TIENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze ’t niet best hebben, moeder Guldratsj weer naar d’r hutje gebracht wordt onder ’t zingen van ’t Pirlapanlied en prins Alphabet ’n bode van Karibo ontmoet.Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z’n slaapdronkenheid meende hij, dat z’n eigen paarden ’n beetje leven gemaakt hadden en lette er verder niet op. ’n Poos later hoorde hij evenwel ’t gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de valbrug. Hij zat rechtop. Maar ’t werd weer stil en toen ging ie maar weer op z’n rug liggen om nog eens na te denken over z’n plannen. ’t Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee jongens te pakken te krijgen! Er kwam ’n roover overeind en even later nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in ’t bosch!„D’r komen paarden hoofdman,” zei een van de roovers opstaand. „Ik zal ’t mijne maar vast losmaken.”„En ik,” zei nummer twee.„Op mannen!” riep Brambribras. „Te paard!”Nu waren ze allemaal in ’n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven, dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal ’n gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen, gebeurde ’t hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in zoo’n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman, behield z’n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in hun hand. Wat moet je met ’n paard beginnen, als je ’t niet besturen kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struikente vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door.Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel gerekend en daarom had ie z’n Pirlapanners de plek waar de roovers kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los, en ze schreeuwden zoo hard ze konden: „Pirlapan! Pirlapan!”Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot gevangen en Abé met z’n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als ’n schaap aan de Pirlapanners overgaf.„Wat ’n lafaard,” zei Plachki. „Bah!”„’t Zijn ook maar roovers Plachki.”„Nou ja … maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn ’t.”„Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!”„Da’s waar. Dat was ’n slimme streek van je.”De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden: de kelders. Daar was ’t vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in terecht kwam was binnen vijf minuten z’n vroolijkheid kwijt. De roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets van dat papiertjedoor Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook straffeloosheid voor hem en z’n kameraden. Daarvan had ie niet eens iets tegen z’n eigen roovers gezegd. ’t Kostbare papier was veilig opgeborgen in de voering van z’n rechterlaars.„Ziezoo,” zei Abé ’s avonds,„die schurken zitten alvast goed opgeborgen.Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?”„’k Weet ’t niet Abé. ’t Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar als je ’t graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen, dat ie de hoofdman even hier haalt.”„Laat maar zitten hoor. ’k Stel heelemaal geen belang in die vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo’n Pirlapansche kelder zit. Ik hoop dat ie z’n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij ’n veertien dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet, maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen.”„Dat was ’t ook … Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch nog veel erger.”„Hè???”„Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk.”„Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders dan ’n berooide landlooper.”„Doet er niet toe majesteit,” zei Brulfros die eerbiedig achter de bank stond, waarop Abé zat. „Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood.”„Brulfros je ben ’n rare kerel,”zei Abé.„Ik zal jou maar nooit tot rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over.”„Voorloopig krijgen ze alvast geen eten,” zei Brulfros grimmig. „Ik zal het hen wel inpeperen uwe majesteit.”„Brulfros wil je me ’n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten, want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben.”„Eten brengen? Aan … die … gemeene … roovers?”„Wel ja Brulfros, ’n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik.”„Nou als uwe majesteit ’t beveelt …” zei Brulfros … „Maar van mij kregen ze geen korst brood hoor!”„Doe ’t maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben ’n akelig ding.”Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z’n vriend: „Die Brulfros zou ze waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?”„Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet.”„Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand ’n stuk brood geeft al is ie ’n schurk.”„Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt van Huk.”„Dat weet ik nog niet hoor. ’t Kan ze mettertijd wel eens tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?”„Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft ’t zadel voor de ezel klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten.”„Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch ’n beetje verlangend naar Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen.”De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki op ’t binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder Guldratsj’ ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van Pirlapan, allemaal stevige jongens van ’n kettinghemd en ’n ijzeren hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude slotbewaarder mocht ’n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z’n meester ’t hem kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om ’t kasteel te helpen bewaken en om de arbeid op ’t veld te verrichten. Maar de jongens, die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden, als ’t noodig was er even goed opslaan, want ’t waren dan toch ook Pirlapanners.Abé bekeek z’n nieuwe lijfwacht eens. ’t Viel hem mee. Ze zaten goed te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet voor de eerste maal van hun leven zoo’n ding in de hand hadden.„Daar zorgt vader wel voor,” zei Plachki. „Iedere jongen van Pirlapan moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als ’t er op aan kwam hoe ze d’r op zouden troeven.”„Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?”„Jagen doen we ook graag … en werken ook. Maar vechten doen we ’t liefst … Altijd als er wat te vechten is.”„Hoe bedoel je dat Plachki?”„Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als de een of ander wat van Pirlapan hebben moet.”„Hè?”„Da’s ’n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou ’n buurman de baron van Klatsjbidronpeerdrups zich ’n stuk bosch van Pirlapan toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen.”„Is er toen gevochten?”„Niet zoo’n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze halen er nog dikwijls genoeg van op.”„En Pirlapan won het hè?”„Natuurlijk. Ze kregen op d’r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd gevangen genomen.”„En hoe lang hielden jullie ’m?”„’k Geloof dat ie nog hier of daar in ’n kelder van Pirlapan zit.”„Maar z’n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?”„Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik.”„Staat ’t kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?”„Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand.”„Maar ’t land dan?”„Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan.”„En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?”„Die heeft ’t hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal van hem hebben.”„Hoor eens Plachki, ik vind ’t niet erg mooi van je vader, dat ie …”„Pf,” kwam Plachki. „Als Klatsjbidronpeerdrups ’t gewonnen had, had ie met ons net eender gedaan.”„En of,” zei Brulfros. „Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk heerschap. We zouden ’t slecht bij ’m gehad hebben. Hij heeft z’n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen.”Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan ’t hoofd van z’n kleine lijfwacht de valbrug over en ’t bosch in. Abé scheen niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel ’n half uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo’n Pirlapansche kelder opgesloten zat. ’t Was slecht van die baron geweest om ’n stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had hij ’n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man strafte, dat vond Abé toch wel ’n beetje al te hard. Te oordeelen naar dewijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek ’t wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit ’t zonlicht weer te aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan te doen. Pirlapan was ’n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had ’t niet gewaagd hem onder handen te nemen.Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg, ’n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups.Langzamerhand raakte Abé weer aan ’t praten met Plachki en moeder Guldratsj, die maar piekfijn op d’r ezeltje zat. Brulfros had ’n heel gemakkelijk zadel voor ’t oude vrouwtje gemaakt en ze was erwat blij mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d’r oude hutje terugging, waar ze jaren en jaren gewoond had.’t Was bepaald ’n plezierreisje voor allemaal en ’t duurde niet lang of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle Pirlapanners vielen in met ’t refrein:Toen Keizer Napo was gevluchtVoor ’t stadsvolk van Pomfriet,Dat Sutrebor tot keizer nam,Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:Die keizer wil ik niet.Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,Om trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Doch Sutrebor schreef uit PomfrietEen vriendelijke brief.Ik moet niets van je hebben man,Sprak Pirla, Pirla, PirlapanAl doe je nog zoo lief.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Als jij wat van me hebben wilKom zelf naar PirlapanEn vecht zoo dapper als je kan,Want Pirla, Pirla, PirlapanDie staat nog best z’n man.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Maar komt ons prinsje ooit terugIn ’t vaderlijk gebied,Pas dan maar op voor Pirlapan,Want Pirla, Parla, PirlapanDie brengt hem naar Pomfriet.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen allebei ’t refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj d’r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter.Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj’hutje waren, zongen ze ’t voor de deur nog eens tot afscheid.Moeder Guldratsjwas blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij verzekerde haar dat ie d’r vast en zeker zou komen halen.„Nou ja, doe ’t dan maar,” zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht: Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit vergeet ie ’t misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch Abé verlangde nu toch veel te hard naar ’t oogenblik dat ie Karibo zou terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden ’t ook, doch na ’n paar uur waren ze toch wel ’n beetje moe en de paarden ook. Toendeden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze sliepen in ’t gras. Plachki zette echter heel ernstig ’n schildwacht op post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog om. Hij vond ’t onnoodig maar Plachki zei, dat ’t zoo hoorde. En als ’n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest ’t maar gebeuren ook.’s Morgens in de vroegte aten ze ’n stuk droog brood, omdat ze niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En ’t ging weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet zoo’n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki.„Als je in Sutrebor z’n schoenen stond, zou je er wel anders over denken. O wee, als m’n vader die kerel te pakken krijgt!”„Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?” zei Abé lachend.„Alleen maar de lui waar ie ’t land aan heeft. De rest laat ie wel met vree.”„Dan is ’t maar te hopen voor Sutrebor, dat ie ’n beetje uit de buurt van Pirlapan blijft.”„En hier uit de buurt,” zei Plachki dapper.„Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? ’t Is maar goed, dat ie wijd weg is.”„Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet en toen is ie maar naar z’n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens ’n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw genoeg weer kunnen zijn.”„Had ie dan geen soldaten?”„Jawel, maar niet zoo’n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal van hem weten. In ’t begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal geen kans gehad om ’t zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat begrijp je hè?”„Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen roepen dunkt me.”„Ja, hoe dat komt weet ik ook niet.”Tegen de avond kwamen ze ’n ruiter tegen, ’n Pirlapanner, die met ’n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan.Dat was ’n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo ’t maakte.„Heel goed,” zei de bode, „maar …”„Geen maren asjeblieft.”„Maar prins ik moet toch m’n boodschap overbrengen!”„Da’s waar. Voor de dag er mee.”Nu haalde de bode ’n brief uit z’n tasch en Abé verbrak dadelijk ’t zegel en begon te lezen.„Nou da’s ook geen plezierige tijding,” zei hij eindelijk tegen Plachki. „We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft:„Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar ’n poosje tot we je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan en ik bedriegers waren en ’t gevolg daarvan is geweest, dat de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, die nu weer in Pomfriet zit.Je toegenegen,Karibo.P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z’n mannen beschermen als ’t noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf.”„Hoe vind je dat?” zei Abé.„’t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit vertrouwen. Maar ’t laatste vind ik prachtig.”En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek.„Je hebt gehoord wat er in die brief staat?” vroeg Plachki de bode toen ie ’n beetje uitgelachen was.„Jawel Plachki,” zei de man. „Ik heb m’n ooren niet in m’n zak.”„En weet jij wie Brambribras is?”„Jawel. Da’s ’n rooverhoofdman.”„En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?”„Weet ik niet.”„Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?”„Onmiddellijk.”„Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z’n mannetjes onder in de kelders van Pirlapan.”„Watblief?” zei de bode … „Neen maar die is goed.”Plachki vertelde hoe ’t met de roovers was toegegaan en natuurlijk had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de Pirlapanners nu eenmaal. Vooral ’t doorsnijden van die paardetoomen vond de bode ’n prachtige streek.„En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren,” zei Abé. „Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie ons dan nog wel in.”„Prins,” zei de bode,„mag ik u ’n goede raad geven? Doe ’t dan niet zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In Pirlapan zit je veilig.”„Goed, dan zullen we ’t zoo snel mogelijk doen.”„Kunnen we niet met jou mee gaan?” vroeg Plachki. „’t Is precies of we op de vlucht moeten.”„En dat is ’n toer voor ’n Pirlapan, hè Plachki,” zei Abé lachend.„Of het. We zijn toch met z’n dertienen, de bode meegeteld, allemaal Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook.”„Ik zou ’t heel plezierig vinden, Plachki,” zei de bode. „Maar je weet wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan.”„Zeg dat dan maar,” zei Plachki met een zucht.„O ja, da’s waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met de prins naar Pirlapanbentgegaan en niet naar je vader?”„Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk.”„Maar Plachki,” zei de man verontwaardigd, „sedert wanneer wachten de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?”„Sedert prins Alphabet terug is,” antwoordde Plachki eenvoudig.„Lieve hemel,” zei de bode, „je zou met al die keizers in de war raken. „Ik bedoelde Sutrebor …”„Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet ’t?”„Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is ’t. Maar Sutrebor is ’t toch óók nog zoo’n beetje geloof ik.”„Dat geloof ik ook,” zei Abé lachend. „Ik geloof zelfs dat Sutrebor als ’t er op aankomt op dit oogenblikmeer keizer is dan ik. Hij is weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt prins Alphabet?”„Wel nou nog mooier,” riep Plachki boos. „Tel jij de Pirlapans voor niemendal?”„O zoo,” zei de bode. „Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel Huk op z’n kop gaan staan!”En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer:Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Onder ’t zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken.

TIENDE HOOFDSTUK.Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze ’t niet best hebben, moeder Guldratsj weer naar d’r hutje gebracht wordt onder ’t zingen van ’t Pirlapanlied en prins Alphabet ’n bode van Karibo ontmoet.Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z’n slaapdronkenheid meende hij, dat z’n eigen paarden ’n beetje leven gemaakt hadden en lette er verder niet op. ’n Poos later hoorde hij evenwel ’t gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de valbrug. Hij zat rechtop. Maar ’t werd weer stil en toen ging ie maar weer op z’n rug liggen om nog eens na te denken over z’n plannen. ’t Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee jongens te pakken te krijgen! Er kwam ’n roover overeind en even later nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in ’t bosch!„D’r komen paarden hoofdman,” zei een van de roovers opstaand. „Ik zal ’t mijne maar vast losmaken.”„En ik,” zei nummer twee.„Op mannen!” riep Brambribras. „Te paard!”Nu waren ze allemaal in ’n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven, dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal ’n gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen, gebeurde ’t hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in zoo’n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman, behield z’n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in hun hand. Wat moet je met ’n paard beginnen, als je ’t niet besturen kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struikente vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door.Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel gerekend en daarom had ie z’n Pirlapanners de plek waar de roovers kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los, en ze schreeuwden zoo hard ze konden: „Pirlapan! Pirlapan!”Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot gevangen en Abé met z’n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als ’n schaap aan de Pirlapanners overgaf.„Wat ’n lafaard,” zei Plachki. „Bah!”„’t Zijn ook maar roovers Plachki.”„Nou ja … maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn ’t.”„Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!”„Da’s waar. Dat was ’n slimme streek van je.”De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden: de kelders. Daar was ’t vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in terecht kwam was binnen vijf minuten z’n vroolijkheid kwijt. De roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets van dat papiertjedoor Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook straffeloosheid voor hem en z’n kameraden. Daarvan had ie niet eens iets tegen z’n eigen roovers gezegd. ’t Kostbare papier was veilig opgeborgen in de voering van z’n rechterlaars.„Ziezoo,” zei Abé ’s avonds,„die schurken zitten alvast goed opgeborgen.Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?”„’k Weet ’t niet Abé. ’t Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar als je ’t graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen, dat ie de hoofdman even hier haalt.”„Laat maar zitten hoor. ’k Stel heelemaal geen belang in die vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo’n Pirlapansche kelder zit. Ik hoop dat ie z’n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij ’n veertien dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet, maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen.”„Dat was ’t ook … Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch nog veel erger.”„Hè???”„Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk.”„Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders dan ’n berooide landlooper.”„Doet er niet toe majesteit,” zei Brulfros die eerbiedig achter de bank stond, waarop Abé zat. „Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood.”„Brulfros je ben ’n rare kerel,”zei Abé.„Ik zal jou maar nooit tot rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over.”„Voorloopig krijgen ze alvast geen eten,” zei Brulfros grimmig. „Ik zal het hen wel inpeperen uwe majesteit.”„Brulfros wil je me ’n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten, want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben.”„Eten brengen? Aan … die … gemeene … roovers?”„Wel ja Brulfros, ’n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik.”„Nou als uwe majesteit ’t beveelt …” zei Brulfros … „Maar van mij kregen ze geen korst brood hoor!”„Doe ’t maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben ’n akelig ding.”Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z’n vriend: „Die Brulfros zou ze waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?”„Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet.”„Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand ’n stuk brood geeft al is ie ’n schurk.”„Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt van Huk.”„Dat weet ik nog niet hoor. ’t Kan ze mettertijd wel eens tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?”„Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft ’t zadel voor de ezel klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten.”„Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch ’n beetje verlangend naar Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen.”De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki op ’t binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder Guldratsj’ ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van Pirlapan, allemaal stevige jongens van ’n kettinghemd en ’n ijzeren hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude slotbewaarder mocht ’n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z’n meester ’t hem kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om ’t kasteel te helpen bewaken en om de arbeid op ’t veld te verrichten. Maar de jongens, die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden, als ’t noodig was er even goed opslaan, want ’t waren dan toch ook Pirlapanners.Abé bekeek z’n nieuwe lijfwacht eens. ’t Viel hem mee. Ze zaten goed te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet voor de eerste maal van hun leven zoo’n ding in de hand hadden.„Daar zorgt vader wel voor,” zei Plachki. „Iedere jongen van Pirlapan moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als ’t er op aan kwam hoe ze d’r op zouden troeven.”„Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?”„Jagen doen we ook graag … en werken ook. Maar vechten doen we ’t liefst … Altijd als er wat te vechten is.”„Hoe bedoel je dat Plachki?”„Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als de een of ander wat van Pirlapan hebben moet.”„Hè?”„Da’s ’n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou ’n buurman de baron van Klatsjbidronpeerdrups zich ’n stuk bosch van Pirlapan toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen.”„Is er toen gevochten?”„Niet zoo’n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze halen er nog dikwijls genoeg van op.”„En Pirlapan won het hè?”„Natuurlijk. Ze kregen op d’r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd gevangen genomen.”„En hoe lang hielden jullie ’m?”„’k Geloof dat ie nog hier of daar in ’n kelder van Pirlapan zit.”„Maar z’n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?”„Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik.”„Staat ’t kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?”„Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand.”„Maar ’t land dan?”„Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan.”„En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?”„Die heeft ’t hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal van hem hebben.”„Hoor eens Plachki, ik vind ’t niet erg mooi van je vader, dat ie …”„Pf,” kwam Plachki. „Als Klatsjbidronpeerdrups ’t gewonnen had, had ie met ons net eender gedaan.”„En of,” zei Brulfros. „Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk heerschap. We zouden ’t slecht bij ’m gehad hebben. Hij heeft z’n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen.”Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan ’t hoofd van z’n kleine lijfwacht de valbrug over en ’t bosch in. Abé scheen niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel ’n half uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo’n Pirlapansche kelder opgesloten zat. ’t Was slecht van die baron geweest om ’n stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had hij ’n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man strafte, dat vond Abé toch wel ’n beetje al te hard. Te oordeelen naar dewijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek ’t wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit ’t zonlicht weer te aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan te doen. Pirlapan was ’n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had ’t niet gewaagd hem onder handen te nemen.Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg, ’n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups.Langzamerhand raakte Abé weer aan ’t praten met Plachki en moeder Guldratsj, die maar piekfijn op d’r ezeltje zat. Brulfros had ’n heel gemakkelijk zadel voor ’t oude vrouwtje gemaakt en ze was erwat blij mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d’r oude hutje terugging, waar ze jaren en jaren gewoond had.’t Was bepaald ’n plezierreisje voor allemaal en ’t duurde niet lang of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle Pirlapanners vielen in met ’t refrein:Toen Keizer Napo was gevluchtVoor ’t stadsvolk van Pomfriet,Dat Sutrebor tot keizer nam,Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:Die keizer wil ik niet.Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,Om trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Doch Sutrebor schreef uit PomfrietEen vriendelijke brief.Ik moet niets van je hebben man,Sprak Pirla, Pirla, PirlapanAl doe je nog zoo lief.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Als jij wat van me hebben wilKom zelf naar PirlapanEn vecht zoo dapper als je kan,Want Pirla, Pirla, PirlapanDie staat nog best z’n man.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Maar komt ons prinsje ooit terugIn ’t vaderlijk gebied,Pas dan maar op voor Pirlapan,Want Pirla, Parla, PirlapanDie brengt hem naar Pomfriet.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen allebei ’t refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj d’r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter.Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj’hutje waren, zongen ze ’t voor de deur nog eens tot afscheid.Moeder Guldratsjwas blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij verzekerde haar dat ie d’r vast en zeker zou komen halen.„Nou ja, doe ’t dan maar,” zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht: Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit vergeet ie ’t misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch Abé verlangde nu toch veel te hard naar ’t oogenblik dat ie Karibo zou terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden ’t ook, doch na ’n paar uur waren ze toch wel ’n beetje moe en de paarden ook. Toendeden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze sliepen in ’t gras. Plachki zette echter heel ernstig ’n schildwacht op post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog om. Hij vond ’t onnoodig maar Plachki zei, dat ’t zoo hoorde. En als ’n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest ’t maar gebeuren ook.’s Morgens in de vroegte aten ze ’n stuk droog brood, omdat ze niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En ’t ging weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet zoo’n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki.„Als je in Sutrebor z’n schoenen stond, zou je er wel anders over denken. O wee, als m’n vader die kerel te pakken krijgt!”„Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?” zei Abé lachend.„Alleen maar de lui waar ie ’t land aan heeft. De rest laat ie wel met vree.”„Dan is ’t maar te hopen voor Sutrebor, dat ie ’n beetje uit de buurt van Pirlapan blijft.”„En hier uit de buurt,” zei Plachki dapper.„Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? ’t Is maar goed, dat ie wijd weg is.”„Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet en toen is ie maar naar z’n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens ’n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw genoeg weer kunnen zijn.”„Had ie dan geen soldaten?”„Jawel, maar niet zoo’n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal van hem weten. In ’t begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal geen kans gehad om ’t zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat begrijp je hè?”„Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen roepen dunkt me.”„Ja, hoe dat komt weet ik ook niet.”Tegen de avond kwamen ze ’n ruiter tegen, ’n Pirlapanner, die met ’n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan.Dat was ’n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo ’t maakte.„Heel goed,” zei de bode, „maar …”„Geen maren asjeblieft.”„Maar prins ik moet toch m’n boodschap overbrengen!”„Da’s waar. Voor de dag er mee.”Nu haalde de bode ’n brief uit z’n tasch en Abé verbrak dadelijk ’t zegel en begon te lezen.„Nou da’s ook geen plezierige tijding,” zei hij eindelijk tegen Plachki. „We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft:„Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar ’n poosje tot we je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan en ik bedriegers waren en ’t gevolg daarvan is geweest, dat de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, die nu weer in Pomfriet zit.Je toegenegen,Karibo.P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z’n mannen beschermen als ’t noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf.”„Hoe vind je dat?” zei Abé.„’t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit vertrouwen. Maar ’t laatste vind ik prachtig.”En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek.„Je hebt gehoord wat er in die brief staat?” vroeg Plachki de bode toen ie ’n beetje uitgelachen was.„Jawel Plachki,” zei de man. „Ik heb m’n ooren niet in m’n zak.”„En weet jij wie Brambribras is?”„Jawel. Da’s ’n rooverhoofdman.”„En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?”„Weet ik niet.”„Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?”„Onmiddellijk.”„Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z’n mannetjes onder in de kelders van Pirlapan.”„Watblief?” zei de bode … „Neen maar die is goed.”Plachki vertelde hoe ’t met de roovers was toegegaan en natuurlijk had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de Pirlapanners nu eenmaal. Vooral ’t doorsnijden van die paardetoomen vond de bode ’n prachtige streek.„En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren,” zei Abé. „Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie ons dan nog wel in.”„Prins,” zei de bode,„mag ik u ’n goede raad geven? Doe ’t dan niet zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In Pirlapan zit je veilig.”„Goed, dan zullen we ’t zoo snel mogelijk doen.”„Kunnen we niet met jou mee gaan?” vroeg Plachki. „’t Is precies of we op de vlucht moeten.”„En dat is ’n toer voor ’n Pirlapan, hè Plachki,” zei Abé lachend.„Of het. We zijn toch met z’n dertienen, de bode meegeteld, allemaal Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook.”„Ik zou ’t heel plezierig vinden, Plachki,” zei de bode. „Maar je weet wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan.”„Zeg dat dan maar,” zei Plachki met een zucht.„O ja, da’s waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met de prins naar Pirlapanbentgegaan en niet naar je vader?”„Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk.”„Maar Plachki,” zei de man verontwaardigd, „sedert wanneer wachten de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?”„Sedert prins Alphabet terug is,” antwoordde Plachki eenvoudig.„Lieve hemel,” zei de bode, „je zou met al die keizers in de war raken. „Ik bedoelde Sutrebor …”„Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet ’t?”„Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is ’t. Maar Sutrebor is ’t toch óók nog zoo’n beetje geloof ik.”„Dat geloof ik ook,” zei Abé lachend. „Ik geloof zelfs dat Sutrebor als ’t er op aankomt op dit oogenblikmeer keizer is dan ik. Hij is weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt prins Alphabet?”„Wel nou nog mooier,” riep Plachki boos. „Tel jij de Pirlapans voor niemendal?”„O zoo,” zei de bode. „Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel Huk op z’n kop gaan staan!”En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer:Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Onder ’t zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken.

TIENDE HOOFDSTUK.Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze ’t niet best hebben, moeder Guldratsj weer naar d’r hutje gebracht wordt onder ’t zingen van ’t Pirlapanlied en prins Alphabet ’n bode van Karibo ontmoet.

Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze ’t niet best hebben, moeder Guldratsj weer naar d’r hutje gebracht wordt onder ’t zingen van ’t Pirlapanlied en prins Alphabet ’n bode van Karibo ontmoet.

Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze ’t niet best hebben, moeder Guldratsj weer naar d’r hutje gebracht wordt onder ’t zingen van ’t Pirlapanlied en prins Alphabet ’n bode van Karibo ontmoet.

Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z’n slaapdronkenheid meende hij, dat z’n eigen paarden ’n beetje leven gemaakt hadden en lette er verder niet op. ’n Poos later hoorde hij evenwel ’t gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de valbrug. Hij zat rechtop. Maar ’t werd weer stil en toen ging ie maar weer op z’n rug liggen om nog eens na te denken over z’n plannen. ’t Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee jongens te pakken te krijgen! Er kwam ’n roover overeind en even later nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in ’t bosch!„D’r komen paarden hoofdman,” zei een van de roovers opstaand. „Ik zal ’t mijne maar vast losmaken.”„En ik,” zei nummer twee.„Op mannen!” riep Brambribras. „Te paard!”Nu waren ze allemaal in ’n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven, dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal ’n gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen, gebeurde ’t hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in zoo’n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman, behield z’n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in hun hand. Wat moet je met ’n paard beginnen, als je ’t niet besturen kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struikente vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door.Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel gerekend en daarom had ie z’n Pirlapanners de plek waar de roovers kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los, en ze schreeuwden zoo hard ze konden: „Pirlapan! Pirlapan!”Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot gevangen en Abé met z’n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als ’n schaap aan de Pirlapanners overgaf.„Wat ’n lafaard,” zei Plachki. „Bah!”„’t Zijn ook maar roovers Plachki.”„Nou ja … maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn ’t.”„Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!”„Da’s waar. Dat was ’n slimme streek van je.”De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden: de kelders. Daar was ’t vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in terecht kwam was binnen vijf minuten z’n vroolijkheid kwijt. De roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets van dat papiertjedoor Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook straffeloosheid voor hem en z’n kameraden. Daarvan had ie niet eens iets tegen z’n eigen roovers gezegd. ’t Kostbare papier was veilig opgeborgen in de voering van z’n rechterlaars.„Ziezoo,” zei Abé ’s avonds,„die schurken zitten alvast goed opgeborgen.Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?”„’k Weet ’t niet Abé. ’t Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar als je ’t graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen, dat ie de hoofdman even hier haalt.”„Laat maar zitten hoor. ’k Stel heelemaal geen belang in die vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo’n Pirlapansche kelder zit. Ik hoop dat ie z’n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij ’n veertien dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet, maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen.”„Dat was ’t ook … Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch nog veel erger.”„Hè???”„Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk.”„Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders dan ’n berooide landlooper.”„Doet er niet toe majesteit,” zei Brulfros die eerbiedig achter de bank stond, waarop Abé zat. „Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood.”„Brulfros je ben ’n rare kerel,”zei Abé.„Ik zal jou maar nooit tot rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over.”„Voorloopig krijgen ze alvast geen eten,” zei Brulfros grimmig. „Ik zal het hen wel inpeperen uwe majesteit.”„Brulfros wil je me ’n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten, want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben.”„Eten brengen? Aan … die … gemeene … roovers?”„Wel ja Brulfros, ’n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik.”„Nou als uwe majesteit ’t beveelt …” zei Brulfros … „Maar van mij kregen ze geen korst brood hoor!”„Doe ’t maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben ’n akelig ding.”Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z’n vriend: „Die Brulfros zou ze waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?”„Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet.”„Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand ’n stuk brood geeft al is ie ’n schurk.”„Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt van Huk.”„Dat weet ik nog niet hoor. ’t Kan ze mettertijd wel eens tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?”„Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft ’t zadel voor de ezel klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten.”„Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch ’n beetje verlangend naar Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen.”De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki op ’t binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder Guldratsj’ ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van Pirlapan, allemaal stevige jongens van ’n kettinghemd en ’n ijzeren hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude slotbewaarder mocht ’n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z’n meester ’t hem kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om ’t kasteel te helpen bewaken en om de arbeid op ’t veld te verrichten. Maar de jongens, die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden, als ’t noodig was er even goed opslaan, want ’t waren dan toch ook Pirlapanners.Abé bekeek z’n nieuwe lijfwacht eens. ’t Viel hem mee. Ze zaten goed te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet voor de eerste maal van hun leven zoo’n ding in de hand hadden.„Daar zorgt vader wel voor,” zei Plachki. „Iedere jongen van Pirlapan moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als ’t er op aan kwam hoe ze d’r op zouden troeven.”„Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?”„Jagen doen we ook graag … en werken ook. Maar vechten doen we ’t liefst … Altijd als er wat te vechten is.”„Hoe bedoel je dat Plachki?”„Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als de een of ander wat van Pirlapan hebben moet.”„Hè?”„Da’s ’n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou ’n buurman de baron van Klatsjbidronpeerdrups zich ’n stuk bosch van Pirlapan toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen.”„Is er toen gevochten?”„Niet zoo’n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze halen er nog dikwijls genoeg van op.”„En Pirlapan won het hè?”„Natuurlijk. Ze kregen op d’r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd gevangen genomen.”„En hoe lang hielden jullie ’m?”„’k Geloof dat ie nog hier of daar in ’n kelder van Pirlapan zit.”„Maar z’n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?”„Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik.”„Staat ’t kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?”„Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand.”„Maar ’t land dan?”„Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan.”„En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?”„Die heeft ’t hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal van hem hebben.”„Hoor eens Plachki, ik vind ’t niet erg mooi van je vader, dat ie …”„Pf,” kwam Plachki. „Als Klatsjbidronpeerdrups ’t gewonnen had, had ie met ons net eender gedaan.”„En of,” zei Brulfros. „Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk heerschap. We zouden ’t slecht bij ’m gehad hebben. Hij heeft z’n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen.”Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan ’t hoofd van z’n kleine lijfwacht de valbrug over en ’t bosch in. Abé scheen niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel ’n half uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo’n Pirlapansche kelder opgesloten zat. ’t Was slecht van die baron geweest om ’n stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had hij ’n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man strafte, dat vond Abé toch wel ’n beetje al te hard. Te oordeelen naar dewijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek ’t wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit ’t zonlicht weer te aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan te doen. Pirlapan was ’n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had ’t niet gewaagd hem onder handen te nemen.Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg, ’n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups.Langzamerhand raakte Abé weer aan ’t praten met Plachki en moeder Guldratsj, die maar piekfijn op d’r ezeltje zat. Brulfros had ’n heel gemakkelijk zadel voor ’t oude vrouwtje gemaakt en ze was erwat blij mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d’r oude hutje terugging, waar ze jaren en jaren gewoond had.’t Was bepaald ’n plezierreisje voor allemaal en ’t duurde niet lang of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle Pirlapanners vielen in met ’t refrein:Toen Keizer Napo was gevluchtVoor ’t stadsvolk van Pomfriet,Dat Sutrebor tot keizer nam,Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:Die keizer wil ik niet.Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,Om trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Doch Sutrebor schreef uit PomfrietEen vriendelijke brief.Ik moet niets van je hebben man,Sprak Pirla, Pirla, PirlapanAl doe je nog zoo lief.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Als jij wat van me hebben wilKom zelf naar PirlapanEn vecht zoo dapper als je kan,Want Pirla, Pirla, PirlapanDie staat nog best z’n man.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Maar komt ons prinsje ooit terugIn ’t vaderlijk gebied,Pas dan maar op voor Pirlapan,Want Pirla, Parla, PirlapanDie brengt hem naar Pomfriet.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen allebei ’t refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj d’r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter.Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj’hutje waren, zongen ze ’t voor de deur nog eens tot afscheid.Moeder Guldratsjwas blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij verzekerde haar dat ie d’r vast en zeker zou komen halen.„Nou ja, doe ’t dan maar,” zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht: Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit vergeet ie ’t misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch Abé verlangde nu toch veel te hard naar ’t oogenblik dat ie Karibo zou terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden ’t ook, doch na ’n paar uur waren ze toch wel ’n beetje moe en de paarden ook. Toendeden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze sliepen in ’t gras. Plachki zette echter heel ernstig ’n schildwacht op post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog om. Hij vond ’t onnoodig maar Plachki zei, dat ’t zoo hoorde. En als ’n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest ’t maar gebeuren ook.’s Morgens in de vroegte aten ze ’n stuk droog brood, omdat ze niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En ’t ging weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet zoo’n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki.„Als je in Sutrebor z’n schoenen stond, zou je er wel anders over denken. O wee, als m’n vader die kerel te pakken krijgt!”„Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?” zei Abé lachend.„Alleen maar de lui waar ie ’t land aan heeft. De rest laat ie wel met vree.”„Dan is ’t maar te hopen voor Sutrebor, dat ie ’n beetje uit de buurt van Pirlapan blijft.”„En hier uit de buurt,” zei Plachki dapper.„Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? ’t Is maar goed, dat ie wijd weg is.”„Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet en toen is ie maar naar z’n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens ’n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw genoeg weer kunnen zijn.”„Had ie dan geen soldaten?”„Jawel, maar niet zoo’n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal van hem weten. In ’t begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal geen kans gehad om ’t zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat begrijp je hè?”„Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen roepen dunkt me.”„Ja, hoe dat komt weet ik ook niet.”Tegen de avond kwamen ze ’n ruiter tegen, ’n Pirlapanner, die met ’n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan.Dat was ’n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo ’t maakte.„Heel goed,” zei de bode, „maar …”„Geen maren asjeblieft.”„Maar prins ik moet toch m’n boodschap overbrengen!”„Da’s waar. Voor de dag er mee.”Nu haalde de bode ’n brief uit z’n tasch en Abé verbrak dadelijk ’t zegel en begon te lezen.„Nou da’s ook geen plezierige tijding,” zei hij eindelijk tegen Plachki. „We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft:„Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar ’n poosje tot we je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan en ik bedriegers waren en ’t gevolg daarvan is geweest, dat de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, die nu weer in Pomfriet zit.Je toegenegen,Karibo.P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z’n mannen beschermen als ’t noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf.”„Hoe vind je dat?” zei Abé.„’t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit vertrouwen. Maar ’t laatste vind ik prachtig.”En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek.„Je hebt gehoord wat er in die brief staat?” vroeg Plachki de bode toen ie ’n beetje uitgelachen was.„Jawel Plachki,” zei de man. „Ik heb m’n ooren niet in m’n zak.”„En weet jij wie Brambribras is?”„Jawel. Da’s ’n rooverhoofdman.”„En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?”„Weet ik niet.”„Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?”„Onmiddellijk.”„Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z’n mannetjes onder in de kelders van Pirlapan.”„Watblief?” zei de bode … „Neen maar die is goed.”Plachki vertelde hoe ’t met de roovers was toegegaan en natuurlijk had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de Pirlapanners nu eenmaal. Vooral ’t doorsnijden van die paardetoomen vond de bode ’n prachtige streek.„En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren,” zei Abé. „Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie ons dan nog wel in.”„Prins,” zei de bode,„mag ik u ’n goede raad geven? Doe ’t dan niet zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In Pirlapan zit je veilig.”„Goed, dan zullen we ’t zoo snel mogelijk doen.”„Kunnen we niet met jou mee gaan?” vroeg Plachki. „’t Is precies of we op de vlucht moeten.”„En dat is ’n toer voor ’n Pirlapan, hè Plachki,” zei Abé lachend.„Of het. We zijn toch met z’n dertienen, de bode meegeteld, allemaal Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook.”„Ik zou ’t heel plezierig vinden, Plachki,” zei de bode. „Maar je weet wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan.”„Zeg dat dan maar,” zei Plachki met een zucht.„O ja, da’s waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met de prins naar Pirlapanbentgegaan en niet naar je vader?”„Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk.”„Maar Plachki,” zei de man verontwaardigd, „sedert wanneer wachten de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?”„Sedert prins Alphabet terug is,” antwoordde Plachki eenvoudig.„Lieve hemel,” zei de bode, „je zou met al die keizers in de war raken. „Ik bedoelde Sutrebor …”„Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet ’t?”„Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is ’t. Maar Sutrebor is ’t toch óók nog zoo’n beetje geloof ik.”„Dat geloof ik ook,” zei Abé lachend. „Ik geloof zelfs dat Sutrebor als ’t er op aankomt op dit oogenblikmeer keizer is dan ik. Hij is weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt prins Alphabet?”„Wel nou nog mooier,” riep Plachki boos. „Tel jij de Pirlapans voor niemendal?”„O zoo,” zei de bode. „Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel Huk op z’n kop gaan staan!”En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer:Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Onder ’t zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken.

Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z’n slaapdronkenheid meende hij, dat z’n eigen paarden ’n beetje leven gemaakt hadden en lette er verder niet op. ’n Poos later hoorde hij evenwel ’t gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de valbrug. Hij zat rechtop. Maar ’t werd weer stil en toen ging ie maar weer op z’n rug liggen om nog eens na te denken over z’n plannen. ’t Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee jongens te pakken te krijgen! Er kwam ’n roover overeind en even later nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in ’t bosch!

„D’r komen paarden hoofdman,” zei een van de roovers opstaand. „Ik zal ’t mijne maar vast losmaken.”

„En ik,” zei nummer twee.

„Op mannen!” riep Brambribras. „Te paard!”

Nu waren ze allemaal in ’n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven, dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal ’n gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen, gebeurde ’t hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in zoo’n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman, behield z’n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in hun hand. Wat moet je met ’n paard beginnen, als je ’t niet besturen kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struikente vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door.

Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel gerekend en daarom had ie z’n Pirlapanners de plek waar de roovers kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los, en ze schreeuwden zoo hard ze konden: „Pirlapan! Pirlapan!”

Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot gevangen en Abé met z’n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als ’n schaap aan de Pirlapanners overgaf.

„Wat ’n lafaard,” zei Plachki. „Bah!”

„’t Zijn ook maar roovers Plachki.”

„Nou ja … maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn ’t.”

„Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!”

„Da’s waar. Dat was ’n slimme streek van je.”

De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden: de kelders. Daar was ’t vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in terecht kwam was binnen vijf minuten z’n vroolijkheid kwijt. De roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets van dat papiertjedoor Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook straffeloosheid voor hem en z’n kameraden. Daarvan had ie niet eens iets tegen z’n eigen roovers gezegd. ’t Kostbare papier was veilig opgeborgen in de voering van z’n rechterlaars.

„Ziezoo,” zei Abé ’s avonds,„die schurken zitten alvast goed opgeborgen.Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?”

„’k Weet ’t niet Abé. ’t Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar als je ’t graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen, dat ie de hoofdman even hier haalt.”

„Laat maar zitten hoor. ’k Stel heelemaal geen belang in die vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo’n Pirlapansche kelder zit. Ik hoop dat ie z’n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij ’n veertien dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet, maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen.”

„Dat was ’t ook … Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch nog veel erger.”

„Hè???”

„Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk.”

„Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders dan ’n berooide landlooper.”

„Doet er niet toe majesteit,” zei Brulfros die eerbiedig achter de bank stond, waarop Abé zat. „Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood.”

„Brulfros je ben ’n rare kerel,”zei Abé.„Ik zal jou maar nooit tot rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over.”

„Voorloopig krijgen ze alvast geen eten,” zei Brulfros grimmig. „Ik zal het hen wel inpeperen uwe majesteit.”

„Brulfros wil je me ’n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten, want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben.”

„Eten brengen? Aan … die … gemeene … roovers?”

„Wel ja Brulfros, ’n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik.”

„Nou als uwe majesteit ’t beveelt …” zei Brulfros … „Maar van mij kregen ze geen korst brood hoor!”

„Doe ’t maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben ’n akelig ding.”

Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z’n vriend: „Die Brulfros zou ze waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?”

„Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet.”

„Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand ’n stuk brood geeft al is ie ’n schurk.”

„Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt van Huk.”

„Dat weet ik nog niet hoor. ’t Kan ze mettertijd wel eens tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?”

„Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft ’t zadel voor de ezel klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten.”

„Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch ’n beetje verlangend naar Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen.”

De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki op ’t binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder Guldratsj’ ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van Pirlapan, allemaal stevige jongens van ’n kettinghemd en ’n ijzeren hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude slotbewaarder mocht ’n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z’n meester ’t hem kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om ’t kasteel te helpen bewaken en om de arbeid op ’t veld te verrichten. Maar de jongens, die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden, als ’t noodig was er even goed opslaan, want ’t waren dan toch ook Pirlapanners.

Abé bekeek z’n nieuwe lijfwacht eens. ’t Viel hem mee. Ze zaten goed te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet voor de eerste maal van hun leven zoo’n ding in de hand hadden.

„Daar zorgt vader wel voor,” zei Plachki. „Iedere jongen van Pirlapan moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als ’t er op aan kwam hoe ze d’r op zouden troeven.”

„Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?”

„Jagen doen we ook graag … en werken ook. Maar vechten doen we ’t liefst … Altijd als er wat te vechten is.”

„Hoe bedoel je dat Plachki?”

„Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als de een of ander wat van Pirlapan hebben moet.”

„Hè?”

„Da’s ’n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou ’n buurman de baron van Klatsjbidronpeerdrups zich ’n stuk bosch van Pirlapan toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen.”

„Is er toen gevochten?”

„Niet zoo’n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze halen er nog dikwijls genoeg van op.”

„En Pirlapan won het hè?”

„Natuurlijk. Ze kregen op d’r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd gevangen genomen.”

„En hoe lang hielden jullie ’m?”

„’k Geloof dat ie nog hier of daar in ’n kelder van Pirlapan zit.”

„Maar z’n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?”

„Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik.”

„Staat ’t kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?”

„Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand.”

„Maar ’t land dan?”

„Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan.”

„En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?”

„Die heeft ’t hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal van hem hebben.”

„Hoor eens Plachki, ik vind ’t niet erg mooi van je vader, dat ie …”

„Pf,” kwam Plachki. „Als Klatsjbidronpeerdrups ’t gewonnen had, had ie met ons net eender gedaan.”

„En of,” zei Brulfros. „Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk heerschap. We zouden ’t slecht bij ’m gehad hebben. Hij heeft z’n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen.”

Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan ’t hoofd van z’n kleine lijfwacht de valbrug over en ’t bosch in. Abé scheen niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel ’n half uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo’n Pirlapansche kelder opgesloten zat. ’t Was slecht van die baron geweest om ’n stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had hij ’n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man strafte, dat vond Abé toch wel ’n beetje al te hard. Te oordeelen naar dewijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek ’t wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit ’t zonlicht weer te aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan te doen. Pirlapan was ’n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had ’t niet gewaagd hem onder handen te nemen.

Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg, ’n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups.

Langzamerhand raakte Abé weer aan ’t praten met Plachki en moeder Guldratsj, die maar piekfijn op d’r ezeltje zat. Brulfros had ’n heel gemakkelijk zadel voor ’t oude vrouwtje gemaakt en ze was erwat blij mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d’r oude hutje terugging, waar ze jaren en jaren gewoond had.

’t Was bepaald ’n plezierreisje voor allemaal en ’t duurde niet lang of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle Pirlapanners vielen in met ’t refrein:

Toen Keizer Napo was gevluchtVoor ’t stadsvolk van Pomfriet,Dat Sutrebor tot keizer nam,Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:Die keizer wil ik niet.Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,Om trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Doch Sutrebor schreef uit PomfrietEen vriendelijke brief.Ik moet niets van je hebben man,Sprak Pirla, Pirla, PirlapanAl doe je nog zoo lief.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Als jij wat van me hebben wilKom zelf naar PirlapanEn vecht zoo dapper als je kan,Want Pirla, Pirla, PirlapanDie staat nog best z’n man.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.Maar komt ons prinsje ooit terugIn ’t vaderlijk gebied,Pas dan maar op voor Pirlapan,Want Pirla, Parla, PirlapanDie brengt hem naar Pomfriet.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Toen Keizer Napo was gevluchtVoor ’t stadsvolk van Pomfriet,Dat Sutrebor tot keizer nam,Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:Die keizer wil ik niet.Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,Om trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Toen Keizer Napo was gevlucht

Voor ’t stadsvolk van Pomfriet,

Dat Sutrebor tot keizer nam,

Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:

Die keizer wil ik niet.

Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,

Om trouw te zijn aan Alphabet,

Aan ’t prinsje Alphabet.

Doch Sutrebor schreef uit PomfrietEen vriendelijke brief.Ik moet niets van je hebben man,Sprak Pirla, Pirla, PirlapanAl doe je nog zoo lief.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Doch Sutrebor schreef uit Pomfriet

Een vriendelijke brief.

Ik moet niets van je hebben man,

Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan

Al doe je nog zoo lief.

Refr. Geen mensch die Pirlapan belet

Om trouw te zijn aan Alphabet,

Aan ’t prinsje Alphabet.

Als jij wat van me hebben wilKom zelf naar PirlapanEn vecht zoo dapper als je kan,Want Pirla, Pirla, PirlapanDie staat nog best z’n man.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Als jij wat van me hebben wil

Kom zelf naar Pirlapan

En vecht zoo dapper als je kan,

Want Pirla, Pirla, Pirlapan

Die staat nog best z’n man.

Refr. Geen mensch die Pirlapan belet

Om trouw te zijn aan Alphabet,

Aan ’t prinsje Alphabet.

Maar komt ons prinsje ooit terugIn ’t vaderlijk gebied,Pas dan maar op voor Pirlapan,Want Pirla, Parla, PirlapanDie brengt hem naar Pomfriet.Refr. Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Maar komt ons prinsje ooit terug

In ’t vaderlijk gebied,

Pas dan maar op voor Pirlapan,

Want Pirla, Parla, Pirlapan

Die brengt hem naar Pomfriet.

Refr. Geen mensch die Pirlapan belet

Om trouw te zijn aan Alphabet,

Aan ’t prinsje Alphabet.

Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen allebei ’t refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj d’r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter.

Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj’hutje waren, zongen ze ’t voor de deur nog eens tot afscheid.

Moeder Guldratsjwas blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij verzekerde haar dat ie d’r vast en zeker zou komen halen.

„Nou ja, doe ’t dan maar,” zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht: Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit vergeet ie ’t misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch Abé verlangde nu toch veel te hard naar ’t oogenblik dat ie Karibo zou terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden ’t ook, doch na ’n paar uur waren ze toch wel ’n beetje moe en de paarden ook. Toendeden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze sliepen in ’t gras. Plachki zette echter heel ernstig ’n schildwacht op post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog om. Hij vond ’t onnoodig maar Plachki zei, dat ’t zoo hoorde. En als ’n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest ’t maar gebeuren ook.

’s Morgens in de vroegte aten ze ’n stuk droog brood, omdat ze niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En ’t ging weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet zoo’n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki.

„Als je in Sutrebor z’n schoenen stond, zou je er wel anders over denken. O wee, als m’n vader die kerel te pakken krijgt!”

„Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?” zei Abé lachend.

„Alleen maar de lui waar ie ’t land aan heeft. De rest laat ie wel met vree.”

„Dan is ’t maar te hopen voor Sutrebor, dat ie ’n beetje uit de buurt van Pirlapan blijft.”

„En hier uit de buurt,” zei Plachki dapper.

„Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? ’t Is maar goed, dat ie wijd weg is.”

„Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet en toen is ie maar naar z’n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens ’n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw genoeg weer kunnen zijn.”

„Had ie dan geen soldaten?”

„Jawel, maar niet zoo’n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal van hem weten. In ’t begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal geen kans gehad om ’t zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat begrijp je hè?”

„Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen roepen dunkt me.”

„Ja, hoe dat komt weet ik ook niet.”

Tegen de avond kwamen ze ’n ruiter tegen, ’n Pirlapanner, die met ’n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan.

Dat was ’n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo ’t maakte.

„Heel goed,” zei de bode, „maar …”

„Geen maren asjeblieft.”

„Maar prins ik moet toch m’n boodschap overbrengen!”

„Da’s waar. Voor de dag er mee.”

Nu haalde de bode ’n brief uit z’n tasch en Abé verbrak dadelijk ’t zegel en begon te lezen.

„Nou da’s ook geen plezierige tijding,” zei hij eindelijk tegen Plachki. „We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft:

„Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar ’n poosje tot we je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan en ik bedriegers waren en ’t gevolg daarvan is geweest, dat de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, die nu weer in Pomfriet zit.Je toegenegen,Karibo.P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z’n mannen beschermen als ’t noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf.”

„Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar ’n poosje tot we je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan en ik bedriegers waren en ’t gevolg daarvan is geweest, dat de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, die nu weer in Pomfriet zit.

Je toegenegen,Karibo.

P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z’n mannen beschermen als ’t noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf.”

„Hoe vind je dat?” zei Abé.

„’t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit vertrouwen. Maar ’t laatste vind ik prachtig.”

En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek.

„Je hebt gehoord wat er in die brief staat?” vroeg Plachki de bode toen ie ’n beetje uitgelachen was.

„Jawel Plachki,” zei de man. „Ik heb m’n ooren niet in m’n zak.”

„En weet jij wie Brambribras is?”

„Jawel. Da’s ’n rooverhoofdman.”

„En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?”

„Weet ik niet.”

„Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?”

„Onmiddellijk.”

„Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z’n mannetjes onder in de kelders van Pirlapan.”

„Watblief?” zei de bode … „Neen maar die is goed.”

Plachki vertelde hoe ’t met de roovers was toegegaan en natuurlijk had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de Pirlapanners nu eenmaal. Vooral ’t doorsnijden van die paardetoomen vond de bode ’n prachtige streek.

„En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren,” zei Abé. „Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie ons dan nog wel in.”

„Prins,” zei de bode,„mag ik u ’n goede raad geven? Doe ’t dan niet zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In Pirlapan zit je veilig.”

„Goed, dan zullen we ’t zoo snel mogelijk doen.”

„Kunnen we niet met jou mee gaan?” vroeg Plachki. „’t Is precies of we op de vlucht moeten.”

„En dat is ’n toer voor ’n Pirlapan, hè Plachki,” zei Abé lachend.

„Of het. We zijn toch met z’n dertienen, de bode meegeteld, allemaal Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook.”

„Ik zou ’t heel plezierig vinden, Plachki,” zei de bode. „Maar je weet wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan.”

„Zeg dat dan maar,” zei Plachki met een zucht.

„O ja, da’s waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met de prins naar Pirlapanbentgegaan en niet naar je vader?”

„Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk.”

„Maar Plachki,” zei de man verontwaardigd, „sedert wanneer wachten de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?”

„Sedert prins Alphabet terug is,” antwoordde Plachki eenvoudig.

„Lieve hemel,” zei de bode, „je zou met al die keizers in de war raken. „Ik bedoelde Sutrebor …”

„Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet ’t?”

„Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is ’t. Maar Sutrebor is ’t toch óók nog zoo’n beetje geloof ik.”

„Dat geloof ik ook,” zei Abé lachend. „Ik geloof zelfs dat Sutrebor als ’t er op aankomt op dit oogenblikmeer keizer is dan ik. Hij is weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt prins Alphabet?”

„Wel nou nog mooier,” riep Plachki boos. „Tel jij de Pirlapans voor niemendal?”

„O zoo,” zei de bode. „Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel Huk op z’n kop gaan staan!”

En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer:

Geen mensch die Pirlapan beletOm trouw te zijn aan Alphabet,Aan ’t prinsje Alphabet.

Geen mensch die Pirlapan belet

Om trouw te zijn aan Alphabet,

Aan ’t prinsje Alphabet.

Onder ’t zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken.


Back to IndexNext