ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Het zesde werelddeel.Nauwelijks was de zak, die tot anker diende, in de golven verdwenen, of onze reizigers gevoelden een krachtigen luchtstroom. Nu de wind den ballon niet meer kon voortstuwen, rukte hij daaraan verwoed, maakte diepe holten in zijn omhulsel en deed de touwen, waarmee het schuitje aan den ballon bevestigd was, trillen.De golven deden den zak beurtelings rijzen en dalen; de ballon zweefde dus steeds heen en weer, alsof hij zelf in verband met den Oceaan stond.„Ik dacht niet, dat de wind met zooveel kracht zou opsteken,” merkte de ingenieur aan. „Maar dat doet er niet toe: het touw zal gemakkelijk aan die schokken weerstand kunnen bieden.”„De ballon trekt den zak met zich mee,” merkte Ford aan. „Zie maar eens, hoe het touw de golven klieft. We gaan, op deze wijze door den wind voortgedreven, met eene snelheid van 2 à 3 knoopen.”„Maar dat is eene kleinigheid, kapitein. Als we 70 kilometersper dag afleggen, dan hebben we niet te duchten, dat we gedwongen zullen worden om naar Amerika terug te keeren. We kunnen zelfs twee dagen op eene verandering in de windrichting wachten, zonder te vreezen voor de ondoordringbaarheid van het omhulsel van den ballon.”„Dat is inderdaad een der voornaamste eigenschappen van uw luchtballon,” zeide Ford. „Een gewone ballon zou al lang in zee gevallen zijn. Als ik mij niet bedrieg, zijn er verscheidene luchtreizigers in zee omgekomen, niet waar, Mijnheer?”„Inderdaad, maar de meeste van deze ongelukken zijn gedurende het beleg van Parijs voorgekomen. Van 64 ballons, die uit deze stad zijn opgestegen, zijn er drie of vier verongelukt, zonder dat men er ooit meer iets van gehoord heeft: waarschijnlijk zijn ze in zee neergekomen. De zeeman Prince en de soldaat Lacaze, die, de eerste op den 20stenNovember 1870, ’s avonds om elf uur, en de ander op den 27stenJanuari 1871, ’s nachts om drie uur, opgestegen zijn, werden naar den Atlantischen Oceaan heengedreven en vonden in zijne golven een roemrijken dood. De heeren Martin en Ducauroy, die van Parijs opgestegen waren, zagen bij het aanbreken van den dag de zee, en het was slechts door een wonder, dat het hun gelukte, het eilandje Belle-Isle-en-Mer te bereiken. De vermaarde luchtreiziger Sivel, die zich voor het eerst van den ankerzak bediende, verkeerde herhaaldelijk in denzelfden toestand als wij. Hij werd in de golf van Napels verscheidene malen in zee geworpen; een anker, geheel gelijk aan het onze, redde hem uit het gevaar, waarmee een wind, van de kust waaiende, hem bedreigde. Op den 19denAugustus 1874 steeg Sivel met zijn ballonHet Zenithmet een Noordwestenwind te Kopenhagen op. Hij hoopte den Sond over te steken en in Zweden te recht te komen. Maar halverwege draaide de wind naar het Noorden. Sivel, die zijne metgezellen niet aan eene reis vol gevaren wilde blootstellen, wierp den ankerzak uit en kon, 100 meters boven de zee hangende, een geheel uur wachten, totdat de schepen, die men van het strand tot zijne hulp zond, aangekomen waren.”„Hoelang zullen we hier blijven?”„Een dag op zijn hoogst, kapitein. We hebben weinig tijd ter onzer beschikking, en wie weet, wat ons nog kan overkomen!”James had niets tegen een dergelijk oponthoud in te brengen; als een echt zeeman voelde hij zich weer op zijn gemak, nu het schuitje zich heen en weer bewoog.„Ditmaal,” zeide hij, „zullen we als op een gewoon schip middagmalen. Men kan geen volle glazen op de tafel neerzetten, waarin ik altijd veel schik heb …”Dank zij den uitstekenden wijn, dien Ford had meegenomen, en hun levendig gesprek, hadden onze luchtreizigers al spoedig het avontuur van de ijswolk vergeten. Zij zouden zeker nog langer in hunne zoogenaamde eetzaal gebleven zijn, indien Ford niet, omstreeks vijf uur, eenige glinsterende massa’s aan het zuidelijk gedeelte van den horizon had opgemerkt.„’t Zijn ijsbergen,” zeide hij, terwijl hij opstond. „Er heerscht in deze streken van den Oceaan blijkbaar een koude luchtstroom.”De ijsbergen naderden den ballon langzaam. Zij schitterden als massa’s kristal, welker grillige omtrekken aan torensvan albast deden denken; de stralen der zon vielen phantastisch op hunne oppervlakte. Gromski zag met zijn verrekijker, dat deze ijsbergen niet eene gladde massa waren, maar bijna overal kloven en gaten vertoonden.„Zeg mij eens, welke de oorsprong van deze ijsmassa’s is,” zeide hij, zich tot Ford wendende.„Hare aanwezigheid,” antwoordde de kapitein, „verraadt altijd de nabijheid van een vasteland: zij vormen zich nooit in den Oceaan. Het groote ijsveld aan de Noordpool loopt glooiend af en bereikt eindelijk de zeekust. Dan rukt het voorste gedeelte, daar het geen steun meer heeft en door zijne eigen zwaarte wordt meegesleept, zich van de massa los en valt in het water. Eenmaal heeft een ijsberg, die zich op deze wijze vormde, mijne sloep bijna verbrijzeld. Als het blok niet te midden van het ijs nabij de kust blijft zitten, dan stort het zich in den vollen Oceaan en drijft naar het Noorden of naar het Zuiden, door de koude luchtstroomen meegevoerd. De plaatsen, waarop men deze ijsbergen aantreft, zijn dikwijls zeer ver van de pool verwijderd. Men treft ze op het noordelijk halfrond tot op 50 graden breedte aan.”„’t Is jammer,” zeide James met een zucht, „dat de koude luchtstroomen op dit halfrond niet dezelfde richting hebben als op het noordelijke; we zouden dan den wind wel kunnen missen.”„Hoezoo?” vroeg Gromski.„Dan zouden we onzen ballon aan een ijsberg, die naar het Zuiden drijft, kunnen vastmaken, en voort dan maar! Op zulk eene manier zouden wij met een tegenwind den spot kunnen drijven.”„Ik moet zeggen, dat dit een oorspronkelijk denkbeeld is,” zeide Ford met een glimlach. „Je zult daarmee op de terugreis je voordeel kunnen doen, als je niet tegen eene lange reis opziet. Inmiddels moeten we elke ontmoeting met de ijsbergen vermijden, daar deze ons in het water zouden kunnen doen vallen.”Gromski was van dezelfde meening; hij zag vooruit, dat de ballon op zijn tocht ontzaglijke ijsblokken zou ontmoeten en deze niet altijd zou kunnen ontwijken.„We zullen over deze ijsbergen heen moeten gaan, als het ons niet gelukt, ze te vermijden.”„Dat zal een heele sprong zijn,” merkte Ford aan. „Zie eens, hoe strak de ballon het touw spant. De ijzel, die hem in de ijswolken zwaarder maakte, is gesmolten; we hebben nu ons vroeger opstijgingsvermogen,—zonder nog den ballast te rekenen, dien wij over boord geworpen hebben. In deze omstandigheden zullen wij tot op minstens 5000 meters stijgen.”De ingenieur wist dit alles zeer goed. Nochtans verried zijn gelaat geenerlei ongerustheid. Hij beval zelfs niet, het ballonnetje met lucht te vullen; hij keek met koelbloedigheid naar de ijsmassa’s, die kwamen aandrijven en welker scherpe punten bij de minste aanraking het omhulsel van den ballon zouden kunnen doen scheuren.Eenige minuten daarna scheidden slechts 500 meters den luchtballon van de ijsbergen: er dreigde eene botsing. Gromski begreep, dat het gevaarlijk zou wezen, de maatregelen om dezen hinderpaal uit den weg te ruimen langer uit te stellen. Hij greep dus het touw, dat aan den zak vastgebonden was, en begon het voorzichtig op te halen.Het water, dat uit den zak liep, verminderde het gewicht daarvan langzamerhand; de ballon verhief zich dus al spoedig, als een arend, die eene zware prooi met zijne klauwen omvat houdt, boven het groote ijsblok.Deze manoeuvre geschiedde juist bijtijds; had men er een oogenblik mee gewacht, dan zou het anker aan de uitstekende punten van den ijsberg zijn blijven haken.De ballon, die nu de hinderpalen, welke zich aan hem voordeden, te boven gekomen was, ging met snelheid voort, voortgestuwd door den Zuidoostenwind. Maar al spoedig was hij genoodzaakt, verscheidene kubieke meters lucht te verliezen, die Gromski in het ballonnetje bracht; bijgevolg begon hij weder te dalen en kwam zijn anker opnieuw met het oppervlak van den Oceaan in aanraking.Onze reizigers zagen nog meer dan eens ijsbergen; maar deze dreven ver van den ballon voorbij en bedreigden dien volstrekt niet. Wat daarentegen den ingenieur verontrustte, was, dat de wind steeds uit denzelfden hoek bleef waaien. Des namiddags om twee uur, op den 31stenDecember, was er een geheele dag verloopen sedert het avontuur met de ijswolken. De voorzichtigheid gedoogde niet, langer te wachten, te meer daar de ballon blijkbaar van zijn gas verloor. De luchtballon daalde zóó sterk, dat de golven zich nauwelijks 3 meters onder het schuitje voortbewogen en somtijds zijne wanden met haar schuim bespatten. De wind, die op den ballon drukte, deed daaruit zonder twijfel het waterstofgas ontsnappen. Daarom besloot de ingenieur, naar de hoogere luchtlagen op te stijgen, in de hoop, dat hij aldaar gunstige luchtstroomen zou aantreffen en, ingeval van nood, zijn weg in eene zuidoostelijke richting zou kunnen voortzetten.Ford, die zeer goed de gevaren inzag, waaraan het verlies van den ballast den luchtballon blootstelde, verzette zich niet tegen de plannen van Gromski.Om vier uur werd de ankerzak dus opgehaald en steeg de ballon tot eene hoogte van 1000 meters.Onze reizigers maakten uit de beweging der ijsbergen op, dat de kracht van den wind in de hoogere luchtlagen toenam. Men moest dus opnieuw den warmen luchtstroom opzoeken, hetgeen den ingenieur noodzaakte, nog een zak ballast uit te werpen, waarvan reeds niet meer dan 15 kilogrammen overgebleven was.De barometer wees eene hoogte van 2400 meters aan, toen de thermometer aan het licht bracht, dat de ballon in de warme luchtlaag gekomen was.Uit de verandering in de ligging der ijsbergen maakte Ford zonder moeite op, dat de luchtballon op eene hoogte van 2500 meters eensklaps eene zuidelijke richting aannam en veel sneller voortging.„We zijn weder in den spiraalvormigen luchtstroom; alleen schijnt de kracht daarvan verminderd te zijn; want we leggen op zijn hoogst 40 knoopen af.”De ingenieur keek intusschen niet meer naar de ijsbergen. Al zijne aandacht vestigde zich op eene wolk van een zonderlingen vorm, die langzaam uit den Oceaan opsteeg.Deze wolk, die in de stralen der zon schitterde, breidde zich al meer en meer naar den horizon uit, naarmate de ballon steeg, en op hare heldere oppervlakte vertoonden zich kleine stippen met onregelmatige omtrekken.„Maar dat is land!” riep James eensklaps uit.Door dezen uitroep in geestdrift ontstoken, nam Ford zijnverrekijker en zag, dat de stuurman gelijk had. De zoogenaamde wolk was een vasteland, dat zich zeer ver naar het Oosten en naar het Westen uitstrekte. De lucht, die geheel doorzichtig was, stelde in staat om de met sneeuw bedekte bergen te zien, die zich daarginds verhieven; de sneeuw lag overigens ook in de valleien.„Komaan, nu gaan we boven het land zweven, kapitein,” zeide Gromski met voldoening. „Om u de waarheid te zeggen, begon ik voor den Oceaan te vreezen. We hadden te weinig ballast in, en ik twijfel er aan, of het ons mogelijk zou wezen, andermaal behouden uit de ijswolken te voorschijn te komen.”Ford bekeek met de uiterste nieuwsgierigheid het geheimzinnige vasteland. De liefde voor de aardrijkskunde greep den braven kapitein aan. Hij haalde de kaart te voorschijn, en nadat hij deze op den vloer van het schuitje uitgespreid had, wees hij naar de uitgestrekte witte vlakte, die ten Oosten van Louis-Philippe-land gelegen is.„Kijk eens, Mijnheer, op de beste der kaarten vindt men in deze streken geen enkel spoor van land. Men weet tot dusverre niet, wat er ten zuidoosten van het eiland Alexandrië is. Maar nu wordt dit geheim opgelost: het land, dat we zien, is zonder twijfel het verst verwijderde gedeelte van het zuidelijk vasteland, aan welks bestaan verscheidene aardrijkskundigen nog twijfelen.”„En ik twijfel er ook nog wel wat aan,” zei de ingenieur; „maar deze twijfelingen zullen spoedig uit den weg geruimd worden, mits de wolken het land niet aan onzen blik onttrekken.”De luchtballon vloog met eene buitengewone snelheid naarhet onbekende vasteland; na verloop van twee uren dreef hij over een eilandje heen, op welks zuidelijk gedeelte zich hooge ijsbergen verhieven, die blijkbaar door den kouden poolstroom aangevoerd waren. Het vasteland vertoonde zich aan onze reizigers in al zijne majesteit. Aan den rechter- en den linkerkant teekende zich de grillige lijn van het kustland af, dat door eene oneindige reeks van ijsbergen omgeven was. Achter de kust vertoonden zich rotsachtige en steile heuvels, die hier en daar in grillige wanorde verspreid en met eeuwige sneeuw bedekt waren. Verder in het binnenland verhief zich het vasteland in zachte hellingen, die met een dikke ijslaag bedekt waren.De luchtballon, die nu het tot dusverre onbereikbaar geachte land bereikt had, dreef boven steile afgronden en besneeuwde bergtoppen, die het voorkomen van witte plekken op den grijsachtigen bodem der rotsen hadden. De sombere landschappen veranderden met eene verwonderlijke snelheid. De heuvels verdwenen in de verte en maakten plaats voor dalen, die met rotsblokken bedekt waren. Van eene hoogte van 2400 meters konden onze reizigers gemakkelijk al de bijzonderheden onderscheiden en de geheimen van het onbekende vasteland uitvorschen.De kapitein, met zijn zakboek in de hand, maakte daarvan aanteekeningen en vluchtige schetsjes. Gromski sloeg de snelheid en de richting van den luchtballon zorgvuldig gade.„We gaan wat meer naar het Oosten dan in het begin van onze reis, kapitein,” zeide hij. „Dit feit is niet bemoedigend. Ik ben al nieuwsgierig, waarheen deze zonderlinge wind ons zal brengen.”„In allen gevalle brengt hij ons niet naar de pool,” merkte de stuurman aan, op wien de snelheid van den luchtballon een machtigen indruk maakte. „Herinnert ge u onze laatste reis nog wel, kapitein? Omstreeks twee jaren geleden vertrokken wij op sleden, met honden bespannen, naar het hartje van Groenland,” vervolgde hij, zich tot Gromski wendende. „We wilden de noordelijke kust daarvan bereiken. Zoolang ik leef, zal ik mij dezen tocht herinneren. In eene maand hadden we slechts 150 kilometers afgelegd, juist zooveel als we nu in anderhalf uur afleggen. Eindelijk kregen wij, uitgeput door ontberingen van allerlei aard, last van scheurbuik, de honden kwamen allemaal om, zoodat we bij onze terugkomst genoodzaakt waren, zelf de sleden met levensmiddelen en instrumenten voort te trekken. Verscheidene malen moesten we ravijnen, half met sneeuw gevuld, overtrekken, zooals die, welke ge hier ziet. Maar ik zou nooit aan een eind komen, als ik u alles, wat wij doorgestaan hebben, wilde vertellen; ik zal u alleen maar zeggen, dat we niet meer dan een Engelsche mijl per dag konden afleggen, en dat er, van twintig forsche en krachtige mannen, slechts twaalf overbleven, die halfdood het schip terugvonden. En nu … we vliegen over die verwenschte ijsvelden als meeuwen heen. Welk een verwonderlijk voertuig hebben we toch! Als ge het vroeger hadt vervaardigd, zouden niet zoovele zeelieden nutteloos omgekomen zijn.…”En de brave stuurman, blijkbaar geroerd door deze treurige herinneringen, die hem echter nog versch in het geheugen lagen, haalde zijn grooten zakdoek te voorschijn en veegde er zich de oogen mee af. Daarop greep hij de hand van den ingenieur en schudde die krachtig.„Een verwonderlijk voertuig!” herhaalde hij. „Ge zijt de knapste man, dien ik ooit van mijn leven ontmoet heb.”De kapitein brak dit gesprek af, daar hij naar de omtrekken van een berg wees, die geheel met sneeuw bedekt was. De luchtballon, die naar het Oosten voortgestuwd werd, moest er onvermijdelijk tegen aanstooten of er vlak langs heenstrijken. Het was moeilijk om zoo in de verte de hoogte van den top te bepalen; de ingenieur geloofde intusschen, dat deze zich bijna 3000 meters boven het oppervlak van den Oceaan verhief. Daar onze luchtreizigers nog maar zeer weinig ballast inhadden, leverde de berg voor hen een geducht bezwaar op.Gromski onderzocht het ballonnetje, dat tot reservoir van lucht diende, en bevond, dat het geheel leeg was. Hij kon dus het opstijgingsvermogen van den ballon niet op de gewone manier doen toenemen.De ingenieur hoopte, er in te zullen slagen, den berg over te komen zonder zijne drie laatste zakken ballast te verkwisten; hij sloeg dus oplettend en met eene zekere onrust de richting gade, die de luchtballon nam. Intusschen merkte hij omstreeks zes uur, dat de hinderpaal, in plaats van zich naar rechts of naar links te verwijderen, gedurig grootere afmetingen aannam. Gromski had nu het plan, om den berg heen te gaan; maar hij bemerkte al spoedig, dat de toppen, die een kwartier geleden 50 à 60 kilometers verwijderd schenen te zijn, eensklaps op eene dreigende manier naderbij kwamen: de luchtballon ging regelrecht op de ontzaglijke rotsen af, die met reusachtige ijsmassa’s bedekt waren.Er moest intusschen gehandeld worden.De ingenieur wilde juist den laatsten zak met ballast uitwerpen, toen Ford hem bij den arm greep.Een zonderling geval deed zich voor: in plaats van zijne richting naar den berg te nemen, week de luchtballon plotseling daarvan af. Onze reizigers zagen duidelijk, dat het schuitje zachtjes langs de hellingen heengleed, terwijl het de geduchte uitstekende punten der rotsen vermeed. Onder hen strekten zich eenige ijs- en sneeuwvelden uit; de ballon ging door wolken van warmen waterdamp heen, die uit diepe kloven voortkwamen, welke zich in de zijden van den berg bevonden; te midden der basaltblokken vertoonden zich breede stroomen van gestolde lava.„’t Is een vulkaan!” riep James uit.Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de gapende opening van den krater vertoonde zich aan hun blik; de diepten van dezen afgrond, die zich in de geheimzinnige duisternis verloren, lieten een lichten damp ontsnappen. Onze reizigers roken den verpestenden stank van den vulkaan.„Welk een verstikkende damp!” zeide Ford, terwijl hij een leelijk gezicht trok.Een plotselinge en hevige schok, die het geheele schuitje deed schudden, brak de woorden van den kapitein af. Gromski, die zich over den rand heenboog, werd op het reservoir van benzine geworpen. Het scheelde niet veel, of James was gevallen; gelukkig kon hij zich nog bijtijds aan een touw vastgrijpen.Ford keek naar beneden en zag, dat de ballon tegen eene hooge rots aangekomen was, die zich naast den vulkaan bevond. Het schuitje ging er echter overheen, zonder eenigletsel te bekomen. De verpestende stank van den vulkaan verdween nog maar altijd niet, ofschoon de ballon zijn weg met eene onbeschrijfelijke snelheid vervolgde. Integendeel werd deze stank gedurig sterker.Dit gas, door den wind meegevoerd, verpestte den geheelen dampkring. Eerst Gromski, en toen ook Ford en James, ondervonden den invloed van deze vergiftige dampen.„Laat ons hooger stijgen, Gromski, ik kan het niet langer uithouden!” riep de kapitein uit.Maar Gromski schudde ontkennend het hoofd. „Laat ons nog een oogenblik geduld hebben! De luchtballon begint al wat te dalen.”Inderdaad vertoonden de sneeuw en het ijs, die de kanten van den vulkaan bedekten, zich opnieuw; maar onze reizigers gevoelden zich niet verlicht.„Ik stik!” riep de stuurman, die er doodsbleek uitzag.De ingenieur was zelf op het punt om flauw te vallen; hij begaf zich dus met waggelende schreden naar het touw van de klep en trok er krachtig aan. Het gas, dat nu een uitweg gevonden had, maakte gedurende eenige oogenblikken een geluid, als ware het de donder in de verte; de luchtballon daalde snel; toen de ingenieur het touw losliet, wees de barometer eene hoogte van omstreeks 1400 meters aan. Op deze hoogte was de stank van den vulkaan nog maar even te ruiken.James ademde met welgevallen de frissche lucht in.„Ik begrijp niet, dat we niet tegen dien verwenschten berg aangekomen zijn,” zeide hij, toen hij zijne kalmte eenigszins herkregen had.„We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijkdezen weg heeft moeten kiezen,” antwoordde Ford. „De ballon is 200 meters hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror, een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn, want dan zouden we levend verbrand zijn.”Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje deed gevoelen.Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom, die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.„We zijn nu als op een schip zonder anker,” zeide hij. „Als we nogmaals in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit te werpen.”Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht, dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270 kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere dingen en vooral voor brandstoffen.„Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we ons bevinden,” zeide Ford. „Het komt mij voor, dat we in de laatste veertien uren de pool hebben moeten naderen.”Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:„Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Het zesde werelddeel.Nauwelijks was de zak, die tot anker diende, in de golven verdwenen, of onze reizigers gevoelden een krachtigen luchtstroom. Nu de wind den ballon niet meer kon voortstuwen, rukte hij daaraan verwoed, maakte diepe holten in zijn omhulsel en deed de touwen, waarmee het schuitje aan den ballon bevestigd was, trillen.De golven deden den zak beurtelings rijzen en dalen; de ballon zweefde dus steeds heen en weer, alsof hij zelf in verband met den Oceaan stond.„Ik dacht niet, dat de wind met zooveel kracht zou opsteken,” merkte de ingenieur aan. „Maar dat doet er niet toe: het touw zal gemakkelijk aan die schokken weerstand kunnen bieden.”„De ballon trekt den zak met zich mee,” merkte Ford aan. „Zie maar eens, hoe het touw de golven klieft. We gaan, op deze wijze door den wind voortgedreven, met eene snelheid van 2 à 3 knoopen.”„Maar dat is eene kleinigheid, kapitein. Als we 70 kilometersper dag afleggen, dan hebben we niet te duchten, dat we gedwongen zullen worden om naar Amerika terug te keeren. We kunnen zelfs twee dagen op eene verandering in de windrichting wachten, zonder te vreezen voor de ondoordringbaarheid van het omhulsel van den ballon.”„Dat is inderdaad een der voornaamste eigenschappen van uw luchtballon,” zeide Ford. „Een gewone ballon zou al lang in zee gevallen zijn. Als ik mij niet bedrieg, zijn er verscheidene luchtreizigers in zee omgekomen, niet waar, Mijnheer?”„Inderdaad, maar de meeste van deze ongelukken zijn gedurende het beleg van Parijs voorgekomen. Van 64 ballons, die uit deze stad zijn opgestegen, zijn er drie of vier verongelukt, zonder dat men er ooit meer iets van gehoord heeft: waarschijnlijk zijn ze in zee neergekomen. De zeeman Prince en de soldaat Lacaze, die, de eerste op den 20stenNovember 1870, ’s avonds om elf uur, en de ander op den 27stenJanuari 1871, ’s nachts om drie uur, opgestegen zijn, werden naar den Atlantischen Oceaan heengedreven en vonden in zijne golven een roemrijken dood. De heeren Martin en Ducauroy, die van Parijs opgestegen waren, zagen bij het aanbreken van den dag de zee, en het was slechts door een wonder, dat het hun gelukte, het eilandje Belle-Isle-en-Mer te bereiken. De vermaarde luchtreiziger Sivel, die zich voor het eerst van den ankerzak bediende, verkeerde herhaaldelijk in denzelfden toestand als wij. Hij werd in de golf van Napels verscheidene malen in zee geworpen; een anker, geheel gelijk aan het onze, redde hem uit het gevaar, waarmee een wind, van de kust waaiende, hem bedreigde. Op den 19denAugustus 1874 steeg Sivel met zijn ballonHet Zenithmet een Noordwestenwind te Kopenhagen op. Hij hoopte den Sond over te steken en in Zweden te recht te komen. Maar halverwege draaide de wind naar het Noorden. Sivel, die zijne metgezellen niet aan eene reis vol gevaren wilde blootstellen, wierp den ankerzak uit en kon, 100 meters boven de zee hangende, een geheel uur wachten, totdat de schepen, die men van het strand tot zijne hulp zond, aangekomen waren.”„Hoelang zullen we hier blijven?”„Een dag op zijn hoogst, kapitein. We hebben weinig tijd ter onzer beschikking, en wie weet, wat ons nog kan overkomen!”James had niets tegen een dergelijk oponthoud in te brengen; als een echt zeeman voelde hij zich weer op zijn gemak, nu het schuitje zich heen en weer bewoog.„Ditmaal,” zeide hij, „zullen we als op een gewoon schip middagmalen. Men kan geen volle glazen op de tafel neerzetten, waarin ik altijd veel schik heb …”Dank zij den uitstekenden wijn, dien Ford had meegenomen, en hun levendig gesprek, hadden onze luchtreizigers al spoedig het avontuur van de ijswolk vergeten. Zij zouden zeker nog langer in hunne zoogenaamde eetzaal gebleven zijn, indien Ford niet, omstreeks vijf uur, eenige glinsterende massa’s aan het zuidelijk gedeelte van den horizon had opgemerkt.„’t Zijn ijsbergen,” zeide hij, terwijl hij opstond. „Er heerscht in deze streken van den Oceaan blijkbaar een koude luchtstroom.”De ijsbergen naderden den ballon langzaam. Zij schitterden als massa’s kristal, welker grillige omtrekken aan torensvan albast deden denken; de stralen der zon vielen phantastisch op hunne oppervlakte. Gromski zag met zijn verrekijker, dat deze ijsbergen niet eene gladde massa waren, maar bijna overal kloven en gaten vertoonden.„Zeg mij eens, welke de oorsprong van deze ijsmassa’s is,” zeide hij, zich tot Ford wendende.„Hare aanwezigheid,” antwoordde de kapitein, „verraadt altijd de nabijheid van een vasteland: zij vormen zich nooit in den Oceaan. Het groote ijsveld aan de Noordpool loopt glooiend af en bereikt eindelijk de zeekust. Dan rukt het voorste gedeelte, daar het geen steun meer heeft en door zijne eigen zwaarte wordt meegesleept, zich van de massa los en valt in het water. Eenmaal heeft een ijsberg, die zich op deze wijze vormde, mijne sloep bijna verbrijzeld. Als het blok niet te midden van het ijs nabij de kust blijft zitten, dan stort het zich in den vollen Oceaan en drijft naar het Noorden of naar het Zuiden, door de koude luchtstroomen meegevoerd. De plaatsen, waarop men deze ijsbergen aantreft, zijn dikwijls zeer ver van de pool verwijderd. Men treft ze op het noordelijk halfrond tot op 50 graden breedte aan.”„’t Is jammer,” zeide James met een zucht, „dat de koude luchtstroomen op dit halfrond niet dezelfde richting hebben als op het noordelijke; we zouden dan den wind wel kunnen missen.”„Hoezoo?” vroeg Gromski.„Dan zouden we onzen ballon aan een ijsberg, die naar het Zuiden drijft, kunnen vastmaken, en voort dan maar! Op zulk eene manier zouden wij met een tegenwind den spot kunnen drijven.”„Ik moet zeggen, dat dit een oorspronkelijk denkbeeld is,” zeide Ford met een glimlach. „Je zult daarmee op de terugreis je voordeel kunnen doen, als je niet tegen eene lange reis opziet. Inmiddels moeten we elke ontmoeting met de ijsbergen vermijden, daar deze ons in het water zouden kunnen doen vallen.”Gromski was van dezelfde meening; hij zag vooruit, dat de ballon op zijn tocht ontzaglijke ijsblokken zou ontmoeten en deze niet altijd zou kunnen ontwijken.„We zullen over deze ijsbergen heen moeten gaan, als het ons niet gelukt, ze te vermijden.”„Dat zal een heele sprong zijn,” merkte Ford aan. „Zie eens, hoe strak de ballon het touw spant. De ijzel, die hem in de ijswolken zwaarder maakte, is gesmolten; we hebben nu ons vroeger opstijgingsvermogen,—zonder nog den ballast te rekenen, dien wij over boord geworpen hebben. In deze omstandigheden zullen wij tot op minstens 5000 meters stijgen.”De ingenieur wist dit alles zeer goed. Nochtans verried zijn gelaat geenerlei ongerustheid. Hij beval zelfs niet, het ballonnetje met lucht te vullen; hij keek met koelbloedigheid naar de ijsmassa’s, die kwamen aandrijven en welker scherpe punten bij de minste aanraking het omhulsel van den ballon zouden kunnen doen scheuren.Eenige minuten daarna scheidden slechts 500 meters den luchtballon van de ijsbergen: er dreigde eene botsing. Gromski begreep, dat het gevaarlijk zou wezen, de maatregelen om dezen hinderpaal uit den weg te ruimen langer uit te stellen. Hij greep dus het touw, dat aan den zak vastgebonden was, en begon het voorzichtig op te halen.Het water, dat uit den zak liep, verminderde het gewicht daarvan langzamerhand; de ballon verhief zich dus al spoedig, als een arend, die eene zware prooi met zijne klauwen omvat houdt, boven het groote ijsblok.Deze manoeuvre geschiedde juist bijtijds; had men er een oogenblik mee gewacht, dan zou het anker aan de uitstekende punten van den ijsberg zijn blijven haken.De ballon, die nu de hinderpalen, welke zich aan hem voordeden, te boven gekomen was, ging met snelheid voort, voortgestuwd door den Zuidoostenwind. Maar al spoedig was hij genoodzaakt, verscheidene kubieke meters lucht te verliezen, die Gromski in het ballonnetje bracht; bijgevolg begon hij weder te dalen en kwam zijn anker opnieuw met het oppervlak van den Oceaan in aanraking.Onze reizigers zagen nog meer dan eens ijsbergen; maar deze dreven ver van den ballon voorbij en bedreigden dien volstrekt niet. Wat daarentegen den ingenieur verontrustte, was, dat de wind steeds uit denzelfden hoek bleef waaien. Des namiddags om twee uur, op den 31stenDecember, was er een geheele dag verloopen sedert het avontuur met de ijswolken. De voorzichtigheid gedoogde niet, langer te wachten, te meer daar de ballon blijkbaar van zijn gas verloor. De luchtballon daalde zóó sterk, dat de golven zich nauwelijks 3 meters onder het schuitje voortbewogen en somtijds zijne wanden met haar schuim bespatten. De wind, die op den ballon drukte, deed daaruit zonder twijfel het waterstofgas ontsnappen. Daarom besloot de ingenieur, naar de hoogere luchtlagen op te stijgen, in de hoop, dat hij aldaar gunstige luchtstroomen zou aantreffen en, ingeval van nood, zijn weg in eene zuidoostelijke richting zou kunnen voortzetten.Ford, die zeer goed de gevaren inzag, waaraan het verlies van den ballast den luchtballon blootstelde, verzette zich niet tegen de plannen van Gromski.Om vier uur werd de ankerzak dus opgehaald en steeg de ballon tot eene hoogte van 1000 meters.Onze reizigers maakten uit de beweging der ijsbergen op, dat de kracht van den wind in de hoogere luchtlagen toenam. Men moest dus opnieuw den warmen luchtstroom opzoeken, hetgeen den ingenieur noodzaakte, nog een zak ballast uit te werpen, waarvan reeds niet meer dan 15 kilogrammen overgebleven was.De barometer wees eene hoogte van 2400 meters aan, toen de thermometer aan het licht bracht, dat de ballon in de warme luchtlaag gekomen was.Uit de verandering in de ligging der ijsbergen maakte Ford zonder moeite op, dat de luchtballon op eene hoogte van 2500 meters eensklaps eene zuidelijke richting aannam en veel sneller voortging.„We zijn weder in den spiraalvormigen luchtstroom; alleen schijnt de kracht daarvan verminderd te zijn; want we leggen op zijn hoogst 40 knoopen af.”De ingenieur keek intusschen niet meer naar de ijsbergen. Al zijne aandacht vestigde zich op eene wolk van een zonderlingen vorm, die langzaam uit den Oceaan opsteeg.Deze wolk, die in de stralen der zon schitterde, breidde zich al meer en meer naar den horizon uit, naarmate de ballon steeg, en op hare heldere oppervlakte vertoonden zich kleine stippen met onregelmatige omtrekken.„Maar dat is land!” riep James eensklaps uit.Door dezen uitroep in geestdrift ontstoken, nam Ford zijnverrekijker en zag, dat de stuurman gelijk had. De zoogenaamde wolk was een vasteland, dat zich zeer ver naar het Oosten en naar het Westen uitstrekte. De lucht, die geheel doorzichtig was, stelde in staat om de met sneeuw bedekte bergen te zien, die zich daarginds verhieven; de sneeuw lag overigens ook in de valleien.„Komaan, nu gaan we boven het land zweven, kapitein,” zeide Gromski met voldoening. „Om u de waarheid te zeggen, begon ik voor den Oceaan te vreezen. We hadden te weinig ballast in, en ik twijfel er aan, of het ons mogelijk zou wezen, andermaal behouden uit de ijswolken te voorschijn te komen.”Ford bekeek met de uiterste nieuwsgierigheid het geheimzinnige vasteland. De liefde voor de aardrijkskunde greep den braven kapitein aan. Hij haalde de kaart te voorschijn, en nadat hij deze op den vloer van het schuitje uitgespreid had, wees hij naar de uitgestrekte witte vlakte, die ten Oosten van Louis-Philippe-land gelegen is.„Kijk eens, Mijnheer, op de beste der kaarten vindt men in deze streken geen enkel spoor van land. Men weet tot dusverre niet, wat er ten zuidoosten van het eiland Alexandrië is. Maar nu wordt dit geheim opgelost: het land, dat we zien, is zonder twijfel het verst verwijderde gedeelte van het zuidelijk vasteland, aan welks bestaan verscheidene aardrijkskundigen nog twijfelen.”„En ik twijfel er ook nog wel wat aan,” zei de ingenieur; „maar deze twijfelingen zullen spoedig uit den weg geruimd worden, mits de wolken het land niet aan onzen blik onttrekken.”De luchtballon vloog met eene buitengewone snelheid naarhet onbekende vasteland; na verloop van twee uren dreef hij over een eilandje heen, op welks zuidelijk gedeelte zich hooge ijsbergen verhieven, die blijkbaar door den kouden poolstroom aangevoerd waren. Het vasteland vertoonde zich aan onze reizigers in al zijne majesteit. Aan den rechter- en den linkerkant teekende zich de grillige lijn van het kustland af, dat door eene oneindige reeks van ijsbergen omgeven was. Achter de kust vertoonden zich rotsachtige en steile heuvels, die hier en daar in grillige wanorde verspreid en met eeuwige sneeuw bedekt waren. Verder in het binnenland verhief zich het vasteland in zachte hellingen, die met een dikke ijslaag bedekt waren.De luchtballon, die nu het tot dusverre onbereikbaar geachte land bereikt had, dreef boven steile afgronden en besneeuwde bergtoppen, die het voorkomen van witte plekken op den grijsachtigen bodem der rotsen hadden. De sombere landschappen veranderden met eene verwonderlijke snelheid. De heuvels verdwenen in de verte en maakten plaats voor dalen, die met rotsblokken bedekt waren. Van eene hoogte van 2400 meters konden onze reizigers gemakkelijk al de bijzonderheden onderscheiden en de geheimen van het onbekende vasteland uitvorschen.De kapitein, met zijn zakboek in de hand, maakte daarvan aanteekeningen en vluchtige schetsjes. Gromski sloeg de snelheid en de richting van den luchtballon zorgvuldig gade.„We gaan wat meer naar het Oosten dan in het begin van onze reis, kapitein,” zeide hij. „Dit feit is niet bemoedigend. Ik ben al nieuwsgierig, waarheen deze zonderlinge wind ons zal brengen.”„In allen gevalle brengt hij ons niet naar de pool,” merkte de stuurman aan, op wien de snelheid van den luchtballon een machtigen indruk maakte. „Herinnert ge u onze laatste reis nog wel, kapitein? Omstreeks twee jaren geleden vertrokken wij op sleden, met honden bespannen, naar het hartje van Groenland,” vervolgde hij, zich tot Gromski wendende. „We wilden de noordelijke kust daarvan bereiken. Zoolang ik leef, zal ik mij dezen tocht herinneren. In eene maand hadden we slechts 150 kilometers afgelegd, juist zooveel als we nu in anderhalf uur afleggen. Eindelijk kregen wij, uitgeput door ontberingen van allerlei aard, last van scheurbuik, de honden kwamen allemaal om, zoodat we bij onze terugkomst genoodzaakt waren, zelf de sleden met levensmiddelen en instrumenten voort te trekken. Verscheidene malen moesten we ravijnen, half met sneeuw gevuld, overtrekken, zooals die, welke ge hier ziet. Maar ik zou nooit aan een eind komen, als ik u alles, wat wij doorgestaan hebben, wilde vertellen; ik zal u alleen maar zeggen, dat we niet meer dan een Engelsche mijl per dag konden afleggen, en dat er, van twintig forsche en krachtige mannen, slechts twaalf overbleven, die halfdood het schip terugvonden. En nu … we vliegen over die verwenschte ijsvelden als meeuwen heen. Welk een verwonderlijk voertuig hebben we toch! Als ge het vroeger hadt vervaardigd, zouden niet zoovele zeelieden nutteloos omgekomen zijn.…”En de brave stuurman, blijkbaar geroerd door deze treurige herinneringen, die hem echter nog versch in het geheugen lagen, haalde zijn grooten zakdoek te voorschijn en veegde er zich de oogen mee af. Daarop greep hij de hand van den ingenieur en schudde die krachtig.„Een verwonderlijk voertuig!” herhaalde hij. „Ge zijt de knapste man, dien ik ooit van mijn leven ontmoet heb.”De kapitein brak dit gesprek af, daar hij naar de omtrekken van een berg wees, die geheel met sneeuw bedekt was. De luchtballon, die naar het Oosten voortgestuwd werd, moest er onvermijdelijk tegen aanstooten of er vlak langs heenstrijken. Het was moeilijk om zoo in de verte de hoogte van den top te bepalen; de ingenieur geloofde intusschen, dat deze zich bijna 3000 meters boven het oppervlak van den Oceaan verhief. Daar onze luchtreizigers nog maar zeer weinig ballast inhadden, leverde de berg voor hen een geducht bezwaar op.Gromski onderzocht het ballonnetje, dat tot reservoir van lucht diende, en bevond, dat het geheel leeg was. Hij kon dus het opstijgingsvermogen van den ballon niet op de gewone manier doen toenemen.De ingenieur hoopte, er in te zullen slagen, den berg over te komen zonder zijne drie laatste zakken ballast te verkwisten; hij sloeg dus oplettend en met eene zekere onrust de richting gade, die de luchtballon nam. Intusschen merkte hij omstreeks zes uur, dat de hinderpaal, in plaats van zich naar rechts of naar links te verwijderen, gedurig grootere afmetingen aannam. Gromski had nu het plan, om den berg heen te gaan; maar hij bemerkte al spoedig, dat de toppen, die een kwartier geleden 50 à 60 kilometers verwijderd schenen te zijn, eensklaps op eene dreigende manier naderbij kwamen: de luchtballon ging regelrecht op de ontzaglijke rotsen af, die met reusachtige ijsmassa’s bedekt waren.Er moest intusschen gehandeld worden.De ingenieur wilde juist den laatsten zak met ballast uitwerpen, toen Ford hem bij den arm greep.Een zonderling geval deed zich voor: in plaats van zijne richting naar den berg te nemen, week de luchtballon plotseling daarvan af. Onze reizigers zagen duidelijk, dat het schuitje zachtjes langs de hellingen heengleed, terwijl het de geduchte uitstekende punten der rotsen vermeed. Onder hen strekten zich eenige ijs- en sneeuwvelden uit; de ballon ging door wolken van warmen waterdamp heen, die uit diepe kloven voortkwamen, welke zich in de zijden van den berg bevonden; te midden der basaltblokken vertoonden zich breede stroomen van gestolde lava.„’t Is een vulkaan!” riep James uit.Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de gapende opening van den krater vertoonde zich aan hun blik; de diepten van dezen afgrond, die zich in de geheimzinnige duisternis verloren, lieten een lichten damp ontsnappen. Onze reizigers roken den verpestenden stank van den vulkaan.„Welk een verstikkende damp!” zeide Ford, terwijl hij een leelijk gezicht trok.Een plotselinge en hevige schok, die het geheele schuitje deed schudden, brak de woorden van den kapitein af. Gromski, die zich over den rand heenboog, werd op het reservoir van benzine geworpen. Het scheelde niet veel, of James was gevallen; gelukkig kon hij zich nog bijtijds aan een touw vastgrijpen.Ford keek naar beneden en zag, dat de ballon tegen eene hooge rots aangekomen was, die zich naast den vulkaan bevond. Het schuitje ging er echter overheen, zonder eenigletsel te bekomen. De verpestende stank van den vulkaan verdween nog maar altijd niet, ofschoon de ballon zijn weg met eene onbeschrijfelijke snelheid vervolgde. Integendeel werd deze stank gedurig sterker.Dit gas, door den wind meegevoerd, verpestte den geheelen dampkring. Eerst Gromski, en toen ook Ford en James, ondervonden den invloed van deze vergiftige dampen.„Laat ons hooger stijgen, Gromski, ik kan het niet langer uithouden!” riep de kapitein uit.Maar Gromski schudde ontkennend het hoofd. „Laat ons nog een oogenblik geduld hebben! De luchtballon begint al wat te dalen.”Inderdaad vertoonden de sneeuw en het ijs, die de kanten van den vulkaan bedekten, zich opnieuw; maar onze reizigers gevoelden zich niet verlicht.„Ik stik!” riep de stuurman, die er doodsbleek uitzag.De ingenieur was zelf op het punt om flauw te vallen; hij begaf zich dus met waggelende schreden naar het touw van de klep en trok er krachtig aan. Het gas, dat nu een uitweg gevonden had, maakte gedurende eenige oogenblikken een geluid, als ware het de donder in de verte; de luchtballon daalde snel; toen de ingenieur het touw losliet, wees de barometer eene hoogte van omstreeks 1400 meters aan. Op deze hoogte was de stank van den vulkaan nog maar even te ruiken.James ademde met welgevallen de frissche lucht in.„Ik begrijp niet, dat we niet tegen dien verwenschten berg aangekomen zijn,” zeide hij, toen hij zijne kalmte eenigszins herkregen had.„We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijkdezen weg heeft moeten kiezen,” antwoordde Ford. „De ballon is 200 meters hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror, een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn, want dan zouden we levend verbrand zijn.”Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje deed gevoelen.Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom, die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.„We zijn nu als op een schip zonder anker,” zeide hij. „Als we nogmaals in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit te werpen.”Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht, dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270 kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere dingen en vooral voor brandstoffen.„Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we ons bevinden,” zeide Ford. „Het komt mij voor, dat we in de laatste veertien uren de pool hebben moeten naderen.”Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:„Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Het zesde werelddeel.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Nauwelijks was de zak, die tot anker diende, in de golven verdwenen, of onze reizigers gevoelden een krachtigen luchtstroom. Nu de wind den ballon niet meer kon voortstuwen, rukte hij daaraan verwoed, maakte diepe holten in zijn omhulsel en deed de touwen, waarmee het schuitje aan den ballon bevestigd was, trillen.De golven deden den zak beurtelings rijzen en dalen; de ballon zweefde dus steeds heen en weer, alsof hij zelf in verband met den Oceaan stond.„Ik dacht niet, dat de wind met zooveel kracht zou opsteken,” merkte de ingenieur aan. „Maar dat doet er niet toe: het touw zal gemakkelijk aan die schokken weerstand kunnen bieden.”„De ballon trekt den zak met zich mee,” merkte Ford aan. „Zie maar eens, hoe het touw de golven klieft. We gaan, op deze wijze door den wind voortgedreven, met eene snelheid van 2 à 3 knoopen.”„Maar dat is eene kleinigheid, kapitein. Als we 70 kilometersper dag afleggen, dan hebben we niet te duchten, dat we gedwongen zullen worden om naar Amerika terug te keeren. We kunnen zelfs twee dagen op eene verandering in de windrichting wachten, zonder te vreezen voor de ondoordringbaarheid van het omhulsel van den ballon.”„Dat is inderdaad een der voornaamste eigenschappen van uw luchtballon,” zeide Ford. „Een gewone ballon zou al lang in zee gevallen zijn. Als ik mij niet bedrieg, zijn er verscheidene luchtreizigers in zee omgekomen, niet waar, Mijnheer?”„Inderdaad, maar de meeste van deze ongelukken zijn gedurende het beleg van Parijs voorgekomen. Van 64 ballons, die uit deze stad zijn opgestegen, zijn er drie of vier verongelukt, zonder dat men er ooit meer iets van gehoord heeft: waarschijnlijk zijn ze in zee neergekomen. De zeeman Prince en de soldaat Lacaze, die, de eerste op den 20stenNovember 1870, ’s avonds om elf uur, en de ander op den 27stenJanuari 1871, ’s nachts om drie uur, opgestegen zijn, werden naar den Atlantischen Oceaan heengedreven en vonden in zijne golven een roemrijken dood. De heeren Martin en Ducauroy, die van Parijs opgestegen waren, zagen bij het aanbreken van den dag de zee, en het was slechts door een wonder, dat het hun gelukte, het eilandje Belle-Isle-en-Mer te bereiken. De vermaarde luchtreiziger Sivel, die zich voor het eerst van den ankerzak bediende, verkeerde herhaaldelijk in denzelfden toestand als wij. Hij werd in de golf van Napels verscheidene malen in zee geworpen; een anker, geheel gelijk aan het onze, redde hem uit het gevaar, waarmee een wind, van de kust waaiende, hem bedreigde. Op den 19denAugustus 1874 steeg Sivel met zijn ballonHet Zenithmet een Noordwestenwind te Kopenhagen op. Hij hoopte den Sond over te steken en in Zweden te recht te komen. Maar halverwege draaide de wind naar het Noorden. Sivel, die zijne metgezellen niet aan eene reis vol gevaren wilde blootstellen, wierp den ankerzak uit en kon, 100 meters boven de zee hangende, een geheel uur wachten, totdat de schepen, die men van het strand tot zijne hulp zond, aangekomen waren.”„Hoelang zullen we hier blijven?”„Een dag op zijn hoogst, kapitein. We hebben weinig tijd ter onzer beschikking, en wie weet, wat ons nog kan overkomen!”James had niets tegen een dergelijk oponthoud in te brengen; als een echt zeeman voelde hij zich weer op zijn gemak, nu het schuitje zich heen en weer bewoog.„Ditmaal,” zeide hij, „zullen we als op een gewoon schip middagmalen. Men kan geen volle glazen op de tafel neerzetten, waarin ik altijd veel schik heb …”Dank zij den uitstekenden wijn, dien Ford had meegenomen, en hun levendig gesprek, hadden onze luchtreizigers al spoedig het avontuur van de ijswolk vergeten. Zij zouden zeker nog langer in hunne zoogenaamde eetzaal gebleven zijn, indien Ford niet, omstreeks vijf uur, eenige glinsterende massa’s aan het zuidelijk gedeelte van den horizon had opgemerkt.„’t Zijn ijsbergen,” zeide hij, terwijl hij opstond. „Er heerscht in deze streken van den Oceaan blijkbaar een koude luchtstroom.”De ijsbergen naderden den ballon langzaam. Zij schitterden als massa’s kristal, welker grillige omtrekken aan torensvan albast deden denken; de stralen der zon vielen phantastisch op hunne oppervlakte. Gromski zag met zijn verrekijker, dat deze ijsbergen niet eene gladde massa waren, maar bijna overal kloven en gaten vertoonden.„Zeg mij eens, welke de oorsprong van deze ijsmassa’s is,” zeide hij, zich tot Ford wendende.„Hare aanwezigheid,” antwoordde de kapitein, „verraadt altijd de nabijheid van een vasteland: zij vormen zich nooit in den Oceaan. Het groote ijsveld aan de Noordpool loopt glooiend af en bereikt eindelijk de zeekust. Dan rukt het voorste gedeelte, daar het geen steun meer heeft en door zijne eigen zwaarte wordt meegesleept, zich van de massa los en valt in het water. Eenmaal heeft een ijsberg, die zich op deze wijze vormde, mijne sloep bijna verbrijzeld. Als het blok niet te midden van het ijs nabij de kust blijft zitten, dan stort het zich in den vollen Oceaan en drijft naar het Noorden of naar het Zuiden, door de koude luchtstroomen meegevoerd. De plaatsen, waarop men deze ijsbergen aantreft, zijn dikwijls zeer ver van de pool verwijderd. Men treft ze op het noordelijk halfrond tot op 50 graden breedte aan.”„’t Is jammer,” zeide James met een zucht, „dat de koude luchtstroomen op dit halfrond niet dezelfde richting hebben als op het noordelijke; we zouden dan den wind wel kunnen missen.”„Hoezoo?” vroeg Gromski.„Dan zouden we onzen ballon aan een ijsberg, die naar het Zuiden drijft, kunnen vastmaken, en voort dan maar! Op zulk eene manier zouden wij met een tegenwind den spot kunnen drijven.”„Ik moet zeggen, dat dit een oorspronkelijk denkbeeld is,” zeide Ford met een glimlach. „Je zult daarmee op de terugreis je voordeel kunnen doen, als je niet tegen eene lange reis opziet. Inmiddels moeten we elke ontmoeting met de ijsbergen vermijden, daar deze ons in het water zouden kunnen doen vallen.”Gromski was van dezelfde meening; hij zag vooruit, dat de ballon op zijn tocht ontzaglijke ijsblokken zou ontmoeten en deze niet altijd zou kunnen ontwijken.„We zullen over deze ijsbergen heen moeten gaan, als het ons niet gelukt, ze te vermijden.”„Dat zal een heele sprong zijn,” merkte Ford aan. „Zie eens, hoe strak de ballon het touw spant. De ijzel, die hem in de ijswolken zwaarder maakte, is gesmolten; we hebben nu ons vroeger opstijgingsvermogen,—zonder nog den ballast te rekenen, dien wij over boord geworpen hebben. In deze omstandigheden zullen wij tot op minstens 5000 meters stijgen.”De ingenieur wist dit alles zeer goed. Nochtans verried zijn gelaat geenerlei ongerustheid. Hij beval zelfs niet, het ballonnetje met lucht te vullen; hij keek met koelbloedigheid naar de ijsmassa’s, die kwamen aandrijven en welker scherpe punten bij de minste aanraking het omhulsel van den ballon zouden kunnen doen scheuren.Eenige minuten daarna scheidden slechts 500 meters den luchtballon van de ijsbergen: er dreigde eene botsing. Gromski begreep, dat het gevaarlijk zou wezen, de maatregelen om dezen hinderpaal uit den weg te ruimen langer uit te stellen. Hij greep dus het touw, dat aan den zak vastgebonden was, en begon het voorzichtig op te halen.Het water, dat uit den zak liep, verminderde het gewicht daarvan langzamerhand; de ballon verhief zich dus al spoedig, als een arend, die eene zware prooi met zijne klauwen omvat houdt, boven het groote ijsblok.Deze manoeuvre geschiedde juist bijtijds; had men er een oogenblik mee gewacht, dan zou het anker aan de uitstekende punten van den ijsberg zijn blijven haken.De ballon, die nu de hinderpalen, welke zich aan hem voordeden, te boven gekomen was, ging met snelheid voort, voortgestuwd door den Zuidoostenwind. Maar al spoedig was hij genoodzaakt, verscheidene kubieke meters lucht te verliezen, die Gromski in het ballonnetje bracht; bijgevolg begon hij weder te dalen en kwam zijn anker opnieuw met het oppervlak van den Oceaan in aanraking.Onze reizigers zagen nog meer dan eens ijsbergen; maar deze dreven ver van den ballon voorbij en bedreigden dien volstrekt niet. Wat daarentegen den ingenieur verontrustte, was, dat de wind steeds uit denzelfden hoek bleef waaien. Des namiddags om twee uur, op den 31stenDecember, was er een geheele dag verloopen sedert het avontuur met de ijswolken. De voorzichtigheid gedoogde niet, langer te wachten, te meer daar de ballon blijkbaar van zijn gas verloor. De luchtballon daalde zóó sterk, dat de golven zich nauwelijks 3 meters onder het schuitje voortbewogen en somtijds zijne wanden met haar schuim bespatten. De wind, die op den ballon drukte, deed daaruit zonder twijfel het waterstofgas ontsnappen. Daarom besloot de ingenieur, naar de hoogere luchtlagen op te stijgen, in de hoop, dat hij aldaar gunstige luchtstroomen zou aantreffen en, ingeval van nood, zijn weg in eene zuidoostelijke richting zou kunnen voortzetten.Ford, die zeer goed de gevaren inzag, waaraan het verlies van den ballast den luchtballon blootstelde, verzette zich niet tegen de plannen van Gromski.Om vier uur werd de ankerzak dus opgehaald en steeg de ballon tot eene hoogte van 1000 meters.Onze reizigers maakten uit de beweging der ijsbergen op, dat de kracht van den wind in de hoogere luchtlagen toenam. Men moest dus opnieuw den warmen luchtstroom opzoeken, hetgeen den ingenieur noodzaakte, nog een zak ballast uit te werpen, waarvan reeds niet meer dan 15 kilogrammen overgebleven was.De barometer wees eene hoogte van 2400 meters aan, toen de thermometer aan het licht bracht, dat de ballon in de warme luchtlaag gekomen was.Uit de verandering in de ligging der ijsbergen maakte Ford zonder moeite op, dat de luchtballon op eene hoogte van 2500 meters eensklaps eene zuidelijke richting aannam en veel sneller voortging.„We zijn weder in den spiraalvormigen luchtstroom; alleen schijnt de kracht daarvan verminderd te zijn; want we leggen op zijn hoogst 40 knoopen af.”De ingenieur keek intusschen niet meer naar de ijsbergen. Al zijne aandacht vestigde zich op eene wolk van een zonderlingen vorm, die langzaam uit den Oceaan opsteeg.Deze wolk, die in de stralen der zon schitterde, breidde zich al meer en meer naar den horizon uit, naarmate de ballon steeg, en op hare heldere oppervlakte vertoonden zich kleine stippen met onregelmatige omtrekken.„Maar dat is land!” riep James eensklaps uit.Door dezen uitroep in geestdrift ontstoken, nam Ford zijnverrekijker en zag, dat de stuurman gelijk had. De zoogenaamde wolk was een vasteland, dat zich zeer ver naar het Oosten en naar het Westen uitstrekte. De lucht, die geheel doorzichtig was, stelde in staat om de met sneeuw bedekte bergen te zien, die zich daarginds verhieven; de sneeuw lag overigens ook in de valleien.„Komaan, nu gaan we boven het land zweven, kapitein,” zeide Gromski met voldoening. „Om u de waarheid te zeggen, begon ik voor den Oceaan te vreezen. We hadden te weinig ballast in, en ik twijfel er aan, of het ons mogelijk zou wezen, andermaal behouden uit de ijswolken te voorschijn te komen.”Ford bekeek met de uiterste nieuwsgierigheid het geheimzinnige vasteland. De liefde voor de aardrijkskunde greep den braven kapitein aan. Hij haalde de kaart te voorschijn, en nadat hij deze op den vloer van het schuitje uitgespreid had, wees hij naar de uitgestrekte witte vlakte, die ten Oosten van Louis-Philippe-land gelegen is.„Kijk eens, Mijnheer, op de beste der kaarten vindt men in deze streken geen enkel spoor van land. Men weet tot dusverre niet, wat er ten zuidoosten van het eiland Alexandrië is. Maar nu wordt dit geheim opgelost: het land, dat we zien, is zonder twijfel het verst verwijderde gedeelte van het zuidelijk vasteland, aan welks bestaan verscheidene aardrijkskundigen nog twijfelen.”„En ik twijfel er ook nog wel wat aan,” zei de ingenieur; „maar deze twijfelingen zullen spoedig uit den weg geruimd worden, mits de wolken het land niet aan onzen blik onttrekken.”De luchtballon vloog met eene buitengewone snelheid naarhet onbekende vasteland; na verloop van twee uren dreef hij over een eilandje heen, op welks zuidelijk gedeelte zich hooge ijsbergen verhieven, die blijkbaar door den kouden poolstroom aangevoerd waren. Het vasteland vertoonde zich aan onze reizigers in al zijne majesteit. Aan den rechter- en den linkerkant teekende zich de grillige lijn van het kustland af, dat door eene oneindige reeks van ijsbergen omgeven was. Achter de kust vertoonden zich rotsachtige en steile heuvels, die hier en daar in grillige wanorde verspreid en met eeuwige sneeuw bedekt waren. Verder in het binnenland verhief zich het vasteland in zachte hellingen, die met een dikke ijslaag bedekt waren.De luchtballon, die nu het tot dusverre onbereikbaar geachte land bereikt had, dreef boven steile afgronden en besneeuwde bergtoppen, die het voorkomen van witte plekken op den grijsachtigen bodem der rotsen hadden. De sombere landschappen veranderden met eene verwonderlijke snelheid. De heuvels verdwenen in de verte en maakten plaats voor dalen, die met rotsblokken bedekt waren. Van eene hoogte van 2400 meters konden onze reizigers gemakkelijk al de bijzonderheden onderscheiden en de geheimen van het onbekende vasteland uitvorschen.De kapitein, met zijn zakboek in de hand, maakte daarvan aanteekeningen en vluchtige schetsjes. Gromski sloeg de snelheid en de richting van den luchtballon zorgvuldig gade.„We gaan wat meer naar het Oosten dan in het begin van onze reis, kapitein,” zeide hij. „Dit feit is niet bemoedigend. Ik ben al nieuwsgierig, waarheen deze zonderlinge wind ons zal brengen.”„In allen gevalle brengt hij ons niet naar de pool,” merkte de stuurman aan, op wien de snelheid van den luchtballon een machtigen indruk maakte. „Herinnert ge u onze laatste reis nog wel, kapitein? Omstreeks twee jaren geleden vertrokken wij op sleden, met honden bespannen, naar het hartje van Groenland,” vervolgde hij, zich tot Gromski wendende. „We wilden de noordelijke kust daarvan bereiken. Zoolang ik leef, zal ik mij dezen tocht herinneren. In eene maand hadden we slechts 150 kilometers afgelegd, juist zooveel als we nu in anderhalf uur afleggen. Eindelijk kregen wij, uitgeput door ontberingen van allerlei aard, last van scheurbuik, de honden kwamen allemaal om, zoodat we bij onze terugkomst genoodzaakt waren, zelf de sleden met levensmiddelen en instrumenten voort te trekken. Verscheidene malen moesten we ravijnen, half met sneeuw gevuld, overtrekken, zooals die, welke ge hier ziet. Maar ik zou nooit aan een eind komen, als ik u alles, wat wij doorgestaan hebben, wilde vertellen; ik zal u alleen maar zeggen, dat we niet meer dan een Engelsche mijl per dag konden afleggen, en dat er, van twintig forsche en krachtige mannen, slechts twaalf overbleven, die halfdood het schip terugvonden. En nu … we vliegen over die verwenschte ijsvelden als meeuwen heen. Welk een verwonderlijk voertuig hebben we toch! Als ge het vroeger hadt vervaardigd, zouden niet zoovele zeelieden nutteloos omgekomen zijn.…”En de brave stuurman, blijkbaar geroerd door deze treurige herinneringen, die hem echter nog versch in het geheugen lagen, haalde zijn grooten zakdoek te voorschijn en veegde er zich de oogen mee af. Daarop greep hij de hand van den ingenieur en schudde die krachtig.„Een verwonderlijk voertuig!” herhaalde hij. „Ge zijt de knapste man, dien ik ooit van mijn leven ontmoet heb.”De kapitein brak dit gesprek af, daar hij naar de omtrekken van een berg wees, die geheel met sneeuw bedekt was. De luchtballon, die naar het Oosten voortgestuwd werd, moest er onvermijdelijk tegen aanstooten of er vlak langs heenstrijken. Het was moeilijk om zoo in de verte de hoogte van den top te bepalen; de ingenieur geloofde intusschen, dat deze zich bijna 3000 meters boven het oppervlak van den Oceaan verhief. Daar onze luchtreizigers nog maar zeer weinig ballast inhadden, leverde de berg voor hen een geducht bezwaar op.Gromski onderzocht het ballonnetje, dat tot reservoir van lucht diende, en bevond, dat het geheel leeg was. Hij kon dus het opstijgingsvermogen van den ballon niet op de gewone manier doen toenemen.De ingenieur hoopte, er in te zullen slagen, den berg over te komen zonder zijne drie laatste zakken ballast te verkwisten; hij sloeg dus oplettend en met eene zekere onrust de richting gade, die de luchtballon nam. Intusschen merkte hij omstreeks zes uur, dat de hinderpaal, in plaats van zich naar rechts of naar links te verwijderen, gedurig grootere afmetingen aannam. Gromski had nu het plan, om den berg heen te gaan; maar hij bemerkte al spoedig, dat de toppen, die een kwartier geleden 50 à 60 kilometers verwijderd schenen te zijn, eensklaps op eene dreigende manier naderbij kwamen: de luchtballon ging regelrecht op de ontzaglijke rotsen af, die met reusachtige ijsmassa’s bedekt waren.Er moest intusschen gehandeld worden.De ingenieur wilde juist den laatsten zak met ballast uitwerpen, toen Ford hem bij den arm greep.Een zonderling geval deed zich voor: in plaats van zijne richting naar den berg te nemen, week de luchtballon plotseling daarvan af. Onze reizigers zagen duidelijk, dat het schuitje zachtjes langs de hellingen heengleed, terwijl het de geduchte uitstekende punten der rotsen vermeed. Onder hen strekten zich eenige ijs- en sneeuwvelden uit; de ballon ging door wolken van warmen waterdamp heen, die uit diepe kloven voortkwamen, welke zich in de zijden van den berg bevonden; te midden der basaltblokken vertoonden zich breede stroomen van gestolde lava.„’t Is een vulkaan!” riep James uit.Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de gapende opening van den krater vertoonde zich aan hun blik; de diepten van dezen afgrond, die zich in de geheimzinnige duisternis verloren, lieten een lichten damp ontsnappen. Onze reizigers roken den verpestenden stank van den vulkaan.„Welk een verstikkende damp!” zeide Ford, terwijl hij een leelijk gezicht trok.Een plotselinge en hevige schok, die het geheele schuitje deed schudden, brak de woorden van den kapitein af. Gromski, die zich over den rand heenboog, werd op het reservoir van benzine geworpen. Het scheelde niet veel, of James was gevallen; gelukkig kon hij zich nog bijtijds aan een touw vastgrijpen.Ford keek naar beneden en zag, dat de ballon tegen eene hooge rots aangekomen was, die zich naast den vulkaan bevond. Het schuitje ging er echter overheen, zonder eenigletsel te bekomen. De verpestende stank van den vulkaan verdween nog maar altijd niet, ofschoon de ballon zijn weg met eene onbeschrijfelijke snelheid vervolgde. Integendeel werd deze stank gedurig sterker.Dit gas, door den wind meegevoerd, verpestte den geheelen dampkring. Eerst Gromski, en toen ook Ford en James, ondervonden den invloed van deze vergiftige dampen.„Laat ons hooger stijgen, Gromski, ik kan het niet langer uithouden!” riep de kapitein uit.Maar Gromski schudde ontkennend het hoofd. „Laat ons nog een oogenblik geduld hebben! De luchtballon begint al wat te dalen.”Inderdaad vertoonden de sneeuw en het ijs, die de kanten van den vulkaan bedekten, zich opnieuw; maar onze reizigers gevoelden zich niet verlicht.„Ik stik!” riep de stuurman, die er doodsbleek uitzag.De ingenieur was zelf op het punt om flauw te vallen; hij begaf zich dus met waggelende schreden naar het touw van de klep en trok er krachtig aan. Het gas, dat nu een uitweg gevonden had, maakte gedurende eenige oogenblikken een geluid, als ware het de donder in de verte; de luchtballon daalde snel; toen de ingenieur het touw losliet, wees de barometer eene hoogte van omstreeks 1400 meters aan. Op deze hoogte was de stank van den vulkaan nog maar even te ruiken.James ademde met welgevallen de frissche lucht in.„Ik begrijp niet, dat we niet tegen dien verwenschten berg aangekomen zijn,” zeide hij, toen hij zijne kalmte eenigszins herkregen had.„We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijkdezen weg heeft moeten kiezen,” antwoordde Ford. „De ballon is 200 meters hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror, een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn, want dan zouden we levend verbrand zijn.”Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje deed gevoelen.Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom, die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.„We zijn nu als op een schip zonder anker,” zeide hij. „Als we nogmaals in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit te werpen.”Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht, dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270 kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere dingen en vooral voor brandstoffen.„Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we ons bevinden,” zeide Ford. „Het komt mij voor, dat we in de laatste veertien uren de pool hebben moeten naderen.”Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:„Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein.”
Nauwelijks was de zak, die tot anker diende, in de golven verdwenen, of onze reizigers gevoelden een krachtigen luchtstroom. Nu de wind den ballon niet meer kon voortstuwen, rukte hij daaraan verwoed, maakte diepe holten in zijn omhulsel en deed de touwen, waarmee het schuitje aan den ballon bevestigd was, trillen.
De golven deden den zak beurtelings rijzen en dalen; de ballon zweefde dus steeds heen en weer, alsof hij zelf in verband met den Oceaan stond.
„Ik dacht niet, dat de wind met zooveel kracht zou opsteken,” merkte de ingenieur aan. „Maar dat doet er niet toe: het touw zal gemakkelijk aan die schokken weerstand kunnen bieden.”
„De ballon trekt den zak met zich mee,” merkte Ford aan. „Zie maar eens, hoe het touw de golven klieft. We gaan, op deze wijze door den wind voortgedreven, met eene snelheid van 2 à 3 knoopen.”
„Maar dat is eene kleinigheid, kapitein. Als we 70 kilometersper dag afleggen, dan hebben we niet te duchten, dat we gedwongen zullen worden om naar Amerika terug te keeren. We kunnen zelfs twee dagen op eene verandering in de windrichting wachten, zonder te vreezen voor de ondoordringbaarheid van het omhulsel van den ballon.”
„Dat is inderdaad een der voornaamste eigenschappen van uw luchtballon,” zeide Ford. „Een gewone ballon zou al lang in zee gevallen zijn. Als ik mij niet bedrieg, zijn er verscheidene luchtreizigers in zee omgekomen, niet waar, Mijnheer?”
„Inderdaad, maar de meeste van deze ongelukken zijn gedurende het beleg van Parijs voorgekomen. Van 64 ballons, die uit deze stad zijn opgestegen, zijn er drie of vier verongelukt, zonder dat men er ooit meer iets van gehoord heeft: waarschijnlijk zijn ze in zee neergekomen. De zeeman Prince en de soldaat Lacaze, die, de eerste op den 20stenNovember 1870, ’s avonds om elf uur, en de ander op den 27stenJanuari 1871, ’s nachts om drie uur, opgestegen zijn, werden naar den Atlantischen Oceaan heengedreven en vonden in zijne golven een roemrijken dood. De heeren Martin en Ducauroy, die van Parijs opgestegen waren, zagen bij het aanbreken van den dag de zee, en het was slechts door een wonder, dat het hun gelukte, het eilandje Belle-Isle-en-Mer te bereiken. De vermaarde luchtreiziger Sivel, die zich voor het eerst van den ankerzak bediende, verkeerde herhaaldelijk in denzelfden toestand als wij. Hij werd in de golf van Napels verscheidene malen in zee geworpen; een anker, geheel gelijk aan het onze, redde hem uit het gevaar, waarmee een wind, van de kust waaiende, hem bedreigde. Op den 19denAugustus 1874 steeg Sivel met zijn ballonHet Zenithmet een Noordwestenwind te Kopenhagen op. Hij hoopte den Sond over te steken en in Zweden te recht te komen. Maar halverwege draaide de wind naar het Noorden. Sivel, die zijne metgezellen niet aan eene reis vol gevaren wilde blootstellen, wierp den ankerzak uit en kon, 100 meters boven de zee hangende, een geheel uur wachten, totdat de schepen, die men van het strand tot zijne hulp zond, aangekomen waren.”
„Hoelang zullen we hier blijven?”
„Een dag op zijn hoogst, kapitein. We hebben weinig tijd ter onzer beschikking, en wie weet, wat ons nog kan overkomen!”
James had niets tegen een dergelijk oponthoud in te brengen; als een echt zeeman voelde hij zich weer op zijn gemak, nu het schuitje zich heen en weer bewoog.
„Ditmaal,” zeide hij, „zullen we als op een gewoon schip middagmalen. Men kan geen volle glazen op de tafel neerzetten, waarin ik altijd veel schik heb …”
Dank zij den uitstekenden wijn, dien Ford had meegenomen, en hun levendig gesprek, hadden onze luchtreizigers al spoedig het avontuur van de ijswolk vergeten. Zij zouden zeker nog langer in hunne zoogenaamde eetzaal gebleven zijn, indien Ford niet, omstreeks vijf uur, eenige glinsterende massa’s aan het zuidelijk gedeelte van den horizon had opgemerkt.
„’t Zijn ijsbergen,” zeide hij, terwijl hij opstond. „Er heerscht in deze streken van den Oceaan blijkbaar een koude luchtstroom.”
De ijsbergen naderden den ballon langzaam. Zij schitterden als massa’s kristal, welker grillige omtrekken aan torensvan albast deden denken; de stralen der zon vielen phantastisch op hunne oppervlakte. Gromski zag met zijn verrekijker, dat deze ijsbergen niet eene gladde massa waren, maar bijna overal kloven en gaten vertoonden.
„Zeg mij eens, welke de oorsprong van deze ijsmassa’s is,” zeide hij, zich tot Ford wendende.
„Hare aanwezigheid,” antwoordde de kapitein, „verraadt altijd de nabijheid van een vasteland: zij vormen zich nooit in den Oceaan. Het groote ijsveld aan de Noordpool loopt glooiend af en bereikt eindelijk de zeekust. Dan rukt het voorste gedeelte, daar het geen steun meer heeft en door zijne eigen zwaarte wordt meegesleept, zich van de massa los en valt in het water. Eenmaal heeft een ijsberg, die zich op deze wijze vormde, mijne sloep bijna verbrijzeld. Als het blok niet te midden van het ijs nabij de kust blijft zitten, dan stort het zich in den vollen Oceaan en drijft naar het Noorden of naar het Zuiden, door de koude luchtstroomen meegevoerd. De plaatsen, waarop men deze ijsbergen aantreft, zijn dikwijls zeer ver van de pool verwijderd. Men treft ze op het noordelijk halfrond tot op 50 graden breedte aan.”
„’t Is jammer,” zeide James met een zucht, „dat de koude luchtstroomen op dit halfrond niet dezelfde richting hebben als op het noordelijke; we zouden dan den wind wel kunnen missen.”
„Hoezoo?” vroeg Gromski.
„Dan zouden we onzen ballon aan een ijsberg, die naar het Zuiden drijft, kunnen vastmaken, en voort dan maar! Op zulk eene manier zouden wij met een tegenwind den spot kunnen drijven.”
„Ik moet zeggen, dat dit een oorspronkelijk denkbeeld is,” zeide Ford met een glimlach. „Je zult daarmee op de terugreis je voordeel kunnen doen, als je niet tegen eene lange reis opziet. Inmiddels moeten we elke ontmoeting met de ijsbergen vermijden, daar deze ons in het water zouden kunnen doen vallen.”
Gromski was van dezelfde meening; hij zag vooruit, dat de ballon op zijn tocht ontzaglijke ijsblokken zou ontmoeten en deze niet altijd zou kunnen ontwijken.
„We zullen over deze ijsbergen heen moeten gaan, als het ons niet gelukt, ze te vermijden.”
„Dat zal een heele sprong zijn,” merkte Ford aan. „Zie eens, hoe strak de ballon het touw spant. De ijzel, die hem in de ijswolken zwaarder maakte, is gesmolten; we hebben nu ons vroeger opstijgingsvermogen,—zonder nog den ballast te rekenen, dien wij over boord geworpen hebben. In deze omstandigheden zullen wij tot op minstens 5000 meters stijgen.”
De ingenieur wist dit alles zeer goed. Nochtans verried zijn gelaat geenerlei ongerustheid. Hij beval zelfs niet, het ballonnetje met lucht te vullen; hij keek met koelbloedigheid naar de ijsmassa’s, die kwamen aandrijven en welker scherpe punten bij de minste aanraking het omhulsel van den ballon zouden kunnen doen scheuren.
Eenige minuten daarna scheidden slechts 500 meters den luchtballon van de ijsbergen: er dreigde eene botsing. Gromski begreep, dat het gevaarlijk zou wezen, de maatregelen om dezen hinderpaal uit den weg te ruimen langer uit te stellen. Hij greep dus het touw, dat aan den zak vastgebonden was, en begon het voorzichtig op te halen.Het water, dat uit den zak liep, verminderde het gewicht daarvan langzamerhand; de ballon verhief zich dus al spoedig, als een arend, die eene zware prooi met zijne klauwen omvat houdt, boven het groote ijsblok.
Deze manoeuvre geschiedde juist bijtijds; had men er een oogenblik mee gewacht, dan zou het anker aan de uitstekende punten van den ijsberg zijn blijven haken.
De ballon, die nu de hinderpalen, welke zich aan hem voordeden, te boven gekomen was, ging met snelheid voort, voortgestuwd door den Zuidoostenwind. Maar al spoedig was hij genoodzaakt, verscheidene kubieke meters lucht te verliezen, die Gromski in het ballonnetje bracht; bijgevolg begon hij weder te dalen en kwam zijn anker opnieuw met het oppervlak van den Oceaan in aanraking.
Onze reizigers zagen nog meer dan eens ijsbergen; maar deze dreven ver van den ballon voorbij en bedreigden dien volstrekt niet. Wat daarentegen den ingenieur verontrustte, was, dat de wind steeds uit denzelfden hoek bleef waaien. Des namiddags om twee uur, op den 31stenDecember, was er een geheele dag verloopen sedert het avontuur met de ijswolken. De voorzichtigheid gedoogde niet, langer te wachten, te meer daar de ballon blijkbaar van zijn gas verloor. De luchtballon daalde zóó sterk, dat de golven zich nauwelijks 3 meters onder het schuitje voortbewogen en somtijds zijne wanden met haar schuim bespatten. De wind, die op den ballon drukte, deed daaruit zonder twijfel het waterstofgas ontsnappen. Daarom besloot de ingenieur, naar de hoogere luchtlagen op te stijgen, in de hoop, dat hij aldaar gunstige luchtstroomen zou aantreffen en, ingeval van nood, zijn weg in eene zuidoostelijke richting zou kunnen voortzetten.
Ford, die zeer goed de gevaren inzag, waaraan het verlies van den ballast den luchtballon blootstelde, verzette zich niet tegen de plannen van Gromski.
Om vier uur werd de ankerzak dus opgehaald en steeg de ballon tot eene hoogte van 1000 meters.
Onze reizigers maakten uit de beweging der ijsbergen op, dat de kracht van den wind in de hoogere luchtlagen toenam. Men moest dus opnieuw den warmen luchtstroom opzoeken, hetgeen den ingenieur noodzaakte, nog een zak ballast uit te werpen, waarvan reeds niet meer dan 15 kilogrammen overgebleven was.
De barometer wees eene hoogte van 2400 meters aan, toen de thermometer aan het licht bracht, dat de ballon in de warme luchtlaag gekomen was.
Uit de verandering in de ligging der ijsbergen maakte Ford zonder moeite op, dat de luchtballon op eene hoogte van 2500 meters eensklaps eene zuidelijke richting aannam en veel sneller voortging.
„We zijn weder in den spiraalvormigen luchtstroom; alleen schijnt de kracht daarvan verminderd te zijn; want we leggen op zijn hoogst 40 knoopen af.”
De ingenieur keek intusschen niet meer naar de ijsbergen. Al zijne aandacht vestigde zich op eene wolk van een zonderlingen vorm, die langzaam uit den Oceaan opsteeg.
Deze wolk, die in de stralen der zon schitterde, breidde zich al meer en meer naar den horizon uit, naarmate de ballon steeg, en op hare heldere oppervlakte vertoonden zich kleine stippen met onregelmatige omtrekken.
„Maar dat is land!” riep James eensklaps uit.
Door dezen uitroep in geestdrift ontstoken, nam Ford zijnverrekijker en zag, dat de stuurman gelijk had. De zoogenaamde wolk was een vasteland, dat zich zeer ver naar het Oosten en naar het Westen uitstrekte. De lucht, die geheel doorzichtig was, stelde in staat om de met sneeuw bedekte bergen te zien, die zich daarginds verhieven; de sneeuw lag overigens ook in de valleien.
„Komaan, nu gaan we boven het land zweven, kapitein,” zeide Gromski met voldoening. „Om u de waarheid te zeggen, begon ik voor den Oceaan te vreezen. We hadden te weinig ballast in, en ik twijfel er aan, of het ons mogelijk zou wezen, andermaal behouden uit de ijswolken te voorschijn te komen.”
Ford bekeek met de uiterste nieuwsgierigheid het geheimzinnige vasteland. De liefde voor de aardrijkskunde greep den braven kapitein aan. Hij haalde de kaart te voorschijn, en nadat hij deze op den vloer van het schuitje uitgespreid had, wees hij naar de uitgestrekte witte vlakte, die ten Oosten van Louis-Philippe-land gelegen is.
„Kijk eens, Mijnheer, op de beste der kaarten vindt men in deze streken geen enkel spoor van land. Men weet tot dusverre niet, wat er ten zuidoosten van het eiland Alexandrië is. Maar nu wordt dit geheim opgelost: het land, dat we zien, is zonder twijfel het verst verwijderde gedeelte van het zuidelijk vasteland, aan welks bestaan verscheidene aardrijkskundigen nog twijfelen.”
„En ik twijfel er ook nog wel wat aan,” zei de ingenieur; „maar deze twijfelingen zullen spoedig uit den weg geruimd worden, mits de wolken het land niet aan onzen blik onttrekken.”
De luchtballon vloog met eene buitengewone snelheid naarhet onbekende vasteland; na verloop van twee uren dreef hij over een eilandje heen, op welks zuidelijk gedeelte zich hooge ijsbergen verhieven, die blijkbaar door den kouden poolstroom aangevoerd waren. Het vasteland vertoonde zich aan onze reizigers in al zijne majesteit. Aan den rechter- en den linkerkant teekende zich de grillige lijn van het kustland af, dat door eene oneindige reeks van ijsbergen omgeven was. Achter de kust vertoonden zich rotsachtige en steile heuvels, die hier en daar in grillige wanorde verspreid en met eeuwige sneeuw bedekt waren. Verder in het binnenland verhief zich het vasteland in zachte hellingen, die met een dikke ijslaag bedekt waren.
De luchtballon, die nu het tot dusverre onbereikbaar geachte land bereikt had, dreef boven steile afgronden en besneeuwde bergtoppen, die het voorkomen van witte plekken op den grijsachtigen bodem der rotsen hadden. De sombere landschappen veranderden met eene verwonderlijke snelheid. De heuvels verdwenen in de verte en maakten plaats voor dalen, die met rotsblokken bedekt waren. Van eene hoogte van 2400 meters konden onze reizigers gemakkelijk al de bijzonderheden onderscheiden en de geheimen van het onbekende vasteland uitvorschen.
De kapitein, met zijn zakboek in de hand, maakte daarvan aanteekeningen en vluchtige schetsjes. Gromski sloeg de snelheid en de richting van den luchtballon zorgvuldig gade.
„We gaan wat meer naar het Oosten dan in het begin van onze reis, kapitein,” zeide hij. „Dit feit is niet bemoedigend. Ik ben al nieuwsgierig, waarheen deze zonderlinge wind ons zal brengen.”
„In allen gevalle brengt hij ons niet naar de pool,” merkte de stuurman aan, op wien de snelheid van den luchtballon een machtigen indruk maakte. „Herinnert ge u onze laatste reis nog wel, kapitein? Omstreeks twee jaren geleden vertrokken wij op sleden, met honden bespannen, naar het hartje van Groenland,” vervolgde hij, zich tot Gromski wendende. „We wilden de noordelijke kust daarvan bereiken. Zoolang ik leef, zal ik mij dezen tocht herinneren. In eene maand hadden we slechts 150 kilometers afgelegd, juist zooveel als we nu in anderhalf uur afleggen. Eindelijk kregen wij, uitgeput door ontberingen van allerlei aard, last van scheurbuik, de honden kwamen allemaal om, zoodat we bij onze terugkomst genoodzaakt waren, zelf de sleden met levensmiddelen en instrumenten voort te trekken. Verscheidene malen moesten we ravijnen, half met sneeuw gevuld, overtrekken, zooals die, welke ge hier ziet. Maar ik zou nooit aan een eind komen, als ik u alles, wat wij doorgestaan hebben, wilde vertellen; ik zal u alleen maar zeggen, dat we niet meer dan een Engelsche mijl per dag konden afleggen, en dat er, van twintig forsche en krachtige mannen, slechts twaalf overbleven, die halfdood het schip terugvonden. En nu … we vliegen over die verwenschte ijsvelden als meeuwen heen. Welk een verwonderlijk voertuig hebben we toch! Als ge het vroeger hadt vervaardigd, zouden niet zoovele zeelieden nutteloos omgekomen zijn.…”
En de brave stuurman, blijkbaar geroerd door deze treurige herinneringen, die hem echter nog versch in het geheugen lagen, haalde zijn grooten zakdoek te voorschijn en veegde er zich de oogen mee af. Daarop greep hij de hand van den ingenieur en schudde die krachtig.
„Een verwonderlijk voertuig!” herhaalde hij. „Ge zijt de knapste man, dien ik ooit van mijn leven ontmoet heb.”
De kapitein brak dit gesprek af, daar hij naar de omtrekken van een berg wees, die geheel met sneeuw bedekt was. De luchtballon, die naar het Oosten voortgestuwd werd, moest er onvermijdelijk tegen aanstooten of er vlak langs heenstrijken. Het was moeilijk om zoo in de verte de hoogte van den top te bepalen; de ingenieur geloofde intusschen, dat deze zich bijna 3000 meters boven het oppervlak van den Oceaan verhief. Daar onze luchtreizigers nog maar zeer weinig ballast inhadden, leverde de berg voor hen een geducht bezwaar op.
Gromski onderzocht het ballonnetje, dat tot reservoir van lucht diende, en bevond, dat het geheel leeg was. Hij kon dus het opstijgingsvermogen van den ballon niet op de gewone manier doen toenemen.
De ingenieur hoopte, er in te zullen slagen, den berg over te komen zonder zijne drie laatste zakken ballast te verkwisten; hij sloeg dus oplettend en met eene zekere onrust de richting gade, die de luchtballon nam. Intusschen merkte hij omstreeks zes uur, dat de hinderpaal, in plaats van zich naar rechts of naar links te verwijderen, gedurig grootere afmetingen aannam. Gromski had nu het plan, om den berg heen te gaan; maar hij bemerkte al spoedig, dat de toppen, die een kwartier geleden 50 à 60 kilometers verwijderd schenen te zijn, eensklaps op eene dreigende manier naderbij kwamen: de luchtballon ging regelrecht op de ontzaglijke rotsen af, die met reusachtige ijsmassa’s bedekt waren.
Er moest intusschen gehandeld worden.
De ingenieur wilde juist den laatsten zak met ballast uitwerpen, toen Ford hem bij den arm greep.
Een zonderling geval deed zich voor: in plaats van zijne richting naar den berg te nemen, week de luchtballon plotseling daarvan af. Onze reizigers zagen duidelijk, dat het schuitje zachtjes langs de hellingen heengleed, terwijl het de geduchte uitstekende punten der rotsen vermeed. Onder hen strekten zich eenige ijs- en sneeuwvelden uit; de ballon ging door wolken van warmen waterdamp heen, die uit diepe kloven voortkwamen, welke zich in de zijden van den berg bevonden; te midden der basaltblokken vertoonden zich breede stroomen van gestolde lava.
„’t Is een vulkaan!” riep James uit.
Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de gapende opening van den krater vertoonde zich aan hun blik; de diepten van dezen afgrond, die zich in de geheimzinnige duisternis verloren, lieten een lichten damp ontsnappen. Onze reizigers roken den verpestenden stank van den vulkaan.
„Welk een verstikkende damp!” zeide Ford, terwijl hij een leelijk gezicht trok.
Een plotselinge en hevige schok, die het geheele schuitje deed schudden, brak de woorden van den kapitein af. Gromski, die zich over den rand heenboog, werd op het reservoir van benzine geworpen. Het scheelde niet veel, of James was gevallen; gelukkig kon hij zich nog bijtijds aan een touw vastgrijpen.
Ford keek naar beneden en zag, dat de ballon tegen eene hooge rots aangekomen was, die zich naast den vulkaan bevond. Het schuitje ging er echter overheen, zonder eenigletsel te bekomen. De verpestende stank van den vulkaan verdween nog maar altijd niet, ofschoon de ballon zijn weg met eene onbeschrijfelijke snelheid vervolgde. Integendeel werd deze stank gedurig sterker.
Dit gas, door den wind meegevoerd, verpestte den geheelen dampkring. Eerst Gromski, en toen ook Ford en James, ondervonden den invloed van deze vergiftige dampen.
„Laat ons hooger stijgen, Gromski, ik kan het niet langer uithouden!” riep de kapitein uit.
Maar Gromski schudde ontkennend het hoofd. „Laat ons nog een oogenblik geduld hebben! De luchtballon begint al wat te dalen.”
Inderdaad vertoonden de sneeuw en het ijs, die de kanten van den vulkaan bedekten, zich opnieuw; maar onze reizigers gevoelden zich niet verlicht.
„Ik stik!” riep de stuurman, die er doodsbleek uitzag.
De ingenieur was zelf op het punt om flauw te vallen; hij begaf zich dus met waggelende schreden naar het touw van de klep en trok er krachtig aan. Het gas, dat nu een uitweg gevonden had, maakte gedurende eenige oogenblikken een geluid, als ware het de donder in de verte; de luchtballon daalde snel; toen de ingenieur het touw losliet, wees de barometer eene hoogte van omstreeks 1400 meters aan. Op deze hoogte was de stank van den vulkaan nog maar even te ruiken.
James ademde met welgevallen de frissche lucht in.
„Ik begrijp niet, dat we niet tegen dien verwenschten berg aangekomen zijn,” zeide hij, toen hij zijne kalmte eenigszins herkregen had.
„We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijkdezen weg heeft moeten kiezen,” antwoordde Ford. „De ballon is 200 meters hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror, een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn, want dan zouden we levend verbrand zijn.”
Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.
Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje deed gevoelen.
Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom, die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.
„We zijn nu als op een schip zonder anker,” zeide hij. „Als we nogmaals in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit te werpen.”
Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht, dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270 kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere dingen en vooral voor brandstoffen.
„Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we ons bevinden,” zeide Ford. „Het komt mij voor, dat we in de laatste veertien uren de pool hebben moeten naderen.”
Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:
„Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein.”