70)Muziek en vroolijkheid.
71)Dapper.
72)Middagmaal.
73)Dagblad.
74)Vriend.
75)Verdieping.
76)Vreemdeling.
77)Te vrij.
78)Grof als alle Noordsche temperamenten.
79)Wateen hoofd.
80)Veel bedankjes.
81)De Spaansche j wordt uitgesproken als een zware g, als onze ch.
82)Laat ons zingen, laat ons zingen.
83)Wie kan er flamengo zingen?
84)De juffrouw.
85)Mijnheer Jan.
86)Verontschuldig me.
87)Speel, speel, Fransje.
88)Kom hier, mijnheer.
89)Een oogenblik.
90)Klaar, wat spelen?
91)Goed, een tango.
92)De vertaling van het liedje is:Een zee van smarten heb ikIn de diepte van mijn zielWanneer de vloed stijgt,—Jongen van mijn hart—Springt uit mijn oogen het water.
Een zee van smarten heb ikIn de diepte van mijn zielWanneer de vloed stijgt,—Jongen van mijn hart—Springt uit mijn oogen het water.
Een zee van smarten heb ikIn de diepte van mijn zielWanneer de vloed stijgt,—Jongen van mijn hart—Springt uit mijn oogen het water.
93)Zeer goed, mooi!
94)Flamengo = Vlaamsch =distingué. Men beweert dat Karel V wanneer in zijn hofomgeving, hem iets trof door zijn mooiheid, gewoon was zijn tevredenheid te betuigen: „het is of 't Vlaamsch is.”Nuis 't woord populair.
95)De genade.
96)„Ik ben erg moe.... erg, erg.”
97)Vliegers oplaten is ook door groote menschen in Madrid een zeer gezocht tijdverdrijf. Op Zon- en Heilige dagen, kan men heele familiën zien zitten buiten op den grond, etende en drinkende, rondom een in het zand gestoken ijzeren pen waaraan een haspel met touw draait; hoog in de lucht staat dan de vlieger.
98)Après.
99)Hou je stil!
100)De vertaling van het liedje is ongeveer:Aan een steen van de straat,Vertelde ik mijn smartenDe smarten waren zoo veel,—Meisje van mijn hart,—Dat de steen spleet.
Aan een steen van de straat,Vertelde ik mijn smartenDe smarten waren zoo veel,—Meisje van mijn hart,—Dat de steen spleet.
Aan een steen van de straat,Vertelde ik mijn smartenDe smarten waren zoo veel,—Meisje van mijn hart,—Dat de steen spleet.
101)Moeder van mijn hart.
102)Neen, neen, pardon ik kan niet zingen.
103)Zing maar, 't doet er niet toe, zing, Uwe Edelheid even goed als wij.
104)Zoon van mijn hart.
105)Hoe gaat het.
106)Dank u, dat God u de gezondheid beware.
107)Regeering en Republiek.
108)Rookt, heeren!
109)Belieft u?
110)Bevalt het u?
111)Ja, zeer.
112)Hij is ter uwer beschikking.
113)Winkels waar de staat tabak laat verkoopen.
114)Schande.
115)Een sigaret.
116)De juffrouw eveneens?
117)Vuur!
118)Sigaar, letterlijk: een zuivere.
119)Muziek, muziek om te dansen, speel, kavalier.
120)Mijnheer, uw hoed.
121)Bij het flamengo-dansen in theaters, zetten de danseressen een manshoed op, meestal van een der toeschouwers.
122)Leche, wat een mooi lichaam.
123)Kom, kom, vrouw.
124)Dochter van de zon, wat dans je mooi.
125)Kom, schat van mijn ziel.
126)Ga, licht van mijn oogen.
127)Dat het schandaal kome.
Hijstond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig van magerte, maar in zijn degelijke waterproefjas, in de lenden met een trekker dichtgehaald, als in een huid voor hem veel te wijd; op het oude vlondertje thuis, stevig op zijn schuitvormige laarzenvoeten, stond hij te loeren in het natte geklots van het Amstelwater. Naar het gespoel van zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hij zijn rustigen rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door niets van zijn stukken te brengen aangezicht, met turende oogjes uit een gelooid vel als van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht. Hij had den kraag van zijn zwarte regenjas opgezet, tot over zijn oorlellen, als de kraag van een kapotjas hoog, maar de pijpen van zijn pantalon omgeslagen met een breeden zoom, lieten de dikke enkelrimpels van zijn laarsschacht bloot. 't Weêr was buiig, het regende bij vlagen, doch hij stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, ongevoelig voor nat of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlondertje.
't Was een drieplankig vloertje, dat steunde op twee palen met dwarslegger, donkere oude palen, vastgeplompt in het slib van den Amsteloever, wormstekig hout, rottig van 't eeuwige vochtgeklots en glibberig omkringeld met groen geslobber en aalkroos.
En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg; telkens kwamen er nieuwe buien van uithet zuidwesten drijven, de wind was bijna vlak zuid, juist goed weêr om te hengelen. Over de weilanden, van den Schinkel, kwamen de buien waaien, over hem en den Amstel heen; hij begon als een paling te glimmen. Van zijn oud kaasbolletje, een hoed om meê uit visschen te gaan, droop het regenwater zijn rug langs, en op zijn óverlange, gekromde mouw, vol glimmende krooken in de buiging van den elleboog, en vandaar weêr over het paarse stukje vleesch dat van zijn hand te zien kwam die den hengel hield.
't Was een mooie stok, van glanzende stukken riet, al dunner uit-schuivend naar het einde, met blikken kokers aan elkaâr geleed. Hij bewaakte een goed onderhouden spannetje hengels zoo, want, kijk vóor hem, stil tegen het vlondertje aangelegd, met het dunne einde onder water gedompeld, voorzichtig, omdat hij bang was de visch te zullen verschrikken anders, kwam nog een hengelstok tusschen zijn beenen doorsteken. De snoer was maar half afgewonden, de dobber schommelde dichter onder den wal, een witte dobber met een rooden kop. Zoo lag de hengel onder zijn hand. Hij behoefde z'n ander gevisch niet te storen wanneer de dobber wat afdreef; hij had maar even te bukken, als hij eens verleggen wou of meende dat het daar nopte.
Maar hij stond al-maar-door, stuursch in zijn natte vischachtig-glimmende zwartheid, kalm turend in het grauwe, opgeruide water, waarin de regen soms spikkelspatte; de stroom ging als gestuwd, ook wanneer de wind niet flakkerde, onder hem voorbij, met donkeropschuivend watergevlak; de Amstel beroerd door buien hobbelde voort, de deining klotste en sloeg witte schuimstrepen voor de palen van zijn vlondertje uit, zijn dansende dobbers vroegen al zijn aandacht.
Achter zijn hielen werd het jaagpaadje slijk, en daarachter de steenen straat van plassen glanzend in de kuilen van den rijweg. Voorbij de boomen, over de sloot heen, zwollen de weiën weg, gedrenkt, sappig in een heerlijk enpralend groen onder het vernis van den regen. Tapijten gelijk, lagen de landen vlak, uitgerold tusschen de slingers der slooten, die luchtspiegelend van glansen wisselden onder het geblaas van den wind. Laag kwam de hemel erover welven; een oproerig, waterachtig beduisterd wolkenveld met buien schoof boven die groote vorstelijke grazigheid; een lucht, nat dampig en schuw van daglicht hing over al dien rijkdom en al dien oogenlust van malsch zomergras. En overal, tot aan het blauwende boomenverschiet, was de wei levendig van puik blank vee, als besterd met koebeesten, die lagen in kalme herkauwing of rustig graasden, scherend met de tong het vette gras, tusschen de buien door.
Maar de dobbers van den hengelaar schommelden heftiger, bobbelend over de rimpelkoppen en tusschen de donkere golvengleuven. Als de wind aanwoei, joegen de panden van zijn jas hem voor de beenen weg, als vlaggenslippen wapperden zij op den wind. Doch onverstoorbaar stond hij, beschermd door zijn hooge laarzen, in het natte weêr, als een visch in zijn element, almaar te turen naar zijn wiegelend vischtuig. Soms nopte het wel even, dan sloeg hij handig op; de roode dobber vloog door de lucht aan het krinkelende snoer. 't Was maar een zuiger geweest. De haak lag bloot en zonder van houding te veranderen, alleen met wat gewerk van zijn handen, den stok, als een geweer in zijn arm, stijf tegen het lijf gedrukt, schoof hij de pier recht, en begon van nieuws aan te hengelen.
Van over het forscher blauwende boomenverschiet kwam een zware bui opzetten, een donker, dreigend wolkenvlak vloog schuin langs den hemel op; het verschiet verschemerde achter een sluier van regen, het vee achter in het land stond als in een dauw, verzilverend. En de waterwolk met haar oorlogsvorm snelde al hooger tot den hemel op en zweepte regenstralen neêr uit haar flanken op het rustige weiland, waar de koebeesten allen stondenmet den kop laag, allen hetzelfde, gebogen onder den geesel van het neêrvlagende water. De bui snelde aan, de druppels ratelden al kwaad in de boomen, klikkeklakten rumoerig op den weg, sloegen boos gaatjes in het water. De Amstel, plotseling toornig zwart, schuimde van witte krulsels op zijn voortstommelende golven.
Nop, en uit den stroom wipte de roode dobber; de hengelaar, met zijn twee handen aan den hengel, sloeg een donkerkronkelende, draaiende en tegenspartelende paling achter zich op het rijpad neêr. Hij lei den stok behoedzaam op het vlondertje, en met een paar stappen was hij bij het beest, dat aan den angel te wringen en te wentelen lag in het slijk van den weg, onder den neêrkletsenden regen. En de paling schoof woest, pijnkrimpend in een schakel van slijmige S-glimmers naar den rivierkant toe, maar de visscher, die onder zijn jas in zijn broekzak zocht, zette zijn vollen laarsvoet op het beest, dat onder de zool wel voortkrimpen bleef; maar zóo vast lag aan den grond.
Met den voet op zijn prooi stond de hengelman midden in de bui, zwart in het schuingestreep der regenstralen. Toen hij met een open knipmes in de hand bukte naar de paling, was het een geklater op de harde huid van zijn regenjas, de regen striemde zijn pantser, de stralen braken op zijn rug en spatten op en om hem heen. Glimmend als een groot waterroofdier, greep hij zoo de paling in zijn grijpende vingers. En handig, of 't dagelijksch gedoe was, kerfde hij vervolgens het beest boven in den kop; regenbloeddruppels drupten van zijn hand waar de slang in wrong, terwijl de andere den hoek uit de kieuwen lospeuterde en scheurde. Toen begon hij de paling te villen. Met den duim en middenvinger, als een tang, als de knijpende schaar van een schaaldier, kneep hij in de bloedende kieuwen, in het roode open van het ademende beest. Hij maakte met de punt van zijn mes een zoompje aan het vel onder de kieuwen, en toen eenkleine overlangsche snede in den goren melkwitachtigen vischbuik. Het mes liet hij vallen, en met den vollen greep van zijn roodbemoorde hand, als een koker knellend om het groenglibberige vel, probeerde hij knijpend en strijkend de huid naar omlaag te stroopen. Maar 't ging niet; de regen gudste, zijn hand werd nat, had aan de wringende paling geen houvast. Hij beproefde het nog eens, maar bukte toen 't weêr niet ging, naar den grond, waar hij zich de hand ruw wreef in de modder van het jaagpad. Met zekeren greep stroopte hij toen de paling het vel van het levende vleesch. Hij kletste de blauwende saâmgekleefde huid voor zich neêr, holde met den vinger peuterend de ingewanden bij de kieuwen uit, en sneed er toen den kop af. En de nog altijd levende en wringende paling verdween onder zijn leêren jas, bloedend geborgen in een vischnet daar, bij meer prooi.
En de regen stroomde, de bui groeide, kletterend op het pad, blazen slaande in het water en in het dras op den weg, terwijl de man nogmaals bukte, kalm vóor zich een bosje gras uit den grond trok, zijn mes er meê schoon wreef, en toen weêr naar het vlondertje ging, om zijn handen in het water af te spoelen van slijk en bloed.
Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar uitkruivende randen, uit elkaâr gewaaid, tot pluis geslagen aan haar wilde zoomen, uitslierend gelijk lang wapperend harpijen-haar; maar in het midden was zij een groot velum van rouw, dat doorhangend, land en water bespande met haar droef grijs; een benauwde ophooping was het van lichtwerende duisternis, die het gras blauwde en het water donkerde, een luchtgedrocht met den buik zwanger van somberheid en kwade vernieling. En als voortwentelend in de drift van den wind, schuivend haar donkere vlakken als de platen van een wapenrusting over elkaâr, zóo telkens vernieuwend haar oorlogzuchtig aanzien, donkerde de wolk voort, terwijl zij al-maar-door waar zij overdreef, 't land geeselen bleef met waterstriemenuit haar geopende flanken. En uitzwellend over den meerpolder, saâmgerold, verdikte zij zich daar tot een boos blauwzwart, en slorpte toen in een bui van water de boerenhofsteden op tusschen boomgroepen in het land; en de torens der kalkovens aan de monding der Weespervaart beefden in de verte onder het gezweep van haar slaande stralen.
Maar met een verschen wurm aan den haak stond de hengelaar alweêr, éen hengel in den arm en de andere tusschen zijn beenen doorstekend, als gegroeid uit zijn vlondertje, onveranderlijk in zijn vischachtige zwartheid, te loeren in het wilde Amstelwater naar zijn roode dobbers.
Zacht ruischte de regen uit; achter den hengelaar, over het land van den Schinkel, beefde alweêr het zilverige grijs van den bleeken regenhemel, terwijl voor zijn niets dan de dobbers ziende oogen, de bui wegdreef gelijk een kwade droom.
En de koebeesten in het natte land vingen weêr aan te grazen, rustig, rein in den damp dien de regen naliet. De lucht brak, de blauwe hemel kwam door de wolken schijnen, even, een flets-blauw, teêr als van lichtfayenceof van het herfstluchten-blauw dat de mooie scholekster in haar vleugels draagt.
En op den rijweg krioelden de oeverzwaluwen samen, opkomend als uit de sloot, schril scherende met hun wigvormige vleugels den slijkgrond langs; of zij zetten zich op hun lage, niet voor loopen geboren pootjes tusschen de plassen, al pikkend de regenpiertjes.
En op het jaagpad kwam een paard aansukkelen, nat en ruig in zijn oud tuig, met een moe-bengelenden en afgeleefden kop, de tong uit den mond; de jager liep er naast, een verweerd man in een nat zwart pilo-pak, tegen het paard aangedrongen, schoorloopend tegen de schoft van het oude knollebeest, om het zoo te houden binnen de smalle krommende baan van het jaagpad.
Ze gingen achter den rug van den hengelaar voorbij, die toen wel genoodzaakt was te bukken voor het door de lucht snijdende jaagtouw.
En een schuit van zwaren bouw, een logge zwarte kotter, schoof voorbij aan zijn dobbers, en deed ze schommelen nog meer, op de lange waterplooien voor den boeg. Toen klotste de Amstel weêr voort onder zijn oogengetuur en voorbij zijn vlondertje, en hij stond weêr in zijn eentje te hengelen.
Ennu is onder het vachtgrauw van een wiebelende lucht de stille stad gekomen, zijnde begoocheling voor onze ontwende oogen, raggig achter de sneeuw die om ons valt, kwijnerig, nat.
Het is het daar zoo staan van huisjes, zoo ge zeidet, gelijk gothische vensters smal en ribbig opgaand den een naast den ander tot een blonde wijk; waterig geel, weêrgrijs, maar ook als appelbloesem verschijnen de murenkleuren in deez' koud-tooverige buurt, met 't tulpengroen van luikenverf en vensterhout, onder het anemonenrood van de natte dakjes, soms hagelwolk-blauw, maar schemerig het al, nu het witte hemelpoeder geheimvol rond ons neêrlaat in de stille stad.
„Mooi, is het niet?”
Het was in een straat eerst dat wij gingen de kalme opstanden langs, die punterig gespitst of met rondkapjes gekroond of met trapjes endend, kartelende puïen waren die uitgeknipt schenen met een schaar en het was in de vliedende dubbelrij een vervliegen van goud-geknopte stokken, feestelijk: banieren schuin opgedragen uit gordels hielden de huizen alle hun vlaggestokken in de gevelborst, klaar voor het ontvangen van een koningspaar.
„Prettig zoo'n stad zonder heeren of dames.”
Winkels stallen spiegelend langs het voetpad uit, wat menschen gaan ons voor over den kledderenden weg. Daar gaat een vrouw, daar nog een die oversteekt dekeien; zij loopen in zwaar-zwarte huiven en spillebeenen door de nattigheid, sjokkende Begijntjes.
Er was met innig inkijkbaar licht een omvrozen zonnetje midden in den tittelenden hemel. Hoog-schimmig hief zich voor den uitgang de toren van denSaint-Sauveur, stoer en kanteelig, maar omkrieweld met sneeuwtjes. En kwam toen niet het carillon over ons schellen, met brozen klankroes luiden van oude tijden en omdat het biddag was.
Neêrgehompeld, uit vele schouwtjes rookend, rusten nu de woningen onder den sterken toren; en de kalmte was neêrgesneeuwd ook in ons, toen we gingen langs den steen-dreun van de Kathedraal. Afgezonderd, achter rasters gaat hij voorbij, weggezakt in een veld van oud en wit spikkelig gras en achter de winterboomen.
Een oud wezentje, een non gelijkend, in haar huif verdord, duistert onder de lage poortbocht binnen. En de kerk ontvangt haar. Want „Vasten” en „Meditationom het Bitter Lijden” wekken de plakbrieven naast de deur tot goede werken op. En zagen wij niet, langs gaande, een arme Christus aan zijn kruis weg-bibberen door het brekende weêr heen, oud van verf onder het besneeuwde baldakijntje, met in de zijde het pijn-purper van den bloedenden lanssteek.
.... Maar toen de roode pinakel van „onze Lieve Vrouwe” kwam spietsen in den tierelierenden dag, duizelde de sneeuw in een wallige slop neêr, blonken de witte sterretjes door het tijd-zwart van de oude stad. Wij gingen langs het hospitaal St. Jan. Stram en kloosterlijk brokken de duistere steenen uit het donkere grondslijk, tralies gaan naast onze oogen. Wij staan voor de poort van het gedrongen huis. Kleumende mannen schuilen er, makke zieken schijnend die willen ingelaten worden. En nu komt er een huifkar aan bengelen, glanzend bovenop gelijk een oud harnas, en schavotrood staat er een huis als een bons voor het straatgat. In zijn ouderwetsch kielhemd lendewiegtde voerman aan; hij heeft een hand aan den paardkop, in de andere een zweep, zoo stapt hij in hooge hoozen het gangetje van zijn beest meê. En hij groetmompelt, schijnt wel, onder zijn lange soldeniersknevel en, .... maar al ratelt zijn kar met hol geweld als over een brug, nu wij ingaan onder 't nog tjingelingelen van de bel, om de Memlinc's te zien.
Een Vlaming met bolle bierwangen en wierookig kerksche oogen is ons voorgegaan naar het museumzaaltje als een regentenkamer midden in de stilte van 't gesticht.
En het is in een voor zon en lucht open huis, het zitten van de Zuivere Moedermaagd op haar mystieke troon. Onder geruisch zit zij van serafijnen die haar overkronen. Gelijk een blanke bloemknop, zwaar, is haar hoofd genegen boven de takken-krooken van het weidsch gewaad. Twee jonkvrouwen, Sinte Katharina en Sinte Barbara zijn laag aan de voeten van den troon; twee engelen ook buigen bij-zijen; als pijn en blijdschap, donker en blond, houdt de een een boek, maakt de andere muziek. En de beide Sint Jan's hebbend hun eigenschappen: de banderol en de gifkelk, statuën achterin, schouwend, patronaal.
En het is op de begeleidende zijstukken: links de historie van St. Jan den Dooper, die roepende in de woestijn, den Christus heeft gewijd. Vooraan ligt zijn uit de halsgaten bloedspuitende romp; Salomé de danseres staat er verfijnd lachend het sombere hoofd op de schaal te wiegen. Rechts is het de Evangelist die zijn visioenen bepeinst op de rotsen van Patmos. Engelen bewuiven en zwaaien de wierook voor zijn gezichten, regenbogen gaan voor hem op en in de lucht. En de Honger en de Pest, de Oorlog en de Dood draven over een pad dat zigzagt naar waar een hemelstee straalt met een volk van verheerlijkte vorsten, apocalyptisch, maar als een druk Vlaamsch stadje zoo vol onder het geschitter van stervende zontinten.
Doch het is in het middenstuk, daar waar de Maagd met de zedig-neêre oogen, van uit de gloeiing der tijdlooze kleur en het vlam-warm goud, het Kindeke van Heil, blijde vrucht uit de kelk van haar schoot, blijft toonen voor de nooddruftige wereld, nu het zachtelijk vooroverkomen van Sinte Katharina. 't Verlangen dorst in den lach van haren mond, nu het gezichtje opziet naar den Hemelschen Bruidegom, heel het teêre wezen wuift, als in overgave aan naar Hem die onze zonden als een appel draagt, naar 't kind dat reikt en kijkt. En zij nijgt en ze is hemelsch in het glad-parelgrijs keurs en ze is hoofsch en ze is wereldsch in haar dracht van rijk brocaat met een sleep die zich uitschikt in vouwen; haar arm waarvan de hand om den trouwring vraagt, past in een bouwe van karmozijn of ze was een Bourgondische princes. Maar stil liggen voor het tapijt van den troon, het martelrad en het zwaard.
En het is het langzaam opdringen uit die suizende vrouw; bedwelming als van een oud aroom, waarbij men om 't genieten den adem inhoudt, maar als een geur van pas ontloken bloemen ook, is ze mooi in verrukking. Terwijl zacht nu het lijdelijke weten komt, hoe dit alles toch al niet meer van uit den tijd is, toen de aanbidding nog neêrplofte op de knieën.
Al aanhoorend de genoegelijke vertelsels van den custos of het buurpraatjes waren, de verbeeldingen gezien die Memlinc heeft gemaakt van Ursula, de Britannische princes met hare maagden: »de Rijve” die gelijk boekbladen in zang na zang, de historie vertelt dier beminnenswaardige vrouwtjes. Hoe zij ontschepen in de Heilige stad Keulen, ingehaald worden door Koningin Sigillindis, en in Bazel zijn, waar de Rijn gaat onder de bergen zooals hij in Keulen onder de torens voortspoelt; en in Rome alwaar een getiaarde Paus de gelukkige ontvangt op den drempel der kerk, terwijl gansch de stoet van onnoozeltjesachter haar aanstaat en wacht tot in de poorten van de Heilige stad. Maar na de apostolische wijding, vangt de terugtocht aan en zij komen in Keulen weêr en er hun weêrloos vleesch gewillig bieden aan de wilde Hunnen, om zoo in te gaan in het Godsrijk, onder de huif der onsterfelijke legende.
En wij zagen het conterfeitsel van Oud-Brugge's Burgemeester van Nieuwenhove, zoo het zich zelf betracht; en de aanbidding van de Magiers en de wijze Anna die het kind presenteert in den tempel aan Simeon. En Zambeth, wier oogen spits opstaan onder den verklaarden slaap, wier mond in de zwijgende knijping veel geheim bergt, maar open, fijne wreedheden zal kunnen zeggen gelijk geen kunstenaar vermag. Toen achter den suppoosten-rug weggegaan, traden wij in de oude ziekenhal en ontvingen er den klammen dag door de ogivale ramen.
Buiten zwierf de stille sneeuw, 't was witte sluimer voor den uitgang van het gasthuis. En wij stonden stil voor de poort, waar meester Hans ook eens stond en zoo de legende 't wil, ook in sneeuwweêr, zwerveling van wel al vijftig jaar, krank geslagen komend van uit een leven dat men niet kent;—vóór hij hier zijn werk kwam doen, in staâge overpeinzing, als een offervaardig man die veel ijdels heeft liefgehad, en al deze bekoorlijke schijngestalten penceelde, geduldig, in de kalmte van het huis, met zijn naïeve ziel.
O, van al de dingen die onder den hemel zijn is de Liefde het al.
Naareen lucht als verzadigd van ouden rook en harig geworden van den zwarten regen die er zwiebelt, gaat de zwartere flank van het Station nu op, zich stijvend tot het spook van een burcht of toren, waar hoog tusschen de logge bastions het oog van een raam in brandt.
.... Over 't steenkolig bouwsel; over de kap die aanvaart gelijk een kerkschip uit den boezem van den toren; over de kroonsels; de ijzeren teekenen der snelheid die vergroezelen in den slikkigen nacht, of Babylonisch gevleugeld, vliegklaar staan voor roetige en maan-schemeringen ergens, blijft het raam-oog, half versloten, als starend over al de verheffingen, over de zwellingen, de scheringen en het gediagonaal; over bout- en spant-opstuwingen van wreed ijzer; over de webben bestikt van millioenen schroefknoopen en moeren, koude vingerdrukken van het Intellekt; langs de kletterende signalen door de gewevene poorten, naar waar d'oude Theems zijn scholven schuift in de spelonken van ijzer.
Een trein glijdt aan en de stoom loenst en gloeit.... zwaaiden gedrochtelijke wierookvaten hun dampen op in dezen tempel.... door de doffe glazen der kap. En een trein snelt uit, de wagens gebufferd de een aan den ander tot een lange lade, 'n laaiing, bolderen met hun dreunlooze karavaan weg in smook en prikkeling van zwavel, over de hooggesjorde wegen weg, boven de afgronden en de verscheurde nacht-vergezichten henen door dewouden van schoorsteentjes, vlam-schichtend door den nacht.
De Bar straalt wit.
Stappen van beslagen schoenen klanken op het asphalt, dat van de groote straat waar 't blok Station bliksemend naar gekeerd staat met zijn slokkende ingangen, zijlings tusschen de glidsende voetpaden als in een wijde goot komt afloopen, naar hier, berild van vuur, spiegelend 't leven daar. Maar onder den zijmuur en onder de luchtbrug die zich vaststaaft in een muurgaping overzijdsch, de baan vries-donker moddert, dan roezig van nattigheid komend de schaduw uit, en breekt in weeke licht-schollen weêr en wentelt verguldingen onder 't schijnsel van een straatvlam, om te vallen in een ruige square als in een land dat overstroomde. Een nieuwe voetstap brokkelt hol boven de zoo hellende straat, terwijl er een rookje vlokt, ondergronds opgeblazen, en verzweeft in de schaduw.
De Bar straalt dicht, gestolten boven de witte lichtschollen van de straat, onder de geluiderige schaduw van het Station.
Achter de lijst van muur en luchtbrug is het kleurgezicht dat het asphalt berumoert. In 't felle straateind drangt en draait het chroomgeel, 't cinnaber en 't groen van vinnige metaalroesten: omnibussen, bestreept, beletterd van reclames, als van zwatelende nieuwspapieren gebouwd, dragen de kudden menschen onder regenschermen voorbij; over de karkassen gloeien de geveltjes bar met gladde ribben van geverfd hout. Daarboven is de nacht.
Al wat daar voorthaast, hoog en verwijderd op 't onzichtbaar plavei is bevlaagd van 't licht. Kaarsschijnen van gas, verinnigen onder de kille verstarringen van 't manige, rookelooze elektriek, dat harde raskaken en neuzen en ooren en monden die houten pijpjes klemmen, voorbijdoet gaan tot tronies in een droom geboetseerd. Snijdende schaduwtjes verholen oogen; hoeden, schermen en kleêrplooien duisteren als inkt; schouders en knieën knoken naast paardkoppen en pooten; handen van velerlei leeftijd glissen naar elkaar in den zakelijken loop; en als de kraag niet opstaat, het klatert om de halzen.
Vrouwen gaan met mannen, mode-kleeren poeffen op heupen en boezems;blootshoofdschemeiden sleuren de franjes van hun zwarte omslagdoeken over den vloer voorbij; de hoogbeenige pas van een rooden soldaat bloedt in den spiegel; nu met een paarschen weêrslag in het asphalt, een vrouw draalt voor den mond der straat. Ze draagt in de versombering der umbrella een hoed beweeglijk als de veêrtooi van een wilde op 't gele haar. Een satijne, wier oogen glassen de dwarsstraat in, en die den geschulpten onderrok bloot tipt, spreekt haar aan; beiden gaan den kant uit dien ze zijn gekomen.
Goudlichten in de verpoedering van den gestagen regen schieten voorbij, kostbaar gevonk:cabbies, glans-lakkig als dekschilden van torren, rollen geruischloos op de gomme banden achter 't gerikketik van de paardjes. Koetsiers achter over de verhemeling sturend, als tillend het paard, hebben de voeten in dekens; een heer leunt even uit met krakende borst.
Bus rijdt aan bus; de geleiders schreeuwen maar weinig, theaters zeker al sloten,music-hallsook.... is het niet of van 't scherpe vermaak dáár, dat de grimas van den beenderigen dood niet smaadt tot ophouding van het vleeze leven, hier naschijnt onder 't elektriek.... en nog gaat er een kar bestapeld onder 't natte zeil als 'n machine op rollen, achter 'n breedborstig paard met logge haam.
De helm in regenhuls, in zijn schoudermanteltje metalig, de vuisten in wanten, zwart, plomp en onaanrandbaar komt de politie-man staan; de dreg strengt zijn rug, hij heeft een horlogeketting naast zijn knoopen en decity-bandordenend zijn mouw. Een schooierskind dat mardeonder de donkere muurlijn, vlucht voor zijn arm.
Dan is alles dáar een laag klotsend zwart, beschilferd van gelaten. En in de plotselinge verstilling die er even is, beginnen de droge hameringen van de paardepooten te gaan, als van overal in drommen trappend den nacht die boven de huizen wiebelt.
Glazen wagens dringen naast wagens weêr met hun vrachten van zwarte paddestoelen boven-op; de wielen warren boven 't asphalt en 't lekt als een wentelende tong tot diep in de schaduw, nu er het reuzige scherm weêr langs komt, negerachtig, barbaarsch opgestoken boven den bok eener omnibus van den metropolischen spoorweg.
De witte Bar met de gulden krulletters B. A. R. in den grollen kop van het als een kapel vooruitdringende geveltje om den middeningang, komt ijselijk boven zijn onderste-boven, wankel-blinkend en van den voetpad-rand doorstreept spiegelbeeld; de ziedende licht-ballen, boven elke deurpoort éen, het daar begeesteren, dakloos en zonder achter, onder de donkere noodzakelijkheid van de kap en van den torenigen opstand. En het lage, kartelende hoekhuis heeft scherpe tanden bloot staan op zijn lijsten die kralen lang-uit, want weêrszijds rekt zich de vurige barak met driemaal overboogde spiegels, van den middeningang naar den rechtschen, waar een vrouw-beeldje een regenscherm in staat dicht te doen, en naar den linkschen, die aan de zijstraat, half onzichtbaar is achter de rottige rastering, omheinend een poel van zwart-achtige afbraak en omhoekend, hier het voetpad volgt naar desquare.
De bleekgloeiende letters folteren zich door den mist van den licht wordenden regen. Suis-zingend, 't bruisen nabij staat er de Bar. Ze houdt de kandelaars-armen verwelkomend uitgestoken bijzijden den kapel, die dragen nog de gekroonde kooien van het ouderwetsche gas of 't leêge bekers waren. En een paar mannen, gekomen uit het donker van de winkelpuien der tegenover-gerichtedwarsstraat, treden er recht op aan, over de gladde baan; zoo nacht-insekten 't licht, verteert hen de Bar.
De regen glibbert; de natte nacht verwerkt de geluiden niet. De Bar bestookt uit de licht-kolven, hangt festoenen op in het hout boven de zweeterig beslagen spiegels; door de zwarte nacht-wildernis schreit een metalen gil, en onder de kaarsvlam van de straatlantaren staat nua soulonbeschermd in den regen en houdt een monoloog.
Dedrachtige akker ligt bemarmerd van sneeuw; in het land staat er de mestkar als vergeten. De tijd is stil. De zon, een schim, wijlt hoog-weg boven de wereld, schijnt te rooven en te geven niet, en moeielijk streeft de weg de voeten vooruit als naar een verheveling onder de heemlen.
De aarde zoo aandoenlijk ligt; vergezichtloos en heimlijk zich vertoonend; uit de drassige dooi en de oude waden der lucht losgewikkeld, gelijk een pop die het spinsel ten halve verliet, te vroeg; want de wolken onbetrouwbaar zijn in hun gedaanteloosheid.
Sintelige vooglen klapwieken over.
Ontlating er is. Als groeizaamheid dreint uit de wolken daar neêr over het benaderde bosch en beweging verdeelt de nevelen. En opener broeien zich de voren in het land, waar zienderwijs de dunne sneeuwing smelt. O, niet zoo ras versmelt de kilte neêrgelaten in een open ziel. Een greep zaadkorrels, zaaien zich vogeltjes weg in de voren, er dwarrelen er voor den dissel der mestkar die gebaart naar den mist; ontlating is overal, slootwater doet of het wil te rooken beginnen en boven de weêrschijnen van verguldingen vol, drijft parelig kroos vrij van den molmigen wal.
In-sidderend van knopjes als water-gedrop en waterdroppels als knopjes staat er het suizelende bosch. Hetbroze gebruisch van leeking groeit aan als het leven van weldoenden regen, en eensklaps, tusschen uit het geraamte van het vrozene hout kwam de wedervinding: de lucht als te parelen meê aanvangt van de volheid der vogels.
Hoor, uit het bewoonde, uit de boomtoppen, het gedak der laatste omsjilpte huizing overbeurend, gaan ze, naar de van sintelige vooglen omstommelde kruinen, de lange halen van de regenfluiters, naar den bosch-zoom over. En gansch een vlucht wegzwermde van den akker, streek licht-streepig wiekend in de lage takken-raggen neêr, tot vele keeltjes er blozen.
Uit de schemeringen zoeken de geluiden hun weg; hoe wonderlijk is nu het binnene van het bosch. De stammen zich bouwen blijven uit het vochte moer, ze werken zich op naar waar de stemmen drijven. 't Is onverdrietelijke aarzeling toch boven al dit opgaan en dalen; de ruige struiken overal, doode vreugden beklaag ze niet, behangen van bladerlijkjes zijn, waar mossen fonkelen als schatten die verzonken.
Hoor, hoe de halen der regenfluiters zich heen komen buigen over deze vergetenheid waar het zingen wil.... het pinkt en piept, het tutert er en kwinkelt en twinkelt, genood en teeken van tegenwoordigheid wiekt henen en weêr door het teêr redetwistende hout. Een keeltje vleide, vervloog ginnegappend, sliept verder op uit, fluit ver-weg en toch dichte-bij, weêr slaat een aan en hoog-óp tiereliert het: o zomer, o.... maar, knappende snaar, het wijsje breekt af, ver fleemt het lokken en de verweeuwde zanger jaagt. Nog worden de melodieën niet volzongen in het van glazene schilfers overal wiebelende bosch.
Sprenkelingen van zang, het gesprokkel nog niet uit is in het rot-riekende. Zijn de vogeltjes voorbarig? Maar zingen is worden en nooddruft ook. Het spa getij mag tronen nog en de gezangen kortwieken telkens, nauwis er krieking van vroeg-jaar of het bosch is van ze vol. En wel een stem is brekelijk, gezang is als jeugd, als vriendschap en liefde, gedragen van wasemen en adem, en de winter is de ouderdom van het àl. Wat weten de vogeltjes van dit alles, wat van voorbijgaan, wat van de kou der ervaring, nauw is er krieking van vroeg-jaar of de hemel is aan hun.
Boven de alomme verweering en verkeering werken ze met d'ontbonden banden van hun keeltjes. Hoor, hoe de zangen knoppen, hoor naar den wildzang van het bosch en verlang niet meer. Als eenmaal de schutsels zullen vallen en welige schuilingen, de blaâr-tenten staan, zullen ook stemmetjes genoeg zich hebben leeren voegen naar elkander. Dan zal er de zanger zijn die der dagen volheid doorproefde en om de nachten zingt.
Het klagen is om het zijnde. Hoor, hier in het middene komen de roepen der regenfluiters alle samen, en staat het bosch te parelen onder de onzienlijke togen van het geluid.
Het stronkige akkermaalshout glinstert boven de rooie molm der aarde. Vogeltjes gulden groen als 't geschijn uit knoppen en blauw als de opene, vochtvolle hemel stroopen de twijgen af. Hun vlerkjes proesterig snorren.
En der uiterste boomen wichtige takken zwenken weêr over den weg. Waar wijd in de stilte dezer dag, het werkland zich gelaten aanlegt, paarsch-zwart en bijna schrijnend open, van de gevleugelde wondertjes bestoven.
Atlas van Nederlandsche planten en detailplaten, bewerkt door Th. Nieuwenhuis onder redactie van Prof. Dr. J. Ritzema Bos.