PLANTEN- EN BOOMENDIENST.

PLANTEN- EN BOOMENDIENST.De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) waren welligt allen planten die men vereerde.Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt werd en sedert altijd met roodevlekkenop de bladeren is.Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren zooveel geld bieden” volgens de overlevering, is welligt bijgeloof verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren” in boeken bij hen aan.Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk.De heer van den Bergh zelfs1, die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, vonderhouten genaamd.Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op’s GrevehofinZutphenwerd het leengerigt gehouden onder een eik en linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit Wolff’s Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat vanKoekelenbergnaarMolenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, de nacht is voor mij!” en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet het op Thunar of Wodan.Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder het grondhout aangetroffen.De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naamWeesboom,als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor deTerpen, Wieren en Vlietbergenzoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.Wijken of WijkplaatsenzijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.Go-plaatsenGoy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van deLoo-plaatsenLopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.D. Buddingh.Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologieniet alleen water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende kunne en hoedanigheid.Bij Tacitus—om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit zou kunnen bewezen worden—vindt men vermeld, dat, toen de moedige kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door henaan de tegenwoordigheid van den Rijnte herinneren.Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed:meer dan men oppervlakkig denkt.Wie uwer heeft alskindnooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water mogte trekken. Alskindgeloofdet gij zulks, doch hebt gij alsmanwel ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijniser, zij het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren sporen harer vereering naliet, in verschillendehelplaatsen. Ook teOudewaterhebben wijaan den IJsselnog eene woning genoemd:het helletje, die het aandenkenonloochenbaaraan Hela heeft, en waarop wij nader in het breede hopen terug te komen.Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, en ook merken wij op, dat de plaatsnaamSchakenboschnog een land voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.En ten slotte herinnert de naamHekendorpafkomende vanNechsendorp, insgelijks aan Watergeesten.De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, en spreken met de menschen.De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, volgens Blommaert, groen haar.Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschenUtrechtenOudewatergaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,Een zeemeermin zich wieglen op de baren,Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”TeSchoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen haar hebben.VUURDIENST.»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant,”zegt Buddingh, en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst ook hier is aangetoond.DIERENDIENST.De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven—Tacitus, van de Germanen sprekende1, verhaalt, dat het hun eigen was om uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich zelven voor de dienaren—de paarden voor de medewustigen der goden.Zooals vermeld is, zagen wij inRoozendaal, dat, gelijk bewezen werd, tot hetSchakenboschzal hebben behoord, zoodanige plaats waar de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem genoten had,—dat werd ook de eer aangedaan opdenzelfden houtmijt met het lijk zijns meesters te worden verbrand.2Ook dit zullen wij nader gelegenheid hebben opOudewatertoe te passen.Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden zeer in aanzien.Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, zij onder dit stuk gedacht.1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑2Van den Bergh.↑VOGELVEREERING.»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!” zoodanig gezegde zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.Nog is de ooijevaar—elders heileuver—heilaanbrenger, bij sommigen in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, onder deze rubriek.Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die welligt weder tot kinderspel overging.»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren,” zeide mij iemand, »want die staan in de Schrift beschreven.” Ook dit zoeken wij als in de mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie1eene rol die men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.Hethanensabalen op de Kaaloorsche kermis bijHOENkoop, het vermeld vinden van: »offert den goden een haan,” en de zeer interessante bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand eens wateremmers.Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te wel bekend.InOudewaterten minste herinnert men zich het tartende en spijtige gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet2:»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.”1Buddingh.↑2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑GEDROCHTEN.De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en vertaalt het maanverzwelger (mona—maan chyros fr. chirer, verscheuren, verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e.Lunam devastans sive devoransnaar, Magnus 110)weder schenken—Garm, gar, ger, gir—schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, gierig, begeerig.Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in ongemeene merkwaardigheid stond.Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend:1»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijneBatavia41, bladz. 77–79 deze volgende sage geboekt:Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den godMonoschyrosofden alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen beroemd. De toeloop was aldaar groot.Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener merkwaardige offerande door iemand uitBodegravennabijOudewater.Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh1noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)Wat doe jij in mijn hof!”En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit inOudewateropdreunt:»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,Jij maakt het al te grof.”Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal nogtans waren zij ook goed.2De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑LUCHTGEESTEN.Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag ten tapijte zal worden gebragt.Onder deWOUD- EN VELDGEESTEN.worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het ijzeren Veulen.Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te kunnen stijgen.Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet aan de nachtmerrie gelooft alsschadelijkegeest, gelijk, helaas, nog velen om ons dit doen.Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: „mijn paard heeft de nachtmerrie gehad.” Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie rijden in stede van op het op stal staande dier.Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend voor den mensch uit de negentiende eeuw.HUISGEESTEN.Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, eens, dat hij donker van kleur is.Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, Bolderman, aan bulderen, leven maken.DRIETALLEN.Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.Wodan, Thora en Freija.In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑

PLANTEN- EN BOOMENDIENST.De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) waren welligt allen planten die men vereerde.Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt werd en sedert altijd met roodevlekkenop de bladeren is.Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren zooveel geld bieden” volgens de overlevering, is welligt bijgeloof verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren” in boeken bij hen aan.Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk.De heer van den Bergh zelfs1, die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, vonderhouten genaamd.Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op’s GrevehofinZutphenwerd het leengerigt gehouden onder een eik en linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit Wolff’s Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat vanKoekelenbergnaarMolenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, de nacht is voor mij!” en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet het op Thunar of Wodan.Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder het grondhout aangetroffen.De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naamWeesboom,als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor deTerpen, Wieren en Vlietbergenzoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.Wijken of WijkplaatsenzijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.Go-plaatsenGoy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van deLoo-plaatsenLopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.D. Buddingh.Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologieniet alleen water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende kunne en hoedanigheid.Bij Tacitus—om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit zou kunnen bewezen worden—vindt men vermeld, dat, toen de moedige kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door henaan de tegenwoordigheid van den Rijnte herinneren.Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed:meer dan men oppervlakkig denkt.Wie uwer heeft alskindnooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water mogte trekken. Alskindgeloofdet gij zulks, doch hebt gij alsmanwel ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijniser, zij het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren sporen harer vereering naliet, in verschillendehelplaatsen. Ook teOudewaterhebben wijaan den IJsselnog eene woning genoemd:het helletje, die het aandenkenonloochenbaaraan Hela heeft, en waarop wij nader in het breede hopen terug te komen.Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, en ook merken wij op, dat de plaatsnaamSchakenboschnog een land voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.En ten slotte herinnert de naamHekendorpafkomende vanNechsendorp, insgelijks aan Watergeesten.De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, en spreken met de menschen.De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, volgens Blommaert, groen haar.Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschenUtrechtenOudewatergaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,Een zeemeermin zich wieglen op de baren,Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”TeSchoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen haar hebben.VUURDIENST.»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant,”zegt Buddingh, en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst ook hier is aangetoond.DIERENDIENST.De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven—Tacitus, van de Germanen sprekende1, verhaalt, dat het hun eigen was om uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich zelven voor de dienaren—de paarden voor de medewustigen der goden.Zooals vermeld is, zagen wij inRoozendaal, dat, gelijk bewezen werd, tot hetSchakenboschzal hebben behoord, zoodanige plaats waar de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem genoten had,—dat werd ook de eer aangedaan opdenzelfden houtmijt met het lijk zijns meesters te worden verbrand.2Ook dit zullen wij nader gelegenheid hebben opOudewatertoe te passen.Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden zeer in aanzien.Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, zij onder dit stuk gedacht.1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑2Van den Bergh.↑VOGELVEREERING.»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!” zoodanig gezegde zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.Nog is de ooijevaar—elders heileuver—heilaanbrenger, bij sommigen in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, onder deze rubriek.Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die welligt weder tot kinderspel overging.»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren,” zeide mij iemand, »want die staan in de Schrift beschreven.” Ook dit zoeken wij als in de mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie1eene rol die men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.Hethanensabalen op de Kaaloorsche kermis bijHOENkoop, het vermeld vinden van: »offert den goden een haan,” en de zeer interessante bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand eens wateremmers.Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te wel bekend.InOudewaterten minste herinnert men zich het tartende en spijtige gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet2:»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.”1Buddingh.↑2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑GEDROCHTEN.De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en vertaalt het maanverzwelger (mona—maan chyros fr. chirer, verscheuren, verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e.Lunam devastans sive devoransnaar, Magnus 110)weder schenken—Garm, gar, ger, gir—schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, gierig, begeerig.Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in ongemeene merkwaardigheid stond.Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend:1»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijneBatavia41, bladz. 77–79 deze volgende sage geboekt:Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den godMonoschyrosofden alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen beroemd. De toeloop was aldaar groot.Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener merkwaardige offerande door iemand uitBodegravennabijOudewater.Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh1noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)Wat doe jij in mijn hof!”En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit inOudewateropdreunt:»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,Jij maakt het al te grof.”Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal nogtans waren zij ook goed.2De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑LUCHTGEESTEN.Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag ten tapijte zal worden gebragt.Onder deWOUD- EN VELDGEESTEN.worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het ijzeren Veulen.Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te kunnen stijgen.Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet aan de nachtmerrie gelooft alsschadelijkegeest, gelijk, helaas, nog velen om ons dit doen.Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: „mijn paard heeft de nachtmerrie gehad.” Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie rijden in stede van op het op stal staande dier.Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend voor den mensch uit de negentiende eeuw.HUISGEESTEN.Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, eens, dat hij donker van kleur is.Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, Bolderman, aan bulderen, leven maken.DRIETALLEN.Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.Wodan, Thora en Freija.In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑

PLANTEN- EN BOOMENDIENST.De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) waren welligt allen planten die men vereerde.Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt werd en sedert altijd met roodevlekkenop de bladeren is.Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren zooveel geld bieden” volgens de overlevering, is welligt bijgeloof verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren” in boeken bij hen aan.Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk.De heer van den Bergh zelfs1, die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, vonderhouten genaamd.Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op’s GrevehofinZutphenwerd het leengerigt gehouden onder een eik en linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit Wolff’s Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat vanKoekelenbergnaarMolenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, de nacht is voor mij!” en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet het op Thunar of Wodan.Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder het grondhout aangetroffen.De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naamWeesboom,als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor deTerpen, Wieren en Vlietbergenzoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.Wijken of WijkplaatsenzijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.Go-plaatsenGoy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van deLoo-plaatsenLopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑

PLANTEN- EN BOOMENDIENST.

De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) waren welligt allen planten die men vereerde.Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt werd en sedert altijd met roodevlekkenop de bladeren is.Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren zooveel geld bieden” volgens de overlevering, is welligt bijgeloof verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren” in boeken bij hen aan.Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk.De heer van den Bergh zelfs1, die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, vonderhouten genaamd.Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op’s GrevehofinZutphenwerd het leengerigt gehouden onder een eik en linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit Wolff’s Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat vanKoekelenbergnaarMolenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, de nacht is voor mij!” en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet het op Thunar of Wodan.Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder het grondhout aangetroffen.De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naamWeesboom,als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor deTerpen, Wieren en Vlietbergenzoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.Wijken of WijkplaatsenzijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.Go-plaatsenGoy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van deLoo-plaatsenLopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.

De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) waren welligt allen planten die men vereerde.

Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.

In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt werd en sedert altijd met roodevlekkenop de bladeren is.

Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren zooveel geld bieden” volgens de overlevering, is welligt bijgeloof verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren” in boeken bij hen aan.

Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk.De heer van den Bergh zelfs1, die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.

De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, vonderhouten genaamd.

Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op’s GrevehofinZutphenwerd het leengerigt gehouden onder een eik en linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit Wolff’s Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat vanKoekelenbergnaarMolenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, de nacht is voor mij!” en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.

Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet het op Thunar of Wodan.

Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.

Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder het grondhout aangetroffen.

De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.

Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naam

Weesboom,als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor de

Weesboom,

als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.Zie hier, o.i., de bewijzen:Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.Voor de

als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem eens zooveel omtrek bij komt.

Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk uit de Mythologie.

Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden vanLage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, onder zijne woudendienst noemt.

Zie hier, o.i., de bewijzen:

Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe oudersof van wie ook gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.

En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in het grijzeOudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.

En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!

Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken—aangenomen dat hij zoo oud is als wij meenen—van geslachten en geslachten, die hij overleefde van uit het heidendom tot inditjaar!

Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, Thor en Freija in vereering waren en menook hem met ontzag naderde en toen het Heidendom voor het Christendom week.

Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit daarvan betwistteden—omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ookOudewaterberoerden.

Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in 1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins genomen werd—hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,—doch hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.

Zijkwamen enzijverdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen hunnen vernielenden invloed.

En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het nederigeOudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.

Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeldFeesten en feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder met de mythologische onderwerpen, die inOudewaterenomtrekvoor tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.

Budding’s Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.

Voor de

Terpen, Wieren en Vlietbergenzoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.

Terpen, Wieren en Vlietbergen

zoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.

zoude men dus kunnen verwijzen, naarHekendorpen welligt ook naarVlietenWierxoord.

Wijken of WijkplaatsenzijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.

Wijken of Wijkplaatsen

zijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.

zijnHeeswijk,Mastwijk,Bulwijk,Sluipwijk,Kromwijk.

Go-plaatsenGoy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van de

Go-plaatsen

Goy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.Terwijl van de

Goy inBoswaerder, Goy inRapijnenen drieGoyeninKattenbroek.

Terwijl van de

Loo-plaatsenLopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.

Loo-plaatsen

Lopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.

Lopiken het oudeBodekulo(Bodegraven), zouden kunnen worden aangemerkt.

1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑

1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑

1Critisch woordenboek, p. 383 en verder.↑

WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.D. Buddingh.Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologieniet alleen water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende kunne en hoedanigheid.Bij Tacitus—om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit zou kunnen bewezen worden—vindt men vermeld, dat, toen de moedige kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door henaan de tegenwoordigheid van den Rijnte herinneren.Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed:meer dan men oppervlakkig denkt.Wie uwer heeft alskindnooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water mogte trekken. Alskindgeloofdet gij zulks, doch hebt gij alsmanwel ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijniser, zij het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren sporen harer vereering naliet, in verschillendehelplaatsen. Ook teOudewaterhebben wijaan den IJsselnog eene woning genoemd:het helletje, die het aandenkenonloochenbaaraan Hela heeft, en waarop wij nader in het breede hopen terug te komen.Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, en ook merken wij op, dat de plaatsnaamSchakenboschnog een land voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.En ten slotte herinnert de naamHekendorpafkomende vanNechsendorp, insgelijks aan Watergeesten.De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, en spreken met de menschen.De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, volgens Blommaert, groen haar.Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschenUtrechtenOudewatergaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,Een zeemeermin zich wieglen op de baren,Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”TeSchoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen haar hebben.

WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.D. Buddingh.

Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.D. Buddingh.

Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.

Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt er offers.

D. Buddingh.

Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologieniet alleen water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende kunne en hoedanigheid.Bij Tacitus—om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit zou kunnen bewezen worden—vindt men vermeld, dat, toen de moedige kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door henaan de tegenwoordigheid van den Rijnte herinneren.Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed:meer dan men oppervlakkig denkt.Wie uwer heeft alskindnooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water mogte trekken. Alskindgeloofdet gij zulks, doch hebt gij alsmanwel ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijniser, zij het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren sporen harer vereering naliet, in verschillendehelplaatsen. Ook teOudewaterhebben wijaan den IJsselnog eene woning genoemd:het helletje, die het aandenkenonloochenbaaraan Hela heeft, en waarop wij nader in het breede hopen terug te komen.Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, en ook merken wij op, dat de plaatsnaamSchakenboschnog een land voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.En ten slotte herinnert de naamHekendorpafkomende vanNechsendorp, insgelijks aan Watergeesten.De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, en spreken met de menschen.De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, volgens Blommaert, groen haar.Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschenUtrechtenOudewatergaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,Een zeemeermin zich wieglen op de baren,Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”TeSchoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen haar hebben.

Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologieniet alleen water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende kunne en hoedanigheid.

Bij Tacitus—om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit zou kunnen bewezen worden—vindt men vermeld, dat, toen de moedige kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door henaan de tegenwoordigheid van den Rijnte herinneren.

Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed:meer dan men oppervlakkig denkt.

Wie uwer heeft alskindnooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water mogte trekken. Alskindgeloofdet gij zulks, doch hebt gij alsmanwel ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijniser, zij het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.

Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren sporen harer vereering naliet, in verschillendehelplaatsen. Ook teOudewaterhebben wijaan den IJsselnog eene woning genoemd:het helletje, die het aandenkenonloochenbaaraan Hela heeft, en waarop wij nader in het breede hopen terug te komen.

Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, en ook merken wij op, dat de plaatsnaamSchakenboschnog een land voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.

De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.

En ten slotte herinnert de naamHekendorpafkomende vanNechsendorp, insgelijks aan Watergeesten.

De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, en spreken met de menschen.

De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, volgens Blommaert, groen haar.

Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschenUtrechtenOudewatergaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.

Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:

»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,Een zeemeermin zich wieglen op de baren,Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”

»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;

Als de avondzon in ’t golvend schuim verzonk,

Een zeemeermin zich wieglen op de baren,

Wen dijnend schoon haargroenevlecht doorblonk.”

TeSchoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen haar hebben.

VUURDIENST.»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant,”zegt Buddingh, en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst ook hier is aangetoond.

VUURDIENST.

»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant,”zegt Buddingh, en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst ook hier is aangetoond.

»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant,”zegt Buddingh, en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst ook hier is aangetoond.

DIERENDIENST.De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven—Tacitus, van de Germanen sprekende1, verhaalt, dat het hun eigen was om uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich zelven voor de dienaren—de paarden voor de medewustigen der goden.Zooals vermeld is, zagen wij inRoozendaal, dat, gelijk bewezen werd, tot hetSchakenboschzal hebben behoord, zoodanige plaats waar de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem genoten had,—dat werd ook de eer aangedaan opdenzelfden houtmijt met het lijk zijns meesters te worden verbrand.2Ook dit zullen wij nader gelegenheid hebben opOudewatertoe te passen.Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden zeer in aanzien.Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, zij onder dit stuk gedacht.1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑2Van den Bergh.↑

DIERENDIENST.

De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven—Tacitus, van de Germanen sprekende1, verhaalt, dat het hun eigen was om uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich zelven voor de dienaren—de paarden voor de medewustigen der goden.Zooals vermeld is, zagen wij inRoozendaal, dat, gelijk bewezen werd, tot hetSchakenboschzal hebben behoord, zoodanige plaats waar de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem genoten had,—dat werd ook de eer aangedaan opdenzelfden houtmijt met het lijk zijns meesters te worden verbrand.2Ook dit zullen wij nader gelegenheid hebben opOudewatertoe te passen.Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden zeer in aanzien.Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, zij onder dit stuk gedacht.

De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.

Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven—Tacitus, van de Germanen sprekende1, verhaalt, dat het hun eigen was om uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich zelven voor de dienaren—de paarden voor de medewustigen der goden.

Zooals vermeld is, zagen wij inRoozendaal, dat, gelijk bewezen werd, tot hetSchakenboschzal hebben behoord, zoodanige plaats waar de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem genoten had,—dat werd ook de eer aangedaan opdenzelfden houtmijt met het lijk zijns meesters te worden verbrand.2Ook dit zullen wij nader gelegenheid hebben opOudewatertoe te passen.

Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden zeer in aanzien.

Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, zij onder dit stuk gedacht.

1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑2Van den Bergh.↑

1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑2Van den Bergh.↑

1TacitusbijBuddingh, bladz. 198.↑

2Van den Bergh.↑

VOGELVEREERING.»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!” zoodanig gezegde zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.Nog is de ooijevaar—elders heileuver—heilaanbrenger, bij sommigen in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, onder deze rubriek.Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die welligt weder tot kinderspel overging.»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren,” zeide mij iemand, »want die staan in de Schrift beschreven.” Ook dit zoeken wij als in de mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie1eene rol die men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.Hethanensabalen op de Kaaloorsche kermis bijHOENkoop, het vermeld vinden van: »offert den goden een haan,” en de zeer interessante bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand eens wateremmers.Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te wel bekend.InOudewaterten minste herinnert men zich het tartende en spijtige gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet2:»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.”1Buddingh.↑2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑

VOGELVEREERING.

»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!” zoodanig gezegde zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.Nog is de ooijevaar—elders heileuver—heilaanbrenger, bij sommigen in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, onder deze rubriek.Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die welligt weder tot kinderspel overging.»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren,” zeide mij iemand, »want die staan in de Schrift beschreven.” Ook dit zoeken wij als in de mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie1eene rol die men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.Hethanensabalen op de Kaaloorsche kermis bijHOENkoop, het vermeld vinden van: »offert den goden een haan,” en de zeer interessante bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand eens wateremmers.Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te wel bekend.InOudewaterten minste herinnert men zich het tartende en spijtige gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet2:»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.”

»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!” zoodanig gezegde zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.

De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.

Nog is de ooijevaar—elders heileuver—heilaanbrenger, bij sommigen in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.

Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, onder deze rubriek.

Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.

De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die welligt weder tot kinderspel overging.

»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren,” zeide mij iemand, »want die staan in de Schrift beschreven.” Ook dit zoeken wij als in de mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.

Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie1eene rol die men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.

Hethanensabalen op de Kaaloorsche kermis bijHOENkoop, het vermeld vinden van: »offert den goden een haan,” en de zeer interessante bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.

Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand eens wateremmers.

Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.

Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.

Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.

Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.

En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te wel bekend.

InOudewaterten minste herinnert men zich het tartende en spijtige gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet2:

»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.”

»Al eerder een jaar ten einde zou gaan,

Zal ik er door jagen den rooden haan.”

1Buddingh.↑2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑

1Buddingh.↑2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑

1Buddingh.↑

2Dr.Romer.Utrecht en Oudewater.↑

GEDROCHTEN.De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en vertaalt het maanverzwelger (mona—maan chyros fr. chirer, verscheuren, verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e.Lunam devastans sive devoransnaar, Magnus 110)weder schenken—Garm, gar, ger, gir—schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, gierig, begeerig.Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in ongemeene merkwaardigheid stond.Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend:1»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijneBatavia41, bladz. 77–79 deze volgende sage geboekt:Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den godMonoschyrosofden alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen beroemd. De toeloop was aldaar groot.Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener merkwaardige offerande door iemand uitBodegravennabijOudewater.Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑

GEDROCHTEN.

De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en vertaalt het maanverzwelger (mona—maan chyros fr. chirer, verscheuren, verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e.Lunam devastans sive devoransnaar, Magnus 110)weder schenken—Garm, gar, ger, gir—schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, gierig, begeerig.Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in ongemeene merkwaardigheid stond.Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend:1»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijneBatavia41, bladz. 77–79 deze volgende sage geboekt:Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den godMonoschyrosofden alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen beroemd. De toeloop was aldaar groot.Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener merkwaardige offerande door iemand uitBodegravennabijOudewater.Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.

De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en vertaalt het maanverzwelger (mona—maan chyros fr. chirer, verscheuren, verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e.Lunam devastans sive devoransnaar, Magnus 110)weder schenken—Garm, gar, ger, gir—schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, gierig, begeerig.

Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.

De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in ongemeene merkwaardigheid stond.

Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend:1

»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijneBatavia41, bladz. 77–79 deze volgende sage geboekt:

Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den godMonoschyrosofden alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen beroemd. De toeloop was aldaar groot.

Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener merkwaardige offerande door iemand uitBodegravennabijOudewater.

Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.

1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑

1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑

1Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr.N. Westendorp, bladz. 87 en 88.↑

AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh1noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)Wat doe jij in mijn hof!”En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit inOudewateropdreunt:»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,Jij maakt het al te grof.”Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal nogtans waren zij ook goed.2De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑

AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.

Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh1noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)Wat doe jij in mijn hof!”En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit inOudewateropdreunt:»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,Jij maakt het al te grof.”Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal nogtans waren zij ook goed.2De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.

Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh1noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.

Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.

»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”

»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:

Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)Wat doe jij in mijn hof!”

Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)

Wat doe jij in mijn hof!”

En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit inOudewateropdreunt:

»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,Jij maakt het al te grof.”

»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,

Jij maakt het al te grof.”

Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal nogtans waren zij ook goed.2

De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.

1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑

1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑

1Critisch Woordenboek, 24 en 25.↑

2Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:

„In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam.”↑

LUCHTGEESTEN.Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag ten tapijte zal worden gebragt.Onder de

LUCHTGEESTEN.

Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag ten tapijte zal worden gebragt.Onder de

Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag ten tapijte zal worden gebragt.

Onder de

WOUD- EN VELDGEESTEN.worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het ijzeren Veulen.Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te kunnen stijgen.Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet aan de nachtmerrie gelooft alsschadelijkegeest, gelijk, helaas, nog velen om ons dit doen.Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: „mijn paard heeft de nachtmerrie gehad.” Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie rijden in stede van op het op stal staande dier.Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend voor den mensch uit de negentiende eeuw.

WOUD- EN VELDGEESTEN.

worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het ijzeren Veulen.Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te kunnen stijgen.Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet aan de nachtmerrie gelooft alsschadelijkegeest, gelijk, helaas, nog velen om ons dit doen.Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: „mijn paard heeft de nachtmerrie gehad.” Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie rijden in stede van op het op stal staande dier.Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend voor den mensch uit de negentiende eeuw.

worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het ijzeren Veulen.

Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te kunnen stijgen.

Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.

In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet aan de nachtmerrie gelooft alsschadelijkegeest, gelijk, helaas, nog velen om ons dit doen.

Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: „mijn paard heeft de nachtmerrie gehad.” Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie rijden in stede van op het op stal staande dier.

Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend voor den mensch uit de negentiende eeuw.

HUISGEESTEN.Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, eens, dat hij donker van kleur is.Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, Bolderman, aan bulderen, leven maken.

HUISGEESTEN.

Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, eens, dat hij donker van kleur is.Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, Bolderman, aan bulderen, leven maken.

Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.

Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, eens, dat hij donker van kleur is.

Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, Bolderman, aan bulderen, leven maken.

DRIETALLEN.Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.Wodan, Thora en Freija.In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑

DRIETALLEN.

Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.Wodan, Thora en Freija.In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.

Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.

Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.

Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.

Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha (de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.

Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, datLininLinschotenwezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds vroeger werd gedacht. Ter zake nu:

Sol- of Zonvereering.—Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet noodig zijn hier langer bij stil te staan.

Mond, Tyr, Lun.—Was de opvatting van den naamsoorsprong inMontfoortjuist, dan liet demaanvereeringdaarineen spoor na.1

Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god destijdswerd hij Tyr (Tijs) genoemd.

De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning had.

Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.

Ook teLinschotenzagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,LINin het Noorden vereerd werd—onder dien van Lun, Lunia, bij de Saxen, en dat Luna met Lina enLINverwant is, wordt insgelijks bij hem vermeld.2

Hertha.—Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.

Hertha, Freija, Frowa, Frau.—Reeds heeft menhiervoren gezien, dat de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.

Tydeman teekent o. a. van deze aan3: De gemalin van Odin was Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd,” enz.

Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha ook Freija, Frowa, Frau was.4

TusschenOudewateren het dorpLinschotenligt in de boerenbuurtLinschoteneene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; en dit woord leiden wij van Frau, en wel:

a.om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.

b.omdat aan een der beide boorden van het waterde Linschoteneene vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam daarvan gekregen hebben.

c.Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, wasLiner eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in deLinschoten.

d.Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.

Wodan, Thora en Freija.In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.

Wodan, Thora en Freija.

In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.

In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.

Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij inOudewater en omtrekniet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn5, Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.

Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat huntrechtentoegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aanHaastrecht,6dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.

Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek vanOudewaternog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken.7

Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken.Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:

Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten.8Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: „Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!”

Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.—Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij—de heidenen—dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef—het laat zich zeer wel begrijpen—wederom het langst bij de boeren aanwezig.9

Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.

In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is deonbeschreven geschiedenis.

Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voorOudewater en omtrekde onbeschreven geschiedenis.

En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijnaan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.

Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingenvooreerstechter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.

Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.

1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑

1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑

1Buddinghten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.↑

2Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aanLinschotente hebben gedacht: anders—wij durven het bijna met zekerheid zeggen—had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.↑

3Tydeman,Mythologie, bladz. 267.↑

4OokBuddinghnoemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.↑

5Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?↑

6Ook aanMoordrechtenDordrechtzij gedacht.Dordrecht,Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.↑

7In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.

De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, doorEngelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ookBrockhauszijnConversations Lexicon.)↑

8Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.↑

9„Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaardzultvoeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.—Oude Noordsche drinkplegtigheid. (ZieOns Vaderland, enz., V, bladz. 13.)↑


Back to IndexNext