X.

De raadsleden, vooral de boeren, waren zeer ontdaan. Schouwvlieghe en Donckers, uit angst om het kasteel en ook veel uit angst om meneer den pastoor te dwarsboomen, poogden het nog even, hoewel schuchter, goed, te praten, maar de boeren, die er geen direkt belang bij hadden, voelden duidelijk hoe dat alles zeer verkeerd was. En van een anderen kant voelden zij ook wel, dat Plus-Que-Parfait daar zoo scherp tegen streed, niet uit zorg voor 't algemeen belang, maar omdat hij zelf de geldelijke middelen niet bezat om zich een auto aan te schaffen,… zij voelden en wisten dat alles, de boeren; maar zij voelden ook en bovenal hun eigen zwakheid en hun lafheid, hun ellendige, traditioneele, uit geslachten van slaven overgeërfde lafheid, die hen als weerloos vee aan al den dwang en al de grillen van hun heerschers onderwierp. Zij zaten daar, rood en dik en laf gegeven en gedronken, en langzamerhand, onder de striemende uitvallen van Plus-Que-Parfait, ontwaakte toch weer iets als een schim van verzet tegen wat hen op 't kasteel met sluwen list reeds halvelings was afgeperst. Halvelings, maar toch zonder stellige belofte noch verbintenis. 't Barontje, en vooral de barones en de pastoor waren slim geweest, maar ook zij konden slim zijn als 't hoefde, hun slimheid was zelfs 't eenigste verweermiddel dat zij nog bezaten; en terwijl zij nu rustiger, buiten de dwingende muren van 't kasteel over de zaak verder nadachten, kwamen zij van lieverlede tot de concluzie, dat ze feitelijk nog niet onherroepelijk verbonden waren, en rees meteen in hun beneveld brein de listige verzoeking op om terug te nemen wat ze nog niet gansch gegeven hadden. 't Was Cocksken, die dat plotselings verzon en zei; Cocksken, eigenlijk de grootste schuldige met zijn onnoozelen uitroep van "de boer zal 't al betalen". Dat was ook 't eenige wat bepaald als een belofte had geklonken; maar in den mond van Cocksken had het al niet veel beteekenis; Cocksken was een grappenmaker en hij had ook veel te veel gedronken toen hij 't zei,… neen, door dien gekken uitval van Cocksken konden zij zich niet gebonden achten; en eensklaps kwam er over hun benauwde groep als een vleug van onverwachte energie en spraken zij van misschien wel tegen Barontje's voorstel te stemmen, als hij er werkelijk in den gemeenteraad mee durfde voor den dag komen.

- Ulder woord! Ulder woord da ge 'r zilt tegen stemmen! riepPlus-Que-Parfait gansch opgewonden.

Dadelijk krompen zij weer als van schrik in elkaar.

Donckers trok grijnsgezichten, Picavet, Vreeze en Van Speybroeck keken angstig om zich heen en Cocksken schreeuwde iets onsamenhangends, dat niemand goed begreep.

- Niet t' hoastig, niet t' hoastig, besloot eindelijk Donckers. Loat ons zien en afwachten en as 't zeuverre komt, loat ons allemoal goed accoord zijn en lijk iene man stemmen.

Dat vonden zij goed, dat vonden zij allen uitstekend, behalve Plus-Que-Parfait, die slechts half voldaan binnensmonds nijdig bromde en met zuur gezicht nog eens een verschen borrel bestelde.

Ook al de anderen bestelden opnieuw en Picavet vroeg of men nu niet een partijtje kaart zou spelen.

Fietje greep al vast naar het kleedje en de kaarten.

't Had twee uur op den kerktoren geslagen.

Op de stoep van het Gemeentehuis, zich koesterend in 't weeke najaarszonnetje, stonden 't Barontje en meneer François naar de komst der andere raadsleden te wachten.

't Barontje was onrustig en gejaagd. Zenuwachtig beet hij het eind van zijn sigaar tot een viesbruine prop en kon geen minuut op dezelfde plaats blijven. Meneer François, daarentegen, bleef heel kalm en bedaard, zijn bolle oogen zonder uitdrukking vettig-glimmend als gelei in zijn hoogrooden kop.

- Zeu da ge peist, da z'er toch nie 'n zillen durven tegen stemmen? vroeg 't Barontje voor de zooveelste maal.

- Natuurlijk niet, herhaalde meneer François, minachtend schouderophalend.

Sinds het diner op 't kasteel en de daarna volgende, onaangename woordenwisseling, die hij met Plus-Que-Parfait in de gelagkamer vanHet Huis van Commerciehad gehad, was meneer François heelemaal op de hand van 't Barontje overgegaan. Hij zou vóór den steenweg stemmen, daar maakte hij nu geen geheim meer van, al was 't maar om Plus-Que-Parfait te duvelen; en er werd zelfs verteld, dat ook hij zijn paarden van de hand zou doen en zich een auto aanschaffen, ook al weer om Plus-Que-Parfait te duvelen.

't Barontje haalde zenuwachtig zijn horloge uit: Reeds kwart over twee! Zouden ze dan niet komen!

In de stille straat kwam een meisje aan, in nette, boersche kleedij, die een brief droeg in haar hand. Zij kreeg een lichte kleur toen zij beide heeren op de stoep zag staan en, na een aarzeling, klom ze de treden op en overhandigde den omslag aan 't Barontje.

- Veur mij? riep 't Barontje verbaasd.

- As 't ou b'lieft, menier den b'ron.

- Wie zij-de gij? vroeg 't Barontje.

- De dochter van boer Donckers, antwoordde 't meisje blozend. Zij ging haastig weer weg en 't Barontje scheurde den omslag open.

- Nom de Dieu! riep toornig het Barontje, toen hij een paar regels had gelezen.

- Qu'est ce que c'est, monsieur le baron? vroeg meneer François verwonderd.

- Mais… mais… mais… cet animal de Donckers, nom de Dieu! Donckers et Schouwvlieghe qui ne viennent pas, omda ze'n prijzije van land moeten doen. Al konten, natuurlijk. Valschoards zijn 't, die nog vóór nog tegen durven stemmen, schouw om ulder te compromitteeren.

- Hoho, die lafoars! schimplachte meneer François. Moar, voegde hij er troostend bij, w'en hên ze nie neudig, 't zal zonder ulder euk wel goan.

In de straat kwam de secretaris, vergezeld door den nieuwen veldwachter aan. De secretaris, kort en dik, met een puntbuikje en schrale beentjes, droeg een paar lijvige registers; de veldwachter, in zijn groen uniform met glimmende knoopen, liep er lummelend naast. Zij groetten alle bei diep de twee heeren terwijl zij de stoep opklommen en verdwenen dadelijk in de gang van het Gemeentehuis.

Toen hadden die heeren een korte emotie. Gansch aan 't uiteinde der straat zagen zij den geduchten tegenstrever Plus-Que-Parfait aankomen. Zouden ze binnengaan? Zouden ze blijven staan? Met het Barontje verkeerde Plus-Que-Parfait nu op een voet van gespannen, plichtmatige beleefdheid, maar hij en meneer François groetten elkander, sinds de kijfpartij in hetHuis van Commercie, niet meer.

- Bah! Ik 'n goa veur hem giene voet uit de wig, zei meneer François uitdagend.

- Ik euk niet, 'antwoordde 't Barontje. En zij bleven staan.

Maar het liep eenvoudiger af dan zij wel dachten: op het oogenblik dat Plus-Que-Parfait over de dorpsplaats stapte, kwamen uit een zijstraat ook de boerenleden aan, zij vereenigden zich tot één groep en zoo geraakten zij aan het Gemeentehuis, waar vagelijk, zonder onderscheid van vriend of vijand werd gegroet. In kudde gingen zij binnen, stonden daar even in de gang op elkaar gepropt, verdwenen eindelijk door de openstaande deur van 't secretariaat in de gemeente-raadzaal, waar de gewichtige vergadering plaats zou hebben.

Eerst waren er een paar zaken van minder belang af te handelen: een kwestie van onvoldoende straatverlichting, waarin enkele inwoners verbetering vroegen, en het beantwoorden van een brief, onderteekend door vrij talrijke hoofden van gezinnen, waarin geklaagd werd over de onbevoegdheid van den onderwijzer, bij wien de schoolkinderen haast niets meer leerden. Er werd namelijk verlangd dat hij of wel door een ander zou vervangen worden, of dat hem nog een hulponderwijzer zou worden toegevoegd.

't Barontje, die van ambtswege de vergadering voorzat, gaf enkele toelichtingen. Hij zag de noodzakelijkheid niet in meer geld te spendeeren aan nachtelijke verlichting van de straten. De gemeente was 's avonds zeer behoorlijk verlicht, aanmerkelijk beter dan veel andere gemeenten en 't Barontje achtte het gansch overbodig des nachts lichten te laten branden, die uitsluitend van nut konden zijn voor enkele slampampers, die toch al te laat in de herbergen bleven pleisteren en veel beter op tijd in hun bed zouden liggen. Wat de aanklacht tegen den onderwijzer betrof, deze verbaasde 't Barontje ten zeerste. Bedoelde onderwijzer was een hoog moreel en zeer godvruchtig man, die zeker zijn scholieren niets verkeerds zou leeren; daar had hij 't nog pas met meneer de pastoor over gehad; en, aangaande hem nog een hulponderwijzer toe te voegen, dat was weeral gansch overbodig en geld weggegooid; de bestaande onderwijzer was volkomen goed berekend voor zijn taak en had meer dan twintig jaren aan het hoofd der school gestaan, zonder dat ooit, van wege zijn overheden, een klacht over hem was gehoord. 't Barontje stelde dus voor beide verzoeken, als niet strookende met de belangen der gemeente, eenvoudig van de hand te wijzen. Had een der leden daar iets tegen in te brengen?

Een der boerenleden, Vreeze, waagde een schuchtere opmerking. Hij had zeven kinderen, waarvan er vijf naar school gingen. Hij moest wel bekennen, dat zij bitter weinig leerden. De meester hield zich om zoo te zeggen niet met de leerlingen bezig. Hij zat soms halve dagen in zijn tuin en zijn serre, of knutselde boven op zijn zolder, waar hij duiven hield. Vreeze kon het wel eenigszins begrijpen, dat er geklaagd werd; hij zou het met geen leede oogen aanzien als de meester eens tot beter betrachten van zijn plicht werd aangewakkerd.

't Barontje verklaarde notitie te nemen van de opmerkingen van zijn medelid, maar drukte daarbij toch zijn verwondering uit, dat Vreeze, als hij werkelijk te klagen had, dan toch maar niet het verzoekschrift der andere aanklagers mede had onderteekend.

Dit scheen een harde knauw voor Vreeze, die blijkbaar deze zeer logische tegenwerping ('t Barontje haalde er alle eer van en kon dit merken aan de houding zijner medeleden) niet verwacht had. Hij brabbelde enkele onduidelijke woorden en gaf zich terstond gedwee overwonnen; en, daar verder niemand eenig belang in de zaak scheen te stellen, werd deze ook beschouwd als afgehandeld en kon men tot het laatste en gewichtigste punt van de agenda overgaan.

- Een plan wordt den gemeenteraad voorgelegd, zoo begon met onvaste stem het Barontje, om den landweg bekend onder den naam van Vierboomstraat, Sectie A. litt. D. en G. van het kadastraal plan, loopende van den kom der gemeente naar het gehucht Peperhol, met grint te bestraten. De onkosten worden geraamd op 32.800 frank en zullen worden gedekt door een leening van het Onderling Gemeentefonds, aflosbaar over een termijn van twintig jaren tegen betaling van een jaarlijksche rente á 4 per cent. Zooals den heeren raadsleden bekend is, mag de gemeente zich heden ten dage verheugen in een zóó gunstigen finantieelen toestand, dat èn de aflossing én de betaling der jaarlijksche rente, geen het minste bezwaar kunnen opleveren. Is er iemand onder de leden, die verdere toelichting verlangt?

Plus-Que-Parfait draaide zich op zijn stoel half om en stak zijn rechterhand in de hoogte.

- Ik, zei hij, kortaf.

- 't Woord es aan Meneer Vermeulen, antwoordde dadelijk 't Barontje.

Meneer Vermeulen! Wat klonk dat gek ineens, Plus-Que-Parfait's familienaam te hooren! Zoo ging het altijd: een echte verassing! Sommige leden keken om zich heen, alsof er iemand anders werd verwacht. Alleen Plus-Que-Parfait liet geen verbazing blijken.

Plus-Que-Parfait was niet bepaald een geboren redenaar. Dat waren die andere heeren trouwens ook niet. Plus-Que-Parfait was een stugge, chagrijnige grijnskerel, die slechts enkele bekrompen gedachten in zijn harden kop had zitten, maar die zaten er dan ook muurvast en waren er niet uit te hameren. Plus-Que-Parfait had zich nu eenmaal halsstarrig-vast voorgenomen 't Barontje's plan te dwarsboomen en, zoo mogelijk te verijdelen; en daar begon hij maar dadelijk mee zonder discussie uit te lokken noch omwegen te zoeken, ineens de harde, naakte waarheid als een steen in 't midden gooiend.

- Dat 'n es giene publieke wig! riep hij 't Barontje in 't gezicht. Die wig 'n es nie anders as de dreve van ou kasteel en niemand anders as gij hêt doar ienig belang bij dat hij begrint wordt!

't Barontje schokte toornig op en wrong zich zenuwachtig op zijn stoel. Maar reeds stak meneer François zijn hand in de hoogte en riep op zijn beurt:

- Menier den burgemiester, 'k vroag het woord!

- 't Woord es aan menier François, zei 't Barontje.

Misschien nog minder dan die andere heeren was meneer François een redenaar. Meestal kon hij zelfs heelemaal niet uit zijn woorden komen. Hij sprak haast altijd met korte, doorgehakte zinnen, die brabbelend over elkaar struikelden en duister door elkaar verwarden.

En bij de minste tegenspraak zwol zijn gezicht vuurrood en toornig op.

- Die wig moe gegrint worden! riep hij uitdagend. Da zal scheune zijn veur de gemiente. 't Land dat er nevens ligt zal beiwgrond worden. D'r zillen scheune huizen en villas gezet worden. 't Zal 'n scheune verbeterijnge zijn. 'k Ben d'r veuren. Ik stem er veuren!

- Wel zeu! gilde Plus-Que-Parfait verontwaardigd. En aan wie es da land, dat er nevens ligt? Weet-e gij aan wie dat 't es?

- Dat `n kan mij nie schelen! riep meneer François vijandig-uitdagend, 't Es aan wie da' 't es! Ik stem er veuren!

- Hawèl, 'k zal ik ou zeggen aan wie dat 't es! kreet Plus-Que-Parfait met nijdasserig-fonkelende oogen. Aan den baron es 't, veur mier dan den helft; en de rest aan vrende luizen, die we nie 'n zien noch kennen en die nooit giene cens belasting in de gemiente betoalen!

De stemmen begonnen erg kijvend-hoog op te galmen. 't Barontje zat als op spelden en de boeren-leden keken elkander schuw en stom, met wantrouwig-scheeve blikken aan. Zelfs Cocksken, die anders praats genoeg had, wist geen raad; en de veldwachter, die daar stond om eventueel, bij een mogelijk opkomen van het publiek, de orde te handhaven, ging op zijn teenen naar de deur en voelde of die wel goed dicht was. De dikke secretaris, met het opmaken van het verslag der zitting belast, keek angstig door de ramen in de straat, of daar soms geen nieuwsgierigen samentroepten, die het gekibbel konden hooren.

Nieuwsgierigen waren er niet. Maar eensklaps, terwijl de discussie, waarin zich nu ook scherp en bitsig het Barontje mengde, al hooger en hooger opgalmde, weerklonk daarbuiten in de straat een deftig getrappel van hoeven, en heel héél langzaam schoof een luxe-rijtuig rakelings voorbij de ramen: een mooie phaëton bespannen met twee schimmels, en waarin mevrouw de barones zat, die zelve mende, met naast zich haar koetsier in livrei, correct en stijf en strak, gelijk een opgezette pop. Zij keek opvallend naar binnen in de vergaderingszaal toen ze langs reed en te nauwernood was ze voorbij of reeds kwam ze terug, nu deftig weer de andere richting uitrijdend, en bleef zoo deftig-langzaam heen en weer toeren, als in parade-vertooning. De boeren-leden hadden haar dadelijk opgemerkt en bukten sidderend het hoofd, begrijpend hoe zij door haar enkele verschijning de stemming kwam beïnvloeden; en Plus-Que-Parfait had binnensmonds een vloek geslaakt, ziedend-verontwaardigd over zulke schaamtelooze drijverij, terwijl toch van een anderen kant zijn opgezweepte paardenhart onwillekeurig werd geboeid door 't zien der welbekende, mooie schimmels. Zijn vertoornde, maar geboeide oogen waren van de ramen niet meer afgewend; zijn éen oor was vinnig bij de nijdige discussie en zijn ander oor bij het voorname heen en weer getrappel van de hoeven; hij raakte er weldra de kluts door kwijt en besefte nog te nauwernood wat het Barontje zei, toen het voorstelde de discussie maar te sluiten en tot de stemming over te gaan.

Hij besefte 't eerst duidelijk toen de stembus werd te voorschijn gehaald en op de groene tafel neergezet. Hij deed nog een uiterste wanhopige poging om de boeren op zijn kant te krijgen, maar juist toevallig op datzelfde oogenblik hield de phaëton vlak vóór de ramen stil en mevrouw de barones, met haar vriendelijksten glimlach vooroverbuigend, sprak in de straat meneer den pastoor aan: meneer de pastoor, die daar ook precies toevallig op het zelfde oogenblik van zijn kerk terugkeerde. De boeren zagen het, en mevrouw de barones, even fluks naar binnen kijkend, merkte ook dat de boeren het zagen: zij hield haar paarden daar stil, zoo stil als de lakei, die gelijk een ziellooze pop naast haar gezeten was. Alleen met den pastoor bleef zij, vlak onder de ramen, in haar levendig gesprek verdiept en 't was alsof een plechtig rituaal gebeurde: de boeren, daarbinnen, stemden met gebukte hoofden; zij stemden schuw en nederig als honden, zooals zij om de tafel van 't kasteel aanzaten of het sermoen van den pastoor in de kerk aanhoorden; en 't oogenblik daarna was alles afgeloopen en kwam 't Barontje glunderend naar buiten, hartstochtelijk schuddend de hand van meneer den pastoor en geestdriftig stijgend in het rijtuig, waar de koetsier al gauw de plaats ontruimd had, terwijl daarbinnen, in 't Gemeentehuis, een stilte van verslagenheid heerschte, alleen gestoord door het sarrend hoongelach van meneer François en het woedend getoorn van Plus-Que-Parfait. Met algemeene stemmen behalve één enkele, die van Plus-Que-Parfait, had het Barontje zijn grintweg verkregen.

In kudde stommelden de boeren-leden de raadzaal uit en gingen in Fietje's herberg een sterkende verversching gebruiken. Dat fleurde hen wat op; en Cocksken, door de ramen kijkend, waar het mooie rijtuig nu als 't ware in vluggen triomfdraf langs reed, waagde even een ondeugende bemerking, die hen allen lachen deed:

- Zeg, 't 'n zal van den oavond gienen dobbelen-oarend zijn op 't kastiel.

Zij schaterden, en klapten op hun dijen van de pret; zij tikten met hun borrels aan en smakten aan hun pijpen; en al spoedig zaten zij gezellig bij een kaarttafeltje en hadden al die narigheid en dat gezeur vergeten…

Plus-Que-Parfait is verleden week gestorven en begraven…

Plus-Que-Parfait is gestorven als slachtoffer der automobiel. Niet dat hij in een ongeluk is omgekomen: de ramp, waaronder hij verloren ging, was van meer gecompliceerden aard: Plus-Que-Parfait is langzaam aan te niet gegaan als moreel slachtoffer van de automobiel.

Toen het Barontje nu zijn weg en zijn automobiel bezat, en toen ook weldra meneer François een auto had (opzettelijk gekocht, zeiden de menschen, om er Plus-Que-Parfait mee te ergeren) toen bleef alleen nog maar Plus-Que-Parfait als luxe-paarden-maniak in het dorp over.

Daags na de beruchte vergadering in het Gemeentehuis had hij zijn ontslag als wethouder ingediend; en, sinds dien met alle leden gebrouilleerd, vereenzaamd en verlaten, zich als 't ware uit het maatschappelijk leven teruggetrokken. In Fietje's herberg zette hij geen voet meer; 't Barontje, meneer François, Donckers, Schouwvlieghe en al de anderen groette hij niet meer; en wijl een dorpsheer toch een "stamenee" moet hebben waar hij zijn avonden doorbrengt, had hij dien verlegd naar 't vunzig herbergje van den vroegeren, door 't Barontje ontslagen veldwachter, die daardoor natuurlijk ook 's Barontje's onverzoenlijksten vijand was geworden.

Daar zat hij nu avond aan avond, nurksch en somber, meestal alleen, want andere heeren kwamen daar niet, soms in gezelschap van een paar lawaaiige, half dronken kinkels, ofwel pratend met den baas, die nooit heelemaal nuchter was. Veel praatten zij echter niet, zij rookten en dronken aanhoudend potten bier of borrels, maar als zij praatten dan was het altijd over 't zelfde onderwerp: over hun gezamenlijken haat tegen de auto's, tegen 't Barontje en meneer François.

Al van den eersten avond had Plus-Que-Parfait geeischt, dat de oud-veldwachter het uithangbord van zijn kroegje zou veranderen. Hij had het immers na zijn afdanking, uit wraak en schimp op het Barontje,In den Autogedoopt. Maar dat ging nu niet meer op; wat vroeger een schimpscheut was tegen 't Barontje leek nu wel een spot en een smaad op Plus-Que-Parfait zelf.

De oud-veldwachter zag dat in en stemde dadelijk in de verandering toe, doch had er verder wel bezwaar tegen om de onkosten van een geheel nieuw uithangbord te dragen. Er werd met Plus-Que-Parfait over gedebatteerd en geconfereerd, tot eindelijk een oplossing gevonden werd, die geniaal bleek: het oude uithangbord mocht blijven dienen, men zou er enkel 't woordje "weg" bij laten schilderen; en zoo werd hetIn den Autoweg, een dubbele, vlijmendscherpe ironie: eerst tegen 't Barontje, die den beruchten auto-weg aan de gemeente opgedrongen had; en tweedens tegen de gehate auto's zelven in den zin van "weg met de auto". Plus-Que-Parfait was jubelend over zijn geniale vondst, en aan alle klanten legde hij die, onder het drinken van veel borrels uit, echter niet steeds met evenveel succes, want er kwamen daar wel van die dikke, logge hersenen, die de fijne zetten van Plus-Que-Parfait's vernuftigen geest niet voldoende begrepen.

Maar hoe dan ook, nooit geraakten zij over die dingen uitgepraat. Het was de vaste en bestendige bekommering van heel hun futloos leven. Elken avond ontlasten Plus-Que-Parfait en de baas grijnzend en spottend in elkanders gemoed hun hart vol wrok en haat en gal en meer dan eens ook hadden zij heerlijk en weldadig leedvermaak als een van hen toevallig had vernomen, dat er iets in 't ongereede met de auto's was gekomen. Elke springende band was als een balsemknal op Plus-Que-Parfait's bloedende wonden; en eens, op een avond, was hij met opgewonden blijdschap in het kroegje aangekomen; onderweg, heel verre van het dorp, op een eenzaam gehucht, had hij meneer François' automobiel vinden staan, die heelemaal niet meer vooruit kon, half verzonken in het slijk, de chauffeur buiten adem zwoegend en zwengelend, zonder het tuig weer in gang te kunnen krijgen. Meneer François stond er bij te vloeken en te schelden en eindelijk had hij, in radelooze wanhoop, zijn toevlucht moeten nemen tot een boer met twee paarden, die er nu op weg mee waren om het ding terug te sjouwen.

Dien avond trakteerde Plus-Que-Parfait met champagne.

Maar dergelijke geluksmomenten waren, helaas! hoogst zeldzame uitzonderingen. Meestal liepen de beide mooie auto's prachtig door de straten en zegevierend-toeterend snorden zij Plus-Que-Parfait's sukkelspannetje voorbij, hem in een stinkende rook- en -stofwolk achterwege latend.

O, die haat, die ziedende haat van Plus-Que-Parfait, wanneer hij hen zoo langs zich heen zag vliegen! Wat wenschte hij dat ze zich tegen de boomen zouden te pletter loopen, dat ze in de slooten zouden storten en verdrinken! Het werd in hem een ziekelijken hartstocht, een obsessie. Hij verafschuwde ze en wilde ze toch telkens weer zien; hij ging ze zoeken langs de wegen, steeds hopende de catastrofe bij te wonen en zijn dag was niet volbracht als hij ze niet ontmoet had.

Hij kwam ze tegen of ze reden hem voorbij en vlug keek hij, met schuinschen haatblik, naar de glimmende paneelen, naar de genietend-inzittenden, naar de vlug-snorrende- en -ronkende wielen. Zij schenen zoo zacht als een wieg op hun zoemende banden te deinen en 't waren als voorbijflitsende vizioenen van pracht en van weelde. Nu eens zag hij enkel 't onnoozel gezicht van 't Barontje of de rood-gezwollen tronie van meneer François; dan weer de kleurrijke hoeden en mantels van dames; en eens, op een stillen, eenzamen weg, in den wagen van meneer François, naast hem gezeten op de achterbank, Fietje uitHet Huis van Commercie, frisch-blozend en zalig-glimlachend, gansch opgewekt en als t ware geprikkeld en gekitteld van genot. Hij zag en herkende haar heel duidelijk ondanks het snelle voorbijsnorren; en ook zij zagen en herkenden hem en schenen met hem te schimplachen; en dat stak hem een priem in het hart, die heel zijn verderen dag vergalde.

Trouw en onwrikbaar elken dag bleef hij, als vroeger, met zijn paard en karretje uitrijden, maar 't was niet meer het Plus-Que-Parfait-spannetje der schoone jaren. Het paard werd oud, het karretje was niet meer zoo smetteloos-blinkend onderhouden, 't koetsiertje en Plus-Que-Parfait zelf zagen er zoo onberispelijk-correct ais vroeger niet meer uit. Langzamerhand kwam er over het geheel als een waas van moedeloosheid en versletenheid. Het was alsof Plus-Que-Parfait den zoolang hardnekkig-volgehouden strijd toch eindelijk zou opgeven. Eens struikelde het paard over een steen en viel. Dat waren de knieën al die niet meer deugden. Het dier bezeerde zich vrij ernstig en bleef sindsdien veel strammer loopen.

Als het moe werd ging het zelfs hinken en zwollen de knieën. De veearts, die er eindelijk bij ter hulp geroepen werd, haalde bedenkelijk zijn schouders op.

- Versleten, komt niet meer terecht. Beter afmaken en 'n ander koopen, bromde hij.

Plus-Que-Parfait werd chagrijnig en boos en geloofde daar niets van. Maar 't kwam zooverre dat het paard zich niet meer neerlei om te rusten, en, als het eindelijk van afgematheid neerviel, niet meer op kon staan. Toen moest het wel… Plus-Que-Parfait hield zich goed en wilde geen ontroering laten merken; maar de tranen stonden hem in de oogen, toen het arme beest op een wagen werd geladen en naar het paardenslachthuis heengevoerd.

Daar stond het karretje nu doelloos in de remise, uit oude, zorgzame gewoonte, naast het eertijds zoo glimmend-gepoetste harnas, nog onder een wit dekzeil tegen stof beschermd. Het heette dat Plus-Que-Parfait zich wel spoedig een nieuw paard zou aanschaffen. Maar de dagen, de weken, de maanden verliepen en Plus-Que-Parfait schafte zich geen nieuw paard aan.

Nu hij niet meer uit kon rijden ging hij soms korte wandelingetjes te voet maken. Daar vond hij echter geen de minste bekoring in. Hij liep maar even zonder doel langs achterwegen om het dorp heen en al heel gauw was hij weer thuis en ging dan machinaal in den leegen stal en de somberig-kille remise rondslenteren. Daar scheen hij iets te zoeken wat niet meer te vinden was.

Hij keek en speurde langs de naakte, stille muren, hij snoof de vage, muffe lucht van leer en ammoniak op, die daar nog te hangen scheen; hij tilde even 't dekzeil van de dogcart op en bevoelde de kussens; hij haalde de zweep uit den koker en klopte eens met de vingerknoksels op de spaken van de wielen,… maar neen, 't was niets meer, het boeide niet meer, het leefde niet meer, er zat geen fut meer in die oude dingen. Met strak gefronste wenkbrauwen kwam hij al gauw weer buiten en slenterde zijn verveling en zijn levens-doelloosheid naar 't kroegje van den oud-veldwachter toe.

Daar kon hij dan lange, lange uren blijven zitten, wrokkig-stug pijprookend en borrels drinkend, soms heftig afgevend op het Barontje en meneer François en al de andere verraders van het dorp,… soms uren lang, roerloos en sprakeloos, met strak-starende oogen, verdiept in somber-nijdige gepeinzen. Hij zag er oud uit en vervallen, de koonen rood-en-paars-gevlamd van alcoholuitslag onder de rimpelhuid der waterzakkerige oogen; en zijn mond, die tandeloos werd, rekte zich scheef naar omlaag, alsof hij voortdurend hatelijkheden uitbromde.

Toen werd hij ziek en kwijnde…

* * * * *

Verleden week is hij gestorven en begraven…

Verwonderd hebben vele menschen ervan opgekeken, want velen hadden reeds vergeten, dat hij nog bestond.

Maar, toen men wist dat hij werkelijk dood was, is het geweest alsof hij even weer herleefde. 't Was zoon type; de menschen herinnerden zich nog eens hoe zij hem, jarenlang in zijn eigenaardigen dagelijkschen handel en wandel hadden gekend; 't was of ze eensklaps heel veel van hem hielden en zijn dood innig betreurden en velen hebben dan ook zijn begrafenis bijgewoond. Zelfs 't Barontje en meneer François,—hun vroegere vijandschap vergetend—zijn gekomen; meneer François te voet en 't en Barontje in zijn mooie automobiel.

De mooie auto heeft daar langen tijd vóór 't kerkhof stilgehouden, door nieuwsgierige straatbengels omringd, terwijl de klokken op den toren plechtig luidden en de kist met kruis en vanen, naar de groeve werd gedragen.

- Oo! als Plus-Que-Parfait dat weten kon, hij zou er in zijn graf van omkeeren! meenden de menschen.

Maar zij vonden 't toch heel aardig van meneer François en van 'tBarontje, dat zij wel naar de begrafenis gekomen waren.

NOTEN * De laatste twee alineas aan het einde van hoofdstuk XI zijn dezelfde als de eerste twee alineas van het boek: waarschijnlijk fout gezet.


Back to IndexNext