[1]De Forens: Het "Weekblad voor Stad en Land".
[1]De Forens: Het "Weekblad voor Stad en Land".
[2]Zie: Van Vloten:Oostersche schetsen en verhalen.—
[2]Zie: Van Vloten:Oostersche schetsen en verhalen.—
[1]
Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had volgezongen met zijn ziel—beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit aanschouwing geboren—; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht.Dantesk, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen;Danteskwas al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der demonische bòvenzinnelijkheid droeg;Danteskwaren die statige vaste rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en bebloemde poëmen, die het geluid-geworden begrip:wereldheerschappijzijn; enDanteskwas wel ook het lieflijke, doch mits het door een goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar wàt hem ook benàderde, in literatuur of in leven,bereikendeed het hem niet. Eens had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch hiernamaals gedroomd,een wereld door een demon instede van een God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard—voor zoover zìj kon begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den werkelijken dag, ze teverwerkelijken; gedreven door de donkere krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen; wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat onsterfelijk erotisch monster; en niettemin:nòg bereikte zij de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij bracht haar Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar wàre roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch:zij bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij was als een groot schepper, als de Goethe van denWerther, die schrijft, om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich àf te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik vóór zich te kunnen zien, om het te kunnen genezen. Maar hàre letters waren dàden, letters van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der jaren, in de zich openende en langzaam ïn hun dreun-zware kanteling weer sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,—haar doel bereikte zij niet, zij bereikte 't niet.Dat was haar droom nog niet. Iets was nog daarachter, een oppersteontzetting, ver en diep verholen, die zich verwerkelijken moest. Tòt het uur volliep, en ze in geweldigste inspanning en verscheurende weeën den wereldoorlog baarde. Tén ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht. En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan, en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar evolutionnaire baan—wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets vergeet, die het kleine én het groote als heteenekent; die het gewicht van den dood eens worms en van dien van armeeën even nauwlettend weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel, bereid tot overgave aan Menschheids dienst; vàst staand in zijn wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten—zóó trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale verschrikkingen en hemelsche glanzen van dendroomte openbaren, in beelden blijvend voor altijd, zóó was deze verkoren, om dit de gruwbare ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-totwerkelijkheid-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn feilloos-geweldige voorganger—hetgeen hier niet schaadt, daar de dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft[2]—maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het menschbeeldnaastdat der sterren straalt, heeft hij zijn werk verricht. En terwijlwij vol wederliefde in hem zien en al de schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden, beseffen wij slechts geleidelijk wàt zijn woord ons heeft gedaan. Het heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol gegoten. En nadat dit éénigermate was gezuiverd van de stofvergoding, van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem én een dauw er in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene, voèlde ze onze geest, en gelijk de laatste fònkelen ze hem tegen met in hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter derHel, dat is Henri Barbusse; en zijn werk, hetbeeldvan deverwerkelijkingvan den Helle-droomheet: Het Vuur.
Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de slavenden bij de nachtelijke korveeën, zich plat-drukkend op den onder den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen daalt enwaarheende verdoemden genoopt worden te vluchten: de zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken. Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars. Hier is weerde "schreeuwende menschboom" van den twaalfden zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad, dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders vattend en sliepen in, tot aan hun knieën in het veld weggezakt." Hier sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn verlofeinde.... Maar dan—de regen verdrinkt de aarde—ontmoet hij andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug. "En wanneer zal ik haar nou weerzien? En zàl ik haar wel terugzien," zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht wordt hij mét drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dandie beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....—Of het ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs—ja, ja, ge weet wel, dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die "maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!—Barbusse, uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend, beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning" schudt hij dan 't hoofd: "Nee, háár zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"—Of ook deIdylle: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en aandachtige oogen naar de laagte zien. Hièr heft de menschelijke adeldom zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een slijkerigen bodem wart....—
Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner Francesca's en Paolo'snietbezwijmde; die de volle heerschappij over al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen behield, en alsmeerdan een òngebroken man: als een schepper, alseen glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's werk zou kunnen noemen, eeneontroerender schoonheiddan daar aanwezig is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is, voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk, waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting vanbewustegenialiteit voor mij, maar wèrd een wonder van den schrijveronbewust gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heetHet Visioenen beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen. Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers," zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van verblinding, van de greep der traditiën, zij beseffen schuchter nog den eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het gebeuren midden dat woeste bergen-décor, het opstijgen en speurend kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden, aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei, een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen, omdat: hier evenals daar het storm-stille "Voorportaal" van deHelis; omdat hier evenzeer als daar welgeen gelukis, maar ook hier zoowel als daar geenlijden, vergelekenmet hetgeen daarna komt. En ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling tusschen het stille, rustige, beveiligde ennog te dragenleed van hetVoorportaal, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde, de ondragelijke smart van deHel. Maar dàn ziet men ook zich daaruit een andere en nog beteekenisvoller tegenstellingontwikkelen, die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers en poëten der Oudheid verblijven, verkondigtzelfvolkomen bewust en luide zijn ontzaglijke grootheid:Homeros begroet hem als den zesde in zijn verheven kring. Maar in het "Voorportaal" van déze hel, in dit eerste hoofdstuk vanBarbusse'swerk, wordt wèl evenzeer des schrijvers grootheid verkondigd, máár:niet door hem,dochhem ondanks: door het van hèmnietreppendvoorgestelde! Den kunstenaaronbewust, enonafhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots verbonden zelfkennis, verheft zich hier dein hem levende Inspiratieen zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is desymbolische veruiterlijkingvanzijninnerlijkst—en nog welverkleinde!—wezen, en zegtzijngrootheid. En hij de deemoedige wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van verblinding, van den greep der traditiën,"zóó is ook hij; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen beteekenis, dewaarheidìn wat hij zag, de naar geboorte worstelende kern; máár bedenkt dit wel:Hijwas niet slechts aldus in het voorportaal, maarmiddenden storm,inde hel.... Beseft dan gij allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij mòet hebben geleefd; en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....—
Het kan allicht zijn nut hebben, ook hierietste tóónen van de wijze waarop, benevens eenweinigvan de kern-waarheid, welke hij zag. De wijze van zien is die van een zéér groot epicus, met veel wijsgeerige en sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtigbeeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt, groote psychologische intuïtie. In die bezinning en in het vooral den subtielen Franschen geest karakteriseerende van hetlaisser entrevoir sa pensée, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen Querido, en het is dan ook dáárom—al mag men er ook, hier en daar, uit anderen hoofde bezwaar tegen hebben—een voortreffelijke daad van den door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het "vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte vruchten: ook hij namden geur van den boomgaardmede, hij vergoedde het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch fluïde van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan den schrijver vanMenschenweeen de beideDe Jordaan'sdoet denken, het is ook in de wijze, waarop hij de menschenbuitende dialoog beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstukHet Vuur, in de hartverkillende atmospherische stemmingen vanDe Korvee, in de chaotische volten vanOpbreken. Een ander maal, zooals inLucifers, waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor mij, zooals inGewend Geraakt, die prachtige observaties in den hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden—elk woordje om zoo te zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging—het verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte leering de zielen van veel volmaakt
geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem, maar die zijn toch één, die zijn toch zìjn geest geworden.—Zooveel mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:
Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt: "Ik ben nièt als de anderen."Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen menschen spelen.
Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt: "Ik ben nièt als de anderen."
Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen menschen spelen.
En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)
Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in den aanvang der tijden.
Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in den aanvang der tijden.
Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een koperen ring voor zijn vrouw vijlt)
Hij arbeidt vol vuur.Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift.[3]In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij onderging, trachtte te geven.
Hij arbeidt vol vuur.Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift.[3]In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij onderging, trachtte te geven.
Het zijn de Dantesk-picturalevisies, waarbij ik mij helaas tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven"; van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander "pleisterbeelden meenen te zien."
Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der kleurlingen ontleen ik dit:
Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil,als zichtbare valstrikken. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden zien.
Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil,als zichtbare valstrikken. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden zien.
Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid, zooals in dieheilige, stràlende regels—blz. 224—225, te veel voor een citaat!—waarin hij de ziel van denburger-soldaat, op dat opperst moment vóór den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt. Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten op een open vlakte)
Het is bijna niet te gelooven, dat elk dezer kleine vlekken een wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden: het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de sterren aan den hemel.Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen, honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.
Het is bijna niet te gelooven, dat elk dezer kleine vlekken een wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden: het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de sterren aan den hemel.
Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen, honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.
Zóó is het. Zoodra men de wezens en dingen in hùn wáárheid en de waarheid hunner verhoudingen ziet, dan ishet inderdaad niet te gelooven, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het omgekeerdeis waar, zooals—Barbusse-zelf, de op dat moment ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning ééns fél demonstreert!...—
Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gróótheid en den aard zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms, met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand—eenprachtigemenschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur, na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):
"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en belangwekkendheid van zijn moed...."Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering, uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep hij:"Liebknecht!"Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat,even diep en rustig als dat van een beeld, viel weer op zijn borst neer. Maar nogmaals verbrak hij zijnmarmerenzwijgen, om te herhalen....
"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en belangwekkendheid van zijn moed...."
Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering, uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep hij:
"Liebknecht!"
Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat,even diep en rustig als dat van een beeld, viel weer op zijn borst neer. Maar nogmaals verbrak hij zijnmarmerenzwijgen, om te herhalen....
Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend uit zijn slaaphol in de loopgraven):
Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt,als de nacht in den avond.
Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt,als de nacht in den avond.
Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders oog openbaren. Daar is allereerst hettoevallige. Het doet als toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken vóór Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch nà het gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik, zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't hem gaat.Hierdoorvoelen wij al, dat het nièt goedzalgaan, dat er iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een zekerentoelegbij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is:de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen, en zoodra wij nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juistverzwakt.—Toevalligis ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van een mijngroef behulpzaam te zijn, en—daarin het beschimmelde lijk van de door hem geliefde Eudoxie vindt; ennog toevalliger: dat even te voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt—Gauchin, waar Lamuse Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen—èn dat Farfadet (de minnaar van Eudoxie) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets zeggen kan," peinzend "alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte" mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag niet verzwegen: hier blijkt wel héél duidelijk een "Absicht", die "verstimmt." Deze toevalligheden—de welwillende lezer vergeve mij het zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!—zijn dan ook allerminst ... toevallig!Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het boek. Eenerzijds was het debedoeling van den auteur een waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, anderzijdsdwonghem zijn krachtige kunstenaarsaanleg eenkunstwerkte scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat, dan is het wel dit, dat het eenverbeeldingswerkmoet zijn. En ziedaar nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een feiten-relaas berusten wij, zijkan nietonecht en "gewild" zijn, immers zij is—een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij niet, dáár zijn wij slechts tevree met wat ons alsnoodwendigheidverschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalvegeen afzonderlijke vermeldingdoor den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een kunstwerk voorkomt, ons juist hetontbrekeneener afzonderlijke vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Zóó het geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de oorlog—het gevaar—voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien wij hemgewoon soldaat blijven,zonder dat er een woord over die tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat in den schrijver óók de bedoeling en hetbewustzijnleefden, een relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede, bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was ingetrokken. Voorzijngevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat van zelf, maar voor òns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van feiten-relaas, ook envooraleenkunstvolle herscheppingder realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid ontmoeten, te zeggen: hé, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten, wat hij vroeger had verhaald!—Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen. Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot realistischen—mitsinnerlijk gehoorden—dialoog te geven. In beideis het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij,nietvrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een mengvorm van beide te scheppen. Want danveronechtendie ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het lijstje van blonde haar, waarin de lamp gouë straaltjes scheen." Maar het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog is en blijft voor denlezer: vertolkingvan realistischen dialoog, maar omdat ook de gestyleerde door den scheppendenschrijverinnerlijk en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den lezer denzelfdenindrukvaninnerlijke waarachtigheidals de realistische maken. Maar nochtans—nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit zinnetje van Poterloonietjuist gestyleerd is—is het niet raadzaam een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en getint, náást een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur- en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."—Men begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat zoo innig denkt over zijn vrouw—wat potsierlijke dwaasheid zou dàt wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken—ik heb er slechts op tegen, dat hij zóó zijn gedachtenverwoordt.Datkan hij niet. De soldaat Marthereau—voddenraper in het burgerlijk leven—zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat isprachtig. Maar gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De windheeft de sneeuwbonbons verorberd." Dat wareafschuwelijkgeweest! En niettemin geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoelen aangeboren literair begrip wel aannemelijk. Wat denwaarlijk-meesterlijkenvertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven, wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft verscherpt....—Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege- en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.
En voorzeker, met den glans van zijn zien-en-begrijpen heeft hij dan ook van veel de kern en de waarheid beschenen, en ons gedwongen die te zien. Zijn epos is ook een leerdicht geworden. Een zeer kleine greep uit het overrijk bewijsmateriaal kan er u reeds van overtuigen. Hij heeft gezien: hoe het proletariaat niet alleen steeds de winstmijn, maar ook het kijkspel der bourgeoisie is geweest; haar diergaarde, welks bewoners met de zweep geregeerd, maar ook met klontjes suiker liefjes verwend mochten worden en zelfs, ja zelfs bestreeld met hoogst-eigenhandige kopaaiïngen, waaraan men dan ook zoowel zijn joviale genegenheid als zijn heùsch-dùrvigen moed demonstreerde. Men heeft er maar dat scènetje van het bezoek der journalisten in de loopgraven op aan te kijken, om te beseffen, met wat inborend sentiment deze liefdevolle dàt háát. Merk hoe dan de spot een oogenblik het beheerschte gelaat zijner objectiviteit vervinnigt.—Hij heeft gezien: hoe achter den rug der strijdende legers, die menigten van martelaren, de groote en de kleine bourgeoisie—allen die bezitten en graaien om dat bezit te vergrooten—haar weeldebestaan en winstmakerij voortzetten.Daar schrijnt, inUitstapje, 't verhaal hoe hij met eenige makkers zijner escouade het verlof in een groote stad doorbrengt, een vernederingsleed om den zedelijken val derheerschenden, meer nog dan om het lot der beheerschten; omdat zóó verlept en nietswaardig der eersten gevoel, zóó ijzingwekkend hun onwetendheid, zoo bijna làchwekkend-onnoozel somwijlen hunne onbeschaamdheid is. En in een overstelping van liefde, meer dan van medelijden, heeft hij de vernedering zijner arme, eenvoudige metgezellen, onder de tooneelkijker-blikken en schennende woorden dier weeldezwelgers gevoeld. Hij heeft gezien: hoe zij zich vetmesten, die "van hun buik hun god maken"; al diegenen, die roepen van achter hun toonbanken, hun bankierskantoren, hun redactietafels: "wij" moeten volhouden, "wij" zullen nog meer offers brengen als het moet!—Ja, en hij heeft ook wel gezien hoe er nog ander dan Pruisisch militairisme bestaat.Argoval! Het geval-Cajart! de soldaat, die na reeds twee jaar blaamloos zijn plicht te hebben gedaan, voor een gering vergrijp wordt gefusilleerd. Hij had zich bij het einde der rustpoos in het cantonnement schuilgehouden. Als de schrijver terugkeert van de plek, waar ze den armen kerel, in knielhouding aan een paaltje gebonden, hebben doodgeschoten, dan ziet hij zijn escouade-genoot Volpatte midden een groep makkers "een nieuw vertelseltje verhalen van zijn reis bij de gelukkige achterblijvers."Dàt zijn die "achterbakschen"; nietsnutters met machtige protectie, die men niet doodschiet als Cajart, maar integendeel later in de salons, als "helden die in het vuur zijn geweest" zal bewonderen! Nog ander dan Pruisisch militairisme: lees hoe meneer de brigade-generaal de soldaten in 'tontspannings-kantonnementslechts drie avonduren in 't etmaal veroorlooft uit te gaan. Hij wil ze niet op straat zien! Zoodat ze zich in hun doorregende en tochtige loodsen zitten te verkniezen.... Ah, hoe heeft zijn heilig sarcasme dat alles gestriemd; zijnepischsarcasme, dat hetgebeuren-zelfde zweep doet hanteeren, die op de ruggen dezer wisselaars neerklettert; deze wisselaars, die alles betalen metschijn: een schijn van plicht, van verstand, een schijn van geestdrift. Hij zelf blijft altijd objectief, enniet slechts met de objectiviteit van den naturalistischen kunstenaar, maar met die van den goddelijk-zachtmoedige. Geen enkele zijde van eenige zaak ontsnapt zijn blik, en geen enkele bedekt hij moedwillig. De poilus mogen bij dat journalisten-bezoek aan de loopgraven fel-raak spotten en hekelen; dan plots vraagt zacht-lachend de prachtige korporaal Bertrand: Zijn die lui dan ook niet noodig? Zijn jelui er niet het eerst bij, om als de krantenman voorbijkomt, te schreeuwen "Ik! Ik!"—Maar het is dan ook juist deze objectieve wijsheid, die plots ook onze eigen geestelijke kwetsuren en een nijpend gevaar opendekt.Want ach, hoe weet zelfs ik 't van mijn beveiligde zelf in dit gelukkig nog gespaarde landje, dat dit alles zóó is. Lees ik niet met een gemoed van verontwaardiging overkropt, ten eenen avond, dat hetzoo geanimeerd tafelen bij den Generaal von Eichhornwas, en ten anderen avond, dat de Generaal Gouraudzoo'n gezellige werkkamerheeft en een derde maal, dat,trots den oorlog, zooheerlijk van de wonderschoone Krimen zijnwijnenwasgenoten? En niettemin, keer ik, arme voddenraper, niet elken dag weerom, om de bakken der buitenlandsche correspondenties uit te schudden, graaiend naar mijn heet verlangd lapje nieuws van den wereldkrijg? Het is dit journalisme, dat geen schaamte meer kent. En het kent geen schaamte omdat het geen volledig menschelijk bewustzijn meer bezit. Het lijkt wel of sommige der gewichtigste centra van zùlk een bewustzijn hebben opgehouden te functionneeren bij deze "petits êtres incomplets" en vervangen zijn door instincten en vermogens, waarvan men het gehééle complex tot nu toe alleen bij zekere groepen vaninsectenWaarnam. Want niet alleen dat dit soort journalisten een merkwaardig vermogen heeft, naar kleur en lijn met zijn omgeving saam te vloeien, doch ook hun "stijl" kent geen vlucht maar slechts gefladder; en, de voelsprietjes als in aanbidding omhoog, kruipen zij genottelijk tegen de voor hen torenhooge militaire laarzen op. Dat Foch zooveel pijpen krijgt, hoe aandoenlijk. Dat hij stáát op zijn zooveel-uur slaap, hoe buitengemeen-geniaal én correct! Maar toch: vergat de journalist, die dit berichtte, niet, dat 's maarschalks soldaten als verontschuldiging voor hun gemis aanstiptheid in deze, de enorme kans kunnen doen gelden, dat de granaten hen wel in staat zullen stellen hun sluimer-tekort met woeker in te halen?... En neen! och natuurlijk niet, het is niet het feit zelf, dat mij hier hindert—een man in de positie van Foch heeft totplicht, zijn brein klaar en onvermoeid te houden—maar het is de botte onkieschheid, de seniele pueriliteit zulker vermeldingen, die mij doen walgen. Het zijn deze journalisten die den geest vergiftigen. Zij scheppen fetischen en roepen tot afgodsdienst op. Er loopt geen generaal over hun rug, of zij kennen hem "een doorborenden blik" toe, "strengheid voor zichzelf en rechtvaardigheid voor anderen." "Volkomen rustig"—waarom hij tientallen kilometers achter het front nièt rustig zou zijn, weet niemand, behalveik, maar dat heeft dan ook zijn zéér bijzondere reden—drinkt hij zijn wijn "waaraan men niet zou zeggen, dat 't oorlog is," rookt genoegelijk zijn sigaar. Neen, waarlijk, arme groote Hans, ge zoudtnietrustig zijn, zoo ge wist wat ik weet: dat de meesten van deze uwe waardige bezoekerstweevoorwerpen in hun valies hebben, en beide voor uw hoofd bestemd: een lauwerkrans zoolang ge succes hebt, doch zoo ge valt: een.... Maar neen, dat te zeggen: van dat "ignobles Geschirr", blijve Heine's recht voor altijd! Dit journalisme verleidt het gedupeerde volk tot lief te hebben wat geen liefde waard is, tot bewonderen van wat het niet beoordeelen kan. Het is als besmette lucht, die men nu eenmaal inademen moet, maar waartegen men dan ook als verweer zijn lichaam sterk moet maken. Daarom: sterk en zuiver zij de geest van den proletariër,niet moede wordendzich in de smart zijner broeders in te leven,niet weekelijkde oogen sluitend voor der gruwelen schrik. En er bestaat geen boek, dat hem zóó zal leeren: te eten de bittere vrucht "van den boom van groot verdriet en de pit tusschen zijn sterke tanden te vermalen" als Barbusse's boek. Wel mocht de Voorzitter van den A.N.D.B., onlangs in hetWeekbladvan dien bond, in zijn diepgevoeld, aan werk, auteur en vertaler gewijd, stukje schrijven, datHet Vuurdoor een ieder moest worden gekocht. Maar mij dunkt, in hoopvolle afwachting van het gehoorzamen aan dit vermaan, dient er ook iets anders te gebeuren.Niet een paar, maar tientallen exemplaren moeten in de uitleen-bibliotheken der vakvereenigingen ter beschikking staan. En stróómen moeten de leden daarheen.Gelezen, geliefd en diep begrepen moet het worden in al hun gezinnen. Want dit is een leerdicht, voorhengeschreven, aanhengegeven, de boet- en vertroostings-profetie van een géén god- maar ménsch-scheppend profeet! Gelijk hier de leering, op een berghoogte en in een wereld-historisch moment, in de steenen tafelen der ongevoeligste harten wordt gegrift, gebeurde het niet sinds Mozes. Hier leert het nog waan-omvangen volk, om het nooit te vergeten, de voosheid van het chauvinisme, den leugen der verleidelijke militaire schetterphrasen, de ijdelheid der geraffineerde glorie-beloften. De roem van den soldaat...! Daar ìs geen roem voor hem. Gelijk hun lichamen in het massa-graf, zoo worden hun namen in de vergetelheid tezamen bedolven. De roem is voor de generaals in de gezellige kamers, na de weldoende slaap, voor de redevoerende staatslieden aan de weeldebanketten. "De liefde van het vaderland voor zijn dappere verdedigers." Haha! leest gìj maar de uitbuiting der poilus in de kantonnementen! "Heel het volk staat vastbesloten achter hen," fanfaronneeren de kranten. En ongetwijfeld, een deel ervan stáátachterhen, en vastbesloten bovendien:om hun de zakken te rollen.
Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton, door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht geverfde kleeren....
Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton, door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht geverfde kleeren....
Wel, voor den duivel, waarom zou het anders zijn?Waarom zou men de balen, waarin de goedkoopste grondstof voor de oorlogsindustrie: waarinde soldaat verpaktis, beter maken?Valt dat te rijmen met een zakelijk beheer? En wat zouden wel de "economische strijders" daarvan zeggen, zij die beweren (zie blz. 278) "net zoo goed te strijden" als de poilus?... Hoe zou het "Nationaal Vermogen" kreunen!... O, gij grootsche visionnair, hoe hebt gij, de ziende midden de al-verblinding, ook de sociale waarheid aanschouwd!
"De chauvinisten zijn ongedierte.""De oorlog moet gedood, de oorlog!"
Hoe waart gij eenmensch; zooveel meer dan enkel een Franschman, een Oostenrijker, een Duitscher.
.... Vandaag heet het militairisme Duitschland". "Ja;hoe maar zal het morgen heeten?""Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat." "Dus we zouden eveneens voor de Pruisen arbeiden?" "Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "dat is te hopen.""... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"Twee legers die strijden zijn als één groot leger dat zelfmoord pleegt.
.... Vandaag heet het militairisme Duitschland". "Ja;hoe maar zal het morgen heeten?"
"Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat." "Dus we zouden eveneens voor de Pruisen arbeiden?" "Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "dat is te hopen."
"... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"
Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"
Twee legers die strijden zijn als één groot leger dat zelfmoord pleegt.
Mijn hart is te vol van verrukking en van smart, ik zal niet verder vruchteloos pogen, het te bevrijden. En ook—leeft er een twijfel in mij, die mij wel niet verschrikt, want ik weet te vast de eindigheid van alle ellende, maar toch: nu deert hij me. En het lijkt mij goed, dat hij ook anderen deren zal. Wàs die lichtstreep, die Barbusse tusschen de wolken zag, wel reeds het licht van de zon, was het niet de glanzende voor, die hij zelf in het duister had getrokken? En zou, zoù wel de helle-droom na deze zijneerste volkomenverwezenlijking verdwijnen en vrij laten de menschheid, haar hemelsche reis tebeginnen? Zou daar geen Louteringsberg tusschen beide zijn, een Louteringsberg, die geen ziel zich van hem laat bevrijden zonder de schokkende verschrikking zijner aardbevingen? "Geen oorlog meer na deze." O, treurige held, die dat riept op het verdronken veld! Ook al bestond er nog een geringe kans dat de komende vrede een verzoenmgsvrede zou worden, wat dan? En de wijde mogelijkheden, in den geest en toekomst der overheerschte rassen; en de nog vage dreiging van hetverre Oosten, in de onedele omkanteling zijner oude en edele cultuur naar het wanbegrip van het Westen?... "Geen oorlog meer"?Zoo de huidige Mensch reeds wist, watinhem leeft, dan wist hij ook dit; nù niet....
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
De heer de Rosa vergeve mij, dat ik hem in dit opstel nauwelijks heb geëerd of dank gebracht voor wat hij ons schonk. Maar gesteld, dat men mij naar de Niagara had geleid, en ik, verrukt en ontzet door den aanblik van dien waterval, door zijn glinster-bliksems en zijn donderslagen, verzonken in het visioen en mijn ontroering, niet had gedacht aan mijn gids, zou deze, zoo hij wijs is, dan niet in zich-zelven zeggen: "In zijn bewondering en geslagenheid lag zijn dank"? Hoe veel te eer dan zal de heer de Rosa dit begrijpen. Hij die niet slechts onze gids naar dit Groote, maar eengeïnspireerd herschepperdaarvan bleek.
27 Oct. '18.
Noten: