Het Weeshuis.Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Het Weeshuis.Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Het Weeshuis.Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Het Weeshuis.Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Het Weeshuis.Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Het Weeshuis.
Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:Bedenckt de arme weesen 1613.Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.
De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.
Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:
Bedenckt de arme weesen 1613.
Bedenckt de arme weesen 1613.
Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer.”Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder” een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.
Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:
De weesen deser stadIn haere jonge jaeren,Ontbloot van oudersgunst,Opvoeding en bewaeren,Genieten in dit HuisLyf- en Zielsonderhout,Dies syn sy schuldig,God te danken menigfout.”
De weesen deser stad
In haere jonge jaeren,
Ontbloot van oudersgunst,
Opvoeding en bewaeren,
Genieten in dit Huis
Lyf- en Zielsonderhout,
Dies syn sy schuldig,
God te danken menigfout.”
Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden—eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.
Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.
Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.
Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde—zijnde een vrouwenportret—van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.—Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.
Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.
Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.
Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzamepersonen, meer dan dertig jaren oud zijnde, totWeesmeesters.
De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebbenover, en kennis te nemen,vanal de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.
Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren.105
»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, ’t geen goede ende getrouwe weesmeesteren,naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen.”
Uitgenomen de nu besprokenWeesmeesters, werden er nog ieder jaar opVrouwe Lichtmissedag(2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen totWeesvadersgekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.
DezeWeesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden,zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eedbij het aanvaardenvan de betrekking alsWeesvaderaan Burgemeesters te doen was als volgt:106
»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken107, van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:
Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.
Terwijl over de meer directe behoeften der weezen,(verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader”en eene »binnenmoeder.”
En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen doorBurgemeestersenSchepenenmeer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, hetweeshuistot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.
Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eeneoud binnenmoederbewoond wordt.
De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten.108
Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en hetWeeshuisgedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.
De bibliotheek van het departementtot nut van ’t algemeen, afdeelingOudewateris berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.
Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het