1.Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche „spiritus“, is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgensBoerhaaveen andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen gevonden wordt (Vertaler).
2.Hermes Trismegistusis de patroon der alchimisten. In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen chemie en alchimie. (Vertaler).
3.Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).
4.Een vanBaco’s werken draagt den titel: „Historia vitae et mortis“. (Vertaler).
5.Panacea(„Alheelster“) is de naam van een der dochters vanAesculapius. (Vertaler)
6.Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner genezing. (Vertaler)
7.Bedoeld zijn de werken vanGalenusvan Pergamum enHippocratesvan Cos. (Vertaler).
8.Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden toegesproken. (Vertaler)
A.De letter Q werd ondersteboven gedrukt:Pecquet
painting of Gaub
[Tekst onder het portret]
Illustrissimis et Nobilissimis Viris
Academiae Lugduna-BatavaeCuratoribus,
Aan de zeer doorluchte en edele mannen,
curatoren der Leidsche Akademie,
Johanni Henrico, Comiti de Wassenaer, Domino de Opdam, Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.
Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato etc. etc.
Johannes Hendrik, graaf van Wassenaer, heer van Opdam, Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,
Johanni Trip, J. U. D. Toparchae in Berkenrode, civitatis Amstelaedamensissenatori, cum maxime consulum praesidi, Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc.
Johannes Trip, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,
Arentio Brunonis, van der Dussen, J. U. D. Reipublicae Delphensis senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum Hollandiae adscripto, etc. etc.
Arend Bruno’szoon van der Dussen, doctor in de beide rechten, lid van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,
Eorumque CollegisAmplissimis, Gravissimisque VirisCivitatis Lugdunensis Consulibus.
en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, burgemeesters der stad Leiden,
Abrahamo Hoogenhouck, J. U. D. Consulum praesidi.
Danieli van Alphen, J. U. D.
Henrico van Willigen, J. U. D.
Gerhardo Emilio van Hoogeveen, J. U. D.
Abraham Hoogenhouck, doctor in de beide rechten, voorzitter der burgemeesters,
Daniël van Alphen, doctor in de beide rechten,
Hendrik van Willigen, doctor in de beide rechten,
Gerhard Emile van Hoogeveen, doctor in de beide rechten,
Nec Non Viro Spectatissimo
Davidi van Royen, J. U. D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.
Ook aan den zeer voortreffelijken heerDavid van Royen, doctor in de beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,
L. M. Q. D.Hanc OrationemVirtuti et Gloriae EorumDevotissimusHIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
L. M. Q. D.Hanc OrationemVirtuti et Gloriae EorumDevotissimusHIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
draagt gaarne en naar verdienstedeze redevoering opde aan hun voortreffelijke en roemrijke personenzeer verknochte dienaarHIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
draagt gaarne en naar verdienstedeze redevoering opde aan hun voortreffelijke en roemrijke personenzeer verknochte dienaarHIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
S: SiSi quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt animum.
I: IndienIndien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed door een even groote verbijstering als bezorgdheid.
Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.
Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschenMercurius1enVulcanusbestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, door proeven wijsgeerig redeneeren leert.
Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem?
Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor deredenaars, of een spreekgestoelte weergalmend van de stem eensTullius2?
Nihil profecto horum: alia omnino est,quae hic occurrit, supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur.
Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf te regelen.
Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira;
Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten;
illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando, moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus.
aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in.
Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis extorquetur.
Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen van de eeuw vanAugustus; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de getuigenissen van feiten ontwrongen.
Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit trepido, facilem merebitur veniam.
Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit de vuile werkplaats vanVulcanusin het daglicht getrokken naar een plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men hem vergeeft.
Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi juventus forte addidisset.
Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te wagen, misschien zou geven.
Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum refugii praebet, singularis Vestra, A. O. O. benevolentia, toties experta iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit nemine.
Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over, waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk persoon ooit van de hand gewezen.
Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum ostendere,Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam. Quod dum ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae eventus, Vestrum me semper ad favoremallegabit, huic ut vel referam gratias, vel veniam impetraturus, supplicem.
Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te toonen,dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de Akademische wetenschappen. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met aandrang, dat gij u in het luisteren even als inhet beoordeelen welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om toegeeflijkheid te smeeken.
Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola conceditur; sed ultra vulgi captum elevata,Nobilitatisquodam emineat splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit disciplina.
De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een zekeren glans van adeldom.
Quodsi igitur vera hujusceNobilitatisinsignia, palam exposita, Arti Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie mei constabit ratio et veritas?
Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de Spagyrische wetenschap3toekomen, zal dan niet de goede grond en de waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast staan?
Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides,Nobilitateimpertit hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui.
De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter4moeten geloof schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut.
Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus:
Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van volgelingen;
externa enim isthaec sunt, et veram potius ornantNobilitatem, quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens.
want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te stellen, de wijze, haar afmeet.
Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, vel humanae societati, ea demum disciplina jureNobilishabetur. Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus antecellit.
Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de andere uit.
Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia;
Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de overige wetenschappen toe;
una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium dedicans: utramque ergoNobilissimamsuo recepere gremio Academiae, et jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente.
met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen verzette.
Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum perfectionem necessitas, hincNobilesetiam ab Eruditis jure habitae, debitum in Academiis locum obtinuere.
Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.
Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam suiculturam in scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae.
Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en nietdan na het voeren van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden met de beoefenaars.
Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui penitius eam introspicere dignaretur:
Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en aanbeeldvuurwerkers5, eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.
atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta, rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam cognovissent.
Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de zaak hadden genomen.
Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia secundasset:
Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk dan verstand dien advocaat — of moest ik liever verdediger door dik en dun zeggen? — dien zij eindelijk heeft gekregen,Eremita6had ten dienste gestaan.
hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata.
Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd opgericht.
Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus tyrannide,rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere:
Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was.
quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi produxere intuendam.
En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld.
Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas adoptata, strenue coleretur.
Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden beoefend.
Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque ullo sine taedio detineat.
En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en als hij eenmaal daartoe gebracht is,hem geboeid houdt zonder de minste verveling.
Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot, quaeso, et quantasunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec, et pro parergis tantum aestimanda.
Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen.
Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda.
De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden.
Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati satisfactum arbitrabor.
Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam te bewijzen.
Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare singulis:
Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op alles, wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het bijzonder eigen.
quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise corpus, et non aliud:
Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande dingen zijn, d. w. z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is, ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist datlichaam is en geen ander:
inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt, vel existere possunt, contemplatur.
daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan.
Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, si a generalibus.
De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn voortgekomen.
Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, haec quin ita sese habeant!
Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is!
Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero doleat!
Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over zijn verlies aan moeite beklagen!
Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel Phoenomena sunt ipsi per sensuscommunicata, vel formata inde judicia:
Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maareen geheel anderen. Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen.
proprietates autem et vires corporeae in se primitus imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur.
De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard.
Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus, quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis, quique e conjunctis fluant motus, experiatur;
En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd zijn, voortvloeien.
tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere scientes.
Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten in geen acht op sloegen.
Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus.
Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.
Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope estChemiae opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen.
Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, nietbijna het werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen afzonderlijk.
Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia sistit examini, rimatur, penetrat:
Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij.
penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria, facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna, aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora, abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores.
Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.
Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi.
Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van behandelen op allerlei wijzen afwisselt.
Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, effringentur, patebunt.
Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan het daglicht treden.
Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motuivenit tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem experimentis?
Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles isalleen aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen7geloofd hebben, dat het niets anders was dan beweging.
Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse, motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas quasque corporum affectiones enucleandi.
Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan.
Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium?
Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg door elkaar, roept hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? Wat nuttiger? Wat noodiger?
Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina,BoyleusetNewtonus: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra agnoscunt secula;
Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia,BoyleenNewton. Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden in de geheimen der Natuur.
an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam ignis, caloris,lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum, saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi attractili, id omne Chemicis debetur experimentis.
En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? dezeechter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd.
Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet de jure Academico, qui uni movet.
De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide betwisthijhet recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het aan één betwist.
At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem esse, verissime cecinerit Poeta.
Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“.
Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba dispersit?
Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf8bijTerentius, wat zij waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnigebedriegersbende dier pseudoscheikundigen heeft verbreid?
His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie allectos quoque alios iisdemimplicant erroribus, et, dum propria primi periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur.
Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten.
Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, varia instituunt experimenta;
De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend;
horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis, severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec certitudo est?
vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is?
Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata,utilissimampariter ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu derivandam.
Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de Scheikunde beschikt.
Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum daretur affinitas.
Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.
Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem actiones, quam distinctissime perspectas postulat:
De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden.
quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam; hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae.
Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden.
Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae pomoeriis indefessam dederit.
Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten.
Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium exemplis docet infiniris.
En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel voorbeelden,dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking.
Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas Anatomica: sola id liquido docet Chemia.
Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid.
Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus:
Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is.
Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia.
Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware.
Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat.
Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebbenzijweinig passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen.
Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide,Lue Venerea ortus, variam indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset?
Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikundealleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het andere voorkomt?
Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis, Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris causam?
Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den stank, die er mee gepaard gaat?
Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem?
Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan?
Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest.
Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek.
Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere.
Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven.
Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea.
Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging bevange.
Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus.
Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, al het goede, dat zij heeft, metzulk een oprechte toeneiging, dat zij zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap overschreed.
Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit.
Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hunuitvindingendaardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het verdrijven van ziekten verdiend heeft.
Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae?
Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben?
Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum inventionis gloriam illa sibi vendicat?
De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt?
Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalemnonnullorumcorporum ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus, in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem:
Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen.
si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus?
Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchteBoyle, watBellini, Bohn, Stahl, Hoffmannen anderen doorhun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders?
Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione majora.
Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven — o moge hij dat lang blijven! — en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking verheven zijn.
Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret.
Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, datzijallerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen hangt.
Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur.
Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij in de lijst van deze worden opgenomen.
Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.
Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van haar te heeten.
Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiaecujusdam addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta methodi?
Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerigis een zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is verscholen?
ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente differat?
Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is, hoeveel het verschilt van den geest.
Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus.
Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen.
Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident sero et dolent.
Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen vergeefsche moeite. Want als blindemannen9voortgaande, stooten zij overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een wolk in plaats van Juno10omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, onwetendheid, en armoede.
Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia, foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis, una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas, contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum rerum abusus pessimi.
Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste wetenschapdien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het ergst.
Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit inventis, solidissimis veritatibus.
Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen en de meest onbetwistbare waarheden.
Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium tentamine, palaestra fugiam imbellis.
Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.
Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur.
Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.
Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam,Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam?
En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht namelijk, dat deze zich van haarhulp bedienen, en omgekeerd. Wat belet mij ten slotte te besluiten,dat de Scheikunde, een edele wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische wetenschappen?
Vestra igitur,Illustrissimi Academiae Batavae Curatores, una cumNobilissimis Vestris Collegis, Amplissimis Hujus Urbis Consulibus, Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator merito laudetur omnibus.
Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.
Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?
Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde gunst?
Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis fortunae suae incurius.
Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus toeschittert na zulk een voorganger. Maar tochhijmoet wel geheel van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren om den groei van zijn fortuin.
Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua ultra, quamjuveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor.
Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels.Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig.
Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id promovendis Academiae commodis unice sacrabo.
De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.
Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis,Illustrissimi Academiae Proceres, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae abundantiam, toto ex animo, apprecor.
Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en onbevlekt geluk van ganscher harte toe.
Ad vos me converto,Celeberrimi Professores! Vos alloquor, Clarissima hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum commodis inservitura.
Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke den studiebelangen ten goede zal komen.
Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar.
Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te halen, zal ik utenminste met een tusschenruimte volgen.
Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.
Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal blijven opzien.
Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium applausu, panditis,Viri Famigeratissimi! Vobis, dum et publica me et privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.
Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.
Est hinc, cur Tibi,Vir Acutissime, Perspicacissime ’s Gravesande! publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non sis dedignatus.
Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige ’sGravesande, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.
Tu quoque,Anatomicorum Dexterrime, Subtilissime Albine! Qui, pari opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe obstrictissimum nunquam non comperies.
Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnigeAlbinus, die mij met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in de hoogste mate erkentelijk is.
Te vero,Celeberrime Boerhavi! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim.
U echter, zeer beroemdeBoerhaave, als ik u hier niet in de eerste plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.
Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire sategerim avidissimus.
Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, op welk deel der Geneeskunde het ook betrekkinghad, met de grootste graagte in te drinken.
Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mirasuavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam;
Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk was;
seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.
hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma’s der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.
Tu vero,Vir Maxime! cujus immensa eruditione non minor est singularis humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.
Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de heilzaamste raadgevingen te schenken.
Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, hoc sim honore ornatus.
Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding heb genoten.
Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumceagnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor.
Daar ik dus te veel verplichting jegens uheb, dan dat ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.
Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at quanto Viro! succedo:
Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op.
Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non indecorus tamen, inhaeream.
Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.
Vos denique,Praestantissimi Juvenes! Vos, sacrata Philosophiae et Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos desudate!
U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns.
Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, viam ante difficillimam expedivit Chemicorum SummusBoerhavius, et, quo ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus ergo tenaces, Illumsequamur ducem, tuti et felices in artis adytapenetraturi.
Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder duizend gevaren heeftBoerhaave, de opperste der scheikundigen, den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen der wetenschap binnente dringen.
Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi summa, is laborum finis erit unicus.
Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.