HOOFDSTUK X.

HOOFDSTUK X.IN HET VADERLAND.De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het stationHazenbergaan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig is gelegen.Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof, de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in den omtrek.Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein, toen hij ’s middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den muziekdirecteurKlingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden, en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.Men nam in de electrische automobielen plaats.In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen getooide stad.In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen; daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe, grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars, eenig in haar soort, niet alleen hunne namenonsterfelijk gemaakt, maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie en de verschillende data zouden worden gegrift.Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering, overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis waren gegraveerd.Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen, beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het schitterend gezelschap toe te spreken.„Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten, dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingentegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.„En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen, dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek, waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners,kregen wij ook meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.„Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.„Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd, we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.„Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft weggezonden,—geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk van Mars geen enkelen dienst, van welkenaard ook, konden bewijzen, en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid, was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde, naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.„Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten, hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons bezoek aan die planeet.„Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars, in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben ter ruste gelegd.”Stiller verliet het podium.Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd, en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met spreken ophield.Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven?In de beklemmende stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.—Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij hadden beter gedaan met thuis te blijven.Dat was hetoordeelvan velen dergenen, die eerst laat in den nacht van het feest huiswaarts keerden.

HOOFDSTUK X.IN HET VADERLAND.De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het stationHazenbergaan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig is gelegen.Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof, de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in den omtrek.Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein, toen hij ’s middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den muziekdirecteurKlingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden, en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.Men nam in de electrische automobielen plaats.In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen getooide stad.In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen; daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe, grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars, eenig in haar soort, niet alleen hunne namenonsterfelijk gemaakt, maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie en de verschillende data zouden worden gegrift.Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering, overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis waren gegraveerd.Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen, beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het schitterend gezelschap toe te spreken.„Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten, dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingentegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.„En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen, dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek, waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners,kregen wij ook meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.„Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.„Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd, we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.„Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft weggezonden,—geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk van Mars geen enkelen dienst, van welkenaard ook, konden bewijzen, en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid, was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde, naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.„Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten, hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons bezoek aan die planeet.„Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars, in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben ter ruste gelegd.”Stiller verliet het podium.Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd, en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met spreken ophield.Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven?In de beklemmende stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.—Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij hadden beter gedaan met thuis te blijven.Dat was hetoordeelvan velen dergenen, die eerst laat in den nacht van het feest huiswaarts keerden.

HOOFDSTUK X.IN HET VADERLAND.

De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het stationHazenbergaan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig is gelegen.Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof, de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in den omtrek.Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein, toen hij ’s middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den muziekdirecteurKlingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden, en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.Men nam in de electrische automobielen plaats.In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen getooide stad.In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen; daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe, grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars, eenig in haar soort, niet alleen hunne namenonsterfelijk gemaakt, maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie en de verschillende data zouden worden gegrift.Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering, overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis waren gegraveerd.Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen, beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het schitterend gezelschap toe te spreken.„Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten, dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingentegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.„En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen, dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek, waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners,kregen wij ook meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.„Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.„Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd, we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.„Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft weggezonden,—geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk van Mars geen enkelen dienst, van welkenaard ook, konden bewijzen, en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid, was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde, naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.„Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten, hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons bezoek aan die planeet.„Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars, in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben ter ruste gelegd.”Stiller verliet het podium.Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd, en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met spreken ophield.Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven?In de beklemmende stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.—Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij hadden beter gedaan met thuis te blijven.Dat was hetoordeelvan velen dergenen, die eerst laat in den nacht van het feest huiswaarts keerden.

De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het stationHazenbergaan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig is gelegen.

Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof, de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.

Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in den omtrek.

Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein, toen hij ’s middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den muziekdirecteurKlingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden, en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.

Men nam in de electrische automobielen plaats.

In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen getooide stad.

In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen; daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.

In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe, grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.

In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.

De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars, eenig in haar soort, niet alleen hunne namenonsterfelijk gemaakt, maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie en de verschillende data zouden worden gegrift.

Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering, overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis waren gegraveerd.

Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.

Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen, beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het schitterend gezelschap toe te spreken.

„Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten, dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingentegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.

„En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen, dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek, waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners,kregen wij ook meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.

„Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.

„Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd, we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.

„Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft weggezonden,—geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk van Mars geen enkelen dienst, van welkenaard ook, konden bewijzen, en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid, was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde, naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.

„Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten, hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons bezoek aan die planeet.

„Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars, in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben ter ruste gelegd.”

Stiller verliet het podium.

Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd, en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met spreken ophield.

Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!

Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven?In de beklemmende stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.—

Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij hadden beter gedaan met thuis te blijven.

Dat was hetoordeelvan velen dergenen, die eerst laat in den nacht van het feest huiswaarts keerden.


Back to IndexNext