VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Eene jacht op walrussen.Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers zich thans bevonden.De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon weder doen opzwellen. Maar op de geheeleoppervlakte van het uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas, dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen, die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn, weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het ellendige lot, dat de „World” in zijn merkwaardig artikel reeds had voorspeld.De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de treurige werkelijkheid.Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding haddenlaten varen, verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der wetenschap te besteden.Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische, magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.„We zullen op onzen post sterven,” herhaalde hij. „De resultaten van onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen.”James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem voortdurend bij zijne werkzaamheden.Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den tocht had doen mislukken?Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur, en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen, zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond, alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.Er verliep eene week.Op den 25stenFebruari, toen de kapitein juist bezig was met het opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde Ford en was hem blijkbaar aangenaam.„Zoo! Gij hier, Mijnheer?” vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur opteekende. „Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen arbeid te nemen, niet waar?”Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand, waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het tegenwoordige niet.„Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht,” zeide Gromski, terwijl hij een blik om zich heen sloeg. „Ik geloof, dat ge plan hebt om hier nog lang te blijven.”Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van Ford trok.„Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking hebben,” antwoordde de kapitein. „Ook ik heb plan om eens een tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland van de Zuidpool inloopt.”„Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen afzien,” zeide Gromski.„En waarom?”„Omdat.… omdat we terugkeeren.…”Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een antwoord vond.„Wat? Keeren we terug?” vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote oogen opzette.„Op de eenvoudigste manier, kapitein,” antwoordde Gromski koel. „We zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië: in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel.”„Dus natuurlijk te voet,” zeide James, die het gesprek met eene onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.„Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming,” zeide Gromski. „Je zult toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn plan is gewaagd—dat moet ik erkennen—en ik reken er ook volstrekt niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers niets meer te verliezen?”„Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee terugkeeren, Mijnheer?”„Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken.”Ford maakte een gebaar van ongeduld.„Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht tevullen, dan wil ik liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We zullen het met zulk een ballon niet ver brengen.”„Ik denk niet aan warme lucht.”„Dan aan gas?” vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.„Aan waterdamp, kapitein.”„Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?”„Ik spreek in vollen ernst, kapitein,” antwoordde Gromski, terwijl hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. „Ik heb rijpelijk over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u, als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan daaruit en drijven toch in de lucht.”„Maar met de wolken is het een heel ander geval.”„Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken, dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik, luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp wilde vullen?”„Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst worden.…”„Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers af te leggen, als weniet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te verhinderen.”„Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet, geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine.”„Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven.”Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij op en omhelsde den kapitein.„We zullen dus vertrekken,” mompelde James. „Ik begin te gelooven, dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken, dan zijt ge een toovenaar.”Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag berustten.„Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën maken,” zeide Gromski. „Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk vasteland zullen omkomen.”„Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis,” mompelde de stuurman.„Daalt de barometer niet?” vroeg de ingenieur na een oogenblik van stilzwijgen.„Ja, een weinig.”„Dat is goed! We moeten een storm hebben.”„Wilt ge dan met een storm vertrekken?”„Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers van hier dalen.”„Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?”„Ja, kapitein.”Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland en den Oceaan over te steken!Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen, waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun treurig lot.Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan den arbeid.Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800 grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.„Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen,” zei de kapitein. „Als we ons eens aan het ballonnetje toevertrouwden … Misschien zou dat ons wel kunnen dragen.”„Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt.”„Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden,” zeide James, die zich nu ook in het gesprek mengde.„Heb je dan hout?” vroeg Gromski schouderophalend. „Ik wil wedden, dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan.”„Ik heb niet van hout gesproken,” antwoordde de stuurman eenigszins geraakt.„Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?”In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman geheimzinnig.„Dat is mijn zaak,” antwoordde hij.„Ik verbind mij om u binnen acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo’s zich ook bedienen.”„Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt.”„Niets dan een ketel, Mijnheer.”„Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen.”„En deze bol dan?” vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine van aluminium wees.„Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij je maar verbindt om de brandstof te verschaffen.”„Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt.”„Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt.”„Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer.”En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen te volvoeren.De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was, volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in de Noordpoolstreken aantreft.Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote en stevige lansen.„Wilt gij mij helpen?” vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze zonderlinge wapenen naar hem toe ging.„Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten strijde trekken?”„Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver of, wat nog beter is, geef die aan denkapitein. Bij gebreke van een beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn.”„Wanneer zullen we den oorlog beginnen?”„Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op ons. Komaan!”Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was, toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.„Dáár is onze brandstof, Mijnheer,” zeide hij.Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende daarin tot zijne verbazing levende wezens.„Maar dat zijn robben!” riep de ingenieur lachende uit.„Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben,” antwoordde James.„O, nu begrijp ik het al!” zeide Gromski; „je wilt het vet van deze dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn.”„En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze woestijn zou kunnen brengen.”„Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?”„We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk vuur zal opleveren.”Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.„Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers te doen gehad,” zeide hij. „Die arme dieren zullen nu te weten komen, dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is.”Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes, die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke bezigheden.„Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!” riep de stuurman uit, terwijl hij zijn stok ophief. „Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste plek van deze monsters.”Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje, dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren, die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad toe.Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts vijf dooden overbleven.„Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie krijgen,” zei de stuurman, terwijl bij de hand op eenzijner slachtoffers legde. „Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben, omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden hebben bijeengebracht.”„Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep,” zeide Gromski, terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar de zee afliep.Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd had, volgde den stuurman.„Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen hebben,” zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks dertig schreden van den troep bleef staan. „Ik ben al nieuwsgierig om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?”En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters, stoutmoedig voorwaarts.Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds aangevallen dier juist tusschen de oogen.Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af, dat duchtig tegenspartelde.„Hoera!” riep James uit. „Maar laat ons haast maken, daar deze dieren eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben.”Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus van eene buitengewone lichaamsgrootte.Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich, terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James, die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende kloof neer.Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestandvan den kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht, dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was, richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke lichaam van het monster weg.„Neem de vlucht!” riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide, waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen, die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.„Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven,” riep Ford uit, terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. „We moeten hem redden!”De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de vlucht genomen hadden.Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn, bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen, waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.„Verloren!”Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die, hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen, begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.„Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden zijn,” zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. „Ge zijt, hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?”Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur zoo juist bijtijds gedood had.„Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig uit!” merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein onderzocht had.„Je hebt daarop te veel gebouwd,” antwoordde Gromski. „Misschien hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben terstond onze bedoelingen geraden.”De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de luchtballon zich bevond.Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en walrussen de huid af te stroopen.Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28stenFebruari begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de rotskloven verzameld had.De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had; want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden, met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.Op den 5denMaart was alles, wat er noodig was om waterdamp te verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik, waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis aan te leggen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Eene jacht op walrussen.Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers zich thans bevonden.De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon weder doen opzwellen. Maar op de geheeleoppervlakte van het uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas, dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen, die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn, weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het ellendige lot, dat de „World” in zijn merkwaardig artikel reeds had voorspeld.De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de treurige werkelijkheid.Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding haddenlaten varen, verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der wetenschap te besteden.Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische, magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.„We zullen op onzen post sterven,” herhaalde hij. „De resultaten van onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen.”James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem voortdurend bij zijne werkzaamheden.Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den tocht had doen mislukken?Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur, en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen, zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond, alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.Er verliep eene week.Op den 25stenFebruari, toen de kapitein juist bezig was met het opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde Ford en was hem blijkbaar aangenaam.„Zoo! Gij hier, Mijnheer?” vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur opteekende. „Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen arbeid te nemen, niet waar?”Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand, waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het tegenwoordige niet.„Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht,” zeide Gromski, terwijl hij een blik om zich heen sloeg. „Ik geloof, dat ge plan hebt om hier nog lang te blijven.”Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van Ford trok.„Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking hebben,” antwoordde de kapitein. „Ook ik heb plan om eens een tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland van de Zuidpool inloopt.”„Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen afzien,” zeide Gromski.„En waarom?”„Omdat.… omdat we terugkeeren.…”Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een antwoord vond.„Wat? Keeren we terug?” vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote oogen opzette.„Op de eenvoudigste manier, kapitein,” antwoordde Gromski koel. „We zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië: in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel.”„Dus natuurlijk te voet,” zeide James, die het gesprek met eene onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.„Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming,” zeide Gromski. „Je zult toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn plan is gewaagd—dat moet ik erkennen—en ik reken er ook volstrekt niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers niets meer te verliezen?”„Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee terugkeeren, Mijnheer?”„Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken.”Ford maakte een gebaar van ongeduld.„Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht tevullen, dan wil ik liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We zullen het met zulk een ballon niet ver brengen.”„Ik denk niet aan warme lucht.”„Dan aan gas?” vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.„Aan waterdamp, kapitein.”„Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?”„Ik spreek in vollen ernst, kapitein,” antwoordde Gromski, terwijl hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. „Ik heb rijpelijk over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u, als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan daaruit en drijven toch in de lucht.”„Maar met de wolken is het een heel ander geval.”„Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken, dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik, luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp wilde vullen?”„Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst worden.…”„Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers af te leggen, als weniet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te verhinderen.”„Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet, geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine.”„Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven.”Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij op en omhelsde den kapitein.„We zullen dus vertrekken,” mompelde James. „Ik begin te gelooven, dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken, dan zijt ge een toovenaar.”Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag berustten.„Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën maken,” zeide Gromski. „Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk vasteland zullen omkomen.”„Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis,” mompelde de stuurman.„Daalt de barometer niet?” vroeg de ingenieur na een oogenblik van stilzwijgen.„Ja, een weinig.”„Dat is goed! We moeten een storm hebben.”„Wilt ge dan met een storm vertrekken?”„Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers van hier dalen.”„Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?”„Ja, kapitein.”Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland en den Oceaan over te steken!Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen, waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun treurig lot.Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan den arbeid.Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800 grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.„Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen,” zei de kapitein. „Als we ons eens aan het ballonnetje toevertrouwden … Misschien zou dat ons wel kunnen dragen.”„Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt.”„Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden,” zeide James, die zich nu ook in het gesprek mengde.„Heb je dan hout?” vroeg Gromski schouderophalend. „Ik wil wedden, dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan.”„Ik heb niet van hout gesproken,” antwoordde de stuurman eenigszins geraakt.„Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?”In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman geheimzinnig.„Dat is mijn zaak,” antwoordde hij.„Ik verbind mij om u binnen acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo’s zich ook bedienen.”„Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt.”„Niets dan een ketel, Mijnheer.”„Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen.”„En deze bol dan?” vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine van aluminium wees.„Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij je maar verbindt om de brandstof te verschaffen.”„Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt.”„Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt.”„Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer.”En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen te volvoeren.De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was, volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in de Noordpoolstreken aantreft.Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote en stevige lansen.„Wilt gij mij helpen?” vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze zonderlinge wapenen naar hem toe ging.„Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten strijde trekken?”„Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver of, wat nog beter is, geef die aan denkapitein. Bij gebreke van een beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn.”„Wanneer zullen we den oorlog beginnen?”„Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op ons. Komaan!”Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was, toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.„Dáár is onze brandstof, Mijnheer,” zeide hij.Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende daarin tot zijne verbazing levende wezens.„Maar dat zijn robben!” riep de ingenieur lachende uit.„Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben,” antwoordde James.„O, nu begrijp ik het al!” zeide Gromski; „je wilt het vet van deze dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn.”„En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze woestijn zou kunnen brengen.”„Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?”„We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk vuur zal opleveren.”Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.„Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers te doen gehad,” zeide hij. „Die arme dieren zullen nu te weten komen, dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is.”Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes, die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke bezigheden.„Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!” riep de stuurman uit, terwijl hij zijn stok ophief. „Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste plek van deze monsters.”Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje, dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren, die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad toe.Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts vijf dooden overbleven.„Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie krijgen,” zei de stuurman, terwijl bij de hand op eenzijner slachtoffers legde. „Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben, omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden hebben bijeengebracht.”„Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep,” zeide Gromski, terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar de zee afliep.Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd had, volgde den stuurman.„Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen hebben,” zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks dertig schreden van den troep bleef staan. „Ik ben al nieuwsgierig om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?”En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters, stoutmoedig voorwaarts.Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds aangevallen dier juist tusschen de oogen.Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af, dat duchtig tegenspartelde.„Hoera!” riep James uit. „Maar laat ons haast maken, daar deze dieren eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben.”Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus van eene buitengewone lichaamsgrootte.Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich, terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James, die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende kloof neer.Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestandvan den kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht, dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was, richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke lichaam van het monster weg.„Neem de vlucht!” riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide, waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen, die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.„Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven,” riep Ford uit, terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. „We moeten hem redden!”De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de vlucht genomen hadden.Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn, bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen, waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.„Verloren!”Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die, hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen, begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.„Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden zijn,” zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. „Ge zijt, hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?”Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur zoo juist bijtijds gedood had.„Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig uit!” merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein onderzocht had.„Je hebt daarop te veel gebouwd,” antwoordde Gromski. „Misschien hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben terstond onze bedoelingen geraden.”De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de luchtballon zich bevond.Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en walrussen de huid af te stroopen.Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28stenFebruari begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de rotskloven verzameld had.De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had; want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden, met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.Op den 5denMaart was alles, wat er noodig was om waterdamp te verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik, waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis aan te leggen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Eene jacht op walrussen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers zich thans bevonden.De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon weder doen opzwellen. Maar op de geheeleoppervlakte van het uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas, dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen, die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn, weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het ellendige lot, dat de „World” in zijn merkwaardig artikel reeds had voorspeld.De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de treurige werkelijkheid.Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding haddenlaten varen, verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der wetenschap te besteden.Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische, magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.„We zullen op onzen post sterven,” herhaalde hij. „De resultaten van onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen.”James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem voortdurend bij zijne werkzaamheden.Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den tocht had doen mislukken?Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur, en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen, zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond, alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.Er verliep eene week.Op den 25stenFebruari, toen de kapitein juist bezig was met het opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde Ford en was hem blijkbaar aangenaam.„Zoo! Gij hier, Mijnheer?” vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur opteekende. „Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen arbeid te nemen, niet waar?”Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand, waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het tegenwoordige niet.„Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht,” zeide Gromski, terwijl hij een blik om zich heen sloeg. „Ik geloof, dat ge plan hebt om hier nog lang te blijven.”Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van Ford trok.„Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking hebben,” antwoordde de kapitein. „Ook ik heb plan om eens een tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland van de Zuidpool inloopt.”„Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen afzien,” zeide Gromski.„En waarom?”„Omdat.… omdat we terugkeeren.…”Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een antwoord vond.„Wat? Keeren we terug?” vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote oogen opzette.„Op de eenvoudigste manier, kapitein,” antwoordde Gromski koel. „We zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië: in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel.”„Dus natuurlijk te voet,” zeide James, die het gesprek met eene onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.„Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming,” zeide Gromski. „Je zult toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn plan is gewaagd—dat moet ik erkennen—en ik reken er ook volstrekt niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers niets meer te verliezen?”„Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee terugkeeren, Mijnheer?”„Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken.”Ford maakte een gebaar van ongeduld.„Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht tevullen, dan wil ik liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We zullen het met zulk een ballon niet ver brengen.”„Ik denk niet aan warme lucht.”„Dan aan gas?” vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.„Aan waterdamp, kapitein.”„Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?”„Ik spreek in vollen ernst, kapitein,” antwoordde Gromski, terwijl hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. „Ik heb rijpelijk over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u, als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan daaruit en drijven toch in de lucht.”„Maar met de wolken is het een heel ander geval.”„Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken, dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik, luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp wilde vullen?”„Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst worden.…”„Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers af te leggen, als weniet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te verhinderen.”„Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet, geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine.”„Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven.”Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij op en omhelsde den kapitein.„We zullen dus vertrekken,” mompelde James. „Ik begin te gelooven, dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken, dan zijt ge een toovenaar.”Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag berustten.„Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën maken,” zeide Gromski. „Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk vasteland zullen omkomen.”„Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis,” mompelde de stuurman.„Daalt de barometer niet?” vroeg de ingenieur na een oogenblik van stilzwijgen.„Ja, een weinig.”„Dat is goed! We moeten een storm hebben.”„Wilt ge dan met een storm vertrekken?”„Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers van hier dalen.”„Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?”„Ja, kapitein.”Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland en den Oceaan over te steken!Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen, waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun treurig lot.Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan den arbeid.Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800 grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.„Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen,” zei de kapitein. „Als we ons eens aan het ballonnetje toevertrouwden … Misschien zou dat ons wel kunnen dragen.”„Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt.”„Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden,” zeide James, die zich nu ook in het gesprek mengde.„Heb je dan hout?” vroeg Gromski schouderophalend. „Ik wil wedden, dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan.”„Ik heb niet van hout gesproken,” antwoordde de stuurman eenigszins geraakt.„Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?”In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman geheimzinnig.„Dat is mijn zaak,” antwoordde hij.„Ik verbind mij om u binnen acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo’s zich ook bedienen.”„Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt.”„Niets dan een ketel, Mijnheer.”„Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen.”„En deze bol dan?” vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine van aluminium wees.„Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij je maar verbindt om de brandstof te verschaffen.”„Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt.”„Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt.”„Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer.”En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen te volvoeren.De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was, volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in de Noordpoolstreken aantreft.Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote en stevige lansen.„Wilt gij mij helpen?” vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze zonderlinge wapenen naar hem toe ging.„Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten strijde trekken?”„Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver of, wat nog beter is, geef die aan denkapitein. Bij gebreke van een beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn.”„Wanneer zullen we den oorlog beginnen?”„Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op ons. Komaan!”Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was, toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.„Dáár is onze brandstof, Mijnheer,” zeide hij.Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende daarin tot zijne verbazing levende wezens.„Maar dat zijn robben!” riep de ingenieur lachende uit.„Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben,” antwoordde James.„O, nu begrijp ik het al!” zeide Gromski; „je wilt het vet van deze dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn.”„En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze woestijn zou kunnen brengen.”„Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?”„We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk vuur zal opleveren.”Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.„Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers te doen gehad,” zeide hij. „Die arme dieren zullen nu te weten komen, dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is.”Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes, die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke bezigheden.„Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!” riep de stuurman uit, terwijl hij zijn stok ophief. „Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste plek van deze monsters.”Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje, dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren, die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad toe.Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts vijf dooden overbleven.„Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie krijgen,” zei de stuurman, terwijl bij de hand op eenzijner slachtoffers legde. „Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben, omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden hebben bijeengebracht.”„Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep,” zeide Gromski, terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar de zee afliep.Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd had, volgde den stuurman.„Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen hebben,” zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks dertig schreden van den troep bleef staan. „Ik ben al nieuwsgierig om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?”En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters, stoutmoedig voorwaarts.Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds aangevallen dier juist tusschen de oogen.Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af, dat duchtig tegenspartelde.„Hoera!” riep James uit. „Maar laat ons haast maken, daar deze dieren eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben.”Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus van eene buitengewone lichaamsgrootte.Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich, terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James, die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende kloof neer.Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestandvan den kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht, dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was, richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke lichaam van het monster weg.„Neem de vlucht!” riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide, waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen, die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.„Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven,” riep Ford uit, terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. „We moeten hem redden!”De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de vlucht genomen hadden.Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn, bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen, waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.„Verloren!”Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die, hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen, begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.„Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden zijn,” zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. „Ge zijt, hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?”Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur zoo juist bijtijds gedood had.„Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig uit!” merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein onderzocht had.„Je hebt daarop te veel gebouwd,” antwoordde Gromski. „Misschien hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben terstond onze bedoelingen geraden.”De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de luchtballon zich bevond.Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en walrussen de huid af te stroopen.Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28stenFebruari begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de rotskloven verzameld had.De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had; want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden, met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.Op den 5denMaart was alles, wat er noodig was om waterdamp te verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik, waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis aan te leggen.
Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers zich thans bevonden.
De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.
Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon weder doen opzwellen. Maar op de geheeleoppervlakte van het uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas, dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?
Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen, die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn, weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het ellendige lot, dat de „World” in zijn merkwaardig artikel reeds had voorspeld.
De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de treurige werkelijkheid.
Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding haddenlaten varen, verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der wetenschap te besteden.
Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische, magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.
„We zullen op onzen post sterven,” herhaalde hij. „De resultaten van onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen.”
James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem voortdurend bij zijne werkzaamheden.
Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.
Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den tocht had doen mislukken?
Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur, en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.
In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen, zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond, alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.
Er verliep eene week.
Op den 25stenFebruari, toen de kapitein juist bezig was met het opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde Ford en was hem blijkbaar aangenaam.
„Zoo! Gij hier, Mijnheer?” vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur opteekende. „Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen arbeid te nemen, niet waar?”
Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand, waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het tegenwoordige niet.
„Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht,” zeide Gromski, terwijl hij een blik om zich heen sloeg. „Ik geloof, dat ge plan hebt om hier nog lang te blijven.”
Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van Ford trok.
„Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking hebben,” antwoordde de kapitein. „Ook ik heb plan om eens een tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland van de Zuidpool inloopt.”
„Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen afzien,” zeide Gromski.
„En waarom?”
„Omdat.… omdat we terugkeeren.…”
Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een antwoord vond.
„Wat? Keeren we terug?” vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote oogen opzette.
„Op de eenvoudigste manier, kapitein,” antwoordde Gromski koel. „We zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië: in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel.”
„Dus natuurlijk te voet,” zeide James, die het gesprek met eene onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.
Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.
„Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming,” zeide Gromski. „Je zult toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn plan is gewaagd—dat moet ik erkennen—en ik reken er ook volstrekt niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers niets meer te verliezen?”
„Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee terugkeeren, Mijnheer?”
„Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken.”
Ford maakte een gebaar van ongeduld.
„Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht tevullen, dan wil ik liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We zullen het met zulk een ballon niet ver brengen.”
„Ik denk niet aan warme lucht.”
„Dan aan gas?” vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.
„Aan waterdamp, kapitein.”
„Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?”
„Ik spreek in vollen ernst, kapitein,” antwoordde Gromski, terwijl hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. „Ik heb rijpelijk over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u, als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan daaruit en drijven toch in de lucht.”
„Maar met de wolken is het een heel ander geval.”
„Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken, dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik, luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp wilde vullen?”
„Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst worden.…”
„Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers af te leggen, als weniet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te verhinderen.”
„Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet, geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine.”
„Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven.”
Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij op en omhelsde den kapitein.
„We zullen dus vertrekken,” mompelde James. „Ik begin te gelooven, dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken, dan zijt ge een toovenaar.”
Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag berustten.
„Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën maken,” zeide Gromski. „Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk vasteland zullen omkomen.”
„Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis,” mompelde de stuurman.
„Daalt de barometer niet?” vroeg de ingenieur na een oogenblik van stilzwijgen.
„Ja, een weinig.”
„Dat is goed! We moeten een storm hebben.”
„Wilt ge dan met een storm vertrekken?”
„Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers van hier dalen.”
„Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?”
„Ja, kapitein.”
Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.
Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland en den Oceaan over te steken!
Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.
Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.
Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen, waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun treurig lot.
Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan den arbeid.
Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800 grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.
„Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen,” zei de kapitein. „Als we ons eens aan het ballonnetje toevertrouwden … Misschien zou dat ons wel kunnen dragen.”
„Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt.”
„Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden,” zeide James, die zich nu ook in het gesprek mengde.
„Heb je dan hout?” vroeg Gromski schouderophalend. „Ik wil wedden, dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan.”
„Ik heb niet van hout gesproken,” antwoordde de stuurman eenigszins geraakt.
„Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?”
In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman geheimzinnig.
„Dat is mijn zaak,” antwoordde hij.„Ik verbind mij om u binnen acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo’s zich ook bedienen.”
„Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt.”
„Niets dan een ketel, Mijnheer.”
„Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen.”
„En deze bol dan?” vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine van aluminium wees.
„Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij je maar verbindt om de brandstof te verschaffen.”
„Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt.”
„Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt.”
„Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer.”
En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen te volvoeren.
De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was, volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in de Noordpoolstreken aantreft.
Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote en stevige lansen.
„Wilt gij mij helpen?” vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze zonderlinge wapenen naar hem toe ging.
„Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten strijde trekken?”
„Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver of, wat nog beter is, geef die aan denkapitein. Bij gebreke van een beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn.”
„Wanneer zullen we den oorlog beginnen?”
„Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op ons. Komaan!”
Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was, toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.
„Dáár is onze brandstof, Mijnheer,” zeide hij.
Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende daarin tot zijne verbazing levende wezens.
„Maar dat zijn robben!” riep de ingenieur lachende uit.
„Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben,” antwoordde James.
„O, nu begrijp ik het al!” zeide Gromski; „je wilt het vet van deze dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn.”
„En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze woestijn zou kunnen brengen.”
„Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?”
„We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk vuur zal opleveren.”
Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.
„Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers te doen gehad,” zeide hij. „Die arme dieren zullen nu te weten komen, dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is.”
Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes, die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke bezigheden.
„Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!” riep de stuurman uit, terwijl hij zijn stok ophief. „Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste plek van deze monsters.”
Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje, dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren, die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad toe.
Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.
Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts vijf dooden overbleven.
„Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie krijgen,” zei de stuurman, terwijl bij de hand op eenzijner slachtoffers legde. „Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben, omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden hebben bijeengebracht.”
„Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep,” zeide Gromski, terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar de zee afliep.
Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd had, volgde den stuurman.
„Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen hebben,” zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks dertig schreden van den troep bleef staan. „Ik ben al nieuwsgierig om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?”
En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters, stoutmoedig voorwaarts.
Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds aangevallen dier juist tusschen de oogen.
Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af, dat duchtig tegenspartelde.
„Hoera!” riep James uit. „Maar laat ons haast maken, daar deze dieren eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben.”
Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus van eene buitengewone lichaamsgrootte.
Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich, terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James, die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.
James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende kloof neer.
Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestandvan den kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht, dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.
Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.
Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.
Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was, richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke lichaam van het monster weg.
„Neem de vlucht!” riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.
Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide, waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.
Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen, die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.
„Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven,” riep Ford uit, terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. „We moeten hem redden!”
De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de vlucht genomen hadden.
Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn, bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen, waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.
Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.
„Verloren!”
Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die, hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen, begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.
De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.
„Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden zijn,” zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. „Ge zijt, hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?”
Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur zoo juist bijtijds gedood had.
„Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig uit!” merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein onderzocht had.
„Je hebt daarop te veel gebouwd,” antwoordde Gromski. „Misschien hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben terstond onze bedoelingen geraden.”
De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de luchtballon zich bevond.
Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en walrussen de huid af te stroopen.
Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28stenFebruari begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de rotskloven verzameld had.
De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had; want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden, met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.
Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.
Op den 5denMaart was alles, wat er noodig was om waterdamp te verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik, waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis aan te leggen.