[1]Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware derimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek, dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht, zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.
[1]Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware derimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek, dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht, zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.
[2]Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en onder den titelMekor Chajim= Bron des Levens, fragmentarisch in 't Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds eerder onder den titelFons vitaedoor Dominicus Gondisalvi met behulp van een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling heeft hetgrooten opgang in de Christelijke wereld gemaakten zoowel de opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen—Thomas van Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een aanhanger betoond—maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.
[2]Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en onder den titelMekor Chajim= Bron des Levens, fragmentarisch in 't Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds eerder onder den titelFons vitaedoor Dominicus Gondisalvi met behulp van een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling heeft hetgrooten opgang in de Christelijke wereld gemaakten zoowel de opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen—Thomas van Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een aanhanger betoond—maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.
[3]En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn—in de vertaling van Geiger—:Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühnDen Weg besteige, ebnend mir den Pfad?Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,Ist ein das All umkreisend Weltenrad.Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze studienimmeruit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:schoonheidte toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak een zich naar den modernen lezer voegendeomwerkingis. Zelf aan een vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dienikdaarvoor noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijnprofaneverzen zeer corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften verspreid.—Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat—zie overigens volgende noot—indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:Ueber der Zeiten KrümmungEwigem Leben zu reit' ichUnd zu dem ParadieseUeber die Hölle schreit' ich....
[3]En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn—in de vertaling van Geiger—:
Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühnDen Weg besteige, ebnend mir den Pfad?Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,Ist ein das All umkreisend Weltenrad.
Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze studienimmeruit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:schoonheidte toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak een zich naar den modernen lezer voegendeomwerkingis. Zelf aan een vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dienikdaarvoor noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijnprofaneverzen zeer corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften verspreid.—Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat—zie overigens volgende noot—indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:
Ueber der Zeiten KrümmungEwigem Leben zu reit' ichUnd zu dem ParadieseUeber die Hölle schreit' ich....
[4]Men oordeele: dit kwatrijn,—en het gaat nog wel op den dichter Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend was, maar met wien hij later in onmin leefde—:Mir war so kalt, mich hatEin solcher Frost durchschnitten,Als hörte ich ein LiedVon Samuel den Leviten.Of een ander maal—erger nog: critiek op eenBijbelschdichter!—; uit een grooter gedicht:Von Salomo dem Weisen warZu Zeiten wohl der Geist gewichen,Da hat er einer LämmerheerdeDer Zähne Perlenreih' verglichen.En ten slotte dit zelf-getuigenis:Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,Zu singen vor solchem Gelichter?Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'Denn meine Zung' ist mein Dreizack.
[4]Men oordeele: dit kwatrijn,—en het gaat nog wel op den dichter Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend was, maar met wien hij later in onmin leefde—:
Mir war so kalt, mich hatEin solcher Frost durchschnitten,Als hörte ich ein LiedVon Samuel den Leviten.
Of een ander maal—erger nog: critiek op eenBijbelschdichter!—; uit een grooter gedicht:
Von Salomo dem Weisen warZu Zeiten wohl der Geist gewichen,Da hat er einer LämmerheerdeDer Zähne Perlenreih' verglichen.
En ten slotte dit zelf-getuigenis:
Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,Zu singen vor solchem Gelichter?Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'Denn meine Zung' ist mein Dreizack.
[5]Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze JehudabenHalevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt. Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sichDer Mond erscheint mit goldnem Rand,Die Stern' im Meer gleich, irren WandrernDie unstät zich'n in fernem Land.Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van denJoodin deze laatste regels?—En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie habenIn's Herz mir ihre Namen eingegrabenUnd sich zum Meer ein zweites noch erkieset:Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem alsHebreeuwsch stylistop één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof ik, dat hij alsdichteronder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van hetHoogliedeigen, aan welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms—ik spreek nu alleen van zijn profane verzen—wat klein-speelsch....—Daarbij komt: ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn Joodsch-dichterschap te oefenen.Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien, zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren, en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd. ("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des amants").Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch vertaald, waarbijik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,En daar ik dorstig bij den roemer beidde,Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippenVóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."
[5]Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze JehudabenHalevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt. Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:
Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sichDer Mond erscheint mit goldnem Rand,Die Stern' im Meer gleich, irren WandrernDie unstät zich'n in fernem Land.
Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van denJoodin deze laatste regels?—En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:
Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie habenIn's Herz mir ihre Namen eingegrabenUnd sich zum Meer ein zweites noch erkieset:Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.
Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem alsHebreeuwsch stylistop één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof ik, dat hij alsdichteronder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van hetHoogliedeigen, aan welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms—ik spreek nu alleen van zijn profane verzen—wat klein-speelsch....—Daarbij komt: ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn Joodsch-dichterschap te oefenen.
Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien, zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren, en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd. ("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des amants").
Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch vertaald, waarbijik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:
Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,En daar ik dorstig bij den roemer beidde,Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippenVóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."
[6]Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" inOver Literatuur, eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde:La Poesie lyrique Hébraique Contemporainevan Dr. Slousch, benevens mijn studie overDie Lieder des Ghetto, in mijnOpstellen.
[6]Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" inOver Literatuur, eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde:La Poesie lyrique Hébraique Contemporainevan Dr. Slousch, benevens mijn studie overDie Lieder des Ghetto, in mijnOpstellen.
[7]Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling", welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij dengrooten Westerlingaanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv.La Vita Nuova—ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke vertaling—overtuigen.
[7]Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling", welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij dengrooten Westerlingaanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv.La Vita Nuova—ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke vertaling—overtuigen.
[8]A Defence of Poetry. Part I.
[8]A Defence of Poetry. Part I.
[9]Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg inHet Jonge Levende aandacht op hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundelOver Literatuur, zijnoorspronkelijkheidroemend, van zijn "wrang-joodscheschertsdichtjes" spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en schooner aan den dag getreden.Noot van Juli '19.
[9]Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg inHet Jonge Levende aandacht op hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundelOver Literatuur, zijnoorspronkelijkheidroemend, van zijn "wrang-joodscheschertsdichtjes" spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en schooner aan den dag getreden.Noot van Juli '19.
[10]Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte jeugdkrachten,—welk een prachtig blijk daarvan was weerSirius en Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een allerteersten en hoogen droom—berust m.i. op de omstandigheid, dat hij zulk eensociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, eengeboren-"eenheidsstrever" is.—
[10]Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte jeugdkrachten,—welk een prachtig blijk daarvan was weerSirius en Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een allerteersten en hoogen droom—berust m.i. op de omstandigheid, dat hij zulk eensociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, eengeboren-"eenheidsstrever" is.—
[11]Juni 1912.
[11]Juni 1912.
[12]Cursiveeringen van mij.
[12]Cursiveeringen van mij.
[13]ibid.
[13]ibid.
[14]Het is merkwaardig hier te zien, hoe destemmingenvan het verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar hetfeitelijkezich vertroebelde: niet opVreugde der Wetwordt bij het gebed de palmtak gebruikt maar op hetLoofhuttenfeest.
[14]Het is merkwaardig hier te zien, hoe destemmingenvan het verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar hetfeitelijkezich vertroebelde: niet opVreugde der Wetwordt bij het gebed de palmtak gebruikt maar op hetLoofhuttenfeest.
[15]Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch, e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen geldende moraal" zonde wordt geacht.
[15]Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch, e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen geldende moraal" zonde wordt geacht.
[16]De dichter zegt:... "de duistere Ketef dwarreltIn 't schoonste zomeruur,een ossenhorenIs zijn gestalte, die sidderend scharrelt.Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor—al moet men in dit opzicht, waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik eens in deMidrasjimgaan snuffelen en zoo vond ik inBamidbar Rabba, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche Hebraïci wordt gebruikt? En deAjinwaarvan toch niemand meer de juiste uitspraak kent, inplaats van doorng, door een ' willen aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.
[16]De dichter zegt:
... "de duistere Ketef dwarreltIn 't schoonste zomeruur,een ossenhorenIs zijn gestalte, die sidderend scharrelt.
Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor—al moet men in dit opzicht, waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik eens in deMidrasjimgaan snuffelen en zoo vond ik inBamidbar Rabba, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche Hebraïci wordt gebruikt? En deAjinwaarvan toch niemand meer de juiste uitspraak kent, inplaats van doorng, door een ' willen aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.
[17]Ook Is. Querido in eenLetterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van 16 Dec. '15.
[17]Ook Is. Querido in eenLetterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van 16 Dec. '15.
[18]De Gids, 1913, IV, blz. 476—77. EnOver Literatuur, eerste bundel, blz. 104—106.
[18]De Gids, 1913, IV, blz. 476—77. EnOver Literatuur, eerste bundel, blz. 104—106.
[19]De Gids, 1913, IV, blz. 486. EnOver Literatuur, eerste bundel, blz. 115—116.
[19]De Gids, 1913, IV, blz. 486. EnOver Literatuur, eerste bundel, blz. 115—116.
Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit, bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde werkjeDe Filosoof van 't Sashuis, dat boekje met precies het tikje bewùst zóógearrangeerdzijn; met juist dat wèinigje als houterige abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat fijn-geurige snuifje van, ik zou zeggen:archaïsche, naïveteit, als genoeg was, om mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, deverwantschapvan dezen auteur met de groote Spanjaarden—vooralHurtado de Mendoza, den beïnvloeder vanBrederôo!—te doen voelen; na dit werkje, dat je lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl je voelt 't dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere, uiterst sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd opgeruimde menschen, gaf SabbeEen Mei van Vroomheid.En dit beteekende al dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel amusant gekakel en gedoe—om met ons beeld in de landelijk-steedsche sfeer der beide werken te blijven—van kleurige kippetjes te hooren en te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede ontbraken inBazinne Lowijcksenoude Free, het zéér vraatzuchtige haantje en hennetje niet, máár: te àvond—en welk een plechtig-droeve avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!—zongen daar die van God gezégende nachtegalen,jonge Freeen lieflijkeBethye, hun mystieke lied,waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen", zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder schade voor elkander konden bestaan.—En nu komt Sabbe met een derde boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek is—immersdeugdelijkeromantiek moet m.i.objectievebeelding van werkelijk bestaanbareuitzonderingsfigurenzijn—doch zich op een veel meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn. Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij inziet, hoe harteloos en baatzuchtighij zijn oudsten zoon, bij wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen—van de waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment, wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien, toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij, kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam—eenaanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?—hem, die zijn moeder altijd bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén, ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ... Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed, om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.
Nov. 1912.
—Ziedaar, dacht ik na lezing vanEen Roman, het tweede stukje van dezen bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, den man, die zijnWerkplannen, zijn "notities" betreffende een gevalletje, gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en geheel argeloos, als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel argeloos, zeker, want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige zou met het lapje lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de buldoggen der critiek, die hem anders, een weinig grommend wellicht, zouden zijn voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?!Idealen En ... Ironieën!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... Maar neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden en de heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste chirurgische mode,eenigehebben laten aanenten?! ... Trouwens, die argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den schrijver in dat stukjeEen Romangebeurd is....—Toen ik dit alles afgefilosofeerd en bij het lezen vanHet Bedroggemeesmuild had: "U maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te laten wegloopen";Zomereen fraai fantasietje had bevonden (alleen dat van die "panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot des levens mystisch beleefden" ...wel te weten: dit alles gezeid van een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even, dat kunnen ze in die kunstenaars-en high-life-kringen een panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik totHet Vest.... En nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen, werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik hebHet—zéér dandylike—Vestopengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en buitenborstzak gehaald en—en dáárop wil ik nu maar neerkomen:—wat denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... vanFalkland!—Gelijk ook inDe Tanden—zeer gaaf en fraai—mijn anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit van denHomo Handelsbladensis, al is dit scherper....
Maar, eindelijk! las ikTobias Peppel.... En nu, wèg van hier, narrige criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier iets lief te hebben! Die slungel van 'nPeppelis zóó prachtig neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit.... Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden, in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun "kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven moeten rekken; een dier essayisten—over het leven of over boeken, doet er niet toe—die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. MáárTobias Peppelvóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aanthe mob of gentlemen who write, de verdroogde Physalis-kelken der literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken,òmdat zij dood zijn en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid der vochte aarde, die al het levende voedt.—Van de ijdele gedachte tot het stralende beeld, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet tegen de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de—vaak gecopiëerde!—naakte "gedachte" ten troon te heffen!
Eenkunstenaar, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moetbeelden.
Nov. 1912.
Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van "Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid, wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat "Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius' bedoeling was dat klaarblijkelijknietgeweest. Met een zeer onzachten ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving—zes bladzijden lang—der ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond ik—eerlijk gezegd—buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden, weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom gekregen had van een man, "die,een langen staart dragend, een Chineesch onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een fijn trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het kinderlijk denkvoelen,want, niet waar, voor de kinderlijke fantasie is dielange staarthet treffendste en verwonderlijkste.... Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, zóó, door de oogen van een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en dus nog altijd meenend dat ik hetkinderlijkindrukken-verwerken meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die "eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu geërgerd, wat is dat nu weer ... o, geen wonder! daar heb je—zóó zie je me wel, zóó zie je me niet—waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden....
Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden, indien zij niet een—helaas zelfs zwak!—beeld gaven van het rommel- en rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n óórdeel, dat je hóóren en zièn vergáát.—Want ook: dit boek is als een verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. drááft heen en weer—'t is werkelijk eenpijnlijkgezicht hem zich zoo in 't zweet te zien werken—en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en 'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn—veelzijn erniet—vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet rustig bekijken, want we houenons hart vast om al de ongelukken, die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens: een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar?
De heer Reddingius heeft helaas gemeend,alleste moeten geven wat en zooals zijn herinnering of observatie—nuchterder dan hij zelf meent!—hem hot en haar opdrong. Ach, hadde deVerbeeldingzich tusschen hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der werkelijkheid bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik bedoel zulk eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen licht, in wáárheid haarcorona, zichtbaar worden laat....
Want is het ook niet zóó met deze dingen gesteld, dat slechtsnadatde werkelijkheid èn was verduisterd èn stralend werd herboren, de ziel zingt, om dathersteldbezit, als een vogel om den verloren gewaanden en zóó zonnig herrezen dag?...
Febr. 1913.
Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en voel—ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-hardeGids-critiek op zijnEen Romantische Jongendenken—zoo hartig bewonder ik zijn verzen. Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest òntcultuurde, in kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de schalke bedoeling der rijk-grillige en àl-vermogende.Natuur zou zijn geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk èn puur eenen vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde wegelkens de velden entlang—entre paranthèse ... hoe kom ik plotseling zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die onbewuste associatie-parten speelt—en ge hoort den lieven vogelslag, het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort bekoorlijkheidje alsHet liedje dat verloren liep, of zoo'n klein maar zuiver zelf-karakteriseerinkje—vogels zijn daar bazen in: sommige fluiten zelfs hun eigen naam!—als die eerste twee strophen vanVrijheid....Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge zoekt den zanger ... hè, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha ...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....—Neen, heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou willen vervolmakendoor zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen: ik láát thansEen Romantische Jongenonder den niets verklappenden waterspiegel rùsten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo kalmpjes en lièfjes genóót, dat toèn juist mijDe Nieuwe Gidsvan deze maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter—een brokje proza dus. En weer trof het mij hevig—en nu niet het brokje maar het feit:—hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze dichter, die niet als Gorter in diens jeugd—overigens alle vergelijking ter zijde!—een grieksch-heidensch natuurpoëet, maar een pantheïstisch vroom-geaarde met drang naar het mystieke is—onze dichter heeft in zijn verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig geuit, en al zou ik u wel op bijna èlk daarin voorkomend gedicht ter motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen—en al is, mijns waardeerens,De lucht vol roode wadeneen al zéér bijzonder juweel van stemming, schoonheid en wijze vreugde—in geen enkel toch woont zij zoo diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone versGuido Gezelle. Nu is, naar ik méén, in dat gedicht de invloed eener bepaalde modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel zeer duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier de dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het "geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen? Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie zijn—het laat ons hier onverschillig, omdat het hièr voor ons in desdichterswèrkelijkheid leeft en dèze werkelijkheid ons dan vervult, maar hoor nù tèvens eens onzenprozaschrijverin bovengenoemd critiekje boomen over Bulwer'sZanonien over denWachter van den Drempel, alsof deze laatste "intelligentie" een goed persoonlijk-bekende—hij zegt er immers nogwel bij "uit eigen ervaring"—van hem is, en dan levert u dit stukje proza alles wat u nog mocht hebben ontbroken, om zoo hel een kijk in dezen geest te krijgen, als ge maar wenschen kondt. Reddingius dan blijkt een ziel, die slechtswazig- enargeloos-voelend scheppen kan. Dwingt hem het vaakharde, hetdenk-arbeid,scherpe analyseencompositie-gave eischende proza, te treden uit zijnezacht-zoeteverzensfeer, uit zijngevoelsdroomen, uit zijn neveldeinendevaagheid, uit de atmosfeer van zijne los van elkaar verschietende stemmingen, dan gaat het mis, onherroepelijk mis. Dáárom is ook een scherp-beeldende regel als die mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol wol" zoo uiterst zeldzaam. Dáárom is hem, óók als dichter, het maatschappij-leven zóó volkomen vreemd. Evenals een lief boerenmeisje door het aantrekken van steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en linksdoende belachelijkheid kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke natuurziel van dezen dichter in een met klatergouden todden behangen pronkerigheid, zoodra zij van uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid in de daglicht-naakte aula van het betoogend proza, in den kleur-schitterenden schouwburgavond van het maatschappelijk-beeldend proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is niet groot, maar leg eens eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede daarom juist zoo prachtige vergelijking als inDe Witte Kerselaren, naast dat critiekje alweer, naast: "de moedige vrouw op het witte paard (die) moet door de grijze nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning, wel te verstaan!) en ge ziet duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete tot hetweeïgewordt; de overgave eener enthousiaste ziel, tot delichtgeloovigheidvan een elken hechten, verstandelijken steun ontberenden onnoozele, en hetdiep-eigen—gelijk in sommige prachtige Strophen vanAls de wereld blij was—mystiek-aanvoelen tot mal-theosophistischenapraterij. Want moge hem, ook in zijne verzen, zijn licht-ontvlambare en door een anderspoedig overheerschteziel al te vaak en te weerloos aan vreemde invloeden prijsgeven—men vergelijke "Mijn prins van vreugd, mijn onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos,Verzen, Tweede Druk, blz. 61 en 63—dat vreemde wordt dàn toch—hoe anders dan in het proza—éénmet, deel van zijn eigenheid. De heer Reddingius is—waarlijk hij mag tevreden wezen—een zuiver natuurdichter, dòch:nietsanders dan dit: zelfs vanPan, TritonsenEcho'smoet hij afblijven, dat is alweer te veel cultuur, dat doet hem zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden dichterlijke tooneeldingen bij hem: geverfd linnen insteê van oud-grieksch marmer. Hij zinge tot ons diep verheugen maar lustigjes op z'n tak, máár ... jà ... als er dàt ... nou ja, u weet wel ... tot zijn wèlbevinden nu eenmaal bij moèt, welnu, dàn vooruit maar ... 'n nieuwe hoed zal me den kop niet kosten.—
April 1918.
Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't daar héél liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens—het groende zoo noodend en geheimvol aan den kant van het pad—"het vinnich stralen van de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen con"!... Neen, neen, ik wil natúúrlijk niet onbescheiden zijn, maar toch ... èventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog, ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte òns uw spot, want, wij wisten 't: hoeveel van uw weemoed verborg hij....
Als zóó—zij 't louter toeval—de titel van 'n boek reeds kan doen droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat stukjeover die twee oude vogelvangers, 't Is waar:Het oolijk Wedervaren van Maruske van Lier, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van dit àl te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, dàn wordt het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan lof.Op het Begijnhof, dat 't boek opent,Het Onverwachte, 't uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit—de heer Verschoren weet wel wat hij doet!—zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en voelt ge u wellicht dan later nu en dan eenietsjeteleurgesteld —wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en dankbaar om.
Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten, platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers, platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuriënde wezen om u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw herinneringen....
Maar ik bidde u: laat òns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bedèkken? Onzen weemoed om het verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo verwikkeld en streng geworden leven....
April '13.
De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek vooral tot eenverhaalte maken, een verhaal, gedaan op 'n joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers vóóral de illusie van eenpersoonlijk contacttusschen hen en zich te suggereeren. En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou als te moeten vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van de Edele Compagnie tot een waarlijk lévend héden gemaakt, en hun dus ook de daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's hemels naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar niet opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, hé, heden ik, morgen gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel, wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn toehoorders precies zóó licht-weemoedig te stemmen en precies zóó guitig weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zoudenkunnen schaden. En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna nog wat hebben zitten schemeren—o, ik herinner mij duidelijk het weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen—en dat hij mij toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik niemand anders gezien,gezien, begrijpt ge, dan den fijngeestigen gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte, guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat nu eenmaal des goeden vertellers is. MaarAboel Hassan SjahenCarel Hartsincken al die anderen, over wie hij sprak, nee, zièn, dat is iets anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was zóó erg levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- èn 1900-zooveeltegelijkertijdléven.
Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd, waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt ... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"—Maar ik heb gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden....
Maar eens heb ik nog een anderen indruk vanHet Stijfhoofdige Bruidspaargekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het alsHandelsblad-feuilletonverscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel wel, dat iklas, zoo avond aan avond, hè. En toch, ook toen was het nietslechts een opluchting, te midden van al de moord- en doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij; het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat eens weer?... Vooral ik—maar waarschijnlijk duizenden met mij—heb er zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op hetHandelsbladen een booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En zoo lees ik, moét ik lezen, óók alle romanfeuilletons.... God helpe mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden." ...Nu weet ge er al alles van.... Kòm, bid ik u, weer eens wat verhalen op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de coli-bacillen—en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die na haar zullen komen!...—zij bezorgt mij een cauchemar!...
Mei '13.
Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende, de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke, innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat inkunst-leven gelijkt op het ziek-worden en sterven vanNatuur-leven, komt voort uit een aanval vanveronechtingalleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn levende geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En het onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende echtheid, dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? Wàs die inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair fantast! Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zijiser, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering ... maar toch, het blijkt nu, ook zóóbeteekenisvolals ... ja ...als op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met schoone daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, maar telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat schoon- en waar-geachte veronechten. Ook dan voelt ge u bekneld tusschentwee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en onbeheerschte,juist omdat het kleine en onbeheerschte is.... Maar: zijn schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige, bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen:De Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de Engtezijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. ZijnJodenzijnindividuen, zijnChristenenvaak niet meer dantypen. De beste novellen in dezen bundel acht ik dan ook:Hoe de kleine Sjimmie Neeter burger werdenKinderen(de meest geslaagde van die twee: de eerstgenoemde).En juist in deze beide is het veronechtende element het sterkst aanwezig. De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn:watis het? maar ook: hoe komt hetjuist daarhethevigsttot uiting? En dan ligt schijnbaar het antwoord voor de hand: joodsche en socialistische tendenz. Maar dit is niet zoo, men zou het mooie werkschreeuwend onrecht doen, door dit te beweren; tendenz is er, maar zij is die van hetOnbewusteen schaadt daarom niet. Goudsmit'sbewustheidredeneert niet: komaan, dien socialist en dien jood, die ga ik een beetje opsieren, noch heeft zij de gewóónte aangenomen dat werkje te doen, maar zijnònbewuste scheppende Vermogen, dat bij hem, gelijk bij ieder,slechts schoonheid en goedheid scheppen kan[1]is doordrongen en doordrenkt van liefde tot het socialisme en het Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene vanbewustetendenz, ik zou haar schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: eenonbeheerschte trek, het is eenvluchtig bewegenvan hettaalgelaat, dat telkens en telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven tintelende wezen, voor éven, veronecht. Goudsmit—om u dan eindelijk mijn meening ter overweging te geven—vertaalthet zich verwoordendedenkenzijner figuren uit hundenk-taal in zijnschrijf-taal! Gij voelt, niet waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte, socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim Neeter bestaat niet, en die Japie inKinderenis wel een uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit'sScheppende Onbewustheidgelijk óók—wat er feitelijk niets toe doet—in de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik hun echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en woorden, dedramatiekin den eigenlijken zin, en dedialoogdus. En tegen dat als echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En dit wordt veroorzaakt door de foutieve,niet-Chajem-achtige,niet-Japie-achtige, maar pur et simpleGoudsmit'scheuiting van Chajem's en Japie's denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als gehéél-echt te bestaan in des schrijversScheppend Vermogen, ik voel ze als slechtsgedeeltelijkecht in zijnboek.En dit is jammer voor het prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat zeer zeker die fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen talentvollen schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en technische discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen uiten. Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé—'t geen ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest—hij had die toch zeer gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet eenscheppendkunstenaar ook, in zekeren zin, eeninterpreteerend? Is een menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft, ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft? Is zij niet eencompositie, dievertolktworden moet, met de meeste piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van den componist, d.i. hetScheppend Onbewuste, tot de volmaaktst mogelijke uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend musicus, die in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en meesterlijk artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, wijl die naar zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en het voordeel hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of korter van duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet waar, als—van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren doorzijnlyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat denk-voelen-zelf, in de taal-zelfdaarvan, zij 't resumeerend-gestyleerd, te geven.—Het deere Goudsmit niet, dat ik uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele er mijn achting voor zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij er de bedoeling in proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten, dan—heeft hij gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet, elkander te onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik mij niet overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik niet weet of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik wensch zoo innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept zij. Zij geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het niet-geacheveerde, het onrijpe.
Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek,ook in de beschrijvingen, zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde volksmenschen. Het werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, warm-toedekkende, levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat dan koud en naakt, het bezwijmt en dreigt te sterven.
En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in de psychologiek van hetmomentaneelegeestbewegen der figuren,nietin deresumeerendepsychologiek van hunalgemeenevoel- en denk-wijze.En dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op!Zij zijn te vinden in de zuiver-plastischebeelding der dingen,nietin demetaforischeweergave van hun aanzien.En dáár treedt de Goudsmidsche lyriek op. Zij, die onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare fijnheidjes zich telkens valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. Dat zij in de joodsche schetsen het meest op den voorgrond treedt—ik was u nog een verklaring daarvan schuldig—ligt m.i. onbetwijfelbaar daaraan, dat 't joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, hartstochtelijke, veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't koelere, grovere leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan dit laatste een uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg brengen.
Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam. Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar één schoonheid wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke—ik zeg het met nadruk—deverrukkelijkebeelding vanChajemenSjimmie'stocht naar de fabriek, van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pràchtig van echtheid, héérlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit zijn mooieZoekendengeschreven, bestond er niets anders van hem dan de beelding van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem een groot talent te roemen.
En dan ... ja dan is er toch nòg iets, waarover ik even mòet spreken. Dehumorin dit werk, de lagere èn de hoogere. De lagere: goedmoedig-fijne en ingehouden làch alléén, gij vindt hem inDe Hengelwedstrijd.De hoogere: lach èn deernis, tot één zachtkleurige schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan ééne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van den laatsten zin vanKinderen.
"In een paar woorden, in één zin!" roept ge geringschattend uit, "der moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, zóó broos een schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming van het verspreide, hoe kort zij dure?...
Juni '13.
Noot: