V.

De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:

Ineens,als viel een ster, zoostondDe donkre hal vol vanverlichten geurMaria's oog en wang en mondWon gloed en kleur!Zij zette 't kindeke van haar arm,Zij sloeg den mantel van om haar leên;Als een menschkind zoo bloot en armStond zij op 't kille steen.

Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen hoè bekoorlijk van sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster"; "verlichte geur"; of hoe suggestief-beeldend dat 't kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die eenvoudige woorden: dat "Maria als eenmenschkind zoo bloot en armop 't kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording, lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons opdoemt.—En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen dien te beperken—gij moet dan ook vooral zèlf het zeer makkelijk leesbare gedicht lezen—zal ik maar even navertellen dat de verdere inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt. Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij, en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht brengt. Zooals mét het elimineeren van het bewustzondares-zijnuit de Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict, dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het gedicht moest verdwijnen; zóó verdwijnt ook hier, nu de lezer, onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar genadig is en wàt Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheidnaar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat! Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen, vóór zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog vóór zij-zelve 't weet!—Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie détails, waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is verdwenen, 't geen de dichter—let vooral op het zeer-lieve der beide laatste door mij gecursiveerde regels—aldus vertelt:

Heur hooge nis in de hal stond blind,Heur voetstuk leeg;Alleen het kleine Christus-kindZat daar en zweeg.

Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten, dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is.Van den tijd, verhopen tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster,waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk wist te verhalen,vinden wij in dit gedicht niets: alles blijft in dezelfde vagetrance-sfeer.Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verlàten moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet terùgkeeren.Dat is alles.—Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding. Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:

De sombre poort week open wijdBij d'eersten klop. Daar stondBeatrijs roereloos gewijdMet bleeken mond.Want de hal hing vol van wonder lichtAls rozegeur in puren brand,Dat straalde van Moeders aangezichtOp zoldering en wand.Want de hal was vervuld van licht geluidAls veler waatren ver gerucht.Zij hoorde den klank van veêl en luitOp de doorzongen lucht.Zoo stond onnoozele BeatrijsVerheerlijkt met Maria mee.Eén ademtocht. Der heemlen wijsVerging in 't lied der zee.Zij zag hoe Moeder beurde en leid',Eer licht en lied verzwond,Heur vingeren gebenedijdAan benedijden mond.

Ja, dit alles is voorzekerverrukkelijkmooi. Maar als de dichter ons dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs

.... doofde en stierf: in stille kerkSliep ze in Maria's tijdlijk kleed.Een andere zuster deed het werkDat eens Maria deed.Doch weinig zonnen stegen, enDaar kwam een pelgrim, moede en grijs,Die vroeg den laatsten zegen enZijn graf naast Beatrijs.Hij deed zijn sober kort verhaalDat telde de jaren van Mei tot Mei,Voor al de zustren in de zaal.En toen verstonden zij.

Als de dichter, zeg ik, dàt verhaalt, dan waardeeren wij wel weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving, maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en grijs," eerst recht midden in deedelaardig-romantische balladezijn aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische beschrijvingen langzaam voerde naar zìjne oplossing, puur-menschelijk in het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs' visioenen liet stralen; zóó moesten wij ook wel na hetvage sprookjevan Boutens, en na in plaats van denmenschBeatrijs dekinderlijk-pure enheiligeBeatrijs te hebben gevonden, belanden bij den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche, geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds dat rechtgeaarde ballade-minnaressen nóóit kinderen krijgen, maar ik ben er zeker van, dat ook hetdecadent modernevrouwtje, 't geen zooals ik reeds opmerkte, Beatrijs óók is, en dat uit des dichters ziel in haar figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou hebben gehad!...—Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen:ishet feit, dat dit verhaalex votois geschreven en aan "Charlie en Elsje" opgedragen, niet voldoende verklaring en—zoo ge die noodig mocht achten—verontschuldiging voor zijngemis aan werkelijkheidszin; voor zijngebrek aan menschelijkheid; voor zijnontstentenis van bijna alleswaarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor, ten slotte: zijnherabwürdigungvan hetmirakelverhaaltot eensprookje?—Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechtsgevolgis voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest zóó, dat hij dat kòn; maar omdat zijn geest zóó was, dat hij 't zóó kon en mòest schrijven, kon hij dat ook dienkinderen beloven. Zeer wel denkbaar is het geval, dat hij slechts eenBeatrijsvan dezesoortware gaan schrijven,omdathij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en 't dusdaaromin zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest dichten, maar dàn ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden. Dat 't ditnietwerd, en integendeel eenfraai kunstwerk, bewijst dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijvenovereenkwamenmet waartoe zijnscheppende kracht hier in staat wasen waartoezij was geaard, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of "verontschuldiging" zijn.—En hiermede zij nu de bespreking van Bouten'sBeatrijsbeëindigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebbenaangetoond, van hoe eenbuiten-het-aarde-leven-staandesprokige vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel artikel over deNavertellingvan R.J. Spitz.

Noot:

[5]Alle cursiveeringen zijn van mij.

[5]Alle cursiveeringen zijn van mij.

De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de MiddelnederlandscheBeatrijs"na te vertellen," d.w.z.: behoudens enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen —tevertalen. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen hetoorspronkelijkete gaan lezen,met behulpvanzijnoverzetting, waardoor het voor ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan worden vermeden. Want—en hierop lette men wel:—zoude zijn werk sommige lezers er toe brengen zich met dat werk alléén tevreden te stellen, dan is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen geringen, verkeerd. Een schuld,nietjegens die lezers, die allicht toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulkelezers zich nu misschien verbeelden zóó te hebben leeren kennen, dat zij het in zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen, een goède vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die hàre middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden—diè kan zulk eene overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft: vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler op: 1 °. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige kunstenaarsgaven bezit; 2°. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden diè niet immer de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook dáármee begin!

De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage, waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:

"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk zijn zal."

"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk zijn zal."

Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:

Laet ons spelen der minnen spel

verdonkeremaand.

En de tweede aanval overviel hem—en als literair artsfluisterik ù, die 't toch weten moét, in: twéé zulke aanvallen, zóó kort na elkaar ... dat is bepaald gevaarlijk ...—als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de vertaling:

"Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge, door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen.Als we eenmaal in de eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt ge doen wat ge nu verlangt. Er is groote droefheid in mij om wat ge van mij gevraagd hebt.

"Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge, door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen.Als we eenmaal in de eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt ge doen wat ge nu verlangt. Er is groote droefheid in mij om wat ge van mij gevraagd hebt.

Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:

Alsic bi u ben al naectOp een bedde wel ghemaeckt,Soe doet al dat u ghenoecht,Endedat uwer herten voeght;...

De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter erin hadde gehouden.

1°. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt het vóórstel, in zijnjuistenzin, pas verstaanbaar door de weigering ervan! En zal het tevens gebeuren, dat delezerverontwaardigd uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, diè het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk is gebleven, máár:Beatrijs ònfatsoenlijk heeft gemaakt!

2°. Dat een ontvluchte non—en dan nog wel eene met het gevoel en het bewustzijn van Beatrijs!—tot haar minnaar spreekt van "hetechtelijkslaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doenwat ge nu verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw, die, zelve véél meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt: dat is nu eenmaal des mans—en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de pruimenmondjes-preutschheid van dewoord-kuische. Dit laatste wordt namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwerhertenvoeght" niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling dergemoedsliefde—opluwend in het origineel uit het woordherten—hier heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij alléén de aanstaande grof-zinnelijke daadschijnt te zien, waarmee ze dan tevens natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt! En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel één van de oorzaken—zij het een zeer bijkomstige—van het voortleven van een kunstwerk uit vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme èn psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd kàn worden, soms, als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden—en hòe valsch!—in zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...

"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort dàt allemaal onder de rubriek "te fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze verhandeling in-slaap-verveeld zijt—als ge mìj vraagt: ik weet 't zelf niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen"te hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in 't spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel, dat hij met het wóórd "zoogen" wellicht ook de dààd uit de wereld wil helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een ònschuldig genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met "Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we zèker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de lippen, als weerslag op de àllergoedkoopste want tot den laatsten draad toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!—Is het ook niet evenzeer rhetorisch, als men dit stuk, met dienprachtigendoor mij gecursiveerden regel:

Daar die voghele hadden feest.Si maeckten soe groot gescal,Dat ment hoerde overal ...

vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"? (daarbij op den koop toe—ik zei toch: rhetorica is niet duur!—denmooistenregel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!—Nòg een voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:

Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde. Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.

Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde. Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.

dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen versregel weg:

Die bode ghinc daer de jonghelinc was

en ook vóór: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt nièt mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo—dat uit die "breedsprakigheid" is ontstaan—isde plechtigheiden hetgewichtvan dit voor Beatrijssupreeme levensmoment, dat over heel haar toekomst beslist,gebeeld: totplasticeerenden klankenrhythmegeworden!

En nu een toevoeging. De dichter zegt:

Nu gaet si met groten weeneTen cloester waert moeder eene.

De vertaler schrijft:

In diepe droefheid gaat ze naar het klooster—moederziel alleen —door de stille geheimenis van den nacht.

In diepe droefheid gaat ze naar het klooster—moederziel alleen —door de stille geheimenis van den nacht.

Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou 'ns op z'n "modern-stemmingvols" móói maken. Maar ach, waarde Heer, ge hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....—En dan: een waarlijk kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet zóó slap. Als hij in een door hem te vertalen gedicht een schàt ontmoet als deze:

Goet berou mach als (kan alles)ghewouden

(eenschat: omdat in dat ééne woordghewouden=overweldigen, macht krijgen overiets, de mystiekestrijdvan den zondaar met de zich nogterughoudendegenade Gods isgeheeld), dan weet hij niet hoè spoedig, en niettemin met hoè voorzichtige en teeder-aanrakende handen, hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij dènkt er eenvoudig niet aan, zóó iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouwbrengt immer vergeving" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geenpersoonlijk rhythme, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom, door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme van den ouden dichter althans éénigszins zou kunnen vergoeden. De heer Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt—de fout van zoovelen—het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef, dat ge u eigen wist; de piëteitvolle liefde, die ge voelde—en wier beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt—met de macht verward, die alsschoonheid-herscheppendewaarden te doen gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk nòg niet, althans. Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy, omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor zóó naïeven eenvoudzou blijken. Met uwUit Hooft's Lyriek, dáármee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat ietsmooi-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een nièt goede, een alslinksche, alshakkelendeeigenheid, gelijk bij een kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor den meester, dien gróóten, gewèldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt, dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij beschikte....—Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft. Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar steentje van m'n goeien leerbaas kapot, máár—mijn ouders hadden hem dan ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... Wàt echter zoudt gij een dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan 't knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetscheBeatrijsis uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije gezichten de banken uit....—

[p.293]

Blz.4Du staunst: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.—

Blz.4Ueber der Zeiten: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.—

Blz.4Mir war so kalt: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik een lied van Samuel den Leviet hoorde.—

Blz.5Von Salomo: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken: toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.—

Blz.5Was soll mir's: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.—

Blz.5Eine wunderbare: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.—

Blz.5Die Sonne sinkt: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.

Blz.5Heil Tyrus!: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy mij in 't hart gedolven.En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn oog dat van tranen overvloeit.—

Blz.6"Il faut remarquer": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren (evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.

Blz.164laisser entrevoir sa pensée: het laten doorschemeren van zijn gedachte.

Blz.168"Absicht", die "verstimmt": bedoeling die ontstemt.

Blz.197Und nennt man: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de mijne genoemd.

Blz.238Or, if virtue: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.—

[p.294]

De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen inDe Gids.

De andere in hetWeekblad voor Stad en Land.

De artikelen in het didactisch deel, inHet Jonge Leven.

INHOUD

I

CRITISCH

Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over Jacob Israël de Haan'sHet Joodsche Lied)—pag.1

Maurits Sabbe:De Nood der Bariseele's—pag.30

R. van Genderen Stort:Idealen en Ironieën—pag.34

Joannes Reddingius:Een Romantische Jongen—pag.37

Joannes Reddingius:Zonnewende—pag.40

Frans Verschoren:Langs kleine Wegen—pag.44

Maurits Wagenvoort:Het stijfhoofdige Bruidspaar—pag.47

Samuel Goudsmit:In de Groote Leerschool—pag.50

Mr. J. Dermoût:Singkep Tin—pag.56

Wally Moes:Gooische Dorpsvertellingen—pag.58

G.F. Haspels:Wisselend Uitzicht—pag.61

Cornelis Veth:Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI—pag.65

Herman Robbers:Helene Servaes—pag.68

H. van Loon:Trouweloozen—pag.73

Cyriel Buysse:Oorlogsvisioenen—pag.75

Victor Ido:De Paupers—pag.78

P.A. Raëskin:Pastoor Horsman80

Louis Couperus:De Comedianten—pag.83

Felix Timmermans:Het Kindeken Jezus in Vlaanderen—pag.86

M.J. Brusse:Een worstelaar—pag.89

Een Antisemietisch Criticus?(Carel Scharten:Kroniek der Nederlandsche Letteren, 1916)—pag.92

G.J.A. van Bruggen:Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding—pag.104

Joh. de Meester: Dekindsheid van Harlekijntje—pag.108

R.J. Spitz:Uit Hooft's Lyriek—pag.111

G. van Hulzen:Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind—pag.114

Herman Poort:Literatuur—pag.117

Salamon Dembitzer:Een Zomer in Galicië. Vertaling doorArn. Saalborn—pag.120

René de Clercq:Het Rootland—pag.123

J.L. Gregory:Het Lied van de Zonde—pag.126

Is. Querido:Van verbeelding en werkelijkheid—pag.129

Ellen:Ariadne en Dionysos—pag.133

A. van Collem:Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel—pag.136

G.S. Adama van Scheltema:Zingende Stemmen—pag.139

Herman Poort:Gerbrand Adriaenszoon Bredero—pag.142

Jo de Wit:Donker Geluk—pag.145

Augusta Peaux:Gedichten—pag.148

Jan Feith:Onze Mededieren—pag.152

Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog. (Het Vuurdoor Henri Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)—pag.156

Slagveld-Misère,Polemiek—pag.178

Carry van Bruggen:Om de Kinderen—pag.190

A.B. Kleerekoper:Oproerige Krabbels—pag.194

Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel;De Verweerde Jaren—pag.199

II

DIDACTISCH

Jack London:Pit-tah, de grijze wolf. Vert. door S. Barentz-Schönberg.—pag.205

Beatrijs(de Middelnederlandsche)—pag.232

Beatrijs(door P.C. Boutens)—pag.268

Beatrijs(naverteld door R.J. Spitz)—pag.285

Vertalingen—pag.293

Bibliographische Notitie—pag.294


Back to IndexNext