Chapter 55

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschenPapekopenDiemerbroekachter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten vanWoerdenenMontfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen,al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnenOudewaterweder keerden.238Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen vanWoerdennaarUytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnenOudewaterbrachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.Deze en meerdere veroveringen bezorgdenOudewatergrooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken.”239Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoudeOudewatergebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten vanHollandenWestvrieslandoctrooi240tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stadOudewaterverlof verzocht, door den Lutherschen Predikant vanWoerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulksniet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschiedenop het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging,den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder ’t oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz.”De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven,” die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dusvoor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5–6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!” Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat ditHuis(bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met ’s lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met’slands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan.” Thans zocht hijaan te toonen, dat, hoewel men in ’t algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit ’s landsplakatente bewijzen, de ongeoorloofdheid van ’t geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven,zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, inJanuarijdes volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen ’s lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren vanOudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsingvan ’t gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware ’t zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder ’t oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in ’t toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op denZaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, ’t welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout vanOudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April teSchoonhovenzou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In denonzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet teOudewater, ’t geen vreemd is, maar buiten de stad, teHekendorpwoonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen vanHekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in ’t bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Vanwegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweedeBataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen:de Armenianen en Papen zullen ’t ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap vanOudewateraanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide:dat ’s zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aanGecommitteerdeRaden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, ’t welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande desecretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel vanGecommitteerdeRaden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze ’t bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering vanOudewaterwerd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan ’t voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vriendenvan van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in ’t bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam.241Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnenOudewatervoorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stadWoerdenmet concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der stedenWoerden,Oudewater,Naarden,WeespenMuidenzich wenden tot de staten vanHollandenWest-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten vanNoord-Americaeener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten vanHolland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar hetLoo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar ’sGravenhagewilde doen, werd zij nabijOudewatergevat en gedwongen terug te keeren.De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel242.Oudewaterdat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart vanHolland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naarEngelandop den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in1795door Franschen bezet.Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienstvan den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen metEngeland, en leden deerlijk in den handel, etc.De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood243.Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren vanOudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke alsOudewaterfraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën derkoninklijkegarde Jagers te huisvesten244.Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon245en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.Nederland!dierbaarNederland!hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën vanEuropa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het nietwagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd246toepassen.Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….Maar daar kwam redding. De slag bijLeipzigbezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.De Franschen namen alom de wijk.Naardenen denHelderwerden echter nog belegerd en teWoerdengedroegen zij zich zeer wreed.In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigdeNederlandenwerd uitgeroepen.18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bijWaterlooverloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning derNederlanden.Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.En in de rust en den bloei, die nu inNederlandaanlichtte, deelde ookOudewater. De vijanden alomme verdrevenen eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt247.Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de ColonieFredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnenOudewaterde militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eenewerkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw derinrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eenevrouwen vereenigingmet het doel aanbehoeftige kraamvrouwengepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen.248Eene vereeniging totkostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrektOudewatereveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.De oudste der vereenigingen van dezen aard, is hetLijndraaijers Gilde.Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan.249Voort bestaat er hier eendepartement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.Nog behoortOudewaterenomstrekentot eene derafdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52.250Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:EeneLiedertafel, onder den naam vanCrescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.Eenemuzijk vereeniginggenaamdAmicitia et harmoniaopgerigt 1855, 8 leden.EeneRederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichterBorgeropgerigt 1857, 9 leden.Ten jare 1850, werd hier opgerigt deNederlandsche Brandwaarborg Maatschappijvoor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.Oudewaterbehoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie vanZuid-Holland, wat het cantonnement betreft onderSchoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onderGoudaen met de protestantsche classes eveneens onderGouda.Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten;echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen totOudewaterbehooren.Sedert het jaar 1857, bezitOudewatereveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd251eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem vanOudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevalligewoestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudigaanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis vanOudewater en omtrek.Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwscheOudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.DierbaarOudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel,252zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord vanOudewaterwordt eenige malendaags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaatOudewater en omtrekmet Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschenPapekopenDiemerbroekachter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten vanWoerdenenMontfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen,al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnenOudewaterweder keerden.238Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen vanWoerdennaarUytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnenOudewaterbrachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.Deze en meerdere veroveringen bezorgdenOudewatergrooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken.”239Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoudeOudewatergebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten vanHollandenWestvrieslandoctrooi240tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stadOudewaterverlof verzocht, door den Lutherschen Predikant vanWoerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulksniet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschiedenop het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging,den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder ’t oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz.”De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven,” die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dusvoor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5–6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!” Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat ditHuis(bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met ’s lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met’slands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan.” Thans zocht hijaan te toonen, dat, hoewel men in ’t algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit ’s landsplakatente bewijzen, de ongeoorloofdheid van ’t geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven,zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, inJanuarijdes volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen ’s lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren vanOudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsingvan ’t gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware ’t zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder ’t oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in ’t toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op denZaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, ’t welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout vanOudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April teSchoonhovenzou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In denonzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet teOudewater, ’t geen vreemd is, maar buiten de stad, teHekendorpwoonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen vanHekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in ’t bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Vanwegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweedeBataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen:de Armenianen en Papen zullen ’t ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap vanOudewateraanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide:dat ’s zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aanGecommitteerdeRaden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, ’t welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande desecretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel vanGecommitteerdeRaden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze ’t bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering vanOudewaterwerd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan ’t voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vriendenvan van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in ’t bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam.241Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnenOudewatervoorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stadWoerdenmet concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der stedenWoerden,Oudewater,Naarden,WeespenMuidenzich wenden tot de staten vanHollandenWest-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten vanNoord-Americaeener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten vanHolland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar hetLoo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar ’sGravenhagewilde doen, werd zij nabijOudewatergevat en gedwongen terug te keeren.De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel242.Oudewaterdat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart vanHolland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naarEngelandop den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in1795door Franschen bezet.Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienstvan den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen metEngeland, en leden deerlijk in den handel, etc.De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood243.Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren vanOudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke alsOudewaterfraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën derkoninklijkegarde Jagers te huisvesten244.Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon245en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.Nederland!dierbaarNederland!hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën vanEuropa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het nietwagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd246toepassen.Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….Maar daar kwam redding. De slag bijLeipzigbezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.De Franschen namen alom de wijk.Naardenen denHelderwerden echter nog belegerd en teWoerdengedroegen zij zich zeer wreed.In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigdeNederlandenwerd uitgeroepen.18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bijWaterlooverloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning derNederlanden.Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.En in de rust en den bloei, die nu inNederlandaanlichtte, deelde ookOudewater. De vijanden alomme verdrevenen eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt247.Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de ColonieFredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnenOudewaterde militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eenewerkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw derinrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eenevrouwen vereenigingmet het doel aanbehoeftige kraamvrouwengepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen.248Eene vereeniging totkostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrektOudewatereveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.De oudste der vereenigingen van dezen aard, is hetLijndraaijers Gilde.Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan.249Voort bestaat er hier eendepartement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.Nog behoortOudewaterenomstrekentot eene derafdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52.250Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:EeneLiedertafel, onder den naam vanCrescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.Eenemuzijk vereeniginggenaamdAmicitia et harmoniaopgerigt 1855, 8 leden.EeneRederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichterBorgeropgerigt 1857, 9 leden.Ten jare 1850, werd hier opgerigt deNederlandsche Brandwaarborg Maatschappijvoor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.Oudewaterbehoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie vanZuid-Holland, wat het cantonnement betreft onderSchoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onderGoudaen met de protestantsche classes eveneens onderGouda.Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten;echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen totOudewaterbehooren.Sedert het jaar 1857, bezitOudewatereveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd251eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem vanOudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevalligewoestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudigaanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis vanOudewater en omtrek.Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwscheOudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.DierbaarOudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel,252zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord vanOudewaterwordt eenige malendaags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaatOudewater en omtrekmet Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschenPapekopenDiemerbroekachter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten vanWoerdenenMontfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen,al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnenOudewaterweder keerden.238Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen vanWoerdennaarUytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnenOudewaterbrachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.Deze en meerdere veroveringen bezorgdenOudewatergrooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken.”239Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoudeOudewatergebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten vanHollandenWestvrieslandoctrooi240tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stadOudewaterverlof verzocht, door den Lutherschen Predikant vanWoerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulksniet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschiedenop het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging,den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder ’t oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz.”De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven,” die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dusvoor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5–6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!” Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat ditHuis(bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met ’s lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met’slands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan.” Thans zocht hijaan te toonen, dat, hoewel men in ’t algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit ’s landsplakatente bewijzen, de ongeoorloofdheid van ’t geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven,zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, inJanuarijdes volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen ’s lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren vanOudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsingvan ’t gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware ’t zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder ’t oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in ’t toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op denZaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, ’t welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout vanOudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April teSchoonhovenzou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In denonzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet teOudewater, ’t geen vreemd is, maar buiten de stad, teHekendorpwoonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen vanHekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in ’t bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Vanwegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweedeBataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen:de Armenianen en Papen zullen ’t ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap vanOudewateraanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide:dat ’s zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aanGecommitteerdeRaden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, ’t welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande desecretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel vanGecommitteerdeRaden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze ’t bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering vanOudewaterwerd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan ’t voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vriendenvan van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in ’t bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam.241Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnenOudewatervoorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stadWoerdenmet concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der stedenWoerden,Oudewater,Naarden,WeespenMuidenzich wenden tot de staten vanHollandenWest-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten vanNoord-Americaeener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten vanHolland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar hetLoo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar ’sGravenhagewilde doen, werd zij nabijOudewatergevat en gedwongen terug te keeren.De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel242.Oudewaterdat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart vanHolland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naarEngelandop den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in1795door Franschen bezet.Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienstvan den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen metEngeland, en leden deerlijk in den handel, etc.De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood243.Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren vanOudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke alsOudewaterfraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën derkoninklijkegarde Jagers te huisvesten244.Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon245en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.Nederland!dierbaarNederland!hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën vanEuropa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het nietwagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd246toepassen.Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….Maar daar kwam redding. De slag bijLeipzigbezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.De Franschen namen alom de wijk.Naardenen denHelderwerden echter nog belegerd en teWoerdengedroegen zij zich zeer wreed.In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigdeNederlandenwerd uitgeroepen.18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bijWaterlooverloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning derNederlanden.Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.En in de rust en den bloei, die nu inNederlandaanlichtte, deelde ookOudewater. De vijanden alomme verdrevenen eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt247.Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de ColonieFredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnenOudewaterde militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eenewerkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw derinrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eenevrouwen vereenigingmet het doel aanbehoeftige kraamvrouwengepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen.248Eene vereeniging totkostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrektOudewatereveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.De oudste der vereenigingen van dezen aard, is hetLijndraaijers Gilde.Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan.249Voort bestaat er hier eendepartement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.Nog behoortOudewaterenomstrekentot eene derafdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52.250Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:EeneLiedertafel, onder den naam vanCrescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.Eenemuzijk vereeniginggenaamdAmicitia et harmoniaopgerigt 1855, 8 leden.EeneRederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichterBorgeropgerigt 1857, 9 leden.Ten jare 1850, werd hier opgerigt deNederlandsche Brandwaarborg Maatschappijvoor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.Oudewaterbehoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie vanZuid-Holland, wat het cantonnement betreft onderSchoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onderGoudaen met de protestantsche classes eveneens onderGouda.Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten;echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen totOudewaterbehooren.Sedert het jaar 1857, bezitOudewatereveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd251eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem vanOudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevalligewoestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudigaanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis vanOudewater en omtrek.Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwscheOudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.DierbaarOudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel,252zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord vanOudewaterwordt eenige malendaags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaatOudewater en omtrekmet Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschenPapekopenDiemerbroekachter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten vanWoerdenenMontfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen,al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnenOudewaterweder keerden.238Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen vanWoerdennaarUytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnenOudewaterbrachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.Deze en meerdere veroveringen bezorgdenOudewatergrooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken.”239Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoudeOudewatergebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten vanHollandenWestvrieslandoctrooi240tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stadOudewaterverlof verzocht, door den Lutherschen Predikant vanWoerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulksniet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschiedenop het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging,den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder ’t oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz.”De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven,” die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dusvoor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5–6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!” Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat ditHuis(bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met ’s lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met’slands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan.” Thans zocht hijaan te toonen, dat, hoewel men in ’t algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit ’s landsplakatente bewijzen, de ongeoorloofdheid van ’t geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven,zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, inJanuarijdes volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen ’s lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren vanOudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsingvan ’t gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware ’t zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder ’t oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in ’t toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op denZaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, ’t welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout vanOudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April teSchoonhovenzou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In denonzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet teOudewater, ’t geen vreemd is, maar buiten de stad, teHekendorpwoonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen vanHekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in ’t bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Vanwegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweedeBataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen:de Armenianen en Papen zullen ’t ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap vanOudewateraanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide:dat ’s zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aanGecommitteerdeRaden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, ’t welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande desecretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel vanGecommitteerdeRaden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze ’t bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering vanOudewaterwerd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan ’t voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vriendenvan van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in ’t bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam.241Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnenOudewatervoorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stadWoerdenmet concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der stedenWoerden,Oudewater,Naarden,WeespenMuidenzich wenden tot de staten vanHollandenWest-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten vanNoord-Americaeener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten vanHolland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar hetLoo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar ’sGravenhagewilde doen, werd zij nabijOudewatergevat en gedwongen terug te keeren.De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel242.Oudewaterdat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart vanHolland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naarEngelandop den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in1795door Franschen bezet.Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienstvan den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen metEngeland, en leden deerlijk in den handel, etc.De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood243.Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren vanOudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke alsOudewaterfraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën derkoninklijkegarde Jagers te huisvesten244.Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon245en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.Nederland!dierbaarNederland!hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën vanEuropa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het nietwagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd246toepassen.Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….Maar daar kwam redding. De slag bijLeipzigbezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.De Franschen namen alom de wijk.Naardenen denHelderwerden echter nog belegerd en teWoerdengedroegen zij zich zeer wreed.In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigdeNederlandenwerd uitgeroepen.18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bijWaterlooverloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning derNederlanden.Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.En in de rust en den bloei, die nu inNederlandaanlichtte, deelde ookOudewater. De vijanden alomme verdrevenen eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt247.Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de ColonieFredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnenOudewaterde militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eenewerkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw derinrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eenevrouwen vereenigingmet het doel aanbehoeftige kraamvrouwengepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen.248Eene vereeniging totkostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrektOudewatereveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.De oudste der vereenigingen van dezen aard, is hetLijndraaijers Gilde.Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan.249Voort bestaat er hier eendepartement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.Nog behoortOudewaterenomstrekentot eene derafdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52.250Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:EeneLiedertafel, onder den naam vanCrescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.Eenemuzijk vereeniginggenaamdAmicitia et harmoniaopgerigt 1855, 8 leden.EeneRederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichterBorgeropgerigt 1857, 9 leden.Ten jare 1850, werd hier opgerigt deNederlandsche Brandwaarborg Maatschappijvoor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.Oudewaterbehoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie vanZuid-Holland, wat het cantonnement betreft onderSchoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onderGoudaen met de protestantsche classes eveneens onderGouda.Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten;echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen totOudewaterbehooren.Sedert het jaar 1857, bezitOudewatereveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd251eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem vanOudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevalligewoestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudigaanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis vanOudewater en omtrek.Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwscheOudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.DierbaarOudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel,252zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord vanOudewaterwordt eenige malendaags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaatOudewater en omtrekmet Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.

De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschenPapekopenDiemerbroekachter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten vanWoerdenenMontfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.

De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen,al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.

Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.

Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnenOudewaterweder keerden.238

Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.

»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen vanWoerdennaarUytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnenOudewaterbrachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.

Deze en meerdere veroveringen bezorgdenOudewatergrooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken.”239

Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoudeOudewatergebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten vanHollandenWestvrieslandoctrooi240tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.

In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.

In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stadOudewaterverlof verzocht, door den Lutherschen Predikant vanWoerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulksniet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.

Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschiedenop het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging,den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.

Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder ’t oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.

»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz.”

De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven,” die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dusvoor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5–6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!” Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat ditHuis(bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met ’s lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met’slands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.

Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan.” Thans zocht hijaan te toonen, dat, hoewel men in ’t algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit ’s landsplakatente bewijzen, de ongeoorloofdheid van ’t geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven,zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, inJanuarijdes volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.

Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen ’s lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren vanOudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsingvan ’t gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware ’t zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder ’t oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in ’t toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op denZaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, ’t welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout vanOudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April teSchoonhovenzou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In denonzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet teOudewater, ’t geen vreemd is, maar buiten de stad, teHekendorpwoonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen vanHekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in ’t bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Vanwegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweedeBataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen:de Armenianen en Papen zullen ’t ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap vanOudewateraanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.

De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide:dat ’s zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aanGecommitteerdeRaden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, ’t welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande desecretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel vanGecommitteerdeRaden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze ’t bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering vanOudewaterwerd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan ’t voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vriendenvan van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in ’t bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam.241

Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnenOudewatervoorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stadWoerdenmet concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der stedenWoerden,Oudewater,Naarden,WeespenMuidenzich wenden tot de staten vanHollandenWest-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten vanNoord-Americaeener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.

Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.

Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten vanHolland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar hetLoo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar ’sGravenhagewilde doen, werd zij nabijOudewatergevat en gedwongen terug te keeren.

De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel242.

Oudewaterdat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.

Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart vanHolland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naarEngelandop den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in1795door Franschen bezet.

Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienstvan den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen metEngeland, en leden deerlijk in den handel, etc.

De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood243.

Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren vanOudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.

Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke alsOudewaterfraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën derkoninklijkegarde Jagers te huisvesten244.

Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon245en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.

Nederland!dierbaarNederland!hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën vanEuropa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het nietwagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd246toepassen.

Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….

Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, hoe jammerlyk ontwijd,Waar de scherpe ploeg der vreemden,Voren door uw boezem snijdt!Moet mijn oog u dus aanschouwen,Land van glorie, land van kracht?….Thands een land van machtloos rouwen,Om uw ouden roem gebracht!

Hollands beemden, Hollands beemden!

Ach, hoe jammerlyk ontwijd,

Waar de scherpe ploeg der vreemden,

Voren door uw boezem snijdt!

Moet mijn oog u dus aanschouwen,

Land van glorie, land van kracht?….

Thands een land van machtloos rouwen,

Om uw ouden roem gebracht!

Hollands beemden, Hollands beemden!Ach, waar zijn uw dagen heen,Toen zoo menig Leeuw der vreemden,Deinsden voor uw Leeuw alléén!Toen, op ’t wappren van uw stander,Door den schrik vooruitgesneld,Benden stoven uit elkander,Krijtend: „Holland is in ’t veld!”

Hollands beemden, Hollands beemden!

Ach, waar zijn uw dagen heen,

Toen zoo menig Leeuw der vreemden,

Deinsden voor uw Leeuw alléén!

Toen, op ’t wappren van uw stander,

Door den schrik vooruitgesneld,

Benden stoven uit elkander,

Krijtend: „Holland is in ’t veld!”

Hollands beemden, Hollands beemden!Is uw roode Leeuw vergrijsd,Dat de trotsche hand der vreemdenHem in ’t spoor der schande wijst?Zijn zijn tanden stomp gereten?Zijn zijn lendenen verlamd?Zijn zijn naaglen stuk gebeten,Dat hy niet ter weer ontvlamt?

Hollands beemden, Hollands beemden!

Is uw roode Leeuw vergrijsd,

Dat de trotsche hand der vreemden

Hem in ’t spoor der schande wijst?

Zijn zijn tanden stomp gereten?

Zijn zijn lendenen verlamd?

Zijn zijn naaglen stuk gebeten,

Dat hy niet ter weer ontvlamt?

Hollands beemden, Hollands beemden!Frankrijks wingeweste thands—In het wolkengraauw dier vreemdenDooft het zonlicht van uw glans!Al uw glorie is ontluisterd:Frankrijk kwam met boei en band ….Ach, uw zonen gaan gekluisterdIn ’t onteerde Vaderland!….

Hollands beemden, Hollands beemden!

Frankrijks wingeweste thands—

In het wolkengraauw dier vreemden

Dooft het zonlicht van uw glans!

Al uw glorie is ontluisterd:

Frankrijk kwam met boei en band ….

Ach, uw zonen gaan gekluisterd

In ’t onteerde Vaderland!….

Maar daar kwam redding. De slag bijLeipzigbezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.

De Franschen namen alom de wijk.Naardenen denHelderwerden echter nog belegerd en teWoerdengedroegen zij zich zeer wreed.

In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigdeNederlandenwerd uitgeroepen.

18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bijWaterlooverloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning derNederlanden.

Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.

Het verkoelde bloed vloeit sneller,En het oude hart werd jong,En het woord van dank en zegenJuichte van de ontboeide tong,Holland Hollandwas herboren,Hollandrees uit schande en smaad. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .

Het verkoelde bloed vloeit sneller,

En het oude hart werd jong,

En het woord van dank en zegen

Juichte van de ontboeide tong,

Holland Hollandwas herboren,

Hollandrees uit schande en smaad

. . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . .

Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,Hij ontwaakt met nieuwe kracht,Wee, wie op zijn ruste vertrouwendVleijend hem te kluisteren tracht.

Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,

Hij ontwaakt met nieuwe kracht,

Wee, wie op zijn ruste vertrouwend

Vleijend hem te kluisteren tracht.

En in de rust en den bloei, die nu inNederlandaanlichtte, deelde ookOudewater. De vijanden alomme verdrevenen eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!

Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.

De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt247.

Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.

In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de ColonieFredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnenOudewaterde militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.

Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eenewerkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw derinrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.

Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eenevrouwen vereenigingmet het doel aanbehoeftige kraamvrouwengepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen.248

Eene vereeniging totkostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrektOudewatereveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.

De oudste der vereenigingen van dezen aard, is hetLijndraaijers Gilde.

Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan.249

Voort bestaat er hier eendepartement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.

Nog behoortOudewaterenomstrekentot eene derafdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52.250

Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:

EeneLiedertafel, onder den naam vanCrescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.

Eenemuzijk vereeniginggenaamdAmicitia et harmoniaopgerigt 1855, 8 leden.

EeneRederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichterBorgeropgerigt 1857, 9 leden.

Ten jare 1850, werd hier opgerigt deNederlandsche Brandwaarborg Maatschappijvoor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.

Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.

Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.

Oudewaterbehoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie vanZuid-Holland, wat het cantonnement betreft onderSchoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onderGoudaen met de protestantsche classes eveneens onderGouda.

Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.

De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten;echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.

Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.

Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.

Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen totOudewaterbehooren.

Sedert het jaar 1857, bezitOudewatereveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd251eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.

En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.

Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem vanOudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.

Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevalligewoestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.

Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.

En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.

Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.

Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudigaanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis vanOudewater en omtrek.

Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwscheOudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.

Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?

O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.

DierbaarOudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel,252zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.

En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord vanOudewaterwordt eenige malendaags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.

Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaatOudewater en omtrekmet Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.


Back to IndexNext