ACHTSTE HOOFDSTUK.Waarin Oeliboe Bomdrum ’n bewijs geeft van snuggerheid, prins Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z’n slimheid iemand woedend maakt.Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo, Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar ze konden geen oplossing van ’t raadsel vinden, zelfs niet toen ze de rooverhoofdman er bij haalden.De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht ’t raadhuis bewaakt had. Maar die man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst bang, dat ie z’n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar, dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met hem de wacht hadden, zeiden ’t ook. Doch die spraken de waarheid in zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze hadden afgesproken elkaarniet te verraden, want op wacht mochten ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat ’t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.De wachters op ’t raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te blijven, kwam er ’n jongen heel brutaal aanstappen met ’n pak onder z’n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook maar niet ’n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best ’n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in ’t groote portaal van ’t raadhuis. Hij had z’n beenen al op de bank.Toen kwam die jongen met z’n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z’n twee beenen.„Compliment van de burgemeester,” zei de jongen, „en hier zijn kleeren voor de gevangene.”„Geef maar hier …” antwoordde Oeliboe Bomdrum …„Nee … ’k moet ze hem zelf brengen … Haal de sleutels.”Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen,als hem wat bevolen werd en die jongen daar voor hem, zei ’t zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum’s beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem mee. Oeliboe Bomdrum ging met ’n lantaarn in de hand, ’n paar gangen door, nam ’n groote sleutel van ’n spijker, er hingen er ’n heele boel, en stapte toen op ’n deur af.„Geef maar hier,” zei de jongen, „ik kan ’t zelf wel.”Oeliboe Bomdrum gaf hem.„’k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer op je post.”Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo’n ezel geweestwas, had hij gauw z’n kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam terug naar z’n bank en ging zitten. Hè, hè … wat ’n idee van die burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo’n rooversjongen. Toch wel ’n goeie kerel die burgemeester … Nou die jongen zou ’t wel koud gehad hebben in z’n hemd zoo’n heele dag in dat kille hok. Oeliboe Bomdrum had z’n lange beenen al weer op de bank. De lantaarn had hij er achter gezet om geen last van ’t licht te hebben.Abé hoorde ’t gepraat voor z’n cel en daarna ’t knarsen van grendels en ’t overgaan van ’t slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij meende dat ’t de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als de menschen zoo vriendelijk waren je in ’n koud hok te laten zitten in je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want ’t was pikkedonker en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:„Hier, trek gauw die kleeren aan … dan gaan we d’r van door.”Abé liet ’t zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig de kleeren aan. ’n Enkele keer had ie ’n ding onderste boven, maar dat voelde hij gauw genoeg. In ’n minuut was ie gereed.„Klaar …” zei Abé zacht.„Geef me je hand … ’t is donker … en zacht hoor …”Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem kwam verlossen had goedde richting onthouden … en zoo kwamen ze al heel gauw bij ’t portaal. Abé’s redder kwam heel dicht met z’n mond bij Abé’s oor en fluisterde: „D’r zit ’n schildwacht … daar moeten we langs. Ik zal even gauw kijken …”De jongen ging onhoorbaar ’t portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er erg in had.„Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor.”Abé liep op bloote voeten, maar z’n kameraad leek wel nergens op te loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z’n eigen voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet ’t minste geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie ’n snoek van tien pond aan de haak had.Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van ’t raadhuis en toen ’n zijstraat in.„Hier heb je schoenen,” zei de jongen. „Trek ze gauw aan, want als ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons.”„Welke bende?”„Wel, die wachters van ’t raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat ie natuurlijk kijken, en dan …”Abé had z’n schoenen aan.„Vooruit dan maar,” zei hij. „Maar zeg es wie ben je?”Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging moest zelf ’n lantaarn meenemen of door ’n bediende voor zich uit laten dragen.Abé’s redder had ’t echter maar zonder lantaarn gedaan en daardoor kwam het dat Abé ’t gezicht van die jongen niet onderscheiden kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan zei de jongen: „Loop wat je kan … daar komen ze.”Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want hij rolde met z’n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen noemde hem ’n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel en daarom zou hij maar eens kijken.De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven doch de heele deur stond maar zoo open … en toen Oeliboe Bomdrum met z’n lantaarn voor die open deur stond, stond z’n groote mond haast net zoo wijd open als de deur.Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van ’t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie en Oeliboe Bomdrumwas bij de vier die toevallig net de straat in holden waar Abé z’n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog bijtijds aankomen.Oeliboe Bomdrum en z’n kameraden hadden lange beenen en ze liepen lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze ’t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z’n redder bleken eerste klas renners te zijn.Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg ’n rivier van vijftig meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was zeker zoo breed. ’n Heel eind verderop was ’n brug, maar ze durfden ’t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere vervolgers uit ’n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze er gloeiend bij. Dat bedacht Abé’s redder onder ’t voorthollen.„Zwem je?” vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.„En of!” zei de ander.„Dan maar rechtuit …”Oeliboe Bomdrum stond met z’n drie kameraads te hijgen en te puffen aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.„’k Mag lijen dat ze allebei zinken”, bromde er een. „Is dat loopen.”„Weet je wat,” zei ’n tweede, „ik keer om hoor. ’k Heb net zoo’n slaap.”„Hoe is ie er uitgekomen?” vroeg de derde.„Weet ik ’t,” snauwde Oeliboe Bomdrum. „’k Zag ze samen d’r van door gaan.”„Je hebt zeker geslapen,” zei nummer een weer.Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden ’t zelf ook gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z’n groote vuisten nummer een ’n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf, wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan ’t losbeuken waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar ’t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen, en allang weer terug waren beloofden ’t ook. ’n Kwartier later zat nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum was weer aan ’t snoek vangen, wat z’n liefste werk was, zoodat ie ’t zelfs in z’n slaap niet laten kon.De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met ’n nat pak aan maar liever niet doen moet. Abé’s redder had er echter nog ’n andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen ….Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht waar aan ’n boom gebonden twee paarden stonden.„Je hebt overal aan gedacht,” zei Abé. „Ik kan je niet dankbaar genoeg zijn …. Wie ben je toch?”„Prins Alphabet,” zei de jongen,„stijg op.Ik zal je bij Karibo en m’n vader brengen …. Ik ben de jongste Pirlapan.”Abé stond ’n heele tijd, met z’n eene voet al in de stijgbeugel, sprakeloos.Toen trok hij snel z’n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z’n armen stevig om de hals.„Pirlapan, ik hou veel van je.”„En ik van jou, prins Alphabet.”„Prins Alphabet?… ben ik prins Alphabet??”„En keizer van Huk.”„Keizer???”„Laten we wegrijden prins … Onderweg vertel ik je alles wat ik weet.”„Onder één voorwaarde … dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn vriend … Hoe is jouw voornaam?”„Plachki.”„Plachki?”„Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo’n mondvol, dat zegt toch geen mensch.”„Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo’n gekke lange naam geven wou …”„En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet.”„Hoe komen ze daar toch bij?” vroeg Abé ’noogenblik later terwijl ze kalm voortreden. „Ik heet toch niet zoo?”„Weet je dàt niet eens? ’t Is ’n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet voor je uitgedacht hebben.”„Zoo … en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?”„Dat is ’t.”„Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist.”„Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?”„Ook wel ’n beetje.”„Weet je wat we doen moesten? Aan ’t eerste huis ’t beste vragen of we onze kleeren ’n beetje mogen drogen bij ’t vuur. ’t Begint dag te worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten.”„Ja laten we dat doen.”Ze reden nu vlug nog ’n eind langs de rivier en zoodra ze ’n boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren mochten drogen voor ’t vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin stookte ’t vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In ’n half uurtje waren ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten de boerin en stegen weer te paard.Nu begon Plachki z’n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in de buurt alzoo’n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden, en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar zoo snel mogelijk heenrijden.„En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins Alphabet was?”„O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet … maar vader geloofde er niemendal van … Hij dacht dat zij misschien wel goeie maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had …”„Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d’r eigen kleinzoon was?”„Ja … vader heeft d’r naar Pirlapan laten brengen …”Met ’n ruk hield Abé z’n paard in.„Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar achter slot?”„’k Denk ’t wel.”„In ’n donkere kelder misschien?”Plachki haalde z’n schouders op. „’k Weet ’t niet,” zei hij. „’k Hoop ’t niet voor d’r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige verblijfplaatsen. ’t Is er vochtig en koud en donker.”„Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan.”„En Karibo dan?”„Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan … dadelijk.”Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z’n oogen fonkelden van verontwaardiging.„Maar … ze zoeken naar je.”„Laat ze zoeken … Vooruit of ik ga alleen.”„Je bent mijn keizer,” zei Plachki, „en ik ’n Pirlapan.Ik gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen zijn we er.”En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.’t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voetontmoettendie op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze ’t verder zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.„En wie heeft hem gevonden?”„Pirlapan.”Dan was ’t ’n lust om de lange gezichten te zien van die arme stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend goudstukken te verdienen.„Hoe weet jullie dat?” vroegen ze dan gewoonlijk.„’k Heb hem zelf gezien”,antwoorddePlachki.„Wie, de prins?”„De prins en Pirlapan.”En dan zei Abé … „Ik heb Pirlapan ook gezien.”„Lang geleden?”„Van morgen.”„Waar?”„Vlak bij Lumkiping.”Tegen de avond bereikten ze ’t hutje van moeder Guldratsj en omdat hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open krijgen … ’t Was daar binnen ’n beetje wanordelijk. Heel anders dan Abé ’t van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de hut in ’n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg ’n heele zak vol achter ’t zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze al weer te paard. En nu ging ’t in één rit door ’t bosch naar Pirlapan.Karibo en de oude Pirlapan zaten ’s avonds na de ontvluchting van prins Alphabet uit ’t raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat ’t gerucht door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk gingen ze er op uit. En ze hoorden ’t al gauw genoeg. ’t Ging als een loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden ’t verteld, maar geen mensch wist er ’t rechte van. Ze trachten uit te vinden, wie er ’t eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat ’s avonds. Toen brachten ’n paar politiemannen iemand op ’t raadhuis, waar ze bij elkaar zaten, en die wist eralles van, want hij had ’t gehoord die middag van ’n paar jongens ergens buiten de stad. Er werd hem natuurlijk gevraagd wat ’t voor jongens waren. Dat wist de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z’n hemd ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z’n leven gezien. Doch ’t gekste keken ze op toen de man begon te zeggen, dat volgens ’t verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was door iemand die Pirlapan heette.„Wel nou nog mooier,” riep de oude Pirlapan uit.Op dat oogenblik verschenen er voor ’t raadhuis ’n stuk of wat ruiters, ’t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat Karibo en Pirlapan in ’t raadhuis waren en kwamen nu meedeelen, dat hun jonge aanvoerder zoek was.Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo stom als visschen. ’t Werd hoe langer hoe gekker.Doch de secretaris was op ’n idee gekomen en vroeg aan de soldaten of z’n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog ’n paard van een der soldaten.„Dacht ik al,” zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert wanneer de jonge Pirlapan weg was.De soldaten wisten ’t niet precies, doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden ’s avonds hun paarden op stal gebracht en er verder niet naar omgezien.„Jullie kan wel gaan,” zei hij tegen de soldaten.„Heeren,” begon de secretaris, „ik begrijp de heele zaak al. ’t Is me zoo duidelijk als of ik ’t zelf gedaan had. De jonge Pirlapan heeft Prins Alphabet uit ’t raadhuis weten te krijgen op de een of andere manier.”„Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?” riep Pirlapan. „Da’s onmogelijk.”„Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers geweest als wel noodig was,” meende de secretaris.„Bovendien zijn ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet van gisteren te zijn.”„Nee om de drommel niet,” riep Pirlapan, „maar tegen zeven van die ongeschoren vleeschklompen kan ie ’t toch onmogelijk uithouden.”„Dat bedoel ik ook niet,” zei de secretaris, „doch hij is misschien slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. ’t Zou ook kunnen zijn dat ze alle zeven geslapen hadden.”„’t Kan toch niet,” zei Pirlapan. „Want als Plachki prins Alphabet bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z’n soldaten gegaan zijn.”„Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan,” zei de secretaris. „Uw zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen.”Pirlapan gaf met z’n vuist ’n woedende klap op tafel.„Zeg eens,” bulderde hij, „denk jij dat ’n Pirlapan z’n keizer uit de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je beleedigt me … en als je niet zoo’n nietig, sloom stadskereltje was nam ik je bij je kraag en ik smeet je door ’t venster.”„Bedaar Pirlapan,” suste Karibo, „de secretaris kent de Pirlapans niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo slecht. De meeste menschen zou ’t toch om die duizend goudstukken te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die werkelijk prins Alphabet uit ’t raadhuis heeft verlost niet naar z’n soldaten is gegaan.”„In ieder geval,” zuchtte Pirlapan, „maar nu keek hij opeens erg somber … zijn er nu al twee zoek.”De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe rimpels in z’n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:„Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik ’n eerlijke roover ben.”En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.
ACHTSTE HOOFDSTUK.Waarin Oeliboe Bomdrum ’n bewijs geeft van snuggerheid, prins Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z’n slimheid iemand woedend maakt.Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo, Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar ze konden geen oplossing van ’t raadsel vinden, zelfs niet toen ze de rooverhoofdman er bij haalden.De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht ’t raadhuis bewaakt had. Maar die man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst bang, dat ie z’n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar, dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met hem de wacht hadden, zeiden ’t ook. Doch die spraken de waarheid in zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze hadden afgesproken elkaarniet te verraden, want op wacht mochten ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat ’t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.De wachters op ’t raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te blijven, kwam er ’n jongen heel brutaal aanstappen met ’n pak onder z’n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook maar niet ’n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best ’n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in ’t groote portaal van ’t raadhuis. Hij had z’n beenen al op de bank.Toen kwam die jongen met z’n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z’n twee beenen.„Compliment van de burgemeester,” zei de jongen, „en hier zijn kleeren voor de gevangene.”„Geef maar hier …” antwoordde Oeliboe Bomdrum …„Nee … ’k moet ze hem zelf brengen … Haal de sleutels.”Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen,als hem wat bevolen werd en die jongen daar voor hem, zei ’t zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum’s beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem mee. Oeliboe Bomdrum ging met ’n lantaarn in de hand, ’n paar gangen door, nam ’n groote sleutel van ’n spijker, er hingen er ’n heele boel, en stapte toen op ’n deur af.„Geef maar hier,” zei de jongen, „ik kan ’t zelf wel.”Oeliboe Bomdrum gaf hem.„’k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer op je post.”Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo’n ezel geweestwas, had hij gauw z’n kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam terug naar z’n bank en ging zitten. Hè, hè … wat ’n idee van die burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo’n rooversjongen. Toch wel ’n goeie kerel die burgemeester … Nou die jongen zou ’t wel koud gehad hebben in z’n hemd zoo’n heele dag in dat kille hok. Oeliboe Bomdrum had z’n lange beenen al weer op de bank. De lantaarn had hij er achter gezet om geen last van ’t licht te hebben.Abé hoorde ’t gepraat voor z’n cel en daarna ’t knarsen van grendels en ’t overgaan van ’t slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij meende dat ’t de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als de menschen zoo vriendelijk waren je in ’n koud hok te laten zitten in je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want ’t was pikkedonker en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:„Hier, trek gauw die kleeren aan … dan gaan we d’r van door.”Abé liet ’t zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig de kleeren aan. ’n Enkele keer had ie ’n ding onderste boven, maar dat voelde hij gauw genoeg. In ’n minuut was ie gereed.„Klaar …” zei Abé zacht.„Geef me je hand … ’t is donker … en zacht hoor …”Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem kwam verlossen had goedde richting onthouden … en zoo kwamen ze al heel gauw bij ’t portaal. Abé’s redder kwam heel dicht met z’n mond bij Abé’s oor en fluisterde: „D’r zit ’n schildwacht … daar moeten we langs. Ik zal even gauw kijken …”De jongen ging onhoorbaar ’t portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er erg in had.„Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor.”Abé liep op bloote voeten, maar z’n kameraad leek wel nergens op te loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z’n eigen voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet ’t minste geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie ’n snoek van tien pond aan de haak had.Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van ’t raadhuis en toen ’n zijstraat in.„Hier heb je schoenen,” zei de jongen. „Trek ze gauw aan, want als ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons.”„Welke bende?”„Wel, die wachters van ’t raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat ie natuurlijk kijken, en dan …”Abé had z’n schoenen aan.„Vooruit dan maar,” zei hij. „Maar zeg es wie ben je?”Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging moest zelf ’n lantaarn meenemen of door ’n bediende voor zich uit laten dragen.Abé’s redder had ’t echter maar zonder lantaarn gedaan en daardoor kwam het dat Abé ’t gezicht van die jongen niet onderscheiden kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan zei de jongen: „Loop wat je kan … daar komen ze.”Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want hij rolde met z’n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen noemde hem ’n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel en daarom zou hij maar eens kijken.De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven doch de heele deur stond maar zoo open … en toen Oeliboe Bomdrum met z’n lantaarn voor die open deur stond, stond z’n groote mond haast net zoo wijd open als de deur.Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van ’t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie en Oeliboe Bomdrumwas bij de vier die toevallig net de straat in holden waar Abé z’n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog bijtijds aankomen.Oeliboe Bomdrum en z’n kameraden hadden lange beenen en ze liepen lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze ’t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z’n redder bleken eerste klas renners te zijn.Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg ’n rivier van vijftig meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was zeker zoo breed. ’n Heel eind verderop was ’n brug, maar ze durfden ’t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere vervolgers uit ’n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze er gloeiend bij. Dat bedacht Abé’s redder onder ’t voorthollen.„Zwem je?” vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.„En of!” zei de ander.„Dan maar rechtuit …”Oeliboe Bomdrum stond met z’n drie kameraads te hijgen en te puffen aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.„’k Mag lijen dat ze allebei zinken”, bromde er een. „Is dat loopen.”„Weet je wat,” zei ’n tweede, „ik keer om hoor. ’k Heb net zoo’n slaap.”„Hoe is ie er uitgekomen?” vroeg de derde.„Weet ik ’t,” snauwde Oeliboe Bomdrum. „’k Zag ze samen d’r van door gaan.”„Je hebt zeker geslapen,” zei nummer een weer.Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden ’t zelf ook gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z’n groote vuisten nummer een ’n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf, wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan ’t losbeuken waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar ’t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen, en allang weer terug waren beloofden ’t ook. ’n Kwartier later zat nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum was weer aan ’t snoek vangen, wat z’n liefste werk was, zoodat ie ’t zelfs in z’n slaap niet laten kon.De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met ’n nat pak aan maar liever niet doen moet. Abé’s redder had er echter nog ’n andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen ….Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht waar aan ’n boom gebonden twee paarden stonden.„Je hebt overal aan gedacht,” zei Abé. „Ik kan je niet dankbaar genoeg zijn …. Wie ben je toch?”„Prins Alphabet,” zei de jongen,„stijg op.Ik zal je bij Karibo en m’n vader brengen …. Ik ben de jongste Pirlapan.”Abé stond ’n heele tijd, met z’n eene voet al in de stijgbeugel, sprakeloos.Toen trok hij snel z’n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z’n armen stevig om de hals.„Pirlapan, ik hou veel van je.”„En ik van jou, prins Alphabet.”„Prins Alphabet?… ben ik prins Alphabet??”„En keizer van Huk.”„Keizer???”„Laten we wegrijden prins … Onderweg vertel ik je alles wat ik weet.”„Onder één voorwaarde … dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn vriend … Hoe is jouw voornaam?”„Plachki.”„Plachki?”„Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo’n mondvol, dat zegt toch geen mensch.”„Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo’n gekke lange naam geven wou …”„En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet.”„Hoe komen ze daar toch bij?” vroeg Abé ’noogenblik later terwijl ze kalm voortreden. „Ik heet toch niet zoo?”„Weet je dàt niet eens? ’t Is ’n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet voor je uitgedacht hebben.”„Zoo … en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?”„Dat is ’t.”„Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist.”„Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?”„Ook wel ’n beetje.”„Weet je wat we doen moesten? Aan ’t eerste huis ’t beste vragen of we onze kleeren ’n beetje mogen drogen bij ’t vuur. ’t Begint dag te worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten.”„Ja laten we dat doen.”Ze reden nu vlug nog ’n eind langs de rivier en zoodra ze ’n boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren mochten drogen voor ’t vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin stookte ’t vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In ’n half uurtje waren ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten de boerin en stegen weer te paard.Nu begon Plachki z’n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in de buurt alzoo’n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden, en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar zoo snel mogelijk heenrijden.„En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins Alphabet was?”„O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet … maar vader geloofde er niemendal van … Hij dacht dat zij misschien wel goeie maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had …”„Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d’r eigen kleinzoon was?”„Ja … vader heeft d’r naar Pirlapan laten brengen …”Met ’n ruk hield Abé z’n paard in.„Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar achter slot?”„’k Denk ’t wel.”„In ’n donkere kelder misschien?”Plachki haalde z’n schouders op. „’k Weet ’t niet,” zei hij. „’k Hoop ’t niet voor d’r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige verblijfplaatsen. ’t Is er vochtig en koud en donker.”„Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan.”„En Karibo dan?”„Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan … dadelijk.”Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z’n oogen fonkelden van verontwaardiging.„Maar … ze zoeken naar je.”„Laat ze zoeken … Vooruit of ik ga alleen.”„Je bent mijn keizer,” zei Plachki, „en ik ’n Pirlapan.Ik gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen zijn we er.”En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.’t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voetontmoettendie op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze ’t verder zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.„En wie heeft hem gevonden?”„Pirlapan.”Dan was ’t ’n lust om de lange gezichten te zien van die arme stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend goudstukken te verdienen.„Hoe weet jullie dat?” vroegen ze dan gewoonlijk.„’k Heb hem zelf gezien”,antwoorddePlachki.„Wie, de prins?”„De prins en Pirlapan.”En dan zei Abé … „Ik heb Pirlapan ook gezien.”„Lang geleden?”„Van morgen.”„Waar?”„Vlak bij Lumkiping.”Tegen de avond bereikten ze ’t hutje van moeder Guldratsj en omdat hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open krijgen … ’t Was daar binnen ’n beetje wanordelijk. Heel anders dan Abé ’t van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de hut in ’n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg ’n heele zak vol achter ’t zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze al weer te paard. En nu ging ’t in één rit door ’t bosch naar Pirlapan.Karibo en de oude Pirlapan zaten ’s avonds na de ontvluchting van prins Alphabet uit ’t raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat ’t gerucht door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk gingen ze er op uit. En ze hoorden ’t al gauw genoeg. ’t Ging als een loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden ’t verteld, maar geen mensch wist er ’t rechte van. Ze trachten uit te vinden, wie er ’t eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat ’s avonds. Toen brachten ’n paar politiemannen iemand op ’t raadhuis, waar ze bij elkaar zaten, en die wist eralles van, want hij had ’t gehoord die middag van ’n paar jongens ergens buiten de stad. Er werd hem natuurlijk gevraagd wat ’t voor jongens waren. Dat wist de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z’n hemd ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z’n leven gezien. Doch ’t gekste keken ze op toen de man begon te zeggen, dat volgens ’t verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was door iemand die Pirlapan heette.„Wel nou nog mooier,” riep de oude Pirlapan uit.Op dat oogenblik verschenen er voor ’t raadhuis ’n stuk of wat ruiters, ’t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat Karibo en Pirlapan in ’t raadhuis waren en kwamen nu meedeelen, dat hun jonge aanvoerder zoek was.Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo stom als visschen. ’t Werd hoe langer hoe gekker.Doch de secretaris was op ’n idee gekomen en vroeg aan de soldaten of z’n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog ’n paard van een der soldaten.„Dacht ik al,” zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert wanneer de jonge Pirlapan weg was.De soldaten wisten ’t niet precies, doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden ’s avonds hun paarden op stal gebracht en er verder niet naar omgezien.„Jullie kan wel gaan,” zei hij tegen de soldaten.„Heeren,” begon de secretaris, „ik begrijp de heele zaak al. ’t Is me zoo duidelijk als of ik ’t zelf gedaan had. De jonge Pirlapan heeft Prins Alphabet uit ’t raadhuis weten te krijgen op de een of andere manier.”„Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?” riep Pirlapan. „Da’s onmogelijk.”„Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers geweest als wel noodig was,” meende de secretaris.„Bovendien zijn ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet van gisteren te zijn.”„Nee om de drommel niet,” riep Pirlapan, „maar tegen zeven van die ongeschoren vleeschklompen kan ie ’t toch onmogelijk uithouden.”„Dat bedoel ik ook niet,” zei de secretaris, „doch hij is misschien slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. ’t Zou ook kunnen zijn dat ze alle zeven geslapen hadden.”„’t Kan toch niet,” zei Pirlapan. „Want als Plachki prins Alphabet bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z’n soldaten gegaan zijn.”„Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan,” zei de secretaris. „Uw zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen.”Pirlapan gaf met z’n vuist ’n woedende klap op tafel.„Zeg eens,” bulderde hij, „denk jij dat ’n Pirlapan z’n keizer uit de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je beleedigt me … en als je niet zoo’n nietig, sloom stadskereltje was nam ik je bij je kraag en ik smeet je door ’t venster.”„Bedaar Pirlapan,” suste Karibo, „de secretaris kent de Pirlapans niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo slecht. De meeste menschen zou ’t toch om die duizend goudstukken te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die werkelijk prins Alphabet uit ’t raadhuis heeft verlost niet naar z’n soldaten is gegaan.”„In ieder geval,” zuchtte Pirlapan, „maar nu keek hij opeens erg somber … zijn er nu al twee zoek.”De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe rimpels in z’n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:„Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik ’n eerlijke roover ben.”En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.
ACHTSTE HOOFDSTUK.Waarin Oeliboe Bomdrum ’n bewijs geeft van snuggerheid, prins Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z’n slimheid iemand woedend maakt.
Waarin Oeliboe Bomdrum ’n bewijs geeft van snuggerheid, prins Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z’n slimheid iemand woedend maakt.
Waarin Oeliboe Bomdrum ’n bewijs geeft van snuggerheid, prins Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z’n slimheid iemand woedend maakt.
Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo, Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar ze konden geen oplossing van ’t raadsel vinden, zelfs niet toen ze de rooverhoofdman er bij haalden.De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht ’t raadhuis bewaakt had. Maar die man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst bang, dat ie z’n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar, dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met hem de wacht hadden, zeiden ’t ook. Doch die spraken de waarheid in zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze hadden afgesproken elkaarniet te verraden, want op wacht mochten ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat ’t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.De wachters op ’t raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te blijven, kwam er ’n jongen heel brutaal aanstappen met ’n pak onder z’n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook maar niet ’n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best ’n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in ’t groote portaal van ’t raadhuis. Hij had z’n beenen al op de bank.Toen kwam die jongen met z’n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z’n twee beenen.„Compliment van de burgemeester,” zei de jongen, „en hier zijn kleeren voor de gevangene.”„Geef maar hier …” antwoordde Oeliboe Bomdrum …„Nee … ’k moet ze hem zelf brengen … Haal de sleutels.”Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen,als hem wat bevolen werd en die jongen daar voor hem, zei ’t zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum’s beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem mee. Oeliboe Bomdrum ging met ’n lantaarn in de hand, ’n paar gangen door, nam ’n groote sleutel van ’n spijker, er hingen er ’n heele boel, en stapte toen op ’n deur af.„Geef maar hier,” zei de jongen, „ik kan ’t zelf wel.”Oeliboe Bomdrum gaf hem.„’k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer op je post.”Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo’n ezel geweestwas, had hij gauw z’n kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam terug naar z’n bank en ging zitten. Hè, hè … wat ’n idee van die burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo’n rooversjongen. Toch wel ’n goeie kerel die burgemeester … Nou die jongen zou ’t wel koud gehad hebben in z’n hemd zoo’n heele dag in dat kille hok. Oeliboe Bomdrum had z’n lange beenen al weer op de bank. De lantaarn had hij er achter gezet om geen last van ’t licht te hebben.Abé hoorde ’t gepraat voor z’n cel en daarna ’t knarsen van grendels en ’t overgaan van ’t slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij meende dat ’t de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als de menschen zoo vriendelijk waren je in ’n koud hok te laten zitten in je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want ’t was pikkedonker en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:„Hier, trek gauw die kleeren aan … dan gaan we d’r van door.”Abé liet ’t zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig de kleeren aan. ’n Enkele keer had ie ’n ding onderste boven, maar dat voelde hij gauw genoeg. In ’n minuut was ie gereed.„Klaar …” zei Abé zacht.„Geef me je hand … ’t is donker … en zacht hoor …”Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem kwam verlossen had goedde richting onthouden … en zoo kwamen ze al heel gauw bij ’t portaal. Abé’s redder kwam heel dicht met z’n mond bij Abé’s oor en fluisterde: „D’r zit ’n schildwacht … daar moeten we langs. Ik zal even gauw kijken …”De jongen ging onhoorbaar ’t portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er erg in had.„Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor.”Abé liep op bloote voeten, maar z’n kameraad leek wel nergens op te loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z’n eigen voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet ’t minste geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie ’n snoek van tien pond aan de haak had.Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van ’t raadhuis en toen ’n zijstraat in.„Hier heb je schoenen,” zei de jongen. „Trek ze gauw aan, want als ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons.”„Welke bende?”„Wel, die wachters van ’t raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat ie natuurlijk kijken, en dan …”Abé had z’n schoenen aan.„Vooruit dan maar,” zei hij. „Maar zeg es wie ben je?”Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging moest zelf ’n lantaarn meenemen of door ’n bediende voor zich uit laten dragen.Abé’s redder had ’t echter maar zonder lantaarn gedaan en daardoor kwam het dat Abé ’t gezicht van die jongen niet onderscheiden kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan zei de jongen: „Loop wat je kan … daar komen ze.”Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want hij rolde met z’n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen noemde hem ’n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel en daarom zou hij maar eens kijken.De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven doch de heele deur stond maar zoo open … en toen Oeliboe Bomdrum met z’n lantaarn voor die open deur stond, stond z’n groote mond haast net zoo wijd open als de deur.Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van ’t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie en Oeliboe Bomdrumwas bij de vier die toevallig net de straat in holden waar Abé z’n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog bijtijds aankomen.Oeliboe Bomdrum en z’n kameraden hadden lange beenen en ze liepen lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze ’t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z’n redder bleken eerste klas renners te zijn.Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg ’n rivier van vijftig meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was zeker zoo breed. ’n Heel eind verderop was ’n brug, maar ze durfden ’t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere vervolgers uit ’n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze er gloeiend bij. Dat bedacht Abé’s redder onder ’t voorthollen.„Zwem je?” vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.„En of!” zei de ander.„Dan maar rechtuit …”Oeliboe Bomdrum stond met z’n drie kameraads te hijgen en te puffen aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.„’k Mag lijen dat ze allebei zinken”, bromde er een. „Is dat loopen.”„Weet je wat,” zei ’n tweede, „ik keer om hoor. ’k Heb net zoo’n slaap.”„Hoe is ie er uitgekomen?” vroeg de derde.„Weet ik ’t,” snauwde Oeliboe Bomdrum. „’k Zag ze samen d’r van door gaan.”„Je hebt zeker geslapen,” zei nummer een weer.Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden ’t zelf ook gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z’n groote vuisten nummer een ’n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf, wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan ’t losbeuken waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar ’t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen, en allang weer terug waren beloofden ’t ook. ’n Kwartier later zat nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum was weer aan ’t snoek vangen, wat z’n liefste werk was, zoodat ie ’t zelfs in z’n slaap niet laten kon.De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met ’n nat pak aan maar liever niet doen moet. Abé’s redder had er echter nog ’n andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen ….Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht waar aan ’n boom gebonden twee paarden stonden.„Je hebt overal aan gedacht,” zei Abé. „Ik kan je niet dankbaar genoeg zijn …. Wie ben je toch?”„Prins Alphabet,” zei de jongen,„stijg op.Ik zal je bij Karibo en m’n vader brengen …. Ik ben de jongste Pirlapan.”Abé stond ’n heele tijd, met z’n eene voet al in de stijgbeugel, sprakeloos.Toen trok hij snel z’n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z’n armen stevig om de hals.„Pirlapan, ik hou veel van je.”„En ik van jou, prins Alphabet.”„Prins Alphabet?… ben ik prins Alphabet??”„En keizer van Huk.”„Keizer???”„Laten we wegrijden prins … Onderweg vertel ik je alles wat ik weet.”„Onder één voorwaarde … dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn vriend … Hoe is jouw voornaam?”„Plachki.”„Plachki?”„Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo’n mondvol, dat zegt toch geen mensch.”„Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo’n gekke lange naam geven wou …”„En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet.”„Hoe komen ze daar toch bij?” vroeg Abé ’noogenblik later terwijl ze kalm voortreden. „Ik heet toch niet zoo?”„Weet je dàt niet eens? ’t Is ’n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet voor je uitgedacht hebben.”„Zoo … en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?”„Dat is ’t.”„Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist.”„Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?”„Ook wel ’n beetje.”„Weet je wat we doen moesten? Aan ’t eerste huis ’t beste vragen of we onze kleeren ’n beetje mogen drogen bij ’t vuur. ’t Begint dag te worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten.”„Ja laten we dat doen.”Ze reden nu vlug nog ’n eind langs de rivier en zoodra ze ’n boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren mochten drogen voor ’t vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin stookte ’t vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In ’n half uurtje waren ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten de boerin en stegen weer te paard.Nu begon Plachki z’n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in de buurt alzoo’n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden, en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar zoo snel mogelijk heenrijden.„En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins Alphabet was?”„O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet … maar vader geloofde er niemendal van … Hij dacht dat zij misschien wel goeie maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had …”„Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d’r eigen kleinzoon was?”„Ja … vader heeft d’r naar Pirlapan laten brengen …”Met ’n ruk hield Abé z’n paard in.„Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar achter slot?”„’k Denk ’t wel.”„In ’n donkere kelder misschien?”Plachki haalde z’n schouders op. „’k Weet ’t niet,” zei hij. „’k Hoop ’t niet voor d’r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige verblijfplaatsen. ’t Is er vochtig en koud en donker.”„Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan.”„En Karibo dan?”„Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan … dadelijk.”Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z’n oogen fonkelden van verontwaardiging.„Maar … ze zoeken naar je.”„Laat ze zoeken … Vooruit of ik ga alleen.”„Je bent mijn keizer,” zei Plachki, „en ik ’n Pirlapan.Ik gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen zijn we er.”En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.’t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voetontmoettendie op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze ’t verder zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.„En wie heeft hem gevonden?”„Pirlapan.”Dan was ’t ’n lust om de lange gezichten te zien van die arme stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend goudstukken te verdienen.„Hoe weet jullie dat?” vroegen ze dan gewoonlijk.„’k Heb hem zelf gezien”,antwoorddePlachki.„Wie, de prins?”„De prins en Pirlapan.”En dan zei Abé … „Ik heb Pirlapan ook gezien.”„Lang geleden?”„Van morgen.”„Waar?”„Vlak bij Lumkiping.”Tegen de avond bereikten ze ’t hutje van moeder Guldratsj en omdat hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open krijgen … ’t Was daar binnen ’n beetje wanordelijk. Heel anders dan Abé ’t van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de hut in ’n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg ’n heele zak vol achter ’t zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze al weer te paard. En nu ging ’t in één rit door ’t bosch naar Pirlapan.Karibo en de oude Pirlapan zaten ’s avonds na de ontvluchting van prins Alphabet uit ’t raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat ’t gerucht door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk gingen ze er op uit. En ze hoorden ’t al gauw genoeg. ’t Ging als een loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden ’t verteld, maar geen mensch wist er ’t rechte van. Ze trachten uit te vinden, wie er ’t eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat ’s avonds. Toen brachten ’n paar politiemannen iemand op ’t raadhuis, waar ze bij elkaar zaten, en die wist eralles van, want hij had ’t gehoord die middag van ’n paar jongens ergens buiten de stad. Er werd hem natuurlijk gevraagd wat ’t voor jongens waren. Dat wist de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z’n hemd ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z’n leven gezien. Doch ’t gekste keken ze op toen de man begon te zeggen, dat volgens ’t verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was door iemand die Pirlapan heette.„Wel nou nog mooier,” riep de oude Pirlapan uit.Op dat oogenblik verschenen er voor ’t raadhuis ’n stuk of wat ruiters, ’t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat Karibo en Pirlapan in ’t raadhuis waren en kwamen nu meedeelen, dat hun jonge aanvoerder zoek was.Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo stom als visschen. ’t Werd hoe langer hoe gekker.Doch de secretaris was op ’n idee gekomen en vroeg aan de soldaten of z’n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog ’n paard van een der soldaten.„Dacht ik al,” zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert wanneer de jonge Pirlapan weg was.De soldaten wisten ’t niet precies, doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden ’s avonds hun paarden op stal gebracht en er verder niet naar omgezien.„Jullie kan wel gaan,” zei hij tegen de soldaten.„Heeren,” begon de secretaris, „ik begrijp de heele zaak al. ’t Is me zoo duidelijk als of ik ’t zelf gedaan had. De jonge Pirlapan heeft Prins Alphabet uit ’t raadhuis weten te krijgen op de een of andere manier.”„Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?” riep Pirlapan. „Da’s onmogelijk.”„Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers geweest als wel noodig was,” meende de secretaris.„Bovendien zijn ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet van gisteren te zijn.”„Nee om de drommel niet,” riep Pirlapan, „maar tegen zeven van die ongeschoren vleeschklompen kan ie ’t toch onmogelijk uithouden.”„Dat bedoel ik ook niet,” zei de secretaris, „doch hij is misschien slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. ’t Zou ook kunnen zijn dat ze alle zeven geslapen hadden.”„’t Kan toch niet,” zei Pirlapan. „Want als Plachki prins Alphabet bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z’n soldaten gegaan zijn.”„Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan,” zei de secretaris. „Uw zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen.”Pirlapan gaf met z’n vuist ’n woedende klap op tafel.„Zeg eens,” bulderde hij, „denk jij dat ’n Pirlapan z’n keizer uit de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je beleedigt me … en als je niet zoo’n nietig, sloom stadskereltje was nam ik je bij je kraag en ik smeet je door ’t venster.”„Bedaar Pirlapan,” suste Karibo, „de secretaris kent de Pirlapans niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo slecht. De meeste menschen zou ’t toch om die duizend goudstukken te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die werkelijk prins Alphabet uit ’t raadhuis heeft verlost niet naar z’n soldaten is gegaan.”„In ieder geval,” zuchtte Pirlapan, „maar nu keek hij opeens erg somber … zijn er nu al twee zoek.”De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe rimpels in z’n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:„Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik ’n eerlijke roover ben.”En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.
Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo, Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar ze konden geen oplossing van ’t raadsel vinden, zelfs niet toen ze de rooverhoofdman er bij haalden.
De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht ’t raadhuis bewaakt had. Maar die man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst bang, dat ie z’n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar, dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met hem de wacht hadden, zeiden ’t ook. Doch die spraken de waarheid in zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze hadden afgesproken elkaarniet te verraden, want op wacht mochten ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat ’t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.
De wachters op ’t raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.
Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te blijven, kwam er ’n jongen heel brutaal aanstappen met ’n pak onder z’n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook maar niet ’n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best ’n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in ’t groote portaal van ’t raadhuis. Hij had z’n beenen al op de bank.
Toen kwam die jongen met z’n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z’n twee beenen.
„Compliment van de burgemeester,” zei de jongen, „en hier zijn kleeren voor de gevangene.”
„Geef maar hier …” antwoordde Oeliboe Bomdrum …
„Nee … ’k moet ze hem zelf brengen … Haal de sleutels.”
Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen,als hem wat bevolen werd en die jongen daar voor hem, zei ’t zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum’s beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem mee. Oeliboe Bomdrum ging met ’n lantaarn in de hand, ’n paar gangen door, nam ’n groote sleutel van ’n spijker, er hingen er ’n heele boel, en stapte toen op ’n deur af.
„Geef maar hier,” zei de jongen, „ik kan ’t zelf wel.”
Oeliboe Bomdrum gaf hem.
„’k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer op je post.”
Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo’n ezel geweestwas, had hij gauw z’n kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam terug naar z’n bank en ging zitten. Hè, hè … wat ’n idee van die burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo’n rooversjongen. Toch wel ’n goeie kerel die burgemeester … Nou die jongen zou ’t wel koud gehad hebben in z’n hemd zoo’n heele dag in dat kille hok. Oeliboe Bomdrum had z’n lange beenen al weer op de bank. De lantaarn had hij er achter gezet om geen last van ’t licht te hebben.
Abé hoorde ’t gepraat voor z’n cel en daarna ’t knarsen van grendels en ’t overgaan van ’t slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij meende dat ’t de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als de menschen zoo vriendelijk waren je in ’n koud hok te laten zitten in je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want ’t was pikkedonker en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:
„Hier, trek gauw die kleeren aan … dan gaan we d’r van door.”
Abé liet ’t zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig de kleeren aan. ’n Enkele keer had ie ’n ding onderste boven, maar dat voelde hij gauw genoeg. In ’n minuut was ie gereed.
„Klaar …” zei Abé zacht.
„Geef me je hand … ’t is donker … en zacht hoor …”
Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem kwam verlossen had goedde richting onthouden … en zoo kwamen ze al heel gauw bij ’t portaal. Abé’s redder kwam heel dicht met z’n mond bij Abé’s oor en fluisterde: „D’r zit ’n schildwacht … daar moeten we langs. Ik zal even gauw kijken …”
De jongen ging onhoorbaar ’t portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er erg in had.
„Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor.”
Abé liep op bloote voeten, maar z’n kameraad leek wel nergens op te loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z’n eigen voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet ’t minste geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie ’n snoek van tien pond aan de haak had.
Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van ’t raadhuis en toen ’n zijstraat in.
„Hier heb je schoenen,” zei de jongen. „Trek ze gauw aan, want als ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons.”
„Welke bende?”
„Wel, die wachters van ’t raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat ie natuurlijk kijken, en dan …”
Abé had z’n schoenen aan.
„Vooruit dan maar,” zei hij. „Maar zeg es wie ben je?”
Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging moest zelf ’n lantaarn meenemen of door ’n bediende voor zich uit laten dragen.Abé’s redder had ’t echter maar zonder lantaarn gedaan en daardoor kwam het dat Abé ’t gezicht van die jongen niet onderscheiden kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.
Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan zei de jongen: „Loop wat je kan … daar komen ze.”
Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want hij rolde met z’n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen noemde hem ’n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel en daarom zou hij maar eens kijken.
De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven doch de heele deur stond maar zoo open … en toen Oeliboe Bomdrum met z’n lantaarn voor die open deur stond, stond z’n groote mond haast net zoo wijd open als de deur.
Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van ’t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie en Oeliboe Bomdrumwas bij de vier die toevallig net de straat in holden waar Abé z’n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog bijtijds aankomen.
Oeliboe Bomdrum en z’n kameraden hadden lange beenen en ze liepen lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze ’t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z’n redder bleken eerste klas renners te zijn.
Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg ’n rivier van vijftig meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was zeker zoo breed. ’n Heel eind verderop was ’n brug, maar ze durfden ’t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere vervolgers uit ’n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze er gloeiend bij. Dat bedacht Abé’s redder onder ’t voorthollen.
„Zwem je?” vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.
„En of!” zei de ander.
„Dan maar rechtuit …”
Oeliboe Bomdrum stond met z’n drie kameraads te hijgen en te puffen aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.
„’k Mag lijen dat ze allebei zinken”, bromde er een. „Is dat loopen.”
„Weet je wat,” zei ’n tweede, „ik keer om hoor. ’k Heb net zoo’n slaap.”
„Hoe is ie er uitgekomen?” vroeg de derde.
„Weet ik ’t,” snauwde Oeliboe Bomdrum. „’k Zag ze samen d’r van door gaan.”
„Je hebt zeker geslapen,” zei nummer een weer.
Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden ’t zelf ook gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z’n groote vuisten nummer een ’n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf, wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan ’t losbeuken waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar ’t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen, en allang weer terug waren beloofden ’t ook. ’n Kwartier later zat nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum was weer aan ’t snoek vangen, wat z’n liefste werk was, zoodat ie ’t zelfs in z’n slaap niet laten kon.
De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met ’n nat pak aan maar liever niet doen moet. Abé’s redder had er echter nog ’n andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen ….
Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht waar aan ’n boom gebonden twee paarden stonden.
„Je hebt overal aan gedacht,” zei Abé. „Ik kan je niet dankbaar genoeg zijn …. Wie ben je toch?”
„Prins Alphabet,” zei de jongen,„stijg op.Ik zal je bij Karibo en m’n vader brengen …. Ik ben de jongste Pirlapan.”
Abé stond ’n heele tijd, met z’n eene voet al in de stijgbeugel, sprakeloos.
Toen trok hij snel z’n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z’n armen stevig om de hals.
„Pirlapan, ik hou veel van je.”
„En ik van jou, prins Alphabet.”
„Prins Alphabet?… ben ik prins Alphabet??”
„En keizer van Huk.”
„Keizer???”
„Laten we wegrijden prins … Onderweg vertel ik je alles wat ik weet.”
„Onder één voorwaarde … dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn vriend … Hoe is jouw voornaam?”
„Plachki.”
„Plachki?”
„Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo’n mondvol, dat zegt toch geen mensch.”
„Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo’n gekke lange naam geven wou …”
„En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet.”
„Hoe komen ze daar toch bij?” vroeg Abé ’noogenblik later terwijl ze kalm voortreden. „Ik heet toch niet zoo?”
„Weet je dàt niet eens? ’t Is ’n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet voor je uitgedacht hebben.”
„Zoo … en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?”
„Dat is ’t.”
„Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist.”
„Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?”
„Ook wel ’n beetje.”
„Weet je wat we doen moesten? Aan ’t eerste huis ’t beste vragen of we onze kleeren ’n beetje mogen drogen bij ’t vuur. ’t Begint dag te worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten.”
„Ja laten we dat doen.”
Ze reden nu vlug nog ’n eind langs de rivier en zoodra ze ’n boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren mochten drogen voor ’t vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin stookte ’t vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In ’n half uurtje waren ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten de boerin en stegen weer te paard.
Nu begon Plachki z’n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in de buurt alzoo’n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden, en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar zoo snel mogelijk heenrijden.
„En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins Alphabet was?”
„O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet … maar vader geloofde er niemendal van … Hij dacht dat zij misschien wel goeie maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had …”
„Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d’r eigen kleinzoon was?”
„Ja … vader heeft d’r naar Pirlapan laten brengen …”
Met ’n ruk hield Abé z’n paard in.
„Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar achter slot?”
„’k Denk ’t wel.”
„In ’n donkere kelder misschien?”
Plachki haalde z’n schouders op. „’k Weet ’t niet,” zei hij. „’k Hoop ’t niet voor d’r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige verblijfplaatsen. ’t Is er vochtig en koud en donker.”
„Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan.”
„En Karibo dan?”
„Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan … dadelijk.”
Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z’n oogen fonkelden van verontwaardiging.
„Maar … ze zoeken naar je.”
„Laat ze zoeken … Vooruit of ik ga alleen.”
„Je bent mijn keizer,” zei Plachki, „en ik ’n Pirlapan.Ik gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen zijn we er.”
En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.
’t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voetontmoettendie op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze ’t verder zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.
„En wie heeft hem gevonden?”
„Pirlapan.”
Dan was ’t ’n lust om de lange gezichten te zien van die arme stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend goudstukken te verdienen.
„Hoe weet jullie dat?” vroegen ze dan gewoonlijk.
„’k Heb hem zelf gezien”,antwoorddePlachki.
„Wie, de prins?”
„De prins en Pirlapan.”
En dan zei Abé … „Ik heb Pirlapan ook gezien.”
„Lang geleden?”
„Van morgen.”
„Waar?”
„Vlak bij Lumkiping.”
Tegen de avond bereikten ze ’t hutje van moeder Guldratsj en omdat hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open krijgen … ’t Was daar binnen ’n beetje wanordelijk. Heel anders dan Abé ’t van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de hut in ’n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg ’n heele zak vol achter ’t zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze al weer te paard. En nu ging ’t in één rit door ’t bosch naar Pirlapan.
Karibo en de oude Pirlapan zaten ’s avonds na de ontvluchting van prins Alphabet uit ’t raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat ’t gerucht door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk gingen ze er op uit. En ze hoorden ’t al gauw genoeg. ’t Ging als een loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden ’t verteld, maar geen mensch wist er ’t rechte van. Ze trachten uit te vinden, wie er ’t eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat ’s avonds. Toen brachten ’n paar politiemannen iemand op ’t raadhuis, waar ze bij elkaar zaten, en die wist eralles van, want hij had ’t gehoord die middag van ’n paar jongens ergens buiten de stad. Er werd hem natuurlijk gevraagd wat ’t voor jongens waren. Dat wist de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z’n hemd ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z’n leven gezien. Doch ’t gekste keken ze op toen de man begon te zeggen, dat volgens ’t verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was door iemand die Pirlapan heette.
„Wel nou nog mooier,” riep de oude Pirlapan uit.
Op dat oogenblik verschenen er voor ’t raadhuis ’n stuk of wat ruiters, ’t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat Karibo en Pirlapan in ’t raadhuis waren en kwamen nu meedeelen, dat hun jonge aanvoerder zoek was.
Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo stom als visschen. ’t Werd hoe langer hoe gekker.
Doch de secretaris was op ’n idee gekomen en vroeg aan de soldaten of z’n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog ’n paard van een der soldaten.
„Dacht ik al,” zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert wanneer de jonge Pirlapan weg was.De soldaten wisten ’t niet precies, doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden ’s avonds hun paarden op stal gebracht en er verder niet naar omgezien.
„Jullie kan wel gaan,” zei hij tegen de soldaten.
„Heeren,” begon de secretaris, „ik begrijp de heele zaak al. ’t Is me zoo duidelijk als of ik ’t zelf gedaan had. De jonge Pirlapan heeft Prins Alphabet uit ’t raadhuis weten te krijgen op de een of andere manier.”
„Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?” riep Pirlapan. „Da’s onmogelijk.”
„Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers geweest als wel noodig was,” meende de secretaris.„Bovendien zijn ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet van gisteren te zijn.”
„Nee om de drommel niet,” riep Pirlapan, „maar tegen zeven van die ongeschoren vleeschklompen kan ie ’t toch onmogelijk uithouden.”
„Dat bedoel ik ook niet,” zei de secretaris, „doch hij is misschien slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. ’t Zou ook kunnen zijn dat ze alle zeven geslapen hadden.”
„’t Kan toch niet,” zei Pirlapan. „Want als Plachki prins Alphabet bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z’n soldaten gegaan zijn.”
„Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan,” zei de secretaris. „Uw zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen.”
Pirlapan gaf met z’n vuist ’n woedende klap op tafel.
„Zeg eens,” bulderde hij, „denk jij dat ’n Pirlapan z’n keizer uit de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je beleedigt me … en als je niet zoo’n nietig, sloom stadskereltje was nam ik je bij je kraag en ik smeet je door ’t venster.”
„Bedaar Pirlapan,” suste Karibo, „de secretaris kent de Pirlapans niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo slecht. De meeste menschen zou ’t toch om die duizend goudstukken te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die werkelijk prins Alphabet uit ’t raadhuis heeft verlost niet naar z’n soldaten is gegaan.”
„In ieder geval,” zuchtte Pirlapan, „maar nu keek hij opeens erg somber … zijn er nu al twee zoek.”
De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe rimpels in z’n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:
„Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik ’n eerlijke roover ben.”
En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.