XXXV  EERLIJKHEID *

Hetis een eenig figuurtje onder de andere kinderen, mooi en gracieus. Er gaat een bekoorlijke invloed van het kleine meisje uit, die aanstekelijk werkt. Waar Til verschijnt is animo. Daarom wordt ze veel op kinderpartijtjes uitgenoodigd. Ze speelt mooi piano, draagt parmantig voor en bij de moeilijkste spelletjes gaat ze met het prijsje strijken. Til wordt er niet om benijd, maar gefêteerd, het popje.

Hetis een eenig figuurtje onder de andere kinderen, mooi en gracieus. Er gaat een bekoorlijke invloed van het kleine meisje uit, die aanstekelijk werkt. Waar Til verschijnt is animo. Daarom wordt ze veel op kinderpartijtjes uitgenoodigd. Ze speelt mooi piano, draagt parmantig voor en bij de moeilijkste spelletjes gaat ze met het prijsje strijken. Til wordt er niet om benijd, maar gefêteerd, het popje.

Vreemd lijkt 't mij, dat dit kind, ondanks haar onhandigheid—ze is wat spierzwak—ook bij de verschillende behendigheidsspelletjes steeds no. 1 is.

Stel u mijn ontstemming voor, als ik op een middag, toen ik wat te vroeg voor de pianoles kwam, zie, dat onze tienjarige Tilly bezig is, zich te oefenen in de verschillende kunsttoeren als: een lepel waarop rollende aardappelen, met een flinken pas veilig naar den overkant brengen, of een boordevol glas water zonder morsen vlug op een andere plaats zetten.

„Maar kìndje!” roep ik teleurgesteld uit.

Begrijpend, bloost ze hevig en ze verontschuldigt zich met: „Een voetballer oefent zich toch ook. Dat doet elke sportsman. Wanneer hij het beste speelt verdient hij den eersten prijs.”

„Maar danwetende mededingers, dat hij zich geoefend heeft”, werp ik tegen.

„Ieder kind heeft er toch het recht toe,” houdt ze nog aarzelend aan.

„Maar Til, ze denken er niet aan. Bovendien is de verdienste hier te beschouwen als die, van de oplossing van een raadsel, de berekening van een som uit hethoofd, dus „het meten van den aangeboren aanleg”. De een is sierlijk, een ander is slim, een derde behendig. Zoo heeft elk mensch een of andere gave, die hem voordeel aanbrengt.”

Ze fronst het voorhoofd.

„Hoe zou je het vinden, wanneer je vanmiddag voor Moeder, een beeldig bloemvaasje, in een winkel duur betaalde. Je merkt echter onderweg dat er een barst in is en je hoort later, dat de winkelier dat geweten heeft, toen hij het je verkocht. Jij geeft toch ook niet de werkelijke waarde voor den prijs.”

„Zul je noòit aan iemand vertellen, dat ik geoefend heb,” smeekt ze opeens bleek van hartstocht.

—De dwaling die erkend wordt, is op den weg der waarheid.—

Haar plotselinge hevige angst gaf me de overtuiging, dat eerst nu het verkeerde van hare handeling bij haar was doorgedrongen.

„Ik wil er over nadenken, wat we verder doen zullen, Til.”

—Dat was niet gemakkelijk, daar het kind al goed geoefend was in de spelletjes. Haar te zeggen „doe maar eens niet je best”, dat was olie in het vuur werpen. Ze moesteerlijkhandelen. Haar te laten bekennen aan de kinderen, dat ze zich geoefend had, dat was te veel verlangd van haar gevoel van eigenwaarde.—

We spraken af, met Til's volkomen instemming dat ze haar best zou doen als vroeger en de eventueel behaalde prijsjes bestemmen zou voor het St. Nicolaas-schoolfeest.

„Ik had bij het voornemen, me te oefenen, hier wel iets naars gevoeld,” ze wees op haar hart, „maar toen U zoo opeens zei „Maarkindje!” kreeg ik een pijnlijken steek,” biechtte ze.

„Ik zal voortaan voorzichtig nadenken over elke lichte waarschuwing,” beloofde ze uit eigen beweging.

Onze kinderen zondigen vaak ernstig, terwijl ze de portée van hun daad niet juist kennen.

De opvoeder hoede zich er voor, hier met heftige verwijten in te grijpen. Waar je het kind, het vergrijp in haar wezen, liefdevol doet inzien, lijdt de correctie zelden échec en opvoeder en kind winnen slechts.

De opvoeder(ster) mag het kind niet het goede opdringen, maar moet trachten hem er toe te inspireeren.

Elsjeis een aardig, guitig meisje van negen jaar, doch teer van gestel. De onderwijzeres van de derde klas, waarin Elsje nu zit, is de eerste, die opmerkt, dat het kind veel meer intellectueel dan physiek ontwikkeld is. Elsje is onhandig.

Elsjeis een aardig, guitig meisje van negen jaar, doch teer van gestel. De onderwijzeres van de derde klas, waarin Elsje nu zit, is de eerste, die opmerkt, dat het kind veel meer intellectueel dan physiek ontwikkeld is. Elsje is onhandig.

Ze vertelt Mej. N., met wie zij evenalselkkind vertrouwelijk is, dat ze op vijfjarigen leeftijd aan spierrheumatiek geleden heeft, dat ze toen eenige maanden met koorts te bed had gelegen en dat sedert dien tijd de stijfheid in hare handen en voeten maar niet wilde verdwijnen. „Moeder vreesde, dat ik gebrekkig zou blijven. Langzamerhand is het beter gegaan. Toch ben ik nog altijd gauw moe.” Juffrouw N. zag toen, dat haar oordeel omtrent de gezondheid van het kind juist was geweest. Ze hield daarmede rekening in de handwerkles. Ze stelde aan Elsje mindere eischen dan aan de andere kinderen.

Drie weken voor St. Nicolaas, terwijl de kinderen de laatste hand legden aan den merklap, die op den 1sten December ingeleverd moest worden, maakte Juffrouw N. de kinderen blij door te zeggen, dat ze tot St. Nicolaas in de handwerkles op school haar geschenkjes voor de huisgenooten mochten afmaken. Elsje was in de wolken. Die handwerkjes, hoe eenvoudig ook, hadden haar dwars gezeten. Er moest geknipt, geplakt, gestreken worden. Nu was ze uit haar zorgen. Ze vloog in opwelling Juffrouw N. om den hals.

Even later kwam het hoofd der school binnen.

Ze wilde de merklappen inspecteeren, voordat ze ingeleverd werden. Bij Elsje gekomen zegt ze scherp:„wat een broddellap”! Die merklap moet overgemerkt worden.

„Ikkanze zoo niet inleveren.”

Smeekend verzoekt Elsje het toch te probeeren. Ze zou voortaan meer haar best doen.

Onverbiddelijk klinkt het: „De merklap moet voor 1 December klaar zijn. Dan moet Elsje in de handwerklessen merken en 's avonds, het gedeelte, dat ze dien dag niet klaar heeft gekregen, afmaken.”

De klasse-onderwijzeres is bleek van opwinding, doch beheerscht zich.

Het verdriet van het kind is onmetelijk. Elsje is geheel uit haar evenwicht. Ze snikt nog terwijl ze de school verlaat. De klasgenootjes hebben allen diep medelijden met haar.

Den volgenden morgen komt Elsje treurig en bleek het schoollokaal binnen.

Ze had den vorigen avond nog een uur gemerkt, maar ze was weinig gevorderd.

Bij het openen van haar lessenaar, vindt Elsje een pakje met het opschrift: Aan het lieve Elsje van St. Nicolaas. Het bevat een geheel bewerkte merklap, die Elsje zoo maar heeft in te leveren. De Juffrouw had den vorigen avond daar eenige uren aan opgeofferd.

Ja waarlijk, Mej. N. beging eene groote theoretische fout, eene ergerlijke fout.

Toch is ze de meest beminde onderwijzeres op school, die bijzonder goed orde heeft in haar klas.

De kinderen hebben op school de zaak geheim gehouden. Ze voelden instinctief, dat dit voor hare beminde onderwijzeres, het geschiktste was.

Ze hebben, ook onze kinderen, thuis het gebeurde verteld.

Ze waren in aanbidding voor Juffrouw N.

Mejuffrouw N. geeft in elk opzicht blijk van een goede „paedagoge” te zijn.

Naschrift. Dit geval heeft eenige overeenkomst met het veelbesproken door Edw. Peeters aan de orde gesteld geval, waar hij zich uit een paedagogische impasse had gered door een onwaarheid, waarvan hij zijn leerlingen medeplichtigen had gemaakt. Ook hier is een zeker complot van kinderen en onderwijzeres, gericht tegen een ander, met een edel doel. Maar dit geval staat m.i. veel hooger en zuiverder dan dat van Edw. Peeters en laat zich veel beter rechtvaardigen. Toch is er iets in wat onbevredigd laat, en dat is weer hetzelfde als bij Peeters. Men kan nl. de vraag niet onderdrukken: Was er geen andere—en openhartiger—uitweg? In dit geval: Was dat hoofd zoo'n barribal, zoo'n paedagogische nul, dat de onderwijzeres niet de zaak met haar bespreken en in het reine had kunnen brengen?

Middenin den strengen winter voor een poos naar een gehucht te verhuizen,—ik zag er eigenlijk niet veel in. Ik was kouwelijk, en er was niet veel comfort. Tante moest een poosje wat rustiger leven hebben. Ze was afgemat. Ze kon haar zeven verwende deugnieten niet meer aan. Ik gaf dus toch maar aan haar smeekbede gehoor om een week of zes haar moederlijke zorgen over te nemen.

Middenin den strengen winter voor een poos naar een gehucht te verhuizen,—ik zag er eigenlijk niet veel in. Ik was kouwelijk, en er was niet veel comfort. Tante moest een poosje wat rustiger leven hebben. Ze was afgemat. Ze kon haar zeven verwende deugnieten niet meer aan. Ik gaf dus toch maar aan haar smeekbede gehoor om een week of zes haar moederlijke zorgen over te nemen.

—De tijd, dien ik in het gezin heb doorgebracht heugt mij als een der heerlijkste vacanties, die ik beleefd heb.

Het was een leven vol belangstelling, vol huiselijkheid, vol blijheid, vrede en geluk, in 't kort, vol waarde.—

Ik mocht de kinderen nu niet verwennen.

Eerlijk moet ik bekennen, het was een heele toer. De kinderen waren zoo goedhartig, zoo pienter, zoo guitig, zoo vroolijk. Van het oudste van veertien tot het jongste van anderhalf, waren ze alle even bekoorlijk.

Helaas, daardoor juist niet goed opgevoed, door de moeder, die een zwakkelinge was.

De vijfjarige Frits, een rekeltje, was nimmer tevreden met hetgeen hij kreeg.

In het gezin kwam er wekelijks een taart of pudding op tafel, die voor Vrijdag- en Zaterdagmiddag moest dienen, als nagerecht.

Den eersten Vrijdagavond hoorde ik reeds van Frits: „wat klein” nog eer hij zijn portie voor zich had.

„Die ontevreden opmerking maakt hij nu al elkenVrijdagavond van dat hij spreken kan,” vertelde de moeder. „Zou het daar nog maar bij blijven? Meestal drenst hij zoo lang, totdat ik er nog wat bij doe.”

„Maarwaarom,” wendde Frits zich tot mij, „waarommoeten we dan altijd twee dagen haast niets hebben? Groote menschen krijgen veel meer, zooveel ze lusten. Laat Moeder ons dan liever één keer eenheelgroot stuk geven en dan Zaterdag niets.”

„O, dat wil Moeder best,” zoo nam ik al vast den teugel in handen. „Dan zul je de volgende week één dag wat rijst na hebben en den anderen dag een dubbel stuk taart.”

We gaven er elkaar de hand op.

Toen ik den volgenden Vrijdagavond de taart ging deelen, werd er een vol bordje met rijst binnengebracht voor Frits.

Ik heb zelden een onoprechte verklaring zoo vastberaden hooren uitspreken als het „juist tante” van den kleinen deugniet.

—De stakkerd had, toen ik het voorstel deed, geen nota genomen van mijn rangschikking omtrent de taart en de rijst.—

Zijn gezichtje sprak zijn instemming zoo hopeloos tegen. Hij was vuurrood geworden, woede straalde uit zijn oogjes over de schaamte van er zoo te zijn ingeloopen. Tegen heug en meug werkte hij kordaat de rijst naar binnen en zei nog „lekker hè, nu heb ik morgen nog een groot stuk taart”, tot de kinderen, die hem spotlachend aankeken.

Wat had ik hem gaarne een extra stukje gegeven maar...... ik wilde, ikmoestflink zijn.

Van minuut tot minuut werd hij liever tegen me. Hij heeft het niet tot Vrijdag uitgehouden. Reeds Dinsdagmiddag wenkte hij mij naar een andere kamer en onder vier oogen verzocht hij deemoedig: „Tamp, wilt u mij a. u. b. Vrijdag- èn Zaterdagmiddag een stukje taart geven als aan de andere kinderen?... Hetstaat anders zoo gek. Ik zal ook verder altijd tevreden zijn.”

We pakten elkaâr eens lekker.

Zoo er daarna in den beginne nog eenige sprake van verwende lastigheid is geweest bij een van de andere kinderen, Frits gedroeg zich bij mij, als een flinke, heerlijke jongen.

Er is soms zoo heel weinig toe noodig om ernstige fouten van onze kinderen te verbeteren. De liefde en daaraan gepaarden eerbied, behoudt de opvoeder(ster) het stelligst, wanneer ze door indirecte vermaningen of het indirect toebrengen van leed oorzaak is, dat de kinderen hunne fouten van zelf verbeteren.

Naschrift. Dit aardige verhaaltje kan ook dienen als illustratie van de leer, die ik practisch zoowel als theoretisch van mijn Moeder gekend heb, dat men een kind soms het beste straft door...... hem zijn zin te geven.

Hetis zijn eenige lieveling, de jolige spring-in-het-veld.

Hetis zijn eenige lieveling, de jolige spring-in-het-veld.

Vader en Beppie zijn zeer „ami”.

Ventje, jij en jou zijn niet van de lucht. Ik waarschuw vader daar steeds tegen.

Op een namiddag zit ik voor het open venster te kijken naar het tennissen van Beppie. Ze doet het buitengewoon goed. Althans voor een negenjarig meisje. Ze steekt juf de loef af. Ik moet de punten aanteekenen. Onderwijl komt vader van kantoor huiswaarts, het avondblad steekt in zijn jaszak, en hij loopt, bij het zien van zijn schat, op Beppie toe.

Volgt een stoeien en pretmaken, dat beiden opwindt. „Nu is het genoeg, het isgenoeg,” waarschuwt vader eindelijk en op het oogenblik, dat hij naar binnen wil gaan, haalt Bep grappend de courant uit zijn zak en holt er mede weg. Vader begeesterd, haar achterna. Er volgt een nieuwe stoeipartij. Ten slotte doodop, beveelt vader „terug”. Het kind in haar brooddronkenheid gaat weer aan den haal. Geen vermaning, geen bedreiging helpt hier. Hij is immers haar speelkameraadje.

Bep vaardig en vlug wint het krijgertjesspel maar steeds van den bedaagden vader.

Plotseling zie ik hem vuurrood van toorn worden en op hetzelfde oogenblik, waarin Bep uitdagend met de courant voor hem staat, grijpt hij het kind beet en geeft haar den eersten gevoeligen tik.

Ontsteld breekt Beppie in hartstochtelijk snikken uit.

Het kind is daarna eenige dagen zeer gedeprimeerdgebleven, niettegenstaande vader al het mogelijke deed om zijn misgreep goed te maken.

Ik acht het noodzakelijk, dat tusschen het kind en ouders en opvoeders(sters) een zeker respect bestaat, waarvan de grens niet mag worden overschreden. Die grens sluit nimmer de hoogste liefde en vertrouwelijkheid uit. Integendeel.

Treesje, goedhartig kindje, heeft een moeielijke karaktereigenschap. Ze is veeleischend. Ik durf beweren, dat die trek door haast elke Moeder verkeerd behandeld wordt. Deels om in het gezin den vrede te bewaren, deels ter geruststelling van het kind zelf, deels uit gemakzucht, in hoofdzaak echter uit slapheid. Ik heb de veeleischendheid meest tot droeve gevolgen zien leiden. Een mijner vriendjes moest op vijftienjarigen leeftijd in een andere omgeving geplaatst worden om door een ijzeren, doch liefdevolle hand, geschikt te worden gemaakt voor zijn eigen thuis. Dat had kunnen voorkomen worden.

Treesje, goedhartig kindje, heeft een moeielijke karaktereigenschap. Ze is veeleischend. Ik durf beweren, dat die trek door haast elke Moeder verkeerd behandeld wordt. Deels om in het gezin den vrede te bewaren, deels ter geruststelling van het kind zelf, deels uit gemakzucht, in hoofdzaak echter uit slapheid. Ik heb de veeleischendheid meest tot droeve gevolgen zien leiden. Een mijner vriendjes moest op vijftienjarigen leeftijd in een andere omgeving geplaatst worden om door een ijzeren, doch liefdevolle hand, geschikt te worden gemaakt voor zijn eigen thuis. Dat had kunnen voorkomen worden.

Wanneer we Treesje nauwkeurig waarnemen, is haar veeleischendheid in al haar handelingen merkbaar.

—Vader Medicus vindt niet goed, dat de kinderen als regel brood bij het middagmaal eten, daarom wordt het niet op tafel gezet. Is er nog wat brood over; dan mogen ze bij de soep nog wel eens een stukje hebben. Treesje is er dol op. Maar wordt het toegestaan, dan wacht ze altijd, totdat ze Karel ziet gaan, om het te halen en roept hem dan haastig toe: „voor mij ook een boterhammetje a. u. b.”

De kinderen zullen met Juf naar een speeltuin gaan. Herbert pakt allerlei dingen in zijn tasch. Treesje vraagt roerend lieftallig, „mijn springtouw en bal mogen er ook wel in, Heppie?” Dan behoeft zij weer niets te dragen. Wanneer de zusjes en broertjes reeds beneden zijn om naar school te gaan, vindt Moeder het toch beter, dat ze jas en mantel aantrekken. Het weer valt niet mee. „Kareltje breng je mijn mantelook mede”, hooren we dadelijk. Het zijn kleinigheden, ja! Maar begint het daarmede niet bijna altijd? Heftige verontwaardiging van Treesje, wanneer een van de anderen in een korzelige bui, het eens waagt haar fleemend bevel te negeeren. Dan springt Moeder dadelijk bij en sust: „het zou je toch ook niets gehinderd hebben, je ging toch naar boven.” Ze overreedt soms zoover, dat Treesje's gezant—heel onrechtvaardig trouwens—het werk nog eens gaat doen. Ik zie het kind steeds verergeren. Ze heeft het beste plaatsje aan tafel, wordt het eerst door Juf 's morgens geholpen, palmt elk jaar den mooisten kalender in, die Vader toegezonden wordt, haar bedje staat vlak voor het raam, het gezelligste plaatsje in de kamer, ze pikt altijd den mooisten boezelaar uit het waschje enz. enz. Treesje is lang niet gelukkig. De volksmond zegt: Doet de een er wat bij, dan doet een ander er wat af. Verschillende huisgenooten en bekenden houden niet van Treesje om haar voorrechten. Moeder begint nu wel in te zien, dat haar schipperen, voor Treesje even onrechtvaardig is als voor de anderen. Om het kind geen ingrijpend verdriet te doen, nemen we ons voor, wanneer Treesje niet gewoon medegaat, voorloopig den zak in plaats van het ezeltje te slaan.

We zitten aan tafel.

—Moeder heeft er voor gezorgd, dat er nog maar een boterhammetje in de trommel is.

Het gewone tooneeltje volgt.

Karel hoeft bij zijn terugkeer niet te deelen.

Het is zoo dun.

Zoodra Treesje wil gaan huilen, hoort ze: „Ja, kindje, die het eerste komt, het eerst maalt. Moet je verder zorgen, dat je er bij bent.”

Ze weet niets tegen te werpen.

Den volgenden middag verschijnen ze tegelijk met hun boterhammetje aan tafel.

Zus Molly, haar hartediefje, is wat verkouden. Wanneer Treesje 's middags uit school komt, ziet ze haar bed verplaatst. En dat blijft zoo, zegt Moeder gedecideerd. Vader vindt het beter, dat Molly voorloopig aan den zonnekant slaapt. Treesje zou zich wel schamen, daartegen te pruttelen.

Zoo worden alle reeds begane fouten handig hersteld en nieuwe met beleid voorkomen. Het kind voelt de strengheid van de opvoedster niet. Dat is voor beiden, de meest prettige wijze van correctie.

Treesje uit haar veeleischendheid niet meer, omdat ze geen gelegenheid heeft, ze ingewilligd te krijgen. Zoo heeft ze er langzamerhand routine in gekregen hare bovenmatige verlangens weg te cijferen.

Dat is noodzakelijk, wijl de maatschappij later ook geen rekening houdt met des vreemden hinderlijke fouten. Ze zou als „outsider” een treurig lot moeten lijden.

We mogen reeds bij „het kleine kind” geen slapheid toonen.

Het kind, dat van natuur te veel eischt, moet reeds vroeg de rechten van anderen leeren billijken, vooral ook zich leeren schikken in het terzijde stellen van zijn eischen ten opzichte van de omstandigheden, waarin het geplaatst is.

KleineJenny is jaloersch! Treurige eigenschap, die streng veroordeeld wordt, doordat ze dikwijls tot onbeminnelijke, ja zelfs tot onmenschelijke daden voert. De jaloersche wordt veracht. Is er pijnlijker reactie denkbaar?

KleineJenny is jaloersch! Treurige eigenschap, die streng veroordeeld wordt, doordat ze dikwijls tot onbeminnelijke, ja zelfs tot onmenschelijke daden voert. De jaloersche wordt veracht. Is er pijnlijker reactie denkbaar?

Jaloerschheid is niet een eigenschap, die den mensch is aangeboren. We mogen dit afleiden uit de ervaring, die leert, dat dezelfde persoon, onder verschillende omstandigheden, die eigenschap meer of minder, al of niet bezit.—Zoo vertoont het mismaakte kind, dat dewareliefde in zijn omgeving ondervindt, die gehate eigenschap zelden tegenover zijn zooveel beter bedeelde zusjes en broertjes.—

Daarom is het mogelijk, dat we reeds bij het jonge kind de kiem er van, door een juiste behandeling uitroeien.

Arme Jen. Ze heeftschijnbaarwel redenen om jaloersch te zijn. Ze is minder aanvallig dan het één jaar jonger zusje en ziet er ook niet zoo lief uit. Jen is wat slap en rustig, Lous zoo een echte hupsche mol. Maar Jen is bijzonder pienter en heeft een heel gevoelig hartje. Voorwaar toch goede gaven om in het leven tevreden te kunnen zijn.

Haar leeftijd leidt er echter toe, dat haar gemis haar duidelijker wordt gemaakt, dan haar bezit. Troetelen de ooms en tantes dan niet altijd Lous en nooit eens haar? Wordt Lous door de vreemde kinderen niet gevraagd om mede te spelen, terwijl ze haar passeeren?

„Zijn julliezusjes?” wordt zoo beteekenisvol verbaasd, het kind telkens toegevoegd.

Jen krijgt weêr denzelfden smartelijken trek omhet mondje. Dan voel ik me 't hart toenijpen.

Zesjarige Jen leeft onder een druk.

We nemen ons ernstig voor, dat leed van het lieve kind af te wenden. Aanvankelijk door een te veel, om tot den juisten middenweg te komen.

Bij Loutje wordt, voor zoover haar belang het meebrengt, voldaan aan elken eisch, dien ze als kind stellen mag; maar Jenny krijgt van ons, huisgenooten, een opmerkelijk surplus.

„Waarom mag Jen nu altijd naast Paatje zitten?”

„Jij zit toch immers naast Moeder?”

„Nu heeftJenweer dat mooie potlood van Maatje gekregen!”

„Jijkreeg toch gisteren een potloodje van Els!”

„Waarom magJennu weer met Pa mede naar de zieke menschen rijden?”

„Vader kan toch maar één kindje tegelijk meenemen. Een volgend keer ben jij aan de beurt.”

Loutje gelooft in ons en is uit haar eigen persoontje zóó stralend gelukkig dat ze niet dieper doordringt, terwijl de tobberige Jenny zich hoe langer hoe meer, door ons begint „uitverkoren” te voelen. Dat geeft haar kracht. Ze vindt eigenlijk dat ze verwend wordt door ons, die haar zooveel waard zijn; en ze voelt zich door de wreede andere menschen onbillijk behandeld. Ze wijt haar achterstelling niet meer aan zichzelf. Daarheen wilden we het leiden.

Het is meestal het gemis aan eigenwaarde, wat een mensch op anderen, bevoorrechten, jaloersch doet zijn. Het eenige redmiddel is dan, zijn eigenwaarde te versterken, op welke wijze ook. Het doel heiligt de middelen. Jen gaat zich voelen. Ze wordt wat laatdunkend. Dat openthaarden weg tot begeerd worden.

We hebben die behandeling lang moeten volhouden. Zoolang tot haar verstand gerijpt was en ze zelve het leven, juister wist te benaderen. Ze is ons dankbaar. Ze uitte het nog deze week, het jonge vrouwtje, in den brief, die ze me na haar huwelijksreis schreef.

Alshet kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin.

Alshet kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin.

Heelprettig voor „het kindje” en voor het huisgezin. Maar uit mijn intuïtieve rangschikking van „het kindje” en „het huisgezin” blijkt reeds, dat die uitbundige begroeting vaak bedenkelijk kan zijn, vooral voor het nakomertje.

Van mijn idee uitgaande, dat bijna elk kind tot een normaal maatschappelijk mensch kan opgevoed worden in het juiste milieu, zoo meen ik het „nakomertje” even in bescherming te moeten nemen.

Onze kleine, een kindje van veertien maanden, is een beauty. Daarover is ieder het eens. Jammer dat ze eenkennig is. Of jammer, Moeder constateert het eigenlijk op een toon vol trots, want haar kindje is er des te bekoorlijker om. 's Middags komen de tantes, kennissen, vriendinnetjes en vriendjes van de grootere zussen en broers op het theeuurtje samen, om de kleine Emma haar betooverende kunstjes te zien uitvoeren. De medespelers zijn ook uitgenoodigd of beter gezegd besteld.—De hulde is het kind nog wel onbewust, maar haar kunsten......?

Ik merk al gauw waar het ondeugende schoentje haar wringt.

Emmaatje is schuw voor... personen die het kind niet lijken. Een tanige oude juffrouw, een oude man met een langen baard, die zich eveneens elke opoffering, als een groote pop, of een heerlijke doos chocolade getroosten om een beetje wederliefde bij de kleine te wekken.

Voor wie haar bevalt, is Emma een aanhalig poezelig dotje. Maar komt er iemand van boven genoemd kaliber in haar flank, dan knijpt ze onmiddellijk haar groote oogen stijf dicht en vouwt de handjes op den rug samen. Zoo is ze tegen een mogelijken geestelijken en lichamelijken aanval gewapend.

„Kijk tante nu eens even aan.” „Geef oom dan eens een handje.” Het wordt doovemans oortjes gevraagd. Maar zegt de te licht bevonden tante onverwachts: „Kijk eens wat een mooie pop ik meegebracht heb voor het lieve kindje,” dan steekt Emma, met één luikje nauwelijks open, haar grijphandjes uit en palmt het lokaas vlug in. En zoodra tante een quasi beweging tot vertrek maakt, of het nest hoort, nu Mevrouw ik ga maar eens, spert Emma de oogen wijd open om nog de zalige vreugde van den aftocht te genieten.

Ik moet het toegeven, die oogopslag is een filmplaatje waardig en een verrukking voor de kinderliefhebster. Als kinderkenster tevens, waarschuw ik de Moeder toch dit spelletje te staken.

Het werkelijk eenkennige kind is onomkoopbaar. Het verzet zich tegen elke mogelijke tegemoetkoming. Zijn onwelwillendheid komt voort uit angst. Waar echter zijn onvriendelijkheid willekeur insluit, dient ze gefnuikt te worden. „Zijn naasten liefhebben, al wat ademt en leeft een goed hart toedragen,” moet het kind reeds jong bijgebracht worden. Het kind mag dier noch plant bij zijn koesterende liefde uitsluiten.

Emmazaldus iedereen vriendelijk begroeten. Reeds bij het eerstvolgende délict, weer ik streng af: „Neen tante, Emma mag de pop niet hebben, alvorens ze U vriendelijk aangekeken en lief een handje gegeven heeft.”

Emma blijft als verstijfd zitten.

Maar, als tante bij haar heengaan, op mijn aanraden de pop medeneemt, slaan Emma's oogjes evenplotseling op, doch nu deemoedig en met een „da-a, da-a,” steekt ze haar handje uit tot afscheidsgroet.

We hadden het pleit voor goed gewonnen.

Iklogeerde in een mijner vacanties in een van de voormalige landhuizen, thans als hotel ingericht, zoo prachtig te midden der Betuwe gelegen. Bosschen omgaven het vroegere landgoed. De tuinbaas met zijn talrijk gezin, bestaande uit vrouw en elf kinderen, bewoonde een schamel huisje vlak bij het hotel. Het was een vroom katholiek gezin, waarin vrede en opgewektheid heerschten; een kolfje naar mijn hand.

Iklogeerde in een mijner vacanties in een van de voormalige landhuizen, thans als hotel ingericht, zoo prachtig te midden der Betuwe gelegen. Bosschen omgaven het vroegere landgoed. De tuinbaas met zijn talrijk gezin, bestaande uit vrouw en elf kinderen, bewoonde een schamel huisje vlak bij het hotel. Het was een vroom katholiek gezin, waarin vrede en opgewektheid heerschten; een kolfje naar mijn hand.

De kinderen kregen een goede opvoeding. Ik voelde me dadelijk bijzonder tot de kleuters aangetrokken. Binnen de woning,—ik werd reeds den tweeden morgen op de koffie genoodigd—had ik het gevoel me te gedragen als een burgerjuffrouw, die voor 't eerst aan het hof verschijnt. Ik vreesde, uit onbekendheid, elk oogenblik inbreuk te maken ophunetiquette. Bij zulke kinderen ben je echter gauw thuis. Na eenige dagen noemden ze me reeds „tante”, een onderscheiding, die volgens Moeder, nog nimmer eenigen gast ten deel was gevallen. Ik was er trotsch op en gelukkig in het vooruitzicht van een heerlijke vacantie.

Elken morgen, voordat ik mijn lui reisgezelschap mede op weg kreeg, sloot ik me bij de kinderen aan, die vol ijver Vader bij zijn tuinarbeid hielpen. De kleinste kinderen, van twee, drie en vijf, speelden om ons heen. Ook deze kinderen waren ongedisciplineerd als alle kleine kinderen. Ik bemerkte gauw den invloed, dien mijn liefde hier had. Ik gebruikte dien invloed om den kinderen het een en ander bij te brengen. Tevens leerde ik van hen. Ze gaven me veel te denken. Zoo eens Wim.

De tuinen, die langs de veranda om ons hotel lagen, liepen terrasgewijze af naar een dal, dat, aan de achterzijde van ons huis, leidde naar een fontein, omgeven door wilgen. Daar begon het bosch.

Op dat heerlijke plekje ging ik elken middag na de lunch me in het belangrijkste nieuws van den dag verdiepen.

Op een keer, nauwelijks daar gezeten, hoorde ik een droevig kindergeschrei. Ik zag den vijfjarigen Wim, met den twee en een halfjarigen Jacob aan de hand, die naderbij kwamen. Wim bekommerde zich heelemaal niet om het hartsverdriet van het lieve broertje.

Hij floot er een deuntje bij.

Bij ondervraging verneem ik, dat ze samen een paar uur kastanjes geraapt hadden. Jacob had de zijne in zijn petje geborgen. Toen ze bij het naar huis gaan langs den vijver liepen, had Jacob, zijn voor hem te zwaren pet, laten vallen en de vruchten—in werkelijken zin—van zijn moeizamen arbeid waren jammerlijk verdronken.

Ik poogde Jacob te troosten, maar zijn verdriet bleektegroot. Daarom verzocht ik Wim vriendelijk wat van zijn kastanjes aan het broertje af te staan.

Wim weigert koppig.

„Waarom dan niet, ventje? Dat is toch niet lief van je,” tracht ik te overreden.

„Hie hat daorveur moete oppassen... Jaop had se bèter in de haande motte draoge... 't Bosch leet er vol van. Hie kan aandere haole, as wie strakkies verom gaon,” paedagogiseert Wim wijselijk.

Ik vraag beteekenisvol: „Heb jij nooit eens, (het was juist dien morgen gebeurd) per ongeluk een kopje koffie over het tafelzeil laten vallen. Heeft Moeder je dan voor dezen eenen keer niet het kopje opnieuw gevuld, op je belofte, dat je voortaan voorzichtiger zoudt zijn?”

„Jao-e, mar—mar 't kupke koffie was van Moeke, mar de kastanjes zain van m'n eige,” verdedigt hij zich uit de eerlijkheid van zijn hart.

Het was de kleine, nog ongevormde paedagoog, die rechtte.

En gaat het dan zeer vele Opvoeders niet als onzen kleinen Wim? Zoodra eigenbelang in het spel komt, laten ze elke juiste theorie varen, en wegen lang niet voldoende de belangen van hunne pupillen. Het instinct verdringt de rede.

De kinderen zullen daar in mindere of meerdere mate onder lijden.

Laten we ons bij de behandeling onzer pupillen het zielsverdriet van den kleinen Jacob voor oogen houden. Het zijn juist deze schijnbare kleinigheden in het leven, die een kind zooveel leed kunnen berokkenen.

Vacantie, moeder! Vacantie! riepen de kinderen opgewonden, terwijl ze naar binnen stormden. Toch was er nietdievreugde in hun blik,diezaligheid van andere jaren. Ze wisten, dat ze, in tegenstelling met gewoonlijk, 's middags niet naar Zandvoort zouden vertrekken. Grootmoeder, die bij ons inwoonde, kon wegens zwakte het bed niet meer verlaten en mocht ook niet vervoerd worden. We wilden nu bij haar blijven. De kinderen hadden waarlijk vol liefde elke opoffering voor haar over, maarditoffer viel hun tochheelzwaar. „Jammer!” zuchtte Hans—onze tienjarige oudste—„niet naar Zandvoort.” „Ja, heel,heelerg jammer! Grootmoeder had er zich kort geleden nog zoo op verheugd en nu zal ze maar altijd ziek te bed moeten liggen,” hernam ik droevig. Hans kleurde sterk, dat merkten zelfs zijn kleine zusjes. Allen probeerden nu opgewekt te doen en onverschillig voor het gemis te lijken en dat werden ze daardoor ook in werkelijkheid al heel gauw. Ze juichten het plan toe, dat ik voorstelde. Ik rekende op hun kinderlijke fantasie, waarin ik zou trachten innig meê te leven en zoo bestemde ik het opgehoogde gedeelte—terrein Zuid—tot ons „Zandvoort”. „Ja, moeder!” gaven de kinderen dadelijk vroolijk toe. „Daar kan hetookzoo lekker waaien!” Na eenige oogenblikken waren ze als altijd reeds enthousiast bezig met het pakken van de zaken, die elken morgen om negen uur door de drie oudste jongens naar het strand zouden gekruid worden. De twee jongsten, meisjes van vier en vijf jaar, aangeboren Montessoriaantjes, beloofden dehuishoudelijke zorgen binnen de mooie Perrytent voor hare rekening te nemen. We stelden ons voor elken middag tot zes uur daar te blijven. Juf en ik zouden om beurten Grootmoeder verzorgen. „En gaan we daar dan echtlunchen, net als in het „Pension” in Zandvoort, van het porceleinen ontbijt-serviesje van Greetje en melk uit glazen? Met vleesch en koek en jam?” Die vragen, van onzen achtjarigen Bob—waarin een zekere zucht tot weelde niet te ontkennen viel, deden me minder prettig aan. Den volgenden morgen zochten we op het strand de meest afgelegen plek uit en in minder dan geen tijd prijkte onze tent met vlaggen en wimpels in volle glorie. We waren nog niet lang daar, toen een troepje havelooze jongens van vijf tot elf jaar—zestien in getal—zich dicht bij ons nederplantten. Ook de Jordanertjes stelden hun tent op. Wel niet op zoo grootsche wijze, maar zeer zeker op grootere wijze dan onze kinderen waardoor de arme jongens al dadelijk hunne militaire overmacht—hun hoogste verlangen voor den geheelen dag—danig voelden. Vijf ruwe houten latten, voor een gedeelte met oude lakens en voor de rest met een bijna versleten vloerkleed bespannen, vormden hun heiligdom. Toch maakte hun kamp, bewaaid door de daarop aangebrachte oranjewimpels en vlaggen—relequiën van de onafhankelijkheidsviering—een zeer aardig effect. De oorlogsmaterialen waren hun door ouders en buren zoo gaarne afgestaan, bij de gedachte, dat ook zij—ondanks bittere armoede—in staat waren, de kinderen in de frissche buitenlucht, hun kampleven te laten spelen. De moeders wisten bij ervaring, dat de stumperds, gesterkt door de weelde, die ze nu zoo volop genoten, de ontbering, die hun thuis wachtte, minder zwaar viel te dragen. Zij zijn straks geen „Lunch zooals in het pension” te wachten in hun tent, maar de oorlogsboterhammen uit de zelf vervaardigde ransels en het water uit het blikkenwerkmanskruikje als veldflesch doen het voor hen niet minder. Vandaag is elke ontbering eene vreugde, die hun de fantasie van het kampleven als werkelijkheid doet beleven. Zijwillengeen koekjes, geen jam hebben. Het is oorlog! Het zijn echte Hildebrandtsche Hollandsche jongens... ze zijn zalig. De oude kolenschop is niet in staat hun werklust te verflauwen bij het uitgraven van het hol, waaruit ze straks den vijand zullen beschieten, evenmin als de afgetrapte schoenen een beletsel zijn om in stormloop op den vijand aan te rennen. De houten stokken tot degens gefatsoeneerd, doen hen den stoot bij den aanval niet minder ernstig overwegen. Ze blazen in den ingedeukten fietshoorn met het meeste entrain de verschillende signalen en de papieren uniformen doen hun de verplichting tot het stipt nakomen der bevelen van den aanvoerder niet minder sterk gevoelen. De guitige Jan Hemert heeft thuis zulk een schitterend plan de campagne opgesteld. Aan een spannend auditorium wordt door hem alles tot de minste bijzonderheid verklaard en ieder zijn taak aangewezen. Er heerscht een gewilde volgzaamheid, die door een verplichte aan een werkelijken opperbevelhebber nietkanworden overtroffen. De opmarsch geschiedt dan ook in eene orde, het best gedisciplineerde bataljon waardig. Eenigen van den troep brengen onvermoeid in de houten kistjes op wieltjes—als ammunitiewagens—de gevonden steenen, lompen enz. aan, om ze straks tot barricaden op te werpen. Onweerstaanbaar boeit onzen kinderen hun spel. Ze volgen vol smeekend verlangen om mede te doen, de Jordanertjes in al hun bewegingen. Met heilig ontzag blikken ze op tot den kranigen aanvoerder. Moeder's roepen is vergeefsch, ze zijn er voor niet één oogenblik vandaan te krijgen. En... geheel verlaten staat op twintig passen afstand onze mooie Perrytent met „de lunch van het Pension”, het porceleinen ontbijt-servies van Greetje, de doozen metprachtig afgewerkte soldaten van vele nationaliteiten en al het andere schitterende oorlogsspeelgoed, hun bij verschillende gelegenheden geschonken door familieleden en kennissen. De kinderen zouden hun geheele bezit hebben willen geven om in de vreugde van de Jordanertjes te mogen deelen. Moeder had weêr een les gekregen. Ze benutte het juiste oogenblik, de les zou de kinderen nu in het hart grijpen—om hen er van te doordringen, dat men met het meest eenvoudige verheugd kan zijn en dat weelde geen vereischte is voor geluk. Dat het leven was, zooals je het van uit je binnenste zelf inrichtte. De pas beleefde ervaring spoorde moeder aan, de kinderen op nog eenvoudiger wijze te laten leven, dan ze het tot nu toe gewoon was geweest.

Vacantie, moeder! Vacantie! riepen de kinderen opgewonden, terwijl ze naar binnen stormden. Toch was er nietdievreugde in hun blik,diezaligheid van andere jaren. Ze wisten, dat ze, in tegenstelling met gewoonlijk, 's middags niet naar Zandvoort zouden vertrekken. Grootmoeder, die bij ons inwoonde, kon wegens zwakte het bed niet meer verlaten en mocht ook niet vervoerd worden. We wilden nu bij haar blijven. De kinderen hadden waarlijk vol liefde elke opoffering voor haar over, maarditoffer viel hun tochheelzwaar. „Jammer!” zuchtte Hans—onze tienjarige oudste—„niet naar Zandvoort.” „Ja, heel,heelerg jammer! Grootmoeder had er zich kort geleden nog zoo op verheugd en nu zal ze maar altijd ziek te bed moeten liggen,” hernam ik droevig. Hans kleurde sterk, dat merkten zelfs zijn kleine zusjes. Allen probeerden nu opgewekt te doen en onverschillig voor het gemis te lijken en dat werden ze daardoor ook in werkelijkheid al heel gauw. Ze juichten het plan toe, dat ik voorstelde. Ik rekende op hun kinderlijke fantasie, waarin ik zou trachten innig meê te leven en zoo bestemde ik het opgehoogde gedeelte—terrein Zuid—tot ons „Zandvoort”. „Ja, moeder!” gaven de kinderen dadelijk vroolijk toe. „Daar kan hetookzoo lekker waaien!” Na eenige oogenblikken waren ze als altijd reeds enthousiast bezig met het pakken van de zaken, die elken morgen om negen uur door de drie oudste jongens naar het strand zouden gekruid worden. De twee jongsten, meisjes van vier en vijf jaar, aangeboren Montessoriaantjes, beloofden dehuishoudelijke zorgen binnen de mooie Perrytent voor hare rekening te nemen. We stelden ons voor elken middag tot zes uur daar te blijven. Juf en ik zouden om beurten Grootmoeder verzorgen. „En gaan we daar dan echtlunchen, net als in het „Pension” in Zandvoort, van het porceleinen ontbijt-serviesje van Greetje en melk uit glazen? Met vleesch en koek en jam?” Die vragen, van onzen achtjarigen Bob—waarin een zekere zucht tot weelde niet te ontkennen viel, deden me minder prettig aan. Den volgenden morgen zochten we op het strand de meest afgelegen plek uit en in minder dan geen tijd prijkte onze tent met vlaggen en wimpels in volle glorie. We waren nog niet lang daar, toen een troepje havelooze jongens van vijf tot elf jaar—zestien in getal—zich dicht bij ons nederplantten. Ook de Jordanertjes stelden hun tent op. Wel niet op zoo grootsche wijze, maar zeer zeker op grootere wijze dan onze kinderen waardoor de arme jongens al dadelijk hunne militaire overmacht—hun hoogste verlangen voor den geheelen dag—danig voelden. Vijf ruwe houten latten, voor een gedeelte met oude lakens en voor de rest met een bijna versleten vloerkleed bespannen, vormden hun heiligdom. Toch maakte hun kamp, bewaaid door de daarop aangebrachte oranjewimpels en vlaggen—relequiën van de onafhankelijkheidsviering—een zeer aardig effect. De oorlogsmaterialen waren hun door ouders en buren zoo gaarne afgestaan, bij de gedachte, dat ook zij—ondanks bittere armoede—in staat waren, de kinderen in de frissche buitenlucht, hun kampleven te laten spelen. De moeders wisten bij ervaring, dat de stumperds, gesterkt door de weelde, die ze nu zoo volop genoten, de ontbering, die hun thuis wachtte, minder zwaar viel te dragen. Zij zijn straks geen „Lunch zooals in het pension” te wachten in hun tent, maar de oorlogsboterhammen uit de zelf vervaardigde ransels en het water uit het blikkenwerkmanskruikje als veldflesch doen het voor hen niet minder. Vandaag is elke ontbering eene vreugde, die hun de fantasie van het kampleven als werkelijkheid doet beleven. Zijwillengeen koekjes, geen jam hebben. Het is oorlog! Het zijn echte Hildebrandtsche Hollandsche jongens... ze zijn zalig. De oude kolenschop is niet in staat hun werklust te verflauwen bij het uitgraven van het hol, waaruit ze straks den vijand zullen beschieten, evenmin als de afgetrapte schoenen een beletsel zijn om in stormloop op den vijand aan te rennen. De houten stokken tot degens gefatsoeneerd, doen hen den stoot bij den aanval niet minder ernstig overwegen. Ze blazen in den ingedeukten fietshoorn met het meeste entrain de verschillende signalen en de papieren uniformen doen hun de verplichting tot het stipt nakomen der bevelen van den aanvoerder niet minder sterk gevoelen. De guitige Jan Hemert heeft thuis zulk een schitterend plan de campagne opgesteld. Aan een spannend auditorium wordt door hem alles tot de minste bijzonderheid verklaard en ieder zijn taak aangewezen. Er heerscht een gewilde volgzaamheid, die door een verplichte aan een werkelijken opperbevelhebber nietkanworden overtroffen. De opmarsch geschiedt dan ook in eene orde, het best gedisciplineerde bataljon waardig. Eenigen van den troep brengen onvermoeid in de houten kistjes op wieltjes—als ammunitiewagens—de gevonden steenen, lompen enz. aan, om ze straks tot barricaden op te werpen. Onweerstaanbaar boeit onzen kinderen hun spel. Ze volgen vol smeekend verlangen om mede te doen, de Jordanertjes in al hun bewegingen. Met heilig ontzag blikken ze op tot den kranigen aanvoerder. Moeder's roepen is vergeefsch, ze zijn er voor niet één oogenblik vandaan te krijgen. En... geheel verlaten staat op twintig passen afstand onze mooie Perrytent met „de lunch van het Pension”, het porceleinen ontbijt-servies van Greetje, de doozen metprachtig afgewerkte soldaten van vele nationaliteiten en al het andere schitterende oorlogsspeelgoed, hun bij verschillende gelegenheden geschonken door familieleden en kennissen. De kinderen zouden hun geheele bezit hebben willen geven om in de vreugde van de Jordanertjes te mogen deelen. Moeder had weêr een les gekregen. Ze benutte het juiste oogenblik, de les zou de kinderen nu in het hart grijpen—om hen er van te doordringen, dat men met het meest eenvoudige verheugd kan zijn en dat weelde geen vereischte is voor geluk. Dat het leven was, zooals je het van uit je binnenste zelf inrichtte. De pas beleefde ervaring spoorde moeder aan, de kinderen op nog eenvoudiger wijze te laten leven, dan ze het tot nu toe gewoon was geweest.

Onzezesjarige Nan is een wildebras. Het meisje is te zorgeloos. De stemming in het gezin lijdt er evenzeer onder als het kind. Nan is altijd een nummer op het programma van onze ernstige overwegingen.

Onzezesjarige Nan is een wildebras. Het meisje is te zorgeloos. De stemming in het gezin lijdt er evenzeer onder als het kind. Nan is altijd een nummer op het programma van onze ernstige overwegingen.

Nu is zorgeloosheid wel een trek der kinderen eigen, die langzamerhand terecht komt. Maar is een of andere eigenschap meer dan gewoon bij onze opvoedeling aanwezig, dan dienen we daartegen bijzondere maatregelen te nemen.

Bij Nan uit zich de zorgeloosheid in schier al haar handelingen. In een wip is de eerste boterham met al het lekkers opgesmuld. Daarna zit ze vol spijt de leege boterhammetjes te kieskauwen. Ze werpt pardoes haar wassen popje in het heete bad, voor haarzelf bestemd. Tot haar groot verdriet smelten onmiddellijk de trekken uit het aangebeden gezichtje en verdwijnen de roode wangetjes. In een plotselinge liefdesopwelling beurt ze poes van den stoel, die, zijn zonnekoestering verkiezende, het kind snoode krabt. Gaan er van het zusje hoogstens drie boezelaars per week in de wasch, Nan lukt het met veel moeite, ze tot zeven te beperken.

„Maar kijk toch eerst uit,” „denk toch eerst na,” dit is schering en inslag. Ze ondervindt wel vaak de nadeelige gevolgen van haar verkeerd gedrag. Maar haar diepgaande zorgeloosheid doet haar elk leed weer gauw vergeten. De strijd is zoo moeilijk voor een kind. Toch moet ze veranderen.

Invroolijk trekt het gezin 's morgens naar het pension in Baarn. Voor, een prachtige tuin aan een rustigenweg. Ideaal voor onze wildzangen. We kunnen gemakkelijk het oog op hen houden. We zijn nauwelijks aangekomen of ons vijftal is in frisch buiten-ornaat aan het stoeien. Levendige Nan niet het minst.

„Pats,” daar ligt ze in den eenigen modderplas, dien er te bespeuren valt.—Een verstopt gootje, zijwaarts het huis, had haar dat onheilsplekje bezorgd.—

„Dat kan ik nu toch heusch niet helpen,” jammert ze, angstwekkend.

Om Vaders vacantie-stemming niet dadelijk te bederven, trek ik haar schoone kleertjes aan. Dat was 's morgens halftien.

„Daar is de slager! Daar is de slager!” galmt ze even later door den tuin.

„Geef mij maar de mand om naar de juffrouw te brengen.” Vol smerige vlekken van het bloederige, vette hengsel, dat ze tegen zich aan had gedrukt, betreurt ze al gauw haar gedienstigheid.

Er volgt een ernstige vermaning van Vader, en... de tweede schoone jurk.

Daarna gaat ze met den knecht kersen schudden.

Ze klimt argeloos tegen den boom op en komt van onder tot boven met vochtig mos besmeurd naar beneden. De onvermijdelijke schoone jurk No. 3 wordt haar aangetrokken.

Op het punt van vertrek voor onze groote middagwandeling, ziet ze er zoo schandalig uit, dat ze gewoon belachelijk was.—Ze had Broer zijn fiets helpen schoonmaken met olie en pommade.—

„En zoo gaat ze mede,” zegt Vader streng. Wanhopig snikt het kind het uit.

Doorzetten! Het valt Opvoeders vaak moeilijk. Vooral Moeders. Deze behandeling is Vader, met zijn teeder hart, volkomen toevertrouwd. Hij zorgt er wel voor, een eenzamen weg te kiezen, waar we geen kans hebben iemand te ontmoeten. We mogen het kind niettegenover vreemden vernederen, als we 't willen opheffen.

De overige kinderen zijn keurig gekleed.

Den geheelen middag loopt de gemerkte met neergebogen hoofd slenterend achter ons aan. Ze is daarna veel verbeterd. Ze is zelfs minder onbezonnen dan de andere kinderen.

„Ik houd er stellig voor,” zegt het lieve nog zeer jonge meisje, dat juist bij mij op bezoek is, „dat ik mijn tegenwoordige gewichtige betrekking aan die behandeling te danken heb.”

Ze is chef in een belangrijke zaak.

Het boven beschrevene is haar als een levendige herinnering bijgebleven.


Back to IndexNext