TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet uit ’t ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van hun paarden, bonden die aan ’n boom en slopen door de struiken om ’n plekje te vinden waar ze ’n eind de boschweg konden overzien.Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, meende de een. Doch de ander zei dat ’t dan een nieuwe troep moest wezen, want ’t geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest de eerste troep toch vandaan komen.„’t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er nog meer komen,” zei de eerste weer.„Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In ’t ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met hulp terug eer ’t te laat is.”„Maar ze hebben geen eten.”„O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent ’t bosch op z’n duim.”„St, daar komen ze. Hou je weg.”„Ik moet toch kunnen zien, hoeveel ’t er zoo wat zijn.”Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had de Pirlapansche jongen de voorsten in ’t oog gekregen of hij sprong uit de struiken te voorschijn en z’n kameraad hoorde hem schreeuwen: „Pirlapan! Pirlapan!!” Die schrok er eerst van. Maar in ’t volgende oogenblik was hij ook op de weg. Als er „Pirlapan” geroepen werd bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z’n groote blijdschap zag hij echter al dadelijk waarom z’n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.Op ’n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en hij naar ’t scheen veilig in ’t ravijn zat, was er nog niets verloren.„Waar is dat ravijn?” vroeg Karibo, „en is ’t wel zoo’n veilige schuilplaats.”„Of het,” riepen verscheidene Pirlapanners. „Daar vinden ze onze Plachki nog niet zoo gauw.”Die Pirlapanners dachten ’t eerst aan de zoon van hun heer.„En kunnen we er spoedig zijn?”„Binnen ’n paar uur.”„Dan maar snel er heen mannen.”„Heer Karibo,” zei een der Pirlapanners, „zou ’t niet beter zijn, dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d’r lui wammes gaven? Daar heb ik toch zoo’n zin in.”„Eerst de prins hebben man,” antwoordde Karibo. „Daarna kunnen we weer zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?”„Heelemaal niet. ’t Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d’r zoo maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren en onze haver … en …”„Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en die dappere jongens die bij hen zijn.”„En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?”„Dat zullen we wel zien.”De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou ’t er toch wel van komen. Dat was ’n echte Pirlapan en die zou ’t wel niet kunnen hebben, dat daar zoo’n honderd man van Sutrebor vóór z’n vaders valbrug lagen.’t Ging nu weer in galop en ’t was nog niet heelemaal donker toen ze ’t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw ontzet zou komen opdagen.Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids terug vonden.„Jonge, jonge,” zei Karibo, „da’s ’n gelukje hoor, dat we die twee ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we slaags geraakt met die Sutrebortroep.”„O,” antwoordde Plachki, „die hadden op d’r kop gekregen.”„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” zei Karibo lachend. „Doch ik weet zeker, dat ’t dan nog ’n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen … hè?”„Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we bij elkaar hoor. Als jewist hoe raar ik al die tijdrondgescharreldheb.”„’k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?”…„En bedelaar.”„Je witte paard hebben we terug!”„Wat zeg je?… En die kerel?”„Achter slot hoor.”„Maar hoe wist je dat Sutrebor me z’n ruiters achterna gezonden had? Daar wist ik zelf niet eens wat van.”„Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft ’t me verteld.”„Karibo is ’t eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?”„Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid te zeggen ben je ’t nu al. Pirlapan heeft nu al ’n heel leger bij elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar ’n goed heenkomen zoeken.”„Dat is hem geraden ook,” zei Plachki, „want als vader hem te pakken krijgt zal ’t er leelijk voor hem uitzien.”„En waar gaan we nu heen?” vroeg Abé aan Karibo.„Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn.”„’n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op de steenen.”„Nou ja, voor ’n keer hindert dat niet. ’n Soldaat moet overal tegen kunnen hè?”„Wat dat betreft, ’k ben in de laatste tijd niet verwend. ’k Heb in ’n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in ’t gras, bij de boer in’t hooi, bij de roovers in de stal, bij ’n andere boer tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in ’n kil hok laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan ’n hemd. Doch daar maakte Plachki gelukkig ’n eind aan. Dat was niet om uit te houen.”„Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor ’n keizer heb je ’t niet al te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over ’n paar weken slaap je in je paleis in Pomfriet.”’n Half uur later was ’t heel stil in ’t ravijn. De menschen sliepen behalve de schildwachten, die aan de ingang van ’t ravijn op post stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.’n Uur daar vandaan in ’t kamp van de Sutrebortroep ging ’t er op dat oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die ’s middags om ’t kasteel heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te dringen, was erg misnoegd bij z’n troep teruggekeerd. Er was geen sprake van dat hij met ’n honderd ruiters iets tegen ’t sterke huis ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog ’t verlies van de uitgeloofde belooning. ’t Een was al net zoo erg als ’t andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z’n keizer. Of hij in dienst was bij ’n keizer die Sutrebor heette of bij ’n ander, dat was hem ’t zelfde. Wie hem betaalde, was z’n heer, en zoo dachten de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. ’t Waren allemaal huurlingen.Toen de aanvoerder in ’t kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde hen in de verte al snurken. Nu ’n beetje rust gunde hij z’n mannen wel, want ze hadden ’n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.Tegen den avond riep hij z’n onderaanvoerders nog eens bij zich en beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch niet te pakken, ’t Was wel jammer dat de belooning hen ontging, doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar ’n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die manier kreeg je toch ook wat in je beurs.„Best,” zei de aanvoerder. „Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt dat we z’n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien hard noodig, en vergeeft ie ’t ons wel. Want als ik me niet vergis, zal er ’n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten.”„Da’s wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen.”„Laten we nu maar opbreken.”’n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo’n verre tocht gemaakt om met leege handen terug te gaan?Nu kregen ze natuurlijk geen cent van de keizer.De kapitein merkte ’t wel en hij liet door z’n onderaanvoerders aan de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden stellen, door ’n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon hij niets beginnen.Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze ’n kwartier later ’t bosch in.De schildwachten aan de ingang van ’t ravijn en de mannen bij de paarden hadden ’t trompetsignaal ook gehoord. ’n Schildwacht was daarop van z’n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de kant op van Pirlapan ’n signaal gegeven was.„Ze gaan zeker weer weg,” zei Karibo.Deschildwachtdie zelf ’n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij vond ’t erg jammer, want dan kwam er niemendal van ’t plannetje om die Sutreborkerels op d’rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo ’t hebben wilde. Over ’n half uur waren ze vlak in de buurt.Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen van, doch hij vond ’t niet voorzichtig. Als ’t eens verkeerd ging, dan kwam de prins weer in gevaar.„Ben je mal,” zei Plachki, „d’r is heelemaal geen kans voor die lui om ’t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en …”„En dan gaan ze d’r allemaal ân!” zei de Pirlapanner.„We blijven stilletjes hier,” zei Karibo. „’t Zou zeer onverstandig zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar gauw weer op je post.”De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was geweest zou ’t wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd ’t bosch door konden rijden, op geen kwartier afstand van ’t ravijn, waar de prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, want hij werd nu wel heel goed bewaakt.Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z’n mannen op om de terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen ze daar dan ook ’n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor hadden ze niets meer gehoord of gezien.Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat was niet erg naar de zin van Abé, die zich ’n beetje verlegen voelde worden, als zoo’n voorname heer in ’n ijzerenwapenrusting voor hem boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.Hij reed nu weer op z’n witte paard en hij had z’n eigen kleeren weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts ’n gouden kroon laten maken. Hij vond dat ’t zoo hoorde en Abé vond ’t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.Abé en Karibo hadden bij ’n deftig burger van Lumkiping hun intrek genomen, die z’n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld had. Ze behoorden eigenlijk in ’t huis van de burgemeester te wonen, zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van Huk in z’n hemd had opgesloten in ’t gevangenhok op ’t raadhuis. De goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien kreeg. Plachki moest voor z’n vader dienst doen bij ’t leger, dat in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.Abé had ook graag weer ’n beetje alleen op z’n paard rondgereden, desnoods met Karibo bij zich, doch ’t liefst met z’n vriend Plachki doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd ’n lijfwacht om hem heen, aangevoerd door ’n ouwe stijve baron met ’n vreeselijk ernstig gezicht. Als Abé maareven opkeek was de stijve baron al naast hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.Soms lag Abé ’s avonds in z’n bed daarover na te denken. Dan was hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, dat zóó’n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had alweer gezegd, dat ’t wel wennen zou. Met keizers ging ’t altijd zoo. Je was baas over ’t heele land maar over jezelf had je heel weinig in te brengen.Op ’n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, zooals ’t behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel ’n beetje al te gek, dat z’n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zoudenrijden zonder ’n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z’n witte paard en was in ’n wip naast Plachki.„’k Rijd ’n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?”„Eventjes naar vader. Wat ’n vervelend schepsel heb je daar bij je?”„Dat is de aanvoerder van de lijfwacht.”„Lollige kameraad geloof ik. Wat ’n snuit zet die vent.”„Pas maar op dat ie je niet hoort … ’t Is de ouwe baron Bommeldebierton van Rommeldebom.”„Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt ’m tenminste uit of je nooit anders gedaan hebt.”„Ik leer ’t zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen hem, doch hij heeft ’t liever niet. Hij is trotsch op z’n naam.”„Waarom stuur je ’m met z’n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?”„’k Zal ’t maar doen ook Plachki. Ik moet eens ’n poosje met jou alleen rijden.”Hij keerde zich half op z’n paard om, doch nauwelijks had hij die beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.„Baron ik wou ’n poosje met m’n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar met de lijfwacht naar huis. Tot ziens.”Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis.Hij vond dat die jonge keizer dingen deed die ’n keizer niet doen mocht.„Zoo’n aap,” bromde hij binnensmonds.Abé en Plachki draafden samen ’n paar stille straten door, doch toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z’n vriend konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z’n paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man ’n duw met z’n ijzeren schoen of ’n por met ’t hout van z’n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig om met de onderdanen van z’n vriend.„Pas op Plachki, je doet ze zeer.”„Moeten ze maar uit de weg blijven.”Doch plotseling op de hoek van ’n straat verscheen er zoo’n Lumkipingsche politiereus. Hij had ’n knuppel in de hand en keek met ’n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er bij om ruim baan te maken.„Op zij!” schreeuwde de reus. „Op zij!”De menschen vlogen uit de weg.„O,” riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de Lumkipingsche burgers gek opkeken.„Waarom lach jij zoo?” vroeg Abé. „Vind je ’t niet aardig van hem dat ie ’n beetje ruimte maakt voor ons?”„Jawel Abé … maar ’t is die vent, die ’s nachts op jou passen moest …”Oeliboe Bomdrum had bij ’t luide lachen van Plachki opgekeken en dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo stijf als ’n boom.Maar Plachki zei tegen hem:„Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?”Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer ’n beetje bij en hij antwoordde:„Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit ’t water zou komen.”„Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb je op je kop gehad?”„Neen heer. De burgemeester weet niet hoe ’t gegaan is. Wij hebben onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben.”„Dat hebben jullie ook niet,” zei Plachki lachend, „want je sliep allemaal.”„O heer,” smeekte Oeliboe Bomdrum „zeg ’t asjeblieft niet tegen de burgemeester, want dat is ’n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal weg, als ie ’t hoort.”„Wees maar niet bang,” zei Abé nu. „Wij zullen je niet verraden hoor. Loop maar ’n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor onze paarden.”„Dat zal ik doen heer,” zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging tien passen voor de paarden uit in ’t midden van de straat loopen met z’n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had ’t hart meer midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was ’n beste voorlooper.„Wat doe je de heele dag?” vroeg Plachki.„Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar Pomfriet.”„Maar waarom kom je dan niet bij ons in ’t leger. Daar is ’t prettig genoeg. De heele dag oefenen we ons, want ’t zal er daar in Pomfriet warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste ’n beetje moed in z’n lijf heeft.„Morgen kom ik hoor,” zei Abé. „Ik ben ’t ’n beetje zat dat lanterfanten.”„Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, m’n broers en de mannen van Pirlapan. ’n Prachtige troep. We wonen in tenten buiten de stad.”„Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet uit ’t ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van hun paarden, bonden die aan ’n boom en slopen door de struiken om ’n plekje te vinden waar ze ’n eind de boschweg konden overzien.Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, meende de een. Doch de ander zei dat ’t dan een nieuwe troep moest wezen, want ’t geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest de eerste troep toch vandaan komen.„’t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er nog meer komen,” zei de eerste weer.„Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In ’t ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met hulp terug eer ’t te laat is.”„Maar ze hebben geen eten.”„O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent ’t bosch op z’n duim.”„St, daar komen ze. Hou je weg.”„Ik moet toch kunnen zien, hoeveel ’t er zoo wat zijn.”Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had de Pirlapansche jongen de voorsten in ’t oog gekregen of hij sprong uit de struiken te voorschijn en z’n kameraad hoorde hem schreeuwen: „Pirlapan! Pirlapan!!” Die schrok er eerst van. Maar in ’t volgende oogenblik was hij ook op de weg. Als er „Pirlapan” geroepen werd bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z’n groote blijdschap zag hij echter al dadelijk waarom z’n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.Op ’n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en hij naar ’t scheen veilig in ’t ravijn zat, was er nog niets verloren.„Waar is dat ravijn?” vroeg Karibo, „en is ’t wel zoo’n veilige schuilplaats.”„Of het,” riepen verscheidene Pirlapanners. „Daar vinden ze onze Plachki nog niet zoo gauw.”Die Pirlapanners dachten ’t eerst aan de zoon van hun heer.„En kunnen we er spoedig zijn?”„Binnen ’n paar uur.”„Dan maar snel er heen mannen.”„Heer Karibo,” zei een der Pirlapanners, „zou ’t niet beter zijn, dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d’r lui wammes gaven? Daar heb ik toch zoo’n zin in.”„Eerst de prins hebben man,” antwoordde Karibo. „Daarna kunnen we weer zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?”„Heelemaal niet. ’t Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d’r zoo maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren en onze haver … en …”„Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en die dappere jongens die bij hen zijn.”„En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?”„Dat zullen we wel zien.”De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou ’t er toch wel van komen. Dat was ’n echte Pirlapan en die zou ’t wel niet kunnen hebben, dat daar zoo’n honderd man van Sutrebor vóór z’n vaders valbrug lagen.’t Ging nu weer in galop en ’t was nog niet heelemaal donker toen ze ’t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw ontzet zou komen opdagen.Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids terug vonden.„Jonge, jonge,” zei Karibo, „da’s ’n gelukje hoor, dat we die twee ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we slaags geraakt met die Sutrebortroep.”„O,” antwoordde Plachki, „die hadden op d’r kop gekregen.”„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” zei Karibo lachend. „Doch ik weet zeker, dat ’t dan nog ’n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen … hè?”„Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we bij elkaar hoor. Als jewist hoe raar ik al die tijdrondgescharreldheb.”„’k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?”…„En bedelaar.”„Je witte paard hebben we terug!”„Wat zeg je?… En die kerel?”„Achter slot hoor.”„Maar hoe wist je dat Sutrebor me z’n ruiters achterna gezonden had? Daar wist ik zelf niet eens wat van.”„Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft ’t me verteld.”„Karibo is ’t eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?”„Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid te zeggen ben je ’t nu al. Pirlapan heeft nu al ’n heel leger bij elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar ’n goed heenkomen zoeken.”„Dat is hem geraden ook,” zei Plachki, „want als vader hem te pakken krijgt zal ’t er leelijk voor hem uitzien.”„En waar gaan we nu heen?” vroeg Abé aan Karibo.„Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn.”„’n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op de steenen.”„Nou ja, voor ’n keer hindert dat niet. ’n Soldaat moet overal tegen kunnen hè?”„Wat dat betreft, ’k ben in de laatste tijd niet verwend. ’k Heb in ’n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in ’t gras, bij de boer in’t hooi, bij de roovers in de stal, bij ’n andere boer tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in ’n kil hok laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan ’n hemd. Doch daar maakte Plachki gelukkig ’n eind aan. Dat was niet om uit te houen.”„Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor ’n keizer heb je ’t niet al te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over ’n paar weken slaap je in je paleis in Pomfriet.”’n Half uur later was ’t heel stil in ’t ravijn. De menschen sliepen behalve de schildwachten, die aan de ingang van ’t ravijn op post stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.’n Uur daar vandaan in ’t kamp van de Sutrebortroep ging ’t er op dat oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die ’s middags om ’t kasteel heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te dringen, was erg misnoegd bij z’n troep teruggekeerd. Er was geen sprake van dat hij met ’n honderd ruiters iets tegen ’t sterke huis ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog ’t verlies van de uitgeloofde belooning. ’t Een was al net zoo erg als ’t andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z’n keizer. Of hij in dienst was bij ’n keizer die Sutrebor heette of bij ’n ander, dat was hem ’t zelfde. Wie hem betaalde, was z’n heer, en zoo dachten de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. ’t Waren allemaal huurlingen.Toen de aanvoerder in ’t kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde hen in de verte al snurken. Nu ’n beetje rust gunde hij z’n mannen wel, want ze hadden ’n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.Tegen den avond riep hij z’n onderaanvoerders nog eens bij zich en beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch niet te pakken, ’t Was wel jammer dat de belooning hen ontging, doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar ’n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die manier kreeg je toch ook wat in je beurs.„Best,” zei de aanvoerder. „Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt dat we z’n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien hard noodig, en vergeeft ie ’t ons wel. Want als ik me niet vergis, zal er ’n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten.”„Da’s wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen.”„Laten we nu maar opbreken.”’n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo’n verre tocht gemaakt om met leege handen terug te gaan?Nu kregen ze natuurlijk geen cent van de keizer.De kapitein merkte ’t wel en hij liet door z’n onderaanvoerders aan de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden stellen, door ’n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon hij niets beginnen.Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze ’n kwartier later ’t bosch in.De schildwachten aan de ingang van ’t ravijn en de mannen bij de paarden hadden ’t trompetsignaal ook gehoord. ’n Schildwacht was daarop van z’n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de kant op van Pirlapan ’n signaal gegeven was.„Ze gaan zeker weer weg,” zei Karibo.Deschildwachtdie zelf ’n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij vond ’t erg jammer, want dan kwam er niemendal van ’t plannetje om die Sutreborkerels op d’rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo ’t hebben wilde. Over ’n half uur waren ze vlak in de buurt.Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen van, doch hij vond ’t niet voorzichtig. Als ’t eens verkeerd ging, dan kwam de prins weer in gevaar.„Ben je mal,” zei Plachki, „d’r is heelemaal geen kans voor die lui om ’t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en …”„En dan gaan ze d’r allemaal ân!” zei de Pirlapanner.„We blijven stilletjes hier,” zei Karibo. „’t Zou zeer onverstandig zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar gauw weer op je post.”De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was geweest zou ’t wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd ’t bosch door konden rijden, op geen kwartier afstand van ’t ravijn, waar de prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, want hij werd nu wel heel goed bewaakt.Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z’n mannen op om de terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen ze daar dan ook ’n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor hadden ze niets meer gehoord of gezien.Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat was niet erg naar de zin van Abé, die zich ’n beetje verlegen voelde worden, als zoo’n voorname heer in ’n ijzerenwapenrusting voor hem boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.Hij reed nu weer op z’n witte paard en hij had z’n eigen kleeren weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts ’n gouden kroon laten maken. Hij vond dat ’t zoo hoorde en Abé vond ’t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.Abé en Karibo hadden bij ’n deftig burger van Lumkiping hun intrek genomen, die z’n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld had. Ze behoorden eigenlijk in ’t huis van de burgemeester te wonen, zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van Huk in z’n hemd had opgesloten in ’t gevangenhok op ’t raadhuis. De goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien kreeg. Plachki moest voor z’n vader dienst doen bij ’t leger, dat in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.Abé had ook graag weer ’n beetje alleen op z’n paard rondgereden, desnoods met Karibo bij zich, doch ’t liefst met z’n vriend Plachki doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd ’n lijfwacht om hem heen, aangevoerd door ’n ouwe stijve baron met ’n vreeselijk ernstig gezicht. Als Abé maareven opkeek was de stijve baron al naast hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.Soms lag Abé ’s avonds in z’n bed daarover na te denken. Dan was hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, dat zóó’n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had alweer gezegd, dat ’t wel wennen zou. Met keizers ging ’t altijd zoo. Je was baas over ’t heele land maar over jezelf had je heel weinig in te brengen.Op ’n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, zooals ’t behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel ’n beetje al te gek, dat z’n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zoudenrijden zonder ’n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z’n witte paard en was in ’n wip naast Plachki.„’k Rijd ’n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?”„Eventjes naar vader. Wat ’n vervelend schepsel heb je daar bij je?”„Dat is de aanvoerder van de lijfwacht.”„Lollige kameraad geloof ik. Wat ’n snuit zet die vent.”„Pas maar op dat ie je niet hoort … ’t Is de ouwe baron Bommeldebierton van Rommeldebom.”„Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt ’m tenminste uit of je nooit anders gedaan hebt.”„Ik leer ’t zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen hem, doch hij heeft ’t liever niet. Hij is trotsch op z’n naam.”„Waarom stuur je ’m met z’n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?”„’k Zal ’t maar doen ook Plachki. Ik moet eens ’n poosje met jou alleen rijden.”Hij keerde zich half op z’n paard om, doch nauwelijks had hij die beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.„Baron ik wou ’n poosje met m’n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar met de lijfwacht naar huis. Tot ziens.”Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis.Hij vond dat die jonge keizer dingen deed die ’n keizer niet doen mocht.„Zoo’n aap,” bromde hij binnensmonds.Abé en Plachki draafden samen ’n paar stille straten door, doch toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z’n vriend konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z’n paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man ’n duw met z’n ijzeren schoen of ’n por met ’t hout van z’n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig om met de onderdanen van z’n vriend.„Pas op Plachki, je doet ze zeer.”„Moeten ze maar uit de weg blijven.”Doch plotseling op de hoek van ’n straat verscheen er zoo’n Lumkipingsche politiereus. Hij had ’n knuppel in de hand en keek met ’n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er bij om ruim baan te maken.„Op zij!” schreeuwde de reus. „Op zij!”De menschen vlogen uit de weg.„O,” riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de Lumkipingsche burgers gek opkeken.„Waarom lach jij zoo?” vroeg Abé. „Vind je ’t niet aardig van hem dat ie ’n beetje ruimte maakt voor ons?”„Jawel Abé … maar ’t is die vent, die ’s nachts op jou passen moest …”Oeliboe Bomdrum had bij ’t luide lachen van Plachki opgekeken en dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo stijf als ’n boom.Maar Plachki zei tegen hem:„Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?”Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer ’n beetje bij en hij antwoordde:„Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit ’t water zou komen.”„Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb je op je kop gehad?”„Neen heer. De burgemeester weet niet hoe ’t gegaan is. Wij hebben onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben.”„Dat hebben jullie ook niet,” zei Plachki lachend, „want je sliep allemaal.”„O heer,” smeekte Oeliboe Bomdrum „zeg ’t asjeblieft niet tegen de burgemeester, want dat is ’n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal weg, als ie ’t hoort.”„Wees maar niet bang,” zei Abé nu. „Wij zullen je niet verraden hoor. Loop maar ’n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor onze paarden.”„Dat zal ik doen heer,” zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging tien passen voor de paarden uit in ’t midden van de straat loopen met z’n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had ’t hart meer midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was ’n beste voorlooper.„Wat doe je de heele dag?” vroeg Plachki.„Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar Pomfriet.”„Maar waarom kom je dan niet bij ons in ’t leger. Daar is ’t prettig genoeg. De heele dag oefenen we ons, want ’t zal er daar in Pomfriet warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste ’n beetje moed in z’n lijf heeft.„Morgen kom ik hoor,” zei Abé. „Ik ben ’t ’n beetje zat dat lanterfanten.”„Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, m’n broers en de mannen van Pirlapan. ’n Prachtige troep. We wonen in tenten buiten de stad.”„Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet uit ’t ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
Waarin prins Alphabet uit ’t ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
Waarin prins Alphabet uit ’t ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van hun paarden, bonden die aan ’n boom en slopen door de struiken om ’n plekje te vinden waar ze ’n eind de boschweg konden overzien.Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, meende de een. Doch de ander zei dat ’t dan een nieuwe troep moest wezen, want ’t geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest de eerste troep toch vandaan komen.„’t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er nog meer komen,” zei de eerste weer.„Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In ’t ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met hulp terug eer ’t te laat is.”„Maar ze hebben geen eten.”„O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent ’t bosch op z’n duim.”„St, daar komen ze. Hou je weg.”„Ik moet toch kunnen zien, hoeveel ’t er zoo wat zijn.”Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had de Pirlapansche jongen de voorsten in ’t oog gekregen of hij sprong uit de struiken te voorschijn en z’n kameraad hoorde hem schreeuwen: „Pirlapan! Pirlapan!!” Die schrok er eerst van. Maar in ’t volgende oogenblik was hij ook op de weg. Als er „Pirlapan” geroepen werd bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z’n groote blijdschap zag hij echter al dadelijk waarom z’n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.Op ’n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en hij naar ’t scheen veilig in ’t ravijn zat, was er nog niets verloren.„Waar is dat ravijn?” vroeg Karibo, „en is ’t wel zoo’n veilige schuilplaats.”„Of het,” riepen verscheidene Pirlapanners. „Daar vinden ze onze Plachki nog niet zoo gauw.”Die Pirlapanners dachten ’t eerst aan de zoon van hun heer.„En kunnen we er spoedig zijn?”„Binnen ’n paar uur.”„Dan maar snel er heen mannen.”„Heer Karibo,” zei een der Pirlapanners, „zou ’t niet beter zijn, dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d’r lui wammes gaven? Daar heb ik toch zoo’n zin in.”„Eerst de prins hebben man,” antwoordde Karibo. „Daarna kunnen we weer zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?”„Heelemaal niet. ’t Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d’r zoo maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren en onze haver … en …”„Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en die dappere jongens die bij hen zijn.”„En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?”„Dat zullen we wel zien.”De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou ’t er toch wel van komen. Dat was ’n echte Pirlapan en die zou ’t wel niet kunnen hebben, dat daar zoo’n honderd man van Sutrebor vóór z’n vaders valbrug lagen.’t Ging nu weer in galop en ’t was nog niet heelemaal donker toen ze ’t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw ontzet zou komen opdagen.Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids terug vonden.„Jonge, jonge,” zei Karibo, „da’s ’n gelukje hoor, dat we die twee ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we slaags geraakt met die Sutrebortroep.”„O,” antwoordde Plachki, „die hadden op d’r kop gekregen.”„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” zei Karibo lachend. „Doch ik weet zeker, dat ’t dan nog ’n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen … hè?”„Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we bij elkaar hoor. Als jewist hoe raar ik al die tijdrondgescharreldheb.”„’k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?”…„En bedelaar.”„Je witte paard hebben we terug!”„Wat zeg je?… En die kerel?”„Achter slot hoor.”„Maar hoe wist je dat Sutrebor me z’n ruiters achterna gezonden had? Daar wist ik zelf niet eens wat van.”„Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft ’t me verteld.”„Karibo is ’t eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?”„Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid te zeggen ben je ’t nu al. Pirlapan heeft nu al ’n heel leger bij elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar ’n goed heenkomen zoeken.”„Dat is hem geraden ook,” zei Plachki, „want als vader hem te pakken krijgt zal ’t er leelijk voor hem uitzien.”„En waar gaan we nu heen?” vroeg Abé aan Karibo.„Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn.”„’n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op de steenen.”„Nou ja, voor ’n keer hindert dat niet. ’n Soldaat moet overal tegen kunnen hè?”„Wat dat betreft, ’k ben in de laatste tijd niet verwend. ’k Heb in ’n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in ’t gras, bij de boer in’t hooi, bij de roovers in de stal, bij ’n andere boer tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in ’n kil hok laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan ’n hemd. Doch daar maakte Plachki gelukkig ’n eind aan. Dat was niet om uit te houen.”„Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor ’n keizer heb je ’t niet al te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over ’n paar weken slaap je in je paleis in Pomfriet.”’n Half uur later was ’t heel stil in ’t ravijn. De menschen sliepen behalve de schildwachten, die aan de ingang van ’t ravijn op post stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.’n Uur daar vandaan in ’t kamp van de Sutrebortroep ging ’t er op dat oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die ’s middags om ’t kasteel heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te dringen, was erg misnoegd bij z’n troep teruggekeerd. Er was geen sprake van dat hij met ’n honderd ruiters iets tegen ’t sterke huis ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog ’t verlies van de uitgeloofde belooning. ’t Een was al net zoo erg als ’t andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z’n keizer. Of hij in dienst was bij ’n keizer die Sutrebor heette of bij ’n ander, dat was hem ’t zelfde. Wie hem betaalde, was z’n heer, en zoo dachten de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. ’t Waren allemaal huurlingen.Toen de aanvoerder in ’t kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde hen in de verte al snurken. Nu ’n beetje rust gunde hij z’n mannen wel, want ze hadden ’n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.Tegen den avond riep hij z’n onderaanvoerders nog eens bij zich en beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch niet te pakken, ’t Was wel jammer dat de belooning hen ontging, doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar ’n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die manier kreeg je toch ook wat in je beurs.„Best,” zei de aanvoerder. „Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt dat we z’n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien hard noodig, en vergeeft ie ’t ons wel. Want als ik me niet vergis, zal er ’n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten.”„Da’s wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen.”„Laten we nu maar opbreken.”’n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo’n verre tocht gemaakt om met leege handen terug te gaan?Nu kregen ze natuurlijk geen cent van de keizer.De kapitein merkte ’t wel en hij liet door z’n onderaanvoerders aan de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden stellen, door ’n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon hij niets beginnen.Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze ’n kwartier later ’t bosch in.De schildwachten aan de ingang van ’t ravijn en de mannen bij de paarden hadden ’t trompetsignaal ook gehoord. ’n Schildwacht was daarop van z’n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de kant op van Pirlapan ’n signaal gegeven was.„Ze gaan zeker weer weg,” zei Karibo.Deschildwachtdie zelf ’n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij vond ’t erg jammer, want dan kwam er niemendal van ’t plannetje om die Sutreborkerels op d’rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo ’t hebben wilde. Over ’n half uur waren ze vlak in de buurt.Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen van, doch hij vond ’t niet voorzichtig. Als ’t eens verkeerd ging, dan kwam de prins weer in gevaar.„Ben je mal,” zei Plachki, „d’r is heelemaal geen kans voor die lui om ’t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en …”„En dan gaan ze d’r allemaal ân!” zei de Pirlapanner.„We blijven stilletjes hier,” zei Karibo. „’t Zou zeer onverstandig zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar gauw weer op je post.”De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was geweest zou ’t wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd ’t bosch door konden rijden, op geen kwartier afstand van ’t ravijn, waar de prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, want hij werd nu wel heel goed bewaakt.Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z’n mannen op om de terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen ze daar dan ook ’n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor hadden ze niets meer gehoord of gezien.Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat was niet erg naar de zin van Abé, die zich ’n beetje verlegen voelde worden, als zoo’n voorname heer in ’n ijzerenwapenrusting voor hem boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.Hij reed nu weer op z’n witte paard en hij had z’n eigen kleeren weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts ’n gouden kroon laten maken. Hij vond dat ’t zoo hoorde en Abé vond ’t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.Abé en Karibo hadden bij ’n deftig burger van Lumkiping hun intrek genomen, die z’n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld had. Ze behoorden eigenlijk in ’t huis van de burgemeester te wonen, zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van Huk in z’n hemd had opgesloten in ’t gevangenhok op ’t raadhuis. De goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien kreeg. Plachki moest voor z’n vader dienst doen bij ’t leger, dat in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.Abé had ook graag weer ’n beetje alleen op z’n paard rondgereden, desnoods met Karibo bij zich, doch ’t liefst met z’n vriend Plachki doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd ’n lijfwacht om hem heen, aangevoerd door ’n ouwe stijve baron met ’n vreeselijk ernstig gezicht. Als Abé maareven opkeek was de stijve baron al naast hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.Soms lag Abé ’s avonds in z’n bed daarover na te denken. Dan was hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, dat zóó’n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had alweer gezegd, dat ’t wel wennen zou. Met keizers ging ’t altijd zoo. Je was baas over ’t heele land maar over jezelf had je heel weinig in te brengen.Op ’n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, zooals ’t behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel ’n beetje al te gek, dat z’n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zoudenrijden zonder ’n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z’n witte paard en was in ’n wip naast Plachki.„’k Rijd ’n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?”„Eventjes naar vader. Wat ’n vervelend schepsel heb je daar bij je?”„Dat is de aanvoerder van de lijfwacht.”„Lollige kameraad geloof ik. Wat ’n snuit zet die vent.”„Pas maar op dat ie je niet hoort … ’t Is de ouwe baron Bommeldebierton van Rommeldebom.”„Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt ’m tenminste uit of je nooit anders gedaan hebt.”„Ik leer ’t zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen hem, doch hij heeft ’t liever niet. Hij is trotsch op z’n naam.”„Waarom stuur je ’m met z’n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?”„’k Zal ’t maar doen ook Plachki. Ik moet eens ’n poosje met jou alleen rijden.”Hij keerde zich half op z’n paard om, doch nauwelijks had hij die beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.„Baron ik wou ’n poosje met m’n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar met de lijfwacht naar huis. Tot ziens.”Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis.Hij vond dat die jonge keizer dingen deed die ’n keizer niet doen mocht.„Zoo’n aap,” bromde hij binnensmonds.Abé en Plachki draafden samen ’n paar stille straten door, doch toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z’n vriend konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z’n paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man ’n duw met z’n ijzeren schoen of ’n por met ’t hout van z’n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig om met de onderdanen van z’n vriend.„Pas op Plachki, je doet ze zeer.”„Moeten ze maar uit de weg blijven.”Doch plotseling op de hoek van ’n straat verscheen er zoo’n Lumkipingsche politiereus. Hij had ’n knuppel in de hand en keek met ’n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er bij om ruim baan te maken.„Op zij!” schreeuwde de reus. „Op zij!”De menschen vlogen uit de weg.„O,” riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de Lumkipingsche burgers gek opkeken.„Waarom lach jij zoo?” vroeg Abé. „Vind je ’t niet aardig van hem dat ie ’n beetje ruimte maakt voor ons?”„Jawel Abé … maar ’t is die vent, die ’s nachts op jou passen moest …”Oeliboe Bomdrum had bij ’t luide lachen van Plachki opgekeken en dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo stijf als ’n boom.Maar Plachki zei tegen hem:„Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?”Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer ’n beetje bij en hij antwoordde:„Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit ’t water zou komen.”„Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb je op je kop gehad?”„Neen heer. De burgemeester weet niet hoe ’t gegaan is. Wij hebben onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben.”„Dat hebben jullie ook niet,” zei Plachki lachend, „want je sliep allemaal.”„O heer,” smeekte Oeliboe Bomdrum „zeg ’t asjeblieft niet tegen de burgemeester, want dat is ’n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal weg, als ie ’t hoort.”„Wees maar niet bang,” zei Abé nu. „Wij zullen je niet verraden hoor. Loop maar ’n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor onze paarden.”„Dat zal ik doen heer,” zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging tien passen voor de paarden uit in ’t midden van de straat loopen met z’n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had ’t hart meer midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was ’n beste voorlooper.„Wat doe je de heele dag?” vroeg Plachki.„Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar Pomfriet.”„Maar waarom kom je dan niet bij ons in ’t leger. Daar is ’t prettig genoeg. De heele dag oefenen we ons, want ’t zal er daar in Pomfriet warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste ’n beetje moed in z’n lijf heeft.„Morgen kom ik hoor,” zei Abé. „Ik ben ’t ’n beetje zat dat lanterfanten.”„Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, m’n broers en de mannen van Pirlapan. ’n Prachtige troep. We wonen in tenten buiten de stad.”„Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast.”
De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van hun paarden, bonden die aan ’n boom en slopen door de struiken om ’n plekje te vinden waar ze ’n eind de boschweg konden overzien.
Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, meende de een. Doch de ander zei dat ’t dan een nieuwe troep moest wezen, want ’t geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest de eerste troep toch vandaan komen.
„’t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er nog meer komen,” zei de eerste weer.
„Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In ’t ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met hulp terug eer ’t te laat is.”
„Maar ze hebben geen eten.”
„O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent ’t bosch op z’n duim.”
„St, daar komen ze. Hou je weg.”
„Ik moet toch kunnen zien, hoeveel ’t er zoo wat zijn.”
Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had de Pirlapansche jongen de voorsten in ’t oog gekregen of hij sprong uit de struiken te voorschijn en z’n kameraad hoorde hem schreeuwen: „Pirlapan! Pirlapan!!” Die schrok er eerst van. Maar in ’t volgende oogenblik was hij ook op de weg. Als er „Pirlapan” geroepen werd bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z’n groote blijdschap zag hij echter al dadelijk waarom z’n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.
Op ’n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en hij naar ’t scheen veilig in ’t ravijn zat, was er nog niets verloren.
„Waar is dat ravijn?” vroeg Karibo, „en is ’t wel zoo’n veilige schuilplaats.”
„Of het,” riepen verscheidene Pirlapanners. „Daar vinden ze onze Plachki nog niet zoo gauw.”
Die Pirlapanners dachten ’t eerst aan de zoon van hun heer.
„En kunnen we er spoedig zijn?”
„Binnen ’n paar uur.”
„Dan maar snel er heen mannen.”
„Heer Karibo,” zei een der Pirlapanners, „zou ’t niet beter zijn, dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d’r lui wammes gaven? Daar heb ik toch zoo’n zin in.”
„Eerst de prins hebben man,” antwoordde Karibo. „Daarna kunnen we weer zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?”
„Heelemaal niet. ’t Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d’r zoo maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren en onze haver … en …”
„Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en die dappere jongens die bij hen zijn.”
„En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?”
„Dat zullen we wel zien.”
De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou ’t er toch wel van komen. Dat was ’n echte Pirlapan en die zou ’t wel niet kunnen hebben, dat daar zoo’n honderd man van Sutrebor vóór z’n vaders valbrug lagen.
’t Ging nu weer in galop en ’t was nog niet heelemaal donker toen ze ’t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw ontzet zou komen opdagen.
Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids terug vonden.
„Jonge, jonge,” zei Karibo, „da’s ’n gelukje hoor, dat we die twee ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we slaags geraakt met die Sutrebortroep.”
„O,” antwoordde Plachki, „die hadden op d’r kop gekregen.”
„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” zei Karibo lachend. „Doch ik weet zeker, dat ’t dan nog ’n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen … hè?”
„Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we bij elkaar hoor. Als jewist hoe raar ik al die tijdrondgescharreldheb.”
„’k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?”…
„En bedelaar.”
„Je witte paard hebben we terug!”
„Wat zeg je?… En die kerel?”
„Achter slot hoor.”
„Maar hoe wist je dat Sutrebor me z’n ruiters achterna gezonden had? Daar wist ik zelf niet eens wat van.”
„Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft ’t me verteld.”
„Karibo is ’t eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?”
„Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid te zeggen ben je ’t nu al. Pirlapan heeft nu al ’n heel leger bij elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar ’n goed heenkomen zoeken.”
„Dat is hem geraden ook,” zei Plachki, „want als vader hem te pakken krijgt zal ’t er leelijk voor hem uitzien.”
„En waar gaan we nu heen?” vroeg Abé aan Karibo.
„Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn.”
„’n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op de steenen.”
„Nou ja, voor ’n keer hindert dat niet. ’n Soldaat moet overal tegen kunnen hè?”
„Wat dat betreft, ’k ben in de laatste tijd niet verwend. ’k Heb in ’n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in ’t gras, bij de boer in’t hooi, bij de roovers in de stal, bij ’n andere boer tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in ’n kil hok laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan ’n hemd. Doch daar maakte Plachki gelukkig ’n eind aan. Dat was niet om uit te houen.”
„Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor ’n keizer heb je ’t niet al te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over ’n paar weken slaap je in je paleis in Pomfriet.”
’n Half uur later was ’t heel stil in ’t ravijn. De menschen sliepen behalve de schildwachten, die aan de ingang van ’t ravijn op post stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.
’n Uur daar vandaan in ’t kamp van de Sutrebortroep ging ’t er op dat oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die ’s middags om ’t kasteel heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te dringen, was erg misnoegd bij z’n troep teruggekeerd. Er was geen sprake van dat hij met ’n honderd ruiters iets tegen ’t sterke huis ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog ’t verlies van de uitgeloofde belooning. ’t Een was al net zoo erg als ’t andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z’n keizer. Of hij in dienst was bij ’n keizer die Sutrebor heette of bij ’n ander, dat was hem ’t zelfde. Wie hem betaalde, was z’n heer, en zoo dachten de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. ’t Waren allemaal huurlingen.
Toen de aanvoerder in ’t kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde hen in de verte al snurken. Nu ’n beetje rust gunde hij z’n mannen wel, want ze hadden ’n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.
Tegen den avond riep hij z’n onderaanvoerders nog eens bij zich en beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch niet te pakken, ’t Was wel jammer dat de belooning hen ontging, doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar ’n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die manier kreeg je toch ook wat in je beurs.
„Best,” zei de aanvoerder. „Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt dat we z’n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien hard noodig, en vergeeft ie ’t ons wel. Want als ik me niet vergis, zal er ’n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten.”
„Da’s wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen.”
„Laten we nu maar opbreken.”
’n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo’n verre tocht gemaakt om met leege handen terug te gaan?Nu kregen ze natuurlijk geen cent van de keizer.
De kapitein merkte ’t wel en hij liet door z’n onderaanvoerders aan de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden stellen, door ’n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon hij niets beginnen.
Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze ’n kwartier later ’t bosch in.
De schildwachten aan de ingang van ’t ravijn en de mannen bij de paarden hadden ’t trompetsignaal ook gehoord. ’n Schildwacht was daarop van z’n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de kant op van Pirlapan ’n signaal gegeven was.
„Ze gaan zeker weer weg,” zei Karibo.
Deschildwachtdie zelf ’n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij vond ’t erg jammer, want dan kwam er niemendal van ’t plannetje om die Sutreborkerels op d’rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo ’t hebben wilde. Over ’n half uur waren ze vlak in de buurt.
Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen van, doch hij vond ’t niet voorzichtig. Als ’t eens verkeerd ging, dan kwam de prins weer in gevaar.
„Ben je mal,” zei Plachki, „d’r is heelemaal geen kans voor die lui om ’t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en …”
„En dan gaan ze d’r allemaal ân!” zei de Pirlapanner.
„We blijven stilletjes hier,” zei Karibo. „’t Zou zeer onverstandig zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar gauw weer op je post.”
De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was geweest zou ’t wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.
Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd ’t bosch door konden rijden, op geen kwartier afstand van ’t ravijn, waar de prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, want hij werd nu wel heel goed bewaakt.
Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z’n mannen op om de terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen ze daar dan ook ’n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor hadden ze niets meer gehoord of gezien.
Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat was niet erg naar de zin van Abé, die zich ’n beetje verlegen voelde worden, als zoo’n voorname heer in ’n ijzerenwapenrusting voor hem boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.
Hij reed nu weer op z’n witte paard en hij had z’n eigen kleeren weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts ’n gouden kroon laten maken. Hij vond dat ’t zoo hoorde en Abé vond ’t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.
Abé en Karibo hadden bij ’n deftig burger van Lumkiping hun intrek genomen, die z’n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld had. Ze behoorden eigenlijk in ’t huis van de burgemeester te wonen, zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van Huk in z’n hemd had opgesloten in ’t gevangenhok op ’t raadhuis. De goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien kreeg. Plachki moest voor z’n vader dienst doen bij ’t leger, dat in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.
Abé had ook graag weer ’n beetje alleen op z’n paard rondgereden, desnoods met Karibo bij zich, doch ’t liefst met z’n vriend Plachki doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd ’n lijfwacht om hem heen, aangevoerd door ’n ouwe stijve baron met ’n vreeselijk ernstig gezicht. Als Abé maareven opkeek was de stijve baron al naast hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.
Soms lag Abé ’s avonds in z’n bed daarover na te denken. Dan was hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, dat zóó’n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had alweer gezegd, dat ’t wel wennen zou. Met keizers ging ’t altijd zoo. Je was baas over ’t heele land maar over jezelf had je heel weinig in te brengen.
Op ’n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, zooals ’t behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel ’n beetje al te gek, dat z’n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zoudenrijden zonder ’n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z’n witte paard en was in ’n wip naast Plachki.
„’k Rijd ’n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?”
„Eventjes naar vader. Wat ’n vervelend schepsel heb je daar bij je?”
„Dat is de aanvoerder van de lijfwacht.”
„Lollige kameraad geloof ik. Wat ’n snuit zet die vent.”
„Pas maar op dat ie je niet hoort … ’t Is de ouwe baron Bommeldebierton van Rommeldebom.”
„Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt ’m tenminste uit of je nooit anders gedaan hebt.”
„Ik leer ’t zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen hem, doch hij heeft ’t liever niet. Hij is trotsch op z’n naam.”
„Waarom stuur je ’m met z’n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?”
„’k Zal ’t maar doen ook Plachki. Ik moet eens ’n poosje met jou alleen rijden.”
Hij keerde zich half op z’n paard om, doch nauwelijks had hij die beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.
„Baron ik wou ’n poosje met m’n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar met de lijfwacht naar huis. Tot ziens.”
Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis.Hij vond dat die jonge keizer dingen deed die ’n keizer niet doen mocht.
„Zoo’n aap,” bromde hij binnensmonds.
Abé en Plachki draafden samen ’n paar stille straten door, doch toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z’n vriend konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z’n paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man ’n duw met z’n ijzeren schoen of ’n por met ’t hout van z’n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig om met de onderdanen van z’n vriend.
„Pas op Plachki, je doet ze zeer.”
„Moeten ze maar uit de weg blijven.”
Doch plotseling op de hoek van ’n straat verscheen er zoo’n Lumkipingsche politiereus. Hij had ’n knuppel in de hand en keek met ’n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er bij om ruim baan te maken.
„Op zij!” schreeuwde de reus. „Op zij!”
De menschen vlogen uit de weg.
„O,” riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de Lumkipingsche burgers gek opkeken.
„Waarom lach jij zoo?” vroeg Abé. „Vind je ’t niet aardig van hem dat ie ’n beetje ruimte maakt voor ons?”
„Jawel Abé … maar ’t is die vent, die ’s nachts op jou passen moest …”
Oeliboe Bomdrum had bij ’t luide lachen van Plachki opgekeken en dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo stijf als ’n boom.
Maar Plachki zei tegen hem:
„Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?”
Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer ’n beetje bij en hij antwoordde:
„Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit ’t water zou komen.”
„Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb je op je kop gehad?”
„Neen heer. De burgemeester weet niet hoe ’t gegaan is. Wij hebben onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben.”
„Dat hebben jullie ook niet,” zei Plachki lachend, „want je sliep allemaal.”
„O heer,” smeekte Oeliboe Bomdrum „zeg ’t asjeblieft niet tegen de burgemeester, want dat is ’n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal weg, als ie ’t hoort.”
„Wees maar niet bang,” zei Abé nu. „Wij zullen je niet verraden hoor. Loop maar ’n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor onze paarden.”
„Dat zal ik doen heer,” zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging tien passen voor de paarden uit in ’t midden van de straat loopen met z’n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had ’t hart meer midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was ’n beste voorlooper.
„Wat doe je de heele dag?” vroeg Plachki.
„Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar Pomfriet.”
„Maar waarom kom je dan niet bij ons in ’t leger. Daar is ’t prettig genoeg. De heele dag oefenen we ons, want ’t zal er daar in Pomfriet warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste ’n beetje moed in z’n lijf heeft.
„Morgen kom ik hoor,” zei Abé. „Ik ben ’t ’n beetje zat dat lanterfanten.”
„Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, m’n broers en de mannen van Pirlapan. ’n Prachtige troep. We wonen in tenten buiten de stad.”
„Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast.”