VERBETERINGEN.

HALFKOOR I.

Wij drijven diep de hemelen door,—

HALFKOOR II.

Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,—

HALFKOOR I.

Vurig en vrij, en rusteloos-ras,Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee,En een hemel waar nooit nog een hemel was.

HALFKOOR II.

Plechtig en langzaam, vol helderen vreê,Leidend den dag en ontsnellend den nacht,Met de machten van stralende wereld meê.

HALFKOOR I.

Wij wervlen luid zingende rond den bol,En zijn chaos verhelderd door liefde's macht,En niet door vrees, vertoont zich in pracht,Van boomen en dieren en wolken vol.

HALFKOOR II.

Wij omcirklen de zee en de bergen der aard,En de blijde gedaanten van wat zij baartEn gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij deZoete muziek van ons innig verblijden.

KOOR VAN UREN EN GEESTEN.

Breekt den dans en verstrooit nu het koor,Laat enklen blijven en andren gaan.Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor,Aan banden als stralen van sterrenschijnDie teeder maar onverbrekelijk zijn,De wolken met liefderegen belaên.

PANTHEA.

Ach! zij zijn heen!

IONE.

Maar voelt gij toch geen vreugdDoor de voorbije zoetheid?

PANTHEA.

Als de naakteEn groene heuvel lacht met duizend droppenVan zonnig water naar den open hemel,Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen!

IONE.

Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten.Wat is dat machtige geluid?

PANTHEA.

De diepeMuziek der wentelende wereld is 't,Die in de snaren der gegolfde luchtAeolische geluidsschakeering wekt.

IONE.

Luister, hoe iedre rust ook is gevuldMet onder-noten, klare, zilvren tonen,IJzig en hel en die ontwaken doen,Die door de zinnen boren naar de ziel,En daarin leven; als de scherpe sterrenBoren door de kristallen winterluchtEn staren naar zichzelf in zee weerspiegeld.

PANTHEA.

Maar zie, waar door twee poorten van het woud,—Hangende twijgen overwelven die,—En waar twee aadren van een stroompje maaktenTusschen het dichte mos, vol van viooltjes,Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar,Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weerVereenen mogen, makend tot een eilandVan lieflijk leed, een woud van zoete, droeveGedachten, hun beminnelijke scheiding),—Twee vizioenen, wonderbaar van straling,Aandrijven op den zee-gelijken tooverVan machtgen klank, die nog geweldger, heller,En dieper schijnt te stroomen onder de aardEn door de lucht waarin geen wind beweegt.

IONE.

Ik zie een wagen als die smalste boot,Waarin der Maanden Moeder wordt gedragenBij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen,Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen;Waarover buigt een cirkelend gewelfVan teeder duister, en geboomte en heuvels,Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier,Lijken gedaanten uit een tooverspiegel.Zijn raderen zijn vaste wolken, blauwEn goud,—de geesten van den donderstormStapelen zulke op den verlichten zeevloer,Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen,Bewegen, groeien aan, als door een windDie hen inwendig drijft. Er binnen inZit een gevleugeld kind, met wit gelaatGelijk de witheid van de heldre sneeuw.Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert,Zijn leden lichten blank door de op den windGolvende vouwen van zijn blank gewaad,Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haarIs wit, de glinstring van wit licht verdeeldIn draden; maar zijn oogen zijn twee heemlenVan vloeiend duister, dat zijn godlijkheidSchijnt te doen stroomen, evenals een stormUit kartelige wolken wordt gestort,Uit hun pijlvormige wimpers, temperendDe koude en stralende atmosfeer in 't rondMet vuur, dat toch niet helder is. Zijn handZwaait een trillenden manestraal, wiens puntDe macht heeft om den steven van den wagenTe sturen op zijn wielgelijke wolken;Die, wen zij wentlen over gras en bloemenEn waatren, klanken wekken, even zoetAls zilvren dauw zijn zangerige regen.

PANTHEA.

En zie, uit de andere oopning in het woudSnelt aan, met luide en wervlende muziek,Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen,Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimteGeheel doorvloeid van melodie en licht:Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten,Purper, azuur en blank, gulden en groen,Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschenBevolkt met onverbeeldbare gestaltenAls geesten droomen in het lamploos diep,Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlenOver elkaar in duizendvoud bewegen,Op duizenden onzichtbare assen wentlend;En met de kracht van snelheid die zichzelfTegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam,En statig; zij ontsteken met een menglingVan klank en meengen toon verstaanbre woordenEn wilde melodie. Met machtge wervlingDoorsnijdt, verstuift de wemelende bol't Heldre riviertje in een azuren mistVan opgeloste fijnheid, licht-gelijk;En van het boschgebloemt de wilde geur,Muziek van 't levend gras en van de lucht,'t Smaragden licht van stralen in 't gebladertVervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed,Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneedTot éen etherische zelfstandigheid,Waarin de zinnen zwijmen. In den bol,Op zijn albasten armen, als een peluw,Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid,Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerkenEn golvig haar de Geest der Aard te slapen,En gij kunt zien zijn lipjes die bewegenIn van hun eigen glimlach 't wisslend lichtAls een die droomend spreekt van wat hij liefheeft.

IONE.

Hij doet alleen uit scherts de melodieVan zijn bol voertuig na.

PANTHEA.

En van een sterDie op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen,Als zwaarden van azuren vuur, goudsperenMet loof van myrten, dat tyrannen temt,Bevlochten als symbool dat aarde en hemelNu éen zijn; machtge stralen, die als spakenVan een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien,Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte,Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,—En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grondDoorboren, en terwijl zij 't doen, ontblootenVan 't diepe hart der aarde al de geheimen;—Eindlooze mijn van diamant en goud,Waardloos gesteent en onverbeeld juweel,Holen gestut op kristallijnen zuilen,Van een plantaardig zilver overspreid,Bronnen van peilloos vuur, en waterwellenDe groote zee voedend gelijk een kind,Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aardMet prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden.De stralen schieten voort, en doen verschijnenDroeve ruïnen van verdwenen tijden;Ankers, snebben van schepen, en in marmerVerkeerde planken, pijlkokers en helmen,Speren, en schilden met medusa-hoofden,Wielen van zeisenwagens, en blazoenenVan standaarden, trofeeën en heraldischGedierte, waaromheen de lach des Doods klonk,Begraven teekens van verwoesting, dood nu,Verwoesting in verwoesting;—en ernaastBouwvallen van veel uitgestrekte steden,Waar de bevolking, overgroeid door de aarde,Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie!Daar liggen hun barbaarsche werken enLompe geraamten; beelden, huizen, tempels;Monster-gedaanten door elkaar gesmetenIn kleurlooze vernietiging, gespleten,Beklemd in 't harde zwarte diep; daarbovenRiffen van onbekende vleugelwezens,Visschen: eens levende eilanden van schubbenEn slangen, beenge ketens rond-omkrinklendDe ijzeren rotsen, of in hoopen stof:De kronkelige kracht van hun laatst lijdenVermorzelde tot stof de ijzeren rotsen;Daarboven, de getande krokodil,En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte,Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelendOp slijmige stranden, wildernis-begroeideVastlanden van deze aard, als zomerwormenOp een verlaten lijk,—tot, als een mantelDe blauwe bol rond zich een zondvloed sloot,En zij luid huilden, hijgden, en vergingen;Of wel, een God, wiens troon in een komeet was,Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!"En als mijn woorden, waren zij niet meer.

DE AARDE.

O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen,O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend,Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen;Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 'tOmhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwindMij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind!

DE MAAN.

Broeder, die reist in kalm genucht,Zalige bol van land en lucht,Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij,Die mijn bevrozen lijf doorklieftMet warmte als van een vlam, en liefd'En geuren stuwt en diepe melodij,Door mij, door mij!

DE AARDE.

Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren,De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen,Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren!De zeeën en de afgronden en woestijnenEn van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen,Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren!Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet,Die heel ons groen en blauw heelal wel wildetMet donkren ondergang omwikkelen rondom,Zendend een vaste wolk, om heete donderklootenTe reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten,Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,—Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk,Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk,Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden,Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem,Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem,Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,—Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogenDoor 't dorstig niets, gelijk de brakke togenGedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!—En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binneninBarst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging,Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen!

DE MAAN.

De sneeuw smelt op mijn doode kruinenIn stralend-levende fonteinen,Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn:Een geest springt uit mij op met kracht,Hij kleedt met schepping onverwachtMijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijnOp mijn', op mijn'!Starend naar uvoel en besef ik nuDat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;—Levende wezens op mijn borst bewegen,Zangen de zee, de lucht doorvloeien,Gewiekte wolken, donker van den regenWaarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen—'t Is liefde, liefde alleen!

DE AARDE.

Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij;Door wortels dicht-vervlochten en vertreden kleiTot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert;Winden en wolken maakt zij tot haar woon,Een leven wekt ze in de vergeten doôn:Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd;En als een storm met wervelwind en donderSplijtend zijn wolkenkerker, rees ze—o wonder!—Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;—Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillenGedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen;Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan,Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was,'t Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glasTot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde,Die over heel zijn ras—gelijk de hemel glijdtOp zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid—Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten;Den Mensch verlatend—als een kindje dat melaatschVerlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaatsWaar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,—Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreestEen oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest....Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind.Den Mensch—o! niet de menschen! maar één keten van gedacht'Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht,Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten:Als met tyrannenblik de zon beheerschtDe onrustge staat van de planeten, die om 't zeerstNaar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten.Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam,Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan,Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;—Liefde vermooit het dagelijksche doen,Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen,Spelen als tam gediert—wie kon zoo zacht hen droomen?Zijn wil,—met lagen hartstocht, slecht genot,En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,—Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig,Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voortDoor golven die niet durven breken overboord,—De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig.Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan,En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên,Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven;De taal is een oneindig Orfeus-lied:Beheerscht haar harmonie, de kunstge, nietOntelbre vormen en gedachten, anders zonder leven?De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemelToont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemelGelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een,De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt;En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid,"Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."—

DE MAAN.

De schaduw van den witten dood,Die als een lijkkleed mij omslootVan vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind;Door nieuw-geweven looverpaênVolzalige beminden gaan,—Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't,Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt.

DE AARDE.

Gelijk de warmte van den ochtendgloedEen half bevrozen dauw-bol smelten doet,Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist,Hij opzweeft in den blauwen dagezaal,Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraalHangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst.

DE MAAN.

Gij ligt neer, omhuld in schijnenVan het licht dat niet zal kwijnenVan uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht;Alle zonnen, alle sterren,Regenen op u van verre—Uwen bol bekleedend,—leven, licht en macht.Maar úw schijnen regent gijOp mij, op mij!

DE AARDE.

Ik wentel voort onder mijn piramideVan duister, spitsend in de heemlen,—droomen biedenMij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend;Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust,Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust,Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend.

DE MAAN.

Als in de eclips, teeder en zoetWanneer de ziel een ziel ontmoetOp lieve lippen, hooge harten stilEn helderste oogen wazig zijn,—Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn,Ook ik, gestild, niet spreken wil,Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol,Vol, ál te vol!Om de zonne spoedt ge u snel,Helderste wereld van 't heelal,Groen-en-blauwe bol die straaltMet een licht waar geen bij haalt:Geen der lampen die de heemlenLicht en levensvol doorweemlenKomt uw godlijkheid nabij.Ik, gedreven aan uw zij—Uw kristallen lief—door krachtAls der minnaarsoogen macht:Lokkende magneet-gewijsNaar dien pool, dat paradijs;Ik, een maagd verliefd zoozeerDat de liefdevreugd haar teerDenken overlaadt, omstrijk uAls van zinnen, en bekijk u—Als een bruid die niet kan scheidenVan 't genot, aan alle zijdenHaren bruigom te beschouwen;Als verdwaasde Bacchus-vrouwenRond den beker, opgetildDoor Agave in Cadmus' wildEn betooverd woud. O broeder,Waar ge ook henenzweeft, ik moet erVolgen, haastig, wervelend,Door de heemlen zonder end,Voor het hongrig Leêg beschermdDaar uw ziel mij warm omarmt.'k Drink, wijl ik u voel en zie,Majesteit, macht, harmonie,—Als op dat waar zij naar kijkenMinnaar en kameleon lijken;Als de teedere oogjes schouwenVan viooltjes naar den blauwenHemel, tot hun kleuren zijnAls 't azuur zoo puur en fijn;Als een grijze vochtge mistGloeit gelijk vast amethystTegen den berg in 't West dien hij omhult,Wen de zonsondergang bleek-guldSlaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreitOm eigen eindigheid.

DE AARDE.

O teedre Maan, uw stem vol zaligheidValt op mij als uw licht dat klaar omspreidt,Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt,In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig;O teedre Maan, die uw kristallen zingenIn diepe holen van mijn trots doet dringen,Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingenMij wonden sloegen, die uw balsem lenig'.

PANTHEA.

Ik rijs—als uit een bad van schittrend water,Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,—Uit die rivier van klank.

IONE.

O! zoete Zuster,De stroom van klank is van ons weggevloeid;En uit zijn golven zegt gij op te rijzen,Omdat uw woorden vallen als de dauw,De heldre, zachte, die een woudnymf schudt,Nadat zij baadde, van haar lijf en haar.

PANTHEA.

Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister,Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel,Als nacht en barst van binnen uit de lucht,Als een eclips, verzameld in de poriënVan 't zonlicht. En de heldere vizioenenWaarin de Geesten die er zongen, drevenEn schenen, glimmen, bleeke meteorenDoor vochtgen nacht.

IONE.

Mijn oor voelt iets als woorden.

PANTHEA.

Een algemeen geluid als woorden. Luister!

DEMOGORGON.

Aard, van een zaalge ziel de kalme staat,Van godlijkste gedaante' en zangen vol,Verzamelend in 't wentlen, schoone bol,De liefde die plaveit uw hemelstraat!

DE AARDE.

Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat.

DEMOGORGON.

Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart,Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijtVoor menschen, dieren, vooglen die gij baart,Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid!

DE MAAN.

Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't.

DEMOGORGON.

Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen,Hemelsche Machten, die bezitters zijtVan zaalge windlooze Elyseesche wonen,Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid!

EEN STEM VAN OMHOOG.

Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid.

DEMOGORGON.

Gelukge Doôn, die 't stralendste gedichtEnkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij,Hetzij uw wezen in die wereld ligtDie gij eens zaagt en leedt—

EEN STEM VAN BENEDEN.

Hetzij we, als zijDie levend zijn, verandrend gaan voorbij—

DEMOGORGON.

Geesten der elementen, die bewoontVan 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs,Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroondGewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs!

EEN VERMENGDE STEM.

Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs.

DEMOGORGON.

Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren,Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren;Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen,Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren!

EEN STEM.

Uw stem is ons als wind in woudrevieren.

DEMOGORGON.

Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf,Bedrieger of bedrogene, een vergaan,Een reiziger, van de wieg tot aan het graf,In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan!

ALLEN.

Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan.

DEMOGORGON.

Dit is de dag dat de leege afgrond wacht,Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht,En de Overweldger wordt gesleurd aan bandDoor 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon:Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon,Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant,Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluitDe wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit.Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid—Dat zijn de zegels die met machtge zekerheidBoven Verwoestings kracht den afgrond sluiten;En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid,Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdtDe slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten—Herovert gij de volle heerschappijOver de' ontbonden doem door deze tooverij.Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht;En onrecht te vergeven, donkerder dan nachtOf dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt;Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eindUit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht;Noch te verandren, noch door spijt en vreezeTe wanklen; dit gelijk des Titans glorie,Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen,Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie!

Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst.


Back to IndexNext