Het voormalige Gast- en Proveniershuis.Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.
Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte derstad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze redennogde Gasthuissteeg genaamd.
Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot110dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden.”
De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor teBerkenwoudeOudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.
Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.
In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden danprovenierengenoemd, en tengevolge van dien, droeghetGasthuisook wel sedert dien tijd, den naam vanProveniershuis.
De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt111.
Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.
Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit eenliefdadig gestichtin eenartillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogenals sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.
Uitgenomen 4 hoofdpoorten, hadOudewatereertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.
In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop’s schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.
Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven: