HOOFDSTUK III.

HOOFDSTUK III.TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.Geen noemenswaardige luchtstrooming belemmerde het bijna loodrecht opstijgen van den Argonaut. Het luchtschip bevond zich nog in den dampkring der aarde, de reeds bereikte hoogte was merkbaar door den verminderden luchtdruk en het dalen der temperatuur, ook binnen in de gondel. Professor Stiller, die de geheele leiding op zich had genomen, sloeg daarom voor, allereerst een eenvoudig avondmaal te nuttigen, dat wel het laatste zou zijn in de nabijheid van Moeder Aarde, waarvan men volgens den stand van den barometer reeds 7000 Meter verwijderd was. Dit voorstel vond algemeenen bijval. De heeren lieten zich het uitstekende Stuttgarter vleesch en gebak voortreffelijk smaken, en ook de medegenomen fonkelende roode Neckarwijn werd dapper toegesproken, voor zoover de geleerde heeren geen onthouders waren.Na den maaltijd richtte aller opmerkzaamheid zich weder op de instrumenten. Deze wezen aan, dat de grens van den aardschen dampkring wasbereikt, en men op het punt stond door te dringen in het onmetelijke aetherruim. De met Xylol gevulde thermometer stond buiten de gondel reeds op 42° onder nul, en de barometers wezen eene hoogte aan van 19.950 Meter. In de gondel werden de electrische gloeilampen ontstoken, nadat reeds van te voren het toestel tot toevoer van lucht in gebruik was gesteld. Er heerschte in de gondel eene dragelijke temperatuur, terwijl men gemakkelijk ademhaalde.De dienst in de gondel was dusdanig geregeld, dat gedurende 24 uur ieder der geleerden afwisselend 3 uur en 42 minuten de instrumenten had waar te nemen. Op die manier werd voor een ieder de dienst niet al te vermoeiend. Alleen professor Stiller had zich voorbehouden om, indien hij dit noodig oordeelde, dien dienst een zekeren tijd alleen waar te nemen.De eerste nacht in de gondel, hoog boven in het aetherruim, ging rustig en kalm voorbij. De ballon was inmiddels met verbazende snelheid gestegen. Den 8en December ’s morgens om 7 uur, had men eene hoogte van 90.723 Meter bereikt. De thermometers voor de micavensters van de gondel wezen de ontzettende koude van 120° aan. Een ondoordringbare nacht omgaf de luchtreizigers. Geen enkele zonnestraal drong door die diepe duisternis. Het luchtschip steeg met al grooter en grooter snelheid, en bewoog zich, gehoorzamend aan het roer steeds in oostelijke richting.Tegen den middag wees de snelheidsmeter den kolossalen afstand van 220.000 M. van de aarde aan.Wanneer het stijgen voort zou gaan in dit, steeds in snelheid toenemende tempo, dan moesten de luchtreizigers binnen enkele dagen in de nabijheid van de maan komen, die dan 90° oostwaarts juist in haar eerste kwartier zou staan.Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover te spreken.„Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar gemis,” zei professor Dubelmeier.„Dat is wel waar!” bevestigde Fridolin Frommherz. „Alle licht, ook dat onzer zielen, komt van boven.”„Alles zonlicht, mijn waarde!” liet professor Hämmerle er op volgen.„Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!” hernam Frommherz.„Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten, maar ons liever verheugenin het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen, al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld en dan voor langeren tijd!” bracht professor Stiller in het midden.Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten ballon deelde zich aan de gondel meê. „Wat is er aan de hand! Om ’s hemels wil, wat is er gebeurd?”—dit waren vragen die door het meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.„In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou, beste vrienden!” aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte reisgezellen gerust. „Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft gereageerd; vandaar het plotselinge trillen,” ging professor Stiller voort. „Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit, en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner beweringen.” Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog, bemerkte men inde gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers was afgelegd.„Waarom schudt gij het hoofd?” vroeg professor Piller aan zijn collega.„Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne berekeningen ook heb verwacht.”„Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om 4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid overtreft alles, zelfs de stoutste berekening,” bracht Brummhuber in het midden.„Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken,” hernam professor Stiller. „Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan; want anders,” liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen, „zouden wij wat al te laat op Mars aankomen.”„Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,” hernam Thudium.Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en misschienook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag der reis voorbij.Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen, die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed, was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.„Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!” klonk het van aller lippen.Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige, hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen doorde zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep, terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig, en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien, dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan, geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.„Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij er te bevriezen,” riep professor Stiller uit. „We zullen dus maken dat wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht en weder in de neutrale aetherruimte komen.”Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet, de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen, als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde die berust op electromagnetische stroomingen.Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht onderhevig zijn—zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut—binnen het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut wasreeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den rechten en den naasten weg naar het doel.Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.Op zekeren dag—in de vierde week werd de stilte in de gondel door een eigenaardig geluid onderbroken.„Wat is er aan de hand,” vroegen de geleerden verwonderd aan professor Stiller.„Ik kan het mij niet verklaren,” antwoordde deze, „noch onze horloges noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt.”Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds sterker wordende geluid.„Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak daarbuiten in het wereldruim moet liggen.”„Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks nabijheid wij gekomen zijn,” merkte professor Hämmerle bezorgd op.Het was in de gondel een getik en een geraas als in een klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk afliepen.„Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij vergaan,” viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht dat door de vensters drong.De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmersteeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen, die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm; al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig natuurtooneel daarbuiten.Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen mocht? Dat moest hij dadelijkaan zijn collega Stiller vragen, want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde, nog afwenden.Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort, totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogenhet eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.„Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht, en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft, en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend Dubelmeier is ons van groot nut geweest.”„Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,” vroeg professor Piller nieuwsgierig.Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.„En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik niets!” vroeg professor Brummhuber.„Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles zuchtend in Tübingen achtergelaten,” antwoordde Dubelmeier.„Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het medenemen van dergelijke bagage,” merkte professor Stiller lachend op, „maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben bewezen!” Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts voor korten tijdhad kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke beweging en de gewone geestesarbeid.De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken, dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust, ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan hun stamtafel in „de Beer,” „de Walvisch,” „de Kroon,” en op andere zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn, en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.„Ik wilde dat Mars naar den drommel liep,” riep professor Piller uit, daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.„Laten wij dat nu maar niet wenschen,” hernam Stiller op eenigszins scherpen toon. „Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijgen verdraag, dat moet onze leuze zijn!”„Goed gesproken,” bevestigde Bombastus Brummhuber, „maar eindelijk moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!”„Wacht maar eerst af wat komt,” riep professor Stiller boos uit.„Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige weken zou duren,” bracht Frommherz in het midden, „nu is deze tijd verstreken, en.....”„Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz,” viel Stiller zijn reisgenoot in de rede. „Overigens heb ik nooit precies opgegeven hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!”„Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!” klonk het van verschillende zijden.„Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal.”„Hoe groot is die afstand nog?”„Nog ongeveer 30 millioen Kilometers.”„Dertig millioen Kilometers? Dan zijn wenauwelijks op de helft! Het is gewoon verschrikkelijk,” bromde professor Dubelmeier.„Hoe moet dat eindigen!” zuchtte Frommherz.„Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is,” spotte professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor was gekomen.Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen, zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek te onderwerpen.Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats van zijn collega’s mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn reisgenooten hem nog geenenkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek, dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne reisgenooten.In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd, in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook nog de zorg voor de voeding.Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd; vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best zijn collega’s zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden ineens overwonnen!—dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg, de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.„Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,—waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog ’t beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!”Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. „Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,”—aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoonkritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega’s vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.„Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?” vroeg professor Stiller zichzelf af. „Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?”Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed latenzakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd,wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.„Wat voert ge daar toch uit, Stiller?” klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.„Ik werk aan onze redding,” antwoordde de aangesprokene kortaf.„Dat is een prijzenswaardige arbeid,” merkte Frommherz met zwakke stem op.„Verklaar ons uw plannen eens,” sprak professor Dubelmeier.„Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijngang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden.”„Stiller heeft gelijk,” besloot professor Piller, „geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken.”„Ge drinkt bepaald te veel, Piller,” waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. „Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten.”„Voor mijn part!” merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. „Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!”Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,—toen er al weer iets anders gebeurde.„Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?” vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.„Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert,” bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.„Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht.”De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel metzóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.„Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond,” spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.„O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan,” steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.„Bah,” hernam Piller droogjes, „wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!”„Wat zal men van mij denken?”„Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo ’n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond.”„Was het maar eerst zoover!”„Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!” bromde de dokter mismoedig.Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude,die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid.Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.„Hoera, hoera!” riep hij opgewonden uit.„Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge....” professor Stiller viel bewusteloos neder.Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.„Waar zijn wij,” vroeg professor Stiller met zwakke stem.„Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem,” antwoordde professor Piller.„Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,” zeide Stiller.„Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?”„Het moet eenvoudig!”Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterendwit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.HOOFDSTUK IV.OP MARS.Van Mars uit—want het was werkelijk die planeet—was de ballon reeds lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast, doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland daaldenhierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde, Mars te betreden.Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja, zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was, waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert lang niet meer de minste zorg was besteed.„Drommels, wat zien wij er uit!” riep professor Piller ontsteld uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk eens hartelijk te lachen.Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach begroetten.„Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats van op Mars?” merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had schoongemaakt en op zijn neus gezet.„Hoe komt ge daarbij?” vroeg professor Dubelmeier.„Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig doet uitkomen!”„Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde professor Stiller, „maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn waarde Hämmerle.”Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op acht uur.„Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding.”Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen,zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.„Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?”—Hij deed deze eenigszins banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt, professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te begrijpen.„Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk kunnen begrijpen, Stiller,” merkte professor Hämmerle op.„Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons voor hen verstaanbaar kunnen maken.”Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:„Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn opgestegen, om u te bezoeken.”Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte, dezelfde glimlach.„Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn,” zeide Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaalmislukken van zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch, Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch, bereikte men niet het gewenschte doel.„Dat is een goed begin,” bromde professor Brummhuber.„Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren,” merkte Thudium op.„Dat schijnt wel zoo,” bevestigde Frommherz.„Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan,” riep Dubelmeier uit.Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte, en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel, eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking, dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er verder zou gebeuren.De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere donkerblauwe oogen,waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak, waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den Argonaut hadden geholpen.Het was den professor, alsof een sprookje uit de „duizend en een nacht” werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige, rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn, wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen, leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden met elkander, in glans, schoonheid, kleurenprachten geur. Vlinders in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.„Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen,” sprak professor Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. „Ik moet mijn gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg, Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne zondagsliederen heeft uitgedrukt?”„Nu, nu,” hernam professor Piller droogjes, „ook mij bevalt die intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag, wist gij dat niet, Stiller?”„Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar hoe weet gij dat?”„Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart.”„Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons nabij zijn en beschermen,” riep professor Stiller uit.„Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in degondel ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens een behoorlijk huiselijk leven krijgen.”„O, professortje, professortje!” hernam Stiller lachend, „hongeren en dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!”Professor Piller keek in de aangewezen richting. „Drommels,”—kwam het over zijne lippen,—„zouden die kolossale bessen misschien tot het geslacht der druiven behooren?”„Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen.”„Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!”—riep professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega’s het hoorden. „Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien, en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug mij op een teug van dien drank!”„Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden,” lispelde Frommherz.„Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen,” antwoordde Piller.Onder dergelijke gesprekken, bereikten de heeren met hun begeleider de eerste huizen. Tot hunne verwondering bemerkten zij, dat die gebouwen, die zij uit de verte voor openbare inrichtingenhadden gehouden, niets anders waren, dan groote particuliere woningen of villa’s. Zij waren gemaakt uit witte kunstig gehouwen steenen, en hadden aan de voorzijde hooge galerijen, die, door zuilen gedragen, een alleraangenaamsten indruk maakten, en getuigden van de groote voorliefde, die de bewoners koesterden voor frissche lucht en ruimte.Voor het warme klimaat waren zulke open galerijen het eenige doelmatige. Breede marmeren trappen leidden daarheen, en daarop speelden aardige, frissche kinderen, die slechts een licht hemdje droegen, dat om het middel door een gordel werd bijeengehouden.In de galerijen stonden hier en daar fraaie marmeren beelden. Alles ademde hier rust, schoonheid en vreugde, en liet niet na een diepen indruk op onze reizigers te maken.De grijsaard bracht zijne gasten naar een gebouw van twee verdiepingen, dat veel van een paleis had, omgeven door de fraaiste bloemen en gewassen, prachtig ingericht, als een vorstelijk verblijf. Het was het huis van den grijsaard zelf, wat deze den vreemdelingen ten gebruike afstond.Langs breede marmeren trappen kwamen de professoren op eene groote plaats, in het midden waarvan een prachtige fontein vroolijk sprong. Rondom dit plein lagen groote kamers, zalen gelijk, waarvan de deuren alle op het plein uitkwamen. Aan den rechterkant bevond zich dehoofdtrap; deze bestond uit twintig breede treden, ieder bestaande uit een steen van vier meter lengte, en voerde naar een portaal met een groot venster.Van hier kwam men langs twintig treden in een hooger gelegen gang, die door groote vensters werd verlicht, en een prachtig ingelegde zoldering had. Langs deze gang kwam men in eene rij salons, waarop de slaap- en badkamers volgden. Het geheele gebouw was uitstekend verlicht en van alle gemakken voorzien.De grijsaard klapte in de handen, waarop eenige jonge mannen toesnelden, die waarschijnlijk de dienende geesten waren van dit huis. De grijsaard sprak lang en met nadruk tot hen, en wees eindelijk op zijne gasten en trachtte dezen door gebaren te beduiden, dat zij hun gemak moesten nemen. Daarop verliet hij hen met eene vriendelijke buiging. Ook de bedienden verdwenen, maar kwamen weldra weder terug en brachten andere kleeding en sandalen, zooals ook zij droegen.Zonder een woord te spreken, maar uiterst gedienstig, wezen zij de vreemdelingen den weg naar de badkamers.„Ik ben werkelijk nieuwsgierig, waar dat alles op zal uitloopen,” zeide Piller tot professor Stiller, „als ik niet klaar wakker was, en zoo nuchter als een pasgeboren kind, en volkomen bij mijn verstand, dan zou ik inderdaad gelooven, dat alles wat ik hier tot nu toe heb beleefd, nietsanders was dan een spel mijner verbeelding.”„Laten wij maar afwachten, Piller! Om te beginnen hebben wij het hier niet slecht, integendeel! Ik hoor hier dichtbij al met tafels schuiven. Onze maaltijd wordt waarschijnlijk gereed gezet. Laten wij eerst gaan baden, en ons ontdoen van het laatste aardsche stof, en dan... dan beginnen wij ons nieuwe leven op Mars, dat zoo hoogst interessant belooft te worden. Tot later dus!”Bij deze woorden verdween Piller in zijn badkamer. Stiller zoowel als de anderen volgden weinige oogenblikken later dit voorbeeld, en al heel spoedig daarna plasten de reisgenooten, in op temperatuur gebracht water, in hunne marmeren badkuipen.Wonderlijk verfrischt en gesterkt door het bad, en gehuld in hunne frissche gemakkelijke kleeren, kwamen de geleerden een half uur later in de hooge luchtige eetzaal van het huis bijeen. De zoldering van deze zaal was medaillonsgewijs prachtig beschilderd, de vensters bestonden uit fraaie mozaïk ruiten, en de vloer uit marmeren platen in verschillende kleuren.In het midden van de zaal stond de tafel met schitterend tafelzilver gedekt; ook borden en bokalen waren uit hetzelfde edele metaal vervaardigd. Op schalen van echt kristal lagen de heerlijkste vruchten. In de fraai geslepen karaffen fonkelde verleidelijk eene heldere goudgele vloeistof. Zware armstoelen uit eene eigenaardigezwarte houtsoort vervaardigd, met vergulde leuningen, stonden rondom de tafel.„Dat is inderdaad vorstelijke pracht!” riep Frommherz verrukt uit, terwijl hij in de zaal rondkeek en de tafel monsterde. „Hier kunnen wij ons gerust vestigen, hier is het wel uit te houden! Ver van de aarde, en het paradijs nabij!”„Nu, gij schijnt een en al bewondering te zijn,” riep Hämmerle lachend uit.„Laat Frommherz maar phantaseeren! Wat mij betreft ik ben benieuwd wat wij te eten zullen krijgen,” zeide de nuchtere Piller, terwijl hij aan tafel ging zitten. „Opzestig millioenkilometers van de aarde, zal de spijskaart er toch wel een beetje anders uitzien, dan bij ons aan de oevers van den Neckar.”„Stiller, gij gaat aan het hoofd van de tafel zitten als president,” riep Brummhuber uit, toen professor Stiller op zijne gewone bescheiden manier, tusschen zijne collega’s wilde plaats nemen.„Natuurlijk!” bevestigde professor Piller. „Eere wien eere toekomt! Onze vriend Stiller heeft tot nog toe de zaak netjes opgeknapt, hij moet daarom ook voortaan onze leidsman zijn!”Met deze woorden schonk hij uit de voor hem staande karaf iets in zijn bokaal, en hield dat onderzoekend onder den neus.„Hm..... hm.... dat ruikt niet kwaad.... een fijn bouquet.” Voorzichtig nam hij een teug. „Het is wijn, waarachtig!Hetis wijn, eene soortsec, zooiets als sherry, maar veel zachter,” deelde Piller mee, toen hij gedronken had. „Hij is van goede afkomst, doch onze Neckarwijn is beslist zoeter dan deze Marsdrank, maar dat doet er niet toe, hij mag blijven zooals hij is, liever dezen wijn dan geen wijn.”„Zeg Piller, gij alcoholist, wees blijde dat gij nog wat te drinken krijgt!”„Wij zijn waarachtig toch niet naar Mars gegaan om wijn te drinken,” riep professor Dubelmeier uit. „Uw eeuwige dorst en uw voortdurend verlangen naar onzen Neckarwijn, hadden voor u eigenlijk een reden moeten zijn om stilletjes op de aarde te blijven!”„Och wat, gij hartstochtelijke spuitwaterdrinker!” riep Piller nijdig uit.„Wat weet gij van....”Maar professor Stiller liet den vertoornde niet uitspreken.Hij stond op. „Mijn waarde vrienden, ik verzoek om rust en vrede, en wensch u allen een recht goeden eetlust bij het aanstaande maal! Laten wij den eersten dronk wijden aan onze behouden aankomst op Mars; de tweede zal ons klein en groot vaderland gelden; die zij gewijd aan Zwaben en aan Duitschland; ik verzoek u uwe bokalen te vullen en mij bescheid te doen!”„Nu, daar heb ik vrede mee,” zeide Piller, „Stiller is toch waarachtig een verstandige kerel!”„En nu, mijne vrienden, laat ons plaats nemen!”Naar het voorbeeld van den grijsaard, klapte professor Stiller in de handen, waarop zeven bedienden binnenkwamen, voor ieder der heeren één. Zij droegen schotels waarop prachtige visschen lagen.De toorn van Piller verdween, bij het zien van die warme uitlokkende spijzen. Hij en de andere heeren tastten duchtig toe, allen waren het er volkomen over eens, dat de visch uitstekend gesmaakt had. Op de visch volgden eenige eigenaardige maar uiterst smakelijk toebereide meelspijzen, daarna groenten, vruchten en gebak.Toen het ontbijt wasgeeindigd, vulde Piller zijn bokaal met den fonkelenden wijn, schoof zijn stoel een eindje terug, en stond op.„Stilte, mijne heeren!”—Het op luiden toon gevoerde opgewonden gesprek der heeren verstomde, en maakte voor eene aandachtige stilte plaats.„Mijn waarde vrienden en tochtgenooten, ik vervul hiermede een soort van plicht,” begon Piller, maar werd plotseling afgeleid doordat hij van buiten wonderschoone zachte tonen hoorde, die langzamerhand in machtige accoorden overgingen. Dat was eene muziek, een spel zóó plechtig en zóó mooi, dat de heeren stil en bijna onbewegelijk op hunne plaatsen bleven zitten, om toch maar door geen geruisch, hoe gering ook, iets van die aangrijpende tonen te verliezen, die met hun klank hen boven het tegenwoordige schenen te verheffen, tot in de blauwe zaligegewesten van oneindige vreugde. Zacht en stil, een fluisteren gelijk, stierven de tonen langzamerhand weg.„Zoo worden wij op Mars ontvangen,” riep professor Stiller opgewonden uit, toen de muziek eindelijk zweeg. „Is een schooner en tegelijk verhevener welkom voor ons, hierboven denkbaar, dan dit verrukkelijk snarenspel?”„Neen, zeker niet!” antwoordden zijne reisgenooten vol enthousiasme. Toen liepen zij naar de vensters van de zaal, om te zien, wie hun dit heerlijk genot had bereid. Het waren twaalf harpspelers, die zich langzaam en waardig met hunne instrumenten van het terras verwijderden.„Zeg, Piller, dat was zeker een schooner en edeler genot, dan de speech zou geweest zijn, die gij voornemens waart, af te steken,” plaagde Dubelmeier zijn collega.„Hoe wilt gij weten, wat ik te zeggen had; die speech krijgt gij den een of anderen dag toch te hooren. Maar wees dankbaar, dat de heerlijke muziek, die ik zooeven heb gehoord, mij zoo vredig heeft gestemd, dat ik op uwe provocaties niet zal antwoorden zooals zij dat verdienden,—hoort gij het, onverbeterlijke waterdrinker!”De heeren lachten over het dispuut der beide reisgenooten, die in weerwil van alle plagerijen, elkander toch zoo hartelijk genegen waren.Vergezeld van verscheidene eerbiedwaardige mannen, verscheen de grijsaard weder in de deur van de zaal. Er kwam een glimlach op het ernstige,sprekende gelaat van den ouden man, toen hij de zeven vreemdelingen terug zag, die nu, gekleed evenals hij, in eerbiedige houding voor hem stonden.De grijsaard knikte ter begroeting even met het hoofd, en noodigde de heeren met eene handbeweging uit, hem te volgen. Zij gingen denzelfden weg terug dien zij dien morgen gekomen waren.„Pas op,” merkte Frommherz bezorgd op, „meteen worden wij weder dadelijk daarheen gestuurd, waar wij vandaan zijn gekomen.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn,” antwoordde professor Stiller, „want in dat geval, zouden wij niet zoo vriendelijk zijn ontvangen!”Het gezelschap was nu weder op de weide aangekomen, waar de Argonaut nog voor anker lag, en zich bijna onmerkbaar heen en weder bewoog.De oude beduidde den heeren, dat zij hunne bezittingen uit de gondel te voorschijn zouden halen. Om hun dit aan het verstand te brengen, klom hij met eenige zijner metgezellen langs de touwladder naar de gondel, en bracht daaruit van allerlei mede, dat aan de aardbewoners toebehoorde. Nu begrepen deze, wat hij wilde.„Ziet gij wel dat ik gelijk had,” riep Stiller zijn collega Frommherz toe, „men komt toch niet heelemaal van de aarde naar zulke vriendelijke en gastvrije menschen, als de Marsbewoners schijnen te zijn, om dadelijk weder rechtsomkeer te maken. Overigens zouden wij, in onzen tegenwoordigentoestand, er onmogelijk aan kunnen denken, om dadelijk de terugreis te aanvaarden.„Daarvoor beware ons de hemelsche genade altijd,” antwoordde Frommherz, die druk bezig was, zijne bezittingen bij elkaar te zoeken.Al heel spoedig daarna lag de weinige bagage der Marsreizigers op den grond. De grijsaard bekeek opmerkzaam al de instrumenten, die te voorschijn kwamen, en legde eene bijzondere belangstelling aan den dag voor den verrekijker. Stiller trachtte hem het gebruik er van duidelijk te maken. De oude schudde bij deze stomme verklaringen slechts het hoofd, en wees eindelijk met de rechterhand naar een gebouw in de verte, welks koepelvormig dak den professor nu eerst in het oog viel.„Daar hebben wij waarachtig hierboven een sterrenwacht, en nog wel vlak bij,” riep Stiller verheugd uit. „Vrienden, daar moeten wij vanavond nog heen, om van daar uit onze Moeder Aarde in de verte als schitterende ster van eerste grootte gade te slaan en te bewonderen!”Stiller maakte den grijsaard dezen wensch duidelijk. Hij wees eerst naar den hemel, toen naar den kijker, en eindelijk naar den koepel van het gebouw. Daarna nam hij een der groote mede gebrachte hemelkaarten, en vouwde die open. Hij volgde met den wijsvinger van zijn rechter hand de planeten, wier banen om de zon op een afzonderlijk gedeelte van de kaart waren geteekend. De grijsaard begreep hem nu dadelijken knikte toestemmend met het hoofd. De professor trachtte nu ook hem aan het verstand te brengen, waar hij en zijne reisgenooten vandaan waren gekomen. Hij wees daartoe naar eene afbeelding der aarde, daarna volgde hij de daaromheen loopende baan van Mars, wees daarna op die planeet zelf en eindelijk op den ballon.Een kreet van verbazing ontsnapte aan de lippen van den grijsaard. Hij had professor Stiller volkomen begrepen, en reikte hem voor de eerste maal met woorden, die als een hartelijk welkom klonken, de hand, die deze hartelijk drukte. De grijsaard vertelde aan zijne begeleiders, wat de vreemdeling hem zooeven in gebarentaal had duidelijk gemaakt, en op hun open eerlijke gezichten kwam eene uitdrukking van achting voor de moedige vreemdelingen, die van zóó verre tot hen waren gekomen. De luchtreizigers werden weder teruggebracht naar de woning, waar zij het zich huiselijk begonnen te maken, met de verschillende voorwerpen, die zij uit het vaderland hadden medegebracht.Het was inmiddels middag geworden, geen lastige nieuwsgierigen hadden hen bij hun arbeid gestoord, en nadat zij hiermede gereed waren, hadden zij zich met een onuitsprekelijk welbehagen op de zachte rustbedden in hunne kamers uitgestrekt, om te genieten van de zoolang ontbeerde weelde eener heerlijke legerstede.Het was inmiddels etenstijd geworden. Hetging met het middagmaal als met het ontbijt, alleen was het overvloediger.Reeds wilden de heeren, uiterst voldaan over het hun geschonken culinarisch genot, van tafel opstaan, toen eene nieuwe verrassing hen daarvan deed afzien.Van het voorplein klonk à capella menschelijk gezang. Het was een lied vol teederheid en diep gevoel. Het was alsof de in tonen omgezette barmhartigheid en menschenliefde zich in de harten der geleerden deed gelden, zóó machtig en zóó krachtig dat zij slechts met moeite hunne ontroering konden bedwingen. Toen het lied geeindigd was, wischten sommigen zich de tranen uit de oogen.„Daar moet ik eens op drinken,” zeide Piller, terwijl hij zijn glas vulde. „Gevoelsaandoeningen roepen bij mij altijd de behoefte aan eene hartversterking wakker. Kom, Dubelmeier, trek nu niet zoo’n gek gezicht, maar doe liever met mij mee!”„De hemel beware me er voor, dat ik deze heerlijke genotvolle oogenblikken met alcohol zou ontwijden!”„Zooals gij wilt, waarde Dubelmeier!” antwoordde Piller tegen zijn gewoonte, bijzonder beminnelijk en zacht.De heeren verlieten het huis, om genietende van den heerlijken avond, eene wandeling te maken, ten einde den omtrek, waar zij vermoedelijk langeren tijd zouden moeten verblijven, watnader te leeren kennen. Op die wandeling werd het hun hoe langer hoe duidelijker, dat het luchtschip was neergekomen bij eene grootere nederzetting, dan zij aanvankelijk hadden gemeend. Het moest een soort stad zijn, want in weerwil van het geheel, vol tuinen en parken, bewezen de vele huizen, die steeds geheel afzonderlijk stonden, dat hier eene tamelijk dichte bevolking wezen moest. In deze meening werden de heeren nog versterkt, door het groote aantal menschen, die zij nog met het een of ander bezig aantroffen. Niemand was hier werkeloos, maar háást scheen hier niemand te kennen, want alle arbeid geschiedde met eene zekere plechtige kalmte en rust.Wat stak dit alles weldadig af bij het onrustig drijven der menschen op aarde. Waarheen de geleerden het oog ook wendden, scheen eene zekere gelijkmatig verdeelde welvaart te heerschen. Zelfs betrekkelijke armoede scheen hier onbekend te zijn.Niet alleen in de huizen, die zóó open waren, dat iedere nieuwsgierige daarin een blik kon werpen, maar ook daarbuiten op alle straten en wegen, heerschte eene bijna overdreven zindelijkheid.Op hunne wandeling kwamen de heeren ook langs eene breede rivier, die zij dien morgen in de vroegte, reeds vanuit den ballon hadden gezien. Het moest een van de beroemde Marskanalen zijn, want zoo ver ze zien konden, was zij kunstmatig aangelegd, met lijnrechte oevers. Eengroote steenen brug, die op vele pijlers rustte, een meesterwerk van bouwkunst, verbond den eenen oever met den andere. Op Mars scheen alles te staan in het teeken der rust, want zelfs het heldere lichtgroene water in het kanaal stroomde kalm en statig en droeg eene menigte sierlijk gebouwde schepen.Bij de brug lag een schip, waarop eenige mannen bezig waren platen gekleurd marmer, blokken graniet en suevit te lossen, wat gebeurde met eene gemakkelijkheid, die de zeven Zwaben in stomme verbazing bracht. Zouden de Marsbewoners zich onderscheiden door zulk eene verbazende lichaamskracht, zouden het wellicht een soort Athleten zijn.„Wat hebben die menschen een prachtig ontwikkelde borstkas, bekijk die eens goed,” met deze woorden wees Piller naar de arbeiders.„Het is mij van morgen al opgevallen, dat deze menschen zoo mooi gebouwd en zoo breed van schouders zijn. Ook de kinderen onderscheiden zich in dat opzicht van die der aarde.”„Dat is pas een ras, dat door zuivere kultuur, ijzersterke longen heeft gekregen, en bijna niet vatbaar is voor tering,” ging Piller voort.—Inmiddels was Brummhuber naar de arbeiders gegaan, en had getracht een der marmerplaten op te lichten.„Het komt mij voor, dat het marmer bijzonder licht is, zou het misschien eene geheel andere soort zijn dan bij ons,” riep hij zijne tochtgenootentoe. Deze kwamen nieuwsgierig geworden nader en onderzochten de steenen.„Neen, het is uitstekend marmer, bekijk die fijne korrel maar eens, en die zacht gekleurde aderen, die er door heen loopen,” antwoordde Piller, nadat hij den steen aan een zorgvuldig onderzoek had onderworpen.„En deze prachtige roode steen hier, is van het fijnste suevit, of ik moest in het geheel geen begrip meer hebben van mineralogie,” bracht professor Hämmerle in het midden, die op verschillende plaatsen den steen had beklopt.„Laten wij eens probeeren om dien steen te lichten!”„Juist, die schijnt hier boven van minder soortelijk gewicht te zijn dan bij ons. Nu begrijp ik, waarom deze menschen zulke lasten zoo gemakkelijk kunnen opheffen. Hoe komt dat? Weet gij dat misschien, Stiller?”„De oorzaak ligt mijns inziens in de dichtheid van Mars, die 0,7 van de aarde bedraagt,” antwoordde Stiller.„Nu begrijp ik ook, waarom heden bij het diner de bokalen en het zilveren tafelgereedschap mij zoo verbazend licht toescheen,” voegde Thudium er aan toe. „Ik had echter geen tijd om hierover na te denken, want de muziek boeide mij te veel!”„Dat was ook met mij het geval,” bevestigde Stiller.„En hoe staat het met de dichtheid der Marsatmosfeer?”vroeg Frommherz. „Hierin gevoel ik geen verschil met die van onze vaderlandsche lucht in den zomer. Integendeel, ik adem hier lichter en gevoel mij vroolijker dan daar!”„De luchtlaag, die deze planeet omgeeft, is aanmerkelijk minder hoog dan die van onze aarde. Denkt u zelf bij ons op eenen berg van middelmatige hoogte, dan zal die ijlere lucht ongeveer overeenkomen met deze. Onze aardbarometers zijn helaas niet zoodanig ingericht, dat wij ze op Mars kunnen gebruiken, om tot absoluut zekere vergelijkingen en conclusiën te kunnen komen,” antwoordde Stiller.„Doch dat daargelaten, uit uwe woorden kan ik mij volkomen de buitengewone ontwikkeling van de borstkas van onze vrienden op Mars verklaren: de longen zijn overeenkomstig de behoeften. Op dezelfde eenvoudige wijze zullen zich ook wel alle andere eigenaardigheden der Marsbewoners laten verklaren, die wij nog wel eens hier of daar zullen ontmoeten,” hernam Piller, terwijl hij doorliep, en de andere heeren zijn voorbeeld volgden.„A propos!” vroeg Piller al doorwandelende, „is het u ook niet opgevallen, dat onze Marsbewoners zulke buitengewoon mooie oogen hebben?”„In grootte en glans, steken zij zeer zeker bij de onze af. Er gaat van de spiegels der ziel dezer Marsbewoners eene buitengewone schittering uit.”„Juist gezien, Stiller! Ik heb nog nooit zulk eene prachtig blauwe iris gezien; het is de ideaal-kleur voor een edel oog, en dan dat weelderige krullende haar! Het zijn ware Zeus- en Junogestalten! Frommherz had vandaag gelijk met zijne vergelijking.”„Niet waar?” riep deze uit, verheugd over die opmerking. „De Marsbewoners schijnen mij zoowel lichamelijk als geestelijk, hoogstaande menschen te zijn.”„Voor deze streek schijnt uw oordeel juist te zijn, afgaande op hetgeen wij heden hebben ondervonden,” hernam Stiller.Daar de zon was ondergegaan, besloten de heeren uit Zwaben, voor heden hunne wandeling te staken, en terug te keeren naar hun tehuis, waar zij het bezoek wilden afwachten van den grijsaard, die hen naar de sterrenwacht brengen zou. Zij waren nog onderweg, toen de nacht zijne donkere vleugels over het landschap begon uit te spreiden. In het oosten werd het al lichter en lichter. De Maan kwam op en wierp haar zilver licht over de stille, vredige landstreek.„Dat is de groote Marsmaan, Deimos genaamd, die daar schijnt,” verklaarde professor Stiller aan zijne tochtgenooten. „Over eenige oogenblikken zult ge den tweeden wachter van Mars zien, waarmede wij den vorigen nacht, gelukkig slechts in zeer oppervlakkige aanraking zijn geweest.”Juist, daar daagde ook de kleine Phoebus aan den horizont op.„Welk een prachtig schouwspel!” riep Stiller verrukt uit. „Waarlijk de Marsbewoners hebben ’s nachts geen kunstverlichting noodig! Zij hebben niet alleen iederen nacht helderen maneschijn, maar worden behalve dat, nog door twee schitterende hemellichamen beschenen.”„Dat is zeker, Mars is eene merkwaardige planeet,” merkte Piller op, terwijl hij een oogenblik staan bleef om te kijken naar de beide wachters, die een licht verspreidden dat bijna gelijk stond met daglicht, en dat prachtige schaduwen te voorschijn riep.„Het is alsof een sprookje werkelijkheid is geworden. Dat zou voor u weder eene prachtige reden zijn om te drinken, Piller!” spotte Dubelmeier.„Wel ja, waarom niet, oude jongen, waarom niet! Te oordeelen naar alles wat wij vandaag gezien hebben, geloof ik dat er op Mars nog veel zal te bewonderen zijn, en de aanleidingen tot drinken tot een bedenkelijk aantal zullen stijgen. Mijn lijfspreuk echter is die van den ouden Griekschen wijsgeer: van niets te veel!”Dubelmeier lachte.„Lach toch niet zoo dwaas, gij watersnip, en volg zelf liever ook zijn voorbeeld met uwe overdreven waterdrinkerij! Dat is een goede raad, dien ik u als dokter geef.”„De manen hier, komen mij aanmerkelijk grooter voor, dan bijvoorbeeld onze wachter daar beneden,” merkte Frommherz op, met dezewoorden een einde makende aan de stilte, die na Pillers laatste woorden was ontstaan.„Dat is maar gezichtsbedrog, mijn waarde,” verklaarde Stiller, „de manen van Mars zijn aanmerkelijk kleiner dan de maan van onze aarde, maar ze staan veel dichter bij de hoofdplaneet dan dit bij onze maan het geval is. Phoebus is van Mars slechts 9000 kilometers, en de groote Deimos niet meer dan ongeveer 23.520 kilometers verwijderd. Daardoor komt het, dat deze wachters van Mars zoo ontzettend groot schijnen.”Onder deze gesprekken waren de heeren bij hun vorstelijk verblijf aangekomen. Daar wachtte hen reeds hun opmerkzame gastheer, van wien zij dien dag reeds zooveel goeds en vriendelijks hadden ondervonden. De hooge gestalte van den grijsaard, scheen hun in den maneschijn nog statiger dan bij daglicht, het lange golvende grijze haar nog meer zilverachtig en glanzend.„Ziet hij er niet uit als een Patriarch uit den joodschen tijd, toen eenvoud en reinheid van zeden, de schoonste deugden des volks waren?” vroeg professor Stiller zachtjes aan zijn collega Frommherz.„Waarachtig, gij hebt gelijk! Laten wij onzen ouden heer, wiens naam wij nog niet kennen eenvoudig Patriarch noemen. Die naam past uitstekend voor hem, temeer waar hij ons heden in zijn vaderlijke bescherming heeft genomen.”Na eene korte stomme begroeting, geleiddede grijsaard de zonen der aarde, naar het huis met het koepeldak. De weg daarheen voerde door een soort bosch met hooge goed verzorgde boomen, op wier donkergroene, glanzende bladeren, de trillende stralen der maan hun grillig spel dreven. Millioenen van lichtgevende kevertjes gonsden in de zoele nachtlucht onder de boomen, en de blauwe schijn van deze zich snel bewegende diertjes gaf den indruk van snel ronddraaiende sterretjes. Lustig kabbelende beekjes, wier oevers door sierlijke bruggen waren verbonden, kruisten den weg.De eigenaardige schoone wandeling had ongeveer een uur geduurd. Het in den vorm eener rotonde opgetrokken gebouw, was beneden versierd met eene rij borstbeelden op rood marmeren zuilen. Zij schenen de mannen voor te stellen, die hier in het observatorium hadden gewerkt. Breede trappen voerden naar het eigenlijke observatorium waar eenige mannen reeds in hunne stille studie verdiept waren. De patriarch moest reeds met hen gesproken hebben, want zoodra de vreemdelingen binnentraden, stonden zij op, en noodigden met eene vriendelijke handbeweging deze uit, hunne plaatsen in te nemen.Stiller was verrast over de grootsche pracht der geheele inrichting. Hoe armzalig leek hem, hierbij vergeleken, zijne eigen sterrenwacht, daarginds op de Bopserhoogte bij Stuttgart! Hij trad op een der reuzentelescopen toe, onderzocht hem even, en moest erkennen, dat de lenzen aanscherpte niets te wenschen overlieten, ja zelfs alles overtroffen wat hij tot dusver van dien aard had leeren kennen. Wat een rijkdom van verstand, moest hier op Mars vertegenwoordigd zijn, om zulk fijn optisch werk, dat op zeer wetenschappelijke nauwkeurige berekeningen berustte, te kunnen uitvoeren.De professor sloeg opmerkzaam den hemel gade. Hier en daar ontwaardde hij hem bekende sterrenbeelden en sterren, ver in het westen stond een opvallend groote rood schitterende ster, die in hooge mate de aandacht van den professor trok. Dat kon slechts eene planeet zijn, die daar fonkelend in het onmetelijk hemelruim zweefde; wellicht was het, de opvallende nabijheid in aanmerking genomen, de aarde wel. Hij stelde daarom den reuzenkijker zeer nauwkeurig in. Het vermoeden van professor Stiller bleek juist te zijn. Dank zij de voortreffelijke scherpe lenzen, en de reinheid van de Marsatmosfeer, herkende hij duidelijk Moeder Aarde. Hij kon de verschillende zeeën en werelddeelen onderscheiden. Van den Noordpool zuidwaarts gaande, was het zelfs mogelijk de omtrekken van enkele landen langs de IJszee, en langs den Atlantischen Oceaan vast te stellen, en daar, ja, daar had hij het, wat nu in den kijker duidelijk zichtbaar was, daar moest zijn vaderland, daar moest, naar den omtrek te oordeelen, Duitschland liggen.Vroolijk opgewonden, deelde Stiller de gedane waarneming aan zijne reisgenooten mede, ennoodigde hen uit, door den kijker een blik te werpen op het verre, dierbare vaderland.De een na den ander gaf aan deze uitnoodiging gehoor.„Het is ongeloofelijk, maar waar! Dit vergezicht is inderdaad eenig in zijn soort! Voor de eerste maal zien wij op verren, verren afstand de aarde en ons vaderland!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Dat gezicht is werkelijk grootsch!” zeide Thudium.„Dat is het,” bevestigde Piller.De sterrenkundigen van Mars en de patriarch keken ook beurtelings door den telescoop. Zij wisten immers reeds, vanwaar die zonderlinge vreemdelingen in den vroegen morgen gekomen waren, en konden uit hunne opgewondenheid bij het gadeslaan van een bepaald deel der verwijderde planeet, wel opmaken, dat het deel, dat zich op het oogenblik in het gezichtsveld van den telescoop bevond, het vaderland der gasten zijn moest.„Het is verbazend jammer, dat wij niet met onze collega’s kunnen spreken! Wat zou dat een leerzaam onderhoud zijn!” zei Stiller tot zijne metgezellen, toen zij na een stommen groet het observatorium verlieten.„In de eerste plaats moeten wij zoo spoedig mogelijk de taal der Marsbewoners leeren. Die te kennen is voor ons onderzoekingswerk de „conditio sine qua non,” sprak Hämmerle.„Dat is een waar woord, heer taalgeleerde!” liet Piller er op volgen, en ook de andere heeren knikten toestemmend.De beide wachters van Mars stonden als volle manen aan den hemel, toen de heeren huiswaarts gingen. Als twee geweldige lichtgevende bollen, zweefden zij in het luchtruim en wierpen hun zilver licht over het stille landschap. Terwijl Phoebus, de dichtst bijzijnde en kleinere maan, zich snel van het Westen naar het Oosten bewoog, trok de grootere verder verwijderde Deimos, die minder haastig was dan haar gezellin, kalm en statig in omgekeerde richting. Het was een schouwspel, zóó wonderschoon, zóó eenig in zijn soort, dat de zonen der aarde in luide bewoordingen lucht gaven aan hunne bewondering over dien betooverenden nacht. Langzaam wandelden zij naar huis, en genoten met volle teugen van de wonderen van een nacht op Mars.

HOOFDSTUK III.TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.Geen noemenswaardige luchtstrooming belemmerde het bijna loodrecht opstijgen van den Argonaut. Het luchtschip bevond zich nog in den dampkring der aarde, de reeds bereikte hoogte was merkbaar door den verminderden luchtdruk en het dalen der temperatuur, ook binnen in de gondel. Professor Stiller, die de geheele leiding op zich had genomen, sloeg daarom voor, allereerst een eenvoudig avondmaal te nuttigen, dat wel het laatste zou zijn in de nabijheid van Moeder Aarde, waarvan men volgens den stand van den barometer reeds 7000 Meter verwijderd was. Dit voorstel vond algemeenen bijval. De heeren lieten zich het uitstekende Stuttgarter vleesch en gebak voortreffelijk smaken, en ook de medegenomen fonkelende roode Neckarwijn werd dapper toegesproken, voor zoover de geleerde heeren geen onthouders waren.Na den maaltijd richtte aller opmerkzaamheid zich weder op de instrumenten. Deze wezen aan, dat de grens van den aardschen dampkring wasbereikt, en men op het punt stond door te dringen in het onmetelijke aetherruim. De met Xylol gevulde thermometer stond buiten de gondel reeds op 42° onder nul, en de barometers wezen eene hoogte aan van 19.950 Meter. In de gondel werden de electrische gloeilampen ontstoken, nadat reeds van te voren het toestel tot toevoer van lucht in gebruik was gesteld. Er heerschte in de gondel eene dragelijke temperatuur, terwijl men gemakkelijk ademhaalde.De dienst in de gondel was dusdanig geregeld, dat gedurende 24 uur ieder der geleerden afwisselend 3 uur en 42 minuten de instrumenten had waar te nemen. Op die manier werd voor een ieder de dienst niet al te vermoeiend. Alleen professor Stiller had zich voorbehouden om, indien hij dit noodig oordeelde, dien dienst een zekeren tijd alleen waar te nemen.De eerste nacht in de gondel, hoog boven in het aetherruim, ging rustig en kalm voorbij. De ballon was inmiddels met verbazende snelheid gestegen. Den 8en December ’s morgens om 7 uur, had men eene hoogte van 90.723 Meter bereikt. De thermometers voor de micavensters van de gondel wezen de ontzettende koude van 120° aan. Een ondoordringbare nacht omgaf de luchtreizigers. Geen enkele zonnestraal drong door die diepe duisternis. Het luchtschip steeg met al grooter en grooter snelheid, en bewoog zich, gehoorzamend aan het roer steeds in oostelijke richting.Tegen den middag wees de snelheidsmeter den kolossalen afstand van 220.000 M. van de aarde aan.Wanneer het stijgen voort zou gaan in dit, steeds in snelheid toenemende tempo, dan moesten de luchtreizigers binnen enkele dagen in de nabijheid van de maan komen, die dan 90° oostwaarts juist in haar eerste kwartier zou staan.Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover te spreken.„Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar gemis,” zei professor Dubelmeier.„Dat is wel waar!” bevestigde Fridolin Frommherz. „Alle licht, ook dat onzer zielen, komt van boven.”„Alles zonlicht, mijn waarde!” liet professor Hämmerle er op volgen.„Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!” hernam Frommherz.„Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten, maar ons liever verheugenin het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen, al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld en dan voor langeren tijd!” bracht professor Stiller in het midden.Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten ballon deelde zich aan de gondel meê. „Wat is er aan de hand! Om ’s hemels wil, wat is er gebeurd?”—dit waren vragen die door het meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.„In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou, beste vrienden!” aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte reisgezellen gerust. „Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft gereageerd; vandaar het plotselinge trillen,” ging professor Stiller voort. „Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit, en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner beweringen.” Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog, bemerkte men inde gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers was afgelegd.„Waarom schudt gij het hoofd?” vroeg professor Piller aan zijn collega.„Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne berekeningen ook heb verwacht.”„Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om 4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid overtreft alles, zelfs de stoutste berekening,” bracht Brummhuber in het midden.„Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken,” hernam professor Stiller. „Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan; want anders,” liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen, „zouden wij wat al te laat op Mars aankomen.”„Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,” hernam Thudium.Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en misschienook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag der reis voorbij.Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen, die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed, was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.„Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!” klonk het van aller lippen.Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige, hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen doorde zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep, terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig, en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien, dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan, geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.„Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij er te bevriezen,” riep professor Stiller uit. „We zullen dus maken dat wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht en weder in de neutrale aetherruimte komen.”Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet, de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen, als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde die berust op electromagnetische stroomingen.Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht onderhevig zijn—zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut—binnen het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut wasreeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den rechten en den naasten weg naar het doel.Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.Op zekeren dag—in de vierde week werd de stilte in de gondel door een eigenaardig geluid onderbroken.„Wat is er aan de hand,” vroegen de geleerden verwonderd aan professor Stiller.„Ik kan het mij niet verklaren,” antwoordde deze, „noch onze horloges noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt.”Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds sterker wordende geluid.„Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak daarbuiten in het wereldruim moet liggen.”„Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks nabijheid wij gekomen zijn,” merkte professor Hämmerle bezorgd op.Het was in de gondel een getik en een geraas als in een klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk afliepen.„Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij vergaan,” viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht dat door de vensters drong.De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmersteeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen, die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm; al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig natuurtooneel daarbuiten.Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen mocht? Dat moest hij dadelijkaan zijn collega Stiller vragen, want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde, nog afwenden.Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort, totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogenhet eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.„Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht, en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft, en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend Dubelmeier is ons van groot nut geweest.”„Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,” vroeg professor Piller nieuwsgierig.Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.„En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik niets!” vroeg professor Brummhuber.„Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles zuchtend in Tübingen achtergelaten,” antwoordde Dubelmeier.„Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het medenemen van dergelijke bagage,” merkte professor Stiller lachend op, „maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben bewezen!” Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts voor korten tijdhad kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke beweging en de gewone geestesarbeid.De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken, dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust, ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan hun stamtafel in „de Beer,” „de Walvisch,” „de Kroon,” en op andere zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn, en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.„Ik wilde dat Mars naar den drommel liep,” riep professor Piller uit, daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.„Laten wij dat nu maar niet wenschen,” hernam Stiller op eenigszins scherpen toon. „Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijgen verdraag, dat moet onze leuze zijn!”„Goed gesproken,” bevestigde Bombastus Brummhuber, „maar eindelijk moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!”„Wacht maar eerst af wat komt,” riep professor Stiller boos uit.„Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige weken zou duren,” bracht Frommherz in het midden, „nu is deze tijd verstreken, en.....”„Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz,” viel Stiller zijn reisgenoot in de rede. „Overigens heb ik nooit precies opgegeven hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!”„Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!” klonk het van verschillende zijden.„Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal.”„Hoe groot is die afstand nog?”„Nog ongeveer 30 millioen Kilometers.”„Dertig millioen Kilometers? Dan zijn wenauwelijks op de helft! Het is gewoon verschrikkelijk,” bromde professor Dubelmeier.„Hoe moet dat eindigen!” zuchtte Frommherz.„Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is,” spotte professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor was gekomen.Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen, zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek te onderwerpen.Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats van zijn collega’s mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn reisgenooten hem nog geenenkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek, dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne reisgenooten.In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd, in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook nog de zorg voor de voeding.Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd; vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best zijn collega’s zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden ineens overwonnen!—dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg, de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.„Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,—waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog ’t beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!”Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. „Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,”—aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoonkritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega’s vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.„Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?” vroeg professor Stiller zichzelf af. „Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?”Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed latenzakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd,wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.„Wat voert ge daar toch uit, Stiller?” klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.„Ik werk aan onze redding,” antwoordde de aangesprokene kortaf.„Dat is een prijzenswaardige arbeid,” merkte Frommherz met zwakke stem op.„Verklaar ons uw plannen eens,” sprak professor Dubelmeier.„Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijngang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden.”„Stiller heeft gelijk,” besloot professor Piller, „geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken.”„Ge drinkt bepaald te veel, Piller,” waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. „Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten.”„Voor mijn part!” merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. „Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!”Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,—toen er al weer iets anders gebeurde.„Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?” vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.„Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert,” bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.„Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht.”De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel metzóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.„Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond,” spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.„O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan,” steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.„Bah,” hernam Piller droogjes, „wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!”„Wat zal men van mij denken?”„Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo ’n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond.”„Was het maar eerst zoover!”„Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!” bromde de dokter mismoedig.Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude,die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid.Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.„Hoera, hoera!” riep hij opgewonden uit.„Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge....” professor Stiller viel bewusteloos neder.Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.„Waar zijn wij,” vroeg professor Stiller met zwakke stem.„Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem,” antwoordde professor Piller.„Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,” zeide Stiller.„Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?”„Het moet eenvoudig!”Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterendwit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.

HOOFDSTUK III.TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.

Geen noemenswaardige luchtstrooming belemmerde het bijna loodrecht opstijgen van den Argonaut. Het luchtschip bevond zich nog in den dampkring der aarde, de reeds bereikte hoogte was merkbaar door den verminderden luchtdruk en het dalen der temperatuur, ook binnen in de gondel. Professor Stiller, die de geheele leiding op zich had genomen, sloeg daarom voor, allereerst een eenvoudig avondmaal te nuttigen, dat wel het laatste zou zijn in de nabijheid van Moeder Aarde, waarvan men volgens den stand van den barometer reeds 7000 Meter verwijderd was. Dit voorstel vond algemeenen bijval. De heeren lieten zich het uitstekende Stuttgarter vleesch en gebak voortreffelijk smaken, en ook de medegenomen fonkelende roode Neckarwijn werd dapper toegesproken, voor zoover de geleerde heeren geen onthouders waren.Na den maaltijd richtte aller opmerkzaamheid zich weder op de instrumenten. Deze wezen aan, dat de grens van den aardschen dampkring wasbereikt, en men op het punt stond door te dringen in het onmetelijke aetherruim. De met Xylol gevulde thermometer stond buiten de gondel reeds op 42° onder nul, en de barometers wezen eene hoogte aan van 19.950 Meter. In de gondel werden de electrische gloeilampen ontstoken, nadat reeds van te voren het toestel tot toevoer van lucht in gebruik was gesteld. Er heerschte in de gondel eene dragelijke temperatuur, terwijl men gemakkelijk ademhaalde.De dienst in de gondel was dusdanig geregeld, dat gedurende 24 uur ieder der geleerden afwisselend 3 uur en 42 minuten de instrumenten had waar te nemen. Op die manier werd voor een ieder de dienst niet al te vermoeiend. Alleen professor Stiller had zich voorbehouden om, indien hij dit noodig oordeelde, dien dienst een zekeren tijd alleen waar te nemen.De eerste nacht in de gondel, hoog boven in het aetherruim, ging rustig en kalm voorbij. De ballon was inmiddels met verbazende snelheid gestegen. Den 8en December ’s morgens om 7 uur, had men eene hoogte van 90.723 Meter bereikt. De thermometers voor de micavensters van de gondel wezen de ontzettende koude van 120° aan. Een ondoordringbare nacht omgaf de luchtreizigers. Geen enkele zonnestraal drong door die diepe duisternis. Het luchtschip steeg met al grooter en grooter snelheid, en bewoog zich, gehoorzamend aan het roer steeds in oostelijke richting.Tegen den middag wees de snelheidsmeter den kolossalen afstand van 220.000 M. van de aarde aan.Wanneer het stijgen voort zou gaan in dit, steeds in snelheid toenemende tempo, dan moesten de luchtreizigers binnen enkele dagen in de nabijheid van de maan komen, die dan 90° oostwaarts juist in haar eerste kwartier zou staan.Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover te spreken.„Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar gemis,” zei professor Dubelmeier.„Dat is wel waar!” bevestigde Fridolin Frommherz. „Alle licht, ook dat onzer zielen, komt van boven.”„Alles zonlicht, mijn waarde!” liet professor Hämmerle er op volgen.„Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!” hernam Frommherz.„Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten, maar ons liever verheugenin het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen, al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld en dan voor langeren tijd!” bracht professor Stiller in het midden.Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten ballon deelde zich aan de gondel meê. „Wat is er aan de hand! Om ’s hemels wil, wat is er gebeurd?”—dit waren vragen die door het meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.„In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou, beste vrienden!” aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte reisgezellen gerust. „Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft gereageerd; vandaar het plotselinge trillen,” ging professor Stiller voort. „Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit, en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner beweringen.” Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog, bemerkte men inde gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers was afgelegd.„Waarom schudt gij het hoofd?” vroeg professor Piller aan zijn collega.„Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne berekeningen ook heb verwacht.”„Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om 4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid overtreft alles, zelfs de stoutste berekening,” bracht Brummhuber in het midden.„Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken,” hernam professor Stiller. „Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan; want anders,” liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen, „zouden wij wat al te laat op Mars aankomen.”„Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,” hernam Thudium.Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en misschienook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag der reis voorbij.Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen, die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed, was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.„Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!” klonk het van aller lippen.Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige, hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen doorde zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep, terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig, en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien, dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan, geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.„Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij er te bevriezen,” riep professor Stiller uit. „We zullen dus maken dat wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht en weder in de neutrale aetherruimte komen.”Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet, de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen, als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde die berust op electromagnetische stroomingen.Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht onderhevig zijn—zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut—binnen het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut wasreeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den rechten en den naasten weg naar het doel.Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.Op zekeren dag—in de vierde week werd de stilte in de gondel door een eigenaardig geluid onderbroken.„Wat is er aan de hand,” vroegen de geleerden verwonderd aan professor Stiller.„Ik kan het mij niet verklaren,” antwoordde deze, „noch onze horloges noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt.”Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds sterker wordende geluid.„Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak daarbuiten in het wereldruim moet liggen.”„Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks nabijheid wij gekomen zijn,” merkte professor Hämmerle bezorgd op.Het was in de gondel een getik en een geraas als in een klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk afliepen.„Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij vergaan,” viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht dat door de vensters drong.De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmersteeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen, die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm; al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig natuurtooneel daarbuiten.Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen mocht? Dat moest hij dadelijkaan zijn collega Stiller vragen, want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde, nog afwenden.Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort, totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogenhet eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.„Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht, en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft, en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend Dubelmeier is ons van groot nut geweest.”„Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,” vroeg professor Piller nieuwsgierig.Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.„En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik niets!” vroeg professor Brummhuber.„Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles zuchtend in Tübingen achtergelaten,” antwoordde Dubelmeier.„Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het medenemen van dergelijke bagage,” merkte professor Stiller lachend op, „maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben bewezen!” Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts voor korten tijdhad kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke beweging en de gewone geestesarbeid.De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken, dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust, ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan hun stamtafel in „de Beer,” „de Walvisch,” „de Kroon,” en op andere zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn, en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.„Ik wilde dat Mars naar den drommel liep,” riep professor Piller uit, daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.„Laten wij dat nu maar niet wenschen,” hernam Stiller op eenigszins scherpen toon. „Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijgen verdraag, dat moet onze leuze zijn!”„Goed gesproken,” bevestigde Bombastus Brummhuber, „maar eindelijk moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!”„Wacht maar eerst af wat komt,” riep professor Stiller boos uit.„Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige weken zou duren,” bracht Frommherz in het midden, „nu is deze tijd verstreken, en.....”„Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz,” viel Stiller zijn reisgenoot in de rede. „Overigens heb ik nooit precies opgegeven hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!”„Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!” klonk het van verschillende zijden.„Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal.”„Hoe groot is die afstand nog?”„Nog ongeveer 30 millioen Kilometers.”„Dertig millioen Kilometers? Dan zijn wenauwelijks op de helft! Het is gewoon verschrikkelijk,” bromde professor Dubelmeier.„Hoe moet dat eindigen!” zuchtte Frommherz.„Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is,” spotte professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor was gekomen.Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen, zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek te onderwerpen.Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats van zijn collega’s mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn reisgenooten hem nog geenenkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek, dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne reisgenooten.In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd, in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook nog de zorg voor de voeding.Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd; vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best zijn collega’s zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden ineens overwonnen!—dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg, de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.„Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,—waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog ’t beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!”Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. „Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,”—aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoonkritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega’s vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.„Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?” vroeg professor Stiller zichzelf af. „Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?”Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed latenzakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd,wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.„Wat voert ge daar toch uit, Stiller?” klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.„Ik werk aan onze redding,” antwoordde de aangesprokene kortaf.„Dat is een prijzenswaardige arbeid,” merkte Frommherz met zwakke stem op.„Verklaar ons uw plannen eens,” sprak professor Dubelmeier.„Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijngang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden.”„Stiller heeft gelijk,” besloot professor Piller, „geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken.”„Ge drinkt bepaald te veel, Piller,” waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. „Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten.”„Voor mijn part!” merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. „Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!”Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,—toen er al weer iets anders gebeurde.„Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?” vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.„Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert,” bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.„Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht.”De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel metzóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.„Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond,” spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.„O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan,” steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.„Bah,” hernam Piller droogjes, „wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!”„Wat zal men van mij denken?”„Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo ’n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond.”„Was het maar eerst zoover!”„Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!” bromde de dokter mismoedig.Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude,die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid.Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.„Hoera, hoera!” riep hij opgewonden uit.„Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge....” professor Stiller viel bewusteloos neder.Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.„Waar zijn wij,” vroeg professor Stiller met zwakke stem.„Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem,” antwoordde professor Piller.„Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,” zeide Stiller.„Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?”„Het moet eenvoudig!”Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterendwit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.

Geen noemenswaardige luchtstrooming belemmerde het bijna loodrecht opstijgen van den Argonaut. Het luchtschip bevond zich nog in den dampkring der aarde, de reeds bereikte hoogte was merkbaar door den verminderden luchtdruk en het dalen der temperatuur, ook binnen in de gondel. Professor Stiller, die de geheele leiding op zich had genomen, sloeg daarom voor, allereerst een eenvoudig avondmaal te nuttigen, dat wel het laatste zou zijn in de nabijheid van Moeder Aarde, waarvan men volgens den stand van den barometer reeds 7000 Meter verwijderd was. Dit voorstel vond algemeenen bijval. De heeren lieten zich het uitstekende Stuttgarter vleesch en gebak voortreffelijk smaken, en ook de medegenomen fonkelende roode Neckarwijn werd dapper toegesproken, voor zoover de geleerde heeren geen onthouders waren.

Na den maaltijd richtte aller opmerkzaamheid zich weder op de instrumenten. Deze wezen aan, dat de grens van den aardschen dampkring wasbereikt, en men op het punt stond door te dringen in het onmetelijke aetherruim. De met Xylol gevulde thermometer stond buiten de gondel reeds op 42° onder nul, en de barometers wezen eene hoogte aan van 19.950 Meter. In de gondel werden de electrische gloeilampen ontstoken, nadat reeds van te voren het toestel tot toevoer van lucht in gebruik was gesteld. Er heerschte in de gondel eene dragelijke temperatuur, terwijl men gemakkelijk ademhaalde.

De dienst in de gondel was dusdanig geregeld, dat gedurende 24 uur ieder der geleerden afwisselend 3 uur en 42 minuten de instrumenten had waar te nemen. Op die manier werd voor een ieder de dienst niet al te vermoeiend. Alleen professor Stiller had zich voorbehouden om, indien hij dit noodig oordeelde, dien dienst een zekeren tijd alleen waar te nemen.

De eerste nacht in de gondel, hoog boven in het aetherruim, ging rustig en kalm voorbij. De ballon was inmiddels met verbazende snelheid gestegen. Den 8en December ’s morgens om 7 uur, had men eene hoogte van 90.723 Meter bereikt. De thermometers voor de micavensters van de gondel wezen de ontzettende koude van 120° aan. Een ondoordringbare nacht omgaf de luchtreizigers. Geen enkele zonnestraal drong door die diepe duisternis. Het luchtschip steeg met al grooter en grooter snelheid, en bewoog zich, gehoorzamend aan het roer steeds in oostelijke richting.

Tegen den middag wees de snelheidsmeter den kolossalen afstand van 220.000 M. van de aarde aan.

Wanneer het stijgen voort zou gaan in dit, steeds in snelheid toenemende tempo, dan moesten de luchtreizigers binnen enkele dagen in de nabijheid van de maan komen, die dan 90° oostwaarts juist in haar eerste kwartier zou staan.

Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover te spreken.

„Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar gemis,” zei professor Dubelmeier.

„Dat is wel waar!” bevestigde Fridolin Frommherz. „Alle licht, ook dat onzer zielen, komt van boven.”

„Alles zonlicht, mijn waarde!” liet professor Hämmerle er op volgen.

„Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!” hernam Frommherz.

„Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten, maar ons liever verheugenin het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen, al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld en dan voor langeren tijd!” bracht professor Stiller in het midden.

Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten ballon deelde zich aan de gondel meê. „Wat is er aan de hand! Om ’s hemels wil, wat is er gebeurd?”—dit waren vragen die door het meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.

„In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou, beste vrienden!” aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte reisgezellen gerust. „Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft gereageerd; vandaar het plotselinge trillen,” ging professor Stiller voort. „Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit, en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner beweringen.” Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.

Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog, bemerkte men inde gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers was afgelegd.

„Waarom schudt gij het hoofd?” vroeg professor Piller aan zijn collega.

„Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne berekeningen ook heb verwacht.”

„Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om 4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid overtreft alles, zelfs de stoutste berekening,” bracht Brummhuber in het midden.

„Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken,” hernam professor Stiller. „Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan; want anders,” liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen, „zouden wij wat al te laat op Mars aankomen.”

„Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,” hernam Thudium.

Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en misschienook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag der reis voorbij.

Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen, die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.

Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed, was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.

„Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!” klonk het van aller lippen.

Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige, hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen doorde zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep, terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig, en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien, dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan, geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.

„Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij er te bevriezen,” riep professor Stiller uit. „We zullen dus maken dat wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht en weder in de neutrale aetherruimte komen.”

Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet, de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.

Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen, als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde die berust op electromagnetische stroomingen.

Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht onderhevig zijn—zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut—binnen het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut wasreeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den rechten en den naasten weg naar het doel.

Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.

De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.

Op zekeren dag—in de vierde week werd de stilte in de gondel door een eigenaardig geluid onderbroken.

„Wat is er aan de hand,” vroegen de geleerden verwonderd aan professor Stiller.

„Ik kan het mij niet verklaren,” antwoordde deze, „noch onze horloges noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt.”

Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds sterker wordende geluid.

„Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak daarbuiten in het wereldruim moet liggen.”

„Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks nabijheid wij gekomen zijn,” merkte professor Hämmerle bezorgd op.

Het was in de gondel een getik en een geraas als in een klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk afliepen.

„Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij vergaan,” viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.

De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht dat door de vensters drong.

De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmersteeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen, die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.

Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm; al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig natuurtooneel daarbuiten.

Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen mocht? Dat moest hij dadelijkaan zijn collega Stiller vragen, want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde, nog afwenden.

Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.

Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort, totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogenhet eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.

„Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht, en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft, en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend Dubelmeier is ons van groot nut geweest.”

„Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,” vroeg professor Piller nieuwsgierig.

Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.

„En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik niets!” vroeg professor Brummhuber.

„Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles zuchtend in Tübingen achtergelaten,” antwoordde Dubelmeier.

„Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het medenemen van dergelijke bagage,” merkte professor Stiller lachend op, „maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben bewezen!” Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.

In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts voor korten tijdhad kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke beweging en de gewone geestesarbeid.

De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken, dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.

Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!

Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust, ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan hun stamtafel in „de Beer,” „de Walvisch,” „de Kroon,” en op andere zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn, en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.

„Ik wilde dat Mars naar den drommel liep,” riep professor Piller uit, daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.

„Laten wij dat nu maar niet wenschen,” hernam Stiller op eenigszins scherpen toon. „Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijgen verdraag, dat moet onze leuze zijn!”

„Goed gesproken,” bevestigde Bombastus Brummhuber, „maar eindelijk moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!”

„Wacht maar eerst af wat komt,” riep professor Stiller boos uit.

„Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige weken zou duren,” bracht Frommherz in het midden, „nu is deze tijd verstreken, en.....”

„Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz,” viel Stiller zijn reisgenoot in de rede. „Overigens heb ik nooit precies opgegeven hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!”

„Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!” klonk het van verschillende zijden.

„Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal.”

„Hoe groot is die afstand nog?”

„Nog ongeveer 30 millioen Kilometers.”

„Dertig millioen Kilometers? Dan zijn wenauwelijks op de helft! Het is gewoon verschrikkelijk,” bromde professor Dubelmeier.

„Hoe moet dat eindigen!” zuchtte Frommherz.

„Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is,” spotte professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor was gekomen.

Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen, zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek te onderwerpen.

Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats van zijn collega’s mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn reisgenooten hem nog geenenkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek, dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.

Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne reisgenooten.In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd, in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook nog de zorg voor de voeding.

Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd; vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best zijn collega’s zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden ineens overwonnen!—dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg, de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.

„Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,—waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog ’t beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!”

Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!

De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.

Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.

Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. „Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,”—aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.

Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoonkritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega’s vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.

„Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?” vroeg professor Stiller zichzelf af. „Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?”

Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed latenzakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.

Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd,wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.

Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!

Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.

„Wat voert ge daar toch uit, Stiller?” klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.

„Ik werk aan onze redding,” antwoordde de aangesprokene kortaf.

„Dat is een prijzenswaardige arbeid,” merkte Frommherz met zwakke stem op.

„Verklaar ons uw plannen eens,” sprak professor Dubelmeier.

„Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijngang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden.”

„Stiller heeft gelijk,” besloot professor Piller, „geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken.”

„Ge drinkt bepaald te veel, Piller,” waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. „Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten.”

„Voor mijn part!” merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. „Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!”

Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.

Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,—toen er al weer iets anders gebeurde.

„Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?” vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.

„Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert,” bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.

„Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht.”

De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.

Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.

Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel metzóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.

Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.

„Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond,” spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.

„O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan,” steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.

„Bah,” hernam Piller droogjes, „wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!”

„Wat zal men van mij denken?”

„Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo ’n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond.”

„Was het maar eerst zoover!”

„Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!” bromde de dokter mismoedig.

Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.

Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.

Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.

Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.

Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude,die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.

De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid.Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.

Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.

Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.

Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.

„Hoera, hoera!” riep hij opgewonden uit.„Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge....” professor Stiller viel bewusteloos neder.

Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.

„Waar zijn wij,” vroeg professor Stiller met zwakke stem.

„Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem,” antwoordde professor Piller.

„Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,” zeide Stiller.

„Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?”

„Het moet eenvoudig!”

Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.

Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.

Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterendwit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.

HOOFDSTUK IV.OP MARS.Van Mars uit—want het was werkelijk die planeet—was de ballon reeds lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast, doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland daaldenhierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde, Mars te betreden.Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja, zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was, waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert lang niet meer de minste zorg was besteed.„Drommels, wat zien wij er uit!” riep professor Piller ontsteld uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk eens hartelijk te lachen.Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach begroetten.„Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats van op Mars?” merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had schoongemaakt en op zijn neus gezet.„Hoe komt ge daarbij?” vroeg professor Dubelmeier.„Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig doet uitkomen!”„Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde professor Stiller, „maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn waarde Hämmerle.”Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op acht uur.„Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding.”Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen,zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.„Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?”—Hij deed deze eenigszins banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt, professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te begrijpen.„Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk kunnen begrijpen, Stiller,” merkte professor Hämmerle op.„Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons voor hen verstaanbaar kunnen maken.”Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:„Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn opgestegen, om u te bezoeken.”Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte, dezelfde glimlach.„Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn,” zeide Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaalmislukken van zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch, Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch, bereikte men niet het gewenschte doel.„Dat is een goed begin,” bromde professor Brummhuber.„Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren,” merkte Thudium op.„Dat schijnt wel zoo,” bevestigde Frommherz.„Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan,” riep Dubelmeier uit.Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte, en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel, eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking, dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er verder zou gebeuren.De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere donkerblauwe oogen,waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak, waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den Argonaut hadden geholpen.Het was den professor, alsof een sprookje uit de „duizend en een nacht” werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige, rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn, wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen, leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden met elkander, in glans, schoonheid, kleurenprachten geur. Vlinders in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.„Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen,” sprak professor Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. „Ik moet mijn gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg, Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne zondagsliederen heeft uitgedrukt?”„Nu, nu,” hernam professor Piller droogjes, „ook mij bevalt die intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag, wist gij dat niet, Stiller?”„Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar hoe weet gij dat?”„Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart.”„Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons nabij zijn en beschermen,” riep professor Stiller uit.„Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in degondel ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens een behoorlijk huiselijk leven krijgen.”„O, professortje, professortje!” hernam Stiller lachend, „hongeren en dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!”Professor Piller keek in de aangewezen richting. „Drommels,”—kwam het over zijne lippen,—„zouden die kolossale bessen misschien tot het geslacht der druiven behooren?”„Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen.”„Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!”—riep professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega’s het hoorden. „Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien, en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug mij op een teug van dien drank!”„Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden,” lispelde Frommherz.„Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen,” antwoordde Piller.Onder dergelijke gesprekken, bereikten de heeren met hun begeleider de eerste huizen. Tot hunne verwondering bemerkten zij, dat die gebouwen, die zij uit de verte voor openbare inrichtingenhadden gehouden, niets anders waren, dan groote particuliere woningen of villa’s. Zij waren gemaakt uit witte kunstig gehouwen steenen, en hadden aan de voorzijde hooge galerijen, die, door zuilen gedragen, een alleraangenaamsten indruk maakten, en getuigden van de groote voorliefde, die de bewoners koesterden voor frissche lucht en ruimte.Voor het warme klimaat waren zulke open galerijen het eenige doelmatige. Breede marmeren trappen leidden daarheen, en daarop speelden aardige, frissche kinderen, die slechts een licht hemdje droegen, dat om het middel door een gordel werd bijeengehouden.In de galerijen stonden hier en daar fraaie marmeren beelden. Alles ademde hier rust, schoonheid en vreugde, en liet niet na een diepen indruk op onze reizigers te maken.De grijsaard bracht zijne gasten naar een gebouw van twee verdiepingen, dat veel van een paleis had, omgeven door de fraaiste bloemen en gewassen, prachtig ingericht, als een vorstelijk verblijf. Het was het huis van den grijsaard zelf, wat deze den vreemdelingen ten gebruike afstond.Langs breede marmeren trappen kwamen de professoren op eene groote plaats, in het midden waarvan een prachtige fontein vroolijk sprong. Rondom dit plein lagen groote kamers, zalen gelijk, waarvan de deuren alle op het plein uitkwamen. Aan den rechterkant bevond zich dehoofdtrap; deze bestond uit twintig breede treden, ieder bestaande uit een steen van vier meter lengte, en voerde naar een portaal met een groot venster.Van hier kwam men langs twintig treden in een hooger gelegen gang, die door groote vensters werd verlicht, en een prachtig ingelegde zoldering had. Langs deze gang kwam men in eene rij salons, waarop de slaap- en badkamers volgden. Het geheele gebouw was uitstekend verlicht en van alle gemakken voorzien.De grijsaard klapte in de handen, waarop eenige jonge mannen toesnelden, die waarschijnlijk de dienende geesten waren van dit huis. De grijsaard sprak lang en met nadruk tot hen, en wees eindelijk op zijne gasten en trachtte dezen door gebaren te beduiden, dat zij hun gemak moesten nemen. Daarop verliet hij hen met eene vriendelijke buiging. Ook de bedienden verdwenen, maar kwamen weldra weder terug en brachten andere kleeding en sandalen, zooals ook zij droegen.Zonder een woord te spreken, maar uiterst gedienstig, wezen zij de vreemdelingen den weg naar de badkamers.„Ik ben werkelijk nieuwsgierig, waar dat alles op zal uitloopen,” zeide Piller tot professor Stiller, „als ik niet klaar wakker was, en zoo nuchter als een pasgeboren kind, en volkomen bij mijn verstand, dan zou ik inderdaad gelooven, dat alles wat ik hier tot nu toe heb beleefd, nietsanders was dan een spel mijner verbeelding.”„Laten wij maar afwachten, Piller! Om te beginnen hebben wij het hier niet slecht, integendeel! Ik hoor hier dichtbij al met tafels schuiven. Onze maaltijd wordt waarschijnlijk gereed gezet. Laten wij eerst gaan baden, en ons ontdoen van het laatste aardsche stof, en dan... dan beginnen wij ons nieuwe leven op Mars, dat zoo hoogst interessant belooft te worden. Tot later dus!”Bij deze woorden verdween Piller in zijn badkamer. Stiller zoowel als de anderen volgden weinige oogenblikken later dit voorbeeld, en al heel spoedig daarna plasten de reisgenooten, in op temperatuur gebracht water, in hunne marmeren badkuipen.Wonderlijk verfrischt en gesterkt door het bad, en gehuld in hunne frissche gemakkelijke kleeren, kwamen de geleerden een half uur later in de hooge luchtige eetzaal van het huis bijeen. De zoldering van deze zaal was medaillonsgewijs prachtig beschilderd, de vensters bestonden uit fraaie mozaïk ruiten, en de vloer uit marmeren platen in verschillende kleuren.In het midden van de zaal stond de tafel met schitterend tafelzilver gedekt; ook borden en bokalen waren uit hetzelfde edele metaal vervaardigd. Op schalen van echt kristal lagen de heerlijkste vruchten. In de fraai geslepen karaffen fonkelde verleidelijk eene heldere goudgele vloeistof. Zware armstoelen uit eene eigenaardigezwarte houtsoort vervaardigd, met vergulde leuningen, stonden rondom de tafel.„Dat is inderdaad vorstelijke pracht!” riep Frommherz verrukt uit, terwijl hij in de zaal rondkeek en de tafel monsterde. „Hier kunnen wij ons gerust vestigen, hier is het wel uit te houden! Ver van de aarde, en het paradijs nabij!”„Nu, gij schijnt een en al bewondering te zijn,” riep Hämmerle lachend uit.„Laat Frommherz maar phantaseeren! Wat mij betreft ik ben benieuwd wat wij te eten zullen krijgen,” zeide de nuchtere Piller, terwijl hij aan tafel ging zitten. „Opzestig millioenkilometers van de aarde, zal de spijskaart er toch wel een beetje anders uitzien, dan bij ons aan de oevers van den Neckar.”„Stiller, gij gaat aan het hoofd van de tafel zitten als president,” riep Brummhuber uit, toen professor Stiller op zijne gewone bescheiden manier, tusschen zijne collega’s wilde plaats nemen.„Natuurlijk!” bevestigde professor Piller. „Eere wien eere toekomt! Onze vriend Stiller heeft tot nog toe de zaak netjes opgeknapt, hij moet daarom ook voortaan onze leidsman zijn!”Met deze woorden schonk hij uit de voor hem staande karaf iets in zijn bokaal, en hield dat onderzoekend onder den neus.„Hm..... hm.... dat ruikt niet kwaad.... een fijn bouquet.” Voorzichtig nam hij een teug. „Het is wijn, waarachtig!Hetis wijn, eene soortsec, zooiets als sherry, maar veel zachter,” deelde Piller mee, toen hij gedronken had. „Hij is van goede afkomst, doch onze Neckarwijn is beslist zoeter dan deze Marsdrank, maar dat doet er niet toe, hij mag blijven zooals hij is, liever dezen wijn dan geen wijn.”„Zeg Piller, gij alcoholist, wees blijde dat gij nog wat te drinken krijgt!”„Wij zijn waarachtig toch niet naar Mars gegaan om wijn te drinken,” riep professor Dubelmeier uit. „Uw eeuwige dorst en uw voortdurend verlangen naar onzen Neckarwijn, hadden voor u eigenlijk een reden moeten zijn om stilletjes op de aarde te blijven!”„Och wat, gij hartstochtelijke spuitwaterdrinker!” riep Piller nijdig uit.„Wat weet gij van....”Maar professor Stiller liet den vertoornde niet uitspreken.Hij stond op. „Mijn waarde vrienden, ik verzoek om rust en vrede, en wensch u allen een recht goeden eetlust bij het aanstaande maal! Laten wij den eersten dronk wijden aan onze behouden aankomst op Mars; de tweede zal ons klein en groot vaderland gelden; die zij gewijd aan Zwaben en aan Duitschland; ik verzoek u uwe bokalen te vullen en mij bescheid te doen!”„Nu, daar heb ik vrede mee,” zeide Piller, „Stiller is toch waarachtig een verstandige kerel!”„En nu, mijne vrienden, laat ons plaats nemen!”Naar het voorbeeld van den grijsaard, klapte professor Stiller in de handen, waarop zeven bedienden binnenkwamen, voor ieder der heeren één. Zij droegen schotels waarop prachtige visschen lagen.De toorn van Piller verdween, bij het zien van die warme uitlokkende spijzen. Hij en de andere heeren tastten duchtig toe, allen waren het er volkomen over eens, dat de visch uitstekend gesmaakt had. Op de visch volgden eenige eigenaardige maar uiterst smakelijk toebereide meelspijzen, daarna groenten, vruchten en gebak.Toen het ontbijt wasgeeindigd, vulde Piller zijn bokaal met den fonkelenden wijn, schoof zijn stoel een eindje terug, en stond op.„Stilte, mijne heeren!”—Het op luiden toon gevoerde opgewonden gesprek der heeren verstomde, en maakte voor eene aandachtige stilte plaats.„Mijn waarde vrienden en tochtgenooten, ik vervul hiermede een soort van plicht,” begon Piller, maar werd plotseling afgeleid doordat hij van buiten wonderschoone zachte tonen hoorde, die langzamerhand in machtige accoorden overgingen. Dat was eene muziek, een spel zóó plechtig en zóó mooi, dat de heeren stil en bijna onbewegelijk op hunne plaatsen bleven zitten, om toch maar door geen geruisch, hoe gering ook, iets van die aangrijpende tonen te verliezen, die met hun klank hen boven het tegenwoordige schenen te verheffen, tot in de blauwe zaligegewesten van oneindige vreugde. Zacht en stil, een fluisteren gelijk, stierven de tonen langzamerhand weg.„Zoo worden wij op Mars ontvangen,” riep professor Stiller opgewonden uit, toen de muziek eindelijk zweeg. „Is een schooner en tegelijk verhevener welkom voor ons, hierboven denkbaar, dan dit verrukkelijk snarenspel?”„Neen, zeker niet!” antwoordden zijne reisgenooten vol enthousiasme. Toen liepen zij naar de vensters van de zaal, om te zien, wie hun dit heerlijk genot had bereid. Het waren twaalf harpspelers, die zich langzaam en waardig met hunne instrumenten van het terras verwijderden.„Zeg, Piller, dat was zeker een schooner en edeler genot, dan de speech zou geweest zijn, die gij voornemens waart, af te steken,” plaagde Dubelmeier zijn collega.„Hoe wilt gij weten, wat ik te zeggen had; die speech krijgt gij den een of anderen dag toch te hooren. Maar wees dankbaar, dat de heerlijke muziek, die ik zooeven heb gehoord, mij zoo vredig heeft gestemd, dat ik op uwe provocaties niet zal antwoorden zooals zij dat verdienden,—hoort gij het, onverbeterlijke waterdrinker!”De heeren lachten over het dispuut der beide reisgenooten, die in weerwil van alle plagerijen, elkander toch zoo hartelijk genegen waren.Vergezeld van verscheidene eerbiedwaardige mannen, verscheen de grijsaard weder in de deur van de zaal. Er kwam een glimlach op het ernstige,sprekende gelaat van den ouden man, toen hij de zeven vreemdelingen terug zag, die nu, gekleed evenals hij, in eerbiedige houding voor hem stonden.De grijsaard knikte ter begroeting even met het hoofd, en noodigde de heeren met eene handbeweging uit, hem te volgen. Zij gingen denzelfden weg terug dien zij dien morgen gekomen waren.„Pas op,” merkte Frommherz bezorgd op, „meteen worden wij weder dadelijk daarheen gestuurd, waar wij vandaan zijn gekomen.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn,” antwoordde professor Stiller, „want in dat geval, zouden wij niet zoo vriendelijk zijn ontvangen!”Het gezelschap was nu weder op de weide aangekomen, waar de Argonaut nog voor anker lag, en zich bijna onmerkbaar heen en weder bewoog.De oude beduidde den heeren, dat zij hunne bezittingen uit de gondel te voorschijn zouden halen. Om hun dit aan het verstand te brengen, klom hij met eenige zijner metgezellen langs de touwladder naar de gondel, en bracht daaruit van allerlei mede, dat aan de aardbewoners toebehoorde. Nu begrepen deze, wat hij wilde.„Ziet gij wel dat ik gelijk had,” riep Stiller zijn collega Frommherz toe, „men komt toch niet heelemaal van de aarde naar zulke vriendelijke en gastvrije menschen, als de Marsbewoners schijnen te zijn, om dadelijk weder rechtsomkeer te maken. Overigens zouden wij, in onzen tegenwoordigentoestand, er onmogelijk aan kunnen denken, om dadelijk de terugreis te aanvaarden.„Daarvoor beware ons de hemelsche genade altijd,” antwoordde Frommherz, die druk bezig was, zijne bezittingen bij elkaar te zoeken.Al heel spoedig daarna lag de weinige bagage der Marsreizigers op den grond. De grijsaard bekeek opmerkzaam al de instrumenten, die te voorschijn kwamen, en legde eene bijzondere belangstelling aan den dag voor den verrekijker. Stiller trachtte hem het gebruik er van duidelijk te maken. De oude schudde bij deze stomme verklaringen slechts het hoofd, en wees eindelijk met de rechterhand naar een gebouw in de verte, welks koepelvormig dak den professor nu eerst in het oog viel.„Daar hebben wij waarachtig hierboven een sterrenwacht, en nog wel vlak bij,” riep Stiller verheugd uit. „Vrienden, daar moeten wij vanavond nog heen, om van daar uit onze Moeder Aarde in de verte als schitterende ster van eerste grootte gade te slaan en te bewonderen!”Stiller maakte den grijsaard dezen wensch duidelijk. Hij wees eerst naar den hemel, toen naar den kijker, en eindelijk naar den koepel van het gebouw. Daarna nam hij een der groote mede gebrachte hemelkaarten, en vouwde die open. Hij volgde met den wijsvinger van zijn rechter hand de planeten, wier banen om de zon op een afzonderlijk gedeelte van de kaart waren geteekend. De grijsaard begreep hem nu dadelijken knikte toestemmend met het hoofd. De professor trachtte nu ook hem aan het verstand te brengen, waar hij en zijne reisgenooten vandaan waren gekomen. Hij wees daartoe naar eene afbeelding der aarde, daarna volgde hij de daaromheen loopende baan van Mars, wees daarna op die planeet zelf en eindelijk op den ballon.Een kreet van verbazing ontsnapte aan de lippen van den grijsaard. Hij had professor Stiller volkomen begrepen, en reikte hem voor de eerste maal met woorden, die als een hartelijk welkom klonken, de hand, die deze hartelijk drukte. De grijsaard vertelde aan zijne begeleiders, wat de vreemdeling hem zooeven in gebarentaal had duidelijk gemaakt, en op hun open eerlijke gezichten kwam eene uitdrukking van achting voor de moedige vreemdelingen, die van zóó verre tot hen waren gekomen. De luchtreizigers werden weder teruggebracht naar de woning, waar zij het zich huiselijk begonnen te maken, met de verschillende voorwerpen, die zij uit het vaderland hadden medegebracht.Het was inmiddels middag geworden, geen lastige nieuwsgierigen hadden hen bij hun arbeid gestoord, en nadat zij hiermede gereed waren, hadden zij zich met een onuitsprekelijk welbehagen op de zachte rustbedden in hunne kamers uitgestrekt, om te genieten van de zoolang ontbeerde weelde eener heerlijke legerstede.Het was inmiddels etenstijd geworden. Hetging met het middagmaal als met het ontbijt, alleen was het overvloediger.Reeds wilden de heeren, uiterst voldaan over het hun geschonken culinarisch genot, van tafel opstaan, toen eene nieuwe verrassing hen daarvan deed afzien.Van het voorplein klonk à capella menschelijk gezang. Het was een lied vol teederheid en diep gevoel. Het was alsof de in tonen omgezette barmhartigheid en menschenliefde zich in de harten der geleerden deed gelden, zóó machtig en zóó krachtig dat zij slechts met moeite hunne ontroering konden bedwingen. Toen het lied geeindigd was, wischten sommigen zich de tranen uit de oogen.„Daar moet ik eens op drinken,” zeide Piller, terwijl hij zijn glas vulde. „Gevoelsaandoeningen roepen bij mij altijd de behoefte aan eene hartversterking wakker. Kom, Dubelmeier, trek nu niet zoo’n gek gezicht, maar doe liever met mij mee!”„De hemel beware me er voor, dat ik deze heerlijke genotvolle oogenblikken met alcohol zou ontwijden!”„Zooals gij wilt, waarde Dubelmeier!” antwoordde Piller tegen zijn gewoonte, bijzonder beminnelijk en zacht.De heeren verlieten het huis, om genietende van den heerlijken avond, eene wandeling te maken, ten einde den omtrek, waar zij vermoedelijk langeren tijd zouden moeten verblijven, watnader te leeren kennen. Op die wandeling werd het hun hoe langer hoe duidelijker, dat het luchtschip was neergekomen bij eene grootere nederzetting, dan zij aanvankelijk hadden gemeend. Het moest een soort stad zijn, want in weerwil van het geheel, vol tuinen en parken, bewezen de vele huizen, die steeds geheel afzonderlijk stonden, dat hier eene tamelijk dichte bevolking wezen moest. In deze meening werden de heeren nog versterkt, door het groote aantal menschen, die zij nog met het een of ander bezig aantroffen. Niemand was hier werkeloos, maar háást scheen hier niemand te kennen, want alle arbeid geschiedde met eene zekere plechtige kalmte en rust.Wat stak dit alles weldadig af bij het onrustig drijven der menschen op aarde. Waarheen de geleerden het oog ook wendden, scheen eene zekere gelijkmatig verdeelde welvaart te heerschen. Zelfs betrekkelijke armoede scheen hier onbekend te zijn.Niet alleen in de huizen, die zóó open waren, dat iedere nieuwsgierige daarin een blik kon werpen, maar ook daarbuiten op alle straten en wegen, heerschte eene bijna overdreven zindelijkheid.Op hunne wandeling kwamen de heeren ook langs eene breede rivier, die zij dien morgen in de vroegte, reeds vanuit den ballon hadden gezien. Het moest een van de beroemde Marskanalen zijn, want zoo ver ze zien konden, was zij kunstmatig aangelegd, met lijnrechte oevers. Eengroote steenen brug, die op vele pijlers rustte, een meesterwerk van bouwkunst, verbond den eenen oever met den andere. Op Mars scheen alles te staan in het teeken der rust, want zelfs het heldere lichtgroene water in het kanaal stroomde kalm en statig en droeg eene menigte sierlijk gebouwde schepen.Bij de brug lag een schip, waarop eenige mannen bezig waren platen gekleurd marmer, blokken graniet en suevit te lossen, wat gebeurde met eene gemakkelijkheid, die de zeven Zwaben in stomme verbazing bracht. Zouden de Marsbewoners zich onderscheiden door zulk eene verbazende lichaamskracht, zouden het wellicht een soort Athleten zijn.„Wat hebben die menschen een prachtig ontwikkelde borstkas, bekijk die eens goed,” met deze woorden wees Piller naar de arbeiders.„Het is mij van morgen al opgevallen, dat deze menschen zoo mooi gebouwd en zoo breed van schouders zijn. Ook de kinderen onderscheiden zich in dat opzicht van die der aarde.”„Dat is pas een ras, dat door zuivere kultuur, ijzersterke longen heeft gekregen, en bijna niet vatbaar is voor tering,” ging Piller voort.—Inmiddels was Brummhuber naar de arbeiders gegaan, en had getracht een der marmerplaten op te lichten.„Het komt mij voor, dat het marmer bijzonder licht is, zou het misschien eene geheel andere soort zijn dan bij ons,” riep hij zijne tochtgenootentoe. Deze kwamen nieuwsgierig geworden nader en onderzochten de steenen.„Neen, het is uitstekend marmer, bekijk die fijne korrel maar eens, en die zacht gekleurde aderen, die er door heen loopen,” antwoordde Piller, nadat hij den steen aan een zorgvuldig onderzoek had onderworpen.„En deze prachtige roode steen hier, is van het fijnste suevit, of ik moest in het geheel geen begrip meer hebben van mineralogie,” bracht professor Hämmerle in het midden, die op verschillende plaatsen den steen had beklopt.„Laten wij eens probeeren om dien steen te lichten!”„Juist, die schijnt hier boven van minder soortelijk gewicht te zijn dan bij ons. Nu begrijp ik, waarom deze menschen zulke lasten zoo gemakkelijk kunnen opheffen. Hoe komt dat? Weet gij dat misschien, Stiller?”„De oorzaak ligt mijns inziens in de dichtheid van Mars, die 0,7 van de aarde bedraagt,” antwoordde Stiller.„Nu begrijp ik ook, waarom heden bij het diner de bokalen en het zilveren tafelgereedschap mij zoo verbazend licht toescheen,” voegde Thudium er aan toe. „Ik had echter geen tijd om hierover na te denken, want de muziek boeide mij te veel!”„Dat was ook met mij het geval,” bevestigde Stiller.„En hoe staat het met de dichtheid der Marsatmosfeer?”vroeg Frommherz. „Hierin gevoel ik geen verschil met die van onze vaderlandsche lucht in den zomer. Integendeel, ik adem hier lichter en gevoel mij vroolijker dan daar!”„De luchtlaag, die deze planeet omgeeft, is aanmerkelijk minder hoog dan die van onze aarde. Denkt u zelf bij ons op eenen berg van middelmatige hoogte, dan zal die ijlere lucht ongeveer overeenkomen met deze. Onze aardbarometers zijn helaas niet zoodanig ingericht, dat wij ze op Mars kunnen gebruiken, om tot absoluut zekere vergelijkingen en conclusiën te kunnen komen,” antwoordde Stiller.„Doch dat daargelaten, uit uwe woorden kan ik mij volkomen de buitengewone ontwikkeling van de borstkas van onze vrienden op Mars verklaren: de longen zijn overeenkomstig de behoeften. Op dezelfde eenvoudige wijze zullen zich ook wel alle andere eigenaardigheden der Marsbewoners laten verklaren, die wij nog wel eens hier of daar zullen ontmoeten,” hernam Piller, terwijl hij doorliep, en de andere heeren zijn voorbeeld volgden.„A propos!” vroeg Piller al doorwandelende, „is het u ook niet opgevallen, dat onze Marsbewoners zulke buitengewoon mooie oogen hebben?”„In grootte en glans, steken zij zeer zeker bij de onze af. Er gaat van de spiegels der ziel dezer Marsbewoners eene buitengewone schittering uit.”„Juist gezien, Stiller! Ik heb nog nooit zulk eene prachtig blauwe iris gezien; het is de ideaal-kleur voor een edel oog, en dan dat weelderige krullende haar! Het zijn ware Zeus- en Junogestalten! Frommherz had vandaag gelijk met zijne vergelijking.”„Niet waar?” riep deze uit, verheugd over die opmerking. „De Marsbewoners schijnen mij zoowel lichamelijk als geestelijk, hoogstaande menschen te zijn.”„Voor deze streek schijnt uw oordeel juist te zijn, afgaande op hetgeen wij heden hebben ondervonden,” hernam Stiller.Daar de zon was ondergegaan, besloten de heeren uit Zwaben, voor heden hunne wandeling te staken, en terug te keeren naar hun tehuis, waar zij het bezoek wilden afwachten van den grijsaard, die hen naar de sterrenwacht brengen zou. Zij waren nog onderweg, toen de nacht zijne donkere vleugels over het landschap begon uit te spreiden. In het oosten werd het al lichter en lichter. De Maan kwam op en wierp haar zilver licht over de stille, vredige landstreek.„Dat is de groote Marsmaan, Deimos genaamd, die daar schijnt,” verklaarde professor Stiller aan zijne tochtgenooten. „Over eenige oogenblikken zult ge den tweeden wachter van Mars zien, waarmede wij den vorigen nacht, gelukkig slechts in zeer oppervlakkige aanraking zijn geweest.”Juist, daar daagde ook de kleine Phoebus aan den horizont op.„Welk een prachtig schouwspel!” riep Stiller verrukt uit. „Waarlijk de Marsbewoners hebben ’s nachts geen kunstverlichting noodig! Zij hebben niet alleen iederen nacht helderen maneschijn, maar worden behalve dat, nog door twee schitterende hemellichamen beschenen.”„Dat is zeker, Mars is eene merkwaardige planeet,” merkte Piller op, terwijl hij een oogenblik staan bleef om te kijken naar de beide wachters, die een licht verspreidden dat bijna gelijk stond met daglicht, en dat prachtige schaduwen te voorschijn riep.„Het is alsof een sprookje werkelijkheid is geworden. Dat zou voor u weder eene prachtige reden zijn om te drinken, Piller!” spotte Dubelmeier.„Wel ja, waarom niet, oude jongen, waarom niet! Te oordeelen naar alles wat wij vandaag gezien hebben, geloof ik dat er op Mars nog veel zal te bewonderen zijn, en de aanleidingen tot drinken tot een bedenkelijk aantal zullen stijgen. Mijn lijfspreuk echter is die van den ouden Griekschen wijsgeer: van niets te veel!”Dubelmeier lachte.„Lach toch niet zoo dwaas, gij watersnip, en volg zelf liever ook zijn voorbeeld met uwe overdreven waterdrinkerij! Dat is een goede raad, dien ik u als dokter geef.”„De manen hier, komen mij aanmerkelijk grooter voor, dan bijvoorbeeld onze wachter daar beneden,” merkte Frommherz op, met dezewoorden een einde makende aan de stilte, die na Pillers laatste woorden was ontstaan.„Dat is maar gezichtsbedrog, mijn waarde,” verklaarde Stiller, „de manen van Mars zijn aanmerkelijk kleiner dan de maan van onze aarde, maar ze staan veel dichter bij de hoofdplaneet dan dit bij onze maan het geval is. Phoebus is van Mars slechts 9000 kilometers, en de groote Deimos niet meer dan ongeveer 23.520 kilometers verwijderd. Daardoor komt het, dat deze wachters van Mars zoo ontzettend groot schijnen.”Onder deze gesprekken waren de heeren bij hun vorstelijk verblijf aangekomen. Daar wachtte hen reeds hun opmerkzame gastheer, van wien zij dien dag reeds zooveel goeds en vriendelijks hadden ondervonden. De hooge gestalte van den grijsaard, scheen hun in den maneschijn nog statiger dan bij daglicht, het lange golvende grijze haar nog meer zilverachtig en glanzend.„Ziet hij er niet uit als een Patriarch uit den joodschen tijd, toen eenvoud en reinheid van zeden, de schoonste deugden des volks waren?” vroeg professor Stiller zachtjes aan zijn collega Frommherz.„Waarachtig, gij hebt gelijk! Laten wij onzen ouden heer, wiens naam wij nog niet kennen eenvoudig Patriarch noemen. Die naam past uitstekend voor hem, temeer waar hij ons heden in zijn vaderlijke bescherming heeft genomen.”Na eene korte stomme begroeting, geleiddede grijsaard de zonen der aarde, naar het huis met het koepeldak. De weg daarheen voerde door een soort bosch met hooge goed verzorgde boomen, op wier donkergroene, glanzende bladeren, de trillende stralen der maan hun grillig spel dreven. Millioenen van lichtgevende kevertjes gonsden in de zoele nachtlucht onder de boomen, en de blauwe schijn van deze zich snel bewegende diertjes gaf den indruk van snel ronddraaiende sterretjes. Lustig kabbelende beekjes, wier oevers door sierlijke bruggen waren verbonden, kruisten den weg.De eigenaardige schoone wandeling had ongeveer een uur geduurd. Het in den vorm eener rotonde opgetrokken gebouw, was beneden versierd met eene rij borstbeelden op rood marmeren zuilen. Zij schenen de mannen voor te stellen, die hier in het observatorium hadden gewerkt. Breede trappen voerden naar het eigenlijke observatorium waar eenige mannen reeds in hunne stille studie verdiept waren. De patriarch moest reeds met hen gesproken hebben, want zoodra de vreemdelingen binnentraden, stonden zij op, en noodigden met eene vriendelijke handbeweging deze uit, hunne plaatsen in te nemen.Stiller was verrast over de grootsche pracht der geheele inrichting. Hoe armzalig leek hem, hierbij vergeleken, zijne eigen sterrenwacht, daarginds op de Bopserhoogte bij Stuttgart! Hij trad op een der reuzentelescopen toe, onderzocht hem even, en moest erkennen, dat de lenzen aanscherpte niets te wenschen overlieten, ja zelfs alles overtroffen wat hij tot dusver van dien aard had leeren kennen. Wat een rijkdom van verstand, moest hier op Mars vertegenwoordigd zijn, om zulk fijn optisch werk, dat op zeer wetenschappelijke nauwkeurige berekeningen berustte, te kunnen uitvoeren.De professor sloeg opmerkzaam den hemel gade. Hier en daar ontwaardde hij hem bekende sterrenbeelden en sterren, ver in het westen stond een opvallend groote rood schitterende ster, die in hooge mate de aandacht van den professor trok. Dat kon slechts eene planeet zijn, die daar fonkelend in het onmetelijk hemelruim zweefde; wellicht was het, de opvallende nabijheid in aanmerking genomen, de aarde wel. Hij stelde daarom den reuzenkijker zeer nauwkeurig in. Het vermoeden van professor Stiller bleek juist te zijn. Dank zij de voortreffelijke scherpe lenzen, en de reinheid van de Marsatmosfeer, herkende hij duidelijk Moeder Aarde. Hij kon de verschillende zeeën en werelddeelen onderscheiden. Van den Noordpool zuidwaarts gaande, was het zelfs mogelijk de omtrekken van enkele landen langs de IJszee, en langs den Atlantischen Oceaan vast te stellen, en daar, ja, daar had hij het, wat nu in den kijker duidelijk zichtbaar was, daar moest zijn vaderland, daar moest, naar den omtrek te oordeelen, Duitschland liggen.Vroolijk opgewonden, deelde Stiller de gedane waarneming aan zijne reisgenooten mede, ennoodigde hen uit, door den kijker een blik te werpen op het verre, dierbare vaderland.De een na den ander gaf aan deze uitnoodiging gehoor.„Het is ongeloofelijk, maar waar! Dit vergezicht is inderdaad eenig in zijn soort! Voor de eerste maal zien wij op verren, verren afstand de aarde en ons vaderland!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Dat gezicht is werkelijk grootsch!” zeide Thudium.„Dat is het,” bevestigde Piller.De sterrenkundigen van Mars en de patriarch keken ook beurtelings door den telescoop. Zij wisten immers reeds, vanwaar die zonderlinge vreemdelingen in den vroegen morgen gekomen waren, en konden uit hunne opgewondenheid bij het gadeslaan van een bepaald deel der verwijderde planeet, wel opmaken, dat het deel, dat zich op het oogenblik in het gezichtsveld van den telescoop bevond, het vaderland der gasten zijn moest.„Het is verbazend jammer, dat wij niet met onze collega’s kunnen spreken! Wat zou dat een leerzaam onderhoud zijn!” zei Stiller tot zijne metgezellen, toen zij na een stommen groet het observatorium verlieten.„In de eerste plaats moeten wij zoo spoedig mogelijk de taal der Marsbewoners leeren. Die te kennen is voor ons onderzoekingswerk de „conditio sine qua non,” sprak Hämmerle.„Dat is een waar woord, heer taalgeleerde!” liet Piller er op volgen, en ook de andere heeren knikten toestemmend.De beide wachters van Mars stonden als volle manen aan den hemel, toen de heeren huiswaarts gingen. Als twee geweldige lichtgevende bollen, zweefden zij in het luchtruim en wierpen hun zilver licht over het stille landschap. Terwijl Phoebus, de dichtst bijzijnde en kleinere maan, zich snel van het Westen naar het Oosten bewoog, trok de grootere verder verwijderde Deimos, die minder haastig was dan haar gezellin, kalm en statig in omgekeerde richting. Het was een schouwspel, zóó wonderschoon, zóó eenig in zijn soort, dat de zonen der aarde in luide bewoordingen lucht gaven aan hunne bewondering over dien betooverenden nacht. Langzaam wandelden zij naar huis, en genoten met volle teugen van de wonderen van een nacht op Mars.

HOOFDSTUK IV.OP MARS.

Van Mars uit—want het was werkelijk die planeet—was de ballon reeds lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast, doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland daaldenhierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde, Mars te betreden.Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja, zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was, waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert lang niet meer de minste zorg was besteed.„Drommels, wat zien wij er uit!” riep professor Piller ontsteld uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk eens hartelijk te lachen.Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach begroetten.„Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats van op Mars?” merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had schoongemaakt en op zijn neus gezet.„Hoe komt ge daarbij?” vroeg professor Dubelmeier.„Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig doet uitkomen!”„Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde professor Stiller, „maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn waarde Hämmerle.”Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op acht uur.„Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding.”Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen,zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.„Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?”—Hij deed deze eenigszins banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt, professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te begrijpen.„Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk kunnen begrijpen, Stiller,” merkte professor Hämmerle op.„Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons voor hen verstaanbaar kunnen maken.”Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:„Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn opgestegen, om u te bezoeken.”Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte, dezelfde glimlach.„Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn,” zeide Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaalmislukken van zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch, Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch, bereikte men niet het gewenschte doel.„Dat is een goed begin,” bromde professor Brummhuber.„Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren,” merkte Thudium op.„Dat schijnt wel zoo,” bevestigde Frommherz.„Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan,” riep Dubelmeier uit.Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte, en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel, eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking, dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er verder zou gebeuren.De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere donkerblauwe oogen,waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak, waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den Argonaut hadden geholpen.Het was den professor, alsof een sprookje uit de „duizend en een nacht” werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige, rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn, wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen, leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden met elkander, in glans, schoonheid, kleurenprachten geur. Vlinders in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.„Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen,” sprak professor Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. „Ik moet mijn gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg, Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne zondagsliederen heeft uitgedrukt?”„Nu, nu,” hernam professor Piller droogjes, „ook mij bevalt die intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag, wist gij dat niet, Stiller?”„Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar hoe weet gij dat?”„Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart.”„Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons nabij zijn en beschermen,” riep professor Stiller uit.„Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in degondel ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens een behoorlijk huiselijk leven krijgen.”„O, professortje, professortje!” hernam Stiller lachend, „hongeren en dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!”Professor Piller keek in de aangewezen richting. „Drommels,”—kwam het over zijne lippen,—„zouden die kolossale bessen misschien tot het geslacht der druiven behooren?”„Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen.”„Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!”—riep professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega’s het hoorden. „Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien, en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug mij op een teug van dien drank!”„Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden,” lispelde Frommherz.„Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen,” antwoordde Piller.Onder dergelijke gesprekken, bereikten de heeren met hun begeleider de eerste huizen. Tot hunne verwondering bemerkten zij, dat die gebouwen, die zij uit de verte voor openbare inrichtingenhadden gehouden, niets anders waren, dan groote particuliere woningen of villa’s. Zij waren gemaakt uit witte kunstig gehouwen steenen, en hadden aan de voorzijde hooge galerijen, die, door zuilen gedragen, een alleraangenaamsten indruk maakten, en getuigden van de groote voorliefde, die de bewoners koesterden voor frissche lucht en ruimte.Voor het warme klimaat waren zulke open galerijen het eenige doelmatige. Breede marmeren trappen leidden daarheen, en daarop speelden aardige, frissche kinderen, die slechts een licht hemdje droegen, dat om het middel door een gordel werd bijeengehouden.In de galerijen stonden hier en daar fraaie marmeren beelden. Alles ademde hier rust, schoonheid en vreugde, en liet niet na een diepen indruk op onze reizigers te maken.De grijsaard bracht zijne gasten naar een gebouw van twee verdiepingen, dat veel van een paleis had, omgeven door de fraaiste bloemen en gewassen, prachtig ingericht, als een vorstelijk verblijf. Het was het huis van den grijsaard zelf, wat deze den vreemdelingen ten gebruike afstond.Langs breede marmeren trappen kwamen de professoren op eene groote plaats, in het midden waarvan een prachtige fontein vroolijk sprong. Rondom dit plein lagen groote kamers, zalen gelijk, waarvan de deuren alle op het plein uitkwamen. Aan den rechterkant bevond zich dehoofdtrap; deze bestond uit twintig breede treden, ieder bestaande uit een steen van vier meter lengte, en voerde naar een portaal met een groot venster.Van hier kwam men langs twintig treden in een hooger gelegen gang, die door groote vensters werd verlicht, en een prachtig ingelegde zoldering had. Langs deze gang kwam men in eene rij salons, waarop de slaap- en badkamers volgden. Het geheele gebouw was uitstekend verlicht en van alle gemakken voorzien.De grijsaard klapte in de handen, waarop eenige jonge mannen toesnelden, die waarschijnlijk de dienende geesten waren van dit huis. De grijsaard sprak lang en met nadruk tot hen, en wees eindelijk op zijne gasten en trachtte dezen door gebaren te beduiden, dat zij hun gemak moesten nemen. Daarop verliet hij hen met eene vriendelijke buiging. Ook de bedienden verdwenen, maar kwamen weldra weder terug en brachten andere kleeding en sandalen, zooals ook zij droegen.Zonder een woord te spreken, maar uiterst gedienstig, wezen zij de vreemdelingen den weg naar de badkamers.„Ik ben werkelijk nieuwsgierig, waar dat alles op zal uitloopen,” zeide Piller tot professor Stiller, „als ik niet klaar wakker was, en zoo nuchter als een pasgeboren kind, en volkomen bij mijn verstand, dan zou ik inderdaad gelooven, dat alles wat ik hier tot nu toe heb beleefd, nietsanders was dan een spel mijner verbeelding.”„Laten wij maar afwachten, Piller! Om te beginnen hebben wij het hier niet slecht, integendeel! Ik hoor hier dichtbij al met tafels schuiven. Onze maaltijd wordt waarschijnlijk gereed gezet. Laten wij eerst gaan baden, en ons ontdoen van het laatste aardsche stof, en dan... dan beginnen wij ons nieuwe leven op Mars, dat zoo hoogst interessant belooft te worden. Tot later dus!”Bij deze woorden verdween Piller in zijn badkamer. Stiller zoowel als de anderen volgden weinige oogenblikken later dit voorbeeld, en al heel spoedig daarna plasten de reisgenooten, in op temperatuur gebracht water, in hunne marmeren badkuipen.Wonderlijk verfrischt en gesterkt door het bad, en gehuld in hunne frissche gemakkelijke kleeren, kwamen de geleerden een half uur later in de hooge luchtige eetzaal van het huis bijeen. De zoldering van deze zaal was medaillonsgewijs prachtig beschilderd, de vensters bestonden uit fraaie mozaïk ruiten, en de vloer uit marmeren platen in verschillende kleuren.In het midden van de zaal stond de tafel met schitterend tafelzilver gedekt; ook borden en bokalen waren uit hetzelfde edele metaal vervaardigd. Op schalen van echt kristal lagen de heerlijkste vruchten. In de fraai geslepen karaffen fonkelde verleidelijk eene heldere goudgele vloeistof. Zware armstoelen uit eene eigenaardigezwarte houtsoort vervaardigd, met vergulde leuningen, stonden rondom de tafel.„Dat is inderdaad vorstelijke pracht!” riep Frommherz verrukt uit, terwijl hij in de zaal rondkeek en de tafel monsterde. „Hier kunnen wij ons gerust vestigen, hier is het wel uit te houden! Ver van de aarde, en het paradijs nabij!”„Nu, gij schijnt een en al bewondering te zijn,” riep Hämmerle lachend uit.„Laat Frommherz maar phantaseeren! Wat mij betreft ik ben benieuwd wat wij te eten zullen krijgen,” zeide de nuchtere Piller, terwijl hij aan tafel ging zitten. „Opzestig millioenkilometers van de aarde, zal de spijskaart er toch wel een beetje anders uitzien, dan bij ons aan de oevers van den Neckar.”„Stiller, gij gaat aan het hoofd van de tafel zitten als president,” riep Brummhuber uit, toen professor Stiller op zijne gewone bescheiden manier, tusschen zijne collega’s wilde plaats nemen.„Natuurlijk!” bevestigde professor Piller. „Eere wien eere toekomt! Onze vriend Stiller heeft tot nog toe de zaak netjes opgeknapt, hij moet daarom ook voortaan onze leidsman zijn!”Met deze woorden schonk hij uit de voor hem staande karaf iets in zijn bokaal, en hield dat onderzoekend onder den neus.„Hm..... hm.... dat ruikt niet kwaad.... een fijn bouquet.” Voorzichtig nam hij een teug. „Het is wijn, waarachtig!Hetis wijn, eene soortsec, zooiets als sherry, maar veel zachter,” deelde Piller mee, toen hij gedronken had. „Hij is van goede afkomst, doch onze Neckarwijn is beslist zoeter dan deze Marsdrank, maar dat doet er niet toe, hij mag blijven zooals hij is, liever dezen wijn dan geen wijn.”„Zeg Piller, gij alcoholist, wees blijde dat gij nog wat te drinken krijgt!”„Wij zijn waarachtig toch niet naar Mars gegaan om wijn te drinken,” riep professor Dubelmeier uit. „Uw eeuwige dorst en uw voortdurend verlangen naar onzen Neckarwijn, hadden voor u eigenlijk een reden moeten zijn om stilletjes op de aarde te blijven!”„Och wat, gij hartstochtelijke spuitwaterdrinker!” riep Piller nijdig uit.„Wat weet gij van....”Maar professor Stiller liet den vertoornde niet uitspreken.Hij stond op. „Mijn waarde vrienden, ik verzoek om rust en vrede, en wensch u allen een recht goeden eetlust bij het aanstaande maal! Laten wij den eersten dronk wijden aan onze behouden aankomst op Mars; de tweede zal ons klein en groot vaderland gelden; die zij gewijd aan Zwaben en aan Duitschland; ik verzoek u uwe bokalen te vullen en mij bescheid te doen!”„Nu, daar heb ik vrede mee,” zeide Piller, „Stiller is toch waarachtig een verstandige kerel!”„En nu, mijne vrienden, laat ons plaats nemen!”Naar het voorbeeld van den grijsaard, klapte professor Stiller in de handen, waarop zeven bedienden binnenkwamen, voor ieder der heeren één. Zij droegen schotels waarop prachtige visschen lagen.De toorn van Piller verdween, bij het zien van die warme uitlokkende spijzen. Hij en de andere heeren tastten duchtig toe, allen waren het er volkomen over eens, dat de visch uitstekend gesmaakt had. Op de visch volgden eenige eigenaardige maar uiterst smakelijk toebereide meelspijzen, daarna groenten, vruchten en gebak.Toen het ontbijt wasgeeindigd, vulde Piller zijn bokaal met den fonkelenden wijn, schoof zijn stoel een eindje terug, en stond op.„Stilte, mijne heeren!”—Het op luiden toon gevoerde opgewonden gesprek der heeren verstomde, en maakte voor eene aandachtige stilte plaats.„Mijn waarde vrienden en tochtgenooten, ik vervul hiermede een soort van plicht,” begon Piller, maar werd plotseling afgeleid doordat hij van buiten wonderschoone zachte tonen hoorde, die langzamerhand in machtige accoorden overgingen. Dat was eene muziek, een spel zóó plechtig en zóó mooi, dat de heeren stil en bijna onbewegelijk op hunne plaatsen bleven zitten, om toch maar door geen geruisch, hoe gering ook, iets van die aangrijpende tonen te verliezen, die met hun klank hen boven het tegenwoordige schenen te verheffen, tot in de blauwe zaligegewesten van oneindige vreugde. Zacht en stil, een fluisteren gelijk, stierven de tonen langzamerhand weg.„Zoo worden wij op Mars ontvangen,” riep professor Stiller opgewonden uit, toen de muziek eindelijk zweeg. „Is een schooner en tegelijk verhevener welkom voor ons, hierboven denkbaar, dan dit verrukkelijk snarenspel?”„Neen, zeker niet!” antwoordden zijne reisgenooten vol enthousiasme. Toen liepen zij naar de vensters van de zaal, om te zien, wie hun dit heerlijk genot had bereid. Het waren twaalf harpspelers, die zich langzaam en waardig met hunne instrumenten van het terras verwijderden.„Zeg, Piller, dat was zeker een schooner en edeler genot, dan de speech zou geweest zijn, die gij voornemens waart, af te steken,” plaagde Dubelmeier zijn collega.„Hoe wilt gij weten, wat ik te zeggen had; die speech krijgt gij den een of anderen dag toch te hooren. Maar wees dankbaar, dat de heerlijke muziek, die ik zooeven heb gehoord, mij zoo vredig heeft gestemd, dat ik op uwe provocaties niet zal antwoorden zooals zij dat verdienden,—hoort gij het, onverbeterlijke waterdrinker!”De heeren lachten over het dispuut der beide reisgenooten, die in weerwil van alle plagerijen, elkander toch zoo hartelijk genegen waren.Vergezeld van verscheidene eerbiedwaardige mannen, verscheen de grijsaard weder in de deur van de zaal. Er kwam een glimlach op het ernstige,sprekende gelaat van den ouden man, toen hij de zeven vreemdelingen terug zag, die nu, gekleed evenals hij, in eerbiedige houding voor hem stonden.De grijsaard knikte ter begroeting even met het hoofd, en noodigde de heeren met eene handbeweging uit, hem te volgen. Zij gingen denzelfden weg terug dien zij dien morgen gekomen waren.„Pas op,” merkte Frommherz bezorgd op, „meteen worden wij weder dadelijk daarheen gestuurd, waar wij vandaan zijn gekomen.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn,” antwoordde professor Stiller, „want in dat geval, zouden wij niet zoo vriendelijk zijn ontvangen!”Het gezelschap was nu weder op de weide aangekomen, waar de Argonaut nog voor anker lag, en zich bijna onmerkbaar heen en weder bewoog.De oude beduidde den heeren, dat zij hunne bezittingen uit de gondel te voorschijn zouden halen. Om hun dit aan het verstand te brengen, klom hij met eenige zijner metgezellen langs de touwladder naar de gondel, en bracht daaruit van allerlei mede, dat aan de aardbewoners toebehoorde. Nu begrepen deze, wat hij wilde.„Ziet gij wel dat ik gelijk had,” riep Stiller zijn collega Frommherz toe, „men komt toch niet heelemaal van de aarde naar zulke vriendelijke en gastvrije menschen, als de Marsbewoners schijnen te zijn, om dadelijk weder rechtsomkeer te maken. Overigens zouden wij, in onzen tegenwoordigentoestand, er onmogelijk aan kunnen denken, om dadelijk de terugreis te aanvaarden.„Daarvoor beware ons de hemelsche genade altijd,” antwoordde Frommherz, die druk bezig was, zijne bezittingen bij elkaar te zoeken.Al heel spoedig daarna lag de weinige bagage der Marsreizigers op den grond. De grijsaard bekeek opmerkzaam al de instrumenten, die te voorschijn kwamen, en legde eene bijzondere belangstelling aan den dag voor den verrekijker. Stiller trachtte hem het gebruik er van duidelijk te maken. De oude schudde bij deze stomme verklaringen slechts het hoofd, en wees eindelijk met de rechterhand naar een gebouw in de verte, welks koepelvormig dak den professor nu eerst in het oog viel.„Daar hebben wij waarachtig hierboven een sterrenwacht, en nog wel vlak bij,” riep Stiller verheugd uit. „Vrienden, daar moeten wij vanavond nog heen, om van daar uit onze Moeder Aarde in de verte als schitterende ster van eerste grootte gade te slaan en te bewonderen!”Stiller maakte den grijsaard dezen wensch duidelijk. Hij wees eerst naar den hemel, toen naar den kijker, en eindelijk naar den koepel van het gebouw. Daarna nam hij een der groote mede gebrachte hemelkaarten, en vouwde die open. Hij volgde met den wijsvinger van zijn rechter hand de planeten, wier banen om de zon op een afzonderlijk gedeelte van de kaart waren geteekend. De grijsaard begreep hem nu dadelijken knikte toestemmend met het hoofd. De professor trachtte nu ook hem aan het verstand te brengen, waar hij en zijne reisgenooten vandaan waren gekomen. Hij wees daartoe naar eene afbeelding der aarde, daarna volgde hij de daaromheen loopende baan van Mars, wees daarna op die planeet zelf en eindelijk op den ballon.Een kreet van verbazing ontsnapte aan de lippen van den grijsaard. Hij had professor Stiller volkomen begrepen, en reikte hem voor de eerste maal met woorden, die als een hartelijk welkom klonken, de hand, die deze hartelijk drukte. De grijsaard vertelde aan zijne begeleiders, wat de vreemdeling hem zooeven in gebarentaal had duidelijk gemaakt, en op hun open eerlijke gezichten kwam eene uitdrukking van achting voor de moedige vreemdelingen, die van zóó verre tot hen waren gekomen. De luchtreizigers werden weder teruggebracht naar de woning, waar zij het zich huiselijk begonnen te maken, met de verschillende voorwerpen, die zij uit het vaderland hadden medegebracht.Het was inmiddels middag geworden, geen lastige nieuwsgierigen hadden hen bij hun arbeid gestoord, en nadat zij hiermede gereed waren, hadden zij zich met een onuitsprekelijk welbehagen op de zachte rustbedden in hunne kamers uitgestrekt, om te genieten van de zoolang ontbeerde weelde eener heerlijke legerstede.Het was inmiddels etenstijd geworden. Hetging met het middagmaal als met het ontbijt, alleen was het overvloediger.Reeds wilden de heeren, uiterst voldaan over het hun geschonken culinarisch genot, van tafel opstaan, toen eene nieuwe verrassing hen daarvan deed afzien.Van het voorplein klonk à capella menschelijk gezang. Het was een lied vol teederheid en diep gevoel. Het was alsof de in tonen omgezette barmhartigheid en menschenliefde zich in de harten der geleerden deed gelden, zóó machtig en zóó krachtig dat zij slechts met moeite hunne ontroering konden bedwingen. Toen het lied geeindigd was, wischten sommigen zich de tranen uit de oogen.„Daar moet ik eens op drinken,” zeide Piller, terwijl hij zijn glas vulde. „Gevoelsaandoeningen roepen bij mij altijd de behoefte aan eene hartversterking wakker. Kom, Dubelmeier, trek nu niet zoo’n gek gezicht, maar doe liever met mij mee!”„De hemel beware me er voor, dat ik deze heerlijke genotvolle oogenblikken met alcohol zou ontwijden!”„Zooals gij wilt, waarde Dubelmeier!” antwoordde Piller tegen zijn gewoonte, bijzonder beminnelijk en zacht.De heeren verlieten het huis, om genietende van den heerlijken avond, eene wandeling te maken, ten einde den omtrek, waar zij vermoedelijk langeren tijd zouden moeten verblijven, watnader te leeren kennen. Op die wandeling werd het hun hoe langer hoe duidelijker, dat het luchtschip was neergekomen bij eene grootere nederzetting, dan zij aanvankelijk hadden gemeend. Het moest een soort stad zijn, want in weerwil van het geheel, vol tuinen en parken, bewezen de vele huizen, die steeds geheel afzonderlijk stonden, dat hier eene tamelijk dichte bevolking wezen moest. In deze meening werden de heeren nog versterkt, door het groote aantal menschen, die zij nog met het een of ander bezig aantroffen. Niemand was hier werkeloos, maar háást scheen hier niemand te kennen, want alle arbeid geschiedde met eene zekere plechtige kalmte en rust.Wat stak dit alles weldadig af bij het onrustig drijven der menschen op aarde. Waarheen de geleerden het oog ook wendden, scheen eene zekere gelijkmatig verdeelde welvaart te heerschen. Zelfs betrekkelijke armoede scheen hier onbekend te zijn.Niet alleen in de huizen, die zóó open waren, dat iedere nieuwsgierige daarin een blik kon werpen, maar ook daarbuiten op alle straten en wegen, heerschte eene bijna overdreven zindelijkheid.Op hunne wandeling kwamen de heeren ook langs eene breede rivier, die zij dien morgen in de vroegte, reeds vanuit den ballon hadden gezien. Het moest een van de beroemde Marskanalen zijn, want zoo ver ze zien konden, was zij kunstmatig aangelegd, met lijnrechte oevers. Eengroote steenen brug, die op vele pijlers rustte, een meesterwerk van bouwkunst, verbond den eenen oever met den andere. Op Mars scheen alles te staan in het teeken der rust, want zelfs het heldere lichtgroene water in het kanaal stroomde kalm en statig en droeg eene menigte sierlijk gebouwde schepen.Bij de brug lag een schip, waarop eenige mannen bezig waren platen gekleurd marmer, blokken graniet en suevit te lossen, wat gebeurde met eene gemakkelijkheid, die de zeven Zwaben in stomme verbazing bracht. Zouden de Marsbewoners zich onderscheiden door zulk eene verbazende lichaamskracht, zouden het wellicht een soort Athleten zijn.„Wat hebben die menschen een prachtig ontwikkelde borstkas, bekijk die eens goed,” met deze woorden wees Piller naar de arbeiders.„Het is mij van morgen al opgevallen, dat deze menschen zoo mooi gebouwd en zoo breed van schouders zijn. Ook de kinderen onderscheiden zich in dat opzicht van die der aarde.”„Dat is pas een ras, dat door zuivere kultuur, ijzersterke longen heeft gekregen, en bijna niet vatbaar is voor tering,” ging Piller voort.—Inmiddels was Brummhuber naar de arbeiders gegaan, en had getracht een der marmerplaten op te lichten.„Het komt mij voor, dat het marmer bijzonder licht is, zou het misschien eene geheel andere soort zijn dan bij ons,” riep hij zijne tochtgenootentoe. Deze kwamen nieuwsgierig geworden nader en onderzochten de steenen.„Neen, het is uitstekend marmer, bekijk die fijne korrel maar eens, en die zacht gekleurde aderen, die er door heen loopen,” antwoordde Piller, nadat hij den steen aan een zorgvuldig onderzoek had onderworpen.„En deze prachtige roode steen hier, is van het fijnste suevit, of ik moest in het geheel geen begrip meer hebben van mineralogie,” bracht professor Hämmerle in het midden, die op verschillende plaatsen den steen had beklopt.„Laten wij eens probeeren om dien steen te lichten!”„Juist, die schijnt hier boven van minder soortelijk gewicht te zijn dan bij ons. Nu begrijp ik, waarom deze menschen zulke lasten zoo gemakkelijk kunnen opheffen. Hoe komt dat? Weet gij dat misschien, Stiller?”„De oorzaak ligt mijns inziens in de dichtheid van Mars, die 0,7 van de aarde bedraagt,” antwoordde Stiller.„Nu begrijp ik ook, waarom heden bij het diner de bokalen en het zilveren tafelgereedschap mij zoo verbazend licht toescheen,” voegde Thudium er aan toe. „Ik had echter geen tijd om hierover na te denken, want de muziek boeide mij te veel!”„Dat was ook met mij het geval,” bevestigde Stiller.„En hoe staat het met de dichtheid der Marsatmosfeer?”vroeg Frommherz. „Hierin gevoel ik geen verschil met die van onze vaderlandsche lucht in den zomer. Integendeel, ik adem hier lichter en gevoel mij vroolijker dan daar!”„De luchtlaag, die deze planeet omgeeft, is aanmerkelijk minder hoog dan die van onze aarde. Denkt u zelf bij ons op eenen berg van middelmatige hoogte, dan zal die ijlere lucht ongeveer overeenkomen met deze. Onze aardbarometers zijn helaas niet zoodanig ingericht, dat wij ze op Mars kunnen gebruiken, om tot absoluut zekere vergelijkingen en conclusiën te kunnen komen,” antwoordde Stiller.„Doch dat daargelaten, uit uwe woorden kan ik mij volkomen de buitengewone ontwikkeling van de borstkas van onze vrienden op Mars verklaren: de longen zijn overeenkomstig de behoeften. Op dezelfde eenvoudige wijze zullen zich ook wel alle andere eigenaardigheden der Marsbewoners laten verklaren, die wij nog wel eens hier of daar zullen ontmoeten,” hernam Piller, terwijl hij doorliep, en de andere heeren zijn voorbeeld volgden.„A propos!” vroeg Piller al doorwandelende, „is het u ook niet opgevallen, dat onze Marsbewoners zulke buitengewoon mooie oogen hebben?”„In grootte en glans, steken zij zeer zeker bij de onze af. Er gaat van de spiegels der ziel dezer Marsbewoners eene buitengewone schittering uit.”„Juist gezien, Stiller! Ik heb nog nooit zulk eene prachtig blauwe iris gezien; het is de ideaal-kleur voor een edel oog, en dan dat weelderige krullende haar! Het zijn ware Zeus- en Junogestalten! Frommherz had vandaag gelijk met zijne vergelijking.”„Niet waar?” riep deze uit, verheugd over die opmerking. „De Marsbewoners schijnen mij zoowel lichamelijk als geestelijk, hoogstaande menschen te zijn.”„Voor deze streek schijnt uw oordeel juist te zijn, afgaande op hetgeen wij heden hebben ondervonden,” hernam Stiller.Daar de zon was ondergegaan, besloten de heeren uit Zwaben, voor heden hunne wandeling te staken, en terug te keeren naar hun tehuis, waar zij het bezoek wilden afwachten van den grijsaard, die hen naar de sterrenwacht brengen zou. Zij waren nog onderweg, toen de nacht zijne donkere vleugels over het landschap begon uit te spreiden. In het oosten werd het al lichter en lichter. De Maan kwam op en wierp haar zilver licht over de stille, vredige landstreek.„Dat is de groote Marsmaan, Deimos genaamd, die daar schijnt,” verklaarde professor Stiller aan zijne tochtgenooten. „Over eenige oogenblikken zult ge den tweeden wachter van Mars zien, waarmede wij den vorigen nacht, gelukkig slechts in zeer oppervlakkige aanraking zijn geweest.”Juist, daar daagde ook de kleine Phoebus aan den horizont op.„Welk een prachtig schouwspel!” riep Stiller verrukt uit. „Waarlijk de Marsbewoners hebben ’s nachts geen kunstverlichting noodig! Zij hebben niet alleen iederen nacht helderen maneschijn, maar worden behalve dat, nog door twee schitterende hemellichamen beschenen.”„Dat is zeker, Mars is eene merkwaardige planeet,” merkte Piller op, terwijl hij een oogenblik staan bleef om te kijken naar de beide wachters, die een licht verspreidden dat bijna gelijk stond met daglicht, en dat prachtige schaduwen te voorschijn riep.„Het is alsof een sprookje werkelijkheid is geworden. Dat zou voor u weder eene prachtige reden zijn om te drinken, Piller!” spotte Dubelmeier.„Wel ja, waarom niet, oude jongen, waarom niet! Te oordeelen naar alles wat wij vandaag gezien hebben, geloof ik dat er op Mars nog veel zal te bewonderen zijn, en de aanleidingen tot drinken tot een bedenkelijk aantal zullen stijgen. Mijn lijfspreuk echter is die van den ouden Griekschen wijsgeer: van niets te veel!”Dubelmeier lachte.„Lach toch niet zoo dwaas, gij watersnip, en volg zelf liever ook zijn voorbeeld met uwe overdreven waterdrinkerij! Dat is een goede raad, dien ik u als dokter geef.”„De manen hier, komen mij aanmerkelijk grooter voor, dan bijvoorbeeld onze wachter daar beneden,” merkte Frommherz op, met dezewoorden een einde makende aan de stilte, die na Pillers laatste woorden was ontstaan.„Dat is maar gezichtsbedrog, mijn waarde,” verklaarde Stiller, „de manen van Mars zijn aanmerkelijk kleiner dan de maan van onze aarde, maar ze staan veel dichter bij de hoofdplaneet dan dit bij onze maan het geval is. Phoebus is van Mars slechts 9000 kilometers, en de groote Deimos niet meer dan ongeveer 23.520 kilometers verwijderd. Daardoor komt het, dat deze wachters van Mars zoo ontzettend groot schijnen.”Onder deze gesprekken waren de heeren bij hun vorstelijk verblijf aangekomen. Daar wachtte hen reeds hun opmerkzame gastheer, van wien zij dien dag reeds zooveel goeds en vriendelijks hadden ondervonden. De hooge gestalte van den grijsaard, scheen hun in den maneschijn nog statiger dan bij daglicht, het lange golvende grijze haar nog meer zilverachtig en glanzend.„Ziet hij er niet uit als een Patriarch uit den joodschen tijd, toen eenvoud en reinheid van zeden, de schoonste deugden des volks waren?” vroeg professor Stiller zachtjes aan zijn collega Frommherz.„Waarachtig, gij hebt gelijk! Laten wij onzen ouden heer, wiens naam wij nog niet kennen eenvoudig Patriarch noemen. Die naam past uitstekend voor hem, temeer waar hij ons heden in zijn vaderlijke bescherming heeft genomen.”Na eene korte stomme begroeting, geleiddede grijsaard de zonen der aarde, naar het huis met het koepeldak. De weg daarheen voerde door een soort bosch met hooge goed verzorgde boomen, op wier donkergroene, glanzende bladeren, de trillende stralen der maan hun grillig spel dreven. Millioenen van lichtgevende kevertjes gonsden in de zoele nachtlucht onder de boomen, en de blauwe schijn van deze zich snel bewegende diertjes gaf den indruk van snel ronddraaiende sterretjes. Lustig kabbelende beekjes, wier oevers door sierlijke bruggen waren verbonden, kruisten den weg.De eigenaardige schoone wandeling had ongeveer een uur geduurd. Het in den vorm eener rotonde opgetrokken gebouw, was beneden versierd met eene rij borstbeelden op rood marmeren zuilen. Zij schenen de mannen voor te stellen, die hier in het observatorium hadden gewerkt. Breede trappen voerden naar het eigenlijke observatorium waar eenige mannen reeds in hunne stille studie verdiept waren. De patriarch moest reeds met hen gesproken hebben, want zoodra de vreemdelingen binnentraden, stonden zij op, en noodigden met eene vriendelijke handbeweging deze uit, hunne plaatsen in te nemen.Stiller was verrast over de grootsche pracht der geheele inrichting. Hoe armzalig leek hem, hierbij vergeleken, zijne eigen sterrenwacht, daarginds op de Bopserhoogte bij Stuttgart! Hij trad op een der reuzentelescopen toe, onderzocht hem even, en moest erkennen, dat de lenzen aanscherpte niets te wenschen overlieten, ja zelfs alles overtroffen wat hij tot dusver van dien aard had leeren kennen. Wat een rijkdom van verstand, moest hier op Mars vertegenwoordigd zijn, om zulk fijn optisch werk, dat op zeer wetenschappelijke nauwkeurige berekeningen berustte, te kunnen uitvoeren.De professor sloeg opmerkzaam den hemel gade. Hier en daar ontwaardde hij hem bekende sterrenbeelden en sterren, ver in het westen stond een opvallend groote rood schitterende ster, die in hooge mate de aandacht van den professor trok. Dat kon slechts eene planeet zijn, die daar fonkelend in het onmetelijk hemelruim zweefde; wellicht was het, de opvallende nabijheid in aanmerking genomen, de aarde wel. Hij stelde daarom den reuzenkijker zeer nauwkeurig in. Het vermoeden van professor Stiller bleek juist te zijn. Dank zij de voortreffelijke scherpe lenzen, en de reinheid van de Marsatmosfeer, herkende hij duidelijk Moeder Aarde. Hij kon de verschillende zeeën en werelddeelen onderscheiden. Van den Noordpool zuidwaarts gaande, was het zelfs mogelijk de omtrekken van enkele landen langs de IJszee, en langs den Atlantischen Oceaan vast te stellen, en daar, ja, daar had hij het, wat nu in den kijker duidelijk zichtbaar was, daar moest zijn vaderland, daar moest, naar den omtrek te oordeelen, Duitschland liggen.Vroolijk opgewonden, deelde Stiller de gedane waarneming aan zijne reisgenooten mede, ennoodigde hen uit, door den kijker een blik te werpen op het verre, dierbare vaderland.De een na den ander gaf aan deze uitnoodiging gehoor.„Het is ongeloofelijk, maar waar! Dit vergezicht is inderdaad eenig in zijn soort! Voor de eerste maal zien wij op verren, verren afstand de aarde en ons vaderland!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Dat gezicht is werkelijk grootsch!” zeide Thudium.„Dat is het,” bevestigde Piller.De sterrenkundigen van Mars en de patriarch keken ook beurtelings door den telescoop. Zij wisten immers reeds, vanwaar die zonderlinge vreemdelingen in den vroegen morgen gekomen waren, en konden uit hunne opgewondenheid bij het gadeslaan van een bepaald deel der verwijderde planeet, wel opmaken, dat het deel, dat zich op het oogenblik in het gezichtsveld van den telescoop bevond, het vaderland der gasten zijn moest.„Het is verbazend jammer, dat wij niet met onze collega’s kunnen spreken! Wat zou dat een leerzaam onderhoud zijn!” zei Stiller tot zijne metgezellen, toen zij na een stommen groet het observatorium verlieten.„In de eerste plaats moeten wij zoo spoedig mogelijk de taal der Marsbewoners leeren. Die te kennen is voor ons onderzoekingswerk de „conditio sine qua non,” sprak Hämmerle.„Dat is een waar woord, heer taalgeleerde!” liet Piller er op volgen, en ook de andere heeren knikten toestemmend.De beide wachters van Mars stonden als volle manen aan den hemel, toen de heeren huiswaarts gingen. Als twee geweldige lichtgevende bollen, zweefden zij in het luchtruim en wierpen hun zilver licht over het stille landschap. Terwijl Phoebus, de dichtst bijzijnde en kleinere maan, zich snel van het Westen naar het Oosten bewoog, trok de grootere verder verwijderde Deimos, die minder haastig was dan haar gezellin, kalm en statig in omgekeerde richting. Het was een schouwspel, zóó wonderschoon, zóó eenig in zijn soort, dat de zonen der aarde in luide bewoordingen lucht gaven aan hunne bewondering over dien betooverenden nacht. Langzaam wandelden zij naar huis, en genoten met volle teugen van de wonderen van een nacht op Mars.

Van Mars uit—want het was werkelijk die planeet—was de ballon reeds lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast, doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland daaldenhierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde, Mars te betreden.

Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja, zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was, waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert lang niet meer de minste zorg was besteed.

„Drommels, wat zien wij er uit!” riep professor Piller ontsteld uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk eens hartelijk te lachen.

Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach begroetten.

„Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats van op Mars?” merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had schoongemaakt en op zijn neus gezet.

„Hoe komt ge daarbij?” vroeg professor Dubelmeier.

„Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig doet uitkomen!”

„Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde professor Stiller, „maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn waarde Hämmerle.”

Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op acht uur.

„Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding.”

Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen,zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.

„Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?”—Hij deed deze eenigszins banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt, professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te begrijpen.

„Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk kunnen begrijpen, Stiller,” merkte professor Hämmerle op.

„Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons voor hen verstaanbaar kunnen maken.”

Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:

„Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn opgestegen, om u te bezoeken.”

Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte, dezelfde glimlach.

„Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn,” zeide Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaalmislukken van zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch, Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch, bereikte men niet het gewenschte doel.

„Dat is een goed begin,” bromde professor Brummhuber.

„Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren,” merkte Thudium op.

„Dat schijnt wel zoo,” bevestigde Frommherz.

„Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan,” riep Dubelmeier uit.

Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte, en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel, eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking, dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.

Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er verder zou gebeuren.

De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere donkerblauwe oogen,waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak, waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.

De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den Argonaut hadden geholpen.

Het was den professor, alsof een sprookje uit de „duizend en een nacht” werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.

Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige, rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn, wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.

Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen, leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden met elkander, in glans, schoonheid, kleurenprachten geur. Vlinders in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.

„Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen,” sprak professor Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. „Ik moet mijn gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg, Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne zondagsliederen heeft uitgedrukt?”

„Nu, nu,” hernam professor Piller droogjes, „ook mij bevalt die intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag, wist gij dat niet, Stiller?”

„Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar hoe weet gij dat?”

„Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart.”

„Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons nabij zijn en beschermen,” riep professor Stiller uit.

„Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in degondel ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens een behoorlijk huiselijk leven krijgen.”

„O, professortje, professortje!” hernam Stiller lachend, „hongeren en dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!”

Professor Piller keek in de aangewezen richting. „Drommels,”—kwam het over zijne lippen,—„zouden die kolossale bessen misschien tot het geslacht der druiven behooren?”

„Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen.”

„Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!”—riep professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega’s het hoorden. „Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien, en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug mij op een teug van dien drank!”

„Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden,” lispelde Frommherz.

„Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen,” antwoordde Piller.

Onder dergelijke gesprekken, bereikten de heeren met hun begeleider de eerste huizen. Tot hunne verwondering bemerkten zij, dat die gebouwen, die zij uit de verte voor openbare inrichtingenhadden gehouden, niets anders waren, dan groote particuliere woningen of villa’s. Zij waren gemaakt uit witte kunstig gehouwen steenen, en hadden aan de voorzijde hooge galerijen, die, door zuilen gedragen, een alleraangenaamsten indruk maakten, en getuigden van de groote voorliefde, die de bewoners koesterden voor frissche lucht en ruimte.

Voor het warme klimaat waren zulke open galerijen het eenige doelmatige. Breede marmeren trappen leidden daarheen, en daarop speelden aardige, frissche kinderen, die slechts een licht hemdje droegen, dat om het middel door een gordel werd bijeengehouden.

In de galerijen stonden hier en daar fraaie marmeren beelden. Alles ademde hier rust, schoonheid en vreugde, en liet niet na een diepen indruk op onze reizigers te maken.

De grijsaard bracht zijne gasten naar een gebouw van twee verdiepingen, dat veel van een paleis had, omgeven door de fraaiste bloemen en gewassen, prachtig ingericht, als een vorstelijk verblijf. Het was het huis van den grijsaard zelf, wat deze den vreemdelingen ten gebruike afstond.

Langs breede marmeren trappen kwamen de professoren op eene groote plaats, in het midden waarvan een prachtige fontein vroolijk sprong. Rondom dit plein lagen groote kamers, zalen gelijk, waarvan de deuren alle op het plein uitkwamen. Aan den rechterkant bevond zich dehoofdtrap; deze bestond uit twintig breede treden, ieder bestaande uit een steen van vier meter lengte, en voerde naar een portaal met een groot venster.

Van hier kwam men langs twintig treden in een hooger gelegen gang, die door groote vensters werd verlicht, en een prachtig ingelegde zoldering had. Langs deze gang kwam men in eene rij salons, waarop de slaap- en badkamers volgden. Het geheele gebouw was uitstekend verlicht en van alle gemakken voorzien.

De grijsaard klapte in de handen, waarop eenige jonge mannen toesnelden, die waarschijnlijk de dienende geesten waren van dit huis. De grijsaard sprak lang en met nadruk tot hen, en wees eindelijk op zijne gasten en trachtte dezen door gebaren te beduiden, dat zij hun gemak moesten nemen. Daarop verliet hij hen met eene vriendelijke buiging. Ook de bedienden verdwenen, maar kwamen weldra weder terug en brachten andere kleeding en sandalen, zooals ook zij droegen.

Zonder een woord te spreken, maar uiterst gedienstig, wezen zij de vreemdelingen den weg naar de badkamers.

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig, waar dat alles op zal uitloopen,” zeide Piller tot professor Stiller, „als ik niet klaar wakker was, en zoo nuchter als een pasgeboren kind, en volkomen bij mijn verstand, dan zou ik inderdaad gelooven, dat alles wat ik hier tot nu toe heb beleefd, nietsanders was dan een spel mijner verbeelding.”

„Laten wij maar afwachten, Piller! Om te beginnen hebben wij het hier niet slecht, integendeel! Ik hoor hier dichtbij al met tafels schuiven. Onze maaltijd wordt waarschijnlijk gereed gezet. Laten wij eerst gaan baden, en ons ontdoen van het laatste aardsche stof, en dan... dan beginnen wij ons nieuwe leven op Mars, dat zoo hoogst interessant belooft te worden. Tot later dus!”

Bij deze woorden verdween Piller in zijn badkamer. Stiller zoowel als de anderen volgden weinige oogenblikken later dit voorbeeld, en al heel spoedig daarna plasten de reisgenooten, in op temperatuur gebracht water, in hunne marmeren badkuipen.

Wonderlijk verfrischt en gesterkt door het bad, en gehuld in hunne frissche gemakkelijke kleeren, kwamen de geleerden een half uur later in de hooge luchtige eetzaal van het huis bijeen. De zoldering van deze zaal was medaillonsgewijs prachtig beschilderd, de vensters bestonden uit fraaie mozaïk ruiten, en de vloer uit marmeren platen in verschillende kleuren.

In het midden van de zaal stond de tafel met schitterend tafelzilver gedekt; ook borden en bokalen waren uit hetzelfde edele metaal vervaardigd. Op schalen van echt kristal lagen de heerlijkste vruchten. In de fraai geslepen karaffen fonkelde verleidelijk eene heldere goudgele vloeistof. Zware armstoelen uit eene eigenaardigezwarte houtsoort vervaardigd, met vergulde leuningen, stonden rondom de tafel.

„Dat is inderdaad vorstelijke pracht!” riep Frommherz verrukt uit, terwijl hij in de zaal rondkeek en de tafel monsterde. „Hier kunnen wij ons gerust vestigen, hier is het wel uit te houden! Ver van de aarde, en het paradijs nabij!”

„Nu, gij schijnt een en al bewondering te zijn,” riep Hämmerle lachend uit.

„Laat Frommherz maar phantaseeren! Wat mij betreft ik ben benieuwd wat wij te eten zullen krijgen,” zeide de nuchtere Piller, terwijl hij aan tafel ging zitten. „Opzestig millioenkilometers van de aarde, zal de spijskaart er toch wel een beetje anders uitzien, dan bij ons aan de oevers van den Neckar.”

„Stiller, gij gaat aan het hoofd van de tafel zitten als president,” riep Brummhuber uit, toen professor Stiller op zijne gewone bescheiden manier, tusschen zijne collega’s wilde plaats nemen.

„Natuurlijk!” bevestigde professor Piller. „Eere wien eere toekomt! Onze vriend Stiller heeft tot nog toe de zaak netjes opgeknapt, hij moet daarom ook voortaan onze leidsman zijn!”

Met deze woorden schonk hij uit de voor hem staande karaf iets in zijn bokaal, en hield dat onderzoekend onder den neus.

„Hm..... hm.... dat ruikt niet kwaad.... een fijn bouquet.” Voorzichtig nam hij een teug. „Het is wijn, waarachtig!Hetis wijn, eene soortsec, zooiets als sherry, maar veel zachter,” deelde Piller mee, toen hij gedronken had. „Hij is van goede afkomst, doch onze Neckarwijn is beslist zoeter dan deze Marsdrank, maar dat doet er niet toe, hij mag blijven zooals hij is, liever dezen wijn dan geen wijn.”

„Zeg Piller, gij alcoholist, wees blijde dat gij nog wat te drinken krijgt!”

„Wij zijn waarachtig toch niet naar Mars gegaan om wijn te drinken,” riep professor Dubelmeier uit. „Uw eeuwige dorst en uw voortdurend verlangen naar onzen Neckarwijn, hadden voor u eigenlijk een reden moeten zijn om stilletjes op de aarde te blijven!”

„Och wat, gij hartstochtelijke spuitwaterdrinker!” riep Piller nijdig uit.„Wat weet gij van....”

Maar professor Stiller liet den vertoornde niet uitspreken.

Hij stond op. „Mijn waarde vrienden, ik verzoek om rust en vrede, en wensch u allen een recht goeden eetlust bij het aanstaande maal! Laten wij den eersten dronk wijden aan onze behouden aankomst op Mars; de tweede zal ons klein en groot vaderland gelden; die zij gewijd aan Zwaben en aan Duitschland; ik verzoek u uwe bokalen te vullen en mij bescheid te doen!”

„Nu, daar heb ik vrede mee,” zeide Piller, „Stiller is toch waarachtig een verstandige kerel!”

„En nu, mijne vrienden, laat ons plaats nemen!”

Naar het voorbeeld van den grijsaard, klapte professor Stiller in de handen, waarop zeven bedienden binnenkwamen, voor ieder der heeren één. Zij droegen schotels waarop prachtige visschen lagen.

De toorn van Piller verdween, bij het zien van die warme uitlokkende spijzen. Hij en de andere heeren tastten duchtig toe, allen waren het er volkomen over eens, dat de visch uitstekend gesmaakt had. Op de visch volgden eenige eigenaardige maar uiterst smakelijk toebereide meelspijzen, daarna groenten, vruchten en gebak.

Toen het ontbijt wasgeeindigd, vulde Piller zijn bokaal met den fonkelenden wijn, schoof zijn stoel een eindje terug, en stond op.

„Stilte, mijne heeren!”—Het op luiden toon gevoerde opgewonden gesprek der heeren verstomde, en maakte voor eene aandachtige stilte plaats.

„Mijn waarde vrienden en tochtgenooten, ik vervul hiermede een soort van plicht,” begon Piller, maar werd plotseling afgeleid doordat hij van buiten wonderschoone zachte tonen hoorde, die langzamerhand in machtige accoorden overgingen. Dat was eene muziek, een spel zóó plechtig en zóó mooi, dat de heeren stil en bijna onbewegelijk op hunne plaatsen bleven zitten, om toch maar door geen geruisch, hoe gering ook, iets van die aangrijpende tonen te verliezen, die met hun klank hen boven het tegenwoordige schenen te verheffen, tot in de blauwe zaligegewesten van oneindige vreugde. Zacht en stil, een fluisteren gelijk, stierven de tonen langzamerhand weg.

„Zoo worden wij op Mars ontvangen,” riep professor Stiller opgewonden uit, toen de muziek eindelijk zweeg. „Is een schooner en tegelijk verhevener welkom voor ons, hierboven denkbaar, dan dit verrukkelijk snarenspel?”

„Neen, zeker niet!” antwoordden zijne reisgenooten vol enthousiasme. Toen liepen zij naar de vensters van de zaal, om te zien, wie hun dit heerlijk genot had bereid. Het waren twaalf harpspelers, die zich langzaam en waardig met hunne instrumenten van het terras verwijderden.

„Zeg, Piller, dat was zeker een schooner en edeler genot, dan de speech zou geweest zijn, die gij voornemens waart, af te steken,” plaagde Dubelmeier zijn collega.

„Hoe wilt gij weten, wat ik te zeggen had; die speech krijgt gij den een of anderen dag toch te hooren. Maar wees dankbaar, dat de heerlijke muziek, die ik zooeven heb gehoord, mij zoo vredig heeft gestemd, dat ik op uwe provocaties niet zal antwoorden zooals zij dat verdienden,—hoort gij het, onverbeterlijke waterdrinker!”

De heeren lachten over het dispuut der beide reisgenooten, die in weerwil van alle plagerijen, elkander toch zoo hartelijk genegen waren.

Vergezeld van verscheidene eerbiedwaardige mannen, verscheen de grijsaard weder in de deur van de zaal. Er kwam een glimlach op het ernstige,sprekende gelaat van den ouden man, toen hij de zeven vreemdelingen terug zag, die nu, gekleed evenals hij, in eerbiedige houding voor hem stonden.

De grijsaard knikte ter begroeting even met het hoofd, en noodigde de heeren met eene handbeweging uit, hem te volgen. Zij gingen denzelfden weg terug dien zij dien morgen gekomen waren.

„Pas op,” merkte Frommherz bezorgd op, „meteen worden wij weder dadelijk daarheen gestuurd, waar wij vandaan zijn gekomen.”

„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn,” antwoordde professor Stiller, „want in dat geval, zouden wij niet zoo vriendelijk zijn ontvangen!”

Het gezelschap was nu weder op de weide aangekomen, waar de Argonaut nog voor anker lag, en zich bijna onmerkbaar heen en weder bewoog.

De oude beduidde den heeren, dat zij hunne bezittingen uit de gondel te voorschijn zouden halen. Om hun dit aan het verstand te brengen, klom hij met eenige zijner metgezellen langs de touwladder naar de gondel, en bracht daaruit van allerlei mede, dat aan de aardbewoners toebehoorde. Nu begrepen deze, wat hij wilde.

„Ziet gij wel dat ik gelijk had,” riep Stiller zijn collega Frommherz toe, „men komt toch niet heelemaal van de aarde naar zulke vriendelijke en gastvrije menschen, als de Marsbewoners schijnen te zijn, om dadelijk weder rechtsomkeer te maken. Overigens zouden wij, in onzen tegenwoordigentoestand, er onmogelijk aan kunnen denken, om dadelijk de terugreis te aanvaarden.

„Daarvoor beware ons de hemelsche genade altijd,” antwoordde Frommherz, die druk bezig was, zijne bezittingen bij elkaar te zoeken.

Al heel spoedig daarna lag de weinige bagage der Marsreizigers op den grond. De grijsaard bekeek opmerkzaam al de instrumenten, die te voorschijn kwamen, en legde eene bijzondere belangstelling aan den dag voor den verrekijker. Stiller trachtte hem het gebruik er van duidelijk te maken. De oude schudde bij deze stomme verklaringen slechts het hoofd, en wees eindelijk met de rechterhand naar een gebouw in de verte, welks koepelvormig dak den professor nu eerst in het oog viel.

„Daar hebben wij waarachtig hierboven een sterrenwacht, en nog wel vlak bij,” riep Stiller verheugd uit. „Vrienden, daar moeten wij vanavond nog heen, om van daar uit onze Moeder Aarde in de verte als schitterende ster van eerste grootte gade te slaan en te bewonderen!”

Stiller maakte den grijsaard dezen wensch duidelijk. Hij wees eerst naar den hemel, toen naar den kijker, en eindelijk naar den koepel van het gebouw. Daarna nam hij een der groote mede gebrachte hemelkaarten, en vouwde die open. Hij volgde met den wijsvinger van zijn rechter hand de planeten, wier banen om de zon op een afzonderlijk gedeelte van de kaart waren geteekend. De grijsaard begreep hem nu dadelijken knikte toestemmend met het hoofd. De professor trachtte nu ook hem aan het verstand te brengen, waar hij en zijne reisgenooten vandaan waren gekomen. Hij wees daartoe naar eene afbeelding der aarde, daarna volgde hij de daaromheen loopende baan van Mars, wees daarna op die planeet zelf en eindelijk op den ballon.

Een kreet van verbazing ontsnapte aan de lippen van den grijsaard. Hij had professor Stiller volkomen begrepen, en reikte hem voor de eerste maal met woorden, die als een hartelijk welkom klonken, de hand, die deze hartelijk drukte. De grijsaard vertelde aan zijne begeleiders, wat de vreemdeling hem zooeven in gebarentaal had duidelijk gemaakt, en op hun open eerlijke gezichten kwam eene uitdrukking van achting voor de moedige vreemdelingen, die van zóó verre tot hen waren gekomen. De luchtreizigers werden weder teruggebracht naar de woning, waar zij het zich huiselijk begonnen te maken, met de verschillende voorwerpen, die zij uit het vaderland hadden medegebracht.

Het was inmiddels middag geworden, geen lastige nieuwsgierigen hadden hen bij hun arbeid gestoord, en nadat zij hiermede gereed waren, hadden zij zich met een onuitsprekelijk welbehagen op de zachte rustbedden in hunne kamers uitgestrekt, om te genieten van de zoolang ontbeerde weelde eener heerlijke legerstede.

Het was inmiddels etenstijd geworden. Hetging met het middagmaal als met het ontbijt, alleen was het overvloediger.

Reeds wilden de heeren, uiterst voldaan over het hun geschonken culinarisch genot, van tafel opstaan, toen eene nieuwe verrassing hen daarvan deed afzien.

Van het voorplein klonk à capella menschelijk gezang. Het was een lied vol teederheid en diep gevoel. Het was alsof de in tonen omgezette barmhartigheid en menschenliefde zich in de harten der geleerden deed gelden, zóó machtig en zóó krachtig dat zij slechts met moeite hunne ontroering konden bedwingen. Toen het lied geeindigd was, wischten sommigen zich de tranen uit de oogen.

„Daar moet ik eens op drinken,” zeide Piller, terwijl hij zijn glas vulde. „Gevoelsaandoeningen roepen bij mij altijd de behoefte aan eene hartversterking wakker. Kom, Dubelmeier, trek nu niet zoo’n gek gezicht, maar doe liever met mij mee!”

„De hemel beware me er voor, dat ik deze heerlijke genotvolle oogenblikken met alcohol zou ontwijden!”

„Zooals gij wilt, waarde Dubelmeier!” antwoordde Piller tegen zijn gewoonte, bijzonder beminnelijk en zacht.

De heeren verlieten het huis, om genietende van den heerlijken avond, eene wandeling te maken, ten einde den omtrek, waar zij vermoedelijk langeren tijd zouden moeten verblijven, watnader te leeren kennen. Op die wandeling werd het hun hoe langer hoe duidelijker, dat het luchtschip was neergekomen bij eene grootere nederzetting, dan zij aanvankelijk hadden gemeend. Het moest een soort stad zijn, want in weerwil van het geheel, vol tuinen en parken, bewezen de vele huizen, die steeds geheel afzonderlijk stonden, dat hier eene tamelijk dichte bevolking wezen moest. In deze meening werden de heeren nog versterkt, door het groote aantal menschen, die zij nog met het een of ander bezig aantroffen. Niemand was hier werkeloos, maar háást scheen hier niemand te kennen, want alle arbeid geschiedde met eene zekere plechtige kalmte en rust.

Wat stak dit alles weldadig af bij het onrustig drijven der menschen op aarde. Waarheen de geleerden het oog ook wendden, scheen eene zekere gelijkmatig verdeelde welvaart te heerschen. Zelfs betrekkelijke armoede scheen hier onbekend te zijn.

Niet alleen in de huizen, die zóó open waren, dat iedere nieuwsgierige daarin een blik kon werpen, maar ook daarbuiten op alle straten en wegen, heerschte eene bijna overdreven zindelijkheid.

Op hunne wandeling kwamen de heeren ook langs eene breede rivier, die zij dien morgen in de vroegte, reeds vanuit den ballon hadden gezien. Het moest een van de beroemde Marskanalen zijn, want zoo ver ze zien konden, was zij kunstmatig aangelegd, met lijnrechte oevers. Eengroote steenen brug, die op vele pijlers rustte, een meesterwerk van bouwkunst, verbond den eenen oever met den andere. Op Mars scheen alles te staan in het teeken der rust, want zelfs het heldere lichtgroene water in het kanaal stroomde kalm en statig en droeg eene menigte sierlijk gebouwde schepen.

Bij de brug lag een schip, waarop eenige mannen bezig waren platen gekleurd marmer, blokken graniet en suevit te lossen, wat gebeurde met eene gemakkelijkheid, die de zeven Zwaben in stomme verbazing bracht. Zouden de Marsbewoners zich onderscheiden door zulk eene verbazende lichaamskracht, zouden het wellicht een soort Athleten zijn.

„Wat hebben die menschen een prachtig ontwikkelde borstkas, bekijk die eens goed,” met deze woorden wees Piller naar de arbeiders.

„Het is mij van morgen al opgevallen, dat deze menschen zoo mooi gebouwd en zoo breed van schouders zijn. Ook de kinderen onderscheiden zich in dat opzicht van die der aarde.”

„Dat is pas een ras, dat door zuivere kultuur, ijzersterke longen heeft gekregen, en bijna niet vatbaar is voor tering,” ging Piller voort.—Inmiddels was Brummhuber naar de arbeiders gegaan, en had getracht een der marmerplaten op te lichten.

„Het komt mij voor, dat het marmer bijzonder licht is, zou het misschien eene geheel andere soort zijn dan bij ons,” riep hij zijne tochtgenootentoe. Deze kwamen nieuwsgierig geworden nader en onderzochten de steenen.

„Neen, het is uitstekend marmer, bekijk die fijne korrel maar eens, en die zacht gekleurde aderen, die er door heen loopen,” antwoordde Piller, nadat hij den steen aan een zorgvuldig onderzoek had onderworpen.

„En deze prachtige roode steen hier, is van het fijnste suevit, of ik moest in het geheel geen begrip meer hebben van mineralogie,” bracht professor Hämmerle in het midden, die op verschillende plaatsen den steen had beklopt.

„Laten wij eens probeeren om dien steen te lichten!”

„Juist, die schijnt hier boven van minder soortelijk gewicht te zijn dan bij ons. Nu begrijp ik, waarom deze menschen zulke lasten zoo gemakkelijk kunnen opheffen. Hoe komt dat? Weet gij dat misschien, Stiller?”

„De oorzaak ligt mijns inziens in de dichtheid van Mars, die 0,7 van de aarde bedraagt,” antwoordde Stiller.

„Nu begrijp ik ook, waarom heden bij het diner de bokalen en het zilveren tafelgereedschap mij zoo verbazend licht toescheen,” voegde Thudium er aan toe. „Ik had echter geen tijd om hierover na te denken, want de muziek boeide mij te veel!”

„Dat was ook met mij het geval,” bevestigde Stiller.

„En hoe staat het met de dichtheid der Marsatmosfeer?”vroeg Frommherz. „Hierin gevoel ik geen verschil met die van onze vaderlandsche lucht in den zomer. Integendeel, ik adem hier lichter en gevoel mij vroolijker dan daar!”

„De luchtlaag, die deze planeet omgeeft, is aanmerkelijk minder hoog dan die van onze aarde. Denkt u zelf bij ons op eenen berg van middelmatige hoogte, dan zal die ijlere lucht ongeveer overeenkomen met deze. Onze aardbarometers zijn helaas niet zoodanig ingericht, dat wij ze op Mars kunnen gebruiken, om tot absoluut zekere vergelijkingen en conclusiën te kunnen komen,” antwoordde Stiller.

„Doch dat daargelaten, uit uwe woorden kan ik mij volkomen de buitengewone ontwikkeling van de borstkas van onze vrienden op Mars verklaren: de longen zijn overeenkomstig de behoeften. Op dezelfde eenvoudige wijze zullen zich ook wel alle andere eigenaardigheden der Marsbewoners laten verklaren, die wij nog wel eens hier of daar zullen ontmoeten,” hernam Piller, terwijl hij doorliep, en de andere heeren zijn voorbeeld volgden.

„A propos!” vroeg Piller al doorwandelende, „is het u ook niet opgevallen, dat onze Marsbewoners zulke buitengewoon mooie oogen hebben?”

„In grootte en glans, steken zij zeer zeker bij de onze af. Er gaat van de spiegels der ziel dezer Marsbewoners eene buitengewone schittering uit.”

„Juist gezien, Stiller! Ik heb nog nooit zulk eene prachtig blauwe iris gezien; het is de ideaal-kleur voor een edel oog, en dan dat weelderige krullende haar! Het zijn ware Zeus- en Junogestalten! Frommherz had vandaag gelijk met zijne vergelijking.”

„Niet waar?” riep deze uit, verheugd over die opmerking. „De Marsbewoners schijnen mij zoowel lichamelijk als geestelijk, hoogstaande menschen te zijn.”

„Voor deze streek schijnt uw oordeel juist te zijn, afgaande op hetgeen wij heden hebben ondervonden,” hernam Stiller.

Daar de zon was ondergegaan, besloten de heeren uit Zwaben, voor heden hunne wandeling te staken, en terug te keeren naar hun tehuis, waar zij het bezoek wilden afwachten van den grijsaard, die hen naar de sterrenwacht brengen zou. Zij waren nog onderweg, toen de nacht zijne donkere vleugels over het landschap begon uit te spreiden. In het oosten werd het al lichter en lichter. De Maan kwam op en wierp haar zilver licht over de stille, vredige landstreek.

„Dat is de groote Marsmaan, Deimos genaamd, die daar schijnt,” verklaarde professor Stiller aan zijne tochtgenooten. „Over eenige oogenblikken zult ge den tweeden wachter van Mars zien, waarmede wij den vorigen nacht, gelukkig slechts in zeer oppervlakkige aanraking zijn geweest.”

Juist, daar daagde ook de kleine Phoebus aan den horizont op.

„Welk een prachtig schouwspel!” riep Stiller verrukt uit. „Waarlijk de Marsbewoners hebben ’s nachts geen kunstverlichting noodig! Zij hebben niet alleen iederen nacht helderen maneschijn, maar worden behalve dat, nog door twee schitterende hemellichamen beschenen.”

„Dat is zeker, Mars is eene merkwaardige planeet,” merkte Piller op, terwijl hij een oogenblik staan bleef om te kijken naar de beide wachters, die een licht verspreidden dat bijna gelijk stond met daglicht, en dat prachtige schaduwen te voorschijn riep.

„Het is alsof een sprookje werkelijkheid is geworden. Dat zou voor u weder eene prachtige reden zijn om te drinken, Piller!” spotte Dubelmeier.

„Wel ja, waarom niet, oude jongen, waarom niet! Te oordeelen naar alles wat wij vandaag gezien hebben, geloof ik dat er op Mars nog veel zal te bewonderen zijn, en de aanleidingen tot drinken tot een bedenkelijk aantal zullen stijgen. Mijn lijfspreuk echter is die van den ouden Griekschen wijsgeer: van niets te veel!”

Dubelmeier lachte.

„Lach toch niet zoo dwaas, gij watersnip, en volg zelf liever ook zijn voorbeeld met uwe overdreven waterdrinkerij! Dat is een goede raad, dien ik u als dokter geef.”

„De manen hier, komen mij aanmerkelijk grooter voor, dan bijvoorbeeld onze wachter daar beneden,” merkte Frommherz op, met dezewoorden een einde makende aan de stilte, die na Pillers laatste woorden was ontstaan.

„Dat is maar gezichtsbedrog, mijn waarde,” verklaarde Stiller, „de manen van Mars zijn aanmerkelijk kleiner dan de maan van onze aarde, maar ze staan veel dichter bij de hoofdplaneet dan dit bij onze maan het geval is. Phoebus is van Mars slechts 9000 kilometers, en de groote Deimos niet meer dan ongeveer 23.520 kilometers verwijderd. Daardoor komt het, dat deze wachters van Mars zoo ontzettend groot schijnen.”

Onder deze gesprekken waren de heeren bij hun vorstelijk verblijf aangekomen. Daar wachtte hen reeds hun opmerkzame gastheer, van wien zij dien dag reeds zooveel goeds en vriendelijks hadden ondervonden. De hooge gestalte van den grijsaard, scheen hun in den maneschijn nog statiger dan bij daglicht, het lange golvende grijze haar nog meer zilverachtig en glanzend.

„Ziet hij er niet uit als een Patriarch uit den joodschen tijd, toen eenvoud en reinheid van zeden, de schoonste deugden des volks waren?” vroeg professor Stiller zachtjes aan zijn collega Frommherz.

„Waarachtig, gij hebt gelijk! Laten wij onzen ouden heer, wiens naam wij nog niet kennen eenvoudig Patriarch noemen. Die naam past uitstekend voor hem, temeer waar hij ons heden in zijn vaderlijke bescherming heeft genomen.”

Na eene korte stomme begroeting, geleiddede grijsaard de zonen der aarde, naar het huis met het koepeldak. De weg daarheen voerde door een soort bosch met hooge goed verzorgde boomen, op wier donkergroene, glanzende bladeren, de trillende stralen der maan hun grillig spel dreven. Millioenen van lichtgevende kevertjes gonsden in de zoele nachtlucht onder de boomen, en de blauwe schijn van deze zich snel bewegende diertjes gaf den indruk van snel ronddraaiende sterretjes. Lustig kabbelende beekjes, wier oevers door sierlijke bruggen waren verbonden, kruisten den weg.

De eigenaardige schoone wandeling had ongeveer een uur geduurd. Het in den vorm eener rotonde opgetrokken gebouw, was beneden versierd met eene rij borstbeelden op rood marmeren zuilen. Zij schenen de mannen voor te stellen, die hier in het observatorium hadden gewerkt. Breede trappen voerden naar het eigenlijke observatorium waar eenige mannen reeds in hunne stille studie verdiept waren. De patriarch moest reeds met hen gesproken hebben, want zoodra de vreemdelingen binnentraden, stonden zij op, en noodigden met eene vriendelijke handbeweging deze uit, hunne plaatsen in te nemen.

Stiller was verrast over de grootsche pracht der geheele inrichting. Hoe armzalig leek hem, hierbij vergeleken, zijne eigen sterrenwacht, daarginds op de Bopserhoogte bij Stuttgart! Hij trad op een der reuzentelescopen toe, onderzocht hem even, en moest erkennen, dat de lenzen aanscherpte niets te wenschen overlieten, ja zelfs alles overtroffen wat hij tot dusver van dien aard had leeren kennen. Wat een rijkdom van verstand, moest hier op Mars vertegenwoordigd zijn, om zulk fijn optisch werk, dat op zeer wetenschappelijke nauwkeurige berekeningen berustte, te kunnen uitvoeren.

De professor sloeg opmerkzaam den hemel gade. Hier en daar ontwaardde hij hem bekende sterrenbeelden en sterren, ver in het westen stond een opvallend groote rood schitterende ster, die in hooge mate de aandacht van den professor trok. Dat kon slechts eene planeet zijn, die daar fonkelend in het onmetelijk hemelruim zweefde; wellicht was het, de opvallende nabijheid in aanmerking genomen, de aarde wel. Hij stelde daarom den reuzenkijker zeer nauwkeurig in. Het vermoeden van professor Stiller bleek juist te zijn. Dank zij de voortreffelijke scherpe lenzen, en de reinheid van de Marsatmosfeer, herkende hij duidelijk Moeder Aarde. Hij kon de verschillende zeeën en werelddeelen onderscheiden. Van den Noordpool zuidwaarts gaande, was het zelfs mogelijk de omtrekken van enkele landen langs de IJszee, en langs den Atlantischen Oceaan vast te stellen, en daar, ja, daar had hij het, wat nu in den kijker duidelijk zichtbaar was, daar moest zijn vaderland, daar moest, naar den omtrek te oordeelen, Duitschland liggen.

Vroolijk opgewonden, deelde Stiller de gedane waarneming aan zijne reisgenooten mede, ennoodigde hen uit, door den kijker een blik te werpen op het verre, dierbare vaderland.

De een na den ander gaf aan deze uitnoodiging gehoor.

„Het is ongeloofelijk, maar waar! Dit vergezicht is inderdaad eenig in zijn soort! Voor de eerste maal zien wij op verren, verren afstand de aarde en ons vaderland!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.

„Dat gezicht is werkelijk grootsch!” zeide Thudium.

„Dat is het,” bevestigde Piller.

De sterrenkundigen van Mars en de patriarch keken ook beurtelings door den telescoop. Zij wisten immers reeds, vanwaar die zonderlinge vreemdelingen in den vroegen morgen gekomen waren, en konden uit hunne opgewondenheid bij het gadeslaan van een bepaald deel der verwijderde planeet, wel opmaken, dat het deel, dat zich op het oogenblik in het gezichtsveld van den telescoop bevond, het vaderland der gasten zijn moest.

„Het is verbazend jammer, dat wij niet met onze collega’s kunnen spreken! Wat zou dat een leerzaam onderhoud zijn!” zei Stiller tot zijne metgezellen, toen zij na een stommen groet het observatorium verlieten.

„In de eerste plaats moeten wij zoo spoedig mogelijk de taal der Marsbewoners leeren. Die te kennen is voor ons onderzoekingswerk de „conditio sine qua non,” sprak Hämmerle.

„Dat is een waar woord, heer taalgeleerde!” liet Piller er op volgen, en ook de andere heeren knikten toestemmend.

De beide wachters van Mars stonden als volle manen aan den hemel, toen de heeren huiswaarts gingen. Als twee geweldige lichtgevende bollen, zweefden zij in het luchtruim en wierpen hun zilver licht over het stille landschap. Terwijl Phoebus, de dichtst bijzijnde en kleinere maan, zich snel van het Westen naar het Oosten bewoog, trok de grootere verder verwijderde Deimos, die minder haastig was dan haar gezellin, kalm en statig in omgekeerde richting. Het was een schouwspel, zóó wonderschoon, zóó eenig in zijn soort, dat de zonen der aarde in luide bewoordingen lucht gaven aan hunne bewondering over dien betooverenden nacht. Langzaam wandelden zij naar huis, en genoten met volle teugen van de wonderen van een nacht op Mars.


Back to IndexNext