34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.

(768-814).

Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië. Van het eerste stamhuis, hetMerovingische, dat over hen regeerde, is alleenClovismerkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat, vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië, overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.

Grooter dan Clovis wasKarel de Groote, naar wien het tweede stamhuis, hetKarolingische, zijn' naam ontving. Hij was een zoon vanPepijn den Korten, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was, maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonenKarlomanenKarelna, die volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen. Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.

Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd; in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde allen vreemden tooi en opschik.

Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen, voorspoed hem niet hoogmoedig maken.

Het doel van zijn werken en streven was:de vereeniging van alle Germaansche stammen onder één bestuur. De Christelijke godsdienst zou de band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen deSaksen, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere aanvoerdersWittekindenAlboïnstreden ze dikwijls met goed gevolg. Eerst nadat Karel in 782 teVerdenaan de Wezer 4500 Saksen op één dag had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten zich doopen (785).

Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen (Spaansche mark).

Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St. Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige, den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen keizer."

Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de Middellandsche zee.

Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten, waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de wetenschappen verachtten. Groote geleerden alsAlcuinus,EginhardenAngilbertlokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.

Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen eengroot krijgsman, maar ook eenuitstekend regentwas. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren deze betrekkelijk zeer klein.

De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof), Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en opvolgerLodewijk de Vromeevenaarde hem wel in ijver voor den Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen: Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren, stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat hetverdrag van Verdun(843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven, verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus:Lothariuskreeg de keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk ofLotharingen(het land tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde),Lodewijkkreeg Oost-Frankrijk of Duitschland enKarel de KaleWest-Frankrijk of Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan Duitschland.

In dezelfde eeuw, waarin Karel de Groote stierf, zagAlfred de Grootehet levenslicht. Evenals aan Karel heeft men hem en wel met volle recht den bijnaam van den grooten gegeven. Wat Karel deed voor de Franken, heeft Alfred in niet mindere mate gedaan voor de Engelschen.

Vroeger hebben we vermeld, dat de Angelen en Saksen zich meester maakten van Engeland en er 7 kleine koninkrijken stichtten, die omstreeks 827 door koningEgbert van Wessextot één rijk werden vereenigd. Die vereeniging was een geluk voor Engeland. Omstreeks dien tijd toch begonnen de Noormannen of Denen, zooals ze in Engeland genoemd werden, hunne verwoestende invallen in het rijk. Evenals in andere landen werd ook hier de weg, dien de Noormannen gevolgd hadden, aangewezen door verbrande dorpen en steden, verwoeste velden en uitgeplunderde inwoners. Nu is het licht te begrijpen, dat één machtig koning beter de Noormannen kon weerstaan, dan 7 onbeduidende vorsten. Toch hadden sommige koningen het zwaar te verantwoorden, ja zelfs was Engeland wel eens geheel in de macht der Denen.

Alfred werd geboren in het jaar 849. Op vijfjarigen leeftijd nam zijn vaderEthelwulfhem mede naar Rome en liet hem daar, zeer tegen den zin zijner oudere zonen, door den Paus tot koning zalven. Na den dood zijner 4 broeders, onder wier bestuur Engeland verschrikkelijk van de Denen had te lijden, beklom Alfred den troon (871-901). Met blijdschap werd hij door zijne onderdanen als koning gehuldigd, want men had groote verwachtingen van hem, niet alleen omdat hij dapper en onverschrokken, maar ook edel en wijs was. In de eerste jaren van zijn bestuur brachten de Denen hem vele nederlagen toe. Wel behaalde hij eene enkele maal de overwinning, maar dan kwamen er telkens weer groote scharen van vijanden over de zee, die hem al meer in het nauw brachten. Ten laatste bleef er slechts eene enkele provincie in zijne macht. Nu was zijn toestand hopeloos. Vele zijner getrouwste vrienden verlieten hem en onderwierpen zich aan de Denen. Alfred verloor den moed niet; als herder verkleed verborg hij zich voor zijne vijanden in een afgelegen deel des lands. Volgens de overlevering zat hij eens in de hut van een' koeherder bij het vuur en hield zich onledig met het vervaardigen van boog en pijlen. De huismoeder, die niet wist, wie haar gast was, gaf hem bevel op het brood te passen, dat ze in den oven gedaan had. Doch Alfred peinsde onophoudelijk op de middelen om zijn land van de Denen te verlossen, en daardoor dacht hij niet aan het brood, dat begon te verbranden. Toen de huisvrouw die ondertusschen weer binnen gekomen was, dit merkte, riep ze toornig uit: "Luie kerel, die ge zijt! Het brood eten, kunt ge, maar om het te bakken, daartoe zijt ge te dom."

Nadat zijne vijanden hunne nasporingen moe waren geworden, verliet Alfred deze schuilplaats en begaf zich met eenige getrouwen naar een burcht, die in een door moerassen en wouden ontoegankelijk oord lag. Weldra kwamen er vele dappere en vaderlandslievende mannen tot hem, zoodat hij met een klein legertje den vijand kon aanvallen en buit bemachtigen. Om met de plannen en strijdkrachten der Denen bekend te worden, verkleedde hij zich, volgens het volksverhaal, als harpspeler, ging onverschrokken naar het vijandelijk leger en verrukte de soldaten door zijn heerlijk gezang en snarenspel. Meteen had hij nu eene schoone gelegenheid om de legerplaats der vijanden op te nemen. Nadat hij zijne maatregelen goed genomen had, riep hij bij hoorngeschal de edelen en vrijen van zijn volk op ten strijde. Jubelend schaarden dezen zich onder de vanen van den geliefden vorst, dien ze reeds gestorven waanden.

Heftig was de aanval op het Deensche leger; langen tijd stond de kans twijfelachtig, tot eindelijk Alfred en de zijnen de overwinning behaalden. De Denen, die in leven waren gebleven, moesten het Christendom aannemen en kregen verlof zich in Oost-Angelen en Northumberland te vestigen.

Alfred nam nu gepaste maatregelen om de invallen der Denen niet alleen af te weren maar ook te voorkomen. Langs de kusten, vooral daar, waar de vijanden gewoonlijk eene landing beproefden, werden burchten aangelegd. Hij liet eene vloot bouwen, uit groote vaartuigen bestaande en bemand met dappere, geharde Saksen en Friezen. Deze vloot moest ten allen tijde gereed zijn om zee te kiezen en de vloot der Denen van de kusten te houden.

Niettegenstaande deze maatregelen deden de Denen in 893 weer opnieuw met groote overmacht een' inval, doch na een hardnekkigen oorlog, die 3 jaren duurde, werden ze verjaagd en waagden zich tijdens het leven van Alfred niet weder in Engeland.

Zoo was Alfred de redder en verlosser van zijn volk. Maar hij liet het daarbij niet blijven. Zooveel in zijn vermogen was, trachtte hij zijn volk op te heffen en te veredelen. Oude, goede wetten werden opnieuw door hem ingevoerd; veiligheid en orde overal hersteld, zoodat men, zooals de geschiedschrijvers verhalen, eene beurs op den weg kon laten liggen, zonder vrees te voelen, dat zij weggenomen zou worden. De geestelijkheid werd door hem bevoordeeld, mits zij haren plicht deed. Scholen en kerken verrezen overal onder zijn bestuur; landbouw en nijverheid werden krachtig door hem aangemoedigd. Om den handel te bevorderen zond hij schepen uit ter ontdekking van onbekende landen; wetenschap en kunst, die hij zelf ook gelukkig beoefende, vonden in hem een milden beschermer. Door eene juiste verdeeling van den tijd was het hem mogelijk buitengewoon veel te verrichten. Zijne oprechte vroomheid, rechtvaardigheid en voorkomendheid openden hem aller harten, en 't was dus niet te verwonderen, dat hij diep betreurd werd door zijn volk, toen hij den 28 October 901 ten grave daalde.

Niet zooveel goeds kunnen we meedeelen van Willem den Veroveraar, een vorst, die ruim anderhalve eeuw later leefde dan Alfred.

De opvolgers van Alfred konden over 't geheel niet in zijne schaduw staan; daardoor ging het met zijn werk als met dat van Karel den Grooten: veel goeds ging er verloren. De Denen, merkende, dat zijn sterke arm het zwaard niet meer hanteerde, werden van jaar tot jaar stoutmoediger. Toen er in 1002 een vreeselijk bloedbad onder hen werd aangericht, gaf dit hun' koningSwenaanleiding om de Engelschen wreeder dan ooit te tuchtigen. Zijn zoonKanutofKnoet, die van 1016-1035 regeerde; maakte zich zelfs meester van het rijk en regeerde wel gestreng, maar toch ook rechtvaardig. Later (1041) kwam de regeering onder koning Eduard weder aan de Angelsaksische koningsfamilie, doch niet lang. Na zijn' dood toch maakte Willem de veroveraar, hertog van Normandië, aanspraak op den troon van Engeland. Het Engelsche volk begeerde den Normandiër niet, maar verkoosHarald, een aanzienlijk edelman, tot koning. Willem liet zich dit niet welgevallen; hij trok aan het hoofd van een machtig, weluitgerust leger in 1066 naar Engeland. In het zuiden van dit land, nabij de stadHastings, kwam het tot een treffen. Meer dan eens stond de kans voor Willem zeer hachelijk. Na een dapperen aanval van de Engelschen weken de Noormannen, en het gerucht verbreidde zich, dat Willem gedood was. Dadelijk sprong hij voor den dag, hield de vluchtelingen tegen, rukte zijn' helm af en riep: "Ik leef en zal overwinnen!" Tegen den avond was hij werkelijk meester van het slagveld. Harald, zijne beide broeders en de bloem van den Engelschen adel dekten met hunne lijken het slagveld. Den 26 December van het jaar 1066 liet Willem zich tot koning van Engeland te Londen kronen. Weldra bleek het, dat hij een streng heer was; zijne Normandische krijgers gaf hij rijke ambten en bezittingen en verbitterde daardoor de Angel-Saksen. Ook voerde hij in Engeland het leenstelsel in, doch zorgde dat zijne leenmannen hem niet boven 't hoofd konden groeien. Op zijn uitdrukkelijk bevel moesten Fransche taal en zeden in Engeland ingevoerd worden; daardoor kwam er eene vermenging van de Fransche taal der overheerschers met de Germaansche taal der overwonnelingen tot stand, en deze gaf den oorsprong aan de nieuwere Engelsche taal.

In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten, die over Duitschland het bewind voerde. Hij heetteLodewijken droeg den bijnaamhet kind.

Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde gemaakt doorHendrik I, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in handen had. Vóor hem hadKoenraad van Frankenlandals koning geregeerd, doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland, zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige daad droeg heerlijke vruchten.

Hendrik toch was een man, naar lichaam en geest geschikt om te regeeren. Hij had een koninklijk voorkomen, was groot en breed van gestalte, bezat een scherp verstand en was bedachtzaam en vriendelijk. 't Duurde niet lang, of al de oproerige hertogen erkenden zijne oppermacht. Lotharingen werd door hem aan Duitschland gehecht, en de Wenden, die in het n.w. van het rijk invallen deden, werden onderworpen. Met de Hongaren sloot hij een' wapenstilstand van negen jaren, onder voorwaarde, dat hij hun eene jaarlijksche schatting zou opbrengen. Wel was dit zeer vernederend voor Duitschland; maar de Koning had daarvoor zijne goede redenen. De Duitschers waren nog te zwak om het wilde ruitervolk te weerstaan; hij nam echter dadelijk vele heilzame en goede maatregelen, om hen daarvoor geschikt te maken. In de eerste plaats was hij er op bedacht om de orde en de veiligheid in het rijk te herstellen; de roovers ging hij met zoo krachtige hand te keer, dat ze weldra uitgeroeid waren. Daar het land bijna overal open was, stichtte hij vooral aan de oostelijke grenzen van het rijk versterktestedenenburchten, waarin de landlieden in tijd van nood eene veilige schuilplaats konden vinden. Ten einde de steden bevolkt te krijgen, gebood hij, dat van negen landlieden éen, bij loting te bepalen, zich er in moest nederzetten. De menschen, die zich in een' burcht of burg metterwoon gingen vestigen, werden burgers genoemd en ontvingen van den vorst vele voorrechten, waardoor ze zich gemakkelijk in hun lot leerden schikken. Wijl de nederlagen, die de Duitschers van de Hongaren leden, vooral aan eene verkeerde wijze van oorlogvoeren waren toe te schrijven, bracht hij ook daarin eene groote verbetering. De zware wapens werden door lichtere vervangen, en, behalve voor voetvolk, zorgde hij voor geoefende ruiters.

Eindelijk waren de negen jaren verstreken. Daar kwamen de Hongaarsche gezanten bij Hendrik om de schatting op te eischen.

"Dat is al, wat ik voor u heb," zei Hendrik op vastberaden toon en liet hun meteen een verminkten hond aanreiken. De gezanten waren woedend en beloofden zich vreeslijk te zullen wreken. Ze lieten het niet bij het zeggen. Een groot leger Hongaren drong moordend en plunderend tot in het hart van Duitschland door. Niet verre vanMerseburghad Hendrik zijn leger geposteerd; daar kwam het in 993 tot een' slag. De Koning gewende eerst zijne soldaten aan het gezicht en de krijgsbewegingen der Hongaren. Toen hunne woede jegens dit woeste volk was opgewekt, schaarde hij zijn leger in slagorde. Zijne woorden vuurden den moed der zijnen zoodanig aan, dat ze uitriepen: "Wij willen strijden voor Gods altaren, voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!"

Hevig en onwederslaanbaar was de aanval der Duitschers; maar ook de Hongaren hielden zich dapper. Op hunne vlugge rossen stoven zij op den vijand in, doch moesten wijken voor Hendriks dappere krijgers. De Hongaren delfden het onderspit; in allerijl sloegen ze op de vlucht en werden acht dagen lang door de overwinnaars achtervolgd, die in de legerplaats de gevangen vrouwen en kinderen juichend bevrijdden en er een onmetelijken buit vonden.

Drie jaren na deze schitterende overwinning overleed Hendrik; zijn zoonOttowerd tot zijn' opvolger gekozen en met groote pracht te Aken gekroond. Evenals zijn vader was hij een krachtig en wijs regent, die ten volle den bijnaam van den grooten verdient, hem door tijdgenoot en nakomeling geschonken.

Ontzag en eerbiedwekkend was Otto's voorkomen. Het doel van zijn leven en werken was het voorbeeld van Karel den Grooten ná te volgen. Evenals deze was hij een geducht vijand, die zijne tegenstanders ter neder wierp en verpletterde; berouwhebbenden daarentegen behandelde hij met onuitputtelijke grootmoedigheid. Hij was een voorstander van het recht en woonde nu hier, dan daar in het rijk om daardoor de eenheid tusschen de verschillende stammen te bevorderen. Hij bevorderde de uitbreiding van het Christendom; onder zijn bestuur werd het tot de Denen en de Slaven gebracht.

Jammer, dat deze groote vorst het grootste deel zijner regeering op het slagveld moest doorbrengen. Sommige Duitsche hertogen weigerden hem als opperheer te erkennen en moesten daartoe door de scherpte des zwaards worden gedwongen. Veel verdriet veroorzaakten hem de samenzweringen, die door zijn naijverigen broeder Hendrik tegen hem gesmeed werden om hem van troon en leven te berooven. Gelukkig wist hij ze alle te verijdelen en betoonde zich telkens vergevensgezind. De Wenden en de Denen werden door hem onderworpen, ja zelfs de Polen moesten zijne opperheerschappij erkennen.

Het hoogste doel van zijn wenschen, de keizerskroon, kwam ook in zijn bezit. Door de vervolgde koninginAdelheidter hulp geroepen, snelde hij in 951 naar Italië, overwon de vijanden der schoone en deugdzame vrouw en nam haar ten huwelijk. Daardoor werd hij koning van Italië. Op een tweeden tocht (962) liet Otto zich tot keizer kronen. Sedert dien tijd droegen de Duitsche koningen den titel van keizer, ofschoon in den beginne slechts zij dien mochten dragen, die in Rome door den Paus waren gekroond.

In het jaar 955 waagden de Hongaren weder een verwoestenden inval. In onafzienbare scharen trokken de woeste roovers het land door en riepen: "Onze paarden alleen kunnen den oorlog wel ten einde brengen; zij zullen de Duitsche rivieren en meren uitdrinken en de dorpen en steden onder hunne hoeven verpletteren. De Duitschers zijn zeker verloren, tenzij de aarde zich voor hen opene of de hemel op ons neerstorte." In de nabijheid vanAugsburgop hetLechveldkwam het tusschen het leger van Otto en de Hongaren tot een' slag. Het Duitsche leger was wel niet talrijk, maar vol vertrouwen op God. Voor het begin van den strijd gebruikte de Koning met zijne krijgers het heilige avondmaal. Hierop knielden ze neder en smeekten God om hulp. De slag nam nu een' aanvang. De Duitschers streden met heldenmoed. De vijand werd overhoop geworpen en maakte zich in wilde vlucht uit de voeten. Meer dan 100,000 krijgers dekten, volgens het volksverhaal, met hunne lijken het slagveld.

Sedert deze overwinning herhaalden de Hongaren hunne verwoestende invallen niet meer. Niet lang daarna namen ze het Christendom aan, en daardoor werden hunne zeden zachter en vredelievender. Otto de groote stierf in het jaar 973. In den dom te Maagdenburg rust zijn gebeente, en op de markt van die stad is een standbeeld te zijner eere opgericht.

I.

In het begin der Middeleeuwen was een groot deel van West-Europa nog bedekt met groote, ondoordringbare wouden; slechts hier en daar merkte men eenige steden en dorpen op. De eerste hadden haar ontstaan vooral aan Romeinsche legerplaatsen te danken. De Germaan hield toen nog niet van het wonen in steden, die hij als gevangenissen beschouwde; hij leefde liever op zijne hoeve, te midden der vrije natuur. Daar was hij onbeperkt gebieder over al zijne onderhoorigen en lijfeigenen, die zijne akkers bebouwden en zijn vee verzorgden. Hij zelf bemoeide zich daar niet mee; hij hield zich enkel bezig met jacht en vischvangst en nog het liefst met den krijg, want de Germanen waren over 't geheel zeer oorlogzuchtig. Zij waren dan ook recht in hun element, wanneer zij onder hunne zelfgekozen aanvoerders ten strijde konden trekken en rijken buit behalen. Dat de landbouw tengevolge daarvan op een zeer lagen trap stond, is gemakkelijk na te gaan. Van de graansoorten werden alleen haver en gerst verbouwd; in de 6de eeuw na Christus kwam de rogge en in de 8ste eeuw de tarwe naar West-Europa. Aan bemesting stoorden de Germanen zich niet: de lijfeigenen waren te lui of te onwillig om zich op de verbetering van den grond toe te leggen; vandaar dat hij slechts karige vruchten opleverde. Eerst nadat sommige kloosterlingen zich met ijver op de verbetering van den landbouw toelegden en hunne landerijen gingen bemesten, kwam daarin eenige verandering. Het aantal steden nam vooral in Duitschland zeer toe, nadat de Saksische keizers hunne onderdanen dwongen daarin een verblijf te zoeken. Vooral was dit het geval tijdens de kruistochten, toen de vrijgeworden lijfeigenen zich bij een kasteel of klooster gingen neerzetten en om deze nederzettingen muren bouwden ter beveiliging tegen de aanvallen der vijanden. De steden van toen zagen er geheel anders uit dan de tegenwoordige. De straten waren smal en bochtig; de huizen hoog en somber; plaveisel en straatverlichting waren voor de 15de eeuw eene ongekende weelde. In de huizen zag het ook al zeer eenvoudig uit; langs de wanden stonden banken; schoorsteenen kende men niet; glasruiten waren zeer zeldzaam. Steenen huizen zag men weinig; alleen paleizen, kerken en kloosters waren van steen opgetrokken; de meeste gebouwen bestonden uit hout.

Toen de bewoners der steden, poorters genoemd, later door handwerken en handel rijk werden, nam de weelde verbazend toe; de banken werden vervangen door sierlijk gebeeldhouwde stoelen; de grond werd met prachtige tapijten en de wanden met groote kristallen spiegels versierd. Dit alles was eene navolging van hetgeen de Westerlingen tijdens de kruistochten in het Oosten hadden gezien.

Despijzenzouden ons zeer vreemd en walgelijk zijn voorgekomen. Behalve het vleesch van varkens, paarden enz. gebruikte men ook dat van ooievaars, raven en zeehonden, alsmede walvischtongen. Vorken waren voor de 16de eeuw onbekend; men bracht de vaste spijzen met de hand naar den mond.

Ook dekleedingverschilde veel van de onze. De mannen droegen nauwsluitende tot de voeten reikende broeken, een wambuis en lederen schoenen of klompen; slechts aanzienlijke lieden droegen een' rok. Alleen in den oorlog bedekte men het hoofd met een' helm; in vredestijd liep men ongedekt. Hemden kende men niet; den hals droeg men bloot.

Na de kruistochten kwam in deze eenvoudige kleedij eene groote verandering. Men zag nu de mannen korte zijden lijfrokken dragen, met goud doorwerkt; ook soms een overkleed van zijde of fluweel, omzoomd met kostbaar bont. Broek en kousen waren uit één stuk en van laken vervaardigd. Aanzienlijke vrouwen kleedden zich in een lang, slepend gewaad, met goud doorstikt, met paarlen en edelgesteenten bezet en met wapens versierd. Dewettenwaren in den beginne niet geschreven, maar berustten op aloude gebruiken en instellingen. Bij de Franken mocht men ten tijde van Karel den Grooten geen vrij man tuchtigen; iedere misdaad kon door eene boete,weergeldgenaamd, afgekocht worden. Hoe onbillijk ons thans dit weergeld ook moge schijnen, het had toch deze goede zijde, dat de bloedwraak, die nog ten huidigen dage bij sommige Oostersche volken vreeselijke gevolgen na zich sleept, er door voorkomen werd. Een' moord op een gewonen vrije kon men afkoopen met 200, van een graaf met 600 en van een lijfeigene met 35 goudstukken. Voor elk lichaamsdeel, dat gewond werd, voor elk scheldwoord, dat men elkaar naar 't hoofd wierp, was eene boete bepaald. Onder voorzitterschap van een' graaf of schout kwamen de schepenen, gewoonlijk de aanzienlijkste bewoners eener gouwe, bijeen om het recht uit te spreken. Kon de onschuld van den beklaagde niet duidelijk in 't licht worden gesteld, dan moest hij zich onderwerpen aan een zoogenaamd godsoordeel, dat uit een tweegevecht, uit de water- of vuurproef of iets dergelijks bestond.

Wanneer iemand de waterproef moest ondergaan, werd hij in een groot met water gevuld vat geworpen. Dreef hij boven, dan was hij door God gericht en ontving de straf der schuldigen; zonk hij, dan werd hij onschuldig verklaard en op vrije voeten gesteld, zoo hij ten minste nog leefde.

De onveiligheid van leven en bezittingen was in de Middeleeuwen ongelooflijk groot. Nergens bijna was men zijn leven zeker. Vooral de weinige vrijen, die er na de invoering van het leenstelsel overbleven, hadden het zwaar te verantwoorden. De eene stad was bijna onophoudelijk in oorlog met de andere; vandaar dat de burgers, zelfs in de residentie van den Paus, hunne huizen versterkten met zware balken en ijzeren traliën. Sommige adellijke heeren maakten er een beroep van, weerlooze landlieden en vreedzame reizigers van al het hunne te berooven en te mishandelen. Gewoonlijk was er geene macht in de wereld sterk genoeg om de boosdoeners te vatten en naar verdienste te straffen. De geestelijkheid trachtte door denGodsvredeten minste eenige verademing te verschaffen. Daarbij werd op straffe van den banvloek bepaald, dat men de twisten van Donderdag-avond tot Maandag-morgen moest laten rusten.

Die onveiligheid en de schaamteloosheid der booswichten riepen in Duitschland eene instelling in het leven, onder den naam vanveemgerechtbekend. Het woordveemis, naar men zegt, afkomstig van een woord, dat zooveel beteekent alsverbannen,vloeken.

Het veemgerecht bestond uit een' voorzitter, dievrijgraafheette en uit minstens 14vrijschepenen, die men ookwetendennoemde, omdat ze bekend waren met de geheimen der heilige veem. Door een vreeselijken eed waren de rechters gehouden te zwijgen. Wie desniettegenstaande een geheim verklapte of iemand, door het veemgerecht ingedaagd, het vluchten mogelijk maakte, werd op huiveringwekkende wijze ter dood gebracht. De veemrechters erkenden slechts den keizer van Duitschland als hun opperhoofd; hij werd daarom ook ingewijd in al hunne geheimen.

De rechters kwamen in 't geheim op de eene of andere afgelegene plaats, in een bosch of op eene heide, te zamen, eerst bij dag, later alleen bij nacht. Wanneer iemand, hoog of laag, eene misdaad begaan had, werd hij door een der vrijschepenen aangeklaagd. Den volgenden dag werd dan op de deur van den beschuldigde eene indaging vastgehecht, waarbij hij werd opgeëischt om zich op een bepaalden tijd voor het veemgerecht te stellen ter verantwoording. Voldeed hij niet aan dezen eisch, dan werd hij zonder vorm van proces door een' der veemvechters of een' zijner handlangers om het leven gebracht. Verscheen bij wel ter bestemde plaatse, dan werd hij geblinddoekt en langs vele slingerpaden voor vermomde rechters gebracht. Kon de beklaagde zich met grond vrijpleiten van de hem ten laste gelegde misdaad, dan werd hij op even geheimzinnige wijze weer weggeleid; zoo niet, dan werd hij ter dood veroordeeld en het vonnis dadelijk aan hem voltrokken.

In den beginne werkte het veemgereecht krachtig de bandeloosheid tegen; later ontaardde het. De betere inrichting der gewone rechtbanken, de grootere macht der vorsten om de misdaden te keeren en de ontaarding van het veemgerecht zelf veroorzaakten, dat het tegen het einde der Middeleeuwen van alle macht en invloed was beroofd.

II.

Ten einde wat nauwkeuriger met den maatschappelijken toestand in dit tijdvak der geschiedenis bekend te worden, is het noodig, dat we nog iets vertellen van enkele instellingen en inrichtingen, die in de Middeleeuwen ontstonden en bloeiden.

In de eerste plaats hetleenstelsel. Wanneer dit is ingevoerd, valt moeielijk te zeggen; het is langzamerhand ontstaan.

Het bestond hoofdzakelijk hierin, dat vorsten of aanzienlijke personen stukken land, uitgestrekte bosschen of vischrijke wateren voor persoonlijk gebruik afstonden aan die lieden, welke hun den een of anderen dienst hadden bewezen. De gever werdleenheer(souverein), de ontvangerleenman(vasal) genoemd. In den beginne stonden de bezitters van een vrij eigendom (allodium) in rang boven de leenmannen. Dit veranderde, toen de leenmannen door de vorsten met de aanzienlijkste ambten werden begiftigd, en zij hunne leenen erfelijk en door aankoop, verovering of erfenis grooter maakten. De vrije mannen kregen het nu zwaar te verantwoorden; menig machtig leenman aasde op hunne bezittingen, en daardoor waren ze genoodzaakt, die in eigendom aan een machtig vorst of heer af te slaan om ze daarna in leen weer terug te ontvangen. Daardoor verwierven zij zich de bescherming van den leenheer; zij waren nu niet alleen verplicht om op te komen ter verdediging van het vaderland, maar moesten in alle omstandigheden bij de eerste oproeping van den leenheer met gewapende mannen hem ter hulpe snellen. Weldra vond men in 't grootste deel van Europa slechtsenkeleleenheeren,veleleenmannen en geestelijken en voor de rest enkel lijfeigenen, die vooral te platten lande een treurig lot hadden. Uit deze lijfeigenen kwam, ten gevolge der kruistochten, de burgerstand te voorschijn; terwijl de adel van den nieuwen tijd grootendeels afkomstig is van de leenmannen.

De erfelijke leenen werden verdeeld inzwaard- enspille-leenen, terwijl men op sommige plaatsen ookzonneleenenhad. Een zwaardleen was een leen, waarbij alleen een man kon opvolgen; bij een spilleleen had ook eene vrouw daartoe het recht. De bezitter van een zonneleen was van niemand afhankelijk dan van God en de zon; het was dus eigenlijk geen leen, maar een vrij eigendom of allodium.

Eene andere eigenaardige instelling was hetridderwezen. Evenmin als van het leenstelsel kan men zeggen,wanneerofhoehet ontstaan is. Dit is zeker, dat het langzamerhand werd ingevoerd bij alle Germaansche volken. Even zeker is het, dat Hendrik I van Saksen de grondslagen voor het ridderwezen heeft gelegd, en dat de kruistochten veel tot den bloei er van hebben bijgedragen. Eenridderdan was iemand, hetzij van adel of niet, die in den strijd te paard zat, met helm en harnas bedekt. Hij moest het Christendom verbreiden, weezen, weduwen en ongelukkigen beschermen tegen alle verdrukking; hij moest het onrecht wreken en de eer der vrouwen verdedigen. Verder moest hij zich onderscheiden door ootmoed voor God, menschlievendheid, dapperheid in den strijd en hoffelijkheid jegens de vrouwen. Voorwaar! eene grootsche en moeielijke taak. In rang stonden de ridders boven alle adellijken, die den ridderslag niet hadden ontvangen; bij aanzienlijke feesten zaten ze aan afzonderlijke tafels; bovendien hadden ze het recht om anderen tot ridder te slaan. De zonen der ridders werden gewoonlijk tot hun zevende jaar aan de zorg hunner moeders toevertrouwd; vervolgens moesten ze tot hun 14de jaar alsedelknaapofpagede vrouw van een vreemden ridder dienen en ontvingen dan onderwijs in muziek en dichtkunst, in loopen, zwemmen, rijden, schieten en in den wapenhandel. Daarna moesten ze nog 7 jaren alsschildknaapin dienst van een' ridder vertoeven en ontvingen nu de laatste voorbereiding voor hun later leven. Ze moesten de paarden van hunnen heer verzorgen, zijne wapens poetsen en hem aan tafel bedienen. Voorts moesten ze zich oefenen in den wapenhandel en de onafscheidelijke metgezel zijn van hunnen heer in den strijd. Had de schildknaap bewijzen van moed en bekwaamheid gegeven, dan volgde met veel plechtigheid de ridderslag.

Nu mocht hij deelnemen aan detournooienofsteekspelen, die door vorsten en aanzienlijke ridders werden gegeven, en waarop hij zijne kracht en behendigheid kon toonen. Behalve met steekspelen vermaakten de edelen en ridders zich met de jacht op herten, beren, vossen, wilde zwijnen enz. Bijzonder geliefd was devalkenjacht, of liever de jacht, die men met afgerichte valken op klein gedierte hield.

Al deze vermaken hadden slechts in den zomer plaats; in den winter leidden de edelen over het geheel in hunne burchten een zeer vervelend leven. Waarmee zouden ze zich bezig houden? Lezen en schrijven hadden ze niet geleerd; dat was goed voor geestelijken en monniken: een rijke bron van genot was dus voor hen gesloten. Wel konden ze zich soms eens verlustigen in de grappen van hunnennarof potsenmaker, maar ook dit werd op den duur vervelend.

Gelukkig waren ze, wanneer een rondtrekkende zanger bij tijd en wijle door schoone liederen hunne verveling kwam verdrijven. De aanvankelijk zoo schoone instelling van het ridderwezen ontaardde later op verregaande wijze. We behoeven slechts te spreken van de roofridders om dit aan te toonen. Deze mannen belemmerden met hunnen drom van woeste krijgers dikwijls den handel der nijvere burgers en stroopten de om hun' burcht gelegen streken af. Meestal leefden ze onderling in voortdurenden krijg en stoorden zich aan wet noch orde.

Wat het veemgerecht ter beteugeling van de roofzucht en baldadigheid der ridders deed, zagen we reeds. Eene andere instelling, die betere vruchten in dit opzicht heeft opgeleverd, was hetHanze-verbond. De verregaande onveiligheid te lande en ter zee noopte de kooplieden zich te vereenigen ter onderlinge bescherming. Dit deden ook eenige kooplieden te Lubeck en te Hamburg en hunne vereeniging werd het Hanze-verbond genoemd. Weldra kreeg het een grooten en weldadigen invloed. De meeste kooplieden van West-Europa werden leden van dit verbond en vandaar, dat het eene machtige vloot en een weluitgerust leger tot zijnen dienst kreeg, waardoor ontzag aan de zeeroovers en de roofridders werd ingeboezemd.

In de Middeleeuwen merkte men over 't geheel een streven naar vereeniging op. Daardoor ontstonden b.v. ook degilden. Gilden waren vereenigingen van handwerkslieden, die hetzelfde beroep uitoefenden. Zij waakten er ten strengste voor, dat geen onbevoegde zich aanmatigde iets te vervaardigen en te verkoopen. Wilde een gezel zich als meester vestigen, dan moest hij eerst in een proefstuk van zijne bekwaamheid blijken geven (beunhazen). De gilden kregen weldra een grooten invloed op het bestuur der steden, waarin ze gevestigd waren; vooral was dit het geval in de Vlaamsche steden Gent, Brugge en Antwerpen.

Het getal kloosters, zoowel voor monniken als nonnen, nam in de Middeleeuwen verbazend toe. Zij waren dikwijls de schuilplaatsen voor verdrukten en vervolgden en de kweekplaatsen der wetenschappen, die door de edelen zoo verschrikkelijk werden verwaarloosd.

Wanneer we onzen maatschappelijken toestand vergelijken met dien der Middeleeuwen, dan mogen we dankbaar zijn, dat de tijden van ruwheid, barbaarschheid, onderdrukking en vervolging tot het verledene behooren.

(Hendrik IV en Gregorius VII.)

In 't laatst van December 1076 ondernam een klein reisgezelschap eene moeielijke reis langs onbegaanbare wegen over de Alpen. Het bestond uit man, vrouw, kind, een' vriend en een klein getal mannelijke en vrouwelijke bedienden. De winter was buitengewoon streng; de bergen, waarover de tocht plaats had, waren zoozeer met sneeuw en ijs bedekt, dat men, zonder gevaar, noch te voet, noch te paard langs de steile en gladde helling af dalen kon. De reizigers lieten zich daardoor niet afschrikken; zij wilden en moesten in Italië wezen. De mannen kropen nu eens op handen en voeten, leunden dan weder op de schouders der gidsen of lieten zich, wanneer hun voet uitgleed, vallen en rolden verder. De vrouwen werden op ossenhuiden geplaatst en zoo door de gidsen naar beneden getrokken. De paarden werden met samengebonden pooten voortgesleept, en daardoor kwamen de meesten om. Na ongelooflijke moeite en inspanning stonden de reizigers eindelijk op den bodem van Italië. Aan uitrusten konden ze evenwel niet denken. Voort ging het, totdat ze eindelijk den 25 Januari 1077 aankwamen bij het sterke slot Canossa, niet ver van het stadje Reggio gelegen. In dat slot bevond zich op dat oogenblik paus Gregorius VII, een man, die zich als levensdoel gesteld had: de verheffing van de kerk boven den staat. Alle vorsten en koningen moesten hunne macht ontleenen aan den paus. De paus was gelijk de zon, de keizer van Duitschland de maan. Hij was verder een man van een streng-zedelijken levenswandel, die alle krachten inspande om de misbruiken, die in de Christelijke kerk heerschten, uit te roeien.

Daarom ijverde hij tegen desimonie, d. i. tegen den koop en verkoop van geestelijke ambten; tegen deinvestituur, d.i. tegen het recht, dat de vorsten tot dusverre hadden uitgeoefend, om priesters metringenstaf, als teeken hunner waardigheid te bekleeden. Verder dreef hij met ijzeren volharding hetcoelibaatof het ongehuwde leven der geestelijken door. Tot dien strengen, machtigen man nu richtten de reizigers hunne schreden. De voornaamste van hen werd binnen den tweeden ringmuur van het kasteel toegelaten. Hier stond hij drie dagen lang met een wollen hemd bekleed, in de open lucht, blootshoofds en barrevoets, zonder eenige spijs of drank te nuttigen. Die man onderging dit alles, om daardoor den Paus te bewegen den banvloek op te heffen, dien deze over hem had uitgesproken. Eindelijk op den vierden dag liet Gregorius den boeteling voor zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde, dat hij naar Duitschland zou gaan en daar de verdere beslissing van zijn lot afwachten.

Wie was die man, vraagt ge, die zich zulk eene vernedering moest laten welgevallen? Die man was de koning van Duitschland,HendrikIV. Waarom hij zich zoo moest vernederen, zullen we u verhalen.

Hendrik IV had het ongeluk zijn' vader reeds te verliezen, toen hij nog maar zes jaren oud was. Eerst was een zekere Hanno, aartsbisschop van Keulen, een streng man, zijn opvoeder en later bisschop Adalbert van Bremen, die hem in alles zijn' zin gaf en daardoor in den grond bedierf. Ook boezemde deze hem een grooten haat in tegen de Saksen, en juist deze haat maakte hem wreed en onrechtvaardig.

Nauwelijks had hij de regeering aanvaard, of hij toonde den Saksen, wat ze van hem te wachten hadden. Hij liet in hun land sterke kasteelen bouwen en daarin soldaten leggen, die het land afstroopten en de bewoners uitplunderden. De Saksische edelen smeekten den Koning, dat hij die geweldenarij zou laten ophouden, maar hij verhoorde hunne beden niet. Nu was hun geduld uitgeput; met een leger van 60000 man brachten ze Hendrik zoo in 't nauw, dat hij Saksen in allerijl verlaten moest. De kasteelen werden omvergehaald, en thans nog ziet men hier en daar in den Harts er de ruïnes van. Hendrik begaf zich naar Worms (1075) en verzamelde er een leger, waarmee hij zijne vijanden overwon. Zwaar had het ongelukkige Saksen het nu te verantwoorden. Het land werd verwoest, de bewoners van vrijheid of leven beroofd. Door den nood gedwongen, wendden de Saksen zich tot den Paus en smeekten hem om hulp.

Deze hoorde bereidwillig hunne klachten aan en vermaande Hendrik zijne onderdanen beter te behandelen.

Toen dit niet baatte, kwamen er pauselijke afgezanten, die hem bevalen binnen 60 dagen te Rome voor eene geestelijke rechtbank te verschijnen. Wanneer hij niet kwam, zou de banvloek over hem worden uitgesproken. Hendrik was woedend, toen hij dit hoorde. De pauselijke gezanten joeg hij met spot en schimp uit het land, maar Gregorius liet zich niet vervaard maken: hij sprak den banvloek over Hendrik uit. Daarbij werden de Christenen ontslagen van alle eeden, die ze den Koning hadden gezworen; geen onderdaan of dienaar mocht hem meer gehoorzamen, geen priester hem de heilige sacramenten toedienen; ieder moest hem schuwen als de pest.

In 't eerst lachte Hendrik wat om den ban; maar toen hij bemerkte, dat de Duitsche vorsten er niet zoo over dachten, ja zelfs een besluit namen om een anderen koning te verkiezen, wanneer hij niet binnen 't jaar van den ban ontslagen was, besloot hij zich voor den Paus te vernederen. Vandaar, dat we hem als een ellendigen boeteling bij Canossa zagen. De boete, Hendrik opgelegd, was in de oogen van vele zijner onderdanen veel te streng geweest. Het medelijden werd daardoor opgewekt, en het gelukte hem een groot leger op de been te brengen, waarmede hij eerst zijne vijanden in Duitschland ten onder bracht en daarna naar Italië toog om zich op den Paus te wreken. Rome werd twee jaar belegerd en in het derde jaar veroverd. Hendrik wilde zich met den Paus verzoenen, wanneer deze hem als keizer wilde kronen. Dit aanbod wees Gregorius met verontwaardiging van de hand. Daarop liet Hendrik Clemens III als paus verkiezen, en deze zette hem de keizerskroon op het hoofd. Gregorius ontkwam de gevangenschap door de vlucht naar Salerno, waar hij den 25 Mei 1085 stierf. Zijne laatste woorden waren: "Ik heb de gerechtigheid liefgehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in ballingschap."

Hendrik had een jammerlijk uiteinde. Door zijne vroegere vrienden verlaten, ja zelfs door zijne eigene zonen, Koenraad en Hendrik, bedrogen en verraden, stierf hij in het jaar 1106 te Luik; juist toen hij toebereidselen maakte om zijn ontaarden zoon Hendrik te beoorlogen. Waarlijk, wij gevoelen innig medelijden met den man, die zich door eigen schuld zooveel ongeluk en lijden op den hals haalde. Hij sprak waarheid, toen hij eens uitriep: "Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zooals nog geen vorst geleden heeft."

Palaestina, het land waar Jezus geleefd en geleden had, waar hij in nederigheid geboren en, door zijne vijanden gesmaad, aan 't kruis gestorven was, trok ten allen tijde de aandacht der Christenen tot zich. Men geloofde in de Middeleeuwen, dat een gebed, op eene der heilige plaatsen van dat land tot God opgezonden, eerder verhoord werd dan ergens anders. Daarom ondernamen vele geloovigen de verre reis naar het Heilige Land om daar te bidden en zich te verootmoedigen voor den Heer. Zulke menschen noemde men bedevaartgangers. Zoo lang Palaestina tot het Grieksche keizerrijk behoorde, werden de bedevaartgangers niet gestoord, ja, nadat de Arabieren het hadden veroverd, konden ze zelfs ongehinderd hunne godsdienstplichten vervullen. De Arabieren waren te verdraagzaam of te onverschillig, dan dat ze menschen van eene andere godsdienstige overtuiging wilden hinderen. Anders werd het, toen de dweepzieke Turken meester werden van 't Heilige Land. Nu werden de bedevaartgangers niet alleen in hunne vrome overpeinzingen gestoord, maar ook vervolgd, in de gevangenis geworpen en gekweld. 't Was natuurlijk, dat door deze handelingen de verontwaardiging der Christenen werd opgewekt.

In het jaar 1094 verscheen in Italië en Frankrijk een man, blootshoofds en barrevoets, rijdende op een' ezel. Hij heettePeteren was afkomstig vanAmiënsin Frankrijk. Een lang pelgrimskleed, om de middel door een ruw touw bijeengebonden, omgaf zijne magere leden. In zijne ontvleesde handen hield hij een crucifix. Zijne groote, zwarte oogen lagen diep in het hoofd en gloeiden van geestdrift. Wanneer hij eene stad of een dorp bezocht, liepen ouden en jongen samen om den vreemden, huiveringwekkenden man te zien en naar zijne woorden te luisteren. Die man kwam uit het Heilige Land. Met gloeiende verven schilderde hij de ellenden en jammeren, die een pelgrim daar moest verduren en toonde in zijn eigen lichaam de striemen en wonden, hem door de Turken geslagen. Vervolgens wekte hij zijne toehoorders op, om het zwaard aan te gorden en het land, dat voor de Christenen de hoogste waarde had, het schoone land, waar, behalve zoovele geloofshelden, de Verlosser der wereld had geleefd, te ontrukken aan de handen der ongeloovigen. Zijne bezielende woorden brachten een ongelooflijken indruk te weeg.

Paus Urbanus II riep twee groote kerkvergaderingen bijeen, de laatste te Clermont in Frankrijk, waar hij de Christenen aanspoorde tot den heiligen strijd. "God wil het! God wil het!" klonk het uit duizenden kelen. Vorsten, ridders, vrije mannen en lijfeigenen hechtten zich een rood kruis op de schouders ten teeken, dat ze het voornemen hadden naar Palaestina te trekken.

Terwijl de ridders zich gereed maakten, begaven zich reeds in het voorjaar van 1096 twee benden kruisvaarders, bestaande uit het schuim van allerlei natiën, naar Palaestina op weg. Ze voerden niets uit; honger, ziekte en het zwaard der Turken maaiden hen bij hoopen weg, voor ze het Heilige Land hadden bereikt.

In den herfst van hetzelfde jaar trok een weluitgerust en geoefend leger, bestaande uit meer dan 100,000 geharnaste ruiters en 200,000 man voetvolk, onder den edelenGodfried van Bouillonnaar Palaestina. Tweemaal werden de Turken geslagen. Antiochië werd na eene maandenlange belegering stormenderhand ingenomen. Eerst na drie moeitevolle jaren bereikten de kruisvaarders Jeruzalem. Van het groote leger begroetten slechts 30000 man de heilige stad; de overigen waren òf door honger, hitte en het verraad der Grieken gevallen òf hadden zich eigendunkelijk van het hoofdleger gescheiden. Bij het gezicht van Jeruzalem waren alle moeiten vergeten; een ongekende ontroering maakte zich van de kruisvaarders meester; zij omhelsden elkander, kusten den heiligen grond en schreiden tranen van vreugde. De verovering der stad was evenwel niet gemakkelijk; 60000 Mohammedanen verdedigden haar met beleid en moed. Men trachtte haar te bestormen; tevergeefs: de Turken sloegen elken aanval zegevierend af. Weken lang werd de stad belegerd. Een brandende dorst kwelde de belegeraars, daar de Turken uren in het rond het water der bronnen ondrinkbaar gemaakt hadden. Mijlen ver moest het hout voor de belegeringswerktuigen gehaald worden. Eindelijk worden er toebereidselen tot een nieuwen storm gemaakt. Ladders, belegeringswerktuigen en torens worden getimmerd. Vooraf gaan de belegeraars, met de priesters aan het hoofd, een plechtigen optocht doen om de stad. Den 14 Juli 1099 naderen zij hare muren. Een hagelbui van steenen en werpspiesen begroet de Christenen; zij echter schrijden voorwaarts over bergen van lijken. De oorlogswerktuigen worden bij de muren gebracht. Reeds jubelt het leger der Christenen. De nacht, die voorloopig een einde maakt aan den strijd, daalt te spoedig naar den zin der kruisvaarders. Nauwelijks daagt de morgen of de strijd begint opnieuw. De Turken strijden met de grootste verbittering. Brandende pekkransen, steenen, balken, zelfs lijken worden de belegeraars naar het hoofd geslingerd.

Zij wijken; de Turken jubelen over de overwinning, maar—te voorbarig. Daar bemerkt Godfried van Bouillon op den Olijfberg eene ridderlijke gestalte in witte wapenrusting, die een helderstralend schild omhoog houdt. "Zie daar," roept hij "een cherub met vlammend zwaard, dien God ons ter hulpe zendt." "God wil het! God wil het!" dondert het door de gelederen en in wilde haast dringen ze voorwaarts. Godfried beklimt het eerst den muur. De zijnen volgen; schaar op schaar dringt naar boven en—Jeruzalem is veroverd. Een verschrikkelijk moordtooneel biedt de stad nu weldra aan. Mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen worden zonder mededoogen om het leven gebracht. De moord huist in de ongelukkige stad. Binnen de ruime en sterke muren des tempels zoeken duizenden redding; tevergeefs: de tempel wordt stormenderhand genomen en de ongelukkigen verslagen. Beken bloeds stroomen door de straten; 10000 vijanden zijn gedood en nog is er geen einde aan het moorden. Slechts Godfried bezoedelt zijne handen niet met bloed. Barrevoets, zonder helm en harnas, spoedt hij zich naar de kerk van het Heilige Graf om den Heer te danken voor de overwinning. Eerst na drie dagen zijn de krijgers het bloedvergieten moede. Nu worden de straten gereinigd; de overwinnaars wasschen het bloed van hunne handen en in witte kleederen gehuld, gaan ze in plechtigen optocht naar het Heilige Graf. De geestelijkheid komt hen te gemoet met hoogopgestoken kruisen en vrome liederen zingend, en vol eerbied knielt de schare ter neder. Godfried werd tot koning van Jeruzalem verkozen. De edele ridder weigerde. Hij wilde geen gouden kroon dragen, waar Jezus gebloed had onder eene doornenkroon; hij vergenoegde zich met den titel van beschermer des Heiligen Grafs.

Een jaar daarna blies hij den laatsten adem uit; zijn lijk werd in de kerk van het Heilige Graf begraven.

Vele kruistochten werden in lateren tijd ondernomen; meer dan 7 millioen Christenen namen daaraan deel; doch slechts het kleinste deel daarvan zag het vaderland weder. Het doel van deze reusachtige ondernemingen werd niet bereikt; Palaestina kwam wel tijdelijk, maar niet bestendig in de macht der Christenen. In het jaar 1291 viel de stad Ptolemais, het laatste overblijfsel van het koninkrijk Jeruzalem, in handen der Turken. Toch zijn de kruistochten niet onvruchtbaar geweest voor de beschaving der wereld. Ten gevolge van deze tochten herleefde dehandel, die vooral de Italiaansche steden: Genua, Venetië en Pisa tot grooten bloei bracht en nam debeschavingtoe onder de volken van West-Europa. Kunsten en wetenschappen werden sedert dien tijd vlijtiger beoefend, en—wat wel het belangrijkste gevolg was—uit de verachte en versmade lijfeigenen kwam de vrije stand der burgers te voorschijn.


Back to IndexNext