IV.

—'k Ben nooit bang geweest, van mijn leven niet en ik heb gelukkig in alle omstandigheden de noodige kalmte weten te bewaren maar éénmaal heb ik toch mijn lange beenen moeten opnemen en de spat zetten, zei lachend onze stoere kommandant, terwijl hij een versche sigaar opstak.

—U spreekt daar van de spat zetten kapitein, neem me niet kwalijk, maar ik kan 't haast niet gelooven.

—En toch is 't zoo, en ik was nog wel gewapend bovendien: ik had mijn dubbelloops jachtgeweer bij me.

—Dan moet 't wel een heele bende geweest zijn, waarvoor u je beenen opnam, want u zal wel raak schieten.

—Ja! Ik schiet nooit of ik moet weten dat ik tref, anders is 't maar zonde van de patroon, antwoordde hij bedaard en toen even lachend:—maar ik ben ook niet voor een hoop kerels op den loop gegaan!

—Waarvoor dan kapitein?

—Nu, raad eens!

—Voor een tijger!

—Ba! dat is maar 'n poes, zooals de resident te Mechelen[1]zei, die in Indië de tijgerjager bij uitnemendheid was.—Zoo'n poes is bang, die valt nooit iemand vanzelf aan.

—Misschien voor een rhinoceros dan!

—Ook niet! Ik heb 't eenvoudig op een loopen gezet voor een hoop apen.

—Och kom!

—Waarachtig! Je moet zoo min niet over apen denken. Dat is 't gemeenste, kwaadaardigste goed wat Onze lieve Heer op de wereld gezet heeft. Ze zijn zoo leep als menschen en nog kwajer. Je moet niet denken dat je in Artis apen ziet, och neen! dat zijn maar ongelukkige akelige misbaksels, goed om over te lachen. Neen, je moet de monkeys in d'rlui natuurstaat zien, dan spreken we mekaar nader!

—Waren 't dan chimpansées of oerang-oetans?

—Och neen! doodgewone zwarte en grijze apen.

Ik was met mijn sloep, met vier man op de riemen, even voorbij Indramajoe aan wal geroeid om 'n beetje vogels te schieten. Je vindt daar boschduiven en wilde kippen plenty, ze zijn wat mager, maar goed om te eten. Moederziel alleen was ik een eind de wal opgegaan, ik kon niet veel onder schot krijgen en drong al verder en verder, door struiken en heesters heen, naar de rijstvelden toe, totdat ik op een plek kwam en even rustte.

In eens zag ik een paar apen, daar nam ik geen notitie van, maar 't duurde niet lang of er kwamen nog een paar, toen al meer, tot misschien een twintig of dertig stuks. Ze keken me nieuwsgierig aan, liepen heen en weer, klommen in de boomen en schreeuwden mekaar toe.

Toevallig keek ik om, en zag nog net bijtijds dat een heele troep van dat smerige goedje me sluipend van achteren naderde. Ze bleven nog wel op een tamelijke distantie, maar 't beviel me maar niemendal dat ik er zoo langzaam aan door ingesloten werd. Ik zocht dekking in den rug, omdat ik wist dat die rakkers je altijd van achteren aanpakken, maar dat gaat in zoo'n oogenblik niet zoo gemakkelijk. Groote dikke boomen waren daar niet en als die apen, 't was een kwaadaardig soort me in den rug hadden kunnen aanvallen, zouden ze mij gewoon weg hebben afgemaakt.

Daar had ik nu nog geen bepaalden trek in, begrijp je? Ik dekte me dus zoo goed en kwaad ik kon en wachtte de gelegenheid af om er een paar neer te schieten.

Er kwamen er hoe langer hoe meer opzetten, van alle kanten, en ik berekende: of ik er al een paar neerschiet geef me niemendal, ik moet eerst den burgemeester hebben.

—Den Burgemeester?

—Ja, dien noemen we zoo! Ik was in een zoogenaamde apenkampong verzeild geraakt. Heb je wel eens van den Duitschen professor gelezen, die beweert dat hij de apentaal bestudeerd heeft en verstaat?

—Jawel kapitein, professor Cärtner.

—Hm ja! hoe hij heet weet ik niet en of hij die taal verstaat weet ik ook niet—die geleerde lui zeggen soms meer dan ze verantwoorden kunnen—maar dàt kan ik je wel zeggen: een soort van taal hebben apen en verstaan doen ze mekaar uitstekend. In zoo'n kampong dan, is altijd één opperhoofd, gewoonlijk een oude knappert, die geeft de lakens uit en houdt den boel in orde.

Op eens zie ik een groote kanjer naar mij toekomen, 't leek wel een kleine inlander. Zijn kop was van boven als een knikker zoo kaal en een lange grijze baard hing van zijn kin op zijn borst. Zijn onderkaak met scherpe slagtanden stak hij vooruit en hij kwam, op zijn achterpooten loopend, naar mij toe. Een pas of twaalf van mij af bleef hij staan en keek mij met zijn kwaadaardige kleine oogen aan als of hij zeggen wou:—hoe kom jij hier, wat moet je van ons hebben?

Een paar oogenblikken keken we mekaar strak aan—ik dacht: Maat! ik moet je met mijn oogen in bedwang houden, zoolang ik je in de gaten houd ben ik baas. 'k Had twee schoten op mijn geweer, die kon ik gebruiken, maar opnieuw laden niet, want een blik van den burgemeester afgewend zou genoeg zijn om me te doen aanvallen van alle kanten. Ik overlei dus: vrindje, jou moet ik hebben, maar ik moet je zóó raken dat je 't niet navertelt.

Daar gaf hij op eens een schreeuw en zijn heele compagnie retireerde; 't was precies alsof hij een commando had gegeven—nog een schreeuw, langer en scherper en ze kwamen weer wat voort.

Als de burgemeester avanceerde, kwam de heele troep met hem mee, ging hij terug dan retireerde alles. 't Was alsof ze mekaar de bevelen van hun chef toeriepen, want vóór, achter, naast en boven me, hoorde ik telkens die scherpe kreten herhalen. Soms was 't 'n helsch lawaai: hoeveel apen er daar in de kampong waren is niet te berekenen, 't moesten er honderden zijn geweest.

Eindelijk kreeg ik den ouden heer goed onder schot, 'k had op mijn geweer een kogel en één hagelpatroon. De kogel is voor jou, papa, die komt je als chef eerlijk toe, de hagel zal ik voor je volkje bewaren, dacht ik.

Daar gaf de burgemeester weer een gil, en kwam met zijn volkje resoluut vooruit.

Pang! in eens had hij 'm beet. Hij deed een sprong omhoog, viel over stag en schreeuwde, precies als een mensch, akelig kermend. Heb je in 't Paleis voor Volksvlijt dat Ballet Jocko, of de dood van een aap wel eens zien spelen? Ja? nu dan weet je hoe zoo'n dier sterft, die artist deed 't machtig natuurlijk na.

Toen de aanvoerder gevallen was, kwamen al de apen naar hem toe, ze stonden en liepen net als menschen, desperaat om hem heen. Waarachtig, als ik niet zoo in de penurie had gezeten, was ik uit aardigheid nog een poos blijven kijken, maar nu dankte ik onzen lieven Heer dat ik dat gemeene goedje niet meer achter me had.

Ik maakte gebruik van de gelegenheid en koos 't hazenpad.

Geloopen heb ik!—neen maar, ik heb wonderen gedaan met mijn lange beenen, schieten op al die apen durfde ik niet meer, want ik wist dat ze talrijk waren en dat ze, eenmaal over den eersten schrik heen, me zonder vorm van proces zouden kapot maken. 't Is al meer gebeurd weet je!

Ik kwam goddank door het struikgewas heen aan het strand, maar ik hoorde ze al heel gauw vlak achter me. Je kunt je het helsch lawaai, dat ze maken, nauwelijks voorstellen, 't is onbegrijpelijk dat ze zoo krijschen en gillen kunnen. 't Was kapteintje loop voor je leven!—en ik liep hoor!—de kaptein klopte op zijn keurig nette pantalon en stak zijn beenen vooruit.—Ze hebben me niet in den steek gelaten, maar ik was toch almachtig blij dat ik weer op de riemen zat.

Van uit de sloep heb ik ze toen nog een pleiziertje gedaan, met één schot hagel hadden er een paar genoeg en toen ik nog een stuk of wat patronen op d'r lui zwarte huid had geblazen, liepen ze gierend en gillend het bosch weêr in. Ze hadden er genoeg van—maar ik ook—en ik mag leien dat ik nooit weer andere apen tegenkom dan die je tegenwoordig nog eens in de Kalverstraat ziet, met 'n pince-nez op, hooge boorden omgeslagen broekspijpen, van die lange soepjassen aan en wandelstokken als knuppels in d'r glacétjes. Dat soort is belachelijk en tam—maar soms gevaarlijk—ook zijn er een hoop onder, die geen eerlijk schot kruit waard zijn.

[1]Resident ter zee, de heer te Mechelen.

—Pff! van middag wordt er waarachtigteveel gevergd van een normale maag, zuchtte blazend een der jongere heeren, die aan tafel gewoonlijk ongeloofelijk veel goeden wil en volharding toonde. Even hijgend wischte hij zich herhaaldelijk voorhoofd, wangen en hals.

—U heeft meer dan je plicht gedaan, lachte de administrateur en hem toeknikkend: dat bewustzijn zal u sterken tot verdere grootsche daden, mag ik u eens even zien? Hij hief zijn glas op.

—Dank je wel, daar ga je, maar als ik morgen katterig van boord ga, heeft de kommandant 't op zijn geweten. Neen, dank je, geen champie meer!

—Kom?

—Nu, dan nog éentje, om u bescheid te doen. Drommels 't is hier vetpot van daag, en zich even omwendende tot den bedienenden Javaanschen jongen:—koffie en 'n Sopi manis[2]? Wel ja, geef maar op—ik zal volharden tot den einde toe!

Flang! daar vloog, van het andere eind der tafel, een kurk tegen de vloeipapieren muts, die hij ophad en een vroolijke meisjesstem riep:—-Raak, luitenant! weêrom gooien hoor, op den dokter!

De goede bedaarde medicus van deAmaliakreeg het hard te verantwoorden, want de jonge meisjes en een paar getrouwde dames, eenigzins opgewonden door de champagne, die kommandant Visman had laten rondschenken, bombardeerden hem onbarmhartig met kurken, hazelnootschillen en proppen, gemaakt van papieren mutsen, die uit de pistaches aan 't dessert waren te voorschijn gekomen.

Lachend—de dokter wordt nooit boos op dames—dekte hij zich zoo goed en kwaad het ging met zijn bord en servet, totdat de dikke Oostenrijker, wiens wangen glimmend rood waren geworden, omdat hij eerst nog het restantje uit zijn flesch had moeten verschalken, hem nog hijgend van inspanning, toeriep: Herr Dokter, je bent aan die heiden overgeleverd, komm mit an dek, ik zol je wol besjermen. Die weiber kwam jij alleinig nich bewältigen, dafür bin je zoe mager; komm mit. Donnerwetter war dass, heute mal goetes essen? en hij klopte op zijn dikken buik. Jetzt ein glas frisches bier, hè? So roehig oben in die rauchkammer; hier wird's ein pan!

't Was inderdaad een buitengewoon groot menu, een erg vroolijk diner geweest, aan boord, bijzonder luidruchtig zelfs, tot dat er een oogenblik stilte kwam, even voor 't dessert. De kommandant namelijk was opgestaan, had zijn glas champagne opgeheven en gezegd:—Dames en heeren, ik heet U allen welkom in Indië, want binnen eenige uren hopen wij Padang te bereiken. Dan zullen eenigen uwer dezen bodem verlaten: ik wensch de débarqueerende passagiers verder goede reis en gezondheid en dank hen, evenals al de anderen voor de betoonde welwillendheid en samenwerking, waardoor de harmonie onder de passagiers geen oogenblik is verstoord geworden. Ik moet u verlaten, mijn plicht roept mij op de brug. Dames en heeren, daar ga je!

—Leve de kommandant, leve onze gezellige Visman! klonk het van alle kanten en met een "lang zal hij leven in de gloria!" defileerden de passagiers, zoo goed en zoo kwaad de zachtjes schommelende boot het veroorloofde, voor den kommandant, om even met hem te klinken.

't Dessert begon, de tongen kwamen hoe langer hoe meer los, want het vooruitzicht spoedig "land" onder de voeten te hebben, had alle harten opgeruimder doen kloppen; hoe goed men het aan boord ook heeft, het denkbeeld eindelijk weer op vasten grond te zullen staan, drijft toch het bloed sneller door de aderen.

—Mijnheer! zei fluisterend de hofmeester, achter mijn stoel komend, de kommandant laat vragen of U eens bij hem op de brug wil komen?

—Ik heb je even laten roepen, zei de kapitein, toen ik, een oogenblik later, op de brug kwam. 't Is hier een boel lekkerder dan beneden en 't wordt er nu te rumoerig. Ik wou je hier toch eens een kijkje geven; je bent nog niet op de brug geweest, wel?

—Neen kommandant.

—Geef dan je oogen maar eens den kost. 't Is een heerlijke avond; kijk! daar in de verte—neen, je kijkt niet goed, dáár aan bakboord, heel in de verte—zóó, nu ben je in de goede richting, dáár heb je 't 't licht van Poeloe Pisang, daar houden we op aan.

Hij rekte armen en beenen een maal of wat uit, nam zijn pet even af en streek zich snel met de hand een paar keer over 't voorhoofd:—Hè dat doet me goed; ik voel me hier 't lekkerst. Op de brug ben ik eerst goed in m'n element.

—'n Heerlijk briesje van avond! Wat 'n maantje, zoo iets zie je in Holland toch niet.

Hij stak een sigaar op, de lucifer tusschen zijn breede gespierde handen voor den wind beschuttend.

't Was een mooi, een indrukwekkend gezicht daarboven van die ranke brug, als gespannen over 't schip, dat rustig met ons in 't prachtige maanlicht voortsneed door golven.

Op de zonnetenten vóóruit, goot de maan een tooverachtig, blauwig wit licht, het want, de masten en ra's, het touwwerk, scherp afstekend tegen de heldere lucht. Hier en daar in felle kantlichtjes schitterend op 't blank gepoetsten koper- en ijzerwerk, of zwarte slagschaduwen neerwerpend op de schuins gespannen zeilen Dartelend in de golven, vóór ons, of sprankelend, opspringend in 't witte schuim langs beide boorden, tintelde het overal.

—Zie nu eens om, zei de commandant.

—Prachtig!

't Achterschip, van ons afgescheiden door den grooten schoorsteen, strekte zich, grooter en breeder lijkend dan anders, achter ons uit. Met ons, maar schijnbaar alleen, deinde het zachtkens op en neer, overwijfd door de golvende, zwarte, breed uitwaaiende rookpluim, die in rollende ringen uit de dikke pijp opkwam, voortvliegend, naar de achter ons wegdrijvende wolken, hier en daar zilverig gerand door de maan, die, vlak boven onze hoofden, haar lachend gelaat vertoonde.

Beneden gloeide 't vurig tusschen de naden en langs de randen van de zonnetenten. Goudachtig glommen achteruit de koperen randen van 't stuurrad en de kap van het kompashuisje, door den lichtschijn uit de kleurige, papieren lampions, die ter eere van 't afscheidsfeest, dat straks op dek zou worden voortgezet, reeds ontstoken waren.

De zee was kalm en nauw gerimpeld. In 't kielwater blonken of schitterden, spelend, millioenen weerkaatsingen van maan en sterren en als een blank metaalachtig glimmend spoor, doortinteld van vonkende diamanten, verloor zich, heel in de verte met den donkeren horizon samensmeltend, de voor, die het met volle kracht stoomende schip door de golven sneed.

Zacht ging de boot op en neer; van de brug af gezien, scheen zij een groot, kalm, levend wezen, regelmatig, diep ademhalend, bewust van zijn kracht, met zekerheid toesnellend op de kust, waar in de verre verte het heldere licht van Poeloe Pisang, als een vriendelijk oog nu en dan geruststellend pinkend, scheen te wenken: kom! kom! bij mij is 't veilig, kom!

De kommandant stond in zijn witte ias—de uniform trekt hij altijd onmiddelijk uit na 't diner—naast mij. Zijn forsche`, krachtige gestalte was iets voorovergebogen en hij hield de rechterhand uitgestrekt. Met de linker steunde hij op de leuning der brug.

—Daar achter ligt Padang, over een uur of wat loopen we de Emmahaven in. Jammer dat we niet bij dag aankomen, dan zou je nu de heerlijkheid der Sumatraansche bergen al kunnen zien. Dáár in die richting moeten de Ophir en de Merapi liggen, recht vóór ons de Goenong-Talang. Je kunt ze nu niet onderscheiden, maar morgen zul je je hart wel eens ophalen aan al dat groen. Je hebt nu zoo lang alleen water en lucht gezien, hè? Hij klopte mij op den schouder:—Ja, ik ben een oud zeeman, 'k heb honderd maal minstens, diezelfde dingen gezien, maar telkens zie ik ze weer met 't zelfde genot, dezelfde bewondering aan, hè? Hij liep even heen en weer, keek een oogenblik in den electrisch verlichten zee-kaartenbak, gaf een paar bevelen aan den roerganger en aan een van zijn officieren en bleef toen een poosje, starend in de donkere verte, zwijgend staan.

—Naast God, schipper van mijn schip! dat moet de kommandant volkomen gevoelen als hij daar, hoog op de brug als 't ware boven zijn bodem staat. Die bodem zoo groot en breed, hijgend en kuchend door de krachtsinspanning in zijn binnenste, geboren door 't felle vuur, dat brullend en loeiend in zijn ingewanden woedt.

En toch luistert dat brullende vuur, die ontzachlijke kracht, naar zijn gebiedende stem en volgt, gedwee als een kind, zijn leidende hand, die schip en opvarenden veilig tusschen klippen en riffen henenvoert naar 't land, waar zij hoopvol de toekomst tegengaan.

—Kommandant, 't is onbeschrijfelijk mooi hier, wat 'n sterrenhemel, wat 'n prachtige zee!

—Ja, maar zoo treffen we 't niet altijd kameraad! 't Kan soms leelijk blazen en dan is 't hier zoo'n dorado niet—maar ik ben 't gewend, hè? Jij zou je lachen wel kunnen houden en al ben je nog zoo brani, ik zou je wel eens willen zien als je hier op de brug zoo'n zee'tje over kreeg—maar nou heb je gelijk, 't is hier goddelijk! Och ja, kameraad, wanneer je, zooals ik, zoo gezegd op zoo'n brug permanent bent, denk je over zooveel dingen na, die 'n ander mensch in den sleur van zijn krenterig leven niet eens overpiekert. Hier op de brug, waar je de zon zoo heerlijk ziet op- en ondergaan, waar je zoo'n ruimen blik hebt, hier wordt je beter, vrindje! Hier leer je, dat 'n mensch eigenlijk minder dan niemendal is. Je voelt je als kommandant een heele kerel, hè?—maar als mensch bitter klein, vat je? Hier leer je dat al dat geleuter van die geleerde lui maar lak is, wanneer ze je vertellen dat alles in en door de natuur ontstaat. Hij tikte even aan zijn pet. Een opperwezen bestaat er, daar gaat niets van af. Hoe ze dat nu noemen, komt er niet op aan—Jehova of onze lieve heertje, mij is 't zelfde, maar—Hij is er! Kijk maar eens omhoog naar die eeuwig mooie sterren, naar die millioenen bollen, die langs vaste wegen, volgens vaste wetten staan of gaan. Dàt zou allemaal van zelf komen zonder dat er een georganiseerde kracht achter zat? Gekheid hoor!—Er moet éénwezen zijn die de lakens uitgeeft, anders loopt de heele natuur in de war.

Ze moesten die geleerde lui eens laten reizen, niet over land, maar op zee, hè? Konden ze d'r neus een poos in de frissche bries steken, in plaats van in de boeken, dan zou de duffigheid er wel afwaaien!

Kijk het zuiderkruis van avond eens schitteren, dáár heb je Jupiter en dáár de Kreeft; zoo'n sterrenhemel is heel wat beter en verstandiger docent dan al die geleerde oomes, hè?

Al sprekend had de kommandant zich te lij over de leuning gebogen. Hij zweeg een poosje, haalde een paar maal diep adem door zijn neus en trok mij toen naar zich toe:

—Kom eens hier, maat, haal je neus eens goed op, ruik je niets, haal op dan!

—Ik ruik waarlijk niets kommandant!

—Niet? dat komt omdat jij zoo lamlendig je neus ophaalt; haal eens ferm op!

—'k Ruik waarachtig niets!

—Nu dan is 't de ongewoonte, ik wel. Ik ruik 't land! Dààr, numoetje 't ruiken; de boschlucht waait ons volop tegen, dààr, nu ruik ik zelfs kamponglucht!

—O ja! nu ruik ik 't, iets specerijachtigs.

—Juist! dat is 't—de landwind komt opzetten, die brengt dat geurtje mêe.

—Wel lekker, hé?

—Nu heb je de reuk al beet—ga 't nu maar eens aan de anderen vertellen—hoor, ze spelen achter de kruispolka. Ze tillen de beentjes van den vloer, ze hebben pret en dat doet mij plezier—maar hier is 't toch heel wat lekkerder. Bonsoir, tot straks, nu krijg ik weer handen vol—'k heb nu geen praats meer voor je, kameraad!

Op 't achterdek was 't feest in vollen gang, de violist en de harmonica-speler zaten op de kajuitskap en speelden er lustig op los. De dikke Oostenrijker lag languit op een gemakkelijken stoel en keek met half gesloten oogen apathisch naar de dansende paren. In de rookkamer speelden een viertal oudere heeren hun partijtje, terwijl in een hoekje aan de andere zijde drie heeren de hoofden geheimzinnig bij elkaar staken en anecdotes vertelden, die zonder twijfel den geur van hun sigaren hoog noodig hadden.

Een paar dames keken te loevert over de verschansing naar het uitklotsend koelwater, dat op enkele plaatsen phosohoresceerde.

Daar siste eensklaps aan bakboord een vuurstraal omhoog en boven in de lucht knalde een schot.

—'t Sein voor den loods! riepen de meesten en toen eenige minuten daarna het tweede knalsignaal ontplofte, waren bal, partijtje, flirtation en anecdoten plotseling vergeten.

Menig hart begon sneller te kloppen, want de loods zou zeker tijding uit 't vaderland of Indië, misschien wel brieven voor den een of ander meêbrengen.

De gesprekken namen eensklaps een andere richting, ze werden ernstig en op het dek vormden zich groepjes, die halfluid of fluisterendhun hoop en verwachting bespraken. Er waren immers veel officieren aan boord, die hun verplaatsing naar Atjeh of hun eerste bestemming verbreidden.

De landwind woei in breede golven het aroma van bosch en bergen over 't schip, en de passagiers snoven begeerig die lang ontbeerde of onbekende geuren op.

Daar naderde het loodsbootje van bakboordzij en stoomde in een wijden kring om 't schip heen, aangestaard door al de reizigers, die met belangstelling elke beweging volgend, de roode en witte seinlantaarns in 't oog houdend, met zakdoeken, handen en hoeden wuifden.

De loods klom de valreep aan stuurboord op en begaf zich dadelijk op de brug, zonder van iemand notitie te nemen. Een klein poosje later kwam de eerste officier aan dek, nog iets later de kommandant en weldra wisten de meesten, wat ze weten wilden, hoopten of vreesden.

—Ik ga naar Atjeh, 'k had 't wel gedacht en ben er op voorbereid, zei een kapitein, die gedurende de reis mijn tafelbuur was geweest en hij keek een oogenblik langs mij heen in de donkere verte.

—En uw vrouw en 't lieve kleine ventje?

—Ja, die blijven natuurlijk te Padang achter.... ik verlaat ze al over vier dagen....

—Kasian!

—Sakkerloot, ik bof! riep de jonge luitenant, de immuun voor zeeziekte was geweest, me toe.

—Hoe dan?

—Ik kom te Batavia, lekker! Mag ik u iets offreeren, een whisky-soda of een potje bier?

—Dank u zeer, maar wel gefeliciteerd!

—Op wachtgeld gesteld, tot nader bericht, zuchtte een ambtenaar en met een landerig gezicht keek hij naar zijn vrouw en kinderen, die nu maar te kooi zouden gaan. Half pay, bromde hij binnensmonds—en misschien een maand of wat in 'n hotel zitten, dat 's een koopje!

En intusschen stoomde deAmaliazachtjes door—reeds schitterden ons de havenlichten, de lantarens van de kade tegen en blonk het heldere maanlicht op de wit geverfde hangers en loodsen, die als kleine speelgoedhuisjes tegen de donkere bergen afstaken.

Het binnenkomen van de Emmahaven bij volle maan is onbeschrijfelijk schoon.

Als een donkergroene, hier en daar lichter gekleurde krans liggen de Sumatraansche bergen om de haven. Heerlijk weêrspiegelt de maan in 't kalme heldere zeevlak, teekenachtig werpen de talrijke gele lichten der lantarens hun wiebelden, slangachtigen weerschijn in 't flauw gerimpelde water. Schepen en booten van velerlei vorm, gemeerd of ten anker, stoffeeren het schilderachtig tafereel. Kleine prauwtjes en tambangangs schieten als vliegende visschen op uit de schaduwen der bergen, door de verlichte watervlakken heen, scherp belicht nu en dan, maar eensklaps weer verdwijnend, als duiken ze onder, en even plotseling op nieuw te voorschijn komend.

De roeiers schreeuwen in onverstaanbare taal de matrozen toe, die, van 't voorschip af, hen in 't oog houden. Ze komen langs de zijdender boot, de trossen worden uitgebracht en zachtjes, meer glijdend dan varend, nadert deAmaliaden steiger.

Allerlei geluiden, stemmen, 't gekraak van karretjes en 't dreunen van lorries, die op den wal worden heen en weer bewogen, zijn nu duidelijk hoorbaar. Op de boot worden de luiken van de laadruimten reeds geopend, kettingen rammelen en de donkeys beginnen af en toe te werken.

—We gaan dadelijk aan 't lossen! roept me een officier, die haastig voorbij snelt, toe. We hebben veel goed voor Padang, zware stukken, spoorwegmaterieel! Aan boord is alles in beweging—de matrozen zijn aan de loskranen of de luiken bezig; de bootsman geeft met zijn fluitje herhaaldelijk aan wat gebeuren moet en onophoudelijk klinkt het gerammel van kettingen, ijzeren bouten en blokken. De electrische lichten werpen groote fantastische schaduwen over het dek en op het woelige en bedrijvige scheepsvolk.

De boot nadert, bijna onmerkbaar voortglijdend, den steiger. Gestopt is er reeds; 't gedreun der machine heeft opgehouden, maar men merkt dat niet door al de andere harde en vreemde geluiden, die er voor in de plaats komen, De loopplank wordt gelegd en als een hoop baarlijke duivels stormen de koelies schreeuwend en joelend, elkander op zij dringend en duwend er over, aan boord. Maleiers, Klingaleezen, Chineezen verdringen elkaar om de eerste te zijn,

De stuurlieden, de bootsman en 't andere scheepsvolk ontwarren met krachtige hand dat zonderlinge menschenkluwen, niet zonder moeite, en niet zonder veel hartige woorden, die een vroom christen een rilling over het lijf jagen,

In een oogwenk is alles aan 't werk en intusschen gaan de passagiers, die eerst dien stormloop kalm hebben afgewacht, aan de wal.

—Aan wal, vasten grond onder de voeten!

Een wonderlijk gevoel in de eerste oogenblikken; men durft de voeten nauwelijks neêrzetten, want 't is alsof de grond golft en beeft. Men wordt licht in 't hoofd en duizelig.

—De beweging van 't schip zit me nog in de beenen, 'n bespottelijke gewaarwording, roept de een.

—'k Ben betoel, dronken! zegt een ander.—'k Heb driemaal de reis naar Indië gemaakt, maar telkens weer krijg ik 'm om, als ik aan wal kom.

—Je wordt er bingeoeng, verward, van, ja? zegt een Indische dame die in sarong en kabaja naast mij op den steiger voorttrippelt op geborduurde muiltjes en eensklaps zich naar rechts wendend, roept zij een van haar dochters toe:—O, kijk já! dààr warong in de verte, kôm kind wij vruchten ghalen, jà? Meneer Mórik nog niet Indische vruchten ghèhéten, in Ghollan niet piasang, niet ramboetan, niet mangga's. Nannas, djéroek wél, maar gheel zuur, kom! wij ghâlen....

Moeder en dochter nemen den trippellooppas aan in de richting van de kleine eetwaren-uitstalling, waarvan alleen zij de haar bekende lichtjes hebben opgemerkt.

De verschillende koelies, die geen werk hebben gekregen en onverschillig voor zich uit starend hun strootje rooken, of sirih-pruimend, hier en daar op kisten en balen liggen of gehurkt op den grond zitten, wenden nauwelijks het hoofd om naar de "blanda's" die in troepjes langs de hangars en loodsen wandelen, lachend en pratend, allen even blij dat ze aan wal zijn. In de schaduw van een vooruitspringend dak tegen een donkere deur geleund, staat een lange Bengalees, schilderachtig in zijn wit opperkleed gedrapeerd. Zijn donkerbruin, gebaard, gezicht, de bijna zwarte bloote beenen, zijn ongeveer één van kleur met de duisternis om en achter hem.

Plotseling beweegt hij zich. Zijn groote, witte tulband schijnt in 't geheimzinnig halfduister een kolossaal doodshoofd en het witte kleed, dat hij met de eene hand opheft, is als een lange lijkwade daaronder.

—O, God! wat is dat—'n spook? gilt een jonge dame, die erg vertrouwelijk aan den arm van een luitenant vóór ons in den maneschijn op en neer wandelt.

—Niets! niemendal, beef maar niet! antwoordt de jonge man, zijn hoofd tot het hare neigend en met een klein geruststellend drukje op den arm van het meisje, dat zich onwillekeurig vaster tegen hem aandringt.

—Waar of zoo'n slungel van 'n Bengelees al niet goed voor kan zijn, lacht naast mij, even aan mijn arm stootend, een van de passagiers, die me al vroeger in vertrouwen heeft verteld dat "die twee allebei de hondenziekte hebben". Een nieuwe, zeker door hem uitgevonden term, voor verliefd te zijn.

Van boord klinkt voortdurend een helsch lawaai, het lossen is in vollen gang. Met ontzettend geweld ratelen de donkey's en 't spil, die de zware kettingen en talies bewegen, waarmede de stukken ijzerwerk, de kisten, balen en pakken uit het ruim omhoog worden geheschen. Donderend vallen voortdurend de ijzeren staven neer op den steiger. Nu en dan antwoordt de echo uit de bergen.

De koelies tieren, razen en schreeuwen onophoudelijk, terwijl ze hun werk doen.

Uit de verte gezien, fel beschenen door 't blauwig electrische licht en rosachtig getint door de op de plankieren brandende lantarens, met de bewegende zee en den donkeren horizon, waaraan af en toe het weêrlicht flikkert, als achtergrond, maakt het geheel een infernalen indruk.

—'t Is precies een teekening van Doré, die maakte veel van die bizarre dingen; ik vindt het erg mooi om te zien, maar allemachtig vervelend om bij te wonen. Er is geen kwestie dat we vannacht kunnen slapen aan boord,—en de heer die mij dat plezierig vooruitzicht opent, neemt een versche sigaar uit zijn koker en zegt, zich resigneerend:—ik ga in vredesnaam maar rooken en toddy drinken, zoolang die herrie aanhoudt.

—Ghier, meneer Mòrik! jij proeven, jà? Pisang gorèng, lèkker jà? En Mevrouw biedt mij in een stuk pisang-blad, een gebraden vrucht aan. Haar dochter offreert mij jamboe en mangga, vriendelijk noodend.

—Proef ze maar eens, heusch ze zijn lekker.

—Kind, jij sghillen voor meneer, jà?—In Ghollan, meneer niet weet hoe.—Mangga gheel sappig. In die midd' sghîllen—beide punt vastghouden, anders veel sap te veel wegloopen, ja?

Een paar andere dames en heeren, die een eind verder nog een Worang hebben ontdekt, komen juichend en vol plezier met allerlei indische lekkernijen aandragen.—Kwé-kwé (gebak) waarvoor zij in gewone omstandigheden misschien den neus erg vies zouden hebben opgehaald, vruchten van derde of vierde kwaliteit, half rijp of aangestoken, worden nu als fijne, vreemde lekkernijen uit den saamgeknoopten zakdoek aan de medepassagiers allervrijgevigst aangeboden. En tot laat in den nacht zitten op 't half verlichte achterdek van den stoomer, groepjes vroolijke menschen, die aan wal zijn geweest en nu plotseling tot de ontdekking komen dat 't dáár toch altijd oneindig beter is dan aan boord. Langzamerhand komt de ontfermende slaap zijn bedwelmende hand over de schepelingen uitstrekken—één voor één verdwijnen ze langs de kajuitstrap en als de schaduw van den laatste verdwenen is, beschijnt de enkele electrische gloeilomp, die nog brandt, een hoopje jamboe en manggaschillen, afgebeten vruchten, half gebruikte kwé-kwé, vertrapte pisangbladen, en een paar snurkende passagiers, die op lange stoelen door al de herrie heen slapen, dank zij hun toddy's!

[2]Likeurtje.

—'t Wordt nou toch een beetje al te proestig, meneer! En ze beginnen van boven met water te gooien ook—we zullen die tent maar op z'n welterusten laten leggen, zegt Kees de kwartiermeester van het stoomschip dat, slingerend en stampend in den wind, door de hoogopgolvende Middellandsche zee zijn weg naar Genua vervolgt.

't Is vier December, de dag vóór St. Nicolaas en een aantal passagiers, heeren met een enkele dame, die tegen rooken kan, zit als een troepje verkleumde vogels in de rookkamer bijeen. De oude kolonel, een van het gewone viertal kaartspelers, die zich door weer noch wind van hun partijtje laten afhouden, kijkt knorrig, naar de anderen, die door onophoudelijk babbelen en lachen, de aandacht van zijn overbuur, een O.-I. ambtenaar met verlof, afleiden van het spel.

—Asjeblieft, meneer Bergersma; kaarten of molensteenen, hè? Stoor je niet aan dat geleuter over Sint Nikolaas, d'r komt toch niets van terecht, want als 't zoo door blijft waaien, ligt morgen de heele boel voor mirakel—asjeblieft ik speel gasco....

De kwartiermeester kijkt even in de deuropening en vraagt met een klein glimlachje op zijn verweerd gezicht:

—Kernèl! Uwes dekstoel is zooveel als kletsnat en omdat van wegens 't de eenige mooie is met geborduurdheid d'r an, wou 'k 'm maar beneden in de kinderkamer zetten.

—Jawel, ga je gang maar—neen! meneer Bergersma, dat lever je me niet, ik heb troefheer—blijf af van dien slag, ha, ha, ha!

De wind wordt heviger, de zee onstuimiger en van tijd tot tijd slaat een golf met geweldige kracht over het schip. De deur van de rookkamer wordt toegedaan.

Een blauwige mist, scherp en prikkelend, blijft in de kleine ruimte hangen; de dame begint zachtjes te kuchen en wrijft nu en dan haar oogen.

—'t Wordt hier een bokkinghang, zucht een bleek zwak jongmensch, die in het hoekje vlak naast den kolonel zit te lezen en met zijn zakdoek het klamme zweet van zijn voorhoofd wischt.

—Zeg! lieve jongen, zou je niet naar beneden gaan! je krijgt debollenkoorts, hoor! Klaveren troef! u komt uit meneer van Dalen.—Neen! waarachtig ik meen 't jongenlief, je houdt 't hier niet uit—asjeblief, de ponto!—Goddorie we zitten hier als haring in 'n ton—is me dat ook 'n weer!

—Ja overste, u heeft gelijk, ik ... ik....

—Het jonge mensch, bleek om den neus wordend, met groote holle oogen voor zich uit starend, staat eensklaps op, stoot vrij onzacht de dame, die met den dikken controleur zit te domineeren, op zij en komt nog juist bij tijds de deur uit. Hij valt bijna in de armen van den matroos, die de tent vastsjort en buigt zich, wind en weer niet tellend, over de verschansing.

De kwartiermeester schiet toe en pruttelt:—Wat weerga! wie gaat er nou te loevert over boord hangen? Daar! nou is je toppie al naar de maan! Afijn! je zal nog wel 'n ander petje beneden hebben; kom maar hier menneer—ik zal je wel even. Hou je maar aan me vast—Ja! 't is nou geen pleizier hè, vooral als je geen sturdy boy bent.—Goed dat je 't nou nog doet, meneer! als je maag vol Sinterklaaskoek zat, zou je 't veel benauwder hebben. De jonge man komt, geholpen door Kees, beneden in het salon. Een paar dames, bleek, met blauwe lippen en matte, omkringde oogen, zitten aan een der tafels en drinken thee.—Met je welnemen, mevrouwen; zegt in 't voorbijgaan Kees, die met iedereen familiaar is—dat 's nou precies om 't beet te krijgen. Ba! hij trekt een vies gezicht,—thee maakt je maag zoo rebelsch dat ie z'n fatsoen niet meer houdt; een tikkie brandewijn of elixter zou je heel wat meer dienstig wezen. Afijn! ieder zijn smaak—kan uwe nou, meneer Haverstam? Hofmeester breng 'r is wat conjak!

Het jonge mensch is in zijn hut en de kwartiermeester komt terug.—Jàmmer! van den jongeheer!—hij steekt in geen goed vel, ik heb 'n neef gèhad, die zag d'r net zoo uit, ook zoo'n mager, uitgepieterd klokhuis van een vent, die is op z'n vierentwintigste d'r uit gewaaid! zegt hij zachtjes tot den hofmeester, die weer in 't buffet staat, en nog zachter: Dat zal morgen 'n goeie boel geven—jij speelt voor Sinterklaas, hè? En wie is de zwarte jongen?

—'t Koksmaatje!

—Zoo! nou dan zal 't wel goed gaan, dat's 'n eigengereide, brutale snuiter—maar 'k geloof dat 't spannen zal; d'r staat heel wat zee en een stevige bries. Hum! de dames zullen wel op apengapen komen.

Kees gaat weer aan dek.

In de kinderkamer is de linnenjuffrouw, een corpulente vrouw met een bepaald gedistingeerd Hègsch accent, bezig om een Sint-Nicolaas-costuum te maken.

Een Indische dame, die zeebeenen heeft, zooals de kommandant beweert, zit bij haar. Zij heeft haar kimònò (een Japansche peignoir) afgestaan en de linnenjuffrouw garneert dat kleedingstuk met kant en goud galon. Op tafel ligt een mijter van bordpapier, een fraai stuk werk van den hofmeester zelf die daarvoor twee doozen, waarin dessertartikelen geborgen waren, gesloopt heeft.

—O juffrouw, zij wor gheêl mooi, jà! die japon voor Sinniklaas, jà! maar te kort, jà! Hoe doen wij daarvoor betèr makèn?

—Dèr heb ik èl veur gezorgd, mevrouw!—de dikkerd houdt de kimònò voor haar geweldig ontwikkelde façade—Ziet u? Zoo stèt 't heel èrdig—'k heb er 'n stuk vlèggedoek onderèn genèid.

—Allàh! gheel mooi!—O! lò—u zou wezèn gheel mooie Sinniklaas, jà! maar terlaloe gemoek, 'n beetje veel dik, jà!

—O gusjes, verbeeld u—ik Sint Niklès—giegelt de juffrouw en dadelijk weer hoog ernstig:—Ik, 'n vrouw, die èl twee mènnen dood heef.

—Kasian! twee? U dus weduw?

—Jè, Mevrouw, èl twèlf jèr—och jè! m'n lètste mèn wès bepèld 'n idéèl; 'k zèl 'm nooit kunnen vergeten.... Hum! Zou u denken dèt we veur den zwèrten knecht, hier mee volstèn kunnen? Zij toont een gestreepte blauwe molton onderbroek, waar roode dwarslinten over zijn genaaid.

—Betoel, jà! persies goed, maar wat gheef hij voor zijn baadje?

—O ellerèrdigst! 'k heb vèn Mevrouw Zwért 'n vuurroode blouse gekregen..., dèr plèkt de hofmeester goudpèpier op, sterretjes weet u? En op z'n hoofd krijgt hij 'n mètelotje van juffrouw Smits, met 'n beetje stroobloemen en pluizen uit 't Mèkèrtbouquet dat èltijd op die piènino stèt—en op z'n schoenen heb ik gele sigèrenlintjes genèid.

—En zijn kousèn' ja?

Zwèrte! 't moet verbeelden dat hij blootè beenèn heef.—heef U ook misschien zwèrte hèndschoenen?

—O, neen ik niet, maar ik weten raad, jà! meneer Blikman, ghij gheef wel; hij in den rouw—ik dadelijk hem vragen—en de Indische dame met zeebeenen gaat schommel-loopend naar het salon—waar de bedoelde passagier in een hoekie zit te lezen.

-------------------------------------------------------------------------

In het volkslogies zit de bootsman met een van de jongens, een knappe blonde krullebol, bij een hoop uitgeplozen touw en vlas,—hij maakt een baard en een pruik voor den Sint. De bootsman is een knutselaar een man, die volgens 't zeggen van den Administrateur, een Manusje van alles is; "hij maakt met z'n handen wat z'n oogen zien."

Nu heeft hij uit een ouden ronden hoed het kapje getrokken en naait daarop met groote steken zeilgaren kleine loefjes vlas, telkens op het hoofd van den jongen de pruik in wording passend.

—Jantje, hou je kop stil, anders kan ik niet zien of de haren goed vullen. Hum! van onderen is ie goed—waarom lach jij, zwabber?

—'t Kietelt zoo in m'n nek bootsman?

Dat hoort zoo Jantje—dan krijgt Sinterklaas meteen een vriendelijke tronie—de hofmeester kijkt gewoonlijk anders niet komiek.

Moet Sinterklaas dan altijd lachen bootsman?

Aan wal niet—maar aan boord wèl—hou je kop stil, 'k moet er nog meer op naaien van boven.

—Maak je der 'n schéiding in?

Ben je nou heelemaal ... heb ie dan ooit 'n Sinterklaas met 'n pomadekop gezien?

—Neen, maar!...

—Hou je snavel dan—geef de kam 'reis.

De bootsman kamt de vlasdraden een paar malen uit, naait weer nieuwe toeven over de andere en zegt eindelijk:—Zoo is ie mooi!—nou de kuif—zit dan toch stil, beroerde jongen, hou 't ding vast langs je ooren.

Een groote dot vlas, wordt boven op het andere gelegd en vastgehecht.

—Au!

—Wat is er te "auwen"!

—Je prikt in men kop.

—Daar loop je niet op, zit stil, anders krijg je d'r een aanwaaier bij,—geef die schaar 'reis an—zoo, allright! Bliksems! nou ziet 't ding er patent uit—nou de baard nog. Zet nou je pruik voorzichtig af, zwabber!

—O, bootsman!

—Wat is er?

—Je hebt m'n haar d'r ingenaaid! Hij kan d'r niet af!

—Wat klets je? Dáár ... gaat ie nou of gaat ie niet?

—O, Jesis! Au! Au!

—Zoo!—pluk nou die paar haren d'r netjes uit en leg die pruik zoolang in m'n kooi!


Back to IndexNext