TWEEDE VERVOLG DER KLEINE GEDIGTEN VOOR KINDEREN.

Zegt tog niet, mijn lieve wigtjes!Datvan Alphenu vergeet;'k Heb, om u nog iets te geven,Eenige uurtjes weêr besteed.Mooglijk is 't de laatste bundel;Hoort! gij hebt er ook genoeg.'t Is in 't aantal niet gelegen;En voor grooter is 't wat vroeg.

Weinig, wel, en dikwijls lezenLeert het best, in uwen tijd:Grooter boeken zultge krijgen,Als gij ook wat grooter zijt.

Daar zie ik een konijn!Wat zou 'k gelukkig zijn,Had ik het, om er meê in onzen tuin te loopen,Zei Jan: maar schoon 'k mijn geldAl driemaal heb geteld,Ik heb te weinig om dat lieve dier te koopen;En schoon mij dit aan 't harte gaat,Ik weet geen raad!….

Wel! laat u dit geval dan leeren,Mijn lieve Jan!Dat een verstandig kind geen dingen moet begeeren,Die hij te voren weet, dat hij niet krijgen kan.

Bij 't opgaan van de zonZat Willem aan een bron,Van goeder hart, te zingen;Hij had den afgelopen nagtVerkwikkend doorgebragt;En kon zig langer niet bedwingen.God, riep hij, is zo goed,Dat ik hem loven moet!

Magtige Schepper! u heb ik te danken,Dat ik ontwaakte gezond en verheugd.Wijze Bestierder! 'k heb Jesus te danken,Dat ik u kenne in het eerst van mijn jeugd.

Prijst u de morgen, ik zal u ook eeren,Dat gij mij gunstig in 't leven bewaart;Prijst u de morgen, ach mogtze mij leeren,Heilig en dankbaar te leven op aard.

Naarstig, gehoorzaam, en vrolijk te wezen,Is me tot voordeel en 't is uw gebod.Vriendlijke Schepper! wie zou u niet vreezen!Wie u niet eeren, almagtige God!

Van u alleen moet ik alles verwagten;Wie is als gij algenoegsaam en mild.'k Wil dan van daag uwe wetten betragten;Daar gij ook kinderen zegenen wilt.

Het licht der zonBegonAlreê te kwijnen;De maanVing aanZo schoon als ooit te schijnen;Toen lieve Cris,Een meid, naar 'k gis,Van agt of negen jaren,Haar kleine citer nam,En hupplend bij mij kwam;Zij paarde lagchend stem en snaren;En zong het vrolijk avondlied,Dat gij hier uitgeschreven ziet.

De zon moog haar stralenIn 't westen doen dalen,Dit geeft mij geen smart:God heeft ook geschapenDen nagt om te slapen,Dies looft Hem mijn hart.

Hoe donker 't mag wezen,'k Behoef niet te vreezenIn 't holst van den nagt.God zal voor mij zorgen,Tot dat mij de morgenWeêr vrolijk verwagt.

Geen leed zal mij naken:God wil mij bewaken,Al ben ik een kind.God toont, door mij 't levenEn voedsel te geven,Hoe Hij me bemint.

Het starrengeflonkerVervrolijkt het donker;De lichtende maanBegint op de weidenHaar glanssen te spreiden,En speelt door de blaên.

Al ziet men geen kleuren,Men wordt tog door geurenVerkwikt waar men gaat,'k Hoor zelfs in seringenDen nagtegaal zingen,En 't kwarteltje slaat.

Mag ik u verhoogen,Dan sluit ik mijne oogenGerust, o mijn God!U eere te geven,En dankbaar te leven,Is 't zaligste lot.

Keesje zag eens Joden loopen,Omwat ouds! wat ouds!te koopen:Hij werd bang, ja bleek van schrik;Hij kroop weg, en ging aan 't huilen.Pietje spotte met dat schuilen;En zei lagchend: doe als ik!

Kees zei: zoudt gij niet ontstellen,Als gij hun eens aan zaagt bellen?Neen ik tog, zei Pietje toen:Waarom zou ik altoos vreezen?Men behoeft slegts bang te weezen,Als men voorneemt kwaad te doen.

Al ben ik maar een kind,Tog wordt mijn Vaderland van mij op 't hoogst bemind;Ik werd er in geboren;Ik heb er drank en spijs;Ik mag er 't onderwijsVan wijze meesters hooren.Ik heb er ouders, vrienden in,Die ik met al mijn hart bemin;Ik kan er veilig woonen;Dies zal ik dankbaar mij betoonen;En, worde ik eens een man,Zo nuttig zijn voor 't land, als ik maar wezen kan.

Laat ons dezen twist beslegten,Door eens moedig saam te vegten!

'k Wil niet; 'k heb geen lust in slaan; Maar laat ons naar Vader gaan; 'k Wil u niet verongelijken; Vader mag het vonnis strijken.

Laffe jongen, zonder moed!

O! bedenk eerst watge doet.

'k Vat u aanstonds bij de kleêren:

Wagt u, 'k zou mij dan verweeren; 'k Ben zo min bevreesd als gij.

Is dat waar, kom dan ter zij!

Neen: daar zal ik mij voor wagten;Maar uw dreigenhierveragten.Ha! geen dwaasheid is zo groot,Dan te vegten zonder nood.

Hier werden zij gestoord.Papa lief had het juist gehoord.Hij die een krijgsman was, en dikwijls in zijn levenVan zijn beleid en moed veel proeven had gegeven,Zei: 't is de beste held; hij heeft den grootsten moed;Die dapper vegten kan, maar 't nooit onnoodig doet.

Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr!Hoe statig rolt de donder!De wolken pakken saam, of drijven heen en weêr;Terwijl ik in dat al, gedugte Hemelheer!Uw Majesteit bewonder.

Nu is 't voorbij: een frissche lugtOmringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen.Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrugt;Maar, eeuwig God! gij blijft gedugt,Zelfs in uw zegeningen.

Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft?Ach wilt daar nooit voor vreezen!'t Is een geschenk, dat God ons geeft,En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen.

Wanneer ik neêrgezetenBedaard het beeld aanschouweVan mijne lieve moeder,Dan rollen mij de tranenGestadig langs de wangen.Dat lief en lagchend wezen,Waar godvrugt en opregtheidBevalligheid en blijdschapZo klaar op is te lezen,Doet mij dan bitter schreien,Om dat ik haar moet missen;Ik—nog geen negen jaren.Wat heb ik niet al uurtjesMet nut bij haar gezeten,Wanneer zij mij, al spelend,Het een en ander leerde.Maar 't zal mij altoos heugen,Hoe zij mij bij haar stervenVoor 't laatst nog eens omhelsde.

Ik kan er niet aan denken,En 'k doe het tog zo gaarne.

Toen zeize: "lieve Claartje!"Uw moeder zal haast sterven,"En van deze aarde scheiden,"Om in den blijden Hemel"Bij de engelen te woonen;"Hoor dan mijn laatste woorden,"En geef mij 't laatste kusje.

"Eert God, bemin uw vader!"Groei op in deugd en wijsheid!"En wiltge vrolijk leven,"Leer vroeg de zonden haten."Maar hebt ge eens kwaad bedreven,"Dan moetge 't gul belijden;"En God om Jesus wille"Zal u vergeving schenken."Maar zietge dan, mijn Claartje!"Op aarde mij niet weder,"Zie dikwijls naar den hemel,"En zeg—daar woont mijn moeder."Ach, zag ik na uw sterven"Mijn kind ook daar verschijnen,"Hoe zou ik mij verblijden,"En God eerbiedig danken."Voor u, mijn lieve Claartje!"Is ook de hemel open.

"Maar ach; mijn lieve meisje!"Ik voel den dood genaken,"En kan niet langer spreken."Vaarwel, vaarwel dan, Claartje!"Daar hebtge 't laatste kusje!"

'k Ging schreiend naar beneden;En 't duurde weinige uuren,Of moeder was gestorven.

Wanneer ik nu, gezetenBij 't beeld van mijne moeder,Aan haren dood gedenke,Dan rollen mij gestadigDe tranen langs de wangen.Dan zie ik naar den hemel,De woonplaats mijner moeder;Dan roep ik, bitter schreiend,o God, hebt gij die moederAan mij zo vroeg ontnomen,U mag ik niet berispen,Hoe zeer ik haar betreure;Neen, gij zijt wijs en heilig,Mag ik u maar beminnen,Mijn lieven Vader eeren,En moeders lessen volgen,Dan zal ik bij mijn stervenBij U en moeder komen.Wat zal dat zalig wezen!

Waarom verwelkt de roos zo ras?Zei Jantjen: och of 't anders was!God wierd ook, dunktme, meer geprezenZoo 't roosje langer bleef in wezen.

Al denktge, datge 't wel doorziet,Mijn lieve Jan! het is zo niet.De Schepper weet het best van allen,Waarom 't zo schielijk af moet vallen;En wil ook, datge gadeslaat,Hoe ras het aardsche schoon vergaat.De Schepper, dien 't ons past te vreezenWordt door bedillen nooit geprezen.

Die liefelijke toonenBehagen mij alrêe;Al heb ik weinig jaren,Ik zing zo graag eens meê.Wanneer mijn oudste broêrtjenOp 't clavecimbaal speelt,Dan vraagt hij mij, al spottend,Of 't mij niet ras verveelt?Dan zeg ik, lieve jongen!o Speel tog lang voor mij!Mogt ik het ook maar leeren,Ik deed mijn best als gij.Eergistren was ik jarig,En moeder vroeg mij toen,Wat ik van haar begeerde;Ik gaf haar eerst een zoen,En zei: mijn lief mamaatje!Bewijs mij deze gunst,Dat ik mag leeren speelen,En zingen naar de kunst.Zij nam mij in haar armen,En zei: in 't nieuwejaar.Nu brande ik van verlangen,Ach kwam de meester maar.

De jeugd spant zig met speelenEn zingen nuttig uit,En is men moê van 't leeren,Dan geeft dit lief geluidWeêr nieuwen lust en kragten;Zo leeft men blij en zoet;En schuwt met vreugd gezelschap,Dat dikwijls doolen doet.

Gij vraagt mij, waarom ik aan God gehoorzaam ben:'t Is daarom, dat ik Hem als wijs en goed erken.Hij heeft aan ons zijn wet uit liefde alleen gegeven,Op dat wij vergenoegd en vrolijk zouden leven;En al wat ons die wet verbiedt,Is, hoe't ook schijnen mag, ten onzen voordeel niet,Wil iemand dan gelukkig wezen,Die leer gehoorzaam God te vreezen.

Nooit heb ik meer vermaak, dan als ik mijnen pligtBlijmoedig heb verrigt.Dan smaakt het eeten best; dan kan ik vrolijk springen;En blijde liedjes zingen;Maar ben ik traag of stout, dan ben ik niet gerust;Dan heb ik geenen lustIn spijs, in drank, of spel; dan wordt mij door 't gewetenGeduuriglijk verweten,Dat ik een slegtaart ben, en dat ik nooit een man,Zoo doende, worden kan.

Zusje lief! ik laat u weten,Dat ik, sedert uw vertrek,In mijn kamer heb gezeten,Meid lief! met een stijve nek.'k Dagt, ik zal u tog eens schrijven,Want het weder is zo guur,Dat ik steeds in huis moet blijven,En dat smaakt niet op den duur,'k Heb met u vrij wat te praten;Dikwijls denk ik, wasze hier!Maar dat denken kan niet baten,Daarom praat ik op 't papier.Schrijven, moet men, zegt Papaatje,Even zo, als of men praat;Daarom zal ik, lieve Caatje,U vertellen, hoe 't mij gaat.'k Was eerst knorrig, dat ClorindeU van huis en met zig nam;'k Was wel blij, datze u beminde,Maar wat doetze te Amsterdam,Zei ik—wasze hier gebleven;'k Had haar graag mijn beste prentVoor een nieuwejaar gegeven;O wij zijn zo saam gewend.Maar wat hielp tog al dat klagen,Caatje zus was heen gegaan:'k Wende dies, in weinig dagen,Schoon uit nood, daar langsaam aan.Daarop, door me in 't zweet te loopen,Heb ik zware kou gevat;'k Moest dat speelen duur bekopen,Ach, wat heb ik pijn gehad:'k Mogt dan dit, dan dat niet eeten;'k Sliep ook somtijds niet van pijn;En ik wou geduurig weeten,Of het haast gedaan zou zijn.'k Had geen lust in lezen, schrijven,Ja zelfs in mijn prenten niet;En zo lang in 't bed te blijvenGaf mij telkens veel verdriet.Vader wilde mij vermaken;Moeder lief deed, watze kon;Maar zij moesten 't schielijk staken,'k Was 't al moede eer ik begon,'k Vreesde dat het nooit zou lukken,En wanneer ik ledig zat,Kreeg ik bijster kwade nukken,Wijl ik geen geduld meer had.'k Zei in 't eind—dat ledig wezenKan tog nooit voordeelig zijn.'k Nam een boek; ik ging wat lezen;En ik voelde minder pijn.Ook begon ik wat te schrijven,En wanneer ik prenten zag,Kon ik op mijn kamer blijven,Met vermaak, den heelen dag.Vader zag mij eens beginnenAan een kleine teekening,Moeder lief kwam daar op binnen,Om te zien hoe 't met mij ging.'k Was, zij zagen 't, wel te vrede;'k Was niet knorrig als voorheen;'k Praatte nu en dan eens mede;'k Zei niet kort afjaofneen.Zo versleet ik gandsche dagen,Schoon op ver na niet hersteld,Maar dat kniezen en dat klagen,Heeft mij sinds niet meer gekweld.Vader zegt, 't kan meer gebeuren,Dat ik niet welvarend ben;Maar ik zal te minder treuren,Hoe ik meer daar aan gewen.Die zig naar Gods wil kan voegen,(Zegt hij) met een stil gemoed,Smaakt in ziekte zelfs genoegen;God is altijd wijs en goed.Nu vaarwel, aanminnig meisjen!Ieder in ons huis verlangt,Datge een eind maakt van uw reisjen,Als gij dezen brief ontfangt.

Kees zou voor 't eerst naar school toe gaan,Maar was de stoep pas afgetreden,Of 't scheen, hij was niet wel te vreden;En bleef, het hoofd om hoog, een poos verwonderd staan.Hij zag de zwaluwen zo heen en weder zweeven,En zei, dat heet eerst regt op zijn vermaak te leven.Een man die zig op straat bevond,En Keesjes meening ras verstond,Trok hem, al lagchend, wat ter zijden;En zei: wel weetge niet, dat zij dit moeten doen,Zij vangen vliegjes, om hun jongen mee te voen,Die anders honger moesten lijden.Noemt gij dit slegts vermaak, neen Keesje! dat is mis,Maar weet gij wat hier uit voor u te leeren is?Zij kunnen, door dit lustig zweven,Aan u een voorbeeld geven,Hoe men met vlijt en vreugd zijn werk verrigten moet:En dat het lelijk staat, als men 't gedwongen doet.

Ik loop naar school, zei Kees: die les is zeker goed!

Als ik de zon zie schijnen,Die met haar lieve stralenDeze aarde vrolijk koestert;Op dat er kruiden groeien,Om vee en mensch te spijzen;Die 't licht ons doet genieten,Om tog verheugd te werken,En vergenoegd te leven;Dan denk ik, met aanbidding,Hoe groot moet God niet weezen!Die zon heeft hij geschapen!En dat uit enkel liefde!

Mijn lieve kinders, schrikt tog niet,Wanneer gij dode menschen ziet;Zoudt gij voor lijken beven?Kom hier: deez bleke koude man,Die voelen, zien, noch horen kan,Houdt nu niet op te leven.

Hij denkt en werkt—ja meer dan gij;Maar met geen ligchaam zo als wij.De ziel is weg van de aarde.Die God, dien hij hier heeft gevreesd,Is bij hem in zijn dood geweest;En houdt dit lijk in waarde.

Al is de ziel van 't ligchaam af,Al daalt het lijk in 't donker graf,Dat moet u niet doen ijzen.Gelooft het tog, de goede GodZal zelfs dit lelijk overschotVeel schooner doen verrijzen.

Ach, lieve kinders! zegt dan niet;Wat is dat sterven een verdriet!Mogt ik maar altoos leven!Wanneer ge God bemint en dient,Dan voert de dood u, als een vriend,In 't eeuwig zalig leven.

En komt dan eens de jongste dag,Dan zal het ligchaam, dat daar lag,Zig levend weêr vertoonen.Dan voeren de Englen van beneênU zingend naar den Hemel heên,Om eeuwig daar te woonen.

Mijn lieve kinders schrikt dan niet,Wanneer gij doode menschen ziet;Zoudt gij voor lijken beven?Zegt liever vrolijk—deze man,Die hier niet zien of hooren kan,Mag in den hemel leven.

Mietje had eens, onder 't wandlen,Een verholen vogelnestjenIn een dorenhaag gevonden.'k Heb nu, zeize, mijn verlangen:o Hoe zal ik mij vermaken,Met die lieve kleine diertjes!Aanstonds ga ik thuis wat halen,Om dit nestjen in te bergen.

Mietje liep en zag haar moeder,Die zij hijgend dit vertelde:

Lieve Mietje, zei de moeder,Stoort tog nimmer vogelnestjes!Denk maar eens, hoe de oude vogelsOm dat stooren zouden treuren;Zoudt, gij, Mietje lief, niet schreien,Als men u, met Piet en Jetje,Tegen wil en dank vervoerde;Mietje lief, hebt medelijden,Met die oude lieve vogels!Zoek tog nimmer uw genoegenIn de droefheid van een ander.

Neen, zei Mietje, lieve moeder!Neen dat niet! maar hoorze eens schreeuwen;Ach zij hebben zulken honger!

Denk niet meisje, zei de moeder,Dat zij juist van honger schreeuwen.Ach zij zouden zeker sterven,Als gij hun zo lang woudt spijzen,Totze niet meer konden schreeuwen.Maar wiltge u eens regt vermaken,En eens zien hoe de ouden zorgenOm hen juist zo veel te geven,Als die diertjes noodig hebben,Zet u slegts in stilte neder,En ge zult dan schielijk merken,Dat zij vliegjes, mugjes, wormpjesVangen en in 't nestje brengen.o De goede wijze SchepperHeeft zo wel aan deze vogelsOuders, als aan u, gegeven:Dezen weten altoos beter,Wat de kinders noodig hebben,Om dat zijze 't meest beminnen.Ja die zullen nooit verzuimen,Hun têerhartig te verzorgen;Daar toe heeft hun God de liefdeVoor hun jongen ingeschapen;En gij moet niet wijzer wezen,Dan de goede en wijze Schepper.

Mietje hoorde naar haar moeder;Maar ging dikwijls zagtkens kijkenNaar het groeien van de jongen,Zonder 't nestjen ooit te stooren.

Wel waarom snoeitge nog de boomen,Zeg trouwe Piet?Daar aan die takjes vrugt zou komen,Gelijkge ziet.

Een boom, die al te veel moet dragen,Verliest zijn kragt;Ook zou de vrugt zo niet behagen,Als gij verwagt.Uw vader heeft graag goede peeren:

't Is wel gezegd:En 't deel van die te veel begeerenIs doorgaands slegt.

Denk niet, lieve speelgenooten!Dat de tijd mij heeft verdroten,Toen ik gistren zat alleen.Die vermaak heeft in het lezen,Hoeft geen eenzaamheid te vreezen,Maar is altoos wel te vreên.

Vader zegt, dat brave menschenDikwijls naar die uurtjes wenschen;Dikwijls naar hun kamer gaan,Om in oude en nieuwe boekenWijze lessen optezoeken:En dat staat mij wonder aan.

'k Wou zo graag verstandig wezen,En ik worde ook graag geprezen,'k Zeg, zo als het bij mij leit:Dient er dan, om veel te weten,Menig uurtje nog gesleten,Welkom! welkom! eenzaamheid!

Aan twee lieve kleine jongens.Het kinderlijk geluk.De perzik.De kinderliefde.Alexis.De waare rijkdom.Het vrolijk leeren.Het medelijden.De naarstigheid.De spiegel.Klagt van den kleinen Willem op de dood van zijn zusjen.Het geschenk.Welkomgroet van Claartje voor haar kleine zusjen.De ledigheid.Het hondjen.Het gebroken glas. Eene vertelling.De godsdienstigheid.De haas.Eene vertelling van Dorisje.Jesus. Een zangstukje.De drijftol.De pruimeboom. Eene vertelling.De bedelaar.De ware vriendschap.Lotje en Keesje.De gezondheid.Klaartje en Keetje.Het gevonden liedje.De goede eerzugt. Eene klagt van Daantje.De klepperman.Klaasje en Pietje.Winterzang.Gods goedheid.Gods wijsheid.De edelmoedige wedervergelding.Het zieke kind.Het goede voorbeeld.Pietje en Keetje.Het geduld.Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkigen ouderdom.De koolmees.Pietje bij het ziekbed van zijn zusjen.Het verhoorde gebed.Het tederhartige kind.De onbedagtzaamheid.De vogel op de kruk.Aan mijn kleine lezers.Jantje en het konijn.De zingende Willem. Morgenlied.De kleine zangster. Avondlied.De verkeerde vrees.De liefde tot het vaderland.De vegtende jongens.Het onweder.Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder.De verwelkte roos.Mietje bij het clavecimbaal.Het verstandig antwoord.Het geweten.Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje.De zwaluwen. Eene vertelling.De zon.Het lijk.Het vogelnestjen. Eene vertelling.Flipje, de tuinman, en zijn vader.De eenzaamheid.


Back to IndexNext