XII.

Verkenningstocht van Dutulu naar Zululand.

Op de bepaalde tijd van de volgende morgen spoedden zich de voormannen van de trek naar de tent van Cilliers, waar zijBiggaren de zonen van Manondo reeds vonden. De vergadering werd geopend, en een besluit genomen, dat de overeenkomst door de Kommandanten aangegaan, formeel bekrachtigde, en er werd besloten dat het opperbevel in Uijs en Potgieter gezamenlik zou berusten, onderworpen aan de besluiten van de Krijgsraad.

Daarna werdenBiggaren zijn Zulu-bondgenoten ter vergadering toegelaten, en werd hem mededeling gedaan van het genomen besluit. Cilliers had de plaats van de voorzitter verlaten, en na een fluisterend gesprek tussen Potgieter en Uijs, nam eerstgenoemde de ledige plaats in, en richtte totBiggarde woorden: “Meneer, de Krijgsraad is tans wettig samengesteld. Wij zijn geheel in afzondering, en bereid uw geheime berichten te vernemen en te overwegen.”

“Kommandant,” antwoorddeBiggar, “indien ik het woord voerde, zou ik slechts moeten herhalen wat aan mij door Makoni en Dutulu toevertrouwd werd. Ik acht het beter hen uit te nodigen zelf te spreken, waarbij ik dande tolk kan zijn, en hun woorden aan de vergadering kan overbrengen.”

Daartoe uitgenodigd, nam Makoni tans het woord en sprak: “Blanke opperhoofden, toen ge de eerste maal over de bergen trok, en trachtte van Dingaan het recht te verkrijgen op al het land, gelegen tussen de Tugela en de Umzimvubu rivieren, was er zeker geen enkele Zulu, die het niet zijn plicht rekende, u te beletten dit land tot uw vaste verblijfplaats te maken. Weinig kon ik toen vermoeden, dat er een tijd zou komen, dat ik de assagaai en de strijdbijl zou opnemen, en u aanbieden aan uw zijde tegen mijn eigen volk te strijden, en u te helpen in het bereiken van uw doel. Dingaan wordt met den dag wreder; zijn dorst naar bloed is niet meer te lessen; hij bezit al de wreedheid en boosaardigheid van Tshaka, maar mist zijn doorzicht en moed. Door de tovenaar, op wie ik gisteren de dood van mijn vader heb gewroken, aangehitst, heeft hij sommigen der beste en meest achtenswaardige induna's van ons volk in koele bloede doen ombrengen. Daardoor is een groot gedeelte van ons volk, waaronder enigen zijner dapperste regimenten, hem moede, dorstende naar wraak. Aan het hoofd der ontevredenen staat Panda, de broeder van Dingaan, en ik sta heden met Dutulu voor u als door hem afgezonden. Wij vrezen alleen te zwak te zijn om Dingaan te verslaan, maar met de Blanken verbonden, zullen wij hem meester worden, en Panda in zijn plaats als Koning der Amazuluverheffen. Ons plan moet echter goed beraamd en met snelheid uitgevoerd worden. De regentijd is voorbij en met de nieuwe maan is het beste tijdstip gekomen om de aanvalte maken. Mijn broeder en ik hebben ons met driehonderd moedige krijgslieden bijBiggaraangesloten. Op een bepaalde dag trekt ge van de Westzijde tegen Umkungunhlovo op, en wij doen een inval in het Zuiden. Als ge de stad van Dingaan hebt bereikt en slag levert, zullen Panda en de zijnen opstaan, en de impi van Dingaan ook aanvallen. Zo kan het niet anders, of ge moet het slagveld behouden. Panda stelt slechts de volgende voorwaarden: Ge moet hem als Koning van Zululand erkennen. Een voortdurend bondgenootschap moet tussen u en hem bestaan; en ge moet u verbinden tevreden te zullen blijven met het land van Natal, en u te vestigen aan de linkerzijde van de Tugela. Als wij hieromtrent overeenkomen, dan kunnen wij dadelik onze verdere plannen afspreken, en zend ik heden nog aan Panda van alles bericht.”

“Het Zulu-Opperhoofd spreekt wel,” zei Potgieter totBiggar, “maar kan er geen verraad achter schuilen? Zijt ge er zeker van, dat de man te vertrouwen is?”

“Ik ben daarvan zo zeker, Kommandant, als men op dit ondermaanse van iets zeker zijn kan,” antwoorddeBiggar. “De vader van Makoni is door Dingaan vermoord; hij met zijn volgelingen moesten hun kudden in Zululand achterlaten, en voor hun leven vluchten; en de vrouwen en kinderen van zijn kraal bevinden zich tans bij ons aan de Baai. Dat is toch waarborg genoeg voor de eerlikheid zijner bedoelingen.”

“Hoe zult ge het overleggen mededeling aan Panda te doen?” vroeg Potgieter aan Makoni.

Deze wees op Dutulu, en zei: “Hier staat de boodschapper,hij dele aan de Molonga mede, wat hij gaat doen.”

Dutulu aarzelde geen ogenblik en zei: “De bergen zijn woest en hoog, de bossen dicht begroeid, maar er is geen voetpad dat niet gekend wordt door Dutulu, de zoon van Manondo. Overdag zal ik me, waar nodig, verschuilen, en door de karos van de nacht gedekt, zal ik me voortspoeden. Als de zon driemalen zal zijn ondergegaan, zal ik Panda van alles onderrichten; en nadat de zon viermalen daarna zal zijn opgegaan, zal ik zijn antwoord aanBiggarbrengen. Als ik dat niet doe, zal Dutulu opgehouden hebben te leven. Ook aan Dingaan zal ik een boodschap brengen. Hij moet weten dat Mazesi, zijn boze geest,er niet meer is. Het hoofd van Mazesi zal ik op mijn assagaai steken, en die planten voor de hut van hem, die Manondo heeft laten ombrengen.”

Met krachtige stem, vergezeld van levendige gebaren, had het jonge opperhoofd deze woorden gesproken. Hij had indruk gemaakt; de Boeren-aanvoerders waren van zijn oprechtheid overtuigd.

“Maar waarom u nodeloos in gevaar te brengen, door u te wagen in de stad van Dingaan?” vroeg Uijs.

“Induna der Molonga,” antwoordde Dutulu, “Dingaan zal weten dat Manondo op Mazesi is gewroken, en kunnen opmaken wat hemzelf te wachten staat. Hij zal van schrik verstommen; en wat mij aangaat, ik weet de middelen om tot zijn hut door te dringen. Vrees voor mij niet, dat is het geringste gevaar dat ik zal moeten te boven komen.”

“Dutulu spreekt recht,” zei Makoni, “zijn de blankeaanvoerders met zijn antwoord tevreden, laten wij dan verder overleggen, want de dag gaat voorbij.”

Tot zijn smart zou Makoni, die geheel oprecht was, nog moeten uitvinden, dat het Panda, die een zwak karakter was, maar al te veel aan moed en vastberadenheid ontbrak. Maar hierover later.

Onnodig is het verder over de bespreking hunner plannen uit te weiden. Voldoende zij het te vermelden, dat het resultaat der beraadslagingen hierop neerkwam: Op de 5de April 1838, zouden de Boeren optrekken uit hun lager naar Umkungunhlovo, en op diezelfde dag zouden de Engelsen aan de Baai, die slechts een handvol blanken telden, met hun Zulu-bondgenoten oprukken, de Tugela oversteken, en uit het Zuiden een inval in Zululand doen. Dutulu zou dadelik vertrekken om Panda van het plan bericht te brengen en zijn medewerking te verzekeren. Daarna zou hij zich aansluiten bijBiggar.

Spoedig daarna verliet Dutulu het lager. Makoni deed hem uitgeleide tot bij een groep bomen, niet ver van het kamp. Hier was daags te voren door de broeders de strafoefening aan Mazesi voltrokken. Makoni had gelijk gehad: gedurende de nacht had het roofgedierte zich aan het lichaam van de tovenaar te goed gedaan, en zijn van vlees ontbloote geraamte lag tans te verschroeien in de stralen van de hete middagzon. Het hoofd ontbrak echter aan de romp; weldra zou dit echter worden opgehelderd. Dutulu begaf zich naar enige rotsen, wentelde een steen ter zijde, en bracht het afgehouwen hoofd van Mazesi te voorschijn, overvloedig met zeezout bedekt, om het tegen spoedige ontbinding te bewaren. Makoni reikte Dutulu een assagaaimet buitengewoon breed en lang lemmer, en zei: “Daar is de assagaai van Manondo, plant die met het hoofd van Mazesi er op, voor de hut van Dingaan.” Zonder verder een woord te wisselen, keerde Makoni terug naar het lager, en Dutuluspoeddezich voort in de richting van de Tugela.

Lezer, hebt ge u al ooit des nachts alleen in de wildernis bevonden? Het bewustzijn van alleen te zijn, oefent op zichzelf een neerslachtige invloed uit op de mens, van die de Allerhoogste sprak: “Het is niet goed, dat de mens alleen zij.” Maaralleenzijn in de wildernis, zoals Dutulu de nacht was,—zie, het vereist sterke zenuwen, een moedig hart en vaste wilskracht om niet in de eerste schuilplaats die zich voordoet het lijf te bergen, en te wachten tot het zonlicht weer over de aarde glanst. Slechts het geoefend, onverschrokken oog kan door de nachtelike sluier dringen, en de voorwerpen in zijn onmiddellike nabijheid enigermate onderscheiden, en hoe fantasties wanstaltig doen die, als uit de nevelen te voorschijn stijgende, zich dan gewoonlik voor! Wij spreken van een nachtelike stilte: voor het geopend oor bestaat die niet. In de natuur blijft altijd leven, beweging en geluid. De natuur leeft en zal blijven voortleven, totdat het tijdstip aanbreekt, waarop de Schepper het: “Tot hiertoe en niet verder,” over het door Hem geschapene voor zover onze aardbol betreft, zal uitspreken. Zelfs in de nacht blijven verschillende geluiden, als waren zij de echo van de dag, voortduren. Leven en geluid; leven en beweging, is wat het menselik oog aanschouwt, het menselik oor verneemt, gedurende de dag en in de nachtwaken.De stroom des levens gaat immer voort van geslacht tot geslacht, al wisselen ook dag en nacht, tot in alle eeuwigheid.

Maar, wij zijn alleen in de wildernis. Wij zien die uit het duister opdoemende gestalten, wij horen die geluiden, geboren uit de schoot van de nacht. Welke ons bedreigende gevaren sluiten zij niet in zich? Verbergt dit zien, dat toch eigenlik geen zien is, voor ons half ontsluierd oog niet misschien het wapen, dat ons zo aanstonds dodelik treffen zal; de juiste vorm van het wild gedierte, dat zich binnen weinigeogenblikkenop ons zal werpen, en wie ons uiteengereten lichaam tot maal zal strekken? Vriendelik flikkeren de sterren, die wachters van Gods troon, aan de trans des Hemels, maar toch, hun licht strekt slechts om ons duidelik te doen beseffen hoe zwart de donkerheid is. Wij zijn ons ten volle bewust van onze nietigheid, onze tans volkomen gevoelde zwakheid; wij richten de blik naar boven, naar dat helder sterredak, waaruit een schemering van het licht dat afstraalt van het Eeuwige Licht, door nacht en duisternis tot ons doordringt en een ongekend vertrouwen op de Schepper van dat licht en van ons zelf, welt in onze boezem op, en schoon dikwerf tastende, schrijden wij voorwaarts.

Wekt het alleen zijn in de wildernis gedurende de uren van de nacht bij ons dat verheven gevoel op, met Dutulu was dit niet het geval. Wat bekreunde hij zich om dag of nacht! Hij, de Zulu krijgsman, gevormd in de bloedige school van Tshaka, had als eerste plicht geleerd de dood te verachten, de vrees niet te kennen. Volgens zijn barbaarse gemoedsindrukken vervulde hij tans een heiligeplicht. In de zak die hij over zijn schouder droeg, bengelde het afgehouwen, ingezouten hoofd van Mazesi, de man die oorzaak was geweest van de dood van zijn vader, en nog de onbeschaamdheid had gehad, hem met zijn schim te bedreigen. Wat bekommerde hij er zich over, of die tovenaar in zijn laatste ogenblikken hem met zijn vervloekingen en bezweringen had overgoten. Hij was krijgsman, en kon maar eenmaal sterven. Het hoofd van Mazesi zou hij planten voor de intunkulu van Dingaan, of als het zijn moest, zou hij in de poging om die plicht te volbrengen, als een krijgsman sterven. Voor hem was de nacht de beste vriend. Bekend als hij was met het land, wist hij ondanks het donker zijn weg wel te vinden; en zo hij vijand of verscheurend gedierte ontmoeten mocht, welnu, hij had immer zijn assagaaien, strijdbijl en knopkieries.

Het was de derde avond na Dutulu's vertrek uit het lager, toen bij het vallen van de nacht, hij op de rand van een met bossen bedekte bergrug, op ongeveer zes mijl afstand van Umkungunhlovo te voorschijn trad. Aan de voet van de berg waarop hij stond, lag een tamelik grote Zulukraal, waarin de nachtvuren reeds waren ontstoken, en waaruit vele stemmen en geluiden, door de stille avondlucht voortgedragen, opstegen tot aan de plaats waar hij stond. “Kalipi laat op zich wachten,” zei hij tot zichzelf. “Onze afspraak was toch, dat hij iedere avond met zonsondergang hier zou zijn, en zou vertoeven, totdat de tijd was gekomen om ter ruste te gaan. Zou hem iets zijn overkomen? Ik zal een tijdje wachten en uitrusten, en komt hij niet, dan blijft er niets anders over,dan dat ik afdaal en de kraal binnenga.”Hij zette zich neder op een grote steen, aan de voet van een geelhoutboom, plaatste de zak met het hoofd van Mazesi, te zamen met zijn wapenen aan zijn voeten, nam uit een zakje dat hem om de schouder hing enige stukken biltong, en begon met smaak te eten. Niet lang was hij echter neergezeten, of zijn luisterend oor scheen het geluid van voetstappen te vernemen, als besteeg iemand de bergbrug aan de zijde van de kraal. “Dat zal Kalipi zijn,” fluisterde hij, “maar toch, men kan niet weten. Ik zal me liever verbergen, tot ik zeker ben wie het is, die nadert.” Hij nam zijn wapenen op, en dook weg achter de klip waarop hij had gezeten.

De persoon die naderde maakte zo weinig gerucht, dat men het geoefend oor van de wilde nodig had, om iets te kunnen horen, en scheen schuchter en bevreesd te zijn. Het was een jonge Zuluvrouw, die, als ware zij bevreesd voor het geluid harer eigen voetstappen, als een zwarte schim van struik tot struik voortzweefde, herhaaldelik het oog terugslaande op de kraal, als duchtte zij vervolgd of bespied te worden. Eindelik had zij de geelhoutboom bereikt, en bleef staan bij de klip waarachter Dutulu zich had verborgen. “Weer is hij hier niet,” zei ze weemoedig tot zichzelf. “Dit is nu de zesde maal, dat ik 's avonds hierheen ben gekomen, en altoos te vergeefs. Zal hij nooit komen? Zal ik hem nimmer wederzien?” Een geritsel achter de klip deed haar opschrikken. Als een gejaagde hinde wilde ze wegvluchten, toen de welbekende stem van Dutulu haar tot staan bracht. “Vrees niet, Deliah, ik weet niet wie je zoekt, maar voor de zoon vanManondo behoef je niet te vrezen.” Slechts enige schreden en zij stond aan de zijde van de jonge Zulu en omhelsde hem hartelik. “O, hoe blij ben ik, je eindelik te hebben gevonden. Zovele avonden heb ik je hier reeds gezocht!” riep zij luider uit, dan de voorzichtigheid het gedoogde.

“Zachter, zachter,” zei Dutulu, “de bomen kunnen oren hebben, en vindt men ons hier, dan betekent dat mijn dood en jou schande. Dankbaar als ik ben je te ontmoeten, is dit mij een onverwachte vreugde. Ik dacht niet je hier te zullen zien, maar wel Kalipi. Zeg me, is hem iets overkomen?”

“Nee, Dutulu, toen hij zeven dagen geleden van hier wegtrok, was mijn broeder gezond en wel, en het is op zijn verzoek dat ik sedert, elke avond hierheen ben gekomen om je te ontmoeten. Hij gelastte me, je uit naam van Panda en van hemzelf te zeggen, dat de grote Olifant onraad moet hebben gemerkt. Op de dag vóór zijn vertrek, liet Dingaan Panda roepen. Mijn broeder zegt, hem nog nooit zo vriendelik te hebben gezien. Hij zei tot Panda: “De kinderen van KoningGeorge, die aan de baai van Natal wonen, worden woelig, en kunnen het ons lastig maken. Vele ontevreden Zulu's, waaronder de zonen van Manondo, zijn over de Tugela gevlucht, en vinden bij hen schuilplaats. Ik moet iemand hebben, die het oog op hen houden kan, en wie is daar beter geschikt voor dan gij, mijn Broeder! Gij zult morgen als de dag breekt, met uw regiment optrekken naar Endouda Kusuka, en je aansluiten bij de impi die daar reeds is, en waarvan gij de hoofdinduna zult zijn; maar de vrouwen, de kinderen en het vee zult ge hier in de kraal achterlaten.””

“De ellendeling!” barstte Dutulu woedend uit. “Panda en de zijnen zijn dan voor ons verloren, tenzij hij als de oorlog uitbreekt, moed genoeg heeft om met zijn impi hierheen terug te keren, want blijft hij daar, dan zijn de vrouwen en kinderen hier onbeschermd, en aan de woede van Dingaan blootgesteld, indien Panda de wapens tegen hem zou keren.”

“Luister verder,” hervatte Deliah; “de volgende morgen is mijn broeder met Panda en de krijgslieden vertrokken. Hun werden echter toegevoegd de induna's Umhlebe, Zulu enNongalazi. Mijn broeder heeft me opgedragen je dit alles te zeggen, en je te waarschuwen dat je voorzichtig zijn moet. Ik heb nu mijn boodschap verricht. Laat me je groeten, Dutulu! en naar de kraal terugkeren. Ik vrees dat het reeds argwaan heeft gewekt, dat ik me elke avond verwijder, en men zou me kunnen volgen.”

De jonge Zulu was, na lucht gegeven te hebben aan de eerste opwelling van toorn, weder geheel kalm geworden. Hij en zijn bondgenoten zouden zich in het onvermijdelike moeten schikken. Nu wenste hij nog enige ogenblikken door te brengen aan de zijde van haar, die hij zich als vrouw had uitgekozen. “Ik dank je uit de diepte van mijn hart, Deliah, voor je trouw en moed, om het te wagen mij deze tijding over te brengen,” zei hij, “maar waarom zo haastig? Lange tijd zijn wij gescheiden geweest. Lang kan het duren, voor wij elkaar zullen terugzien. Vertoef nog een weinig, en laat je lieflike stem mijn oren strelen.”

“Nee, Dutulu, dat mag niet zijn,” antwoordde hetmeisje; “ik moet me terugspoeden naar de kraal. Heb je zoëven niet zelf gezegd, dat als men ons hier vond, het jou dood en mijn schande zou betekenen? Kom, vaarwel! Moge er voorspoed op je weg wezen, en de dag spoedig aanbreken, dat je Deliah kunt voeren naar je hut.”

Een zucht ontsnapte de borst van Dutulu. “Ja,” zei hij, “het kan niet anders, maar ik moet nog naar Umkungunhlovo, en zal je vergezellen tot aan de voet van de berg.”

“Naar Umkungunhlovo?” riep het meisje verschrikt uit, “maar dat is immers de dood in de mond lopen! Ach, Dutulu! Wil je je werpen onder de poten van de Grote Olifant?”

“Mijn kind,” antwoordde hij zacht, “de zoon van Manondo zal gaan waar hij door plicht wordt geroepen; en mijn plicht roept me heden naar de kraal van Dingaan.”

Een ogenblik stond het Zulu-meisje besluiteloos; toen zei ze: “Ga, dan, Dutulu, en volbreng je plicht, en je gang zij voorspoedig. Mijn plicht is het, je nu te verlaten, om je later, in gelukkiger tijden terug te zien. Vaarwel!” En met de spoed der oribi had zij zich verwijderd, en Dutulu bevond zich alleen.—Nimmer zouden zij elkander wederzien.

Toen Dingaan de volgende morgen ontwaakte, riep hij luide om de getrouwe schildwacht, die steeds de nacht voor de deur van zijn hut moest doorbrengen. Geen antwoord ontvangende, stond de Zulukoning verstoord op en begaf zich naar buiten. Het plichtverzuim van de schildwacht zou met zijn leven worden geboet. Maar wat ontmoette de blik van Dingaan, toen hij de hut was uitgetreden?Wat deed hem wankelen en zich tot steun vastgrijpen aan de wand van zijn verblijf? Op slechts enige schreden voor de intunkulu, stond op een in de grond geplante assagaai verheven, een mensehoofd hem aan te grijnzen. De reeds tot ontbinding overgaande wangen waren tot berstens toe gezwollen; de opengetrokken lippen lieten de tanden zien, als tandeknerste en lachte dit doodshoofd de Koning grimmig tegen. Dingaan scheen als aan de aarde vastgenageld. Ten laatste had hij de verwrongen gelaatstrekken herkend. “Bij de geest van Majolo!” riep hij uit, “dat is het hoofd van Mazesi! Wie heeft het gewaagd hem te doden en zijn hoofd hier te plaatsen.”Hij sidderde, en riep een der op enige afstand staande schildwachten, en begon hem te ondervragen. Maar de man wist hem niets te zeggen van wat er in de nacht was gebeurd, of wat er van Dingaan's nachtwacht was geworden. Eindelik zei Dingaan: “Breng dat hoofd naar de Hloma Amabutu! Maar wacht, ken je niet de assagaai, waarop het hoofd steekt?”

De krijgsman bezag het wapen nauwkeurig en wendde zich tot Dingaan met de woorden: “O, Grote Olifant! Die assagaai behoorde aan mijn vroegere bevelhebber, Manondo.” De Koning sidderde en verdween in zijn hut.

Enige ogenblikken later werd het hoofd van de tovenaar neergeworpen op de heuvel bij de doodsbeenderen van Manondo en Umhlela, zijn slachtoffers. Op hetzelfde tijdstip spoedde Dutulu zich voort naar de oever van de Tugela, vergezeld door de krijgsman, welke die nacht als schildwacht voor de hut van Dingaan had gestaan.

Slag van Italeni. Piet Uijs sneuvelt.

Dutulu ontkwam aan alle gevaren en hield getrouw zijn woord, aan de blanken in de vergadering van de Krijgsraad gegeven. Op de achtste dag na zijn vertrek uit het lager, meldde hij zich aan bijBiggar, aan de Baai van Natal, en deed verslag van zijn bevindingen, dat ten gevolge had, dat hij nog diezelfde dag metBiggarenJohn Canevertrok naar het hoofdlager der Boeren.

Daar werden de berichten die hij bracht met ernst overwogen. Aan de ene kant zag men duidelik in, dat door Panda met zijn regiment naar Endouda Kusuka te zenden, met achterhouding van alles waaraan hun hart hing, de daadwerkelike hulp van de ontevredenen onder de Zulu's bijna onmogelik was gemaakt. Daartegenover stond echter, dat Dingaan door velen zijner beste krijgslieden als bewakers van Panda en zijn aanhang af te zenden, zijn eigen impi te Umkungunhlovo aanmerkelik had verzwakt. De slotsom der beraadslagingen was, dat de veldtocht in April zou worden ondernomen, zoals oorspronkelik overeengekomen, en dat de Engelsen met hun bondgenoten, Panda en zijn impi zouden aantasten, terwijl het Boerenkommando zou optrekken tegen de hoofdstad van Dingaan. De Engelsen spoedden zich terug naar de Baai, ende Boeren begonnen onmiddellik de laatste toebereidselen voor de veldtocht te maken.

't Is de avond vóór de uittocht van het kommando. Piet Uijs is teruggetrokken in de huiselike kring, door allen die hem na aan het hart liggen omringd, in zijn tent bij de veldtafel gezeten. Zijn vrouw zit tussen hem en Dirk, de blonde kloeke zoon, haar eerstgeborene, van wie de moeder zoveel in de toekomst verwacht, de trots, het leven van haar leven. De hand van haar echtvriend houdt zij in de hare geklemd; de linkerarm omstrengelt de hals van Dirkie, haar Dirkie, die morgen, moedig als een man, zal uittrekken naar het bloedig oorlogstoneel. Vloeien er tranen langs haar wangen? O nee! De vrouw van de Voortrekker, de teerhartige moeder, schoon daar zittend met hijgende boezem, heeft het reeds lang geleerd haar dierbaarste kleinoden, die schatten voor haar vrouwelik hart, op het altaar van plicht ten slachtoffer te wagen. Een diepe weemoed, een door God geheiligde ernst, schijnt op aller gelaat te rusten. Zoëven hebben zij zich verenigd rondom het huisaltaar in de wildernis. Hun dankoffer voor genoten zegeningen, hun gebed om bijstand, steun en kracht, is zoëven uit deze eenvoudige tent opgestegen, als wierook naar de zetel van de Hemelse Vader.

“Kom vrouw,” zei Uijs, “laten we ons ter ruste begeven. Onze plicht roept ons morgen bij het krieken van de dag. Toe Dirk! Ga nu ook slapen.”

De moeder liet de hand van haar echtgenoot los, en sloeg de beide armen om de hals van haar kind. Haar oog bleef droog, maar een weemoedige glans, ontsproten aan de diepste schuilhoeken van haar moederlik hart,scheen op het blonde hoofd van de knaap af te dalen, dat gevleid lag aan de moederborst. “Goede nacht, mijn dierbaar kind. Slaap zacht;” murmelde zij, “moge God jou en je vader beschermen. En Dirkie, jong als je bent, wees voorzichtig, maar moedig. Als ik ooit tranen over je zal moeten storten, laat het nimmer zijn van schaamte over mijn zoon!”

“Moeder,” riep de knaap vurig, en zijn blauwe kijkers waren met tranen gevuld, “moeder, uw lessen, het voorbeeld van mijn vader, zal ik die immer vergeten? Ge zult u voor mij niet behoeven te schamen!”

De moeder drukte hem aan haar hart; de nachtkus werd gewisseld, en weldra lag dit huisgezin, voor de laatste maal onder zijn linnen dak verenigd, in diepe rust.

De volgende morgen, de 5de April 1838, trok het kommando uit, omtrent vijf honderd man sterk in twee afdelingen; de voorhoede onder bevel van Kommandant Uijs, de achterhoede onder Kommandant Potgieter. Dirk Uijs reed aan de zijde van zijn vader, en de trouwe Galant volgde hen als achterruiter.

De veertienjarige knaap klopte het hart vol moed en blijdschap, omdat hij met zijn vader ten strijde trekken kon; en schoon het afscheid van zijn moeder hem smartelik had aangedaan, had hij de tranen, die in zijn ogen opwelden, weerhouden, en getracht zich als een man te gedragen.

Onder hen die het uittrekkend kommando nastaarden, waren vele mannen, in de jongste strijd tegen de Zulu's verminkt en gewond, en niet in staat tans reeds weer de wapens op te nemen. Het was hen aan te zien, dat hethun zwaar viel achter te moeten blijven, en geen deel te kunnen nemen aan de tocht, die het tuchtigen van de zwarte vijand ten doel had.

Het kommando trok voorwaarts, zonder dat enig biezonder voorval de tocht kenmerkte. Ze hadden hinderlagen en plotselinge aanvallen van de vijand verwacht, maar niets van die aard gebeurde er. Ongehinderd vervolgden zij hun weg. Wel bemerkten zij af en toe enige Zulu's op de bergen, die, na hen enige tijd te hebben gadegeslagen, even spoedig verdwenen als zij te voorschijn waren gekomen; wel zagen zij des nachts de seinvuren van de vijand op de bergtoppen flikkeren, maar daar bleef het bij. Deze plotselinge verschijnende en even snel weerverdwijnendeZulu's, deze seinvuren, zij waren echter van belangrijke betekenis. Daardoor werd Dingaan onderricht van al de bewegingen van het kommando, en hij bereidde de Boeren een warme ontvangst.

In de namiddag van de 13de April 1838 had het lager de voet van de bergrug bereikt, waarop Dutulu zijn onderhoud met Deliah, enige weken te voren, gehad had. Deze plaats droeg de naam van Italeni. Nog ontwaarde men de vijand niet, en de Boeren leidden daaruit af, dat Dingaan door vrees was bevangen, en zij de volgende dag het een gemakkeliker taak zouden vinden, dan zij zich eerst hadden voorgesteld, om zijn krijgsmacht te verslaan, zijn stad in vlammen te doen opgaan, en voor altijd een einde te maken aan zijn bloedbestuur.

In het lager, dat die avond aan de voet van de bergrug werd getrokken, heerste dan ook een levendige, vreugdevolle bedrijvigheid. Schoon men de grootste waakzaamheidin acht nam, en zich op sterke tegenstand voorbereidde, ingeval die zich onverhoopt mocht voordoen, gingen allen onbezorgd de dag van morgen te gemoet, overtuigd dat die hun de overwinning zou brengen.

Bij het derde hanegekraai was het gehele lager in de weer. De paarden werden gezadeld, de kampbenodigdheden op de weinige wagens geladen, de orde van de tocht geregeld.

Piet Uijs had zich met zijn zoon verwijderd, en onder de takken van een grote wilde olijfboom neergeknield, de hand van Dirk in de zijne gekluisterd, had hij in zijn morgengebed zijn hart uitgestort voor God.

Weldra was alles gereed en stegen de Boeren te paard. Weer leidde Uijs de voorhoede, en de afdeling van Potgieter volgde. De weg van het kamp naar Umkungunhlovo liep enige mijlen verder door een enge vallei, aan beide zijden door hoge bergen ingesloten. Toen het kommando de ingang van deze vallei bereikte, begon de zon de bergtoppen te vergulden. Uijs hield zijn paard in en riep halt. Zich richtende tot Louis Nel, die aan de zijde reed, zei hij: “Neef Louis, deze kloof is gevaarlik. Mij schijnt het, dat wij die niet moeten intrekken, maar liever halt moeten houden, en zien of wij niet door de bergen om te trekken, de stad van Dingaan kunnen bereiken.” De aangesprokene antwoordde: “Ik vrees, Kommandant, dat het daarvoor te laat is. Ook heb ik vernomen dat er geen betere doortocht door de bergen is.” Uijs richtte zich op in de stijgbeugels, en riep met krachtige stem: “Voorwaarts, broeders! en houdt u allen gereed om de vijand te ontvangen.”

In gesloten gelid reed de voorhoede de bergkloof binnen, door het gehele kommando gevolgd, dat zich weldra geheel tussen de twee evenwijdig lopende bergruggen bevond. Nog was er geen vijand te bespeuren, en de voorhoede had bijna reeds de uitgang van de kloof, in de richting van de stad bereikt, toen hij zich plotseling de voortgang belet zag door eendichtaaneengeschaardeZulu impi, die als uit de grond opgerezen was. Het eerste gelid van de Zulu's was niet verder dan vijftig treden verwijderd van de voorste Boeren, waarvan Piet Uijs de allervoorste was. Zij hieven een vervaarlik krijgsgeschrei aan, waarvan de bergen daverden, en hun slaan op de schildvellen veroorzaakte een gedreun, dat met het geluid van de wegrollende donder te vergelijken was.

“Blijf schouder aan schouder!” klonk het bevel van Piet Uijs boven het rumoer uit. “Schiet met lopers, en mik niet te laag.”

Reeds drongen de eerste Zulu's naar voren, in de linkerhand het grote schild, het lijf bijna geheel bedekkende, in de rechterhand de steek-assagaai met breed lemmer houdende, toen de roeren losbrandden, en hen als met een zeilsslag neermaaiden, en in een spartelende hoop neerstorten deden.

Op dat ogenblik drong een ruiter, uit de achterhoede gekomen, naar voren, en bereikte de zijde van Uijs. “Kommandant!” riep hij uit, “Kommandant Potgieter laat u weten, dat een impi ons ook van achteren aanvalt, en dat de terugweg afgesneden is. Kijk, we zijn omsingeld!” riep hij vervolgens uit. Het was zo: de beide bergruggen krioelden van gewapende Zulu's, de Boerenwaren van voren en van achteren en van beide zijden bezet.

“Zeg aan Potgieter,” riep Uijs uit, “dat hij me van achter moet dekken. Onze weg ligt naar voren. Wij zullen in die zwarte massa bres schieten en doordringen tot de stad. Hij moet mij zoals ik voortruk, bestendig volgen, zodat er geen breuk in onze gelederen komen kan.”

Met moeite bereikte de boodschapper Potgieter, die door gestadig te laten vuurgeven slechts in staat was de Zulu's te beletten tot bij zijn manschappen voort te dringen. Met het antwoord van Uijs bracht zijn bode hem tevens het noodlottig bericht, dat hij bemerkt had, dat de Zulu's die van de bergzijden waren afgestormd, de eenheid van het kommando hadden verbroken, en de voorste van de achterste afdeling hadden gescheiden.

Potgieter zei: “Dan blijft ons niets anders over, dan de zwarten die ons van achteren aanvallen terug te drijven en te verslaan, en daarna de voorhoede te hulp te snellen. Moedig, mannen!” riep hij uit, “vermorst geen kogels, maar schiet raak!”

De Boeren hadden geen aanmoediging nodig. Zij beseften, dat het een kamp op leven en dood was, en losten de roeren zo snel als zij die konden laden.

Met uitzondering van enige induna's en hun lijfwachten, die ook werpspiesen droegen, waren de Zulu's slechts gewapend met de steekassagaai, de umhkonto door Tshaka ingevoerd. Was het hun gelukt tussen de Boeren in te dringen, dan zouden zij met dit wapen een vreselike slachting hebben aangericht, en dan zou waarschijnlikniemand van de blanken zijn ontkomen; maar tans, door het wel onderhouden geweervuur op een afstand gehouden, was hen dit wapen nutteloos. Wel werden er enige assagaaien geworpen, en sommige Boeren gewond, maar hoewel gehele rijen Zulu's onder het dodend lood bezweken waren, was er nog geen enkele blanke gedood.

De strijd was tans verdeeld in twee afzonderlike gevechten: dat van de voorhoede en dat van de achterhoede. De Zulukrijgslieden hadden de benedenhelft van de bergbrug ter linkerzijde geheel ontbloot, en hadden zich aangesloten bij de aanvallers van Potgieter, die voet voor voet strijdende, tot tegen de bergrug ter rechterzijde was teruggedrongen. Potgieter gaf bevel om met de grootste snelheid enige salvo's op de Zulu's die hun de pas van achteren afsneden, te vuren, dan op hun paarden te springen, door de Zulu's te breken, zich weder te verzamelen, en dan de vijand in het front hebbende, de strijd voort te zetten, en hen terug te drijven, tot men zich met de afdeling onder Uijs verenigen kon. Deze beweging, met spoed en beslistheid uitgevoerd, had het gewenste gevolg. Vóór de Zulu's, verward door de hevige losbrandingen, zich konden herenigen, drong de gehele afdeling ruiters op hen in, stootte hen overhoop, en baande zich een doortocht naar het open veld. Slechts enige Boeren, met assagaaien doorstoken, bleven in de bres achter.

Toen men zich door de vijand geslagen had, trachtte Potgieter zijn manschappen te verzamelen en opnieuw tegen de vijand te leiden; doch dat bleek weldra onmogelik te zijn. De mannen in zijn onmiddellike nabijheid gehoorzaamden hem, maar de anderen op enige afstand, zijnbevelen niet kunnende of niet willende horen, reden voort, en toonden spoedig dat de weluitgevoerde krijgsbeweging ontaard was in een vlucht. Nog bood Potgieter met zijn handvol dapperen een geduchte weerstand tegen de aanstormende Zulu's; maar het bleek spoedig, dat ook hij moest terugtrekken, wilde hij niet opnieuw omsingeld en met de zijnen gedood worden. Al schietende reed hij de vluchtelingen achterna, door de Zulu's gevolgd.

Intussen was de afdeling onder Uijs in bloedige strijd gewikkeld. Hij had spoedig bemerkt dat de voorhoede van het overige gedeelte afgesneden en door de vijand omringd was. Zijn positie was gevaarliker dan die van Potgieter, daar hij zich in het nauwste gedeelte van de bergkloof bevond, en derhalve zijn mannen niet dicht aaneengesloten kon verenigen. Hij en de zijnen weerden zich dapper, en Dirk streed aan zijn zijde met de koelbloedigheid van een ervaren krijgsman. Op eens drong een sterke bende Zulu's ter rechterzijde de bergkant af, en viel de blanken van terzijde aan. In een ogenblik waren Jozef Kruger en François Labuschagne, die hun geweren hadden afgesloten, onder de assagaaien bezweken. De Zulu induna hief zijn umhkonto op tegen Dirk en wilde hem doorsteken, toen met een uitroep die in het slaggewoel verloren ging, de trouwe Galant zich tussen de Zulu en zijn kleinbaas wierp, en de dodelike stoot in zijn borst opving. De oude dienaar zeeg in elkaar, en op hetzelfde ogenblik verpletterde de kogel van Dirk de hersenpan van de induna. De jongeling sidderde, en tranen verduisterden zijn ogen, toen hij op het stuiptrekkende lichaam van Galant aan zijn voeten nederzag. Doch tans geen tijdvoor aandoening of weeklagen. Strijden, strijden om het lieve leven. Laden en op de vijand losbranden. Steeds nauwer en nauwer werd de kring waarin de Boeren zich bevonden, en schoon gehele gelederen der zwarte vijanden het slagveld bedekten, trad voor iedere Zulu die werd neergeschoten, een ander koelbloedig over zijn ontzield lichaam in zijn plaats.

De dappere Karel Landman, die zich als een leeuw verweerde, was met enige mannen tegen de helling van de berg opgedrongen, zodat hij de gehele kloof kon overzien. Een vreugdekreet der Zulu's, die hun vorig krijgsgeschreeuw overtrof en boven het rumoer van de strijd uitklonk, trok zijn aandacht. Hij sloeg zijn blik naar de plaats waar de achterhoede slaags was, en waar Potgieter zich juist door de vijand had geslagen. “Mijn God! Zij vluchten!” riep hij uit, “alles is verloren!” Zijn ervaren oog bemerkte, dat de vijand het gebergte aan de linkerzijde verlaten had. Hij baande zich een weg tot Uijs, en riep hem toe: “Kommandant,de achterhoede is op de vlucht geslagen. Wij moeten retireren, of allen hier sterven. Ter linkerzijde is de berg door de vijand verlaten, in die richting moeten wij ons een doortocht maken.” Tijd voor lang overleggen was er niet. “Broeders,”antwoordde Uijs, “neem het op je, de manschappen te doen verstaan wat zij doen moeten. Laten zij zich door de vijand slaan. Ik en zij die mij omringen, zullen de aftocht dekken.”

In weinige ogenblikken hadden de Boeren zich tegen de linkerzijde van de aanval verenigd, hun geweren afgeschoten en hun paarden bestegen, en waren ze door de vijand gedrongen. Een ieder gaf, zodra hij in het vrije veldkwam, zijn paard de teugel en rende weg. Slechts Uijs en zijn weinig dapperen, bij wie Karel Landman zich gevoegd had, trokken, gestadig vurende en de vluchtelingen beschermende, zich langzaam terug, door de vijand op de voet gevolgd. Opeens bemerkte Landman, dat Uijs ineenkromp, en voorover boog op de hals van zijn paard. Met een krachtige beweging hief hij zich echter dadelik weer op, en trok met eigen hand een assagaai uit, die hem in de lendenen getroffen en een diepe wonde veroorzaakt had, juist toen hij zijn paard had doen stilstaan, om de vuursteen van zijn geweer te scherpen. Bijna gelijktijdig zakte Louis Nel, die bij hem reed, met zijn paard ineen. Maar spoedig was Nel weer ter been, slechts zijn paard was dodelik getroffen, hij zelf was ongedeerd. “Om 's Heren wil, Kommandant!” riep hij uit, “laat me niet in de handen van de vijand vallen.”“Nee, broeder,”antwoordde Uijs, “dat zal ik niet. Welsier is sterk en moedig, en kan ons beiden dragen. Spring achter op mijn paard.” Slechts enige schreden hadden zij zo voortgereden, toen Nel, dodelik door een assagaai getroffen, zijn handen ten hemel hief, en van het paard tuimelde.

Uijs was intussen doodsbleek geworden. Met moeite hield hij zich in de zadel. De wond die hij ontvangen had, was dodelik. Zijn levensbloed stroomde uit de wond, en droop af langs de zijde van zijn paard. Zijn manschappen, dit ziende, kwamen twee hunner en reden aan iedere zijde één, en trachtten hem te ondersteunen. De wakkere voortrekker wist echter dat het te laat was. Hij voelde zijn einde naderen. Met nog altijd krachtige stem zei hij: “Ik dank je, broeders, maar met mij is het voorbij, ik moettoch sterven. Ge kunt nog ontkomen. Red je. Sla je door de vijand heen. Houd God voor ogen!” Met weemoed lieten zijn krijgsmakkers hem los en reden voorwaarts. Zijn trouwe Welsier deed nog enige stappen, toen rolde Uijs van hem af.

Dirk was enigszins vooruit gereden. Toen de andere ruiters hem bereikten, miste hij zijn vader. “Waar is mijn vader?” vroeg hij angstig en keek achterwaarts. De stervende krijgsman, bijna reeds door zijn vijanden omringd, had het hoofd opgeheven, misschien om, schoon worstelende met de dood, nog een laatste blik te werpen op zijn Dirk, zijn zoon. “Ik sterf met mijn vader!” riep de knaap met geestedrift uit, toen zijn oog dat van zijn vader ontmoette; en vóór zijn metgezellen het konden verhinderen, had hij zijn paard omgewend en stormde hij alleen tegen de vijand in. Driemaal weerklonk de knal van zijn geweer; dat was het enige dat de krijgsmakkers van het uiteinde van hem en zijn vader later konden mededelen.

Twee moedige harten hadden opgehouden te kloppen, en terwijl de barbaarse vijand zich vermaakte met het verminken hunner lichamen, stegen twee reine zielen, die van vader en zoon, opwaarts naar de troon van God; naar die eeuwige woningen, waar geen strijd of smart, geen lijden of leed immermeer zijn zullen.7)

Hun as werd door de wind verstrooid. Geen erezuil, geen grafgesteente kenmerkt de plek, waar zij het leven lieten. Hun schoonste monument, onvatbaar voor de tand des tijds, is echter hun moedig mannelik leven en sterven, en zal in de geschiedenis van Zuid-Afrika's edelste zonen steeds een eerste plaats innemen.

Slag van Endouda Kusuka.

Wat hadden intussen de Engelsen aan de Baai gedaan? Hadden zij met de Boeren woord gehouden? Voorzeker, ja! Op de afgesproken tijd vertrok hun kommando van de Baai, onder bevel vanRobert BiggarenJohn Cane. Het telde slechts weinig blanken, niet meer dan achttien, allen van erkende moed, en met het land en de taktiek der inboorlingen goed bekend. Deze blanken hadden onder zich omtrent dertig Hottentotten en drie duizend kaffers, de meesten Zulu's waarvan omtrent vier honderd met geweren gewapend waren. Makoni en Dutulu met hun volgelingen waren aan de spits van het kommando; bij hen bestond nog de hoop, dat de ontevredenen in de Zulu impi, op het zien van hen, zouden overlopen en met hen gemene zaak maken.

Toen zij de Tugela doorgetrokken waren, stuitten zij op een afdeling Zulu's die op verkenning uit waren, en na een schermutseling terugtrokken. Het kommando vervolgde zijn tocht, en bereikte weldra Endouda Kusuka, waar slechts een regiment Zulu's aanwezig was, zijnde de hoofdimpi, op bevel van Dingaan enige afstand landwaarts in getrokken, om in geval van nood, hem in de strijd tegende Boeren te hulp te kunnen snellen. De Boeren echter verslagen zijnde, was deze impi reeds weer op weg om zijn vorige stelling in te nemen.

Endouda Kusuka werd, vóór de morgenschemering brak, omsingeld, en van alle zijden met de geweren hevig beschoten. De kogels drongen door de wanden der strohutten en pondokken, en vele vrouwen en kinderen, die in hun broze woningen veiligheid hadden gezocht, vonden daar de dood of werden verwond. Nadat ditgeweer-bombardementgeruime tijd had geduurd, werd bevel gegeven om de kraal te bestormen. Met gejuich stortte het kommando zich van alle zijden over de zwakke verschansingen, en ontmoette slechts geringe tegenstand. Schoon de blanken ook al trachtten onnodig bloedvergieten te voorkomen, konden zij hun zwarte hulptroepen niet beteugelen. Deze hadden maar al te wel van de Zulu-aanvoerders geleerd, dat oorlogvoeren met het verdelgen van ieder tot de vijand behorend menselik wezen gelijk staat, en zij staken allen overhoop die zij bereiken konden. Makoni was handgemeen geworden met een forsgebouwde vijandelike krijgsman. Hij herkende in hem Losabi, de induna van het regiment dat in de kraal gelegerd was. Hevig was de strijd, want beiden waren dappere mannen, bedreven in de hantering van assagaai en schild. Eindelik trof Makoni zijn tegenstander met zoveel kracht in de borst, dat de assagaai door zijn lichaam drong, en de punt tussen zijn schouderbladen uitstak. Losabi stond enige ogenblikken te waggelen; zijn hand liet de assagaai los; hij greep in de lucht als zocht hij een houvast om het evenwicht te bewaren, toen viel hij ruggelings ter aarde, en zijn groot schild,nog aan zijn linkerarm bevestigd, deed met de val een dof gedreun horen, als sloeg het de roffel van zijn dood. De stervende Zulu sloeg zijn reeds brekend oog op zijn tegenstander, en zei met gorgelende stem: “Ah, Makoni! met mij kunt ge doen wat ge wilt. Mij kunt ge doden. Maar spoedig zal de poot van de Grote Olifant je verpletteren.”

De strijd was tans geëindigd, er was niemand overgebleven die zich verdedigen kon. Het vuur werd in de hutten gestoken, en weldra steeg een zwarte rookkolom uit Endouda Kusuka in de lucht.

Dacht het kommando dat de dag gewonnen, de strijd voor ditmaal geëindigd was, weldra zou het blijken anders te zijn. De kraal was door een heuvelreeks omringd, waarvan landwaarts in, steile hellingen en diepe kloven, naar de lager gelegen vlakten afschoten. In deze vlakten had de terugkerende Zulu impi overnacht, en was reeds weer op mars toen de aanval op de kraal plaats vond. De impi bestond uit zeven regimenten, en was ongeveer tienduizend man sterk. Toen zij de voet van de heuvelreeks bereikten, zagen zij de rookwolken aan de andere zijde omhoog stijgen. Umhlebe, die hoofd-induna was, riep uit: “De Engelsen hebben Endouda Kusuka aangevallen en in brand gestoken! De impi spoede zich, opdat wij heden nog de vijand verslaan!” Met versnelde pas rukten de Zulu's tegen de heuvel uit, en de top bereikt hebbende, zagen zij hun kraal in bezit van de vijand, en hun vee reeds verzameld en voortgedreven naar de drift van de Tugela. Een gebrul van woede ging uit het Zululeger op. De induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi kwamen opeen heuveltop, vanwaar zij alles konden overzien, bijeen, en gaven bevel dadelik de vijand te bestormen.

Intussen hadden de Engelsen de naderende Zulu's bemerkt. Met de grootste haast verzamelden zij hun verspreide manschappen in slagorde voor de brandende kraal. De blanken en Hottentotten met hun geweren vormden de voorste gelederen, en werden door hun zwarte bondgenoten gedekt. Nauweliks was hun slagregeling voltooid, of de voorhoede van de Zulu impi kwam als een zwarte lawine van de heuvelhelling op hen afstorten; doch hij werd ontvangen met zulk een welgericht en goed onderhouden geweervuur, dat hij weldra zwenkte en zich terugtrok, het slagveld met zijn doden en gekwetsten overdekt latende.

Er kwam een ogenblik van verademing, maar ook slechts een ogenblik. De impi vormde zich in de slagorde door Tshaka uitgedacht en ingevoerd, die van een halve maan, waarvan het middengedeelte recht op de vijand aantrok, terwijl de beide hoorns hem gestadig omsingelden.John Canezag de beweging die de Zulu's gingen uitvoeren. Dadelik zond hijOglemet een afdeling der hulpbenden tegen de zuid-westelike hoorn af, en hijzelf richtte een aanval tegen de noord-oostelike. De afdeling vanOgledreef de vijand terug, en reeds verheugde men zich over het behaalde voordeel, toen door een oorzaak, die nimmer is verklaard, zijn afdeling uiteenstoof, en het op een lopen zette naar de drift van de Tugela. “Zie, hoe ze kunnen lopen!” riep de Zulu bevelhebber juichend uit, en beval de algemene bestorming.Ogle, te trots en te moedig om te vluchten, vond de dood, zich dapper verwerende.John CanemetBiggarenStubbs, bijgestaan door de afdeling van Makoni, wierp zich naar voren, om de vijand te ontvangen. Hij kreeg een assagaai in de borst, die hij met eigen hand uittrok, maar op hetzelfde ogenblik wierp eenZuluhem met een assagaai tussen de schouders. Het wapen stond te trillen in zijn vlees. Dutulu, die achter hem was, vloog toe, om de spies uit de wonde te trekken;Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en denkende dat het een vijand was, loste hij zijn geweer, over zijn schouder, en schoot het hoofd van Dutulu te pletter, op hetzelfde ogenblik dat diens hand de assagaai aanraakte. De trouwe Zulu viel ter aarde, en ter zelfder tijd roldeCanestervend naast hem neder. Nog enige minuten en ookStubbsenBiggarlagen met wonden overdekt, zieltogend op de met bloed doorweekte bodem uitgestrekt.

Toen de blanke aanvoerders gevallen waren, nam het gehele kommando de vlucht, en kon, daar het tans door de hoorns van de Zulu slagorde aan beide zijden was ingesloten, slechts één richting nemen, en wel naar de oever van de Tugela, die op dit punt, ongelukkig voor de vluchtelingen, uit bijna loodrechte, honderd voet hoge rotsen bestond. Tijd tot aarzelen of bedenken, was er echter niet. Achter hen en van beide zijden naderde de onfeilbare dood; vóór hen bestond er nog enige, schoon maar geringe kans op levensbehoud, en de vluchtelingen stortten zich over de rotsen. Van de eerste honderden die de gevaarlike sprong waagden, bleef slechts een zeer klein gedeelte behouden, de meesten vielen verpletterd aan de voet der rotsen, en eerst toen de hoop doden, zieltogenden en verminktende afstand had verminderd, en de val of sprong brak, bereikten de meeste vluchtelingen de rivier. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeling der Zulu's was de rotsen omgetrokken, en had zich te water begeven, de stroom rood kleurende met het bloed der onder hun assagaaisteken bezwijkende vluchtelingen. Op deze wijze vond hier Blankenberg, een der laatst overgebleven aanvoerders,de dood.

Ons verhaal spoedt ten einde. Na hun overwinning te Endouda Kusuka toog het Zulu leger door de Tugela, en rukte op naar de Baai van Natal. De weinige overgebleven blanke mannen vluchtten met de vrouwen en kinderen op een klein eiland in het midden van de Baai. Van hier moesten zij het aanzien, hoe alles wat zij bezaten door de Zulu's weggevoerd of verwoest werd, en hoe weldra slechts enige kale muren en rokende puinhopen de plaats aanwezen waar hun vreedzame nederzetting had gestaan. Diezelfde nacht werden de blanken aan boord genomen van “The Cornet”, een vaartuig dat, gelukkig voor hen, juist in de Baai voor anker lag, en dadelik daarna zee koos. Het overblijfsel hunner bondgenoten vluchtte landwaarts in, en Makoni trok, met het overschot zijner volgelingen naar het lager der Boeren.8)


Back to IndexNext