonder na te zien, hoeveel 't was, in zijn zak glijden, boog eventjes en zei als ter loops:—Dank u zeer! Toen langzaam:—Mag ik nog iets vragen?
—Welzeker!
—Heeft u ook soms copiëerwerk voor me—ik zou het 's avonds best kunnen doen; ik schrijf een mooie, loopende hand en grammaticaal.
—'s Avonds? Is u dan heelemaal van 't tooneel af.
—Ja!—dat is te zeggen: Neen!... Ik ... zijn stem trilde iets en, naar 't mij toescheen, ditmaal echt. Zelf speel ik voorloopig niet meer. Er is tegenwoordig geen plaats voor 'n denkend kunstenaar van rijpe ervaring; ze hebben liever jonge, grasgroene schreeuwers, die in de broeikas zijn gekweekt.
—In de broeikas?
—Scholieren van de Tooneelschool, meneer! Bah, wat zijn 't in den regel? Papegaaien, die nabouwen wat 'r lui wordt voorgesnaterd—van créatie geen spoor! Ik gevoel me ver boven zulke ... enfin! boven zulke quasi-beschaafde kakatoes ... maar vooralsnog kun je tegen destrooming der tijden, de opinies van Regies en Directiën niet op. Ze hebben me hier en daar willen hebben voor figuratie en voor—hij haalde de schouders verachtelijk op—voor sloome-duikelaars-werk.
—Duivelstoejager! Merci! Daarvoor is Holtsman te veel artist ... maar je familie, hè? Ze voelen dat niet, ze houën d'r hand op, alle weken, zonder te vragen, hoe je er aan komt. Enfin! 't is niet anders; ik heb dus maar genomen, wat ik krijgen kon.... Och! u kan ik 't wel zeggen: ik souffleer tegenwoordig!
—Wel zoo en waar!
—Nu eens hier, dan weer dáár—ook niet alle avonden geregeld. Onlangs ben ik zes weken op Tournée geweest in de provincie; kermis te Groningen—een série voorstellingen te Zwolle, Kampen, Assen etc. 't Is niet gemakkelijk om de eindjes bij mekaar te houden, meneer! Vijf dochters thuis, gezonde eters. Ja! en daarom copiëer ik al muziek, schrijf rollen uit en van tijd tot tijd régisseer ik bij liefhebberijgezelschappen. 't Zijn wel meest kantoorbedienden- of werkliedenvereenigingen, maar die eenvoudige lui appréciëeren je, hè!—Zulke avonden zijn de oasen in mijn levenswoestijn.
—Is er nog geen van uw dochters getrouwd?
Zijn gelaat betrok, toen hij antwoordde: Ja, helaas! en zuchtend:—De oudste, maar zij is alweer van haar man af—'n gemeene dronken lap, die 'r met een kind van drie maanden gewoon heeft laten zitten,—Ja, ja! die heb ik nu ook op m'n dak! 'k Heb nog een schoolgaand meisje en dan één jongen, 'n stumperd.
—O, ja! dat 's waar, hoe gaat het met hem?
Holtsman's oogen kregen meer uitdrukking, zijn fletse wangen kleurden even en een klein lachje omspeelde zijn vale lippen, toen hij, een pas naderbij komend, bijna verheugd zei:—Ik geloof nu dat er eenige kans is, dat Karel iets zal leeren zeggen. 'k Heb 'm in een inrichting, meneer! al bijna 'n jaar! 't Is goed voor den stakker, maar ik mis hem zóó,—alle dagen! Van de anderen nam hij geen notitie, maar voor mij was ie een-en-al hartelijkheid.
—Zoo'n behandeling is duur. 'k Moet alle weken zes gulden vijftig voor 'm betalen—'t is een heele boel—en als je nu overal nog maar je négotie kon aanbieden, maar al ben je nu ook nog zoo volkomen vader—je kunt je als artist toch niet heelemaal vergooien. Zondags mag ik Karel altijd zien. Ik vind wèl, dat hij iets vooruit gaat. Enfin, ik ben eigenlijk niet heelemaal bevoegd tot oordeelen, want: ik verstond hem, zoo gezegd, van z'n geboorte af, maar hij dient toch voor anderen ook verstaanbaar te zijn ... als ik er eens niet meer ben.
Och, ja!—hij knoopte zijn manteljas langzaam over zijn taschje dicht,—ik heb veel, heel veel bittere décepties in mijn leven ondervonden ... als ik nu ten minste maar die ééne satisfactie mocht hebben, dat mijn jongen 'n beetje spreken leert.
—Ik help 't u wenschen.
—Dank, innigen dank! Eensklaps verviel hij weer in een tooneeltoon, Met een zekeren zwier nam hij zijn hoed, boog achteruitgaande, bereikte de deur en zei vóór hij vertrok:
—Als de Hemel 't wil geheugen, zult u me wederzien, mijnheer!
"Sechs Uhr! Stehen sie gefälligst auf? roept de huisknecht van "'t Römerbad" aan mijn kamerdeur.
"Oah!" ik gaap en wordt wakker.
"Sechs Uhr! Ihr Bad ist bereit!"
"Jawohl, gleich! Wie ist das Wetter, Christiaan?"
"Regenwetter, meinherr,—Regen! immer Regen!"
Ik hoef het eigenlijk niet te vragen; ik steek slechts even mijn hoofd om 't hoekje van mijn bed en ik zie genoegzaam hoe 't weêr is, door 't vale grauwe licht; dat tusschen de reten van de gesloten stores binnenvalt.
Ik sta op; 'k heb het land door al het water, dat ik hoor neervallen, ik trek mijn kousen en mijn chambercloack aan. Ik gaap nog even en stoot knorrig raam en store open. Ik kijk naar de lucht, ze is grauw, grijs. De regen slaat mij in 't gezicht, want 't waait vrij sterk. "De Kochbrunnen" vlak voor mij dampt en borrelt; de "Brunnenmädchen" staan achter de tafels op haar post. De eene heeft een wollen doek om, dat maakt mij kwaad: een "Brunnenmädchen" met een zielenwarmer om! Ik kan er niet naar kijken—de andere heeft een leelijken wipneus—goeie hemel! wat een wipneus! 't regent er in.
Dat had ik gisteren toen 't mooi weer was niet eens gezien. Hoe meer ik naar de lucht kijk, des te knorriger word ik! 't Is of de zon een vieze, grauwe slaapmuts op heeft—net als die vent, die hierover in "der Europäische Hof", uit het raam ligt.—Bah; wat een ordinair gezicht: wat kijkt die kerel knorrig als hij gaapt.—Heer in den hemel! wat heeft die man leelijke tanden; 't is of ik in een kolenhok kijk.—Hou je mond toch dicht, akelige vent: daar gaapt hij waarachtig al weer.
Ik kijk er niet meer naar; 't eene bronnenmeisje ziet mij aan 't venster staan. Ze knikt mij toe, kijkt omhoog naar de lucht, trekthaar mondhoeken omlaag en schudt met het hoofd, haalt de schouders op, knikt mij nog eens toe en geeft aan een magere Engelschman, die met den kraag van zijn demi saison omhoog voor haar tafeltje staat, een glas "Kochbrunnenwasser".
Wat een misselijke vent is die Engelschman; hij heeft een paar voeten als strijkijzers; 't is precies een lat met een demi-saison aan. Daar komt een juffrouw bij hem staan; zeker zijn dochter, want ze is even plat en houterig als hij. 'k Zie aan haar lippen dat ze "morning" zegt. Hij draait zich even om, zegt iets dergelijks en slurpt zijn glas leeg.
Wat ziet die Trinkhalle er saai uit—er is nog niemand anders in dan drie natte droogstokken.—Ja! toch wel; heelemaal aan 't eind er van zie ik een parapluie, die neêrgedaan wordt.—Er waggelt iets nader; 't is die vette Sakser, dien ik gisterenavond in de restauration Engel een portie haché (Gulasch) zag eten, om tien uur 's avonds.—Hoe kan iemand 't verdragen.—Almachtig! wat is hij dik; met zijn grijze paletot lijkt hij nog dikker; compleet een bal.
't Is kil in de lucht en toch transpireert die vent.—Zooveel vet op mijn nuchtere maag, bah! ik kan 't niet velen—ik doe m'n raam dicht, maar 'k hoor hem nog juist zeggen: "Ai, Herr Chjaeses! was e Wetter!"
.........................................................................
Voor het gesloten venster blijf ik nog een oogenblik staan, want ik zie dien langen, beenigen schoolmeester uit Barmen, die aan de table d'Hôte altijd water drinkt, aankomen.—Hoe is 't mogelijk, dat iemand zoo 'n hoed kan dragen—een bol van lage drukking en een rand als een duivenplat. Wel zeker! Herr, ga je gang maar! staat alléén bij de bronnenmeisjes en geeft de knapste stiekum een handje. Ga gerust je gang, oude zondaar, je vrouw ziet 't immers niet—ze zit zeker thuis met een dozijn kinderen.—Zeg eens, hei! niet zoo erg familiaar—hij knijpt haar in de bolle wangen.—Och 't is maar een eenvoudig kneepje—hij denkt er niets bij, de brave man is geheel zonder erg; dat kun je wel aan zijn gezicht zien, want hij trekt een pruimensnoetje;—Schlechtes Wetter, ach! furchtbar, zum verzweifeln"—ik hoor het niet, maar ik zie, dat het Brunnenmädchen het zegt.
'k Ga in "chambercloak" mijn kamer uit: de barometer in de vestibule is alweer gedaald, ik tik er op:—hij gaat nog een eindje terug. Een miserabel ding, die barometer.
"Morgen!" zegt de portier.
"Morgen!"
"Miserabeles Wetter, Meinherr!"
"Jawohl!"—nare vent, dat zie ik zelf immers wel.
Voordat ik de trap naar 't badhuis afga, komt mij de Oberkellner tegen met een blad vol koffiekoppen en broodjes.
"Morgen!"
"Morgen."
"Unglückseliges Wetter!"
"Jawohl!"—Ringelingeling! klinkt een kamerschel naast mijik schrik er van,—dom dat ze hier nog geen electrische schellen hebben!
De Oberkellner ziet naar 't bruine klepje, dat aan den deurpost No. 16 is opgeslagen en roept: "Zimmerkellner, auf 16 hats geklingelt." De Zimmerkellner is er reeds en zegt, terwijlhijin No. 16 enikin 't badhuis ga: "Hundewetter heute!"—Weet je niets anders, kerel?
De warmte der baden komt mij bij het binnentreden tegemoet; zij doet me goed, anders puf ik er van.
De "bademeister" doet mijn badkamertje open.
"Morgen Herr!"
"Morgen Bademeister!"
"Scheussliches Wetter heute."
Flap! ik gooi de deur van 't kamertje achter mij toe.
't Bad komt mij veel te warm voor, veel warmer dan gisteren.
"Bademeister!"
"Gefälligst!"
"Mein Bad ist zu heiss."
"Bitte sehr? 27 grad präcis!"
"Unmöglich!"—de badmeester komt bij mij binnen.
De bad-thermometer overtuigd mij dat ik ongelijk heb.
"Sie haben doch Recht, Bademeister!"
"Sie finden es wärmer, weil es heute draussen kühler ist durch den Regen."
'k Blijf alleen, tot aan den hals in het warme water.
Achter mij hoor ik een dakgoot loopen, en 't kletteren van den regen op een plat. Regelmatig niet te hard, niet langzaam maar zonder ophouden klettert het voort; 'k word er melankoliek van. En tusschen dat geluid door, hoor ik het choraal "Jesu meine Zuversicht" dat de muzikanten bij de Trinkhalle spelen.
't Choraal stemt mij anders aangenaam, ik hoor het zoo graag; nu wordt ik er nog melankolieker door.
Zou ik al 20 minuten in 't bad zitten?
"Bademeister!"
"Sie befehlen?
"Sinds es schon 20 Minuten?"
"I bewahre; noch kleine zehn!"
Ik hoor de deur van 't Badhuis opengaan.
Hè, wat piept die deur, waarom smeeren ze hier die scharnieren niet! olie is toch goedkoop.
"Uche! uche! uche!" dat is die oude heer van No. 3—ik herken hem aan zijn volheid op de borst, ik logeer in No. 2 en hij heeft me al een paar maal uit den slaap gehouden!
"Uche! uche!—Uche! morgen!—uche!"
"Morgen Herr Schwiepelmeier?"
Kristenenzielen wat een naam! wie heet er nu Schwiepelmeier?
"Uche!—Morgen Bademeister, hundsgemeines Wetter"!
"Jawohl Herr—Schwiepelm...."
Ik hoor niets verder, want ik trek aan 't touwtje naast mij en ik krijg mijn douche. Brrr! wat is die koud van daag.
De reactie is voorbij, mijn huid begint te gloeien, ik grijp mijn badlaken en wikkel er mij in; ik wrijf, ik schuur, ik zaag met de ruwe oppervlakte langs mijn rug en ik word droog.
Buiten is 't des te natter.
Ik kom terug in mijn kamer, en ga curgemäss weer te bed. Eerst kijk ik nog even naar de Trinkhalle. Een hoop natte in elkander gedoken menschen staat voor de muziektent; natte parapluis, opgespannen, dichtgeslagen en druipende regenschermen en anders niet. Er komen meer parapluies, meer menschen, dames en heeren, ze kijken allen naar de lucht en ze schudden allen op ongelijke wijze en op verschillende oogenblikken het hoofd.
't Is lekker om nog even in bed onder de wollen deken te kruipen—behaagelijk rek ik mij uit, mijn oogleden worden zwaar.
Buiten speelt de Curmuziek,—"Am schönen blauen Donau"—in gedachten wals ik in mijn bed mede; 't is me alsof ik draai—ik dommel in en ik droom van ... mooi weêr.
9 uur.—Ik ontbijt; de thee smaakt mij niet. Zouden ze hier in Duitschland dan nooit leeren hoe men thee zet;—'k heb een duf ei bij mijn brood. Bah! ik schei er uit. Ik ga mijn bottines aantrekken en de deur uit—om mij te laten scheren.
Van de stoep van 't Römerbad tot aan den winkel van den coiffeur Rosener op den Kranzplatz is een kippeneindje—ik druip als ik er binnen kom.
"Rasiren?"
"Bitte!"
Onder 't inzeepen maakt de barbier de gloednieuwe opmerking: "Schlechtes Wetter heute!"
Als een wandelende dakgoot treedt, na mij, een Pruisische luitenant binnen.
"Janz verfluchtes Wetter! Aèh!"
"Jawohl Herr Lieutenant!"
"Aèh!—Ziehen sie mir den Scheitel janz durch."
"Zu befehl Herr Lieutenant."
De kapper trekt met den kam een scheiding door de donkerblonde stekelharen van den Germaanschen Mars, zoodat zijn hoofd er uit ziet als een gespleten wilde kastanje.
"Thun sie mir etwas mehr Harzpomade im Haar; bei diesem verfluchten Regenwetter hält die Frisur sonst nicht."
"Zu befehl Herr Lieutenant."
De kapper smeert minstens een decagram of vijf cosmetique in des krijgsmans lokken, zoodat diens hoofd glimt als een gepolitoerde deurknop.
Wel tien of twaalf klanten komen gedurende den tijd, dat ik onder 't mes zit, binnen en evenveel keer hoor ik geestige opmerking dat 't slecht weer is.
Als ik buiten kom, stortregent het niet meer; 't is geen bui meer, maar 't is een regen voor den geheelen dag geworden.
Langzaam met dunne stralen, maar dicht, onverdroten en onverpoosd vliedt het hemelwater neer. De dakgooten stroomen over; destraat is hier en daar in een beek herschapen. De hemel is egaal loodkleurig, er is geen denken aan dat er kans is van ophouden; de wolken zijn het volkomen eens.
Ik loop even naar het postkantoor: mijn parapluie begint iet of wat door te regenen; mijn schoeisel wordt week.
In de "Langgasse" ontmoet ik een paar boerinnen.
Ze houden haar rokken buitengewoon hoog op, haar kousen lijken op alles behalve op wat ze zijn.
De zware mand op haar hoofd houden ze met de eene hand vast, met de andere zijn ze voortdurend bezig, om haar neus af te vegen, want op dat lichaamsdeel verzamelen zich alle druppels, die van den rand der korf en uit haar hoofddoek lekken.
Zij spreken met elkaar over——den regen, over slechten oogst, zieke aardappelen, dure boter en schaarsche eieren. Mijn parapluie begint zeer onaangenaam te worden, zij heeft bijna 't onmogelijke gepresteerd, maar 't gaat haar vervelen, zij kan met den besten wil niets meer doen. Aan de punten der baleinen zijn kleine watervallen ontstaan en bovenaan bij den stok is een opening in een der naden gekomen; dikke droppels vallen er doorheen op mijn hand.
Wat ziet er alles op straat vies en grauw uit; 't is of de huizen grienen.
Een vrachtwagen komt mij te gemoet, de remketting rammelt veel doffer dan gewoonlijk en de wielen maken een geluid als 't rad van een watermolen in de verte. De voerman heeft een blauwen kiel aan, die zwart ziet door de nattigheid. Hij klapt met de zweep, maar 't is geen knal meer zooals anders, een knal scherp en kort, zoodat men onwillekeurig opspringt. De vochtigheid van de lucht dempt het geluid, dat dof en saai klinkt, alsof men met een beddekussen slaat.
"Ho!"—het paard staat stil, geduldig, met den kop diep gebogen, alleen schudt het nu en dan met de ooren als een bijzonder dikke regendroppel er in valt en zijn staart is een hevel geworden. De voerman staat op de stoep van een huis, neemt zijn druipenden hoed af, slaat hem uit, ('t is monnikenwerk!) krabt zich even achter de ooren, haalt den roodbonten zakdoek uit den broekzak en droogt er zijn gelaat meê af.
De eigenaar van het huis, waarvoor de kar stilstaat, komt naar buiten, bromt, pruttelt en haalt eindelijk de schouders op.
De voerman begint de steenkolen, die hij bezorgen moet, af te laden, en weldra heeft de huisheer een groote zwarte plas op zijn stoep, in zijn gang en op zijn trappen.
Op de trottoirs glimt het asphalt alsof het vernist was, een paar oude juffrouwen staan onder een parapluie te babbelen, haar deert de regen niet; babbelen moeten zij, al ging de wereld ook onder.
Ik caramboleer met een anderen parapluiedrager.
"Pardon!"
"Entschuldigen Sie!"
"Bitte!"
Voor den winkel van een koopman in parapluies sta ik even stil, ik ben in twijfel of ik de mijne ook zal laten repareeren—daarom kijkik naar binnen.—'t Is om woedend te worden, daar staat de eigenaar met een van pleizier glimmend gelaat achter zijn toonbank en ziet naar de lucht.—De gemeene vent lacht met z'n geheele gezicht.
Goddank! 't is eindelijk één uur geworden—de table d'hôte zal me eenige afleiding geven.—Ik kom naast een allerliefste jonge dame te zitten van plus minus zeventig jaar, met een teint als een sinaasappel en een gezicht, alsof zij er al haar leven meê te koop heeft geloopen. Over mij zit nog zoo'n exemplaar, maar met meer levervlekken, daardoor denk ik aan de schaal van een schildpad—en krijg plotseling een aversie voor de potage á la tortue.
In stilte maak ik de opmerking dat het damespersoneel aan de table d'Hôte over 't algemeen veel heeft van een muséum van antiquiteiten en ik word sterk herinnerd aan de mummies te Leiden.
Mijn appetijt is zoo goed als weg, maar toch eet ik.
De gesprekken aan tafel zijn aangenaam en leerrijk tevens.
"Furchtbares Wetter."
"Oh! entsetzlich!"
"Es regnet heute wie verrückt."
"Touren kann man nicht machen durch diesen abscheulichen Regen."
"Ich reise ab wenn es nicht besser wird!"
"'s Ist fast nie zum aushalten"
"Mein Koffer ist schon gepackt!"
"Ich bin sechs Wochen hier, und immer Regen! Regen!"
Een vrouw met rozen komt binnen:
"Rosen gefällig meine Herrschaften."
De stumperd druipt en maakt de ruggen der gasten aan tafel nat.—De kellner zet haar de deur uit.
De tafel duurt veel langer dan gewoonlijk, want niemand heeft haast; clubjes heeren zitten na het dessert bij elkaar, rook sigaren en drinken champagne. Ik ken geen dier clubjes en uit verveling ga ik naar mijn kamer.
Mijn rechter voet is nat geworden, de naad der bottine is gebarsten, ik trek andere kousen aan, ga op mijn kanapée liggen, doe mijn oogen dicht en kan niet slapen.
Ik neem een boek, 't helpt niet—op het boekenrekje in mijn kamer, staat een bundel "Predigten vom Superintendent Zäh"—ik lees er in—helaas! zelfs daar slaap ik niet van.
't Is om radeloos te worden—ik spring op—neem een pen en papier, steek een nieuwe sigaar op en begin te schrijven, waarover? Natuurlijk over den regen, over iets anders te schrijven zou vandaag positief onmogelijk zijn geweest.
.........................................................................
't Is den hemel zij lof, prijs en dank negen uur 's avonds geworden, ik berg mijn schrijfmap op en ik ga naar moeder Engel's restauratie om een glas bier te drinken.—ik ontmoet daar kennissen die ook pruttelen....
.........................................................................
11 uur.—'t Regent nog steeds. Ik ben weer te huis, maar door en door nat.
Half elf 's morgens: de Thermometer wijst 28° in de schaduw.
Ik zit amechtig op een stoel voor de Restauratie op den Neroberg. Mijn hoed weent innerlijk tranen van medelijden over mijn dwaasheid om bij een dergelijke temperatuur dien berg te beklimmen. Mijn voorhoofd glinstert als ware het met diamanten bezet, mijn zakdoek wischt ze weg, te vergeefs; de zon doet telkens nieuwe ontstaan.
Daar nadert iemand, ik herken hem, 't is een kurgast evenals ik. Zijn hoed houdt hij in de eene, zijn zakdoek in de andere hand; beurtelings wijft hij zich koelte toe en droogt zich voorhoofd, slapen en hals.
Hijgend en blazend knikt hij mij toe en neemt, ademloos tegenover mij, op een stoel plaats. Eindelijk puft hij:
"Benauwd warm vandaag, meneer! 28° in de schaduw, 't zal in de zon wel 32° wezen—neen! zoo'n hitte geef ik present; met zulk weer is 't in Wiesbaden niet uit te houden—dan is 't hier precies een ketel, een braadpan...."
"De mensch is toch nooit tevreden; verleden week, toen we elkaâr toevallig aan tafel ontmoetten, pruttelden wij om 't hardst over den regen."
"O! maar toen was 't óók niet om uit te houden; zoo'n regenachtige dag hier, is om dood melankoliek te worden, dan nog liever 28° in de schaduw. U is zeker ook hier gekomen om lucht te zoeken?"
"'t Was mij te warm in mijn kamer, ze ligt vlak tegenover den Kochbrunnen en heeft den geheelen dag zon...."
"Een lief plekje hier op den Neroberg, prachtig uitzicht."
"Heerlijk! 'k heb 't al wel twintigmaal gezien, maar telkens ga ik er weer naar toe.—Zouden we niet wat verder gaan zitten? 't Wordt hier al weer te zonnig onder de veranda; in de schaduw is het beter...."
"Laten we dan gaan verzitten, mijnheer!"
"Best.—Kellnèr!—'t Is hier onder de veranda waarlijk nog benauwder, 't schijnt wel alsof de hitte hier nog meer hangen blijft.—Kellnèr!—Wat zijn die kellners lui vandaag."
"'t Is ook zoo warm, moet u denken—je kunt het die menschen haast niet kwalijk nemen.—Ah! daar komt er een.—allemachtig wat transpireert die vent!"
"Sie wünschen?"
"Bringen Sie mir eine halbe Rauenthaler...."
"Goeie hemel, drinkt u Rijnwijn bij die hitte?"
"Waarom niet?..."
"Rijnwijn maakt zoo warm.—Bier is veel beter...."
"Bier? Wie viel, zwei Glas?"
"Bier neen! daar wordt je eerst recht benauwd en opgezet van...."
"Eigenlijk heeft u gelijk. Haben Sie Selterswasser?"
"Gewiss! künstliches und echtes."
"Bringen Sie mir eine Flasche Selters, echtes, aber recht kalt."
"Mir auch! und etwas Eis dazu."
"Schön—"
"In einem kühlen Grunde
Da geht ein Mühlenrad,
Mein Liebchen ist verschwunden
Dass dort gewohnet hat"
zingt uit de verte een frissche heldere stem.
"Hoe is 't mogelijk dat iemand bij zoo'n hitte van "einem kühlen Grunde" kan zingen—'t klinkt als een parodie op de 28°."
Met zijn jas over zijn stok, zijn stroohoed aan het élastiekje over den anderen schouder hangend, nadert de jeugdige zanger, gevolgd door twee andere blonde Duitschers. Hun vesten hangen open en de veelkleurige bretels zijn zichtbaar. De drie gezichten glimmen en van een hunner, een dikkert, die bepaalt 90 kilo weegt, zweemt de gelaatskleur naar 't violet.
"Bier her!—Bier her! Oder ich fall um—" hijgt de zanger, terwijl hij, niet ver van ons, met zijn makkers plaats neemt.
De kellner brengt ons Selters water.
"Wünschen Sie auch etwas zu speisen?"
"Eten, bij die hitte?" ik zie mijn vis-à-vis aan; hij mij.
"Eten?—ik stik als 'k er aan denk."
"Geef me water.—Hé! dat smaakt—dat is lafenis!"
Nu krijgt ook het drietal bier en in één teug ledigen zij de glazen, terwijl zij met de lippen smakkend eenparig uitroepen: "Bringen Sie gleich noch drei Gläser."
"Und etwas Göttinger Wurst dazu?" roept de dikkert den kellner na.
Goeie Hemel, worst bij zoo'n hitte; ... de gedachte aan worst maakt me onwel. Dat Selterwater is overheerlijk.
"Drink niet te snel mijnheer. 't Water is ijskoud."
"Heerlijk!" hij smakt met de lippen—"verrukkelijk!"
Een pauze.—
De Germanen trekken hun vesten uit—en bestellen nog meer bier.
"Puff!—ik geloof dat men van dat water nog warmer wordt.—'t Is eigenlijk gekheid om bij deze temperatuur op den Neroberg te gaan zitten.—Ik had wel lust om even naar Biebrich te sporen endan dood kalm en rustig aan den Rijn te gaan uitblazen. Gaat u meê"
"'t Is geen kwaad idée; heeft u een spoorboekje?"
Er gaat een trein om kwart voor twaalf. Dien kunnen wij nog best halen, wanneer we nu dadelijk opstappen en de tram nemen van Beausite af."
"Komaan! dan vooruit!"
Wij betalen onze vertering en dalen langzaam den berg af.
Heerlijk schoon is het bosch ... maar warm, ontzettend warm. De beukeboomen beschutten niet meer voor de zonnestralen, ze zijn er als 't ware door verzadigd en geven nu op hun beurt weer een gedeelte der opgenomen hitte af. Toch is 't niet zulk een benauwde warmte als onder de veranda, want 't hout geurt en hier en daar op een open plek, komt de fijne reuk van pas gemaaid hooi ons te gemoet.
Onder de veranda rook het naar uien.—Bah!—die eeuwige uien in Duitschland zijn onverdragelijk—en vooral bij 28° in de schaduw is Zwiebelgeruch verfoeielijk.
"'t Afdalen is ook niet verfrisschend, mijnheer."
"Ik weet waarachtig niet wat 't ergste is. 'k Benen nage."
"Kijk! daar loopt een eekhoorn."
"Waar?"
"Over den weg—dáár! dáár! hij gaat tegen den dikken beukeboom op—'t is heusch of het diertje 't meer op zijn gemak doet dan anders."
"'t Zal het ook warm hebben."
We volgen een oogenblik met de oogen den vluggen klimmer, die eindelijk op een vooruitstekenden tak, hoog boven ons, met den staart omhoog blijft zitten en ons met zijn kleine schrandere oogjes aankijkt alsof hij zeggen wil:—"Ik lach jelui uit, ik zit hier lekker tusschen de bladeren en ik heb 't lang niet zoo warm als je wel denkt."
't Is buitengewoon stil in het bosch, geen vogel tjilpt, het schijnt wel alsof ze slapen, een enkele spreeuw vliegt even op tusschen het kreupelhout, gaat een eindje verder weer zitten en pikt onbekommerd over onze nabijheid in zijn vleugels.
Een oud moedertje met een ontzettend grooten bos dood rijshout op het hoofd, kruist onzen weg, ziet ons, haar tandeloozen mond tot een vriendelijken grijns vertrekkend, aan, strekt de magere hand uit en vraagt: "Lieber Herr! schenken Sie mir etwas, bitte?"
"Groote Hemel, bij 28° hitte met een vracht hout op 't hoofd, 't is om medelijden te hebben. Daar moedertje."
"Segne's Gott lieber Herr!"
In de verte hooren wij de schel van de tram.
We bereiken haar nog juist, en vinden, vóór bij den koetsier, een plaatsje.
"Verkwikkelijk zoo'n ritje."
Heerlijk blaast ons de lichte wind, door 't voortrollend voertuig geboren, in 't gelaat, maar och! die arme paarden, ze zijn eigenlijk bruin van kleur, af neen! de eene is een vos, maar ze zien tot bijna over de helft van hun lichaam zwart; zwart door de vochtigheid, die met ongestemde kracht uit hun huidporiën dringt. De conducteur glimt als een tomaatappel, als hij uit het binnenste van de tram komt om ons geld in ontvangst te nemen.
Nu en dan schuift een der ongelukkigen, die binnen-in zitten, de deur achter ons open, om in 's hemels naam een aasje verlichting te hebben, maar telkenmale doet een hoestend, uitgedroogd, lederachtig mannetje de deur weder dicht, met de opmerking, dat hij geen tocht verdragen kan, en dat 't waarlijk niet zoo erg warm is.
Juist bijtijds bereiken wij het station, nemen kaartjes en stappen in de 2e klasse.
"Groote hemel, meneer! dat's positief niet uit te houden, dat's erger dan een bakkersoven," roept mijn reismakker uit, als hij 't portier van een "Nichtrauchercoupé" opent.
Geen wonder; de zon heeft met volle kracht op den stilstaanden wagen geschenen en de warmte daarbinnen minstens met 8° of 10° verhoogd; 't is alsof de hitte van een gloeiende kachel ons tegemoet komt.
"Ziet u wel meneer dat ik gelijk had om u te raden 3e klasse te nemen; bij deze temperatuur is...."
"Einsteigen meine Herren!"
"Wir wollen lieber dritter Klasse fahren!"
"Alles besetzt, einsteigen bitte!"
In 's hemels naam dan. Wij stappen in, steken ieder ons hoofd uit een der portieren, en rijden weg. We herademen, maar moeten onze hoofden terugtrekken, omdat onze oogen niet tegen zooveel stof bestand zijn.
"Die Billette, gefälligst?"
Een Duitsch conducteur zal steevast bij 2e klasse passagiers bovenstaande drie woorden gebruiken. Voor de 4e klasse bezigt hij alleen het woord "Billette?" In de derde klasse hoort men van hem "Die Billette?" terwijl hij bij 1e klasse passagiers vriendelijk vraagt: "Bitte gefälligst Billette vorzuzeigen?" Bij hem staat het aantal woorden dat hij gebruikt steeds in omgekeerde rede tot het No. der klasse waar hij zich bevindt.
Eindelijk zijn wij te Biebrich. Heerlijk, verkwikkend kabbelt de Rijn; verrukkelijk tintelt de zon in het water. Gartenwithschaft van 't Hotel "Zur Krone" vinden we een koel plekje.
't Is toch nog warmer geworden, want de zon staat in 't zenith, maar de koelte van 't water reageert tegen de zonnestralen. Mainz ligt links van ons, als in een lichten nevel gehuld. Het is alsof de lucht trilt van de hitte. De groene bergen aan weerzijden van den oever verkwikken ons oog. Wij herleven.
We moeten iets gebruiken, want de kellner nadert en vraagt beleefd:
"Sie wünschen?"
Wij nemen koffie—heete koffie!—'t is homéopatisch; waarlijk de koffie maakt ons niet warmer. Een paar kleine bengels van 10 of 12 jaar gaan vlak voor ons op hun hoofd staan en loopen op hun handen heen en weer, terwijl ze de naakte voeten omhoog steken.
Daar krijgen we het beiden bepaald benauwd van—verbeeld u eens, in de middaghitte van een dag, die 's morgens om halfelf reeds 28° in de schaduw had, op 't hoofd te staan; 't is om er een beroerte van te krijgen, alleen door het te zien.
We werpen hun wat geld toe en de jeugdige acrobaten verdwijnen, om elders weer te beginnen.
Wat is dat voor een boot, kelner? die daar van den kant van Mainz komt?"
"Dass ist der Lokaldampfer der nach Rüdesheim fährt!
"Naar Rüdesheim?
"Jawohl."
"Wie lange dauert die Fahrt?"
"Ungefähr anderthalb Stunde."
"Wat zou u er van denken," vraagt plotseling mijn reisgenoot, "indien we eens naar Rüdesheim stoomden—'t moet heerlijk zijn op 't water—we kunnen vanavond met 't spoor nog wel driemaal terug."
"Jongens meneer! we zitten hier zoo kalm en lekker."
"Ja maar op zoo'n boot is 't toch nog lekkerder, zoo midden op 't water, daar bekomt men. Als u er niets tegen hebt dan zou ik wel willen."
"Met pleizier! ik ga mee...."
Vijf minuten later zitten we op den Lokaldampfer en stoomen stroomaf naar Rüdesheim. 't Is vol op de stoomboot, tevergeefs zoeken we naar een aangenaam plaatsje onder de zonnetent.
Rustig vervolgt zij haar weg, door het blauwe water. De raderen wentelen onvermoeid voort en zweepen het schuim met kracht aan beide zijden omhoog. Nu en dan steunt en dreunt de boot, die niet van de nieuwste constructie schijnt, als viel het haar zwaar, bij de heete temperatuur, die zelfs op 't water heerscht, haar plicht te doen.
Soms blaast de schoorsteen plotseling hoestend en proestend een zwarte rookmassa uit, die over 't water blijft hangen en op onze gezichten zwarte moesjes plakt, die door de zweetdruppels veranderen in plekken, veel overeenkomst hebbend met inktvlakken.
De Rijn is buitengewoon kalm en rustig, en het eenige levensteeken dat hij geeft is een lichte rimpeling van zijn oppervlak, als hinderde het hem door het dampend en snuivend gevaarte te worden gestoord in zijn zacht gekabbel.
Een bonte menigte passagiers zitten, liggen en hangen op de banken, taboeretten en stoelen op het dek.
Allen zuchten, want niettegenstaande de boot vrij snel stroomafwaarts snelt, brandt de zon geweldig en puffen allen van de warmte, terwijl ze hun heil zoeken onder de zonnetent, de eenige plaats op het schip, waar schaduw is.
't Is nu bepaald 32° warm, want we hebben de volle middagzon.
Alles transpireert aan boord; de kapitein, de passagiers, de stuurman aan 't roer, de kelner die met zijn servet over den arm tusschen de reizigers heen en weer draaft, ja zelfs de planken van het dek zweeten een kleverige vloeistof uit haar naden.
Met innig medelijden zien wij de stokers aan, die beurtelings uit de machinekamer opduiken om een mondje vol lucht te scheppen.
"'t Is of 't gezicht van die zwarte kerels iemand nog warmer maakt!" zegt mijn reisgenoot.
"Bepaald, ik geloof zelfs dat zij hitte afstralen."
De kok kijkt met een gezicht als een pioen uit zijn kombuis. Zijn wit buis is door en door vochtig, dat zien wij als hij ons den rug toedraait om naar zijn pan met kalfscoteletten te zien.
Hoe is 't mogelijk om bij zulke hitte warme kalfscoteletten te gebruiken, vraag ik mij zelf af, als ik zie dat de kok met onnavolgbare snelheid de eene cotelet na de andere bakt, uit de pan pikt en met zijn niet overzindelijken duim en wijsvinger op de schaaltjes rangschikt.
't Is om er wee van te worden. Wanneer men de oogen sluit en den twijfelachtigen geur opsnuift, weet men waarlijk nietwatmen ruikt, want door de temperatuurhitte en noodzakelijke verhooging van 10° door de warmte van het fornuis, ruikt alles even vies, scherp en branderig. Ik geloof haast dat de vettige lucht der ranzige olie, die gebruikt wordt om de assen en krukken der machine te smeren en die uit het luik der machinekamer tot ons komt, nog de voorkeur verdient.
Onder de zonnetent praat iedereen over de hitte.
De een blaast naar links, de ander naar rechts, onophoudelijk zijn de zakdoeken en hoeden in de weer om koelte aan te brengen door er mee te wuiven. Gelukkig zij, die een waaier heeft.
"Entsetzlich heiss!" roept een bejaarde dame.
"Kolossal, piramidal!" schettert een luitenantje.
"Unausstehlich, fürchterlich!"—zucht een jong meisje met een hoed à la Kate Greenaway op—en beschut door het reuschachtige gevaarte, dat haar lief jong gezichtje niet al te bevallig omgeeft—maakt ze ter sluiks een knipoogje tegen een heer, die tegenover haar, met een monocle in 't oog, onophoudelijk aan zijn scherpgepunte knevels draait.
Hij is "de Hij"—van die Zij.
't Is haast te warm om verliefd te zijn, maar wat vraagt Amor naar graden Celsius of Réaumur of Fahrenheit.
Hoe warm het ook moge zijn, hoe zeer ook het kwik in den Thermometer stijgt, toch zijn er op de boot twee wezens, wier harten een hooger warmtegraad aanwijzen.
Bovendien, dat er op een Lokaldampfer met zulk een menigte passagiers een Hij en een Zij gevonden worden, is niet meer dan natuurlijk.
En welk een Hij! Verrukkelijk gepomadeerd trotseert zijn glimmende haardos hitte en zweetdroppels. Een heerlijke hyacintkleurige das begrenst een schitterend wit boordje (ik geloof vast dat de man het pas heeft aangedaan). Een prachtig wit vest waarop 't zwarte koordje van zijn oogglas scherp afsteekt, strijdt èn door snit èn door fijnheid om den voorrang met een lichtgrijs jacquet en een bijna hemelsblauwe pantalon, die zijn beenen nauw omsluit.
Onafgebroken staart hij door het lorgnet zijn schoone aan; wel glijdt het glas nu en dan uit zijn oog door de glibberigheid van zijn huidplooien, maar telkens doet hij het instrument zijn plaats hernemen en onvermoeid tuurt hij naar 't knipoogend meisje.
En zij!—Zij bloost van warmte en verliefdheid.
Haar teere vingertjes in glacé, gris-perle geperst, spelen met een roosje, dat half bezwijmd aan den dunnen stengel hangt. Een licht grijs kleedje omsluit haar wespentaille en doet haar verdere bekoorlijkheden alle recht wedervaren. Naast haar dommelt een individu met een kanariegele, veel te wijde pantalon en een lustren jasje aan, dat hem als een zak om 't lijf hangt. Zijn stroohoed rust op zijn knieën en zijn handen hangen slap langs zijn omvangrijk lichaam.
Dikke droppels parelen op zijn voorhoofd en zelfs zijn kale schedel is als met een zachten dauw overtogen—terwijl langs zijn breeden, dikken, rooden neus een dun waterstraaltje afloopt.
Plotseling laat de man zijn dikke onderlip zakken, zijn neusgaten worden wijder en een geluid als 't zuchten van een nijlpaard doet de jonge schoone opschrikken uit de mijmerende beschouwing van haar "hij".
Met een niet zeer lieve uitdrukking op haar gezicht stoot zij den naast haar zittenden man aan met de woorden.
"Aber Papa!"
"Hé was ist?"
"Du scharchst ja!"
"So ja! 's ist auch so verdammt heiss."
"Aber Papa?"
Papa doet alle mogelijke moeite om wakker te blijven, maar de natuur eischt haar recht, en trots alle "aber Papa's" van de jonge dame en de min of meer spotachtige aanmerkingen van den monocledrager, dommelt de brave man telkens weer in, tot dat we Rüdesheim naderen.
Ik haak naar het oogenblik, dat we zullen landen; mijn reiskameraad doet niets dan blazen en zich 't gelaat afvegen. Als wij eindelijk den voet op de loopplank zetten, zegt hij:
"'k Geloof dat we toch wijzer hadden gedaan, om kalm te Biebrich te blijven; dat watertochtje is mij niets bevallen."
"'k Ben 't met u eens; we hadden 't daar goed, maar we haakten naar beter."
De boot stoomt verder.
Wij zoeken in den tuin van 't hotel "Zum Rhein" een schaduwrijk plaatsje aan den Rijnkant, drinken overheerlijk koelen Rüdesheimer en als 't langzaam avond wordt, lachen wij om het denkbeeld dat wij bij 28° in de schaduw, op een "Lokaldampfer" koelte zochten.