OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.

OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.Oudewaterenomtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging—veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt—ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.Dezeoude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling vanOudewaterbeschrijvende.Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordigeOudewatertijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.Het Markveld bij Oudewater.Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑6Dezelfde, bladz. 386.↑7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑

OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.Oudewaterenomtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging—veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt—ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.Dezeoude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling vanOudewaterbeschrijvende.Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordigeOudewatertijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.Het Markveld bij Oudewater.Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑6Dezelfde, bladz. 386.↑7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑

OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.Oudewaterenomtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging—veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt—ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.Dezeoude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling vanOudewaterbeschrijvende.Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordigeOudewatertijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.Het Markveld bij Oudewater.Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑6Dezelfde, bladz. 386.↑7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑

OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.

Oudewaterenomtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging—veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt—ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.Dezeoude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling vanOudewaterbeschrijvende.Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordigeOudewatertijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.Het Markveld bij Oudewater.Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.

Oudewaterenomtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!

Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!

Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.

Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging—veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt—ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.

Dezeoude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling vanOudewaterbeschrijvende.

Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordigeOudewatertijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.

Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.

Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.

Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.

Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op dewaardenboomen stonden, deze hinderdentot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijdsrodegeheeten.1

In het tegenwoordigeOudewaterzijn twee straatnamen: deRoodstraat en hetRoodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooidzegt het landvolk) en werden zij daaromrodegenoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen.2

De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.

De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt.3

De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren.4

Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.

Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest enkleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.

Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.

Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.

De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.

Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd metbonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben.5

Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen.6

En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde inOudewaterenomtrek.

Het Markveld bij Oudewater.Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.

Het Markveld bij Oudewater.

Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.

Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.

De voornameroerendehave in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.

Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.

Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.

Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeerwel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.

De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.

Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bijOudewaternog een spoor aanwezig bleef.

Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.

Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.

Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was hetverdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens—let wel—markgenoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoogrens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komtmarksoms de beteekenis vanboschzeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)

Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.

Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.

Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot” slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.

Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts vanOudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.

Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.

a.Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.

b.Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegdeveld.

Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veldzou volgens eenige taalkundigen afstammen vanvellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is.”

Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.

Verder zagen wij, dat markgrens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.

Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte.7

Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.

Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.

Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860Oudewaterenomtrekgeteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.

En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop vanUtrecht,Oudewatertot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk.8

Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.

1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑6Dezelfde, bladz. 386.↑7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑

1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑6Dezelfde, bladz. 386.↑7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑

1Zie hieroverTaalkundige bijdragen tot de naamsuitgangendoor Mr. J. H.Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P.Blommaert,Aloude historie, bladz. 18.)↑

2Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.↑

3G. van Loon’sAloude hollandsche historie, bladz. 8.↑

4Engelberts,Aloude Staat, bladz. 382.↑

5Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.

Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?↑

6Dezelfde, bladz. 386.↑

7Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.

Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening datOudewatervoorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.↑

8Arnold BucheliusbijS. van Leeuwen,Batavia sacra, II, bladz. 164, enBeschrijving van Oudewater, doorvan Kinschot, bladz. 4.↑


Back to IndexNext