HOOFDSTUK IX.

decoratieve illustratie

„Lizzy, Lizzy, waar blijf je toch! We wachten al een uur op je,” klinkt gedempt Eefs stem onder aan de trap.

„'k Ben er al,” roep ik terug, met 'n zwaai 'n bonten cape-je werpend over m'n nieuwe zwarte japon, die ik vanmiddag ter eere van 't kerstmaal bij onze buren, voor 't eerst draag. 'n Muts heb ik al op; in 'n oogwenk is 't licht uit en ren ik de trappen af.

„Stil, stil, denk aan 't kind. Ze slaapt net,” waarschuwt Eef, want 't kleintje, hoewel meegevraagd, blijft onder de hoede van ons tweede meisje thuis, dan zal Eef 't na afloop van 't diner zelf even komen uitkleeden en naar bed brengen. Dat is voor alle partijen gemakkelijker en rustiger.

Moeder en Herman staan al in de open voordeur.

„Wat ben je weer op je teut! We wisten niet waar je bleef,” zegt Flip, terwijl we achter elkaar 't huis verlaten en 't hekje bij de van Slootens doorgaan.

„M'n haar wou niet goed zitten, en toen heb ik't nog 's overgedaan,” zeg ik, voelend, dat ik toch iets tot m'n verdediging moet aanvoeren, want ik heb geruimen tijd boven doorgebracht, al kon ik ditmaal aan m'n toilet al heel weinig tijd en zorg besteden.

Voor niets ter wereld zou ik willen bekennen wat de werkelijke reden van m'n laat-zijn is! Zelfs moeder zou me uitlachen, en eigenlijk begrijp ik zelf niet, hoe ik zoo dwaas kwam, maar voor ik me ging aankleeden scharrelde ik in m'n linnenkastje, waar ik uit m'n oude handschoenendoos 'n ceintuurspeld wou opdiepen, die ik noodig had en dadelijk vond. In diezelfde doos tusschen allerlei reliquieën lag echter ook 't kleine zilveren ringetje, dat ik vroeger van Huib kreeg en ik kon ineens de verzoeking niet weerstaan 't even aan te doen. 't Paste net aan m'n pink; 't ging zelfs nogal stroef, maar ik schoof 't er toch aan en toen wilde 't er niet meer af......

'k Was wanhopig. Ik kon dat kinderringetje toch niet aanhouden! Als 't opviel—en daar was aan 'n diner heel veel kans op—zou ik me doodschamen, want natuurlijk zouden ze 't herkennen. Ik droeg 't vroeger altijd; heb zelfs nooit 'n anderen ring bezeten. Ik schold mezelf uit voor eend en ezel, rukte en trok tot m'n pink vuurrood zag, hield m'n hand in de hoogte om m'n vinger dunnerte krijgen, maar niets baatte en in vertwijfeling greep ik toen naar de nagelschaar en knipte 't door......

't Ging me aan 't hart van „le cher anneau d'argent,” maar 't was 't eenige wat er op zat. De tijd drong bovendien. 't Is heusch 'n wonder, dat ik zoo gauw klaar was met m'n toilet! Geteut heb ik allerminst! Ik gloei van 't jachten en ben nog half buiten adem van den doorgestanen schrik en die zonderlinge emotie, als we bij de van Slootens op de stoep staan.

Herman belt en Flip neuriet van:

„Vol verwachting klopt ons hart,” geheel onbewust van 't zeer toepasselijke van dit meer dan afgezaagde Sinterklaaslied, tenminste watmijn hartbetreft!

Moeder geeft me ongemerkt 'n hartelijk kneepje in m'n arm. Zij is de eenige, die vermoedt wat er in mij omgaat, maar ik houd me taai en knik haar even gerustellend toe, terwijl we in de vestibule ons goed afdoen.

Láf vind ik mezelf, om op te zien tegen dit kerstdiner, waarnaar ik zóó verlangd heb.

Toch tril ik 'n beetje, als we in den salon gelaten worden, waar de gastheer en gastvrouw met hun drie zoons bijeen zijn om den helder opvlammenden haard, waarin groote houtblokken knetteren.

Hartelijk worden we begroet.

In Huibs blauwe oogen flitst even iets. Ik sla de mijne neer, terwijl ik hem 'n hand geef, begin dan gauw 'n gesprek met Leo, die naar Eefje vraagt.

We zijn nog niet uitgepraat, als de schuifdeuren geopend worden en we naar tafel gaan.

Meneer van Slooten met moeder, Herman met mevrouw, Huib.... met Eef en ik met Leo. Flip en Bernard ook gearmd, besluiten den optocht.

De ronde tafel, waaraan ik al menig klein dinertje heb meegemaakt—als er veel menschen zijn, staat er 'n lange smalle—prijkt met 'n aardige en smaakvolle versiering van hulst en mistletoe, waartusschen kaarsen branden in mooie ouderwetsche kandelaars van gedreven zilver en verder in de kamer op 't buffet, den schoorsteen, en boven de lijsten der schilderijen glanzen de vroolijke roode hulstbessen en de bescheiden witte van de mistletoe, die ik bijna nog mooier vind. 't Is 'n feestelijke aanblik.

„Net 'n Engelsch kerstplaatje,” zegt Herman, terwijl we gaan zitten.

„Waarom Engelsch? Net zoo goed Hollandsch!” roept Eef.

„Weet je nog wel, 'n jaar of drie geleden, toen je hier een van de kerstdagen voor 't eerstkwam met je aanstaanden man?” vraagt mevrouw haar.

„Nou, of ze het nog weten,” en meneer van Slooten wijst veelbeteekenend naar 'n hoekje bij den schoorsteen, „daarunder the mistletoe, hé! Voor jonge menschen is kerstmis eigenlijk net zoo geschikt als dewunderschöne Monat Mai. Dat heb ik tóen gemerkt,” plaagt hij, en Eef en Herman zien elkaar lachend aan.

Ik verbeeld me, dat Huib, die naast me zit, kleurt, maar heel zeker weet ik 't niet. Ik kan hem alleen van terzijde zien en durf hem niet goed waarnemen, hoewel m'n eigen wangen al zóó gloeien, dat ik niet bij machte ben er nog 'n kleur overheen te krijgen. 't Is hier ook zoo warm!

„Help me onthouden, Lizzy, dat ik je na tafel 't cadeautje geef, dat ik uit Hamburg voor je heb meegebracht. Je verdient 't, want je ziet eruitstekenduit,” zegt Huib 'n oogenblik later zacht en er licht iets plagends in z'n oogen.

„Graag, hoor. 'k Ben erg benieuwd,” antwoord ik zoo gewoon mogelijk, „want ik ben overtuigd dat mijn uitzicht meer dan welvarend is.”

Verder zeggen we niet veel tegen elkaar. Af en toe heeft hij 't eens over Hamburg en vertelt tot m'n schrik, dat hij er misschien gauw wéér voor'n poosje heen zal moeten, maar 't meest praat hij met Eef en ik met Leo, die aan m'n anderen kant zit en erg spraakzaam is en met Bernard, die zich zeer gewichtig voelt in z'n ambt van voorsnijder en met bewonderenswaardige handigheid den kalkoen weet te ontleden, totdat er onverhoeds 'n stuk van de vork afglijdt en hij zichzelf en 't tafellaken vol jus spat.

Ik moet onbedaarlijk lachen; ik zou om álles kunnen gieren, geloof ik, maar dan beheersch ik me en verschik de tafelversiering wat over de jusvlekken, terwijl hij met z'n servet de spatten van z'n jas tracht te verwijderen.

„Als ik niet zoo ver van je af zat, zou ik je net als 'n klein jongetje afvegen, maar nu moet je jezelf maar redden”, plaagt mevrouw van Slooten haar jongsten zoon, die zich echter niet veel van 't ongeluk aantrekt, maar mij verzekert, dat hij zich op me wreken zal, zoo gauw hij in de gelegenheid is, omdat ik hem zoo heb zitten uitlachen.

En die gelegenheid heeft hij helaas gauw genoeg! Ik heb namelijk de noodlottige gewoonte om als ik pantoffels oflage schoentjesaan heb, zooals nu, daar aldoor mee te zitten balanceeren. Vooral als ze wat wijd zijn, kan ik niet nalaten er af en toe eens in en uit te wippen en ook nu, terwijlmeneer van Slooten me iets heel ingewikkelds over vliegmachines zit uit te leggen, betrap ik m'n voeten op 't spelletje, dat ze weer onder tafel aan 't spelen zijn. Net als onze gastheer heeft uitverteld, er even 'n algemeene pauze ontstaat en Léo zeer origineel opmerkt:

„Daar gaat 'n dominé voorbij”, glijdt met 'n plof m'n linkerschoen tegen den tafelpoot!

Iedereen begrijpt wat er gebeurt. Moeder kijkt me afkeurend aan en ik wil 't dierbaar pand juist behendig met de punt van m'n voet weer oppikken, als Bernard zich bukt en onder algemeen gelach met mijn schoen opduikt.

„Mooi zoo, Lizzy, die mag ik zeker wel alsdoux souveniraan dit onvergetelijke kerstmaal bewaren! Och, och, wat 'n lieve voetjes heeft dat buurmeisje van ons,” en hij bekijkt den schoen, die volstrekt niet klein is, aan alle kanten. Ik schaam me diep. Huib en Leo naast me schudden.

„Geef hier. Toe, geef nou hier,” smeek ik, maar Bernard is er niet toe te bewegen en gaat er op zitten, zoo gauw de meid met de brandende plum-pudding binnenkomt. Leentje heeft 't toch gezien of begrepen; er speelt tenminste 'n lacherig trekje om haar mond. Onuitstaanbaar vind ik 't, maar'kzal net doen of 't me niet schelen kan, erniet meer om vragen en m'n dwaas figuur zooveel mogelijk zien te redden door druk te praten, en ik begin op mijn beurt tegen meneer van Slooten, die 'n groot kunstliefhebber is, over 'n schilderijententoonstelling hier in de stad, waar ik met Flip en Emmy van der Marck geweest ben. Meneer van Slooten heeft medelijden met m'n hachelijken toestand en helpt me heel goedig door oplettend te luisteren en me dan eenige bizonderheden te vertellen van 'n schilder, dien hij persoonlijk kent en die ook 'n paar schilderijen heeft ingezonden, waarvan er een verkocht is. 't Kan me niets schelen, maar ik veins zoo'n levendige belangstelling in dien mij gansch onbekenden man, dat Bernard er heelemaal de dupe van is en me na tafel, als ik me op één schoen en één kous naar den salon begeven wil, waar we de koffie zullen gebruiken met 'n: „Nou zou je 'n zeker iets nog hier laten liggen,” mij mijn eigendom met 'n diepe buiging aanbiedt, en ik me dus weer „fatsoenlijk gelaarsd en gespoord”, zooals Herman opmerkt, bewegen kan.

Eef vraagt verlof om 't kleintje te gaan helpen en verdwijnt van 't tooneel. De heeren, plotseling in de politiek verdiept, staan allen bij elkander, behalve Huib, die met z'n kopje in de hand naast me komt staan.

„Wil jij geen koffie?” en hij ziet me zoo innig aan, alsof hij iets heel bizonders vroeg.

„Nee,” zeg ik zacht. Ik zou niets meer naar binnen kunnen krijgen, nu ik voel, dat 't oogenblik, waarnaar ik zóó verlangd heb, genaderd is.

Hij zegt niets, staat stil naast m'n stoel in z'n kopje te roeren, zet 't dan afgetrokken neer, zonder 't uit te drinken, maar als zijn vader de heeren verzoekt mee te gaan rooken, legt Huib vastberaden z'n hand op de leuning.

„Ga je nu even mee naar m'n kamer? Dan zal ik je 't presentje uit Hamburg geven!”

„Ja goed,” zeg ik opstaande en hem volgend, bevend op m'n beenen, terwijl moeder en mevrouw van Slooten alleen bij den zacht knetterenden haard achterblijven.

Ik kijk niet om, maar ik wéét dat zijn moeder net zoo goed als de mijne begrijpt, wat er gebeuren gaat.... Zou Huib 't ook verteld hebben?..

Zwijgend loopen we achter elkaar de trap op naar zijn kamer, waar 't licht brandt en de kachel gloeit. 't Is 'n klein, vierkant vertrek, rood behangen met gordijnen in dezelfde warm-roode tint. 'n Schrijftafel vol portretten, waaronder ik dadelijk 't bewuste kiekje in 't Parijsche lijstje opmerk, en 'n eikenhouten boekenkast zijn er de voornaamste meubelen. 'n Paar etsen en 'n rekjemet oud-blauwe bordjes hangen aan den muur. Op den schoorsteen staat de kleine wit-marmeren pendule gejaagd te tikken tusschen twee antieke tinnen kannen. In één er van is 'n reuzenbos hulst en mistletoe geschikt.

„Dat is in lang niet gebeurd, dat we hier samen waren, hè Lizzy?”

„Nee, ik geloof met die gedichten voor Bé's bruiloft 't laatst. Weet je nog wel dat souper boven bij ons in den salon, dien avond van de vertooningen?” Ik zie Huib vol aan, volkomen rustig nu we samen zijn.

„Zoo fleurig als alles toen was bij jullie! Wie had kunnen denken, dat 't zoo gauw veranderen zou!”

„Nee, we dachten aan niets dan aan vroolijke dingen en toch was 't verdriet al zóó dichtbij. Ik kan me niet begrijpen, dat 't nog maar zoo kort geleden is! Zoo ontzettend veel als er in die enkele maanden gebeurd is,” en onwillekeurig ril ik en houd m'n handen dichter bij 't vuur.

„Heb je 't koud? Toe, ga even zitten,” en hij schuift 'n lagen, makkelijken stoel bij de kachel, duwt er me zacht in en gaat dan in z'n boekenkast scharrelen.

„Hier,” zegt hij, 'n klein pakje voor me op tafel leggend, „dat had ik je toegedacht. Ik hoop niet,dat je 't kinderachtig vindt, maar ik hou zelf zoo van de sprookjes van Andersen, dat ik niet kon nalaten dit Duitsche exemplaartje voor je te koopen!”

„O Huib, hoe lief van je! Wat ben ik dáár blij mee,” en ik bewonder 't fijne, zeer smaakvol ingebonden en geïllustreerde boekje, blader er in met sidderende vingers. „Dank je wel hoor,” en ik steek hem m'n hand toe, die hij grijpt in zijn beide handen en vasthoudt.

Ik zie naar hem op, even maar......

Dan buig ik 't hoofd, kijk strak naar 't boekje in m'n schoot. Nu is 't gekomen, nu gaat hij 't zeggen...... Mijn hand trilt in zijn handen.

„Lizzy, o als je 's wist, hóe ik naar je verlangd heb! Hoe ongerust ik over je geweest ben toen ze me schreven, dat je ziek was! O, ik heb zulke vreeselijke dagen gehad daar in Hamburg! Zóó ver van je vandaan! Als moeder niet geschreven had, dat je werkelijk buiten levensgevaar was, was ik teruggekomen, zoo zeker als ik hier voor je sta. En nuwilik 't weten, vóór ik er misschien weer heen moet, al is 't dan ook pas over veertien dagen en voor korter tijd! Toe, zeg me ronduit Lizzy, geef je om me? Zou je van mij kunnen houden, zooals ik nu van jou hou? Toe, zeg 't me!”

De sprookjes van Andersen glijden op dengrond...... Ik sta op, sla m'n armen om z'n hals en fluister bevend:

„Ja, Huib, ik hou van je.”

Wat er verder gebeurde zou ik niet goed onder woorden kunnen brengen, om de eenvoudige reden, dat er voor zóó'n geluk als 't onze geen woorden bestaan, maar we schrikten vreeselijk, Huib en ik, toen er geklopt werd en Leentje dood-nuchter met de boodschap aankwam: of meneer Huib en de juffrouw toch alsjeblieft beneden kwamen theedrinken!

Ik stóóf op zij, doch „meneer Huib” draaide met groote tegenwoordigheid van geest 't licht uit en antwoordde:

„Goed Leentje, we komen.”Maar we kwamen nog niet. Proestend stonden we in 't donker. We konden haast niet tot bedaren komen. Telkens maakten we elkaar weer aan den gang.

„Schei er nou uit, Huib,” smeekte ik, en dan hij weer:

„Lizzy, hou op. Nou moet 't gedaan zijn, of ik ga Leentje halen,” en dan gierden we 't weer allebei uit.

Toen hoorden we werkelijk voor de tweede maal iemand de trap opkomen en dat kalmeerde ons voor goed.

„Kom nu,” zei Huib en hand in hand traden we op 't portaal.

„Zoo, zijn jullie daar eindelijk. We begrepen niet waar jullie bleven,” en Léo zag ons even met bevreemding aan, lachte en liet ons toen passeeren. We zeiden niets vóór we in den salon terug waren. Aller blikken werden op ons gevestigd toen we midden onder de gastkroon staan bleven en Huib duidelijk, maar toch met trillende stem zei:

„Mag ik hier aan alle aanwezigen mijn aanstaande vrouw voorstellen!”

Eén oogenblik was 't doodstil; daarop barstten de gelukwenschen los en verdrong iedereen zich om ons. Ik viel lachend en schreiend tegelijk moeder om den hals, werd toen door meneer en mevrouw van Slooten meegetrokken naar de andere kamer onder de mistletoe, waar ieder van z'n privilege gebruik maakte en ik zoo gekust werd, dat m'n wangen nog meer gingen gloeien, tot groot plezier van Eef en Herman, die 't meest verrast bleken, want de anderen verzekerden allemaal,„dat ze 't wel hadden zien aankomen.”

't Was 'n onbeschrijfelijke herrie. Léo haalde Champagne, en Flip en Bernard zetten 'n „lang zullen ze leven” in, tot meneer van Slooten met z'n glas in de hand ons begon toe te spreken, eenvoudig en hartelijk.

Hij hoopte dat moeder, hoewel er nog niet officieel om haar toestemming gevraagd was, net zoo ingenomen zou zijn met haar aanstaanden schoonzoon, als hij en zijn vrouw 't waren met hun aanstaande schoondochter, die ze al zóóveel jaren kenden, dat 't hun niet moeielijk zou vallen, haar als een eigen dochter in hun kring op te nemen. Wel waren we allebei nog erg jong, zoodat er van trouwplannen vooreerst nog wel niets zou komen, maar dat jong-zijn was 'n kwaal, die er met den dag op verbeterde! Wij hadden zooveel jeugdherinneringen samen en zoo ruimschoots de gelegenheid gehad elkaar te leeren kennen, dat hij geen vrees koesterde voor 'n verbintenis als de onze, die uit geen enkele andere overweging kón zijn voortgekomen, dan uit wederzijdsche zuivere genegenheid, waar 't ten slotte toch eigenlijk alleen op aankwam en na onze handen plechtig in elkaar gelegd te hebben, hief hij z'n glas op om te drinken op ons geluk, waarin ze zich allen oprecht verheugden.

't Klonk zoo spontaan, zoo echt hartelijk-gemeend, dat we allen onder den indruk waren en bléven tot er afscheid genomen werd.

„Mag ik morgen en alle verdere dagen, die ik nog in de stad ben, vroeg komen en héél lang blijven, om zooveel mogelijk aan m'n meisje tehebben, mevrouw,” vroeg Huib zich naar moeder overbuigend.

„Natuurlijk, beste jongen. Je zult altijd welkom zijn,” en moeder kuste hem, zooals ze 't Flip gedaan zou hebben......

Nu, Huib houdt haar wel aan haar woord!

's Morgens, soms onder 't ontbijt al, hoor ik z'n fluitje en komt hij over 't hekje klimmen, waarna ik natuurlijk onmiddellijk overeind vlieg en de serre-deuren open om hem binnen te laten, hoewel Flip beweert, dat dat engagement van mij hem nog stijf van de rheumathiek zal maken, tenminste als ik hem de heele vacantie door zoo op den tocht zet. Maar zoo'n vaart zal 't wel niet loopen.

Hij dreigt ons, dat hij zich ter vertroosting nu misschien ook maar gauw 'n meisje zal aanschaffen, want in de rol van „overgeschoten brokje” heeft hij geen zin. 't Wordt wél tijd voor hem, vinden we!

„Al bijna meerderjarig man en nòg niets in 't zicht”, plaagt Max hem. Maar dan krabbelt Flip terug, zegt, dat de tijden zoo verbasteren en dat hij 't laatste jaar eigenlijk geen enkel aardig meisje ontmoet heeft en er niet willens en wetens, zooals Huib en de zwagers, wil invliegen. Zijn vrijheid is hem toch wel veel waard, en dan neemt hij zichvoor, zich voorloopig nog maar met moeder tevreden te stellen en verlaat ons met 'n:

„En amuseeren jullie je nou maar verder met de sprookjes van Andersen!”

Die sprookjes van Andersen! Daar moeten Huib en ik wat van hooren! We zouden ze samen lezen en ze liggen dan ook altijd klaar met 'n keurig linnen omslagje om 't teere bandje, zoodat er niets aan kan komen, maar we hebben elkaar zooveel te vertellen, dat we tot nog toe geen gelegenheid tot lezen konden vinden....

Ons engagement is publiek. Er was geen enkele reden 't langer geheim te houden. Natuurlijk is er geen receptie. De kaartjes zijn eergisteren in zee gegaan en de eerste visites bij de zusters en zwagers en bij tante Suze hebben we gemaakt.

Ada, Roosje en Emmy van der Marck kwamen ons feliciteeren, evenals nicht Georgine en de Verhooghjes, die 't al wisten vóór ze de kaartjes kregen!!

We zijn zoo gelukkig! 't Is nu alles zoo rustig, zoo heerlijk vertrouwd tusschen Huib en mij....

Ik heb hem gezegd wat 'n verdriet ik gehad heb om die praatjes over hem en Annie Westenbergh. Hoe vreeselijk jaloersch ik was en hoe lang, hoe héél lang ik al van hem hou. Die jaloezie vond hij wel niet mooi, maar eigenlijk heeft hij erme nu des te liever om. „'t Streelt m'n ijdelheid”, plaagt hij.

't Kapotte ringetje, waarvan ik hem vertelde, heb ik hem op z'n dringend verzoek teruggegeven. Hij wou 't zóó graag hebben en we dragen nu toch ieder 'n echten verlovingsring, dus stond ik 't hem maar af, overtuigd dat 't bij hem goed bewaard is.

Nu weet ik ook, dat hij me al had willen vragen vóór hij naar Hamburg ging. 't Viel hem hard zoo lang en zoo ver weg te moeten en geen volkomen zekerheid te hebben, of ik van hem hield en op hem wilde wachten. Maar hij durfde niets zeggen, omdat ik pas zoo'n groot verdriet gehad had en er uitzag, of ik voor niets anders vatbaar was. Hij voelde zich nooit zóó ellendig als dien avond toen hij afscheid kwam nemen en Léo en Bernard op z'n eigen verzoek meekwamen, daar hij er te veel tegenop zag, mij alleen goeiendag te zeggen. En dan die angst toen hij hoorde, dat ik ziek was! Hij rilde, terwijl hij zich daarin verdiepte, maar ik troostte hem:

„Kom, malle jongen! 't Was heusch zoo erg niet met me. En nu ben ik weer zoo sterk als 'n paard!”

Ik moet hem telkens beloven, dat ik zorgen zal er even gezond uit te zien als nu, wanneer hijin Maart—vóór mijn verjaardag, die den 19en is—voor goed terugkomt.

Den 6en Januari moet hij al weer weg; vróeger dan we eerst gedacht hadden, maar 't kan niet anders en hoewel de teleurstelling erger is dan ik wil laten blijken, ben ik er toch trotsch op, dat ze hem daarginds noodig hebben, omdat hij de aangewezen persoon is, om 't bijkantoor van zijn vaders bankierszaak, dat in Hamburg wordt opgericht, in orde te brengen.

We doen ons best nog maar niet te veel aan die scheiding van enkele maanden te denken. We willen wijs zijn en van 't tegenwoordige genieten.

Morgen begint 't nieuwe jaar.

't Oude met al z'n verdriet en geluk is bijna ten einde. Nog nooit heb ik 'n tijd beleefd, waarin verdriet en geluk elkaar zóó afwisselden.

Voor Huib is 't ook 'n lang en 'n moeilijk jaar geweest, en toch is 't ons beiden zoo lief....

Vanavond komen de zusters en zwagers hier. We zullen de klok van twaalf niet afwachten, zooals andere jaren, maar moeder wil toch even alle kinderen om zich heen hebben, ondanks die ééne ledige plaats....

Wat vader wel zeggen zou van dennieuwe, die er is bijgekomen?

Hij hield zoo van Huib. Hij zou er zeker blijom zijn en net als moeder de overtuiging hebben, dat hij 't Piepkuikentje aan geen trouwere handen zou kunnen overgeven....

Samen zitten we bij 't vuur, Huib en ik.

'n Groote bouquet van witte rozen en seringen, die Liesje en Bobbie ons gisteren zijn komen brengen, geurt er op tafel. 't Is al donker. Buiten sneeuwt 't en er waait 'n ijzige noordoosten wind. Maar 'n sombre dag als deze deert ons niet. Wij zitten hier veilig, hand in hand, en luisteren naar 't loeien van den wind in den schoorsteen en zien elkaar aan, zwijgend met stralende oogen, vol vertrouwen, dat 't goed en mooi zal blijven tusschen ons, wát er ook gebeurt.

decoratieve illustratie

't Is einde Maart, en 't kleine van der Marckje, dat tegen dien tijd z'n komst op 't wereldtooneel had aangemeld, werd op den eersten lentedag geboren en is nu ruim 'n week oud.

Tot groote vreugd van ouders en grootouders, is 't 'n jongetje! Willem heet 't, naar z'n grootvader van der Marck, maar we zeggen: Willy.

't Is 'n heerlijk, dik molletje met pikzwart haar, blauwe oogjes en doddige, dikke knuistjes, waar 't aldoor mee ligt te wriemelen als 't wakker is.

Bé en Aad zijn vreeselijk trotsch op hun zoon, die zich dan ook voorbeeldig gedraagt, weinig huilt en veel slaapt, en z'n moedertje maakt 't zoo goed, als maar eenigszins mogelijk is en heeft gisteren zelfs al even mogen opzitten van den dokter.

Huib, die sinds eenige dagen terug is—hijkwam den 18en, den dag vóór m'n twintigsten verjaardag thuis—is gisteren voor 't eerst meegeweest, om kennis te maken met z'n kleine neefje en was er zóó over uit, dat Bé, die anders doodsbang voor haar zoontje is, hem toestond 't kleine witte pakje even van de verpleegster over te nemen, om te voelen hoe zwaar Willy-tje wel was!

Toen Huib met 'n heel benauwd gezicht verklaarde: „Kolossaal, wat 'n jongen al”, kenden haar trots en blijdschap geen grenzen, maar Roosje, die er ook bij tegenwoordig was, gaf Huib beneden 'n standje.

„Schandelijk kan jij jokken. Hoe kôn je 't kind nu zwaar vinden! 't Weegt net zeven pond!”

En daarop bekende Huib eerlijk, dat hij dit leugentje-om-bestwil niet had durven binnenhouden, om Bé niet te beleedigen, en gingen we op zijn verzoek allebei met hem mee, om 'n rammelaar voor Willy te koopen. De tantetjes hadden zich zoo vermoeid met jurkjes en schortjes te borduren en hij wou ook iets geven als rechtgeaard oom. Dát is hij!

„Oom Huib” is zeer in de gratie. De kinderen van Floor nemen hem zóó in beslag als we er komen, dat ik niets aan hem heb en Eefje, die we de vorige week in Amsterdam opzochten,gaf volgens groote Eef blijken hem nog te herkennen.

Ze zitten er allergezelligst, Eef en Herman op hun bovenhuisje, en ze halen hun hart op aan 't groote stadsleven, genieten van mooie concerten en komedies, waar ze door hun verblijf in Indië den laatsten tijd zoo geheel van waren verstoken. Eef ziet er, tot moeders onuitsprekelijke verlichting, veel beter uit en is weer met ijver aan 't pianospelen, wat ze daarginds heelemaal had laten varen, en kleine Eefje zit met groote oogen te luisteren als haar moeder bezig is en vindt 't heerlijk met haar kleine vuistjes op de toetsen te slaan, als Eef of Herman haar bij de piano brengen.

Mijn lessen bijmonsieur Durandzijn opgehouden. Tot eind Februari ben ik nog bij hem gebleven, en genoot ik van de prettige manier, waarop hij eenige Fransche schrijvers met me behandeld heeft. Daar had ik meer aan, nu ik toch niet van plan was verder te studeeren, dan aan al die drogegrammaire, vond hij.

Tegenwoordig ga ik heel plichtmatig tweemaal in de week naar de kookschool en geeft Huib me verder les in literatuur enz.

Het spijt me zoo, dat ik geen talent heb voor viool of zang, maar Huib beweert, dat 't hem niets kan schelen, omdat ik veel van muziek houd en z'npianospel daarom toch wel op prijs weet te stellen.

„Had ik maar 'n stem als Annie Westenbergh,”zeg ik dan om hem woedend te maken, want hij kán niet goed hebben, dat ik hem met haar plaag.

„Dat je me niet genoeg kende om te begrijpen, dat ik van niemand anders dan van jou hield”, zegt hij nu, vergetend, dat hij 'n tijdje geleden juist beweerde, mij des te liever te hebben om mijn jaloezie, die ik toch onmogelijk had kunnen voelen, als ik niet net als zooveel anderen, van de veronderstelling was uitgegaan, dat Annie hem lang niet onverschillig was.

Men zegt wel eens dat wij vrouwen onlogisch zijn, maar hoe moet ik de redeneering van mijn eigen man dan wel vinden?

Mijn eigen man, zoo leuk-deftig klinkt dat, al is 't nog wel wat voorbarig, want vóór 't volgende voorjaar zullen we wel niet trouwen.

Maar langer wil Huib niet wachten.

„Dan ben ik bijna zes- en jij één-en-twintig! Dán zou ik meenen, dat we toch wel oud genoeg zijn om gelukkig met elkaar te worden”, verkondigt hij, en dat heeft niemand hem nog tegengesproken.

Ik geloof zelfs niet, dat meneer en mevrouw van Slooten groote bezwaren zouden maken, alswe op éérder aandrongen, maar we laten 't om moeder. Ze zou 't niet tegenhouden, och nee. „Une mère c'est l'abnégation”, is haar lijfspreuk, die ze altijd trouw in practijk heeft gebracht, maar 't zou wreed zijn, terwille van háár niet 'n jaartje geduld te hebben. Dat is Huib volkomen met me eens.

De volgende maand verhuizen we. Dan zijn we geen buren meer. O, 't zal 'n héél ding zijn, voor ons allemaal, maar vooral voor moeder..... We laten hier zooveel lieve herinneringen achter... Maar 't moet mòet.

't Is 'n klein, geriefelijk huis, vlak bij Floor en Max, waar we gaan wonen, en in die buurt zijn meer dergelijke huizen in aanbouw.

„Geknipt voor ons,” vindt Huib, die wel weet, dat ik mijn nieuwe leven liefst niet te ver van moeder af zou beginnen.

Hij is zoo goed en zoo fijngevoelig, en ik heb zoo'n wijd vertrouwen in hem. Wat 'n heerlijke brieven schreef hij me van uit Hamburg; die brachten me tot de ontdekking, dat hij me nog beter begrijpt dan ik mezelf begrijpen kan......

Aan mijn uitzet ben ik begonnen, zoo gauw 't bewuste schortje voor Bé's kindje af was. 't Is zoo'n prettig werk, en ik heb tijd genoeg om 't meeste er aan zelf te doen. 't Lijkt me zoo heerlijk, als allesin ons huisje later 'n eigen geschiedenis hebben zal!

„De strootjes voor 't nest,” noemde Vader vroeger al de dingen, die Bé en Aad in hun engagementstijd kregen en zelf bijeensleepten.

Wij hebben ook al verscheiden strootjes!

Huibs boekenkast en piano, om met de voornaamste te beginnen, en dan al de huishoudelijke cadeaux, die ik op m'n verjaardag kreeg!

'n Theetafel en theestoof met een ouderwetschen koperen ketel, 'n ontbijtservies en 'n beeldig damasten tafellaken met een ontwerp van vlinders en vier-en-twintig servetten met 't zelfde motief; zóó mooi, dat ik 't nooit zal durven gebruiken, want ik zou danig uit m'n humeur raken als iemand er op morste!

Van Huib kreeg ik...... m'n zilveren ringetje onherkenbaar terug. 't Oude ringetje maakt nu de achterzijde uit van 'n zilveren ring met 'n bovenstuk van juweelen.

„O, Huib, 't is veel te mooi voor mij,” protesteerde ik half, maar hij zei, dat 't volstrekt niet waar was, als ik tenminste geen plannen koesterde dezen ring in 'n bui van vertwijfeling weer met de nagelschaar te bewerken! Dat heb ik hem op m'n eerewoord moeten beloven, en ik denk dat ik die belofte wel zal kunnen houden.

Op 't oogenblik sta ik in onze serre op hem tewachten, gekleed en gereed voor onze dagelijksche wandeling.

't Is zulk heerlijk weer; zóó zoel, of 't al voor goed lente was!

„Net weer om voor je plezier 'n beetje op 'n stoep te gaan zitten huilen,” zooals Eef dat vroeger eens uitdrukte.

In ons tuintje knoppen al enkele heesters en de crocussen bloeien: 'n heele rij gele en enkele witte en paarse. 't Gras wordt er met den dag groener, en 's avonds, tegen zonsondergang komt er 'n merel fluiten......

O, ik verheug me zoo op 't voorjaar en den zomer. Wat 'n verrukkelijken tijd zullen we hebben!

Hè, wat is dat? Ik deins terug, want tegen de serre-deur vliegt 'n keitje.

Daar is Huib!

Ik doe de deuren open en treed hem tegemoet.

„Wat stond-je daar toch te peinzen? Schrikte je, meisje? Ben je heusch 'n klein beetje van me verschrokken?” plaagt hij met z'n handen op m'n schouders.

Maar ik zie lachend naar hem op en plaag terug:

„Welnee, je bent al over je tijd. Je hadt er veel eerder moeten zijn met dat mooie weer.”

„Wat, ben ik te laat? Maar dat kán niet, ik ben toch dadelijk van kantoor naar huis gekomen,” en hij haalt zijn horloge uit. „Eén heele minuut te laat, ik vraag je nederig excuus, maar laten we de schade dan alsjeblieft zoo gauw mogelijk inhalen,” stelt hij voor, z'n hand door m'n arm stekend, en vroolijk wuivend naar moeder, die boven voor 't raam zit, stappen we 't tuintje door, gaan dan den stillen, zonnigen buitenweg op, jubelend om de heerlijke dagen, die komen gaan.

decoratieve illustratie

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 11”[Verwijderd.]Blz. 26vindtvindBlz. 30[Niet in Bron.]”Blz. 32„[Verwijderd.]Blz. 33[Niet in Bron.]”Blz. 34vredes naamvredesnaamBlz. 54zeteBlz. 54[Niet in Bron.]”Blz. 54EifeltorenEiffeltorenBlz. 61twaalf uurtjetwaalfuurtjeBlz. 63[Niet in Bron.],Blz. 66[Niet in Bron.]-Blz. 71[Niet in Bron.],”Blz. 76[Niet in Bron.]”Blz. 85woedenstewoedendsteBlz. 86AadAdaBlz. 99pikdonderpikdonkerBlz. 104qu 'onqu' onBlz. 108PiepkuikenjePiepkuikentjeBlz. 116[Niet in Bron.]”Blz. 124n'nBlz. 130kostbaaarkostbaarBlz. 130[Niet in Bron.],Blz. 132didxyourdid yourBlz. 134[Niet in Bron.]”Blz. 134[Niet in Bron.]”Blz. 141[Niet in Bron.]”Blz. 149poperpopelBlz. 157borburenbordurenBlz. 169[Niet in Bron.]„Blz. 172enz 'nen z'nBlz. 179lageschoentjeslage schoentjesBlz. 180k'kBlz. 185[Niet in Bron.]”Blz. 186[Niet in Bron.]„Blz. 196[Niet in Bron.]”

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext