TIENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.TIENDE HOOFDSTUK.De worsteling.Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide, dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.„Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers van ons doel verwijderd zijn!” riep Jameshandenwringend uit. „Is er niets meer uit te werpen?”Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat niet volstrekt noodzakelijk was.„De wijn!” zeide Gromski eensklaps.„Ja, de wijn!” herhaalde Ford. „Te midden van sneeuw en ijs zal de dorst ons niet kwellen!”De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp het uit.„Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken,” zeide Gromski. „We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben.”„Voor een kwartier! En wat dan?” riep James uit.De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind eindelijk zou gaan liggen.Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van 2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in één dag zou kunnen bereiken.Maar de ijsduivel—aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed placht toe te schrijven—bekommerde zich zeer weinig om den ballon en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3denJanuari des middags de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers, nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die, zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.Nu was de worsteling eerst recht begonnen.De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas te verbranden.Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die menaflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen samenloopen.De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in zijne zijden voelt.Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen, daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert lang ergens te midden der sneeuw.„Nog maar 100 kilometers,” zeide Ford, terwijl hij eensklaps opstond. „Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen.”„Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes weken genoeg.”James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.„Het vleesch is in een vat vrij zwaar,” zeide hij. „Als ik het eens in het blik deed!”„Dat plan is uitstekend!” riep Ford uit. „We zullen op die manier ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen.”In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer, waarover de ballon heenging.„Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje af te snijden of zelf overboord te springen.”„Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit te doen,” zei de stuurman ernstig. „Maar laat ons eerst nog zooveel mogelijk voortgaan!”„Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten,” bracht Gromski in het midden.„Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!” riep de kapitein uit. „Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet heen te gaan.”„Ik ook,” voegde James er op een beslisten toon bij. „Al hadden we ook genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait.”Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.„We kunnen geene enkele schrede terugwijken,” vervolgde hij op denzelfden toon; „want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen en alles verloren zijn. Welnu,we zullen eindelijk toch wel, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!”Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel, dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al platter en platter. In één woord, de ballon was „vermoeid,” zooals James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg, twijfelde er nu aan.„Over tien minuten zullen we op eene rots stooten,” zeide James, terwijl hij zich over den rand heenboog. „Wat moet ik uitwerpen, kapitein?”„Al wat je maar wilt,” antwoordde Ford kortaf.„Er is niets meer.”„Dan de ham maar! Haast je wat!”„Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn.”„Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen ons toch niet baten.”Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts bereikte. Helaas! de krachtigste wil en degrootste geestkracht vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam hij het besluiteloos weer in handen.„Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een van die rotsen verpletterd willen worden,” zeide Gromski.„Vijf en zestig kilometers,” zeide James met een zucht. „Het zal moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool door te dringen.”„Wacht eens even!” zeide Ford.Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed het touw door, waaraan deze bevestigd was.„Wat doet ge daar?” riep Gromski uit.„Twaalf kilogrammen minder!” antwoordde de kapitein met een zegevierend gelaat; „we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland zijn.”„Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?” vroeg Gromski. „Als we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan onmogelijk.”„Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen we het ingeval van nood terugvinden.”„In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons laten!” zeide Gromski. „Ge wilt zeker den spot met mij drijven.”Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had, snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid lands, door heuvels in de verte begrensd.Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om; Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste wenkbrauwen en een verwilderden blik.„Wat scheelt er aan?” vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het Zuiden wees.Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer, besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan, waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in het oneindige verloren.Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigersnietaan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel uitbraakte. Gromski had nooit onder het getalder zoodanigen behoord, die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven: hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier, na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven de vlakte voort.„Hier is het einde van onze reis,” zeide Gromski, terwijl hij de klep van den stoomketel sloot.De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende sneeuw bijna aan.„Werp het anker uit!” riep de ingenieur, zich tot den stuurman wendende.Maar James schudde ontkennend met het hoofd.„Op een afstand van 40 kilometers van de pool onzen tocht te staken!… Dat nooit van mijn leven!”„Het kan niet anders. Je weet immers wel, dat de ballon niet verder kan gaan.”„Er bestaat nog één middel toe.”„En dat is?”„Hier is het!”En nadat de kloeke matroos haastig over den rand van het schuitje gestapt was, sprong hij uit het schuitje, voordat zijne kameraden den tijd hadden gehad om hem hierin te verhinderen.

TIENDE HOOFDSTUK.TIENDE HOOFDSTUK.De worsteling.Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide, dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.„Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers van ons doel verwijderd zijn!” riep Jameshandenwringend uit. „Is er niets meer uit te werpen?”Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat niet volstrekt noodzakelijk was.„De wijn!” zeide Gromski eensklaps.„Ja, de wijn!” herhaalde Ford. „Te midden van sneeuw en ijs zal de dorst ons niet kwellen!”De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp het uit.„Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken,” zeide Gromski. „We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben.”„Voor een kwartier! En wat dan?” riep James uit.De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind eindelijk zou gaan liggen.Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van 2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in één dag zou kunnen bereiken.Maar de ijsduivel—aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed placht toe te schrijven—bekommerde zich zeer weinig om den ballon en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3denJanuari des middags de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers, nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die, zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.Nu was de worsteling eerst recht begonnen.De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas te verbranden.Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die menaflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen samenloopen.De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in zijne zijden voelt.Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen, daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert lang ergens te midden der sneeuw.„Nog maar 100 kilometers,” zeide Ford, terwijl hij eensklaps opstond. „Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen.”„Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes weken genoeg.”James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.„Het vleesch is in een vat vrij zwaar,” zeide hij. „Als ik het eens in het blik deed!”„Dat plan is uitstekend!” riep Ford uit. „We zullen op die manier ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen.”In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer, waarover de ballon heenging.„Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje af te snijden of zelf overboord te springen.”„Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit te doen,” zei de stuurman ernstig. „Maar laat ons eerst nog zooveel mogelijk voortgaan!”„Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten,” bracht Gromski in het midden.„Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!” riep de kapitein uit. „Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet heen te gaan.”„Ik ook,” voegde James er op een beslisten toon bij. „Al hadden we ook genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait.”Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.„We kunnen geene enkele schrede terugwijken,” vervolgde hij op denzelfden toon; „want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen en alles verloren zijn. Welnu,we zullen eindelijk toch wel, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!”Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel, dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al platter en platter. In één woord, de ballon was „vermoeid,” zooals James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg, twijfelde er nu aan.„Over tien minuten zullen we op eene rots stooten,” zeide James, terwijl hij zich over den rand heenboog. „Wat moet ik uitwerpen, kapitein?”„Al wat je maar wilt,” antwoordde Ford kortaf.„Er is niets meer.”„Dan de ham maar! Haast je wat!”„Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn.”„Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen ons toch niet baten.”Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts bereikte. Helaas! de krachtigste wil en degrootste geestkracht vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam hij het besluiteloos weer in handen.„Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een van die rotsen verpletterd willen worden,” zeide Gromski.„Vijf en zestig kilometers,” zeide James met een zucht. „Het zal moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool door te dringen.”„Wacht eens even!” zeide Ford.Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed het touw door, waaraan deze bevestigd was.„Wat doet ge daar?” riep Gromski uit.„Twaalf kilogrammen minder!” antwoordde de kapitein met een zegevierend gelaat; „we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland zijn.”„Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?” vroeg Gromski. „Als we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan onmogelijk.”„Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen we het ingeval van nood terugvinden.”„In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons laten!” zeide Gromski. „Ge wilt zeker den spot met mij drijven.”Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had, snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid lands, door heuvels in de verte begrensd.Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om; Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste wenkbrauwen en een verwilderden blik.„Wat scheelt er aan?” vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het Zuiden wees.Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer, besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan, waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in het oneindige verloren.Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigersnietaan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel uitbraakte. Gromski had nooit onder het getalder zoodanigen behoord, die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven: hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier, na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven de vlakte voort.„Hier is het einde van onze reis,” zeide Gromski, terwijl hij de klep van den stoomketel sloot.De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende sneeuw bijna aan.„Werp het anker uit!” riep de ingenieur, zich tot den stuurman wendende.Maar James schudde ontkennend met het hoofd.„Op een afstand van 40 kilometers van de pool onzen tocht te staken!… Dat nooit van mijn leven!”„Het kan niet anders. Je weet immers wel, dat de ballon niet verder kan gaan.”„Er bestaat nog één middel toe.”„En dat is?”„Hier is het!”En nadat de kloeke matroos haastig over den rand van het schuitje gestapt was, sprong hij uit het schuitje, voordat zijne kameraden den tijd hadden gehad om hem hierin te verhinderen.

TIENDE HOOFDSTUK.TIENDE HOOFDSTUK.De worsteling.

TIENDE HOOFDSTUK.

Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide, dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.„Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers van ons doel verwijderd zijn!” riep Jameshandenwringend uit. „Is er niets meer uit te werpen?”Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat niet volstrekt noodzakelijk was.„De wijn!” zeide Gromski eensklaps.„Ja, de wijn!” herhaalde Ford. „Te midden van sneeuw en ijs zal de dorst ons niet kwellen!”De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp het uit.„Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken,” zeide Gromski. „We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben.”„Voor een kwartier! En wat dan?” riep James uit.De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind eindelijk zou gaan liggen.Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van 2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in één dag zou kunnen bereiken.Maar de ijsduivel—aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed placht toe te schrijven—bekommerde zich zeer weinig om den ballon en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3denJanuari des middags de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers, nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die, zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.Nu was de worsteling eerst recht begonnen.De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas te verbranden.Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die menaflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen samenloopen.De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in zijne zijden voelt.Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen, daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert lang ergens te midden der sneeuw.„Nog maar 100 kilometers,” zeide Ford, terwijl hij eensklaps opstond. „Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen.”„Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes weken genoeg.”James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.„Het vleesch is in een vat vrij zwaar,” zeide hij. „Als ik het eens in het blik deed!”„Dat plan is uitstekend!” riep Ford uit. „We zullen op die manier ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen.”In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer, waarover de ballon heenging.„Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje af te snijden of zelf overboord te springen.”„Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit te doen,” zei de stuurman ernstig. „Maar laat ons eerst nog zooveel mogelijk voortgaan!”„Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten,” bracht Gromski in het midden.„Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!” riep de kapitein uit. „Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet heen te gaan.”„Ik ook,” voegde James er op een beslisten toon bij. „Al hadden we ook genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait.”Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.„We kunnen geene enkele schrede terugwijken,” vervolgde hij op denzelfden toon; „want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen en alles verloren zijn. Welnu,we zullen eindelijk toch wel, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!”Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel, dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al platter en platter. In één woord, de ballon was „vermoeid,” zooals James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg, twijfelde er nu aan.„Over tien minuten zullen we op eene rots stooten,” zeide James, terwijl hij zich over den rand heenboog. „Wat moet ik uitwerpen, kapitein?”„Al wat je maar wilt,” antwoordde Ford kortaf.„Er is niets meer.”„Dan de ham maar! Haast je wat!”„Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn.”„Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen ons toch niet baten.”Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts bereikte. Helaas! de krachtigste wil en degrootste geestkracht vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam hij het besluiteloos weer in handen.„Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een van die rotsen verpletterd willen worden,” zeide Gromski.„Vijf en zestig kilometers,” zeide James met een zucht. „Het zal moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool door te dringen.”„Wacht eens even!” zeide Ford.Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed het touw door, waaraan deze bevestigd was.„Wat doet ge daar?” riep Gromski uit.„Twaalf kilogrammen minder!” antwoordde de kapitein met een zegevierend gelaat; „we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland zijn.”„Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?” vroeg Gromski. „Als we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan onmogelijk.”„Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen we het ingeval van nood terugvinden.”„In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons laten!” zeide Gromski. „Ge wilt zeker den spot met mij drijven.”Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had, snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid lands, door heuvels in de verte begrensd.Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om; Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste wenkbrauwen en een verwilderden blik.„Wat scheelt er aan?” vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het Zuiden wees.Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer, besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan, waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in het oneindige verloren.Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigersnietaan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel uitbraakte. Gromski had nooit onder het getalder zoodanigen behoord, die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven: hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier, na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven de vlakte voort.„Hier is het einde van onze reis,” zeide Gromski, terwijl hij de klep van den stoomketel sloot.De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende sneeuw bijna aan.„Werp het anker uit!” riep de ingenieur, zich tot den stuurman wendende.Maar James schudde ontkennend met het hoofd.„Op een afstand van 40 kilometers van de pool onzen tocht te staken!… Dat nooit van mijn leven!”„Het kan niet anders. Je weet immers wel, dat de ballon niet verder kan gaan.”„Er bestaat nog één middel toe.”„En dat is?”„Hier is het!”En nadat de kloeke matroos haastig over den rand van het schuitje gestapt was, sprong hij uit het schuitje, voordat zijne kameraden den tijd hadden gehad om hem hierin te verhinderen.

Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.

De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide, dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.

„Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers van ons doel verwijderd zijn!” riep Jameshandenwringend uit. „Is er niets meer uit te werpen?”

Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat niet volstrekt noodzakelijk was.

„De wijn!” zeide Gromski eensklaps.

„Ja, de wijn!” herhaalde Ford. „Te midden van sneeuw en ijs zal de dorst ons niet kwellen!”

De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp het uit.

„Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken,” zeide Gromski. „We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben.”

„Voor een kwartier! En wat dan?” riep James uit.

De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind eindelijk zou gaan liggen.

Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.

Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van 2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in één dag zou kunnen bereiken.

Maar de ijsduivel—aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed placht toe te schrijven—bekommerde zich zeer weinig om den ballon en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3denJanuari des middags de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers, nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die, zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.

Nu was de worsteling eerst recht begonnen.

De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas te verbranden.

Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die menaflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen samenloopen.

De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in zijne zijden voelt.

Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen, daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.

Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert lang ergens te midden der sneeuw.

„Nog maar 100 kilometers,” zeide Ford, terwijl hij eensklaps opstond. „Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen.”

„Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes weken genoeg.”

James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.

„Het vleesch is in een vat vrij zwaar,” zeide hij. „Als ik het eens in het blik deed!”

„Dat plan is uitstekend!” riep Ford uit. „We zullen op die manier ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen.”

In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer, waarover de ballon heenging.

„Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje af te snijden of zelf overboord te springen.”

„Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit te doen,” zei de stuurman ernstig. „Maar laat ons eerst nog zooveel mogelijk voortgaan!”

„Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten,” bracht Gromski in het midden.

„Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!” riep de kapitein uit. „Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet heen te gaan.”

„Ik ook,” voegde James er op een beslisten toon bij. „Al hadden we ook genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait.”

Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.

„We kunnen geene enkele schrede terugwijken,” vervolgde hij op denzelfden toon; „want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen en alles verloren zijn. Welnu,we zullen eindelijk toch wel, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!”

Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel, dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al platter en platter. In één woord, de ballon was „vermoeid,” zooals James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg, twijfelde er nu aan.

„Over tien minuten zullen we op eene rots stooten,” zeide James, terwijl hij zich over den rand heenboog. „Wat moet ik uitwerpen, kapitein?”

„Al wat je maar wilt,” antwoordde Ford kortaf.

„Er is niets meer.”

„Dan de ham maar! Haast je wat!”

„Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn.”

„Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen ons toch niet baten.”

Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.

De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts bereikte. Helaas! de krachtigste wil en degrootste geestkracht vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.

Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam hij het besluiteloos weer in handen.

„Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een van die rotsen verpletterd willen worden,” zeide Gromski.

„Vijf en zestig kilometers,” zeide James met een zucht. „Het zal moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool door te dringen.”

„Wacht eens even!” zeide Ford.

Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed het touw door, waaraan deze bevestigd was.

„Wat doet ge daar?” riep Gromski uit.

„Twaalf kilogrammen minder!” antwoordde de kapitein met een zegevierend gelaat; „we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland zijn.”

„Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?” vroeg Gromski. „Als we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan onmogelijk.”

„Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen we het ingeval van nood terugvinden.”

„In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons laten!” zeide Gromski. „Ge wilt zeker den spot met mij drijven.”

Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had, snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid lands, door heuvels in de verte begrensd.

Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om; Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste wenkbrauwen en een verwilderden blik.

„Wat scheelt er aan?” vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.

Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het Zuiden wees.

Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer, besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan, waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in het oneindige verloren.

Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigersnietaan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel uitbraakte. Gromski had nooit onder het getalder zoodanigen behoord, die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven: hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier, na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven de vlakte voort.

„Hier is het einde van onze reis,” zeide Gromski, terwijl hij de klep van den stoomketel sloot.

De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.

De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende sneeuw bijna aan.

„Werp het anker uit!” riep de ingenieur, zich tot den stuurman wendende.

Maar James schudde ontkennend met het hoofd.

„Op een afstand van 40 kilometers van de pool onzen tocht te staken!… Dat nooit van mijn leven!”

„Het kan niet anders. Je weet immers wel, dat de ballon niet verder kan gaan.”

„Er bestaat nog één middel toe.”

„En dat is?”

„Hier is het!”

En nadat de kloeke matroos haastig over den rand van het schuitje gestapt was, sprong hij uit het schuitje, voordat zijne kameraden den tijd hadden gehad om hem hierin te verhinderen.


Back to IndexNext