XI.

[Inhoud]XI.XI.DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen met een tijding,[278]die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning van Piong Pan Ho.Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij denSingkeheen oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in[279]hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom[280]luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken.De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden[281]op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan den sleutel wist te liggen?De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.De zware marmeren tafel, die in het[282]midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke,[283]van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle naaktheid voor oogen.Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had.„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.”Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille van[284]Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning.„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw.„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?”„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?”„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.”„Dus niet …?”„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.”[285]„Wat? Als je niet eens zeker weet …?”„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openendvanhun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen.Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren?„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.”„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen.”[286]Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met de andere derottandie als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong Pan Ho was in hem gevaren!„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend voor den wil van een man.De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was.„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.”Wije meende zeker te weten, dat Piong[287]Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden.„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. „Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.”„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast.„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid.Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.Na het vertrek van denBabahopende hij[288]het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.Piong Pan Ho.”Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte.[289]Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt.In eentokovan ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag[290]van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „the most splendid vessel and finest lodging you ever saw” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …”„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram dat op de tafel lag.[291]„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.”„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand meer.”„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?”„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.”„Daar heb je gelijk in.Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!”Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had mogen lijden.”Doch den volgenden morgen vroeg, toen[292]de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubelsen blochad overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, niemand die hun goede reis wenschte.Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, ergsportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.[293]„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.Dit laatste was het geval met van Beek.De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend,[294]had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van de verrassing bekomen was.Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singaporeaangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette[295]te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauweappartementverliet om naar boven te gaan.Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.Doch de zee is vol listen en lagen.Decommissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen[296]Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten.Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn juisten blik.Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, langzaam aan.[297]’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag.Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist.”„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen.„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?”„Ja”.Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.[298]„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw.„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.”„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven.Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan[299]niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door het geopend patrijspoortje in zee.Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.EINDE.

[Inhoud]XI.XI.DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen met een tijding,[278]die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning van Piong Pan Ho.Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij denSingkeheen oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in[279]hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom[280]luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken.De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden[281]op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan den sleutel wist te liggen?De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.De zware marmeren tafel, die in het[282]midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke,[283]van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle naaktheid voor oogen.Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had.„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.”Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille van[284]Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning.„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw.„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?”„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?”„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.”„Dus niet …?”„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.”[285]„Wat? Als je niet eens zeker weet …?”„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openendvanhun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen.Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren?„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.”„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen.”[286]Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met de andere derottandie als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong Pan Ho was in hem gevaren!„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend voor den wil van een man.De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was.„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.”Wije meende zeker te weten, dat Piong[287]Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden.„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. „Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.”„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast.„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid.Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.Na het vertrek van denBabahopende hij[288]het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.Piong Pan Ho.”Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte.[289]Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt.In eentokovan ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag[290]van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „the most splendid vessel and finest lodging you ever saw” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …”„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram dat op de tafel lag.[291]„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.”„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand meer.”„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?”„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.”„Daar heb je gelijk in.Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!”Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had mogen lijden.”Doch den volgenden morgen vroeg, toen[292]de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubelsen blochad overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, niemand die hun goede reis wenschte.Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, ergsportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.[293]„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.Dit laatste was het geval met van Beek.De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend,[294]had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van de verrassing bekomen was.Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singaporeaangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette[295]te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauweappartementverliet om naar boven te gaan.Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.Doch de zee is vol listen en lagen.Decommissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen[296]Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten.Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn juisten blik.Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, langzaam aan.[297]’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag.Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist.”„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen.„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?”„Ja”.Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.[298]„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw.„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.”„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven.Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan[299]niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door het geopend patrijspoortje in zee.Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.EINDE.

[Inhoud]XI.XI.DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen met een tijding,[278]die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning van Piong Pan Ho.Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij denSingkeheen oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in[279]hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom[280]luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken.De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden[281]op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan den sleutel wist te liggen?De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.De zware marmeren tafel, die in het[282]midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke,[283]van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle naaktheid voor oogen.Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had.„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.”Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille van[284]Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning.„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw.„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?”„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?”„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.”„Dus niet …?”„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.”[285]„Wat? Als je niet eens zeker weet …?”„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openendvanhun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen.Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren?„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.”„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen.”[286]Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met de andere derottandie als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong Pan Ho was in hem gevaren!„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend voor den wil van een man.De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was.„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.”Wije meende zeker te weten, dat Piong[287]Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden.„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. „Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.”„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast.„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid.Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.Na het vertrek van denBabahopende hij[288]het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.Piong Pan Ho.”Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte.[289]Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt.In eentokovan ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag[290]van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „the most splendid vessel and finest lodging you ever saw” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …”„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram dat op de tafel lag.[291]„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.”„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand meer.”„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?”„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.”„Daar heb je gelijk in.Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!”Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had mogen lijden.”Doch den volgenden morgen vroeg, toen[292]de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubelsen blochad overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, niemand die hun goede reis wenschte.Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, ergsportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.[293]„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.Dit laatste was het geval met van Beek.De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend,[294]had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van de verrassing bekomen was.Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singaporeaangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette[295]te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauweappartementverliet om naar boven te gaan.Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.Doch de zee is vol listen en lagen.Decommissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen[296]Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten.Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn juisten blik.Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, langzaam aan.[297]’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag.Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist.”„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen.„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?”„Ja”.Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.[298]„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw.„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.”„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven.Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan[299]niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door het geopend patrijspoortje in zee.Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.EINDE.

XI.XI.DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.

XI.

Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen met een tijding,[278]die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning van Piong Pan Ho.Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij denSingkeheen oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in[279]hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom[280]luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken.De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden[281]op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan den sleutel wist te liggen?De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.De zware marmeren tafel, die in het[282]midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke,[283]van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle naaktheid voor oogen.Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had.„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.”Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille van[284]Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning.„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw.„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?”„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?”„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.”„Dus niet …?”„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.”[285]„Wat? Als je niet eens zeker weet …?”„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openendvanhun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen.Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren?„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.”„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen.”[286]Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met de andere derottandie als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong Pan Ho was in hem gevaren!„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend voor den wil van een man.De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was.„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.”Wije meende zeker te weten, dat Piong[287]Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden.„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. „Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.”„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast.„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid.Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.Na het vertrek van denBabahopende hij[288]het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.Piong Pan Ho.”Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte.[289]Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt.In eentokovan ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag[290]van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „the most splendid vessel and finest lodging you ever saw” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …”„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram dat op de tafel lag.[291]„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.”„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand meer.”„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?”„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.”„Daar heb je gelijk in.Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!”Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had mogen lijden.”Doch den volgenden morgen vroeg, toen[292]de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubelsen blochad overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, niemand die hun goede reis wenschte.Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, ergsportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.[293]„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.Dit laatste was het geval met van Beek.De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend,[294]had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van de verrassing bekomen was.Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singaporeaangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette[295]te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauweappartementverliet om naar boven te gaan.Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.Doch de zee is vol listen en lagen.Decommissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen[296]Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten.Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn juisten blik.Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, langzaam aan.[297]’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag.Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist.”„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen.„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?”„Ja”.Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.[298]„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw.„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.”„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven.Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan[299]niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door het geopend patrijspoortje in zee.Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.EINDE.

Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen met een tijding,[278]die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning van Piong Pan Ho.

Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij denSingkeheen oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in[279]hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.

„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.

Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom[280]luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken.

De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.

In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden[281]op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.

Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan den sleutel wist te liggen?

De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.

De zware marmeren tafel, die in het[282]midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.

Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke,[283]van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle naaktheid voor oogen.

Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had.

„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.”

Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille van[284]Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.

Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning.

„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw.

„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?”

„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?”

„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.”

„Dus niet …?”

„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.”[285]

„Wat? Als je niet eens zeker weet …?”

„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openendvanhun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen.

Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren?

„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.”

„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen.”[286]

Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met de andere derottandie als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong Pan Ho was in hem gevaren!

„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend voor den wil van een man.

De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was.

„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.”

Wije meende zeker te weten, dat Piong[287]Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden.

„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. „Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.”

„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast.

„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid.

Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.

Na het vertrek van denBabahopende hij[288]het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:

„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.Piong Pan Ho.”

„Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.

Piong Pan Ho.”

Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte.[289]Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.

Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt.

In eentokovan ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag[290]van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „the most splendid vessel and finest lodging you ever saw” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.

’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.

„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …”

„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram dat op de tafel lag.[291]

„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.”

„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand meer.”

„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?”

„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.”

„Daar heb je gelijk in.Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!”

Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had mogen lijden.”

Doch den volgenden morgen vroeg, toen[292]de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubelsen blochad overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, niemand die hun goede reis wenschte.

Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, ergsportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.[293]

„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.

In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.

Dit laatste was het geval met van Beek.

De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend,[294]had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van de verrassing bekomen was.

Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singaporeaangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette[295]te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauweappartementverliet om naar boven te gaan.

Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.

Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.

Doch de zee is vol listen en lagen.

Decommissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen[296]Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten.Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn juisten blik.

Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, langzaam aan.[297]

’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag.

Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.

„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist.”

„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen.

„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?”

„Ja”.

Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.[298]

„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.

Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw.

„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.”

„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven.

Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.

„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan[299]niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door het geopend patrijspoortje in zee.

Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.

EINDE.


Back to IndexNext