ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Op een ijsberg in den Oceaan.De ijsberg, waarop onze reizigers zoo onvoorziens waren geworpen, was geene veilige schuilplaats. Deze ijsberg was een stuk van een ijsveld, dat door talrijke en diepe spleten doorboord was, die bij iederen nieuwen aanval der golven in omvang toenamen. Deze geheele massa dreef op het oppervlak van den Oceaan rond en stond ieder oogenblik bloot aan het gevaar, het evenwicht te verliezen en om te kantelen. De ingenieur en zijne metgezellen hielden zich met de uiterste moeite vast aan eene plek, die telkens met het schuim der golven bedekt werd. De eerste de beste golf, die kwam aanrollen, kon hen in zee doen storten. Daar de kapitein dit wel voorzag, keek hij naar eene veiligere plaats rond. Eenige voeten hooger bevond zich eene holte, die door verscheidene bergjes omgeven en in het midden van den ijsberg gelegen was. Het hobbelige oppervlak van den berg bood een vrij stevigen steun voor de voeten aan.Zonder verder na te denken, begon Ford naar de gekozenplaats te klimmen. Na verloop van eenige oogenblikken zat hij in deze soort van schuilplaats, die de hoogste golven niet meer konden bereiken.Op aansporing van den kapitein besloten de ingenieur en James, insgelijks hun fortuin te beproeven. Maar het waagstuk, waarin Ford gelukkig geslaagd was, zou bijna noodlottig voor zijne beide metgezellen afgeloopen zijn. Een ontzaglijke golf sloeg over den stuurman heen en zou hem zonder twijfel in zee hebben doen vallen, indien Gromski er niet in geslaagd was, hem vast te houden.Gebruik makende van de tusschenruimte tusschen twee golven, bereikten de reizigers echter de kloof, waar zij volkomen beveiligd waren tegen de golven, die op de zijden van den ijsberg braken.Een hooge ijsmuur, die zich aan den windkant verhief, beschermde onze helden volkomen tegen de jachtsneeuw. De stuurman ontdekte aan den voet van dezen muur eene kleine grot en kroop daar onmiddellijk in.De luchtschipbreukelingen, die van koude verstijfd en tot op het hemd doornat waren, sloegen van uit hunne schuilplaats wanhopige blikken op den Oceaan. Waarom hadden zij den dood afgeweerd, die zijne kaken reeds voor hen opsperde? Was het om kort daarna een anderen dood te sterven, honderdmaal verschrikkelijker, den dood tengevolge van honger en koude?De stuurman, die de zaken gewoonlijk nog al luchtig placht op te nemen, verwenschte luide zijne lafhartigheid, die hem had aangedreven, eene twijfelachtige schuilplaats op den ijsberg te zoeken.„We zouden anders reeds lang in het water omgekomenzijn,” zeide hij; „en nu moeten we opnieuw het einde afwachten.”De oude zeeman was blijkbaar ter prooi aan dezelfde marteling, welke een man ondergaat, die de voltrekking van zijn doodvonnis afwacht.„Houd je maar kalm, James!” zei de ingenieur met een bitteren grimlach. „Het oogenblik is nabij, waarop deze berg zal omkeeren: een enkele groote golf zal daartoe voldoende zijn.”„Dat zal zoo gauw nog niet gebeuren,” merkte Ford aan. „Ge vergeet, dat de ijsberg, waarop we ons bevinden, meer dan tien meters boven het water uitsteekt; het gedeelte, dat zich onder water bevindt, heeft omstreeks eene achtmaal grootere afmeting. De Oceaan of de golven of de orkaan zullen niet in staat zijn om zulk eene massa om te keeren. De ijsbergen vertoonen zich dikwijls op 54 graden breedte; in het noordelijk halfrond bereiken zij dikwijls den 46stengraad. De koude winden, die van de polen naar de evennachtslijn gaan, drijven ze dikwijls zelfs tot in de gematigde luchtstreek voort. Het is dus mogelijk, dat we eene lange reis zullen doen, die zoolang zal duren, totdat onze ijsberg onder den invloed der zonnestralen geheel gesmolten is.”„Maar is het wel zeker, dat we voortgaan?”„De wind stuwt ons zonder eenigen twijfel voort of misschien wel eenige stroom; anders zou deze ijsberg niet van de kust van het zuidelijk vasteland, waar zij zich van het ijsveld gescheiden heeft, weggedreven zijn.”„We hebben dus den tijd om driemaal van honger en koude te sterven,” zeide Gromski.James ondersteunde de opmerking van den ingenieur met een krachtigen matrozenvloek.„Zou de weg, dien we met dezen storm afgelegd hebben, aanzienlijk zijn?” vroeg hij na eenige oogenblikken van stilzwijgen.Gromski haalde de schouders op.„Wat weet ik daarvan?” antwoordde hij. „Misschien een mijl, misschien wel drie duizend kilometers. Binnen eenige uren zullen we dit met zekerheid te weten komen door den duur van den nacht. Als deze niet invalt, zal dit ons een bewijs zijn, dat we den poolcirkel nog niet eens overschreden hebben.”„Ja, dat is waar, en ik zou graag zoo spoedig mogelijk willen weten, waar we ons bevinden,” zei de kapitein peinzend. „Hoe jammer, dat de chronometer in het schuitje achtergebleven is!”„Wat kan dat alles ons schelen?” mompelde de stuurman.„Dat kan ons meer schelen dan je wel denkt; want als onze ballon vernietigd is in eene streek, die door de walvischvaarders bezocht wordt.…”De kapitein durfde dezen volzin niet voltooien. De onderstelling, die hij wilde te berde brengen, scheen hem al te gewaagd toe.Na dit gesprek heerschte er een diep stilzwijgen op den ijsberg. Onze schipbreukelingen, die tegen elkaar aan gedrukt zaten, bevende van koude, hoorden het gebulder van den orkaan en het onheilspellend geklots der golven, die tegen de zijden van den ijsberg aankwamen.Intusschen bemerkten zij na verloop van eenigen tijd tothunne blijdschap, dat het ophield met sneeuwen. De donkere wolken lieten eenig licht door, waar doorheen men de onbestemde lijn van den horizon kon zien, waaraan zich hier en daar witte stippen vertoonden. Dit waren ijsbergen. De kapitein, die een scherp gezicht had, telde er wel twaalf op verschillende punten van den Oceaan. Deze overvloed van drijvende ijsbergen gaf het recht tot de onderstelling, dat het vasteland niet ver verwijderd was en deze opmerking was alles behalve geschikt om aan onze schipbreukelingen moed in te boezemen, daar deze gewenscht hadden, zooveel mogelijk naar het Noorden af te drijven. Bovendien kondigde niets de aannadering van den nacht aan. Deze omstandigheid bewees, dat de luchtballon binnen de grenzen van den poolcirkel in zee neergekomen was.De kalmte, die er allengs in de atmosfeer begon terug te keeren, boezemde den schipbreukelingen eenigen moed in. Omstreeks zeven uur des avonds drongen de eerste stralen der zon door de wolken heen en wierpen een somber licht op den Oceaan en op den ijsberg, die geheel met sneeuw bedekt was.De kapitein en Gromski verlieten de grot, ten einde hunne verstijfde ledematen een weinig in de zon te verwarmen. Ford, die een kleinen verrekijker uit zijn zak gehaald had, sloeg den horizon opmerkzaam gade.Helaas! op den Oceaan was niets te zien. Behalve de ijsbergen, die in de verte schitterden, bemerkte het oog niets, niet het kleinste stukje land, niet de minste klip.„Ik twijfel er aan, of eenig schip zich bij zulk weer wel in volle zee zal wagen,” zeide Gromski.„Dat mag inderdaad betwijfeld worden,” antwoorddeFord; „maar het kan toch geen kwaad, van tijd tot tijd eens een blik op den horizon te slaan.”„Waartoe zou dat dienen? Het zou beter zijn, een noodvlag, te hijschen,” zeide James.„Maar waarvan zouden we een vlag maken?”In plaats van antwoord te geven, haalde de oude zeeman uit zijn zak een grooten rooden zakdoek en liet dezen zegevierend in de lucht wapperen.„Ik zou op een afstand van tien mijlen zulk eene vlag wel op een ijsberg kunnen zien,” zeide hij.De brave stuurman legde nu blijkbaar zijne zwartgalligheid af, want hij ging vol moed zijne vlag planten. Zonder op het gevaar acht te slaan, klom hij op den top van het ijsveld en maakte daaraan de geïmproviseerde vlag vast.„En nu kunnen we afwachten, totdat we den hongerdood sterven.”Bij deze woorden onderzocht de stuurman zijne zakken nauwkeurig, in de hoop, daarin nog iets eetbaars te zullen vinden. Maar het was vruchteloos: de geheele voorraad—de gerookte ganzen, de eieren en de overblijfselen van het vleesch—was in het schuitje achtergebleven. Onze reizigers konden dus den honger niet stillen, die hen al meer en meer begon te folteren.Wat den dorst aangaat, daarvoor behoefden zij niet te duchten, daar hun ijsberg, die uit bevroren zoet water bestond, eene onuitputtelijke bron van drinkbaar water opleverde.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Behalve den honger en de koude bedreigde hen nog een ander gevaar. Het was de zon, die door de wolken heengeboord was en die nu, daar zij den ijsberg op eene onevenredigewijze deed uitzetten, het ijs deed barsten, zoodat er stukken losraakten en in zee vielen. Op den 22sten, om zeven uur, barstte de top van den ijsberg, aan welks voet onze reizigers eene schuilplaats hadden gevonden, eensklaps met een hevig gedruisch vaneen.James, die in zijne grot lag te slapen, kwam er als door een wonder heelhuids af: het ontzaglijke ijsblok brak onder het vallen vlak boven zijn hoofd onverhoeds in duizend stukken. Een dezer stukken kwetste den kapitein ernstig in het gezicht.James was der wanhoop ter prooi; want zijne noodvlag, die op den top van den ijsberg wapperde, was tegelijkertijd in zee gevallen.Onze reizigers zagen ook met angst, dat hunne schuilplaats met ieder oogenblik in omvang afnam; na verloop van eenige dagen moest de ijsberg, door den stroom naar warmere streken meegevoerd, onvermijdelijk in duizend stukken springen, en dan.…De ingenieur, die James tegen alle verdere ongevallen wilde beveiligen, ging in de grot, waarin deze zich ophield, en trachtte hem te overreden, er uit te komen.„Komaan, ouwe jongen,” zeide hij. „Het gedeelte van den ijsberg, waarop je je bevindt, kan ieder oogenblik instorten. Zie eens, welk een spleet zich aan dien kant gevormd heeft!”De zeeman verroerde zich niet.„Laat mij maar blijven, waar ik ben,” mompelde hij. „Des te spoediger is het met mij gedaan. Het is toch wat al te bar, uit eigen beweging in zee te springen; welnu, laat mij maar in zee geworpen worden!”Daar de ingenieur wel merkte, dat hij den stuurman toch niet tot andere gedachten zou brengen, zag hij van het aanwenden van verdere pogingen af en keerde naar den kapitein terug, die zich op een gedeelte van den ijsberg had neergezet, dat vooralsnog tegen de zonnestralen beveiligd was.De dood, dien James met koelbloedigheid afwachtte, vertoonde zich overal aan de oogen van onze schipbreukelingen. De ijsberg waggelde onophoudelijk, ofschoon de Oceaan reeds lang tot bedaren gekomen was. De kapitein kon dit feit niet anders verklaren, dan door de onderstelling, dat het benedengedeelte van den ijsberg langzamerhand wegsmolt. Het oogenblik was dus gemakkelijk te voorzien, waarop het zwaartepunt van deze massa zich zou verplaatsen of—om in gewone bewoordingen te spreken—waarop de berg, door onze zeereizigers ingenomen, zou omkantelen.De dag van den 23stenwerd doorgebracht in eene verschrikkelijke en lijdelijke afwachting van den dood, die langzaam aan naderde. De kapitein, die tot dusverre voortdurend den horizon gadegeslagen had, verbrijzelde zijn verrekijker tegen een ijsblok, zóó uitgeput en ontmoedigd gevoelde hij zich.„Ik ben volkomen bereid om te sterven,” zeide hij, terwijl hij haastig opstond; „als het maar zoo spoedig mogelijk gebeurt!”„Terstond!” antwoordde de stuurman. „Wat drommel! Moeten we dan wachten, totdat de honger ons zoozeer van onze kracht berooft, dat wij niet meer van dezen ijsberg kunnen afspringen?”En nadat de oude zeeman opgestaan was, begaf hij zich met vasten stap naar de helling van den berg, waarop Ford zich bevond.„Wij beiden te gelijk, kapitein?” zeide hij met eene schorre stem. „Wilt ge?”Ford gevoelde, dat de stuurman hem van de helling naar beneden trok; maar hij bezat de noodige geestkracht niet meer om hem weerstand te bieden.Eensklaps hield de stuurman op, den kapitein met zich mee te trekken: een straaltje van hoop spiegelde zich op zijn gelaat af; hij strekte de hand uit, wreef zich de oogen uit, alsof hij zich van de werkelijkheid wilde overtuigen, en slaakte een doffen kreet van vreugde.„Daar, daar!” bracht hij met moeite uit, terwijl hij zich met zijn geheele lichaam vooroverboog.De kapitein sloeg een blik over den Oceaan, maar bemerkte niets, dat zijne aandacht waardig was. Alleen de ijsbergen, die onze reizigers vergezelden, vertoonden zich aan den horizon.Maar de oude zeeman bleef steeds naar een bepaald punt aan den horizon wijzen.„Een sloep, een sloep!” riep hij uit. „Kijk maar eens! Bij dien vierkanten berg! Zij komt er juist achter vandaan.”Eindelijk kwam ook Ford tot de overtuiging, dat de stuurman zich niet bedroog. Nadat hij al zijne aandacht gevestigd had op het punt, dat James hem aanwees, bemerkte hij eene kleine zwarte plek, die zich over het oppervlak van den Oceaan voortbewoog. Deze kleine plek werd blijkbaar al grooter en grooter, en nam langzamerhand den vorm van eene sloep aan. Vijf minuten daarna konden onze reizigers haar duidelijk onderscheiden.„Maar zij gaan zonder behulp van roeiriemen verder,” riep de ingenieur verwonderd uit.Inderdaad zat de bemanning van de sloep, zonder zich te verroeren, met opgeheven roeiriemen op de banken en nochtans vloog het vaartuig met de snelheid van een meeuw over de golven heen en liet een diep spoor achter zich. Het water, dat door den voorsteven gekliefd werd, verhief zich tot aan de boorden, alsof het ieder oogenblik de boot zou verzwelgen.Op den voorsteven van de sloep stond een matroos met een voorwerp in de hand, dat in de zon schitterde.„Het zijn walvischvaarders,” zeide Ford.„Zij hebben een walvisch geharpoeneerd en vervolgen dien nu,” riep de stuurman uit.Gromski kon zich bij den eersten oogopslag geene verklaring geven van het tooneel, dat onder zijne oogen voorviel. Hij begreep eerst, wat de woorden van James beteekenden, toen hij een touw aan den voorsteven vastgebonden zag en het windas zag draaien. De broze sloep, op sleeptouw genomen door den reus der wateren, die zich met den moordenden harpoen in het lichaam over den Oceaan voortbewoog, begaf zich regelrecht naar den ijsberg, waarop onze reizigers zich bevonden.James bemerkte terstond het gevaar, dat de bemanning bedreigde; want de walvisch zwom zóó diep onder water, dat hij gemakkelijk onder den ijsberg door kon, in welk geval de sloep tegen dezen hinderpaal in duizend stukken moest breken.„Ze zijn verloren!” zeide hij, terwijl hij de handen in de lucht bewoog.„Hola! Jelui daar! Snijdt het touw door!” riepen onze vrienden.Trotseerden de zeelieden het gevaar of vergaten zij dit bij het onverwachte gezicht van onze drie schipbreukelingen, die hun van den ijsberg af allerlei wenken gaven? Zooveel is zeker, dat de sloep zich met dezelfde snelheid bleef voortbewegen.„Het is niet anders,” mompelde Ford. „In plaats van ons te kunnen redden, hebben die onvoorzichtigen onze hulp noodig.”De jacht op den walvisch liep echter niet zoo slecht af, als de kapitein vreesde. De harpoenier, die bij het windas stond, verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, en nadat hij er zich van overtuigd had, dat de sloep regelrecht op den ijsberg afging, greep hij zijn mes en sneed het touw door. De sloep behield nog eenige seconden hare snelle vaart; maar toen begon zij zich langzamer voort te bewegen; eenige riemslagen achterwaarts en de boegspriet stiet slechts zeer zachtjes tegen den ijsberg aan, waarvan een stuk werd afgerukt.Onze reizigers begroetten de tegenwoordigheid van geest en de behendigheid van den harpoenier met kreten van geestdrift, waarin zich eene uitbundige vreugde mengde.„Hoe drommel kom jelui op dezen ijsberg?” vroeg de stuurman van de sloep, terwijl hij van zijne zitplaats opstond. „Wat moeten we met jelui beginnen? Springt in het water, dan zullen wij je wel ophalen. Maar gauw wat, daar deze ijsberg wel eens boven onze hoofden kan ineenstorten.”Zonder een oogenblik te aarzelen volgden onze reizigers den raad van den walvischvanger. De kapitein sprong het eerst in zee; na hem volgde James, en eindelijk liet ook de ingenieur zich langzaam van den ijsberg afglijden.Een oogenblik daarna zaten onze drie schipbreukelingen op de banken van de sloep naast de matrozen, die hen verwonderd aankeken.„Maar hoe drommel ben jelui toch op dien ijsberg gekomen?” herhaalde de stuurman van de sloep. „Duizend duivels! Je hebt de reis op een wonderlijk schip gedaan. Ben je uit de wolken komen vallen?”„Juist zoo, ge hebt het geraden,” antwoordde de kapitein ernstig. „We zijn werkelijk uit de wolken komen vallen met onzen luchtballon, waarmee we van de Zuidpool terug keerden.”Al spoedig had de sloep het schip bereikt.De ontvangst van onze schipbreukelingen aan boord van den walvischvaarder was allerhartelijkst.Nadat zij andere kleeren aangetrokken en zich aan een overvloedig maal te goed gedaan hadden, moesten zij natuurlijk al hun wedervaren aan den kapitein en de matrozen vertellen, welk verhaal met de grootste belangstelling en de diepste bewondering voor zooveel volharding en zooveel geestkracht werd aangehoord.Gelukkig bevond de walvischvaarder zich reeds op de terugreis, zoodat deze den boeg regelrecht naar New-York kon wenden, waar onze helden zich slechts korten tijd ophielden, daar zij zoo spoedig mogelijk naar Chicago wenschten terug te keeren.De talrijke vrienden, die Gromski had, kwamen hem al spoedig gelukwenschen met den gunstigen afloop van den tocht, waarvan zij zich niets goeds voorspeld hadden.Alle couranten waren nu uitbundig in loftuitingen over den ondernemingsgeest der drie kloeke mannen, die zij vroegerals niet veel beter dan krankzinnigen hadden beschouwd.De kapitein en de stuurman bleven een geruimen tijd de gasten van den ingenieur, genietende in de kalmte, die hen nu omgaf, maar toch weer plannen beramende voor het ondernemen van een nieuwen tocht met een nieuwen luchtballon; want het bleef nog altijd tot hunne liefste wenschen behooren, eenmaal den voet te zetten op het punt, waar de meridianen samenloopen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Op een ijsberg in den Oceaan.De ijsberg, waarop onze reizigers zoo onvoorziens waren geworpen, was geene veilige schuilplaats. Deze ijsberg was een stuk van een ijsveld, dat door talrijke en diepe spleten doorboord was, die bij iederen nieuwen aanval der golven in omvang toenamen. Deze geheele massa dreef op het oppervlak van den Oceaan rond en stond ieder oogenblik bloot aan het gevaar, het evenwicht te verliezen en om te kantelen. De ingenieur en zijne metgezellen hielden zich met de uiterste moeite vast aan eene plek, die telkens met het schuim der golven bedekt werd. De eerste de beste golf, die kwam aanrollen, kon hen in zee doen storten. Daar de kapitein dit wel voorzag, keek hij naar eene veiligere plaats rond. Eenige voeten hooger bevond zich eene holte, die door verscheidene bergjes omgeven en in het midden van den ijsberg gelegen was. Het hobbelige oppervlak van den berg bood een vrij stevigen steun voor de voeten aan.Zonder verder na te denken, begon Ford naar de gekozenplaats te klimmen. Na verloop van eenige oogenblikken zat hij in deze soort van schuilplaats, die de hoogste golven niet meer konden bereiken.Op aansporing van den kapitein besloten de ingenieur en James, insgelijks hun fortuin te beproeven. Maar het waagstuk, waarin Ford gelukkig geslaagd was, zou bijna noodlottig voor zijne beide metgezellen afgeloopen zijn. Een ontzaglijke golf sloeg over den stuurman heen en zou hem zonder twijfel in zee hebben doen vallen, indien Gromski er niet in geslaagd was, hem vast te houden.Gebruik makende van de tusschenruimte tusschen twee golven, bereikten de reizigers echter de kloof, waar zij volkomen beveiligd waren tegen de golven, die op de zijden van den ijsberg braken.Een hooge ijsmuur, die zich aan den windkant verhief, beschermde onze helden volkomen tegen de jachtsneeuw. De stuurman ontdekte aan den voet van dezen muur eene kleine grot en kroop daar onmiddellijk in.De luchtschipbreukelingen, die van koude verstijfd en tot op het hemd doornat waren, sloegen van uit hunne schuilplaats wanhopige blikken op den Oceaan. Waarom hadden zij den dood afgeweerd, die zijne kaken reeds voor hen opsperde? Was het om kort daarna een anderen dood te sterven, honderdmaal verschrikkelijker, den dood tengevolge van honger en koude?De stuurman, die de zaken gewoonlijk nog al luchtig placht op te nemen, verwenschte luide zijne lafhartigheid, die hem had aangedreven, eene twijfelachtige schuilplaats op den ijsberg te zoeken.„We zouden anders reeds lang in het water omgekomenzijn,” zeide hij; „en nu moeten we opnieuw het einde afwachten.”De oude zeeman was blijkbaar ter prooi aan dezelfde marteling, welke een man ondergaat, die de voltrekking van zijn doodvonnis afwacht.„Houd je maar kalm, James!” zei de ingenieur met een bitteren grimlach. „Het oogenblik is nabij, waarop deze berg zal omkeeren: een enkele groote golf zal daartoe voldoende zijn.”„Dat zal zoo gauw nog niet gebeuren,” merkte Ford aan. „Ge vergeet, dat de ijsberg, waarop we ons bevinden, meer dan tien meters boven het water uitsteekt; het gedeelte, dat zich onder water bevindt, heeft omstreeks eene achtmaal grootere afmeting. De Oceaan of de golven of de orkaan zullen niet in staat zijn om zulk eene massa om te keeren. De ijsbergen vertoonen zich dikwijls op 54 graden breedte; in het noordelijk halfrond bereiken zij dikwijls den 46stengraad. De koude winden, die van de polen naar de evennachtslijn gaan, drijven ze dikwijls zelfs tot in de gematigde luchtstreek voort. Het is dus mogelijk, dat we eene lange reis zullen doen, die zoolang zal duren, totdat onze ijsberg onder den invloed der zonnestralen geheel gesmolten is.”„Maar is het wel zeker, dat we voortgaan?”„De wind stuwt ons zonder eenigen twijfel voort of misschien wel eenige stroom; anders zou deze ijsberg niet van de kust van het zuidelijk vasteland, waar zij zich van het ijsveld gescheiden heeft, weggedreven zijn.”„We hebben dus den tijd om driemaal van honger en koude te sterven,” zeide Gromski.James ondersteunde de opmerking van den ingenieur met een krachtigen matrozenvloek.„Zou de weg, dien we met dezen storm afgelegd hebben, aanzienlijk zijn?” vroeg hij na eenige oogenblikken van stilzwijgen.Gromski haalde de schouders op.„Wat weet ik daarvan?” antwoordde hij. „Misschien een mijl, misschien wel drie duizend kilometers. Binnen eenige uren zullen we dit met zekerheid te weten komen door den duur van den nacht. Als deze niet invalt, zal dit ons een bewijs zijn, dat we den poolcirkel nog niet eens overschreden hebben.”„Ja, dat is waar, en ik zou graag zoo spoedig mogelijk willen weten, waar we ons bevinden,” zei de kapitein peinzend. „Hoe jammer, dat de chronometer in het schuitje achtergebleven is!”„Wat kan dat alles ons schelen?” mompelde de stuurman.„Dat kan ons meer schelen dan je wel denkt; want als onze ballon vernietigd is in eene streek, die door de walvischvaarders bezocht wordt.…”De kapitein durfde dezen volzin niet voltooien. De onderstelling, die hij wilde te berde brengen, scheen hem al te gewaagd toe.Na dit gesprek heerschte er een diep stilzwijgen op den ijsberg. Onze schipbreukelingen, die tegen elkaar aan gedrukt zaten, bevende van koude, hoorden het gebulder van den orkaan en het onheilspellend geklots der golven, die tegen de zijden van den ijsberg aankwamen.Intusschen bemerkten zij na verloop van eenigen tijd tothunne blijdschap, dat het ophield met sneeuwen. De donkere wolken lieten eenig licht door, waar doorheen men de onbestemde lijn van den horizon kon zien, waaraan zich hier en daar witte stippen vertoonden. Dit waren ijsbergen. De kapitein, die een scherp gezicht had, telde er wel twaalf op verschillende punten van den Oceaan. Deze overvloed van drijvende ijsbergen gaf het recht tot de onderstelling, dat het vasteland niet ver verwijderd was en deze opmerking was alles behalve geschikt om aan onze schipbreukelingen moed in te boezemen, daar deze gewenscht hadden, zooveel mogelijk naar het Noorden af te drijven. Bovendien kondigde niets de aannadering van den nacht aan. Deze omstandigheid bewees, dat de luchtballon binnen de grenzen van den poolcirkel in zee neergekomen was.De kalmte, die er allengs in de atmosfeer begon terug te keeren, boezemde den schipbreukelingen eenigen moed in. Omstreeks zeven uur des avonds drongen de eerste stralen der zon door de wolken heen en wierpen een somber licht op den Oceaan en op den ijsberg, die geheel met sneeuw bedekt was.De kapitein en Gromski verlieten de grot, ten einde hunne verstijfde ledematen een weinig in de zon te verwarmen. Ford, die een kleinen verrekijker uit zijn zak gehaald had, sloeg den horizon opmerkzaam gade.Helaas! op den Oceaan was niets te zien. Behalve de ijsbergen, die in de verte schitterden, bemerkte het oog niets, niet het kleinste stukje land, niet de minste klip.„Ik twijfel er aan, of eenig schip zich bij zulk weer wel in volle zee zal wagen,” zeide Gromski.„Dat mag inderdaad betwijfeld worden,” antwoorddeFord; „maar het kan toch geen kwaad, van tijd tot tijd eens een blik op den horizon te slaan.”„Waartoe zou dat dienen? Het zou beter zijn, een noodvlag, te hijschen,” zeide James.„Maar waarvan zouden we een vlag maken?”In plaats van antwoord te geven, haalde de oude zeeman uit zijn zak een grooten rooden zakdoek en liet dezen zegevierend in de lucht wapperen.„Ik zou op een afstand van tien mijlen zulk eene vlag wel op een ijsberg kunnen zien,” zeide hij.De brave stuurman legde nu blijkbaar zijne zwartgalligheid af, want hij ging vol moed zijne vlag planten. Zonder op het gevaar acht te slaan, klom hij op den top van het ijsveld en maakte daaraan de geïmproviseerde vlag vast.„En nu kunnen we afwachten, totdat we den hongerdood sterven.”Bij deze woorden onderzocht de stuurman zijne zakken nauwkeurig, in de hoop, daarin nog iets eetbaars te zullen vinden. Maar het was vruchteloos: de geheele voorraad—de gerookte ganzen, de eieren en de overblijfselen van het vleesch—was in het schuitje achtergebleven. Onze reizigers konden dus den honger niet stillen, die hen al meer en meer begon te folteren.Wat den dorst aangaat, daarvoor behoefden zij niet te duchten, daar hun ijsberg, die uit bevroren zoet water bestond, eene onuitputtelijke bron van drinkbaar water opleverde.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Behalve den honger en de koude bedreigde hen nog een ander gevaar. Het was de zon, die door de wolken heengeboord was en die nu, daar zij den ijsberg op eene onevenredigewijze deed uitzetten, het ijs deed barsten, zoodat er stukken losraakten en in zee vielen. Op den 22sten, om zeven uur, barstte de top van den ijsberg, aan welks voet onze reizigers eene schuilplaats hadden gevonden, eensklaps met een hevig gedruisch vaneen.James, die in zijne grot lag te slapen, kwam er als door een wonder heelhuids af: het ontzaglijke ijsblok brak onder het vallen vlak boven zijn hoofd onverhoeds in duizend stukken. Een dezer stukken kwetste den kapitein ernstig in het gezicht.James was der wanhoop ter prooi; want zijne noodvlag, die op den top van den ijsberg wapperde, was tegelijkertijd in zee gevallen.Onze reizigers zagen ook met angst, dat hunne schuilplaats met ieder oogenblik in omvang afnam; na verloop van eenige dagen moest de ijsberg, door den stroom naar warmere streken meegevoerd, onvermijdelijk in duizend stukken springen, en dan.…De ingenieur, die James tegen alle verdere ongevallen wilde beveiligen, ging in de grot, waarin deze zich ophield, en trachtte hem te overreden, er uit te komen.„Komaan, ouwe jongen,” zeide hij. „Het gedeelte van den ijsberg, waarop je je bevindt, kan ieder oogenblik instorten. Zie eens, welk een spleet zich aan dien kant gevormd heeft!”De zeeman verroerde zich niet.„Laat mij maar blijven, waar ik ben,” mompelde hij. „Des te spoediger is het met mij gedaan. Het is toch wat al te bar, uit eigen beweging in zee te springen; welnu, laat mij maar in zee geworpen worden!”Daar de ingenieur wel merkte, dat hij den stuurman toch niet tot andere gedachten zou brengen, zag hij van het aanwenden van verdere pogingen af en keerde naar den kapitein terug, die zich op een gedeelte van den ijsberg had neergezet, dat vooralsnog tegen de zonnestralen beveiligd was.De dood, dien James met koelbloedigheid afwachtte, vertoonde zich overal aan de oogen van onze schipbreukelingen. De ijsberg waggelde onophoudelijk, ofschoon de Oceaan reeds lang tot bedaren gekomen was. De kapitein kon dit feit niet anders verklaren, dan door de onderstelling, dat het benedengedeelte van den ijsberg langzamerhand wegsmolt. Het oogenblik was dus gemakkelijk te voorzien, waarop het zwaartepunt van deze massa zich zou verplaatsen of—om in gewone bewoordingen te spreken—waarop de berg, door onze zeereizigers ingenomen, zou omkantelen.De dag van den 23stenwerd doorgebracht in eene verschrikkelijke en lijdelijke afwachting van den dood, die langzaam aan naderde. De kapitein, die tot dusverre voortdurend den horizon gadegeslagen had, verbrijzelde zijn verrekijker tegen een ijsblok, zóó uitgeput en ontmoedigd gevoelde hij zich.„Ik ben volkomen bereid om te sterven,” zeide hij, terwijl hij haastig opstond; „als het maar zoo spoedig mogelijk gebeurt!”„Terstond!” antwoordde de stuurman. „Wat drommel! Moeten we dan wachten, totdat de honger ons zoozeer van onze kracht berooft, dat wij niet meer van dezen ijsberg kunnen afspringen?”En nadat de oude zeeman opgestaan was, begaf hij zich met vasten stap naar de helling van den berg, waarop Ford zich bevond.„Wij beiden te gelijk, kapitein?” zeide hij met eene schorre stem. „Wilt ge?”Ford gevoelde, dat de stuurman hem van de helling naar beneden trok; maar hij bezat de noodige geestkracht niet meer om hem weerstand te bieden.Eensklaps hield de stuurman op, den kapitein met zich mee te trekken: een straaltje van hoop spiegelde zich op zijn gelaat af; hij strekte de hand uit, wreef zich de oogen uit, alsof hij zich van de werkelijkheid wilde overtuigen, en slaakte een doffen kreet van vreugde.„Daar, daar!” bracht hij met moeite uit, terwijl hij zich met zijn geheele lichaam vooroverboog.De kapitein sloeg een blik over den Oceaan, maar bemerkte niets, dat zijne aandacht waardig was. Alleen de ijsbergen, die onze reizigers vergezelden, vertoonden zich aan den horizon.Maar de oude zeeman bleef steeds naar een bepaald punt aan den horizon wijzen.„Een sloep, een sloep!” riep hij uit. „Kijk maar eens! Bij dien vierkanten berg! Zij komt er juist achter vandaan.”Eindelijk kwam ook Ford tot de overtuiging, dat de stuurman zich niet bedroog. Nadat hij al zijne aandacht gevestigd had op het punt, dat James hem aanwees, bemerkte hij eene kleine zwarte plek, die zich over het oppervlak van den Oceaan voortbewoog. Deze kleine plek werd blijkbaar al grooter en grooter, en nam langzamerhand den vorm van eene sloep aan. Vijf minuten daarna konden onze reizigers haar duidelijk onderscheiden.„Maar zij gaan zonder behulp van roeiriemen verder,” riep de ingenieur verwonderd uit.Inderdaad zat de bemanning van de sloep, zonder zich te verroeren, met opgeheven roeiriemen op de banken en nochtans vloog het vaartuig met de snelheid van een meeuw over de golven heen en liet een diep spoor achter zich. Het water, dat door den voorsteven gekliefd werd, verhief zich tot aan de boorden, alsof het ieder oogenblik de boot zou verzwelgen.Op den voorsteven van de sloep stond een matroos met een voorwerp in de hand, dat in de zon schitterde.„Het zijn walvischvaarders,” zeide Ford.„Zij hebben een walvisch geharpoeneerd en vervolgen dien nu,” riep de stuurman uit.Gromski kon zich bij den eersten oogopslag geene verklaring geven van het tooneel, dat onder zijne oogen voorviel. Hij begreep eerst, wat de woorden van James beteekenden, toen hij een touw aan den voorsteven vastgebonden zag en het windas zag draaien. De broze sloep, op sleeptouw genomen door den reus der wateren, die zich met den moordenden harpoen in het lichaam over den Oceaan voortbewoog, begaf zich regelrecht naar den ijsberg, waarop onze reizigers zich bevonden.James bemerkte terstond het gevaar, dat de bemanning bedreigde; want de walvisch zwom zóó diep onder water, dat hij gemakkelijk onder den ijsberg door kon, in welk geval de sloep tegen dezen hinderpaal in duizend stukken moest breken.„Ze zijn verloren!” zeide hij, terwijl hij de handen in de lucht bewoog.„Hola! Jelui daar! Snijdt het touw door!” riepen onze vrienden.Trotseerden de zeelieden het gevaar of vergaten zij dit bij het onverwachte gezicht van onze drie schipbreukelingen, die hun van den ijsberg af allerlei wenken gaven? Zooveel is zeker, dat de sloep zich met dezelfde snelheid bleef voortbewegen.„Het is niet anders,” mompelde Ford. „In plaats van ons te kunnen redden, hebben die onvoorzichtigen onze hulp noodig.”De jacht op den walvisch liep echter niet zoo slecht af, als de kapitein vreesde. De harpoenier, die bij het windas stond, verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, en nadat hij er zich van overtuigd had, dat de sloep regelrecht op den ijsberg afging, greep hij zijn mes en sneed het touw door. De sloep behield nog eenige seconden hare snelle vaart; maar toen begon zij zich langzamer voort te bewegen; eenige riemslagen achterwaarts en de boegspriet stiet slechts zeer zachtjes tegen den ijsberg aan, waarvan een stuk werd afgerukt.Onze reizigers begroetten de tegenwoordigheid van geest en de behendigheid van den harpoenier met kreten van geestdrift, waarin zich eene uitbundige vreugde mengde.„Hoe drommel kom jelui op dezen ijsberg?” vroeg de stuurman van de sloep, terwijl hij van zijne zitplaats opstond. „Wat moeten we met jelui beginnen? Springt in het water, dan zullen wij je wel ophalen. Maar gauw wat, daar deze ijsberg wel eens boven onze hoofden kan ineenstorten.”Zonder een oogenblik te aarzelen volgden onze reizigers den raad van den walvischvanger. De kapitein sprong het eerst in zee; na hem volgde James, en eindelijk liet ook de ingenieur zich langzaam van den ijsberg afglijden.Een oogenblik daarna zaten onze drie schipbreukelingen op de banken van de sloep naast de matrozen, die hen verwonderd aankeken.„Maar hoe drommel ben jelui toch op dien ijsberg gekomen?” herhaalde de stuurman van de sloep. „Duizend duivels! Je hebt de reis op een wonderlijk schip gedaan. Ben je uit de wolken komen vallen?”„Juist zoo, ge hebt het geraden,” antwoordde de kapitein ernstig. „We zijn werkelijk uit de wolken komen vallen met onzen luchtballon, waarmee we van de Zuidpool terug keerden.”Al spoedig had de sloep het schip bereikt.De ontvangst van onze schipbreukelingen aan boord van den walvischvaarder was allerhartelijkst.Nadat zij andere kleeren aangetrokken en zich aan een overvloedig maal te goed gedaan hadden, moesten zij natuurlijk al hun wedervaren aan den kapitein en de matrozen vertellen, welk verhaal met de grootste belangstelling en de diepste bewondering voor zooveel volharding en zooveel geestkracht werd aangehoord.Gelukkig bevond de walvischvaarder zich reeds op de terugreis, zoodat deze den boeg regelrecht naar New-York kon wenden, waar onze helden zich slechts korten tijd ophielden, daar zij zoo spoedig mogelijk naar Chicago wenschten terug te keeren.De talrijke vrienden, die Gromski had, kwamen hem al spoedig gelukwenschen met den gunstigen afloop van den tocht, waarvan zij zich niets goeds voorspeld hadden.Alle couranten waren nu uitbundig in loftuitingen over den ondernemingsgeest der drie kloeke mannen, die zij vroegerals niet veel beter dan krankzinnigen hadden beschouwd.De kapitein en de stuurman bleven een geruimen tijd de gasten van den ingenieur, genietende in de kalmte, die hen nu omgaf, maar toch weer plannen beramende voor het ondernemen van een nieuwen tocht met een nieuwen luchtballon; want het bleef nog altijd tot hunne liefste wenschen behooren, eenmaal den voet te zetten op het punt, waar de meridianen samenloopen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Op een ijsberg in den Oceaan.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De ijsberg, waarop onze reizigers zoo onvoorziens waren geworpen, was geene veilige schuilplaats. Deze ijsberg was een stuk van een ijsveld, dat door talrijke en diepe spleten doorboord was, die bij iederen nieuwen aanval der golven in omvang toenamen. Deze geheele massa dreef op het oppervlak van den Oceaan rond en stond ieder oogenblik bloot aan het gevaar, het evenwicht te verliezen en om te kantelen. De ingenieur en zijne metgezellen hielden zich met de uiterste moeite vast aan eene plek, die telkens met het schuim der golven bedekt werd. De eerste de beste golf, die kwam aanrollen, kon hen in zee doen storten. Daar de kapitein dit wel voorzag, keek hij naar eene veiligere plaats rond. Eenige voeten hooger bevond zich eene holte, die door verscheidene bergjes omgeven en in het midden van den ijsberg gelegen was. Het hobbelige oppervlak van den berg bood een vrij stevigen steun voor de voeten aan.Zonder verder na te denken, begon Ford naar de gekozenplaats te klimmen. Na verloop van eenige oogenblikken zat hij in deze soort van schuilplaats, die de hoogste golven niet meer konden bereiken.Op aansporing van den kapitein besloten de ingenieur en James, insgelijks hun fortuin te beproeven. Maar het waagstuk, waarin Ford gelukkig geslaagd was, zou bijna noodlottig voor zijne beide metgezellen afgeloopen zijn. Een ontzaglijke golf sloeg over den stuurman heen en zou hem zonder twijfel in zee hebben doen vallen, indien Gromski er niet in geslaagd was, hem vast te houden.Gebruik makende van de tusschenruimte tusschen twee golven, bereikten de reizigers echter de kloof, waar zij volkomen beveiligd waren tegen de golven, die op de zijden van den ijsberg braken.Een hooge ijsmuur, die zich aan den windkant verhief, beschermde onze helden volkomen tegen de jachtsneeuw. De stuurman ontdekte aan den voet van dezen muur eene kleine grot en kroop daar onmiddellijk in.De luchtschipbreukelingen, die van koude verstijfd en tot op het hemd doornat waren, sloegen van uit hunne schuilplaats wanhopige blikken op den Oceaan. Waarom hadden zij den dood afgeweerd, die zijne kaken reeds voor hen opsperde? Was het om kort daarna een anderen dood te sterven, honderdmaal verschrikkelijker, den dood tengevolge van honger en koude?De stuurman, die de zaken gewoonlijk nog al luchtig placht op te nemen, verwenschte luide zijne lafhartigheid, die hem had aangedreven, eene twijfelachtige schuilplaats op den ijsberg te zoeken.„We zouden anders reeds lang in het water omgekomenzijn,” zeide hij; „en nu moeten we opnieuw het einde afwachten.”De oude zeeman was blijkbaar ter prooi aan dezelfde marteling, welke een man ondergaat, die de voltrekking van zijn doodvonnis afwacht.„Houd je maar kalm, James!” zei de ingenieur met een bitteren grimlach. „Het oogenblik is nabij, waarop deze berg zal omkeeren: een enkele groote golf zal daartoe voldoende zijn.”„Dat zal zoo gauw nog niet gebeuren,” merkte Ford aan. „Ge vergeet, dat de ijsberg, waarop we ons bevinden, meer dan tien meters boven het water uitsteekt; het gedeelte, dat zich onder water bevindt, heeft omstreeks eene achtmaal grootere afmeting. De Oceaan of de golven of de orkaan zullen niet in staat zijn om zulk eene massa om te keeren. De ijsbergen vertoonen zich dikwijls op 54 graden breedte; in het noordelijk halfrond bereiken zij dikwijls den 46stengraad. De koude winden, die van de polen naar de evennachtslijn gaan, drijven ze dikwijls zelfs tot in de gematigde luchtstreek voort. Het is dus mogelijk, dat we eene lange reis zullen doen, die zoolang zal duren, totdat onze ijsberg onder den invloed der zonnestralen geheel gesmolten is.”„Maar is het wel zeker, dat we voortgaan?”„De wind stuwt ons zonder eenigen twijfel voort of misschien wel eenige stroom; anders zou deze ijsberg niet van de kust van het zuidelijk vasteland, waar zij zich van het ijsveld gescheiden heeft, weggedreven zijn.”„We hebben dus den tijd om driemaal van honger en koude te sterven,” zeide Gromski.James ondersteunde de opmerking van den ingenieur met een krachtigen matrozenvloek.„Zou de weg, dien we met dezen storm afgelegd hebben, aanzienlijk zijn?” vroeg hij na eenige oogenblikken van stilzwijgen.Gromski haalde de schouders op.„Wat weet ik daarvan?” antwoordde hij. „Misschien een mijl, misschien wel drie duizend kilometers. Binnen eenige uren zullen we dit met zekerheid te weten komen door den duur van den nacht. Als deze niet invalt, zal dit ons een bewijs zijn, dat we den poolcirkel nog niet eens overschreden hebben.”„Ja, dat is waar, en ik zou graag zoo spoedig mogelijk willen weten, waar we ons bevinden,” zei de kapitein peinzend. „Hoe jammer, dat de chronometer in het schuitje achtergebleven is!”„Wat kan dat alles ons schelen?” mompelde de stuurman.„Dat kan ons meer schelen dan je wel denkt; want als onze ballon vernietigd is in eene streek, die door de walvischvaarders bezocht wordt.…”De kapitein durfde dezen volzin niet voltooien. De onderstelling, die hij wilde te berde brengen, scheen hem al te gewaagd toe.Na dit gesprek heerschte er een diep stilzwijgen op den ijsberg. Onze schipbreukelingen, die tegen elkaar aan gedrukt zaten, bevende van koude, hoorden het gebulder van den orkaan en het onheilspellend geklots der golven, die tegen de zijden van den ijsberg aankwamen.Intusschen bemerkten zij na verloop van eenigen tijd tothunne blijdschap, dat het ophield met sneeuwen. De donkere wolken lieten eenig licht door, waar doorheen men de onbestemde lijn van den horizon kon zien, waaraan zich hier en daar witte stippen vertoonden. Dit waren ijsbergen. De kapitein, die een scherp gezicht had, telde er wel twaalf op verschillende punten van den Oceaan. Deze overvloed van drijvende ijsbergen gaf het recht tot de onderstelling, dat het vasteland niet ver verwijderd was en deze opmerking was alles behalve geschikt om aan onze schipbreukelingen moed in te boezemen, daar deze gewenscht hadden, zooveel mogelijk naar het Noorden af te drijven. Bovendien kondigde niets de aannadering van den nacht aan. Deze omstandigheid bewees, dat de luchtballon binnen de grenzen van den poolcirkel in zee neergekomen was.De kalmte, die er allengs in de atmosfeer begon terug te keeren, boezemde den schipbreukelingen eenigen moed in. Omstreeks zeven uur des avonds drongen de eerste stralen der zon door de wolken heen en wierpen een somber licht op den Oceaan en op den ijsberg, die geheel met sneeuw bedekt was.De kapitein en Gromski verlieten de grot, ten einde hunne verstijfde ledematen een weinig in de zon te verwarmen. Ford, die een kleinen verrekijker uit zijn zak gehaald had, sloeg den horizon opmerkzaam gade.Helaas! op den Oceaan was niets te zien. Behalve de ijsbergen, die in de verte schitterden, bemerkte het oog niets, niet het kleinste stukje land, niet de minste klip.„Ik twijfel er aan, of eenig schip zich bij zulk weer wel in volle zee zal wagen,” zeide Gromski.„Dat mag inderdaad betwijfeld worden,” antwoorddeFord; „maar het kan toch geen kwaad, van tijd tot tijd eens een blik op den horizon te slaan.”„Waartoe zou dat dienen? Het zou beter zijn, een noodvlag, te hijschen,” zeide James.„Maar waarvan zouden we een vlag maken?”In plaats van antwoord te geven, haalde de oude zeeman uit zijn zak een grooten rooden zakdoek en liet dezen zegevierend in de lucht wapperen.„Ik zou op een afstand van tien mijlen zulk eene vlag wel op een ijsberg kunnen zien,” zeide hij.De brave stuurman legde nu blijkbaar zijne zwartgalligheid af, want hij ging vol moed zijne vlag planten. Zonder op het gevaar acht te slaan, klom hij op den top van het ijsveld en maakte daaraan de geïmproviseerde vlag vast.„En nu kunnen we afwachten, totdat we den hongerdood sterven.”Bij deze woorden onderzocht de stuurman zijne zakken nauwkeurig, in de hoop, daarin nog iets eetbaars te zullen vinden. Maar het was vruchteloos: de geheele voorraad—de gerookte ganzen, de eieren en de overblijfselen van het vleesch—was in het schuitje achtergebleven. Onze reizigers konden dus den honger niet stillen, die hen al meer en meer begon te folteren.Wat den dorst aangaat, daarvoor behoefden zij niet te duchten, daar hun ijsberg, die uit bevroren zoet water bestond, eene onuitputtelijke bron van drinkbaar water opleverde.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Behalve den honger en de koude bedreigde hen nog een ander gevaar. Het was de zon, die door de wolken heengeboord was en die nu, daar zij den ijsberg op eene onevenredigewijze deed uitzetten, het ijs deed barsten, zoodat er stukken losraakten en in zee vielen. Op den 22sten, om zeven uur, barstte de top van den ijsberg, aan welks voet onze reizigers eene schuilplaats hadden gevonden, eensklaps met een hevig gedruisch vaneen.James, die in zijne grot lag te slapen, kwam er als door een wonder heelhuids af: het ontzaglijke ijsblok brak onder het vallen vlak boven zijn hoofd onverhoeds in duizend stukken. Een dezer stukken kwetste den kapitein ernstig in het gezicht.James was der wanhoop ter prooi; want zijne noodvlag, die op den top van den ijsberg wapperde, was tegelijkertijd in zee gevallen.Onze reizigers zagen ook met angst, dat hunne schuilplaats met ieder oogenblik in omvang afnam; na verloop van eenige dagen moest de ijsberg, door den stroom naar warmere streken meegevoerd, onvermijdelijk in duizend stukken springen, en dan.…De ingenieur, die James tegen alle verdere ongevallen wilde beveiligen, ging in de grot, waarin deze zich ophield, en trachtte hem te overreden, er uit te komen.„Komaan, ouwe jongen,” zeide hij. „Het gedeelte van den ijsberg, waarop je je bevindt, kan ieder oogenblik instorten. Zie eens, welk een spleet zich aan dien kant gevormd heeft!”De zeeman verroerde zich niet.„Laat mij maar blijven, waar ik ben,” mompelde hij. „Des te spoediger is het met mij gedaan. Het is toch wat al te bar, uit eigen beweging in zee te springen; welnu, laat mij maar in zee geworpen worden!”Daar de ingenieur wel merkte, dat hij den stuurman toch niet tot andere gedachten zou brengen, zag hij van het aanwenden van verdere pogingen af en keerde naar den kapitein terug, die zich op een gedeelte van den ijsberg had neergezet, dat vooralsnog tegen de zonnestralen beveiligd was.De dood, dien James met koelbloedigheid afwachtte, vertoonde zich overal aan de oogen van onze schipbreukelingen. De ijsberg waggelde onophoudelijk, ofschoon de Oceaan reeds lang tot bedaren gekomen was. De kapitein kon dit feit niet anders verklaren, dan door de onderstelling, dat het benedengedeelte van den ijsberg langzamerhand wegsmolt. Het oogenblik was dus gemakkelijk te voorzien, waarop het zwaartepunt van deze massa zich zou verplaatsen of—om in gewone bewoordingen te spreken—waarop de berg, door onze zeereizigers ingenomen, zou omkantelen.De dag van den 23stenwerd doorgebracht in eene verschrikkelijke en lijdelijke afwachting van den dood, die langzaam aan naderde. De kapitein, die tot dusverre voortdurend den horizon gadegeslagen had, verbrijzelde zijn verrekijker tegen een ijsblok, zóó uitgeput en ontmoedigd gevoelde hij zich.„Ik ben volkomen bereid om te sterven,” zeide hij, terwijl hij haastig opstond; „als het maar zoo spoedig mogelijk gebeurt!”„Terstond!” antwoordde de stuurman. „Wat drommel! Moeten we dan wachten, totdat de honger ons zoozeer van onze kracht berooft, dat wij niet meer van dezen ijsberg kunnen afspringen?”En nadat de oude zeeman opgestaan was, begaf hij zich met vasten stap naar de helling van den berg, waarop Ford zich bevond.„Wij beiden te gelijk, kapitein?” zeide hij met eene schorre stem. „Wilt ge?”Ford gevoelde, dat de stuurman hem van de helling naar beneden trok; maar hij bezat de noodige geestkracht niet meer om hem weerstand te bieden.Eensklaps hield de stuurman op, den kapitein met zich mee te trekken: een straaltje van hoop spiegelde zich op zijn gelaat af; hij strekte de hand uit, wreef zich de oogen uit, alsof hij zich van de werkelijkheid wilde overtuigen, en slaakte een doffen kreet van vreugde.„Daar, daar!” bracht hij met moeite uit, terwijl hij zich met zijn geheele lichaam vooroverboog.De kapitein sloeg een blik over den Oceaan, maar bemerkte niets, dat zijne aandacht waardig was. Alleen de ijsbergen, die onze reizigers vergezelden, vertoonden zich aan den horizon.Maar de oude zeeman bleef steeds naar een bepaald punt aan den horizon wijzen.„Een sloep, een sloep!” riep hij uit. „Kijk maar eens! Bij dien vierkanten berg! Zij komt er juist achter vandaan.”Eindelijk kwam ook Ford tot de overtuiging, dat de stuurman zich niet bedroog. Nadat hij al zijne aandacht gevestigd had op het punt, dat James hem aanwees, bemerkte hij eene kleine zwarte plek, die zich over het oppervlak van den Oceaan voortbewoog. Deze kleine plek werd blijkbaar al grooter en grooter, en nam langzamerhand den vorm van eene sloep aan. Vijf minuten daarna konden onze reizigers haar duidelijk onderscheiden.„Maar zij gaan zonder behulp van roeiriemen verder,” riep de ingenieur verwonderd uit.Inderdaad zat de bemanning van de sloep, zonder zich te verroeren, met opgeheven roeiriemen op de banken en nochtans vloog het vaartuig met de snelheid van een meeuw over de golven heen en liet een diep spoor achter zich. Het water, dat door den voorsteven gekliefd werd, verhief zich tot aan de boorden, alsof het ieder oogenblik de boot zou verzwelgen.Op den voorsteven van de sloep stond een matroos met een voorwerp in de hand, dat in de zon schitterde.„Het zijn walvischvaarders,” zeide Ford.„Zij hebben een walvisch geharpoeneerd en vervolgen dien nu,” riep de stuurman uit.Gromski kon zich bij den eersten oogopslag geene verklaring geven van het tooneel, dat onder zijne oogen voorviel. Hij begreep eerst, wat de woorden van James beteekenden, toen hij een touw aan den voorsteven vastgebonden zag en het windas zag draaien. De broze sloep, op sleeptouw genomen door den reus der wateren, die zich met den moordenden harpoen in het lichaam over den Oceaan voortbewoog, begaf zich regelrecht naar den ijsberg, waarop onze reizigers zich bevonden.James bemerkte terstond het gevaar, dat de bemanning bedreigde; want de walvisch zwom zóó diep onder water, dat hij gemakkelijk onder den ijsberg door kon, in welk geval de sloep tegen dezen hinderpaal in duizend stukken moest breken.„Ze zijn verloren!” zeide hij, terwijl hij de handen in de lucht bewoog.„Hola! Jelui daar! Snijdt het touw door!” riepen onze vrienden.Trotseerden de zeelieden het gevaar of vergaten zij dit bij het onverwachte gezicht van onze drie schipbreukelingen, die hun van den ijsberg af allerlei wenken gaven? Zooveel is zeker, dat de sloep zich met dezelfde snelheid bleef voortbewegen.„Het is niet anders,” mompelde Ford. „In plaats van ons te kunnen redden, hebben die onvoorzichtigen onze hulp noodig.”De jacht op den walvisch liep echter niet zoo slecht af, als de kapitein vreesde. De harpoenier, die bij het windas stond, verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, en nadat hij er zich van overtuigd had, dat de sloep regelrecht op den ijsberg afging, greep hij zijn mes en sneed het touw door. De sloep behield nog eenige seconden hare snelle vaart; maar toen begon zij zich langzamer voort te bewegen; eenige riemslagen achterwaarts en de boegspriet stiet slechts zeer zachtjes tegen den ijsberg aan, waarvan een stuk werd afgerukt.Onze reizigers begroetten de tegenwoordigheid van geest en de behendigheid van den harpoenier met kreten van geestdrift, waarin zich eene uitbundige vreugde mengde.„Hoe drommel kom jelui op dezen ijsberg?” vroeg de stuurman van de sloep, terwijl hij van zijne zitplaats opstond. „Wat moeten we met jelui beginnen? Springt in het water, dan zullen wij je wel ophalen. Maar gauw wat, daar deze ijsberg wel eens boven onze hoofden kan ineenstorten.”Zonder een oogenblik te aarzelen volgden onze reizigers den raad van den walvischvanger. De kapitein sprong het eerst in zee; na hem volgde James, en eindelijk liet ook de ingenieur zich langzaam van den ijsberg afglijden.Een oogenblik daarna zaten onze drie schipbreukelingen op de banken van de sloep naast de matrozen, die hen verwonderd aankeken.„Maar hoe drommel ben jelui toch op dien ijsberg gekomen?” herhaalde de stuurman van de sloep. „Duizend duivels! Je hebt de reis op een wonderlijk schip gedaan. Ben je uit de wolken komen vallen?”„Juist zoo, ge hebt het geraden,” antwoordde de kapitein ernstig. „We zijn werkelijk uit de wolken komen vallen met onzen luchtballon, waarmee we van de Zuidpool terug keerden.”Al spoedig had de sloep het schip bereikt.De ontvangst van onze schipbreukelingen aan boord van den walvischvaarder was allerhartelijkst.Nadat zij andere kleeren aangetrokken en zich aan een overvloedig maal te goed gedaan hadden, moesten zij natuurlijk al hun wedervaren aan den kapitein en de matrozen vertellen, welk verhaal met de grootste belangstelling en de diepste bewondering voor zooveel volharding en zooveel geestkracht werd aangehoord.Gelukkig bevond de walvischvaarder zich reeds op de terugreis, zoodat deze den boeg regelrecht naar New-York kon wenden, waar onze helden zich slechts korten tijd ophielden, daar zij zoo spoedig mogelijk naar Chicago wenschten terug te keeren.De talrijke vrienden, die Gromski had, kwamen hem al spoedig gelukwenschen met den gunstigen afloop van den tocht, waarvan zij zich niets goeds voorspeld hadden.Alle couranten waren nu uitbundig in loftuitingen over den ondernemingsgeest der drie kloeke mannen, die zij vroegerals niet veel beter dan krankzinnigen hadden beschouwd.De kapitein en de stuurman bleven een geruimen tijd de gasten van den ingenieur, genietende in de kalmte, die hen nu omgaf, maar toch weer plannen beramende voor het ondernemen van een nieuwen tocht met een nieuwen luchtballon; want het bleef nog altijd tot hunne liefste wenschen behooren, eenmaal den voet te zetten op het punt, waar de meridianen samenloopen.
De ijsberg, waarop onze reizigers zoo onvoorziens waren geworpen, was geene veilige schuilplaats. Deze ijsberg was een stuk van een ijsveld, dat door talrijke en diepe spleten doorboord was, die bij iederen nieuwen aanval der golven in omvang toenamen. Deze geheele massa dreef op het oppervlak van den Oceaan rond en stond ieder oogenblik bloot aan het gevaar, het evenwicht te verliezen en om te kantelen. De ingenieur en zijne metgezellen hielden zich met de uiterste moeite vast aan eene plek, die telkens met het schuim der golven bedekt werd. De eerste de beste golf, die kwam aanrollen, kon hen in zee doen storten. Daar de kapitein dit wel voorzag, keek hij naar eene veiligere plaats rond. Eenige voeten hooger bevond zich eene holte, die door verscheidene bergjes omgeven en in het midden van den ijsberg gelegen was. Het hobbelige oppervlak van den berg bood een vrij stevigen steun voor de voeten aan.
Zonder verder na te denken, begon Ford naar de gekozenplaats te klimmen. Na verloop van eenige oogenblikken zat hij in deze soort van schuilplaats, die de hoogste golven niet meer konden bereiken.
Op aansporing van den kapitein besloten de ingenieur en James, insgelijks hun fortuin te beproeven. Maar het waagstuk, waarin Ford gelukkig geslaagd was, zou bijna noodlottig voor zijne beide metgezellen afgeloopen zijn. Een ontzaglijke golf sloeg over den stuurman heen en zou hem zonder twijfel in zee hebben doen vallen, indien Gromski er niet in geslaagd was, hem vast te houden.
Gebruik makende van de tusschenruimte tusschen twee golven, bereikten de reizigers echter de kloof, waar zij volkomen beveiligd waren tegen de golven, die op de zijden van den ijsberg braken.
Een hooge ijsmuur, die zich aan den windkant verhief, beschermde onze helden volkomen tegen de jachtsneeuw. De stuurman ontdekte aan den voet van dezen muur eene kleine grot en kroop daar onmiddellijk in.
De luchtschipbreukelingen, die van koude verstijfd en tot op het hemd doornat waren, sloegen van uit hunne schuilplaats wanhopige blikken op den Oceaan. Waarom hadden zij den dood afgeweerd, die zijne kaken reeds voor hen opsperde? Was het om kort daarna een anderen dood te sterven, honderdmaal verschrikkelijker, den dood tengevolge van honger en koude?
De stuurman, die de zaken gewoonlijk nog al luchtig placht op te nemen, verwenschte luide zijne lafhartigheid, die hem had aangedreven, eene twijfelachtige schuilplaats op den ijsberg te zoeken.
„We zouden anders reeds lang in het water omgekomenzijn,” zeide hij; „en nu moeten we opnieuw het einde afwachten.”
De oude zeeman was blijkbaar ter prooi aan dezelfde marteling, welke een man ondergaat, die de voltrekking van zijn doodvonnis afwacht.
„Houd je maar kalm, James!” zei de ingenieur met een bitteren grimlach. „Het oogenblik is nabij, waarop deze berg zal omkeeren: een enkele groote golf zal daartoe voldoende zijn.”
„Dat zal zoo gauw nog niet gebeuren,” merkte Ford aan. „Ge vergeet, dat de ijsberg, waarop we ons bevinden, meer dan tien meters boven het water uitsteekt; het gedeelte, dat zich onder water bevindt, heeft omstreeks eene achtmaal grootere afmeting. De Oceaan of de golven of de orkaan zullen niet in staat zijn om zulk eene massa om te keeren. De ijsbergen vertoonen zich dikwijls op 54 graden breedte; in het noordelijk halfrond bereiken zij dikwijls den 46stengraad. De koude winden, die van de polen naar de evennachtslijn gaan, drijven ze dikwijls zelfs tot in de gematigde luchtstreek voort. Het is dus mogelijk, dat we eene lange reis zullen doen, die zoolang zal duren, totdat onze ijsberg onder den invloed der zonnestralen geheel gesmolten is.”
„Maar is het wel zeker, dat we voortgaan?”
„De wind stuwt ons zonder eenigen twijfel voort of misschien wel eenige stroom; anders zou deze ijsberg niet van de kust van het zuidelijk vasteland, waar zij zich van het ijsveld gescheiden heeft, weggedreven zijn.”
„We hebben dus den tijd om driemaal van honger en koude te sterven,” zeide Gromski.
James ondersteunde de opmerking van den ingenieur met een krachtigen matrozenvloek.
„Zou de weg, dien we met dezen storm afgelegd hebben, aanzienlijk zijn?” vroeg hij na eenige oogenblikken van stilzwijgen.
Gromski haalde de schouders op.
„Wat weet ik daarvan?” antwoordde hij. „Misschien een mijl, misschien wel drie duizend kilometers. Binnen eenige uren zullen we dit met zekerheid te weten komen door den duur van den nacht. Als deze niet invalt, zal dit ons een bewijs zijn, dat we den poolcirkel nog niet eens overschreden hebben.”
„Ja, dat is waar, en ik zou graag zoo spoedig mogelijk willen weten, waar we ons bevinden,” zei de kapitein peinzend. „Hoe jammer, dat de chronometer in het schuitje achtergebleven is!”
„Wat kan dat alles ons schelen?” mompelde de stuurman.
„Dat kan ons meer schelen dan je wel denkt; want als onze ballon vernietigd is in eene streek, die door de walvischvaarders bezocht wordt.…”
De kapitein durfde dezen volzin niet voltooien. De onderstelling, die hij wilde te berde brengen, scheen hem al te gewaagd toe.
Na dit gesprek heerschte er een diep stilzwijgen op den ijsberg. Onze schipbreukelingen, die tegen elkaar aan gedrukt zaten, bevende van koude, hoorden het gebulder van den orkaan en het onheilspellend geklots der golven, die tegen de zijden van den ijsberg aankwamen.
Intusschen bemerkten zij na verloop van eenigen tijd tothunne blijdschap, dat het ophield met sneeuwen. De donkere wolken lieten eenig licht door, waar doorheen men de onbestemde lijn van den horizon kon zien, waaraan zich hier en daar witte stippen vertoonden. Dit waren ijsbergen. De kapitein, die een scherp gezicht had, telde er wel twaalf op verschillende punten van den Oceaan. Deze overvloed van drijvende ijsbergen gaf het recht tot de onderstelling, dat het vasteland niet ver verwijderd was en deze opmerking was alles behalve geschikt om aan onze schipbreukelingen moed in te boezemen, daar deze gewenscht hadden, zooveel mogelijk naar het Noorden af te drijven. Bovendien kondigde niets de aannadering van den nacht aan. Deze omstandigheid bewees, dat de luchtballon binnen de grenzen van den poolcirkel in zee neergekomen was.
De kalmte, die er allengs in de atmosfeer begon terug te keeren, boezemde den schipbreukelingen eenigen moed in. Omstreeks zeven uur des avonds drongen de eerste stralen der zon door de wolken heen en wierpen een somber licht op den Oceaan en op den ijsberg, die geheel met sneeuw bedekt was.
De kapitein en Gromski verlieten de grot, ten einde hunne verstijfde ledematen een weinig in de zon te verwarmen. Ford, die een kleinen verrekijker uit zijn zak gehaald had, sloeg den horizon opmerkzaam gade.
Helaas! op den Oceaan was niets te zien. Behalve de ijsbergen, die in de verte schitterden, bemerkte het oog niets, niet het kleinste stukje land, niet de minste klip.
„Ik twijfel er aan, of eenig schip zich bij zulk weer wel in volle zee zal wagen,” zeide Gromski.
„Dat mag inderdaad betwijfeld worden,” antwoorddeFord; „maar het kan toch geen kwaad, van tijd tot tijd eens een blik op den horizon te slaan.”
„Waartoe zou dat dienen? Het zou beter zijn, een noodvlag, te hijschen,” zeide James.
„Maar waarvan zouden we een vlag maken?”
In plaats van antwoord te geven, haalde de oude zeeman uit zijn zak een grooten rooden zakdoek en liet dezen zegevierend in de lucht wapperen.
„Ik zou op een afstand van tien mijlen zulk eene vlag wel op een ijsberg kunnen zien,” zeide hij.
De brave stuurman legde nu blijkbaar zijne zwartgalligheid af, want hij ging vol moed zijne vlag planten. Zonder op het gevaar acht te slaan, klom hij op den top van het ijsveld en maakte daaraan de geïmproviseerde vlag vast.
„En nu kunnen we afwachten, totdat we den hongerdood sterven.”
Bij deze woorden onderzocht de stuurman zijne zakken nauwkeurig, in de hoop, daarin nog iets eetbaars te zullen vinden. Maar het was vruchteloos: de geheele voorraad—de gerookte ganzen, de eieren en de overblijfselen van het vleesch—was in het schuitje achtergebleven. Onze reizigers konden dus den honger niet stillen, die hen al meer en meer begon te folteren.
Wat den dorst aangaat, daarvoor behoefden zij niet te duchten, daar hun ijsberg, die uit bevroren zoet water bestond, eene onuitputtelijke bron van drinkbaar water opleverde.
Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.
Hij maakte de vlag vast. Blz. 232.
Behalve den honger en de koude bedreigde hen nog een ander gevaar. Het was de zon, die door de wolken heengeboord was en die nu, daar zij den ijsberg op eene onevenredigewijze deed uitzetten, het ijs deed barsten, zoodat er stukken losraakten en in zee vielen. Op den 22sten, om zeven uur, barstte de top van den ijsberg, aan welks voet onze reizigers eene schuilplaats hadden gevonden, eensklaps met een hevig gedruisch vaneen.
James, die in zijne grot lag te slapen, kwam er als door een wonder heelhuids af: het ontzaglijke ijsblok brak onder het vallen vlak boven zijn hoofd onverhoeds in duizend stukken. Een dezer stukken kwetste den kapitein ernstig in het gezicht.
James was der wanhoop ter prooi; want zijne noodvlag, die op den top van den ijsberg wapperde, was tegelijkertijd in zee gevallen.
Onze reizigers zagen ook met angst, dat hunne schuilplaats met ieder oogenblik in omvang afnam; na verloop van eenige dagen moest de ijsberg, door den stroom naar warmere streken meegevoerd, onvermijdelijk in duizend stukken springen, en dan.…
De ingenieur, die James tegen alle verdere ongevallen wilde beveiligen, ging in de grot, waarin deze zich ophield, en trachtte hem te overreden, er uit te komen.
„Komaan, ouwe jongen,” zeide hij. „Het gedeelte van den ijsberg, waarop je je bevindt, kan ieder oogenblik instorten. Zie eens, welk een spleet zich aan dien kant gevormd heeft!”
De zeeman verroerde zich niet.
„Laat mij maar blijven, waar ik ben,” mompelde hij. „Des te spoediger is het met mij gedaan. Het is toch wat al te bar, uit eigen beweging in zee te springen; welnu, laat mij maar in zee geworpen worden!”
Daar de ingenieur wel merkte, dat hij den stuurman toch niet tot andere gedachten zou brengen, zag hij van het aanwenden van verdere pogingen af en keerde naar den kapitein terug, die zich op een gedeelte van den ijsberg had neergezet, dat vooralsnog tegen de zonnestralen beveiligd was.
De dood, dien James met koelbloedigheid afwachtte, vertoonde zich overal aan de oogen van onze schipbreukelingen. De ijsberg waggelde onophoudelijk, ofschoon de Oceaan reeds lang tot bedaren gekomen was. De kapitein kon dit feit niet anders verklaren, dan door de onderstelling, dat het benedengedeelte van den ijsberg langzamerhand wegsmolt. Het oogenblik was dus gemakkelijk te voorzien, waarop het zwaartepunt van deze massa zich zou verplaatsen of—om in gewone bewoordingen te spreken—waarop de berg, door onze zeereizigers ingenomen, zou omkantelen.
De dag van den 23stenwerd doorgebracht in eene verschrikkelijke en lijdelijke afwachting van den dood, die langzaam aan naderde. De kapitein, die tot dusverre voortdurend den horizon gadegeslagen had, verbrijzelde zijn verrekijker tegen een ijsblok, zóó uitgeput en ontmoedigd gevoelde hij zich.
„Ik ben volkomen bereid om te sterven,” zeide hij, terwijl hij haastig opstond; „als het maar zoo spoedig mogelijk gebeurt!”
„Terstond!” antwoordde de stuurman. „Wat drommel! Moeten we dan wachten, totdat de honger ons zoozeer van onze kracht berooft, dat wij niet meer van dezen ijsberg kunnen afspringen?”
En nadat de oude zeeman opgestaan was, begaf hij zich met vasten stap naar de helling van den berg, waarop Ford zich bevond.
„Wij beiden te gelijk, kapitein?” zeide hij met eene schorre stem. „Wilt ge?”
Ford gevoelde, dat de stuurman hem van de helling naar beneden trok; maar hij bezat de noodige geestkracht niet meer om hem weerstand te bieden.
Eensklaps hield de stuurman op, den kapitein met zich mee te trekken: een straaltje van hoop spiegelde zich op zijn gelaat af; hij strekte de hand uit, wreef zich de oogen uit, alsof hij zich van de werkelijkheid wilde overtuigen, en slaakte een doffen kreet van vreugde.
„Daar, daar!” bracht hij met moeite uit, terwijl hij zich met zijn geheele lichaam vooroverboog.
De kapitein sloeg een blik over den Oceaan, maar bemerkte niets, dat zijne aandacht waardig was. Alleen de ijsbergen, die onze reizigers vergezelden, vertoonden zich aan den horizon.
Maar de oude zeeman bleef steeds naar een bepaald punt aan den horizon wijzen.
„Een sloep, een sloep!” riep hij uit. „Kijk maar eens! Bij dien vierkanten berg! Zij komt er juist achter vandaan.”
Eindelijk kwam ook Ford tot de overtuiging, dat de stuurman zich niet bedroog. Nadat hij al zijne aandacht gevestigd had op het punt, dat James hem aanwees, bemerkte hij eene kleine zwarte plek, die zich over het oppervlak van den Oceaan voortbewoog. Deze kleine plek werd blijkbaar al grooter en grooter, en nam langzamerhand den vorm van eene sloep aan. Vijf minuten daarna konden onze reizigers haar duidelijk onderscheiden.
„Maar zij gaan zonder behulp van roeiriemen verder,” riep de ingenieur verwonderd uit.
Inderdaad zat de bemanning van de sloep, zonder zich te verroeren, met opgeheven roeiriemen op de banken en nochtans vloog het vaartuig met de snelheid van een meeuw over de golven heen en liet een diep spoor achter zich. Het water, dat door den voorsteven gekliefd werd, verhief zich tot aan de boorden, alsof het ieder oogenblik de boot zou verzwelgen.
Op den voorsteven van de sloep stond een matroos met een voorwerp in de hand, dat in de zon schitterde.
„Het zijn walvischvaarders,” zeide Ford.
„Zij hebben een walvisch geharpoeneerd en vervolgen dien nu,” riep de stuurman uit.
Gromski kon zich bij den eersten oogopslag geene verklaring geven van het tooneel, dat onder zijne oogen voorviel. Hij begreep eerst, wat de woorden van James beteekenden, toen hij een touw aan den voorsteven vastgebonden zag en het windas zag draaien. De broze sloep, op sleeptouw genomen door den reus der wateren, die zich met den moordenden harpoen in het lichaam over den Oceaan voortbewoog, begaf zich regelrecht naar den ijsberg, waarop onze reizigers zich bevonden.
James bemerkte terstond het gevaar, dat de bemanning bedreigde; want de walvisch zwom zóó diep onder water, dat hij gemakkelijk onder den ijsberg door kon, in welk geval de sloep tegen dezen hinderpaal in duizend stukken moest breken.
„Ze zijn verloren!” zeide hij, terwijl hij de handen in de lucht bewoog.
„Hola! Jelui daar! Snijdt het touw door!” riepen onze vrienden.
Trotseerden de zeelieden het gevaar of vergaten zij dit bij het onverwachte gezicht van onze drie schipbreukelingen, die hun van den ijsberg af allerlei wenken gaven? Zooveel is zeker, dat de sloep zich met dezelfde snelheid bleef voortbewegen.
„Het is niet anders,” mompelde Ford. „In plaats van ons te kunnen redden, hebben die onvoorzichtigen onze hulp noodig.”
De jacht op den walvisch liep echter niet zoo slecht af, als de kapitein vreesde. De harpoenier, die bij het windas stond, verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, en nadat hij er zich van overtuigd had, dat de sloep regelrecht op den ijsberg afging, greep hij zijn mes en sneed het touw door. De sloep behield nog eenige seconden hare snelle vaart; maar toen begon zij zich langzamer voort te bewegen; eenige riemslagen achterwaarts en de boegspriet stiet slechts zeer zachtjes tegen den ijsberg aan, waarvan een stuk werd afgerukt.
Onze reizigers begroetten de tegenwoordigheid van geest en de behendigheid van den harpoenier met kreten van geestdrift, waarin zich eene uitbundige vreugde mengde.
„Hoe drommel kom jelui op dezen ijsberg?” vroeg de stuurman van de sloep, terwijl hij van zijne zitplaats opstond. „Wat moeten we met jelui beginnen? Springt in het water, dan zullen wij je wel ophalen. Maar gauw wat, daar deze ijsberg wel eens boven onze hoofden kan ineenstorten.”
Zonder een oogenblik te aarzelen volgden onze reizigers den raad van den walvischvanger. De kapitein sprong het eerst in zee; na hem volgde James, en eindelijk liet ook de ingenieur zich langzaam van den ijsberg afglijden.
Een oogenblik daarna zaten onze drie schipbreukelingen op de banken van de sloep naast de matrozen, die hen verwonderd aankeken.
„Maar hoe drommel ben jelui toch op dien ijsberg gekomen?” herhaalde de stuurman van de sloep. „Duizend duivels! Je hebt de reis op een wonderlijk schip gedaan. Ben je uit de wolken komen vallen?”
„Juist zoo, ge hebt het geraden,” antwoordde de kapitein ernstig. „We zijn werkelijk uit de wolken komen vallen met onzen luchtballon, waarmee we van de Zuidpool terug keerden.”
Al spoedig had de sloep het schip bereikt.
De ontvangst van onze schipbreukelingen aan boord van den walvischvaarder was allerhartelijkst.
Nadat zij andere kleeren aangetrokken en zich aan een overvloedig maal te goed gedaan hadden, moesten zij natuurlijk al hun wedervaren aan den kapitein en de matrozen vertellen, welk verhaal met de grootste belangstelling en de diepste bewondering voor zooveel volharding en zooveel geestkracht werd aangehoord.
Gelukkig bevond de walvischvaarder zich reeds op de terugreis, zoodat deze den boeg regelrecht naar New-York kon wenden, waar onze helden zich slechts korten tijd ophielden, daar zij zoo spoedig mogelijk naar Chicago wenschten terug te keeren.
De talrijke vrienden, die Gromski had, kwamen hem al spoedig gelukwenschen met den gunstigen afloop van den tocht, waarvan zij zich niets goeds voorspeld hadden.
Alle couranten waren nu uitbundig in loftuitingen over den ondernemingsgeest der drie kloeke mannen, die zij vroegerals niet veel beter dan krankzinnigen hadden beschouwd.
De kapitein en de stuurman bleven een geruimen tijd de gasten van den ingenieur, genietende in de kalmte, die hen nu omgaf, maar toch weer plannen beramende voor het ondernemen van een nieuwen tocht met een nieuwen luchtballon; want het bleef nog altijd tot hunne liefste wenschen behooren, eenmaal den voet te zetten op het punt, waar de meridianen samenloopen.