GEOLOGIE.I.OUDEWATER EN OMTREK,GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”Mr. J. P.Amersfoort.Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschilligvan welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.Hieromeerstenshebben wij ons voorgenomen iets te leveren overOudewater’sbodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam vangeologieofaardvormingbekend) ook van nut voor menig inwonerdierplaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie vangeheel ons vaderlandzelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie vanOudewaterenomtrekin het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerdennogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaaginOudewaterbezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot deklei-soortenbehoort. Zet men echter den voetbuitenhet stadje, dan is de afwisseling van klei- metveenachtigengrond zeer in het oog loopend.Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou menvóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werdentoenbelemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen wasOudewater’sbodemreeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: inalluviumendiluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van hetDILUVIUM.Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:ALLUVIUM.In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑3Namen van straten.↑4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑6Batavia illustrata, pag. 200.↑7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑
GEOLOGIE.I.OUDEWATER EN OMTREK,GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”Mr. J. P.Amersfoort.Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschilligvan welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.Hieromeerstenshebben wij ons voorgenomen iets te leveren overOudewater’sbodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam vangeologieofaardvormingbekend) ook van nut voor menig inwonerdierplaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie vangeheel ons vaderlandzelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie vanOudewaterenomtrekin het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerdennogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaaginOudewaterbezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot deklei-soortenbehoort. Zet men echter den voetbuitenhet stadje, dan is de afwisseling van klei- metveenachtigengrond zeer in het oog loopend.Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou menvóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werdentoenbelemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen wasOudewater’sbodemreeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: inalluviumendiluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van hetDILUVIUM.Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:ALLUVIUM.In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑3Namen van straten.↑4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑6Batavia illustrata, pag. 200.↑7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑
OUDEWATER EN OMTREK,GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”Mr. J. P.Amersfoort.Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschilligvan welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.Hieromeerstenshebben wij ons voorgenomen iets te leveren overOudewater’sbodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam vangeologieofaardvormingbekend) ook van nut voor menig inwonerdierplaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie vangeheel ons vaderlandzelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie vanOudewaterenomtrekin het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerdennogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaaginOudewaterbezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot deklei-soortenbehoort. Zet men echter den voetbuitenhet stadje, dan is de afwisseling van klei- metveenachtigengrond zeer in het oog loopend.Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou menvóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werdentoenbelemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen wasOudewater’sbodemreeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: inalluviumendiluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van hetDILUVIUM.Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:ALLUVIUM.In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑3Namen van straten.↑4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑6Batavia illustrata, pag. 200.↑7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑
OUDEWATER EN OMTREK,GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”Mr. J. P.Amersfoort.
„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”Mr. J. P.Amersfoort.
„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”Dr. W. C. H.Staring.
„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”
Dr. W. C. H.Staring.
„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.Zóó was heel Holland eens ….”
„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;Ik min het vette rund, dat aan den waterkantEen heldren spiegel vindt met loovers om den rand.Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.
„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,
Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;
Ik min het vette rund, dat aan den waterkant
Een heldren spiegel vindt met loovers om den rand.
Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,
’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;
Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,
Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,
Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,
Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.
Zóó was heel Holland eens ….”
Zóó was heel Holland eens ….”
Mr. J. P.Amersfoort.
Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschilligvan welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.Hieromeerstenshebben wij ons voorgenomen iets te leveren overOudewater’sbodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam vangeologieofaardvormingbekend) ook van nut voor menig inwonerdierplaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie vangeheel ons vaderlandzelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie vanOudewaterenomtrekin het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerdennogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaaginOudewaterbezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot deklei-soortenbehoort. Zet men echter den voetbuitenhet stadje, dan is de afwisseling van klei- metveenachtigengrond zeer in het oog loopend.Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou menvóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werdentoenbelemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen wasOudewater’sbodemreeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: inalluviumendiluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van hetDILUVIUM.Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:ALLUVIUM.In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.
Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschilligvan welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.
Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.
Hieromeerstenshebben wij ons voorgenomen iets te leveren overOudewater’sbodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam vangeologieofaardvormingbekend) ook van nut voor menig inwonerdierplaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.
Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.
Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie vangeheel ons vaderlandzelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie vanOudewaterenomtrekin het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerdennogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.
Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.
Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaaginOudewaterbezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot deklei-soortenbehoort. Zet men echter den voetbuitenhet stadje, dan is de afwisseling van klei- metveenachtigengrond zeer in het oog loopend.
Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.
Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou menvóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werdentoenbelemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.
De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen wasOudewater’sbodemreeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.
Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: inalluviumendiluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het
DILUVIUM.Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:
DILUVIUM.
Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.Gemiddeld bekwam men welwater:InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.In deszelfs omtrek, als in:Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:
Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woordDiluviumisvloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking,dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.
Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.
Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, inOudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.
De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaatswaarde wel wordt aangetroffen, zich opongelijke dieptebevindt.
Gemiddeld bekwam men welwater:
InOudewaterop omstreeks12,50Ned. el.
In deszelfs omtrek, als in:
Williskopen}op»omstreeks»11,—Ned.»el.»SnelrewaardHekendorpen}op»omstreeks»9,50Ned.»el.»RoozendaalPapekop,}op»omstreeks»7,75Ned.»el.»Hoenkoop,RuigeweideenLinschoten1
OmtrentPapekopstrookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten vanGoudaenLeidengesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen hetdiluviumbegint, en dat dit het zand is, hetwelk bijUtrechtop 2 el diepte wordt aangetroffen, bijWoerdenop gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el;bij het stationPapekopregelmatig op deze diepte; bijGoudaop 9 tot 12 el, en bijRotterdamwaar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2
Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelenbij het begin vanHoenkoopenWilliskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijkveen,derrieenijzeroer, alsookboomstronkenenschelpen.
De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.
Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:
ALLUVIUM.In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:
ALLUVIUM.
In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:Bouw-ofBovengrond.Steigeraarde.Rivierbezinking.Zeebezinking.Kienofgrondhout.Zakwater.Rood zand.Veen.Derrie.IJzeroer;dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot deHumus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van deDerrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:
In het kort dient nu eerst vermeld te worden,welke grondenmen bij het pompen maken gewoonlijk aantreft.
Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond inOudewateruitkleibestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks 3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, enz. vermengd.
Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: »Steigeraarde.”
De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-ofzeebezinking” heeten.
Buitende stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Hetwaaromgeven wij eenige bladzijden later.
In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam vankien-ofgrondhoutworden aangeduid.
Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater”. De spade heeft hare dienst gedaan, en men moet—wil men den bodem tot op de wel doorboren—zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.
De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaansrood zand, veelal ookturfgrondenderrie, welke beide laatsten de aardkundigen met den naam vanlaag veenzouden bestempelen.
Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, die in de geleerde wereld alsOerbankenofIJzeroerbekend zijn en zoowel inalluviumalsdiluviumaangetroffen worden.
Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingenzoowel op ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.
Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!
In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig—naar men meent, op een stuk hout—ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, ’twelk echter niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring’s voortreffelijken »Bodem van Nederland” lazen, dat, bij diluvialen vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, die zich in onzen bodem vast woelden.
Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en op het Roodzand3eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de pomp op te plaatsen.
»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst om te drinken”, en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater”, zijn bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.
Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche alluvium;—doch,hoezijn deze gronden gevormd?welkenatuurkrachten en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten te verklaren.
Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium”, indien men de beteekenis des woords zelve kent.Alluviumtoch wil niets anders zeggen, dan:land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt—gelijk nader blijken zal—moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, deels kunstterm verstaan.
Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen wij dus te behandelen de:
dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.
Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.
Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, onder anderen in ’t begin vanWilliskophet langst gespaard.
Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!
Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en—de stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan delater gevormdeofalluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen des alluviums; beginnen we met het:
Veen.Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:
Veen.
Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:
Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:hoogenlaag veen.
Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor ons bestek slechts eene dezer beiden: hetlaag veenvoldoende is; de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.
De turf, vanhoog veenvervaardigd, wordt in deze streek veelal met den naam van »Vriesche”, die vanlaag veenmet den naam van »Korte turf” aangeduid.
Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:
LAAG VEEN.Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot de
LAAG VEEN.
Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot de
Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.
De ontleding van planten totlaag veengaat niet dan met hulp en medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede eenig deel daaraan neemt.
Planten alzoo, dieaan,opofinhet water leven en tot ontbinding overgaan, wordenlaag veenmet behulp derlucht, die in het water opgelost is, met behulp van hetwaterzelf; en eindelijk door medewerking van deaarde, omdat de ontbonden plantenstof zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.
Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede alluviale grondsoort, tot de
Humus of Bouwaarde,’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de
Humus of Bouwaarde,
’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de
’t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de
Derrie.Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.
Derrie.
Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.
Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.
Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond ofhumusgevormd.
Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.
Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot deDerrie. Moeten wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, alligt daaraan herkennen.
Zoo zal dus opUiterwaardenin de lagere plaatsen derrie kunnen ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich intusschende grond door leven en dood van planten en dieren, en met een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene wijle bij hetIJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.
IJzeroer.Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:
IJzeroer.
Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:
Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringsluchtkomende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.
Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in water deoerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt wel beweerd, maar is geenszins bewezen.”
Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt.”5
Menigvuldig—wij zeiden het reeds—is dat ijzeroer, welks wording ons thans niet duister meer is, inOudewater’sgronden aanwezig. Bij de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid ijzeroer aan.
InPapekopgebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op te boren.
In deLinschotenbehoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het water met plekkenvan eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken zullen vermeerderen.
Ook in onzen Hollandschen IJssel bijGoejanverwellesluiszag ik zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat zulks »salpeterigheid” was.
Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig” zijn, des winters bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om te betreden.
Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.
Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk werkman, zou blaauw zand—diluviale gronden?—steeds met ijzer gepaard gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.
Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken eene niet onbelangrijke rol in de vorming vanOudewater’salluvium spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:
Rood zand.Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:
Rood zand.
Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.Vervolgen wij echter:
Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons alluvium aanwezig is?
Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten naastenbij 3 uren afstands vanOudewaterliggende rivier de Lek. Zij toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in den handel als „lekzand” voorkomt. Menige overstrooming dier rivier van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.
Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken worden, maargeen zand.
Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen vanBelgiëenDuitschlandslaan.
De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons zeer eenvoudig toe: dezelfdestroomofstroomendie het zand naar de Noordzee voerden, hebben het rood zand teOudewatergebragt. Beide is het vandenzelfdenoorsprong, doordezelfdestroomen aangevoerd, uitdezelfdebergen vanBelgiëofDuitschlandontstaan, en zooalsvoorheende rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulksthans nogmede.
Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger den bodem vanOudewaterdoorsneden; want zonder zulke rivieren had de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.
Vervolgen wij echter:
Zakwater.Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.
Zakwater.
Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.
Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.
Rivier- en Zeebezinking.Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:
Rivier- en Zeebezinking.
Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:
Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het begin derrivierbezinkingte verplaatsen, werwaarts wij hem zullen volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte schets daar tusschen te lasschen van:
DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.
De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier denNaamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamdeTeelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van „woudreuzen” ten volle waardig zijn.
Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche rivier de Rijn, door onzen Borger „de grootvorst van Europa’s stroomen” genoemd, splitst zichin verschillende armen, als wilde hij de geheele landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, over zijne bedding te laten heenvlieten.
Ofschoon hij—de IJssel—nu van tijd tot tijd deze zijne bedding eenigzins verlegt—want alle rivieren deden dit—blijft hij zijne rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.
Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.
Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze slibtoevoer of dit kleibezakken is derivierbezinking.
Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd had en die haar omringde.
Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich spoedig tot op eeneaanmerkelijkedikte had nedergelegd. Hierdoor ontstondland, dat men met den naam vanWaardland, of ook wel kortweg met dien vanWaardbestempelde. Dit woord is verwant met ons tegenwoordig werkwoordworden, zoodat men doorwaardgerustelijk aangeslibt, ofgeworden landkan verstaan.
DeUiterwaardenlangs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen naam. InOudewaternu was,—te oordeelen naar de zich soms 3,10 Ned. el in den grond bevindende kleilaag—datlandwordenreeds vroeg begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, en ziende, dat—niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren—er toch nog steedsnieuweofjonge waardengevormd werden, noemden zijdaaromde plaats hunner vestiging—om ons van de tegenwoordige spelling der taal te bedienen—Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den naam dezer plaats naderhandOudewaertenuit, doorliep vervolgens den overgangOudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En zie hier den
Naamsoorsprong van Oudewaternaar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.
Naamsoorsprong van Oudewater
naar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.Halma teekent er dit van aan:14»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”Zonder einde echter?Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.
naar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende redenen opgegeven.—S. van Leeuwen6en Franc. Halma7zijn dan ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk af zou komen vanOudewaardenals in een oud eiland of oude waard liggende. M. Z. Boxhorn8spreekt er aldus over:„Oudewatersoude moeten ghenaemt wordenOudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel aensiet.Oudewaerdten beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van diewaerdedaarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt” Ook Lud.Smids9is—op gezag van dezen laatste, schijnt het—dezelfde meening toegedaan.
Men ziet dus, dat velenditgevoelen aankleven. De heer van Kinschot10en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam van den IJssel, alsoud waterzou ontvangen hebben; daarmede stemmen wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen11, dat deRomeinenhet ook daarom den naam vanAquae Vetereszouden hebben gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden”, waarin wij lezen: »Uit de latijnsche benaming van Aquae Veteres—alleen eene letterlijke vertaling van den tegenwoordigen naam—zien wij niet dat eene afleiding te haalen is.”12En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, slechts één plaatsje, datOudewaterheet.
Voor de stelling, dat de naamOudewaterwezenlijk van bovenvermelden geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,Snelrewaardals boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; voorts:Barwoutwaarder, het dorpjeWaarder, en misschien mag het nabijgelegenWoerdenhier ook gerangschikt worden als synoniem metWaarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechtsoudetot onderscheid dier andere waarden.
Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische beteekenis wil toegevoegd hebben.
Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, totOudewater’sgeologie, en wij beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:
»Het schijnt, dat de ondermaansche dingenZijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:Ik zag het vaste land met water overdektEn weder uyt de plas het vaste land verwekt.’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de grondenHet zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13
»Het schijnt, dat de ondermaansche dingen
Zijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:
Ik zag het vaste land met water overdekt
En weder uyt de plas het vaste land verwekt.
’t Is vreemd, dat verre van de zee en van de gronden
Het zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,
En dat een anker lag in ’t hooge dorre land,
In plaats van in de zee of aan den waterkant.”13
Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen” behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.
Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en ’t natuurlijk gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.
Halma teekent er dit van aan:14
»In oude tijden plagt denRhijnnevensBataviaof ’tBatouwerlandeenen zeer snellen loop te hebben, totdathij bijKatwijkin zee viel; maar toen maakte hij door deMaasenWaalslechts eenen traagen en kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van denRhijn, het doorgraven van deLekenYssel, loopt de stroom bijna geheel te niet en de traage loop vanWaalenMaasis in een zeer snellen afdrift verandert. Belangende den tijdt en d’oorzaak van de gedachte opstoppinge desRhijns, bijKatwijk, daarin zijn zeer verschillige gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den loop desRhijnszoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat deRhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van ’t water desRhijnsen den vloed daardoor ontstaan en door deLekenz. quyt te maken.—De oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op ’t jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater denRhijninjoeg en in ’t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de inwoonders genoodzaakt zijn geworden, deLekte graven, om hun water in en door deMaasvoortaan in zee te loozen.”
Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.
De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor het verstopt maken des Rijnmonds15, als hij zegt:
»Men meent, dat de Rijnmond teKatwijktusschen860 en 1000 verstopt is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen.”16
Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde slib mede endiewordtzeebezinkinggenoemd.
Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden omMontfoortgelegen, en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig ten minste—de vloed niet verder gaat dan halverwegeMontfoortenOudewater(zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.
Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrentOudewatergeweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de meeste slib, welke dan ook, afgezet.
Nuis de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel bovenIJsselsteinmet eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water kannogdoor den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders den IJssel nogbinnenbij vloedgetijde teIJsselmondewanneer er overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluviumnoguit rivier- en zeeklei wordt gevormd.
Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone getijden tot omstreeks halverwegeMontfoortenOudewatergaat. Volgens eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.
Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd overtuigen. Met het oog naar den kant vanGoudagewend, ziet men alsdan reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar de zijde vanUtrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd wordt vooralbegunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.
Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende plaatsnamen:IJsselstein,Oudewater,Goejanverwellesluis,Haastrecht,Stolkwijkersluis,Gouda,Moordrecht,Ouderkerk aan den IJssel,Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselenIJsselmonde. Op eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook om hunne naamsreden te verklaren. ’t Wordt echter meer dan tijd, nu van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men—om zulks met goed gevolg te doen—moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong kan afdalen.
Bijna algemeen is men tegenwoordig van ’t gevoelen, dat de verouderde schrijfwijze van IJssel is:Ysala, en zulks wijders eene verbinding is van de woorden Y enSala; Y beteekentwateren Salaloop; alzoo Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen danwaterloop.17
De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.
Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier,zullen wij hierover iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 teGoudain het licht verschenen18:
»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen rivierstaat des lands—iets, dat nog zeer te betwijfelen is—zoo is zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer geenzins onbeduidend te noemen.
De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de sprekendste wijze ontdekt.
Van den benedenmond af totGoudabestaan de bekende steenfabrieken niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en vijftig duizend guldens gerekend.
Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.
De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen worden vervaardigd.
Ten gevolgevan, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de fabriekanten worden betaald.
Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.
Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend.”
Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.
Een enkel voorbeeld in cijfers—zoo stond daar verder—zal ons dit ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.
En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen?19
»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,En schatten zonder end ….”
»O zilv’re Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,
Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,
En schatten zonder end ….”
Zonder einde echter?
Zal de sluis tot afdamming van den IJssel bovenGouda, niet een volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg voor den aanvoer van slib naardeze streek, en aan de andere zijde der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?
Volgens de genoemde brochure—wat het laatste betreft—ja gewis.
Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloedoveren trok die weder terugvande plaats, die wij thansOudewaterheeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den »Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk” kusten, daargesteld om uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,—zij was oorzaak, dat men u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken” vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.
BijOudewaterkleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans nog tot bovenOudewatervoortzet, beperkt worden. De rustelooze waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij tot voorbijOudewaterte hervatten.
Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bijGoudain werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte „waterloop” zal spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het laatste (’t verdiepen) is men van bovenIJsselsteintot bovenMontfoortbereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, hier echter totnutder plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of bijna geen nut meer voorOudewaterdoet. Integendeel; want zooveel klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien vanVechtverwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bijGoudatot aan de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die sluis, al dadelijk van denOpper-IJssel in dengekanaliseerden IJsselofVechtstroombevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel teGoudaof teOudewater.
Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan de provincieZuid-Hollandƒ 90,000, de prov.Utrechtƒ 110,000 en het rijk ƒ 100,000 zal verstrekken.
Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.
Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke geologie terug, door te verklaren wat eigenlijkrivier- enzeekleiis.
Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter den lezer—wie zulks niet mogt weten—dadelijk te verklaren wat rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam vanPottebakkersaarde.
Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij—de rotsen—vervormen zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.
Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeksMontfoortzeer ondiep en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene publikatie vanOudewater’sgemeenteraad eener voorgenomen doch door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde” bevond. Deze nu zal niet van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast bevindende grachten.
Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, deze als zee—de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.
Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland” eenzeer gemakkelijk middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van gemaakt heeft, bij verbakkingroode, zeebezinkinggelesteenen.
Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, welkelaatsteonder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen aangeduid worden.
Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke diepte, hier en daar in en omOudewaterte verzamelen, en die ter verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem te bepalen.
Grond- of Kienhout.Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.
Grond- of Kienhout.
Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.
Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand bevestigd.
Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam van het Schakenbosch inHekendorp, waarover in de mythologische schets nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.
Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische vloed ofdie van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan gepaard, zullen de meeste boomen die als „grondhout” bij ons worden aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling onderworpen is of althans geweest is.
De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook anders met den top liggende heeft gevonden.
Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout komen dikwerf voor.
Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere stukken op: zoo ook bij de stammen.
Steigeraarde.Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamde
Steigeraarde.
Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamde
Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die puinaarde zich over ’t algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buitenOudewaterzelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te dringen om geene steigeraarde meer te vinden.
En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des bodems, tot de zoogenaamde
Teelaardegenaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
Teelaarde
genaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
genaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna „welige grond” noemt, doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming van ons alluvium.
Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van weleer, heeft ook inOudewater en omtrekplaats gemaakt voor de orde en regelmaat der 19deeeuw.
Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende orde, welke is aangeduid; alleenlijkmoester verdeeling gemaakt worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden nog steeds aanhoudt.
Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.
In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.
Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische kennis onzer vaderstad.
1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑3Namen van straten.↑4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑6Batavia illustrata, pag. 200.↑7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑
1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑3Namen van straten.↑4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑6Batavia illustrata, pag. 200.↑7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑
1Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden omOudewatergelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.↑
2W. C. H. Staring.De bodem van Nederland.IIe deel, pag. 130.↑
3Namen van straten.↑
4»De bodem van Nederland”, Deel I, bl 18 en 19.↑
5Ibid, pag. 421, Ie deel.↑
6Batavia illustrata, pag. 200.↑
7Tooneel der Vereenigde Nederl.2 deel, pag. 133.↑
8Tooneel van Hollandt, pag. 313.↑
9Lud. Smids,Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.↑
10Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.↑
11Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.↑
12Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.↑
13Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant teMoordrecht.↑
14Halma,Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.↑
15Voor 860 is ook nog Gabbema,Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren,Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.↑
16De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.↑
17Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van hetLeeskabinet, 1856, No. 7.↑
18De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.↑
19Janzonius bij Rademaker,Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.↑