XII.

[Inhoud]XII.XII.DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot[264]„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”.Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje[265]eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.„Is die traite te dekken?”[266]„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …”„Ik weet het.”„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?”„Ja.—Ada apa?” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten.”Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „Sapada!” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke[267]voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, maar sloop den hoek om van het gebouw.„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.”De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen.„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..”„Wie deed haar?”„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.”„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?”„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,”[268]zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.”„Is dat alles waarop je geloof steunt?”„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de markt?”„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.”„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel.”„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.”[269]„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?”„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?”„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor genoemd wordt.”„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.”„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.”[270]„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?”„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?”„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop.”„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.”„Maar niet het waarschuwen.”„Dat heb ik gedaan.”„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.”[271]„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten te beoordeelen.”„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.”„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!”„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog bijkomen?[272]Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan.De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije;[273]„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…”„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.”„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je immers om het te gaan zeggen.”„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.”„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?”[274]„Nu?”„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.”„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide de boekhouder lachende.„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.”„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit.[275]„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.”„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die ook weer?”„Ik ben hem glad vergeten!”„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo.”„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.”„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker[276]of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk al getrokken.”„Anderen maken toch winst!”„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?”„Vroeger, ja.”„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?”„Ja. En zóó, meen je, gaat het …”„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten.[277]De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!”„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?”„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.”„Ze? Wie?”„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.”„Wacht, ik zal laten inspannen.”„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.”Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist[278]bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden,[279]spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden omun rien; sterker nog, om betoonden[280]ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen[281]zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu!„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?”Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste tijden van hun huwelijk,[282]de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen.„Kleine Anna!” stamelde hij.„Paatje, wat heeft u toch?”„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …”„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.”Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarongmet verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende[283]in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand dersarongbegon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles je moeder! Ikmoestme zoo vergissen.”„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga eenkabajaaantrekken.”„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten.”EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

[Inhoud]XII.XII.DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot[264]„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”.Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje[265]eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.„Is die traite te dekken?”[266]„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …”„Ik weet het.”„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?”„Ja.—Ada apa?” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten.”Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „Sapada!” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke[267]voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, maar sloop den hoek om van het gebouw.„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.”De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen.„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..”„Wie deed haar?”„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.”„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?”„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,”[268]zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.”„Is dat alles waarop je geloof steunt?”„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de markt?”„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.”„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel.”„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.”[269]„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?”„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?”„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor genoemd wordt.”„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.”„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.”[270]„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?”„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?”„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop.”„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.”„Maar niet het waarschuwen.”„Dat heb ik gedaan.”„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.”[271]„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten te beoordeelen.”„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.”„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!”„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog bijkomen?[272]Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan.De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije;[273]„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…”„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.”„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je immers om het te gaan zeggen.”„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.”„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?”[274]„Nu?”„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.”„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide de boekhouder lachende.„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.”„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit.[275]„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.”„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die ook weer?”„Ik ben hem glad vergeten!”„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo.”„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.”„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker[276]of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk al getrokken.”„Anderen maken toch winst!”„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?”„Vroeger, ja.”„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?”„Ja. En zóó, meen je, gaat het …”„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten.[277]De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!”„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?”„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.”„Ze? Wie?”„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.”„Wacht, ik zal laten inspannen.”„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.”Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist[278]bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden,[279]spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden omun rien; sterker nog, om betoonden[280]ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen[281]zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu!„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?”Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste tijden van hun huwelijk,[282]de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen.„Kleine Anna!” stamelde hij.„Paatje, wat heeft u toch?”„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …”„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.”Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarongmet verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende[283]in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand dersarongbegon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles je moeder! Ikmoestme zoo vergissen.”„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga eenkabajaaantrekken.”„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten.”EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

[Inhoud]XII.XII.DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot[264]„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”.Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje[265]eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.„Is die traite te dekken?”[266]„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …”„Ik weet het.”„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?”„Ja.—Ada apa?” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten.”Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „Sapada!” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke[267]voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, maar sloop den hoek om van het gebouw.„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.”De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen.„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..”„Wie deed haar?”„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.”„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?”„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,”[268]zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.”„Is dat alles waarop je geloof steunt?”„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de markt?”„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.”„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel.”„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.”[269]„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?”„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?”„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor genoemd wordt.”„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.”„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.”[270]„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?”„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?”„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop.”„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.”„Maar niet het waarschuwen.”„Dat heb ik gedaan.”„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.”[271]„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten te beoordeelen.”„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.”„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!”„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog bijkomen?[272]Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan.De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije;[273]„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…”„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.”„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je immers om het te gaan zeggen.”„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.”„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?”[274]„Nu?”„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.”„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide de boekhouder lachende.„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.”„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit.[275]„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.”„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die ook weer?”„Ik ben hem glad vergeten!”„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo.”„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.”„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker[276]of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk al getrokken.”„Anderen maken toch winst!”„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?”„Vroeger, ja.”„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?”„Ja. En zóó, meen je, gaat het …”„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten.[277]De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!”„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?”„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.”„Ze? Wie?”„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.”„Wacht, ik zal laten inspannen.”„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.”Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist[278]bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden,[279]spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden omun rien; sterker nog, om betoonden[280]ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen[281]zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu!„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?”Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste tijden van hun huwelijk,[282]de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen.„Kleine Anna!” stamelde hij.„Paatje, wat heeft u toch?”„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …”„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.”Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarongmet verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende[283]in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand dersarongbegon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles je moeder! Ikmoestme zoo vergissen.”„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga eenkabajaaantrekken.”„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten.”EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

XII.XII.DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.

XII.

Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot[264]„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”.Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje[265]eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.„Is die traite te dekken?”[266]„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …”„Ik weet het.”„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?”„Ja.—Ada apa?” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten.”Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „Sapada!” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke[267]voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, maar sloop den hoek om van het gebouw.„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.”De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen.„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..”„Wie deed haar?”„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.”„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?”„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,”[268]zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.”„Is dat alles waarop je geloof steunt?”„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de markt?”„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.”„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel.”„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.”[269]„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?”„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?”„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor genoemd wordt.”„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.”„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.”[270]„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?”„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?”„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop.”„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.”„Maar niet het waarschuwen.”„Dat heb ik gedaan.”„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.”[271]„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten te beoordeelen.”„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.”„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!”„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog bijkomen?[272]Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan.De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije;[273]„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…”„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.”„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je immers om het te gaan zeggen.”„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.”„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?”[274]„Nu?”„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.”„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide de boekhouder lachende.„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.”„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit.[275]„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.”„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die ook weer?”„Ik ben hem glad vergeten!”„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo.”„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.”„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker[276]of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk al getrokken.”„Anderen maken toch winst!”„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?”„Vroeger, ja.”„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?”„Ja. En zóó, meen je, gaat het …”„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten.[277]De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!”„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?”„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.”„Ze? Wie?”„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.”„Wacht, ik zal laten inspannen.”„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.”Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist[278]bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden,[279]spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden omun rien; sterker nog, om betoonden[280]ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen[281]zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu!„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?”Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste tijden van hun huwelijk,[282]de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen.„Kleine Anna!” stamelde hij.„Paatje, wat heeft u toch?”„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …”„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.”Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarongmet verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende[283]in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand dersarongbegon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles je moeder! Ikmoestme zoo vergissen.”„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga eenkabajaaantrekken.”„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten.”EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot[264]„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”.

Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje[265]eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.

Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.

„Is die traite te dekken?”[266]

„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …”

„Ik weet het.”

„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?”

„Ja.—Ada apa?” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten.”

Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „Sapada!” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke[267]voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, maar sloop den hoek om van het gebouw.

„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.”

De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.

„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen.

„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..”

„Wie deed haar?”

„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.”

„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?”

„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,”[268]zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.”

„Is dat alles waarop je geloof steunt?”

„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de markt?”

„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.”

„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel.”

„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.”[269]

„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?”

„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?”

„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor genoemd wordt.”

„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.”

„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.”[270]

„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?”

„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?”

„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop.”

„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.”

„Maar niet het waarschuwen.”

„Dat heb ik gedaan.”

„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.”[271]

„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten te beoordeelen.”

„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.”

„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!”

„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog bijkomen?[272]Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.

„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan.

De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.

Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.

„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije;[273]„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…”

„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.”

„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je immers om het te gaan zeggen.”

„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.”

„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?”[274]

„Nu?”

„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.”

„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide de boekhouder lachende.

„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.”

„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit.[275]

„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.”

„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die ook weer?”

„Ik ben hem glad vergeten!”

„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo.”

„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.”

„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker[276]of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk al getrokken.”

„Anderen maken toch winst!”

„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?”

„Vroeger, ja.”

„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?”

„Ja. En zóó, meen je, gaat het …”

„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten.[277]De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!”

„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?”

„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.”

„Ze? Wie?”

„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.”

„Wacht, ik zal laten inspannen.”

„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.”

Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist[278]bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden,[279]spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden omun rien; sterker nog, om betoonden[280]ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen[281]zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu!

„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?”

Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste tijden van hun huwelijk,[282]de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.

Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen.

„Kleine Anna!” stamelde hij.

„Paatje, wat heeft u toch?”

„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …”

„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.”

Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarongmet verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende[283]in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand dersarongbegon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles je moeder! Ikmoestme zoo vergissen.”

„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga eenkabajaaantrekken.”

„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten.”

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.


Back to IndexNext