Het Einde van een Stierengevecht.

Beneden liep de stier, met kleine pasjes, waggelend achteruit, den degen in den nek, en den dooder voor zich. Soms rekte hij den kop naar voren, de strot ging op en neêr in een slikkende beweging, als verzwolg hij iets dat hem van binnen kwam dringen in de keel. Benauwd rekte hij nog een paar malen met den nek en viel toen plotseling om, dood in het zand.

Een andermaal begon de krijg der verrukte geluiden. Hoeden en sigaren warrelden van boven neêr om de voeten van denespada, die op een sukkeldrafje, met den afgewischten degen weêr in de hand, wuivend met dankend handgebaar ging langs de schutting. De glimmendetorerosliepen allen mede, achter hem aan de sigaren zamelend in hun hoed; bukkend naar den grond, smeten zij de hoeden weêr één voor één naar boven.

Toen schalmeide de muziek boven denToril; zijn marschtonen kwamen als een overwinningslied achter de aftrekkende en zwakker wordende geluiden; de bontgesmukte muildieren draafden binnen, den stier werd een strik om den hals geslagen, zoo aan den spoorstok gebonden en toen werden de muildieren rondgejaagd door het perk, eenmaal, tweemaal, driemaal, en het doode beest ging in klaterend triomfvertoon over het zand, van de schaduw in de zon, onder de oogen en het schreeuwen der alles toejuichende menigte.

En voor de laatste maal vlamden de kleuren van denstier op, telkens als hij in de rondsleuring zwierde van de schaduw in de zon. Met een breede platte gleuf achter zich aan, een platgeschuurd spoor en smalle strepen der wippende pooten, slingerde het doode lichaam rond achter de voortgeslagen en gezweepte muilezels; en bij de laatste maal in wilden rit binnengesleept door de poort van denToril, bonkte zijn lichaam in den dwarrelenden omzwaai tegen de stijlen der schutting onder een warrel van stof; en de menschen die hem daar nakeken, trokken instinctmatig zich terug bij den dreun.

Strak lag nu weêr de groote arena in het namiddaglicht dat zich begon te kleuren als met een tintje van bloed. In de schaduw hing een zwoele warmte, de benauwde stinkende lucht van een opgepakten hoop menschen die in de opwinding hunne verhitte lichamen hebben bewogen. En daar tusschen door kwam eensklaps soms de prikkelende lucht van een oranjeappel die geschild werd, scherp en verfrisschend trillen in de neusgaten, fijn als de geuren van een geparfumeerde vrouw, gedachtebeelden oproepend van blauw water en suizelende stille warmte; maar rondom alom gromde een genotrijk gegons, het tevreden gemompel van een voldane verzameling, en men begon elkaâr na te vertellen en men trad in bijzonderheden; wijnzakken gingen van hand tot hand en zakdoeken en mandjes werden geopend.

—„Dat was een stier, waard door zoo'n man gedood te worden,Caballero!” zei de boer, terwijl hij zich den mond afwischte met den rug der hand.

—„Ja, ja, als alle zes zoo zijn, zal het een prachtigecorridaworden,” antwoordde zijn buurman.

Beneden werden de witte paarden nu voortgesleurd met den langen hals armzalig vastgestrikt aan den spoorstok; één voor één verdwenen zij door het duistere gat van denToril, waar boven-van-uit de muziek voortging de harde tonen van haar immer herhaald marschmotief rond te strooien in de lucht; in het perk gingen de knechtenbloedplassen en afgescheurde darmen wegmoffelen met zand, terwijl andere haastig de sporen wegharkten en het gele strijdperk effenden.

Toen kwamen depicadoresweêr postvatten langs de schutting; een van hen zat op een paard met een roodbeloopen voorpoot, dat trilde onder de slagen derchulos. Het sein schetterde, de deur van denTorilsloeg open en een vaalgrijze stier kwam op een drafje binnen, draaide zich om naar de deur die achter hem dichtsloeg, en bleef vervolgens stil staan als een rund dat staat te wachten voor zijn stal.

—„Mio Dios, mio Dios,” riep de boer klagend, „es un toro cobarde.”47)

't Was tien minuten over half vijf en de groote schaduw lag bijna tot in het midden van het strijdperk.

22)Plaats voor stierengevechten.

23)Water met brandewijn.

24)Schaduwzijde, besproken plaats.

25)Poort, waar de stier uitkomt.

26)Frisch water, wie wil water om te drinken.

27)Zitten gaan, zitten gaan.

28)Breedgezicht.

29)'t Is goed, 't is zeer goed.

30)Prachtig, goddelijk mooi.

31)Dooder.

32)Naar het paard toe, stier.

33)Is een slechte stier.

34)Naar het andere paard toe.

35)Is een meester, is een groot meester.

36)Hij is dood.

37)'t Is niet waar, vader.

38)Zeer goed, zeer goed.

39)Is een zeer onbeschaafde of ruwe stierenvechter.

40)Ja, mijnheer,Mazzantiniis een zeer nettorero, een zeer net stierenvechter.... hij is een zeer fijn en beschaafd mensch, is tegenstander der oude school in de stierenvechtkunst, is dichter en kan de guitare bespelen.... Ik zeg het uwe Edelheid, 't is een zeer groot kunstenaar.

41)Neen mijnheer, 't is niet waar.

42)Kijk, kijk.

43)Ga naar zijn Edele toe.

44)Nu, nu.

45)Hij gaat hem dooden op zijn geliefde wijze.

46)Jongen.

47)'t Is een laffe stier.

Decorridaliep snel naar haar einde. De schaduw had zich bijna geheel meester gemaakt van de arena en lag nu blank over menschen en muren, in het klare halfdonker van weggaand licht, van een laat uur; alleen boven aan de galerijen in de zonzijde gloeide het nog tegen den muur als een halve-maanvormige lap licht, met ingehouden kracht, een somber rood licht dat de menschen overvloeide met vlammen van kleur en de roode beenen der daar zittende soldaten stil glanzen deed, donker als versch geronnen bloed. En een damp van stof die men ruiken kon, hing drukkend en droog tusschen de heete rijen, waar een onwillig geruisch uitgolfde van kwade geluiden. Want de voorstelling was niet schitterend genoeg geweest.Mazzantininiet meer dan gewoon, had woeste buien en scheldwoorden en vloeken veroordeelend hooren neêrdalen boven zijn elegante misslagen; afval van eetwaar en oranje-schillen waren neêrgesmeten door toornige handen voor de voeten van den fraaien man. Een ander maal waren de stieren verwenscht, de impressario en de onbewegelijk lachende president uitgescholden en gedreigd met vuur en doodslag, terwijl wat verderop, menschen luidkeels riepen om verondersteld bedrog of de toegangsgelden hadden teruggeëischt met verbolgen gebaren. En dan weêr was de stemming der menigte omgeslagen als het humeur van een stout kind en men had gelachen en gejubeld om een gered of snel vermoord paard, bij eenhandig opgezettebanderilla, bij een sierlijken zwaai met decapas. Maar vluchtig en weinig waren die vleugjes van opwinding geweest en dan was teleurstelling en moedeloosheid neêr komen vallen in de heetePlazazooals een aschregen terugvalt in den smeulenden krater die hem uitwierp; maar toenCara-Anchaden vijfden stier tot driemaal toe had gemist, toen hadden heele troepen, moe gegild en gefloten, onwillig zich afgewend van het schouwspel, om vermaak en twist te zoeken onder elkander. Men zag niet langer naar de pronkerige spelers beneden, men hield als beleedigd den rug gekeerd naar het beest, dat zijn gemarteld en leêggebloed lijf waggelend rondsleepte langs de roode schutting, en zóó hadden de minuten zich aaneengeregen, en zóó had de laatste stier, een zwart beest, de laatste paarden ontredderd of vermoord.

Weêrwendde en sprongFrascuelovoorbij de hoornen; hij had de taak, het dooden van den zesden stier moeten overnemen vanCara-Ancha, die licht gewond aan de rechterhand, gedwongen was geworden zich terug te trekken onder de luide verwijten der menschen, waarvan enkele schreeuwden dat hij vrees had.

—„Ahora! ahora!” gilde het opnieuw uit de monden deraficionados48), maar tot tweemaal toe gleed de degen tusschen de schouders van den stier, tot tweemaal wasFrascuelogenoodzaakt zijn wapen terug te halen uit den bloedenden nek.

Toen was de opwinding voor goed geweken, met het licht, met den dag; en terwijl detorerobeneden den stier naliep, met een norsch, kwaad gezicht, wijdbeens stappend als een boer die gewend is te trappen tusschen voren en omgewoelde aarde, woelde het in de arena onder de ringen van menschen, die zich klaar begonnen te maken tot vertrekken. Een geritsel van rokken die glad gestreken worden, een geschuifel van menschen die frutselen aanhunne kleeding, dassen, linten verstrikken, of handschoenen aandoen, suisde rondom, terwijl hier en daar nog een scheldwoord jouwend in de hoogte ging, of een oranjeschil smadelijk geworpen, viel voor de voeten van denespada.

—„Yo digo Usted! 'sta muerto!”49)schreeuwde de boer die tot het laatste toe hoopte zijn geliefdeespadate zien winnen; „'sta muerto!” riep hij bij den derden stoot tot zijn buurman, die verdiept in het vastmaken zijner handschoenen, peuterde aan de knoopjes.

—„Ho, ho!” lachte deze, even opziende.

—„'Sta muerto, 'sta muerto!” klonk heesch en gedempt nu ook de stem vanFrascuelo, uit de laagte opkomend, zijn gelaat, een aangezicht vol toorn, gekeerd naar de menschenringen.

Voor hem uit langs de schutting ging de stier, zijn weg merkend met de gulpen van bloed die hij al slokkend braakte uit de keel. Het vermiljoen-roode gevest van den degen stak hem uit den nek, als een hard en koud punt rood springend uit de zware tonen van bister, karmozijn en blank blauw: uit den donkeren, bloederigen plas die glimmerde op zijn glanzend zwarte huid en langs den bast hem droop met dikke trage stralen. Aan zijn flanken hingen en bungelden de drie parenbanderillas, koddig met hun feestelijken smuk van geknipt, veelkleurig papier, lachwekkend als de tooisels van een clown die zich doodgesprongen heeft, bezoedeld en bemorst met bloed. Achter zijn wankelen loop kwamen detorerosallen aansukkelen met opgeblazen gezichten, rood van warmte en inspanning, verlegen wachtend tot het beest het laatste van zijn taaie levenskracht zou hebben voelen wegvloeien met het leêgloopen van zijn aderen. In de gang achter de verschansing verdrongen zich reeds de toeschouwers overgesprongen uit de eerste rijen, en als de stier hun voorbij ging inzijn loomen doodsstrijd, waggelend met het sterke lijf als dronken van de sterke geuren van zijn eigen wegvloeiend leven, strekten rijen van grijpende handen zich uit naar zijn ontzachtbre hoornen, of sjorden en trokken hem aan den machteloos neêrhangenden staart. Maar gevoelloos strompelde het beest voorbij, dof in den bloednevel om hem, stervend in de violette tonen van den vallenden avond. Hikkende, brakende, tuimelend over zijn pooten van achteren, zijn evenwicht herstellend met de voorpooten, waggelde hij voort, nu en dan nog even flauw stootend met den kop, wanneer een kwaadaardige hand rukte aan de geweêrhaaktebanderillas, of er een poogde los te trekken en te stelen. Eindelijk hield hij stil voor de deur van denToril, vleide zich daar neêr tegen de schutting, behoedzaam de pooten plooiend, zooals een koe zich neêrlaat in eene grazige wei tot rustig herkauwen.

Het ritselen en schuifelen werd almaar luider in de wijde arena, als schoven er slangen tusschen de ringen van opgestane menschen; en terwijl detorerosden stier nog hun kleurige lappen in de oogen zwaaiden, kwamen er golvingen en slingeringen in de zwarte drommen en bleeke gaten werden zichtbaar tusschen de gebroken en uit elkaâr vallende massa.

En langzaam, elkander opstuwend, begonnen de toeschouwers dePlazate verlaten; onder een dof gebrom zakten ze in de kelderachtige trappen, zooals zwarte troebele stroomen zich ontlasten in donkere geulen.

Uit de zonzijde schetterde de muziek haar overwinningslied uit, klaterend in korte noten, terwijl de stier, afgemaakt door eenpunterillero, door een snellen prik in de hersens, plat lag in het zand, klein geworden in den dood, glibberig en onaanzienlijk. Lijken van doode witte paarden, rood besmoezeld, werden vastgesjord aan den spoorstok, voortgesleept achter de muildieren, onder het klappen der zweepen, om slingerend en rondzwaaiend te verdwijnen in den duisterenToril.

Toen was in een oogwenk het strijdperk, dat bleek lag en glanzig als fosforesceerend door het uitstralende licht, opgezogen in den heeten dag, beplekt en bevolkt met hoopen van neêrgesprongen menschen. Ze krielden te zamen om den dooden bul, druk pratend boven zijn lijk, hun woorden begeleidend met uitleggende gebaren; tientallen van handen gleden gretig tastend over zijn schoft en flanken, begeerig, gelukkig het doode monster te kunnen aanraken en benaderen in zijne levenloosheid, terwijl enkelen trokken aan de hoornen, zóo den zwaren kop tilden van den grond, als beproefden zij zijn geweldige kracht, of voelden en knepen in zijn nek en vleezige deelen, als koopers doen bij het betasten van slachtvee; weêr anderen hadden debanderillaslosgerukt en voerden die met zich naar buiten, de lange, pluimige stokken wegmoffelend achter hun rug.

Gonzend ontlastte zich dePlaza, nu geheel in bezit genomen en gevuld door de groote schaduw. De stier verdween in een stofwolk door de poort van denToril, de laatste menschen gingen de uitgangen te gemoet, en dePlazalag weêr groot en alleen, weidsch met haar muren en ringen van banken, onbezield en stil als een uitgebrande krater. Alleen op den rand der galerijen in de zonzijde vlamde nog een zoom licht, als een vurige aureool daar stralend om de tinnen, zich uitzettend tot een lichtgordel met een kleur van bloed, gespannen om haar muren.

***

De boer had den circus verlaten en zocht zijn weg tusschen de rijen van rijtuigen, tusschen het gedrang der menschen. Hij ging op zij uit, de volte ontwijkend, en volgde toen een paadje door het braakliggend veld dat met een wijde kromming terugvoerde naar den bebouwden straatweg.

De geheele vlakte om dePlazalag in een heet enstoffig waas onder het roode licht der avondzon. Rakelings scheerden de stralen van het lage licht langs den grond, steentjes en dorre magere grassprieten merkend door vurigen schijn, kuilen en gaten gevuld latend met een guur en paars duister. Dwalende voetgangers gingen hier en daar verspreid in de ruimte, en de nieuwe of in aanbouw zijnde huizen begonnen rondom op te rijzen, vergroot en vervreemd van voorkomen in het aarzelend licht, dat lange spookachtige schaduwen voor hun rompen uitstuurde in de onherbergzame vlakte.

En de boer slenterde door, ontevreden mokkend, de armen los bengelend langs het lijf, den rug gekeerd naar dePlaza. Aan zijn linkerhand, over den straatweg, schoof de falanks van naar huis keerende menschen, vaag in den stofnevel, die bezwangerd met den heeten adem der aarde, opgejaagd werd van den grond door de kloppende pooten der paarden, door de schuivende voeten der menschen. Ze schoven voort in het sombere roode licht, saâmgepakt tot kolonnes achter en tusschen de boompjes, gehuld in het stuivende pulver, dat rond hen vloog en dwarrelde als een vurig opstuivende asch uit een opgerakeld vuur. En uit de aaneengesloten reeksen gromde het machinegeruisch der rollende wagens, knalden de jagende slagen van zweepen; schreeuwen en bellen en fluiten van trams joelde er boven uit en dooreen, heel een gesmoord geweld van wilde geluiden steeg en hing boven de stoffige, bloederige kolonnes, rees en viel weêr terug, rommelend als een aftrekkende donder, grommend van uit de verte als het bange geraas van een geslagen leger in aftocht.

In de lange slingerende kromming volgde de boer het paadje, met de oogen op den eindeloozen trein van gestalten; en de zon zonk al lager achter den falanks, bezijden in de richting der stad. Op het hooge terrein achter de straat zag hij de dienstdoende politie, karabiniers, rechtop zitten op hun paarden, onbewegelijk als silhouettenvan schildwachten die op post staan. Pralend stonden ze tegen den hemel, die mat glansde in een flauwen weêrschijn van smaragd, gestrookt door vale violette windstrepen, verflenst in den stoffigen dampkring. Rustig, als gegoten in brons zaten ze op hun paarden, de roode borst van hun uniform vooruit, machtig in het oog slaand bij de nadering, zwaar rood, als de bloedplassen op de schoften der stieren.

En de zon daalde achter den falanks, de windstrepen begonnen te vuren en te schitteren, oranje, rood en karmijn.

Aan den weg gekomen, trad de boer in het eerste kroegje, zocht een leêge tafel, zette zich loom, en bestelde een glasaguardiente. Toen wischte hij zich het gelaat met een grooten zakdoek en mompelde halfluid, tot zich zelven sprekend:

—„Es un barbaridad!”—50)

Dicht aan hem ging nu de trein voorbij met zijn verbrokkelden nasleep. Van tijd tot tijd ratelde nog een enkel rijtuig, haastig doorschietend tusschen de boompjes onder het kloppend geklots der voortgejaagde paarden. In een ervan zag hij de drieespadaszitten, recht in hun pronkerig theaterpak, voorbijvliegend tusschen de zwarte, dun wordende drommen van wandelaars, vluchtig als een plotseling visioen uit een vergane beschavingsperiode. Een oogenblik later weêr draafde een derpicadoresvoorbij, groteske ruiter, half soldaat, half landedelman, half een verschijning uit de dagen der roofridders, half een weggeloopen knecht uit een maskerade of paardenspel, met een gelaat waar het misbruik van sterken drank op te lezen was. En de boer volgde hem met de oogen, zooals hij hoog uitstekend, op en neêr dansen bleef boven de hoofden, met zijn breedgeranden en blauwbepluimdenhoed, met denchulo51)achter zich op het paard, die de armen geklemd hield tegen het afvallen, om het middel van zijn meester.

Soezend zat de boer, de armen geleund op de tafel. Hij begon langzaam te geraken onder de genotgevende koelte van den komenden nacht; van tijd tot tijd slurpte hij even aan zijn glaasje, om dadelijk zijn onbewegelijkheid te hernemen al starend naar den grooten weg.

Het laatste zonlicht verdween van de aarde. De toppen der hoogste huizen glansden nog in den bloedigen schemer, terwijl het was alsof de vloer langzaam aan lichter en klaarder werd in een smartelijk waas van bleekblauw lila, met het sterven van het licht, met het verdwijnen van de schaduw.

En de laatste menschen gingen voorbij, sommigen met ontbloot hoofd, den hoed in de hand; venters rolden hun wagens met oranjeappelen terug naar de stad; het geratel van hun karren verliep in het doffe gerommel dat gromde in de verte; de vlakte begon stil achter te blijven, verlaten en eenzaam.

Toen riep de boer om den waard, betaalde, wikkelde zijn beurs weêr in zijn rooden gordel, en zag met de handen gedrukt op den rand der tafel, gereed tot opstaan, voor zich uit in de vlakte.

Voor hem rees alleen heerschend, midden staande in het veld, de donkere massa derPlaza. Groot en machtig in zijn eenvoudig stelsel van muren, plat als zonder rondingen, scheen het gevaarte geschoten en gewoekerd uit de aarde. Geweldig rezen de wanden omhoog in hunne lichteloosheid, den rooden weêrschijn nog dragend om de tinnen, zich opdringend in een woest en tergend violet dat duister vloekte tegen de lichtlooze lucht en tegen den vloer der aarde, die mat glansde alsof hij gedrenkt was van menschenzweet. Rechtop stond het meteen machtig vertoon van opgesloten kracht, den robusten arbeid gelijkend van een cyclopentroep, als een barbaarsch bouwwerk opgetrokken door voortgezweepte slaven, een afschijnsel van een ander colosseum, het nog rookende silhouet van een antieke arena.

In de richting der stad gromde en stierf weg de zware adem der aftrekkende kolonne en de zon ging onder als gesmoord in bloed.

De boer was opgestaan, ledigde zijn glaasje tot den laatsten droppel en prevelde weggaande met den rug naar de vlakte, zijn mokkende frase van teleurstelling:—„Es una barbaridad, es una barbaridad.”

48)Liefhebbers.

49)Ik zeg Uwe Edelheid, hij is dood.

50)'t Is een schande.

51)Chulois een scheldnaam en beteekent eigenlijk geleerde aap.

„Jemot es met me meegaan,” zei de tuinbaas van het landgoed B.

Jemot es met me meegaan,” zei de tuinbaas van het landgoed B.

Hij sprak zoo tot zijn gast, een jonkman die er uitzag als een stadsmensch met vakantie buiten.

—„Waar naar toe?” vroeg die.

—„Nou, ga maarmeê,” was het geheimzinnige antwoord.

't Was een stoere man, die tuinbaas, van wel zes voet. Hij liep met naar den grond gebogen hoofd naast zijn metgezel voort, bedaard stappende, ietwat schuiflend met de in leêren pantoffels gestoken voeten. Hij droeg een vest zonder mouwen dat vaal geworden was in weêr en wind, verschoten door de zon, boven een blauw boezeroen waarvan de mouwen met een breeden boord sloten om de polsen. Een wit boezelaar opgenomen aan een slip, was heengeslagen om de heupen en om zijn beenen fladderde een werkbroek van bombazijn, aan de knieën gelapt en bulterig uitgezakt door den langdurigen indruk der forsche knieschijf. Alles aan hem sprak van gezondheid en kracht, van goed-gevoed-zijn en buitenlucht. Zijn breed gelaat omzoomd met een grijzenden ringbaard, had het ronde, geboetseerde gekregen van een stil leven zonder beroerende passies, gesleten in een zwijgende omgeving, een leven van onderwerping en onderdanigheid, voorbijgegaan in dienst van zijn meesters.

Zwijgend ging hij naast den anderen voort in de oprijlaanvan het landgoed, tusschen hoog opschietende olmen en beuken, en al wandelend gleed zijn hand langs het lage hout tusschen de stammen der boomen, nu een rot blad wegplukkend, dan een dood takje afbrekend, dat hij vervolgens nogmaals doorbrak, tusschen de vingers met een luid knapje.

—„'t Blijft maar droog,” zei hij zonder opzien.

't Was een duistere dag geweest vol met beloften van regen. Boven de laan van boomen kon men de wolken voort zien jagen in de lucht, een driftigen warrel van voortgejaagde grijzen, waterige massaas van damp verbrokkeld en voortgestuwd door een hoogen wind.

—„Zeg,” vroeg de jongste, „waar moet ik eigenlijk naar gaan kijken?”

—„Dat zal je wel zien,” zei de hovenier leuk; om zijn grooten mond kwam even een stille vette lach en een glimp van loosheid schemerde in de opkijkende oogen.

—„Ga je meê, Gerrit,” zei hij in het voorbijgaan tot den tuinknecht, die in den tuin waar de kas stond, neêrgehurkt was tusschen de bloembedden, „ga je meê, de nachtcactus bloeit vannacht!”

—„Ik kom baas,” klonk het terug van den knecht die al kwam aanloopen.

—„Ze is nog niet heelendal open, zie je wel,” begon de baas weêr, toen ze de kas waren binnen gegaan waaruit een dampige geur van bloemen hen tegenwaaide, „'t is nog te vroeg.”

—„Nee nog niet heelemaal,” zei de gast.

Hij was bij het binnenkomen dadelijk stil blijven staan bij de bloemen, de wenkbrauwen opgetrokken van bewondering voor de plant, die op de verhooging onder de ramen in de bladaarde stond.

Er waren twee bloemen aan de veeltakkige, stekelige cactus. De zorgvuldige hand van den hovenier had de lange, slangachtige geledingen gewrongen en geleid langs een stellinkje van in de aarde gestoken stokjes. Bovenuit de stijve wrongen staken de bloemen, bij de inplanting aan den stam omwoeld met boomwol. Bleek en star praalden ze onder het gedempte licht der ramen, onevenredig groot voor het tenger gewas.

—„Je hebt ze in 't geel ook,” vertelde de baas.

Uit een rijken, wijd omkrullende krans van fijn gepunte schutbladen, scherp gesneden sektoren van een cirkel, uit een kring van witte stralen regelmatig als de windroos van een kompas, als een kille versteening, kwam de zuivere bloemkelk met nog ingevouwen blad; en van hetzelfde weeke wit als hun schutsel, schenen ze gebootst in een onvaste stof, geworden uit een ijle zelfstandigheid die het licht opzoog, om het dan weêr terug te stralen bevender en onstoffelijker; zij praalden zóo als in hun eigen licht, blank als het licht van de maan is in een nacht in het oosten, blank als de korte, krullende schuimrand van de blauwe zee. Tusschen de bladen dóor zag men in het hart van de bloem, als in een kelk van albast; als waren ze geslepen, zoo rondden zich de bladen tot een lange holte, die vol lag met gebroken gloed en matte schijnsels, onder het goudgele stuifsel dat op de stampers lag. Twee of drie meeldraden kwamen er uit naar voren snellen, lange dikke draden die krombogen over de opening, gebukt onder de zwaarte der koppen.

De hovenier had met zijn vingers, die zwart waren van aarde, de bloem van onderen aangeraakt, lichtte toen voorzichtig met de andere hand de meeldraden op, en zei boven de bloem sprekend:

—„Ze is nog niet sterk genoeg, begrijp-ie. Van avond gaan we nog eens kijken, dan is ze geheel open en dan staan haar meeldraden heelemaal recht, kijk zoo.”—

—„Waar zijn die watten voor, baas,” vroeg de knecht, „is dat om de luis?”—

—„Zeker,” zei deze, „dat doe ik voor de luis, als de knop begint te zwellen, begrijp-ie?”—

Hij bleef aan den ingang staan schurken met de schouders,schoof zijn tabakspruim recht in den mond met een beweging der tong en vervolgde toen, terwijl hij instinktmatig begonnen was de dorre bladen weg te plukken der dichtbij staande planten:

—„O, vroeger toen ik nog in H. in betrekking was, had ik de heele kouwe kas vol, begrijp-ie, dat was een gezicht, dan maakte ik de kas licht 's avonds en dan kwam de heele stad kijken, dan stonden de knechts aan de deur, dat was nog een goeie voor erlui en voor mijn ook. Deuze heb ik nog meegebracht, maar 't volk maalt er niet om, begrijp-ie, en morgen zijn ze verslijmd.”—

Hij vertelde met korte, afgebroken volzinnen, vol rustige ingenomenheid met zijn mooi beroep. Zacht kwamen zijn woorden van binnensmonds met een gedempten metaalklank, een geluid dat soms oversloeg in de hoogte, schoot in de keel even, alsof zijn stem geleden had door het vele spreken in de open lucht.

In de kas hing een warme lucht van uitzweetende broeiaarde die een aanslag gaf tegen de ruiten, een benauwde dampkring vol van den adem der kasplanten; en daar door heen kwam een zware bloemengeur dringen van uit den hoek waar de cactus stond en ging door de geheele ruimte, krachtig en bedwelmend.

—„Wat ruikt zoo'n plant, baas,” zei de knecht.

—„Ja, wil je wel gelooven,” antwoordde de hovenier.... hij schoof even aan zijn pet, toen verliet hij de kas al pratend en zijn woorden werden onverstaanbaar daar binnen.

—„Doe je de deur weêr dicht?” riep hij nog even terug.

Zijn gast was achtergebleven, verzonken in de beschouwing van de cactus, stil geworden bij het starre blikken naar de blinkende bloemen, die pralend stonden en groeiden in zijn oog, onder het vallende donker van den befloersden avond. Stengelloos, als met boomwol vastgebonden aan de leêrachtige plant, bleven ze onbewegelijk, waar alde planten in den omtrek trilden op het tochtje dat soms kwam waaien door den open kier der deur. En 't was hem alsof hij de bloem zich zag openplooien naar den nacht, de kelkbladen zich ombuigen naar den straaldierachtigen krans van schutbladen, de meeldraden rijzen als de voelsprieten van een kruipend beest. En in de dikke bladen zag hij het vleesch liggen van de bloem, een korrelig, waterachtig vleesch, glinsterend doorschijnend als sommige soorten van marmer, maar minder levenloos, met een flauwe gelijkenis aan het vleesch der zee-kwal. En dan weêr was het hem als was die bloem daar niet gegroeid uit zich zelve, als zag hij neêr op een vastgehouden visioen uit een teêr brein, op een schepping geworden uit droomen en zelfbeschouwing, als een gewas gegroeid zonder het licht van de zon, bij de kwijnende stralen der maan.

—„'t Is een vreemde bloem!” zei hij voor zich.

In het nauwe paadje tusschen de opstelling van planten liep hij dóor naar het einde der kas, suffende als een die leeft in het diepst van zijn gedachten en geen oog heeft voor wat óm hem is. Hij ging tusschen de groene met kleurige hoogingen beplekte rijen; langs bloeiende bolbegonia's met hun diklubbige roode tressen; langs violette en witte gloxinia's, wier bekerbloemen gelijken op een drinkglas; langs jufferachtige fuchsia's, wier ijdel schudden aan hun langen steel hem even deed opzien. Hij ging langs bleeke hortensia's wier bloesems saâmscholen als bloemen in een tuil; langs bonte geraniums, vol met schelle bloemen, een gebrokkeld rood, dat nog klaterde in het doeze licht van den avond; langs zonalen met bont gekarteld blad, zoo gezocht voor het aanleggen van mozaïekperken, langs bloemloozecoleuswier bladeren pronken met de kleuren van verwelkt najaarsloof. 't Was een rommeltje van planten en bloemen waar hij langs ging, met een ruischen van bladen achter zich, een overschot dat niet puik genoeg was voor de serre, sierplanten die geen plaats hadden kunnen vinden in hetheerenhuis. Aan het einde gekomen bleef hij een oogenblik staan voor de opstelling van kleurige bladbegonia's, die met een piramide oprees tegen den korten wand, als een driehoek van groote hartvormige bladen die blank voor elkaâr plekten en elkaâr verdrongen. In het waterige licht dat van boven viel, glimmerde het dons dat op de bladen van sommige soorten groeit, bevlokte den stapel van stijfheid als met een luchtig, levend schuim, waartusschen de zachte bontheid der kleuren speelziek lag, als het spel van licht dat gebroken wordt in het schuim van zeepwater, of weêrkaatst van parelmoer. Maar middenin, door een behaagziek geplooi van den hovenier, uit het hart der zilverige verzameling, kwamen storend de hardgroene bladen van een zeeui. In breeden val daalden de grasachtige slierten neêr als een breed krinkelend wier, in hun saâmpakking gelijkend aan lange vallende baardharen, aan den kronkelenden vlokkenstroom die afdaalt van de steenen aangezichten van Neptuun en zijn Tritonen, door beeldhouwers der late renaissance gehouwen in marmer tot bekroning van een fontein.

En de geuren van de cactus zwermden rondom, de kleinste hoekjes doordringend, en de gast van den hovenier scheen zijn droomerigheid vergeten te hebben. In het ruimtetje voor de stelling drentelde hij op en neêr, de bladeren betastend, de roode, harige stelen bekijkend, zich verwonderend over die weelde van kleinigheidjes, over dien rijkdom van nietsjes. En toen hij eindelijk wegging, neuriedehijbinnensmonds, luchtig geworden naar het scheen en los van zware gedachten, de hersens gevuld met onbestemdheid, met een gewaarwording licht als een roes die komt, met een prikkelend gevoel van zorgeloosheid dat hem drong de armen voor zich uit te zwaaien in de ruimte.

Bij de cactus teruggekomen bleef hij weêr staan, opnieuw bezeten door de pracht der bloemen. Hij boog zich even er boven, snoof den geur diep op, herhaaldevoor zich zelven: „'t is een vreemde bloem,” en verliet de kas.

Rondom dreinde alles na lange droogte. Het onderschepte licht, een hoog gaasachtig wolkenlicht, zeeg zwaarmoedig neêr op den tuin, op boomen en struiken, lichtte op het laagste loof dat slap hing, overdekt met stuifsel, grijs stof.

Rustig wandelde hij door. In zijn hoofd was een zonderling mengsel van opwinding en onverschillige kalmte, een gedachtenlooze volheid van gedachten.

—„'t Blijft maar droog, menheer,” klonk door de stilte de luide stem van een werkman, die bezig was met harken in de buitenplaatsachtige laantjes, „alles hangt.”—

Hij bleef met de handen aan den steel der hark staan leunen, begeerig naar een praatje, maar de aangesprokene ging verder en zei verstrooid:

—„Zoo.”

Instinktmatig bleef hij doorloopen tusschen het lage kweekhout. Onder zijn voeten stoof het padzand op, een rullige aarde, rossig geworden door het stoven van de zon.

En de groote voorname stilte die heerschte, zette zijn geest aan 't werken. Hij moest terugdenken aan het drukke leven in de hoofdstad waar hij woonde, onbewust en half soezend drongen de herinneringen van dat groote woelen zich aan hem op. Hij hoorde in zich dat gegrom terug van een bevolking, dat machinegeluid van een groote stad, dat geroezemoes van een bezige menschenmenigte. En zooals daaruit zich enkele geluiden losmaken en opdringen, kwamen bijzonderheden terug in zijn herinnering. Hij hoorde weêr de stemmen uit zijn omgeving, de gesprekken waarin ieder sprak voor zich zelven: de luide woorden der opgewondenheid en der eerzucht, de hooghartige taal der kracht, de stille gezegden van den twijfel en van de vrees, het drukke hortende spreken van de afgunst en van den nijd, waarmede ieder vertelde van zijneigen vol leven. Hij zag zich weêr terug op zijn eenzame zwerftochten door de wijde stad, bij het naakte licht van den werkvollen dag, in het geheimzinnige licht dat de nachten daar hel maakt. O die stad, die nachten, die nachten in de stad, dat roezige jachten naar verguld genot, onder het vergulde gas, onder een taal van vlammen, gespleten tongen van vuur die het duister bespraken. Dat vlammengetingel boven de straten; die lichten zooals zij zich saâmrijen tot lijnen lichts, om weg te ijlen en te vervlieden in de oneindigheid van den nacht, tusschen de vage kolossen der huizen dommelend in het rossige duister; die slingers van glans boven de grachten, die andere rijen oproepen van stil wiegend vuur in het peilloos donkere water; dat gestraal boven pleinen en wijde gezichten; die heksendansen van lichtjes, gloeiende hiëroglyfen-reeksen, teekenen en wonderen van vuur, afschijnsels, stralende projecties der stad op de ruimte geteekend. O, die vergulde nevels wolkend boven een leven dat zich zelve ontbindt, o, die goudmist hangend boven het ronfelen van een slapende bevolking.

En al wandelend, daagden de herinneringen en gezichten in zijn hoofd op. De een kwam en verdrong de ander. Beelden gehaald van ver, uit verre jaren en uit verre streken. En nu geheel innerlijk levende, dwaalde hij door de laantjes, opgaande in zich zelven, genietend van zijn half slapende bewustheid; maar telkens weêr als tegen een achtergrond vol gedempt gewarrel, doemde in zijn geest de laatste indruk naar voren, het frissche beeld der pas verlaten bloemen, de beide kelken in wijde kransen van witte bladen, met hunne bijna ziekelijke schoonheid.

—„Wil je wel gelooven dat alles te vroeg rijp wordt, klein blijft, dat alles snakt naar water;” zoo stoorde hem plotseling de stem van den tuinbaas. Hij kwam uit den moestuin en het witte schort puilde voor zijn buik, volgepropt met pasgeplukte jonge erwten.

Hij was stil blijven staan en met de behoefte van iemanddie zijn nood klagen wil, herhaalde hij: „'t blijft maar droog, 't blijft maar droog.”—

—„Misschien krijgen we van nacht regen,” zei zijn gast om wat terug te zeggen.

—„'t Mocht wat,” antwoordde hij naar boven ziende, „ja, als de wind leggen ging in de hoogte; morgen is de lucht weêr schoon.”

—„'t Zal er toch wel van komen,” zei de andere.

—„Nou ja”... en hij ging weg met zijn stille stappen.

Ook de andere ging verder. De herhaalde klacht van dien rustigen man had zijn droomerijen verjaagd, zijn zien terug geleid naar wat 't dichtst bij was. Hij begon te letten op de scheuren in den grond, op de bersten van droogte; hij zag het gras langs het pad verschroeid tot hooi, de bladeren vuil van stof, saâmgeschrompeld van armoede; uit alles sprak het smachten naar lafenis; het steeg op uit den grond, het zeeg neêr van de boomen, en langzaam kwam het tot hem als een groot verlangen waarin kleine verlangens vergaan.

En rondom werd het licht dompiger, want de avond kwam vroeg, als de voorspeller van een stik-donkeren nacht; de wolken waren saâmgesmolten tot een ruimte van grauw, één groote kleurlooze oneindigheid, waar de schorre schreeuw van een hoogvliegenden reiger doorheengalmen kwam en zich verloor, de verre hooge schreeuw van een onzichtbaren vogel.

Onwillekeurig was hij den moestuin ingegaan, langs voorbij de schuur, langs tusschen de kistingen met broeiramen, voorbij de hier en ginder nog bloeiende aardbeziënbedden. Hij was haastig beginnen te loopen als iemand die verteerd wordt door onrust, die behoefte heeft zich snel te verplaatsen. In het hart van den tuin gekomen, daar waar de rijen van groenten elkaâr opvolgden, waar de jonge sla-, andijvie- en koolplanten hun kroppen begonnen te zetten en rijen van peulvruchten zich omhoog worstelden langs de als heggen aaneengesloten reeksenvan dor rijshout, kwam weêr de stem van een werkman, die het onkruid wegwiedend met de hand, op de knieën voortkroop tusschen de rijen van licht groen gewas.

—„'t Blijft schrikkelijk droog, menheer,” zei hij even opziend van den grond; „de regen verdraait het te kommen; geen een krop zal goed zetten, ik kan nog niks opbinden, niks.”—Hij schoof voort en betastte, zoekend naar rijpe kroppen, de planten een voor een, al zuchtend en klagend.

Daar was zij weêr die klacht die aankwam met onwillige berusting, koppig, vol met verzwegen verzet; en waarom kwamen al die dingen vallen in zijn ziel, hardnekkig als een dreinige motregen. Uit de stad, uit een woelig leven, waar ieder vocht voor zich zelven, waar ieder in den strijd om zelf staande te blijven, een ander poogde onschadelijk te maken voor het gevecht, uit die moe makende gisting, uit die kleine, vervelende en verwarde wereld, was hij hier gekomen met een krachtige behoefte aan eenzaamheid en rust; en langzaam aan was hij kalm geworden in die groote vegetatie, waar alles scheen vanzelve te groeien zonder het maken van geruisch. En de dagen waren voorbij gegaan in stillen gang en hij had geleefd als allen waarbij hij leefde; met geregeld werk had de eene dag den anderen gehaald. Hij was gewend geworden aan de aristocratische stilte van het buitengoed, waar bijna niets leven maakte dan het schot van den jager in de verte of het getrappel der dikke friesche paarden op de steenen plaats voor het koetshuis. Hij was thuis geraakt in dat groene wereldje achter rasters, waar een mollige rust hing van voornaamheid en zelfgenoegzaamheid. Hij kende er nu alles, de uitgestrekte velden met aangeplant kweekhout, den moestuin met zijn lange rijen peulvruchten voor den winter, met zijn klein ooft, met zijn kersenboomgaarden onder een stelling van gevlochten draad tegen de vraatzucht der vogels; en den anderen moestuin, met zijn reeksen broeiramen op perzik-en druivenkassen, en op de platte bakken die zoo blauw glanzen konden onder het hooge hemelblauw en wier kistingen wegkropen onder éen mozaïek van bloemen, onder een weelderig zaaisel van wilde phloxen, rood en wit en violet, en zacht gestreepte anjelieren en fijn roode steenasters, die hij in de buurten van Napels had zien uitgroeien tusschen de scheuren der oude muren. Hij had zich bijna gehecht aan dien tuin, hij vond het prettig de zware ramen op te tillen en te kijken naar het zwellen der meloenen, of in een anderen bak met de hand streelend te gaan langs het jonge groen van postelein, dat met éen dag en nacht boven den grond komt groeien. Maar bovenal hield hij er van daar die rustige gestalte van den hovenier te zien rondgaan met zijn witte schort voor, stil en in zichzelven, vol van liefde voor zijn jong en groen goed, in onafgebroken zorg voor de middagmalen van zijn meesters. En verderop kende hij er den langen vijver die nu bijna geheel droog lag, met zijn eilandje en een huisje met een heremiet; hij kende er de boomen bijna één voor één, de zorgvuldig onderhouden olmen en beuken en linden, waarachter hij soms de silhouetten zag verdwijnen der hooggeboren eigenaars in de kromming van een laan. Ze wandelden deftig en voornaam en het scheen hem dan als gingen zij rond, vreemdelingen gelijk door hun eigen goed.

Maar nu was dat gevoel weg. Het wroetende gevoel der stad was teruggekomen, heftig en in-eens; en die klachten, dat mokken tegen een doof stuk natuur, was het eigenlijk niet hetzelfde, als al dat andere klagen, dat mokken dat oprees uit het woelige hart, uit de ziel der stad? Ja, wel was het óveral hetzelfde, dat begon overeind te staan als eene overtuiging; overal en in alles een noodlottige massa die heerscht en drukt, overal een verpletterend overwicht dat machtig is door zijn noodzakelijke domme kracht, overal en in alles...

Hij had altijd maar doorgeloopen machinaal de rondtedoor den tuin gedaan, en langzaam aan begonnen de dingen weêr geheel te vallen in zijn oogen. Hij liep in den boomgaard, onder het loof van oude knoestige appelboomen om wier stammen ruigten woekerden van grijsharig mos en hij schopte met zijn voeten de afgevallen vruchtjes langs het zand, gele schrompelige vruchtjes, gekleurd met het slappe hooge geel der verdorring.

... Ja, opklimmen moest men leeren langs de smartelijke treden der bijzonderheden naar het eigen groot begrip.....

't Was nu bijna donker geworden toen hij weêr tusschen de rijen der kistingen liep. Het grauw van den komenden nacht vulde den geheelen tuin. De bonte bloemen lagen verzonken op den grond, gedoofd tot een saâmgeloopen kluwen van kleuren, waaruit het hoogste rood en het blankste wit der wilde phloxen uitspringen bleef, klankrijk nog in het donker.

—„Jan, zou je voor je weggaat, daar niet nog wat gieten?” hoorde hij den tuinbaas zeggen, „we zullen van nacht nog geen regen krijgen.”

—„Ja, baas.”—

—„Zoo, ben je daar?” zei hij tot zijn gast die hem te gemoet loopen kwam.—De knecht was bezig gieters met water te vullen aan het houten pompje naast de schuur. Met hun beiden bleven ze staan kijken naar het water dat met dikke gulpen kwam, opgezogen uit den grond onder de krachtige slingerslagen; zwijgend pompte de knecht door; klaterend viel de stroom water in het leêge metaal; borrelend met een dik opzingend watergeluid liep de gieter vol om dan over te loopen met het gebruis van een zwaren regen.

—„Help me onthouden dat we van avond de nachtcactus nog eens gaan zien,” zei de hovenier ineens.—

Daar klonk een bellend gelui uit de schemering, harde klepklanken met een verweerd klokgeluid, en van voren en van achteren kwamen er klokgeluidjes luien door de lucht, dichtbij, ver en verderop. 't Was de klok van zevenuur, het sein dat de werkdag gesloten was; en buitenplaatsen en hoeven in den omtrek hadden het luien overgenomen, joegen de kleptonen uit hun daken.

—„Wel te rusten, baas,” zei de knecht die met den laatsten gieter wegging.

—„Wel te rusten, Jan,” zei de baas weêrom.

Hij ging met zijn gast terug naar de tuinmanswoning. Met een goeien-avond ging hun een werkman voorbij die zijn jas loopende aantrok, wat verder nog een... en achter hem verdween de tuin, hoe langer hoe meer verslonden door den dikker en dikker wordenden nacht.

Het avondbrood was al een poosje gegeten; het omgewasschen koffiegoed, kopjes en schoteltjes, stonden weêr netjes gerangschikt en in elkaâr gestapeld op een tafeltje, op hun vaste plaats in een donkeren hoek van de kamer. 't Was een klein vertrek dat overal glom van een gewreven en gepoetste netheid, tegelijk keuken en huiskamer. Een tochtschot geelwit geverfd als de geheele kamer, glimmend met overlangsche lichten tusschen een tal van fotografische portretjes in zwarte, gladde lijstjes en ruitjes, waarmede het volbehangen was, sneed van het vertrek een stuk af en maakte van dat gedeelte bij de ramen een soort van lade, waar de tafel en de stoelen net konden worden ingeschoven.

Onder het licht van de hanglamp zaten daar nu de baas, zijn vrouw en de tuinknecht, welke laatste kost en inwoning bij het paar genoot. Allen waren verdiept in het lezen van het zoo pas aangekomen Nieuws. De baas zat in zijn hoekje tegen het venster aan, in zijn grooten rieten leunstoel. Hij had het eerste blad opengevouwen op de tafel en lag nu voorover met de blauw geboezeroende armen, de ellebogen wijduit, er boven op. Zoo nam hij bijna de geheele tafel in beslag; zijn forsch hoofd aan weêrskanten aan de slapen begroeid met krullend haar, kwam naar voren met een sterk glimlicht op den kalenschedel. Hij vatte het meeste licht van de lamp, glimmend boven de glimmende stukken van het tafelblad dat onder de krant en zijn lichaam vandaan kwam, een groen wasdoek in bruin gepolitoerde omlijsting, glimmend in het overal tot in het donker toe glimmende vertrek. Hij las aandachtig regel voor regel. Naast hem, een weinig naar achter, zat de tuinmansvrouw, een kleine zachte verschijning, meer een stadsjuffrouw dan een buitenmensch, afstekend tegen haar grooten man. Zij had hem den rug toegedraaid en liet het licht vallen op het tweede nummer, dat ze met uitgestoken armen vóor zich hield. Tegen het donkere gat van den schoorsteen, waar een gepoetst en gepotlood fornuis in wegkroop, teekende zich het profiel van haar hoofd, een bewegelijk, zenuwachtig gezicht, onder het weggestreken en gescheiden haar dat wegdoesde om de molligheid van haar vleesch in het vage en rosse lamplicht. Een groote zilveren bril stond op haar neus; met kleine wendingen van het hoofd las ze de krant, ongeregeld zoekend naar wat haar het beste beviel. De knecht die nog niet lang in dienst was, zat over haar, stijf rechtop als iemand die nog niet geheel thuis is. Hij las in het derde nummer, dat hij laag onder zijn oogen hield, bijna op de knieën. Naast hem zat de gast met den rug lui tegen het houten tochtschot geleund; een opgeslagen boek lag voor hem op den rand van de tafel en aan de korte kanten waren nog twee stoelen leeg, stijf met hun met was gewreven sportige leuningen. Er was een gezellige stilte in het vertrekje, de gulzige stilte van menschen die letters verslinden. De kruiige geur van de alle avonden versch gemalen koffie walmde nog in den lekkeren dampkring van stoomend water. De ketel zeurde zijn kringgezangetje op het fornuis, het klokje onder het kooitje van den kanarievogel tikte zacht met kleine haaltjes van den slinger, als de geregelde ademhaling van het kamertje. In de roedjes voor het raam bonsde een bromvlieg tegen de ruiten, vloog dan op tegen het glas in een trillendegonzing, met een ontwikkeling van kleine droomerige geluidjes, met een mystiek gescharrel van gazen vleugeltjes, een onwerkelijke hoorbaarheid, komend als herinneringen die komen van heel vèr. En af en toe kwam het ritselen van een verschoven krant, het kreuken van een omgeslagen blad.

Zoo was de kamer een poosje stil en glanzend genotrijk om de lamp, vol met kleine tevreden geluidjes.

Toen kwam de baas op, leunde met den rug breed en behagelijk in zijn stoel, nam den bril van zijn neus en zei geeuwend:

—„Hè, dat 's er één!”

—„Staat er wat in?” vroeg zijn vrouw die haastig de kranten wisselde.

—„Nou.....” een versche hoeveelheid tabak stopte zijn mond dicht, hij klapte de koperen tabaksdoos toe, likte de bruine reepjes die over zijn onderlip krulden naar binnen en ging toen bedaard al kauwend voort: „nou, Dominé K. heeft het beroep naar Noord-Scharwou toch aangenomen.”

—„Hè, dat 's gek,” zei 't vrouwtje, „en voor een poos was het dat-ie bleef.”

—„Mag een mensch dan niet veranderen, wat zegt u?” vroeg hij zich tot zijn gast keerend.

—„Zeker,” zei die.

—„Nou, 'k vind het mal, hoor.”

—„Hoor es, vrouw,” begon de baas weêr en er volgde een uitweiding.

De gast zat te schommelen op zijn stoel; van achter en rondom de lamp kwam het praten der echtelieden tot hem; af en toe mengde er zich de stem van den knecht in, die onbekend met de gelegenheid, vragen kwam om verklaring. Het vreemde geluid der stem deed zijn buurman soms even opzien. Hij zag den knecht dan voor zich zitten, onnoozel en toch slim, kaarsrecht op zijn stoel met de krant op zijn knieën. Tegen den donkerenachterwand, waar een glazen kast kleurde in het donker met platte, doffe spiegelingen in de ruiten, zag hij den kop vóor zich. 't Was een beenige, oude-man-achtige kop, droog, hard overal, met rechte, dun saâmgeknepen lippen, met een rechten, driehoekigen neus, met rechte, dunharige wenkbrauwen, waaronder de grijze oogen naar achter gingen, vol slimheid wegkropen in de diepten boven het jukbeen; de ooren waren klein en hooggeplaatst; de slaapkuil er boven was hol en diep gemerkt tegen de slaaplijn en het voorhoofd bultte sterk op en naar voren als de sterk ontwikkelde voorhoofdknobbels bij sommige idioten; met een snellen zwaai werd de schedel vervolgens plat en verdween onder het korte, gele haar. Maar het praten ging voort en de gast vervolgde zijn luiheid, al luisterend naar de dompige stemmen. En wel een half uur lang was het kamertje vol met het gehaspel over kerkeraden en dominees-traktementen. De baas die zelf ouderling was in zijn gemeente, ontwikkelde zijn kennis, vertelde van zijn lange ondervinding, zijn begrippen over de gevallen en twisten, die, naar hij zeide, de kerk verscheurden. En uit al zijn kalme redeneering kwam de lijdzaamheid van zijn stevige, groote natuur, de vasthoudendheid van een werker in een afgesloten ruimte, samen met de uitgeslapen gevatheid van een buitenman. Nooit was hij verlegen iets te verklaren. Hij haalde de bewijzen voor zijn meeningen overal vandaan, maar 't liefst uit zijn omgeving, uit zijn vak, uit zijn dienstbaarheid, tusschen zijn bloemen vandaan, uit zijn ooft, uit zijn grond. Zoo liet hij zijn godsdienst zijn vak dienen en omgekeerd zijn vak zijn godsdienst. Hij kende de kerkwetten op zijn duimpje; bij het aanvaarden van zijn bediening had hij een geheelen winter lang de synodale wet bestudeerd, voorover op het boek met den vinger de regels volgend, de woorden spellend; wijze spreuken en spreekwoorden kende hij bij de vleet en ook had hij een groot geheugen voor grappige geschiedenissen.Hij wist zijn gesprekken te kruiden; hij plaagde ondeugend tusschen het vertellen door zijn vrouw met allerlei vieze verhaaltjes, breed lachend, knipoogend tegen den knecht, die evenals hij gewend aan mest, daarin geen kwaad zag. En zoo kon hij uren soms doorpraten, langzaam en kalm de avonden dood slaan. Liep zijn redeneering spaak, dan vulde hij de gapingen in zijn gedachtengang met zijn eenvoudig: „begrijp-ie” en ging ongestoord verder. En vol bewondering en liefde zat hem zijn vrouw zoo aan te kijken, al vond zij hem wel eens wat lang van stof. Maar van avond was hij kort en in zich zelven gebleven en na een oogenblik uitklappens weêr voorover gevallen op de krant. De droogte, het lange wegblijven van den regen, gaf hem het hoofd vol muizenissen, meende zijn vrouw.

En 't was weêr stil in de kamer, allen lazen de lange rubrieken met nieuwtjes. Na een poosje was de gast opnieuw met het hoofd tegen het schot komen leunen. Wat was het groot stil rondom buiten; alle avonden drong die gewaarwording zich op, wanneer in den late de nachtwind hoorbaar sluipen kwam langs het tuinhuis en om de boomen henen. Dat kwam telkens terug; maar alle avonden ook kwam voor hem dat geregelde nieuwtjespapier die prachtige rust storen, met het gevoel dat een duf riekende kelderlucht brengt die waaien komt in een frisschen dampkring. 't Was maar een oogenblikkelijk gevoel, dat spoedig wegstierf zoodra alles in huis sliep en de stilte voortging te suizen boven den onzichtbaren tuin die voortgroeide in de heerlijkheid van den nacht. Doch van avond waren de gesprekken die de nieuwtjes volgden dubbel vervelend, de lucht der versche drukinkt die opvloog uit de nog vochtige bladen, onuitstaanbaar leelijk; 't was als een verouderde ademtocht uit de hijgende longen der stad, een versufte echo uit een woelig en haastig leven.....En morgen en overmorgen, zou hij terugkomen die kwalijkriekende walm, uitgeblazen door de stad naar vierhoeken over de provincies; onafgebroken zou die zwerm van gedrukte verstrooiing voortgaan de hersenen te beroeren van duizenden met zoo een zondvloed van geestelooze overtolligheidjes.

De baas kwam weêr op.

—„Mag ik er even door, vrouw?” vroeg hij, „ik wou naar buiten.”

Hij ging om de tafel, men hoorde hem zijn sloffen die buiten de deur stonden aandoen, ze aanstootend tegen den steenen vloer en uitgaan.

—„De baas is stil van avond,” zei de gast.

—„Het weêr zit hem weêr in den weg,” antwoordde de tuinvrouw, „dat hindert dien man nou altijd, wil je wel gelooven dat hij er niet van slapen kan als de boel niet goed groeit, dan zit er wat dwars bij em, je hebt nog nooit zoo'n man gezien.”—

Ze begon weêr te lezen.

Mannestappen kwamen aan door de stilte buiten, ze klotsten wat harder op de steenen plaats van het koetshuis naast de tuinmanswoning, toen klonk de stem van den baas door de muren henen, een andere antwoordde, de klink der deur gaf een metalen tik en om den hoek van het schot riep de frissche stem „goeien avond samen.”

—„Dag baas,” zei de vrouw, „zoo laat nog?”

't Was de tuinbaas eener een uur ver afgelegene buitenplaats.

—„Hoe later op den dag hoe schooner volk,” zei hij.

—„Net zoo,” meende de knecht.

—„De baas komt de nachtcactus kijken,” antwoordde de baas. „Ga zitten, van D.....” hij vervolgde naar zijn hoekje schuivend: „heb je geen sigaar voor den baas, vrouw?”

De twee mannen raakten aan 't praten. De vrouw zette een bekertje vol sigaren op tafel, een blauw steenen bekertje, een kermisgeschenkje, dat hard, glasachtig glom om de dofbruine rechtopstaande einden der sigaren; toen dadelijk bedrijvig geworden, vroeg ze:

—„Wil je ook wat drinken, van D.?”

—„Dank je.”

Maar ze bleef voor haar stoel staan, in vertrouwelijke afwachting dat haar gul aanbod zou worden aangenomen, toen ging ze wat rommelen in de kast.

—„Weet je het wel?” vroeg ze uit het donker. „Neen dank je,” herhaalde hij kortaf om meteen zijn gepraat met den baas te vervolgen. Hij was half in het donker blijven zitten, zijn gezicht buiten den lichtkring der lamp; de eene arm achter om de leuning van zijn stoel geslagen, verdween in het donker.

Tusschen de rookwolken door spraken de beide mannen over de droogte, allebeî klaagden zij zich uit tegen elkaâr, kalm zonder gesticulaties. 't Was dan al een schrikkelijk droge zomer, en over en weêr begon ieder zijn tegenspoed op te sommen, dát groeide bij den een niet en dát weêr niet bij den ander. De perziken en druiven beloofden wel goed, maar de appelen en peren verdorden, je zou het zien, als er morgen regen kwam, vielen ze allemaal van de boomen af, en dan de groenten van de kouwe grond en de aardappelen daar wel de ziekte in kommen zou, was 't niet om bij te huilen. En 't volk dat al die dingen maar niet begrijpen wou!..... maar de blommen, zei de hovenier, ja, die hielden zich goed bij hem, nog nooit een jaar gehad van zooveel rozen, de tuinknecht kon het getuigen, 't was een lust voor de oogen, nee, maar een lust was het; overigens was het verdrietig..... Maar ze waren toch niet alleen, in Gelderland en Friesland beloofde de oogst ook niet veel had Floralia verteld. In 't Geldersche moesten de bijenkweekers uren vèr sjouwen met de korven, 't was gewoon een bankroet, er viel bijna niets te puren voor de bijen. De hei lag doodgeschroeid, en de boekweit en de spurrie bloeiden ook slecht... „zoo heeft ieder het zijne,” besloot hij wijsgeerig zich zelven troostend: „zoo zie je al weêr.”

—„Net zoo,” meende de knecht.

—„Nou, willen we es gaan?” vroeg baas van D., „ik heb nog een lange wandeling voor de borst.”

—„Ja, dat 's goed,—gaan julliemeê?”

Alle vier stonden op.

—„Dus van D., je weet het wèl,” vroeg de tuinvrouw, „geen glaasje boerenjongens?”

—„Nou, geef dan maar op...” en staande, met éen teug, dronk hij het glas leêg, dat de vrouw hem inschonk.

De knecht kwam op zijn kousen weêr binnen; hij had een lantaren in de hand, en deed het kaarsje er in ontvlammen met een half afgebranden lucifer dien hij aanstak boven de lamp; achter elkander gingen de vier mannen toen naar buiten.

—„Nacht, vrouw!” zei baas van D... die het laatst bij de deur was.

Met de oogen nog vol van het licht der kamer, traden ze in het dikke donker. En alles was weg. Om hen huiverde de zwarte nacht, die eenig heerschte, groot en alleen.

Ze liepen op. Langs den grond schoof en danste de lichtkrans der lantaren, die de baas, vooruitloopend, droeg in de langs zijn dij schommelende hand. Het licht ging vlottend meê langs het pad, een regelmatig gestraald, dof, rood licht, een in vieren gedeelde lichtkring, door de lange uitwaaierende schaduwen die de roedjes der lantaren wierpen in den wijd wegdoezenden rossen cirkel. Ze gingen den stal voorbij. Een matte gloor vloog even tegen de deuren van het koetshuis en wiegelde weêr weg, toen de tot een reus aangegroeide schaduw van den tuinbaas er voorbij duisterde; maar weêr kwam het licht op den dikken boomstam bij het zandhok, het gleed om den gladden beuk henen, die een schilferig uitzicht kreeg in het vage schijnsel, toen zonk de boom weêr achter hen weg tot een stuk van den nacht. Broksgewijs, bijkleine rosse schemeringen, herleefde de tuin. Ze waren in de oprijlaan. Telkens merkte het roode, diefachtige schijnsel even een stam en vlogen de onmetelijke schaduwen die de lantaren voor zich uit zond, tusschen de boomen dóor het hout in. Het rossig kaarslicht groezelde lang en onstoffelijk op het lage hout, het was als een damp om de lantaren waar de vier mannen donker in gingen. Nachtgeluiden gingen den lichtkring vooruit, een droog bladerig geritsel in de struiken, een vogel die opschrikte en slaapdronken tegen de takken aanvlerkte, een rat die over het pad schoot als een snel rollende bal, en het hout in.

—„Je kan ruiken dat het droog is,” zei de hovenier plotseling.

Ze waren in den tuin waar de bloemkas stond, en 't was zoo, er steeg een muffe lucht uit het zand, 't was alsof de grond zijn dorst uitademde in den nacht.

Bij de kas bleef de baas staan, hield de lantaren hoog op, gluurde naar binnen, het licht boven zijn oogen afsluitend met de hand en zei toen tot zijn gast:

—„Ik heb je 't wel gezegd; ze is nu heel open.”

De baas was het eerst binnengegaan. Het rosse vlamlicht der lantaren was komen vallen in het zwarte der kas en had het duister plotseling besprenkeld met roode loovers. De planten kwamen aangroezelen naar het licht toe, piekten op en spikkelden weêr weg, met kleine glansplekjes, met lichtende bladvormpjes en takjes, en dan vielen zij weêr saâm tot raadselachtigheden van gedoofd zwart en rosbruin, waarin het groen der bladeren verschemerde, gebroken en verweerd tot roestige kleuren. Boven op de kisting, dichter bij den lantarengloed, kwam het helrood der geraniums nog treffen in de oogen; het lag glanzig en diep, weggezonken in de rust, onheilspellend, somber, aaneengesloten als vlekken vochtig bloed; en er om heen sliepen de kleuren deranderebloemen en der bonte bladen; ze ontwaakten even als de lantarenbewoog, begonia's en primula's, het rose wit der hortensia's en van de gloxinia's het blauwe violet.

Maar dadelijk had de hovenier de lantaren geheven in den hoek waar de cactus stond, en met de optilling van zijn arm verschenen de bloemen voor de kijkende mannenoogen.

—„Zie je wel,” zei hij zich even omwendend, „ze is nu heel open.”

Niemand gaf antwoord. Als een bloem uit een tooververtelling, als een magische verschijning was de plant opgeroepen door de bundels van licht uit de vierkante ruitjes der lantaren. Wijd geopend zagen ze haar pralen, de grootste bloem naar voren gekeerd en de andere met afgewende bladen. In den saâmgedrongen gloed der kaarsvlam stond de bloem te gloeien, hevig als was ze van enkel licht; over den gladden opengespleten bekermond, van uit het gloeiende hart, kwamen de meeldraden nu recht snellen naar voren, gespannen draden van een glanzende materie, en de gele stuifselkopjes waren er bovenop gelijk kroontjes van rosrood poedergoud. De krans van schutbladen was wijd uitgeplooid geworden, ze krulden om, gekanteld tegen het donker, vlijmscherp alsmessenlemmetenwas elk blad, en onbewegelijk stond de kelk in die krachtige omlijsting, vastgesnoerd in den stralencirkel, een statige ster daar onvergankelijk gemaakt.

Vol ingenomenheid hield de hovenier de lantaren hoog op voor zijn gast die dichterbij was gekomen, en bij het kijken scheen het dezen alsof de stilte rondom uitging van die bloemen, alsof de rust kwam uit dien hoek in de wolken van geuren. De bloem was zóo stil en stond zóo streng schoon, in zijn zuivere eenvoudigheid als een opgelost probleem, in zijn klankrijke helderheid als iets dat er volmaakt is; zoo scheen de bloem in het volle licht.

Na een klein poosje kwam de stem van baas van D. achter zijn rug om.

—„Jongen, jongen, dat is een mooi exemplaar, baas, maar ik vind de gele toch mooier.”

—„Ieder zijn meugt,” antwoordde de hovenier. Hij zette de lantaren voor op de kisting en ging leunen tegen de deurpost.

Oogenblikkelijk waren de bloemen gaan veranderen toen het licht dansende en schuivend verwijderde. Weêr een oogenblik was het den jongen man geweest of hij de meeldraden als voelsprieten had zien trillen, en de krans van schutbladen zich op en neêr bewegen, als de weeke leden van een zeester die ligt te kleppen en te dobberen in de zee. Hij begon het benauwd te krijgen in de kas; tot stinkens toe hingen de dampige bloemgeuren saâmgedrongen in de kleine ruimte. Griezelig kwam de bloem nu onder het kantlicht der laagstaande lantaren. 't Waren vage streepjes licht, die denken deden aan de visioenen op een japansche prent. 't Werd hem te eng. Boven zijn hoofd trokken zich de roeden der ramen tot een kruisnet; als door de tralies van een kooi zag hij door de ruiten heen in den zwaar-zwarten nachthemel.

Maar de drie mannen waren aan 't praten geraakt.

—„Je zou toch zeggen,” zei de knecht, „waar dient zoo'n blom toch voor.”

—„Ja, 't is een dondersch vreemd ding,” zei baas van D., „dat bloeit 's nachts, niemand ziet em.”

—„Ja, weet je,” antwoordde de hovenier, „hièr, maar, daar ginder in die verre landen, begrijp-ie, daar maken de zwarten er heggen van om de huizen, en as nou de buffels in den springtijd zijn, dan is er geen kwaad bij, begrijp-ie?”


Back to IndexNext