La Mancha.UIT EEN BRIEF.

....Ikheb weêr een paar gezellige dagen doorleefd met het bladeren in de geschiedenis der lotgevallen van dien vernuftigenHidalgo Don Quijote de la Mancha, zeker wel de kuischste en dapperste ridder die ooit ter wereld bestaan heeft. Een paar dagen heeft dat heerlijke hersenwerk vanCervantesweêr stil in me gewoond, ben ik op en neêr gegaan in den frisschen adem van dat prachtige kind zijner intelligentie. Dan zat ik stil te lezen onder de lamp en hoorde ik mijn zuster zeggen: „kijk nou leest-i zeker wat grappigs, want nou lacht-i zoo.” Maar ik heb nog een ander apart pleziertje gehad; toen ik die twee bekende dikke boekdeelen in hun stuk gelezen en met striemen en kleuren besmeurden omslag.... terug ontving, zag ik mij zelven oogenblikkelijk weêrom, zittend in den holder-de-bolder van een Spaanschen derde-klas-wagen, de knieën opgetrokken, daarop het boek en met de voeten tegen de voorbank. Maar toen waren die verfomfaaide boeken, waar ik nu zooveel van houd, nog net zoo frisch als een geestigheid van dien dikkenSancho Panzaen het kapitoor nog niet ontluisterd en gehavend als eens de betooverde helm vanMambrin, die in de profane oogen van zoo een bloedrijken en snuggeren schildknaap al zijn leven lang een scheerbekken gebleven is en dat nog wel zijn zal; want deSancho'ssterven niet, alleen worden ze van jaar tot jaar minder geestig. Neen, die vlekken zijn van later; want ook mijn tweeboeken hebben gedoold, zij zijn ongenadig geslagen geworden en gestompt, precies als de dolende ridder wiens geschiedenis ze vertellen: van dien dwaas die meer wijsheid spreekt dan tien wijzen van den kouwen grond. Ze hebben geducht klappen gekregen, zei ik, neen maar, van alle kanten, door den rollenden rommel in mijn alles behalve huismoederlijk gepakten reiskoffer; ze hebben moeten vechten met mijn viezen verfwinkel; ze hebben mijn verftuben geknauwd, maar op hun beurt weêr smeer gekregen van kwalijk opgedroogde studies. Geen wonder dat ze er zoo uitzien, ze zijn geschud onder de ruwe handen der vrachtjes-mannen aan de spoor, als de gele graankorrels in de wan vanDulcinea.

Ikheb weêr een paar gezellige dagen doorleefd met het bladeren in de geschiedenis der lotgevallen van dien vernuftigenHidalgo Don Quijote de la Mancha, zeker wel de kuischste en dapperste ridder die ooit ter wereld bestaan heeft. Een paar dagen heeft dat heerlijke hersenwerk vanCervantesweêr stil in me gewoond, ben ik op en neêr gegaan in den frisschen adem van dat prachtige kind zijner intelligentie. Dan zat ik stil te lezen onder de lamp en hoorde ik mijn zuster zeggen: „kijk nou leest-i zeker wat grappigs, want nou lacht-i zoo.” Maar ik heb nog een ander apart pleziertje gehad; toen ik die twee bekende dikke boekdeelen in hun stuk gelezen en met striemen en kleuren besmeurden omslag.... terug ontving, zag ik mij zelven oogenblikkelijk weêrom, zittend in den holder-de-bolder van een Spaanschen derde-klas-wagen, de knieën opgetrokken, daarop het boek en met de voeten tegen de voorbank. Maar toen waren die verfomfaaide boeken, waar ik nu zooveel van houd, nog net zoo frisch als een geestigheid van dien dikkenSancho Panzaen het kapitoor nog niet ontluisterd en gehavend als eens de betooverde helm vanMambrin, die in de profane oogen van zoo een bloedrijken en snuggeren schildknaap al zijn leven lang een scheerbekken gebleven is en dat nog wel zijn zal; want deSancho'ssterven niet, alleen worden ze van jaar tot jaar minder geestig. Neen, die vlekken zijn van later; want ook mijn tweeboeken hebben gedoold, zij zijn ongenadig geslagen geworden en gestompt, precies als de dolende ridder wiens geschiedenis ze vertellen: van dien dwaas die meer wijsheid spreekt dan tien wijzen van den kouwen grond. Ze hebben geducht klappen gekregen, zei ik, neen maar, van alle kanten, door den rollenden rommel in mijn alles behalve huismoederlijk gepakten reiskoffer; ze hebben moeten vechten met mijn viezen verfwinkel; ze hebben mijn verftuben geknauwd, maar op hun beurt weêr smeer gekregen van kwalijk opgedroogde studies. Geen wonder dat ze er zoo uitzien, ze zijn geschud onder de ruwe handen der vrachtjes-mannen aan de spoor, als de gele graankorrels in de wan vanDulcinea.

Maar die roode vlekken, die roode, dat is de kleur vanLa Mancha'srauwen grond. Ik kan dat boek niet opslaan, of daar zijn de smetten van mijn vingers, als ik doodmoe en laf voor de zon met ontstoken oogen thuis kwam uit dat helle veld rondomAlcazar de San Juan, in de herberg, o, die herberg, en dan neêrviel op mijn bed, o, dat bed, mopperend en me zelven kwellend met mijn kwade luim; om dan gretig te grijpen naar dien gelen bundel op mijn nachttafel, eindelijk, maar altijd te laat, vol verlangen geworden naar den hoogen lach die daar optrillert en steigert uit dat gezegende en eenige boek.

Maar toen ik in den spoorwagen het me zoo gemakkelijk maakte als een arme reiziger dat doen kan, had ikLa Manchanog niet gezien. Ik kwam vanAranjuez, waar ik me een paar dagen verveeld had, ik geloof uit noodzakelijkheid. Ik weet nog wel dat ik maar niet begrijpen kon hoeDon Carlos, zooalsSchillerons wijs maakt, daar zulke goeie dagen beleefd had, zeker amourskens. Ik had ze er niet, geen van beide; 't was stoffig heet; het stadje of dorp met zijn kippenloopachtige straten, zag er uit alsof er zoo pas een vulkanische aschregen op gevallen was. De koninklijke lusttuinen die zoo beroemd zijn, leken me tuin geworden opticaprenten van twintigjaren hèr. Bovendien was ik terecht gekomen in een groot hotel, een boeren-Escuriaal, waar de waard,.... maarCarajo, zulke dingen vertelt men niet,—zelfs de geestigheden vanSanchohadden geen vat op me, 't leek me of ik levend daar inAranjuezwas ingemetseld. 'k Zat maar te luieren in een schommelstoel, recht door mijn raam kijkend in den stijven kippenloop der straat, kalkwit in de zon, en naar de menschjes die als puuletjes scharrelden in het licht, weinige en dan nog maar even, want 't was heet. Aan het einde in de verte der straat, zag ik een brok van de zware ronde muurmassa derPlaza de los Toros, dat kon het kippenhok zijn, eng bepaald, alles eng, benauwd, al was het er nog zoo wijd; een verstijfde boel als al die nare ceremoniën, als de poppenvormen van het koninklijk bedrijf dat aanAranjuezzijn kille lusttuinen schonk.

Maar ter nauwernood had, om even eenvoudig te spreken als de voorbeelden die onzen goeienDonhet arme hoofd hadden op hol gejaagd, ter nauwernood, zei ik, had de blonde Phoebus de gouden tressen van zijn mooi haar gespreid over het hobbelige aangezicht der onmetelijke aarde, ter nauwernood hadden de met duizend kleuren geschakeerde vogeltjes (die inLa Manchaniet zijn) met de harp-tonen van hun tongen, op een weeke honingzoete melodie, de komst vermeld der rooskleurige Aurora, die, latend de zachte sponde van haar jaloerschen echtgenoot, zich vertoonde aan de stervelingen op de hooge balkons (dat zijn zeker de bergen) aan den Castiliaanschen horizon ofikverliet evenals deDon, de loome veêren, steeg op mijn negentiende-eeuwscheRossinante('t was een bommeltrein) en nam mijn weg dwars door de oude en beroemde vlakten vanMontiel.... neen, zoo ver was ik nog niet.

Maar een paar uur later ging 't er toch op los, sneed de trein, de oasen verlatend, schokkend met een ondergrondsch geluid van slingerende kettingen, dwars dooreen onmetelijke ruimte van rood zand, een urenlange en wijde vlakte, waarop geen bekoring lag, waaruit geen opwindende lijn steeg van een boom of een rots, waar geen waasje van damp de naaktheid sluierde of de ruimte kromp. Als ik van mijn boek opzag, draaide het roode veld door het spoorwegraampje aan mijn oogen voorbij, mijn kijken vloog de rauwe ruimte over, en door de droge zout-smakende lucht, tot aan den altijd rooden horizon die ijzerhard sneed in het brutale blauw van den hemel. Mijn God, wat een land, wat een jammerlijke ellende. Soms snelde een lange strook, vlakker en van een bleeker rood, aan het raampje langs, ik zag haar wegslingeren, kronkelen als een lang lint, en al wapperend met ijler wordende kronkels wegpunten naar de lijn van den horizon en dan kwam maar even de gewaarwording op: daar gaat een weg door dat treurige en doode veld.

En maar altijd sneed de trein langs haar ijzeren banen voort door het menschenlooze land. Als ik mijn oogen sluit nu en die snel gevloden gezichten weêr tracht op te roepen, dan komt me niets in de herinnering, niets, geen kar, geen ezel, niets, heelemaal niets dat uitstak, wat ik die groote leegte voor een poosje beheerschen zag, niets herinner ik me dan een zwarte ekster die opvloog van haar aardkluit, maar weêr neêrstreek dadelijk, om den voortsnorrenden trein na te gaan zitten kijken met haar slimme oogjes. Een enkele maal schoof een kaleventa52)hortend achter de telegraafpalen voorbij, of er kwam in de verte de witte mierentroep aanstippelen van een begraven dorp met de groenige vlokken en strepen er om heen van moeielijk ontgonnen terreinen.

Ik weet niet meer waar ik den eersten windmolen zag. Ik had het opgegeven uit het raam te zien. Ik vondLaManchain mijn boek heel wat mooier. Dus las ik er weêr geducht op los. Ik zag voor me onzen ridder zitten, stijf,rechtop in zijn verroeste rusting, tusschen de herders in hun kleêren van schapevachten met grof naaisel; uit hun roode, diepgelijnde koppen keken de oogen oplettend, want deDonorakelde. In de holte van zijn vooruitgestoken hand bekeek hij eenige goudkleurige eikels; geheel opgegaan was hij in een ridderlijke droomerij; op den grond lagen de overblijfselen van een vleeschmaal;Sanchohad het hoofd in den nek geworpen en daarboven de leêren wijnzak en nu klokte hij naar hartelust met gesloten oogen.

—„Gelukkige tijden,” begon deDon, „en gelukkige eeuwen, die, aan welke de Ouden den naam gaven van den gouden tijd, niet omdat dit metaal dat in onze eeuw van ijzer zoo hoog gesteld wordt, zich toen zonder eenige moeite verzamelen liet, maar omdat zij die toen leefden deze twee woorden niet kenden: het mijn en het dijn.”

En met de eikels in de hand, wier goudkleur dien gouden tijd terugspiegelde in zijn verdwaald hoofd, orakelt hij voor de tuitende ooren der herders zijn ridderlijk ideaal van den geluksstaat. Met dikke woorden en bloemrijke zinnen, zooals het past in een mond van een doler als hij, vertelt hij van dat verloren land waar alles goed was en alles rechtvaardig, waar elke bloem groeide voor elken mensch en elke gouden eikel voor ieder die hongerde; en als alle groote dwazen en ook als allen die met het hoofd leven deze bange wereld uit, bevolkt hij zijn wereld met zoete wezens, met nimfen, herders en herderinnen, naakt en kuisch, zonder de wilde zweepingen van groot geworden driften, zonder de bruisingen van het donkerroode bloed, zonder de warrige ondeugden van een geslepen en kronkelig brein. Toen orakelde hij: „toonden de verliefde bewegingen der ziel zich zooals zij waren, zooals zij werden gevoeld, kinderlijk en onbewust, zochten zij zich geen waarde te geven door een kunstmatige omwikkeling van woorden”....

Zoo gaat hij voort, telkenmale verloren in zijn verbijstering,maar zacht wiegen er woorden van wijsheid tusschen den krulligen omhaal van zijn verrukten geest.

Ik weet wel dat ik dit gedeelte altijd met graag genoegen herlees, ik weet niet of ik gelijk heb, als ik daar de eerste sporen vind in dat boek, hoe later uit dien volslagen gek, uit die schepping van grooten lachlust, langzamerhand een ongelukkige groeien zal, een hoog opgevoede geest, een zonderling die dikwijls een ziener wordt, onder de sublieme bedoelingen van zijn schepper.

—„Caballero, un molino, un molino a vento, caballero,” hoorde ik achter me zeggen. Een poosje te voren was er een reiziger ingestapt. We zaten nu met zijn tweeën in den wagen. Ik zag om. 't Was een stevige boer die voor het raampje stond. Hij droeg de breedgerande sombrero van de Spaansche gezeten boeren. Uit den inham van zijn laag uitgesneden vest kwam het witte overhemd met een boord zonder das, en onder zijn vest vandaan puilde om zijn buik een roode gordel, die hem nog dikker maakte. Hij keek tevreden naar me om. Ik zag in zijn vollemaansgezicht twee kleine guitige oogjes stralen die dicht bij elkaâr kropen. De trein naderde, geloof ik,Tembléque. Ik boog me uit het andere raampje en zag de roode woestijn hier en daar bestreept met gele rijen, strepen afgesneden koren, als regels van stoppelige bossen stroo gestoken in het zand. Als ik langs het hoofd van den boer heen keek, werd het veld langzaam-aan geler, een dor gele volte werd het, bar geel in de groeiende zon, en daar midden-in rees de stompe kolos van een molen met een van stroo gevlochten dak, als een muts van vreemd fatsoen bovenop den steenen en geringden cylinder, waaruit de gaten der vensters als donkere oogen staarden.

Aan den tegenovergestelden kant van den windsteller sloegen de armen der wieken in de lucht; van onderen rustten zij op het land en zooals ze nu stil waren en elkaâr bedekten, en 't was alsof er maar twee wiekenwaren, geleek de kolos op den romp van een reus die op zijn lans staat te rusten tusschen het koren in; en de saâmgevlochten knoedel boven op het stroodak was als de kam van een helm waaruit de panache is weggerukt.

Toen stoof de trein voorbij tientallen van maaiertjes. Ze gingen achteruit loopend langs het gele koren, dat als een dijk tegen hen aanstond; met lange armzwaaien als op een commando bewogen zij zich, sneden zij met de zeisen de volle garven af.

Tembléquekwam en ging voorbij, andere molens stegen op heuvelklingen uit het veld; langzaam verdwenen ze uit het gezicht in hun houding van peinzende reuzen, en langzaam aan begon het veld weêr te dorren tot zijn roode eenzaamheid.

Ik was weêr teruggezakt in den heeten wagen. De dorre adem die uit de vlakte zwoegde, hing in de houten kast. De felle zon sloeg van het land op en brandde neêr op den wagen. Mijn keel was als gezouten. Speekselloos brandde mijn tong tegen het verhemelte aan. Zonder lust lag ik languit op de bank en probeerde te slapen; maar de dorst kwelde, 't was bijna middag, de hitte werd onuitstaanbaar. Daar hoorde ik opeens achter me het natte klokken van vocht; ik sprong op en zag achter me mijn dikken reisgenoot met het hoofd achterover geleund op het wagenschot. Zijn dik gezicht verdween geheel achter een leêren wijnzak. Tusschen de gebruinde spieren van zijn rooden gestrekten hals zag ik den koelen stroom van den wijn dalen. Met volle teugen dronk hij.

Eindelijk, Goddank, hield hij met drinken op, veegde zijn lippen af met den rug van zijn hand, keek op en zag me aan. Een goedige, dikke lach kwam op zijn heele gezicht, in zijn geknepen oogjes, in het bollen van zijn wangen, in het lang uitrekken van zijn mond. Met een snel gebaar stak hij mij den wijnzak toe, en vroeg: „quiere Usted?” Ik zei niets, maar bracht de tuit aan mijn lippen, deed net als die goedigeSanchohet zooeven gedaanhad; ik legde mijn hoofd op het wagenschot en bleef zeker zóó wel een kwartier lang met de oogen kijken naar de zoldering van den spoorwagen.

Mijn boer viel toen op de bank in slaap en ik keek opnieuw door het raampje in de draaiende vlakte. Er was geen wolkje aan de lucht, de zon brandde neêr op de naakte huid vanLa Mancha.

De trein kwam en ging gillend weêr verder,Huerta, geloof ik, voorbij; links moestArgamarilla de Albaliggen, waarvanCervanteszich zoo genereus den naam niet herinneren wilde bij den opzet van zijn boek. Geen mensch was ingestapt. Even had ik den bruinen kop van een vrouw gezien, een gelen doek om het hoofd gewonden en om het gore haar. Zij had een witte, ronde, steenen kruik met een klein tuitje in het midden bij zich; ze hield die gesteund in de zij. Van tijd tot tijd schreeuwde ze: „agua fresca, agua bonita para bebere,” met een heesche, moede stem. Ik zie haar diep ingezonken oogen nog, die branderig gloeiden als werd zij door koortsen verteerd, en dien breeden, zwaarmoedig hangenden mond met droge barstjes in de paarse lippenhuid. Maar de trein rommelde voort door het zand. De vlakte vanMontielblakerde en schroeide onder den geesel der zon en ik viel weêr terug op mijn harde bank, bijna bang geworden van dat verschroeide en doodsche land, waarin de dorpjes verloren zijn als een schip op de groote zee.

En door zoo'n oord nu doolt in dat prachtige boek, die onsterfelijke dwaasDon Quijote, de schrale ridder van de droevige figuur, de man die niets gewoon kan zien, die avonturen vindt waar ze niet zijn, die niet spreken kan als de barbier of de pastoor van zijn dorp, die eene bange zorg is voor zijn nicht en gouvernante. Langs de stoffige wegen gaat daar de zonderling met zijn boordevol hoofd in dat leêge land met zijn nuchtere bevolking, overal in hutten en venta's komt hij, gaat hij in de kinderlijke opgewondenheid van zijn missie, en waar hij metslagen wordt beloond voor zijn opgedrongen bijstand, weet hij zich te troosten door de gedachte aan den onsterfelijken roem van zijn daden.

En daarnaast, dat vind ik het tweede heerlijke in dat ruime werk, in dat vast gegroeide geesteskind, gaat die andere onsterfelijke man, de schildknaapSancho Panza, de stevige boer met al de hebbelijkheden van zijn soort en ras, met zijn boersche babbelzucht, naïveteit en uitgeslapen slimheid, met de groote behoeften van zijn zwaar lichaam, eten, drinken en slapen, een stuk menschensoort op en top.

Zoo gaan ze dwalend naast elkander voort, de verrukking en het gezonde verstand, en hoe meer zij dwalen in zich zelven, dringen zij zich samen; hoe langer ze dolen groeit er uit hun samenzijn een vuurwerk van vernuft en de zegen van een goed hart, het gevleugelde mooi-zijn en de fonkelende vinding.

De trein was nog altijd niet inAlcazar de San Juan, het centrum vanLa Mancha, waar ik naar toe op weg was. Mijn boer slaapt met gesloten vuisten en open mond, zooalsSanchoslapen kon als zijn buik vol was; en de vlakte gloeit.

Met reinen spot van een superieuren geest die een geheele periode belachen wil en kàn, dacht me zoo, heeftCervantesde groote kale armoede vanLa Mancha, die nuchtere werkelijkheid, gezet tegenover den pronkzuchtigen smuk en de onzinnige krullerijen, het gekozen tot strijdperk voor zijn dolenden ridder, tegenover den leugenbombast der ridderromannenschrijvers die hij belachen wou. Maar hij heeft niet kunnen ontkomen aan de wet der natuur, die hij zelve leeraart in zijn proloog, dat elke gelijke zijn gelijke voortbrengt, en zoo dolen nu die twee uitingen van zijn hooge persoon, zijn twee gelijken, zijn twee geesteskinderen die hij gevoed heeft met zijn roode hartebloed, door die roode vlakte.

EnCervanteszal niet sterven ook zonder die wet bovenzich te hebben erkend, als hij, oud en op, zijn „pequena pluma” aan den wand hangt en zijn belagers in de ooren schreeuwt zijn fier woord, en een oorlogswoord voor elke oorspronkelijke daad:.... „Blijft daar staan, schelmen! dat niemand er aanrake, want voor mij alleen werdDon Quijotegeboren en ik voor hem.”....

De locomotief gilde en de vlakte werd weêr bestreept met geel koren; de grond golfde tot heuvels en er kwamen weêr molens; aan den eenen kant stippeldeCampo de Criptanomet de fameuseSierra de los Molinos, aan den anderen kant ligt Tobosa met haar aardwoningen in het zand, de residentie vanDulcinea.

De trein stopte, de boer werd wakker en zocht naar zijn wijnzak. Bij een hek, langs de lijn, zag ik een oud, mager paard staan droomen in gezelschap van een grijzen ezel. Kameraadschappelijk druilden zij bij elkaâr, het oude knollebeest met den langen hals op den hals van den ezel,RossinanteenSancho'sgrauwtje.

Ik was inAlcazar de San Juan....

52)Pleisterplaats.

'tVroordat het kraakte. Van buiten uit de laagte van het pad kwam het voorbijgaand gepraat van een paar late mannen opstijgen langs het gladde vlak van mijn atelierraam, met hun schoenzolenslag kwam het ijlpunten door de lucht, bevroren tot fijn gespitste geluidjes, geslepen door de kou, rein geworden als hoog jongensgestem. En ik zag hoe op mijn raam de barre winternachtvorst haar bedriegelijk naaldwerk van ijsbloemen aan 't spinnen begon, van onderen uit de hoeken der ruiten op. Naast me ronfelde en laaide de kachel met heerlijken gloed, ik had er mijn ouden leunstoel zoo dichtbij gerold als maar mogelijk was en zóó de warmte indrinkend met mijn heele lichaam, zat ik te kijken vooruit, naar dat broze gefantaseer op mijn groot glas.

Vroordat het kraakte. Van buiten uit de laagte van het pad kwam het voorbijgaand gepraat van een paar late mannen opstijgen langs het gladde vlak van mijn atelierraam, met hun schoenzolenslag kwam het ijlpunten door de lucht, bevroren tot fijn gespitste geluidjes, geslepen door de kou, rein geworden als hoog jongensgestem. En ik zag hoe op mijn raam de barre winternachtvorst haar bedriegelijk naaldwerk van ijsbloemen aan 't spinnen begon, van onderen uit de hoeken der ruiten op. Naast me ronfelde en laaide de kachel met heerlijken gloed, ik had er mijn ouden leunstoel zoo dichtbij gerold als maar mogelijk was en zóó de warmte indrinkend met mijn heele lichaam, zat ik te kijken vooruit, naar dat broze gefantaseer op mijn groot glas.

Waar zou mijn poes zijn; al drie dagen was ze nu weg. Uren had ik haar loopen zoeken, wat kon zoo'n beest er in godsnaam aan hebben nu, in zulk een getij aan 't vagebondeeren te gaan, te blijven slenteren in zulk een metaalharde nachtkou, die alles wat teêr was en onverzorgd, wel vermoorden zou. In het land voor de deur was nu toch niets te halen, het oude gras stond er bevroren, wit als oude haren, dood met het doode land, en in den tuin hiernaast was 't niet veel beter; was zij bij de buren, bij den zwarten kater? Misschien was ze wel vermoord, de jongens van het pad schieten met katapulten, tusschen de rasters door, op de katten, die in 't land snuffelen, zeverkoopen de huiden dan, en zij hád zulk een mooie huid;—God, als die snotneuzen haar eens vermoord hadden. Waar zat zoo'n beest anders zoo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu 'k me zoo alleen voelde, zij zoo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondloopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op den luien stoel naar me komen zien aanzetten, den geringden staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zich zelve opstak. Ik wou haar achter de kachel zien gaan liggen nu, al knipoogend tegen den rooden gloed, ik wou haar de leedjes zien gaan rekken in lui welbehagen, en dan lekken haar lang lijf glimmend met de roode gespouwen tong. Kijk, dan begonnen de zwarte ringen in haar vel te glimharen dat het een lust was, onder den onverpoosden arbeid der elastieke tong, die met lange vegen, in rugveeringen, het vlugge lijf rein streek. Soms hield ze dan in eens op, lang liggend nog, maar de kop was geheven en spits geoord; de oogen wijd gespalkt sloegen als barnsteen aan 't starlichten, en de staart klopte dik en boos-zwart den grond. Hoorde ze het leven van een muis, of een vogel rommelen in zijn gootnest? Maar 't zwarte rondtetje der pupil was al weêr als een gordijntje tot een donker strookje saâmgeschoven, ze lag al weêr languit op den grond, en het snorren kwam zelf-tevreden tusschen de witte snoetsnorren uitbrommen; kijk, zoo zou ik haar weêr willen zien liggen nu, op den rossen vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zóo als een miniatuur van een koningstijger op een roode rots, die zich heet stooft, geslagen liggend door 't zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldigen kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.

Op mijn groot tralievenster was het een gewirwar, een heen en weêr gesnel en gespoel van ijle ijsdraden, vooruit en terug, zigzaggend, pijlrecht en hoepelkrom, krimpenden brekend en doorschietend als flinten in geborsten glas. Op den matten grond van den waterdampaanslag was het als etsgespeel, aan alle kanten schoten de ijsbloemen uit, ruit na ruit bebloeiend.

Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes uit den vriesnacht komen; blauw staalglansde het buiten achter het gekristalliseer op mijn raam; verstijven voelde ik rondom mijn huis den nacht tot een hooge kou, een droog pegeldek van ijs en witte ruigte strekken gaan rondom mijn pannendak, wijl hoog uit den hemel almaar meer blauwe koude neêrduisterde, almaar méér witte kou opijsnaalde uit den klinkenden grond, tot al de levenslucht ervan krimpen en saâmschrompelen zou, en het laatste klein leven vermoord, meedoogenloos onder het hooge gepraal, onder het ver-affe gekilklink der streng starende sterren. Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes, kreungeklaag komend van een kind in koorts....

Toen naar beneden en rond gaan zien in den nacht op het pad; maar van mijn poes geen spoor, er was niemand, er was niets, er was alleen koud duister en klare kou; er was een ijsblauwe lucht, een wijdweg strekkend glazuur, bekrast en bepriegeld met sterren, veredelsteende vonken, als bevroren lichtdroppels zoo koud, tinkelend om den fosfoorstroom van den melkweg, die als een veel bereden ijsbaan, beroofd van harden glans, dwars door het luchtveld ging. Gelijk de koepel van een geweldige ijshal stond de hemel boven het lang-uit-geschuif van het land, boven de rij grenshuizen der laatste nieuwe-wijkstraten, massale schimmen van staand donker voor de uitgebluschte aureool van het licht der stad, een dof steenduister, waarin twee of drie venstervierkantjes eenzaam waren van warm rood leven. En boven duistere loodsenhokken boog de hemel klaarder en killer om en op, die waren weggeschaduwd in het warrig geblok van een fabriek, waar middenin, als een reusachtige ijskegel het hooge gestijg van den schoorsteen klom; boven hetzwartverkleumde padzand met de dorpershuisjes laag staande in de kou, met krampachtig gesloten venstertjes, aan elkaâr geleund, stomp, nietig en zwaar duister, Samojedenwoningen in een geruischloozen noordernacht, zóó verloren in de ontzettende verstijving.

En in dat groote buiten-dood-zijn waren de pad-lantarens vreemde dingen, schril kindergespeel in een sterfhuis, stille, rood afschijnende kaarsen, door vreezende handen gezet bij het lijk van een dooden machthebber.

Maar de meêgenomen warmte van boven was allang verloren en de kleêren uitgedampt, met naaldprikken begon de kou in mijn huid te steken tot diep in het vleesch; den vriesdood voelde ik opkruipen door mijn schoenzolen heen, naar boven, naar mijn hart, waar ik stond; huiverend en vanzelf begeerend naar warmte en licht leven, keerde ik om op het pad, maar riep nog eenmaal, zag onder het geschijn van een lantaren een rood wolkje van rook, mijn adem om mij, hoorde het geluid van mijn stem klanken weêr en bauwen als teruggestooten op metalen wanden, toen was ik binnen in 't donker der trap en ging ontevreden naar boven.

Mijn groote lamp hing als een zon midden in de zoldering, sloeg haar licht tegen de achterzijde van een doek, dat afgewend op een ezel stond, en smeet een vlaag donker de zoldering in. Ik wierp de kachel met kolen vol, want gloeiend moest zij blijven, en toen schurkte ik weêr in mijn stoel, met al het genot van de warmte tusschen de knieën te hebben. Waar zou dat beest zijn, als ze nog leefde vroor ze bepaald dood, dat kon niets weêrstaan, niets dat zoo klein was als mijn kleine kat.

Maar stil blijven, onmogelijk; onrustig was ik aan 't heen en weêr loopen begonnen en telkenmale in den op-en-neêr-tred, zag ik hoe op mijn raam het gebloemte der kou groeide, almaar dóor ging het geheimvol gevirtuoos zijn gespeel. De ruitbladen waren nu dik bevroren, elk blad was een veldje met wit onkruid bewoekerd. Denacht buiten was weg, het lamplicht stuurde glansspritsen henen, deed gele gouddraden fonkelen in het zilveren ijsgespin.

Dat was een vreemde flora: daar waren bloemen, geheele tuilen bloemen van kristallen en rijk gerank van naaldijs; daar waren wintertulpen met lippende bladen, gestreept als zomeranjelieren, gekarteld en gesplitst; daar waren bekerbloemen als vischbekken open, windekelken uit ertsen opkomend, droog geneeskruid, wit ijsloof; daar was een wild opgeschiet van niets-waard-zijnd onkruid, en het rijke gebluf en gewring van kas-orchideeën; daar waren gestekelde distels, gansche bossen harige brandnetels, en daar wilde kervel. 't Was allemaal wild gewas, verwaaid klein goed, door elkaâr gewoekerd; 't zag er uit als ruig veld er uit kan zien waar wieders door gingen, mannen met zware klompenvoeten; gestroopt en verfomfaaid was de bohemenvegetatie, verpletterd, als wilde planten worden door een wilden wind.

Kijk, daar in de hoogte was een ruit bevaagd met schimmen van bloeisel, zooals ik dat buiten dikwijls zag, diep schemeren onder water, op den grond van een vijver; ik kon ze hier zien groeien, en worden tot de ragteêre karkassen van boomloof bewaard tusschen de bladen van een oud boek; en naar lager, daar was het een forsch gestengel, een geslier en gescheut dwars over het glas, in neêrhangend bladgewapper, gelijk pluimriet, als flakkerend lies, als lang gladiolussengroen. Klein gevlok, sneeuwklokjes, groeiden er verborgen tusschen. Daar was een ontbloeien van kristal-metriek en plantenlenigheid, metrieke bloemen, prisma's en octaëdertjes aan varens gewonnen, mineraal-rijkdom gegroeid aan duizendnaaldige dennen of aan het fijne getak van rendiermos; daar waren pluimen pronkende pauweveêren en daar een bezemig gehaar en gestekel als borsteltjes kattesnorren. O, 't was een mooie flora, het witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten, dat tot ruigten worden gingin gester en gestengel, in geblader en gekristalliseer.

Zou het toch niet kunnen, dat mijn poes was in den tuin hier naast, ze hield van boomen en verzot op vrijheid als ze was, hield ze er van te zitten in het hoog takkengearm om daar te loeren naar vogels; ze hield van dat hoog zitten in den wind, stevig gezeten in den haak van stam en tak; ze was wel eens zóo hoog geklommen, dat ze niet meer omlaag durfde komen, stijf bleef onder de hagelbui van steenen die haar opjagen wilde en er toen uitgehaald worden moest. Toen had ik haar geslagen, en als zij nu weêrkwam zou ik haar weêr slaan en haar die kuren wel afleeren van altijd weg te loopen en mij te laten alleen.

Bah! zoo'n beest, waarom niet; 't was als de rest, 't zocht zijn pleizier en haar eigen goed leven. Bah, zoo'n beest, waarom niet?

Maar met dat al had ik toch maar niets geen macht iets te doen. Rondloopen bleef ik, op en neêr, van het wit koude raam naar de roodheete kachel en dan weêr naar het wit bebloemde raam, op en neêr, als een beer in zijn hok. Ik had wel willen lezen, maar jawel, op iedere bladzij kwam een kattekop, en.... werken.... maar werk eens, werk eens als ge wat liefs verloren hebt! Bah! werken, was alles hier óm me geen werken? Scheen 't lamplicht niet in een werkzolder, arbeid belichtend, geploeter overal. Bah, werken. God, god wat was het koud hier. 't Begon hier al even hard te vriezen als buiten; kom, nog wat kolen in het vuur en dan....

Hoor! daar komt de schorre schreeuw van een nachtboot in den Amstel, nu is het al laat. Hoe laat? ik hoor het galopje van den klokketik niet, de klok staat stil; maar die boot zal het ijs wel scheuren, denk ik, hij zal den boel om zich heen stuk slaan, 't moet wel. Hoort, daar gilt ie weêr, wat een neusgalm, 't rochelt de pijp uit, 't lijkt wel of zijn gelawaai door een mist komt. Zou 't zijn gaan misten? Vorst en mist dat is schelvischweêr, en schelvischkoppen dat is al eten voormijn poes, en dat is de trek waarom ze 't huis uitloopt.

Drie dagen was ze nu al weg, de Bohémienne.

Waar zou ze zijn, waar, waar?

Wat was het hier goed, wat was de kachel goed, de warmte goed. Ze gaat lustigjes langs 't hard ijzer der pijpen op, teêr aan te zien trillert ze op, snel ijlend kringelt ze fantasieën om de pijparmen; ze stijgt in het laag gebalk, ze wemelt tot een rookje in het goud geschijn om de lamp. Zoo vult ze den zolder, mijn domein, met loom gedroom, zóó wekt ze begeerten naar voortbestaan in zoel gemak, waarbij men zich de handen wrijft; wat zou mij de groote dood buiten maken kunnen, wat de winter met zijn tirannie van ijs, weefde hij daar niet in een gril van zijn opperste bekoring mijn huis met bloemen vol?...

Waar zou ze zijn, waar?...

Zou ze liggen tusschen de stammen der boomen, tusschen de stammenmasten in den tuin hiernaast; of zou ze liggen in het droog-knappend gekreupel, dood gevallen uit een hoogen boom; zou ze daar liggen, krom op de aarde of weggezakt in het vaalrotte loof? Dood, dood, gevoelloos voor kou en naar weder, en voor mijn roepen doof....

Of zou ze liggen, lang uit, plat in het leêge land, in het witte gras; zóó klein, zóó niets, dat niemand haar meer zal vinden; dood gestrekt in de al-koude winden, in een kuil, dien een paardenhoef sloeg toen 't nog zomer was.

Vermoord....

O, mijn kleine, mijn koningskat, als ge zóó dood zijt, als ge zoo moet verdwijnen, dan zal ik u bouwen uit mijn harteschat een ruim rein graf, een mausoleum van ijslijnen.

Daarvóor is heel de hemel mijn, zoo hoog en koud hij mag schijnen, ik zal er van nemen ijslijnen en weven een wade om uw kleinheid fijn. Met gebloemt van dekou, met sneeuwgeontblader, met dons van rijp en met briljanten van ijs, kom ik u dekken, zal ik u strekken in mijn doodenpaleis.

Daar is 't gewulf van blauw kristallijn, en dáar zullen sterren en doodsvlammen zijn....

Wat was dat? Neen, deze maal bedroog ik mij niet.

Dat was miauwen en dat kwam van dichtbij, van achter de deur. Opgesprongen, de deur opengerukt. Br... wat een ijskou, de wanden zijn wit, de straatdeur staat aan. Opengelaten. Maar daar zat ze op 't vloermatje. O, klein, wat klein. Brr... wat een ijskou. Ze staat niet op. Ze knipoogt tegen het helle licht uit den zolder. Wrevelig en een beetje haastig stap ik over haar heen en geef haar een stootje met de punt van mijn schoenvoet. A là. Zacht, ze gaat al, naar binnen, mager, enkel vel.... Ze gaat onhoorbaar, met kleine schokjes in 't gebeentetje der schouders, net als een arme slokkerd doet die een zwaar geladen handkar voor zich opduwt. Brr.... Holderdebolder de trappen af, de deur met een smijt toe, dat de glazen rinkinken in den vriesnacht.

Boven. Daar zat ze, midden op den vloer, de door de kou geslagene, ijselijk in het licht, de twee voorpootjes naast elkaâr geblokt op den grond. Rechtop zat ze op den zoom der schaduw van het doek op den ezel.

Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd beest, een oud beest, een verloopen beest. Waar waren haar jonge oogen, haar klein kinderronde oogen? waar haar mooi vel met de glimmende runen? waar haar ijdele staart, en waar, waar het heerlijke fluweel van haar oortjes? Neen, verdoemd, dat was een vreemd beest. Dat keek niet meer, dat schuwoogde, dat waren de vage oogen van een zielig mensch, overgeplant in een vreemde omgeving. Dat was ziek gekijk, niet dat van mijn beestje,.... verdoemd.

Miauw!.... wat een vèr geluid.... Dat kwam nog uit het land, dat kwam nog van de straat, en 'k had het welgezien, het bekje van binnen was niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit....

.... Miauw!.... „Schei uit, beest. Schei uit, of 'k jaag je weg”....

In mijn stoel en aan 't redeneeren: „waar kom je van daan? waar heb je zoolang gezeten hé?”....

—„Heb je geen honger? Al drie dagen staat daar vleesch en brood en melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest.”

—„Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de kachel. Kom je niet?”

Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalig levenden kop er aan, het haar voelde stug en koud.... het zachte gedons onder den buik was aan elkaâr gekleefd en tot piekjes bevroren.

Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal....

Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn oogen.

—„Kom, Louis, sta nu eens een beetje stil.”

—„Ja, mijnheer Ko,” zei hij onderworpen.

En 't was weêr een poosje werkstil in mijn atelier. Onder het daklicht, tegenover mij, stond de jongen poseerend voor zich uit te kijken, de handen in den zak. Zoo had ik hem eens voor de deur zien staan als straatventer van lampeglazenwisschers en komfoor-treeftjes, en ingepakt dadelijk door zijn mooi openluchts-uiterlijk, had ik hem overgehaald bij mij als model wat geld te verdienen. Dat deed ik nu al een tijdje, 't was wel een goedkoop model, maar 't ging maar niets.

Nu stond hij daar. Hij haalde met een luien ruk zonder de handen te gebruiken, zijn broek die met een touw om zijn heupen hing, op, en keek vervolgens uit de blauwe oogen schuin, op zijn gemak het raam uit, naar de groote lucht, in de wittige zon, waarin droge sneeuwpluisjes als losgestoven donsveêrtjes, men weet niet vanwaar zij komen, voorbijgingen aan het raam.

—„Neen, Louis,” zei ik.

De jongen keek den zolder in naar mijn gewerk en een onnoozel-slimme lach spleet het rood van zijn zinnelijken jongensmond vaneen, de wangen poffend; maar eer ik goed opkeek was die lach weggemoffeld met een lippenbeweging alsof hij hem snel inzoog en stond hij zoetsappig voor zich uit te kijken. Ik wist al lang dat de schooier me uitlachte. In zijn vlagen van losbandige onverschilligheid had hij me meermalen gezegd, hoe zot hij het vond zich zoo af te beulen op zijn bakkes.

Maar opnieuw zochten zijn oogen verstrooiïng en hij zei:

—„Ze hèt 't leelijk te pakken.”

Hij sprak van de poes, die in elkaâr gekrompen zat in de kussens van den rieten stoel onder het raam. Gisteren was ze den geheelen dag onrustig geweest en had haar bedorven maag en ziek lichaam rondgesleept door den zolder; maar nu bleef ze stil, wilde niets eten en drinken; suffend zonder slapen zat ze kleintjes, soms met lustelooze oogen kijkend naar mijn bewegen.

—„'t Is toch een lief beestje, 't is toch jammer.”

De schelm. Zooeven had hij mij gezegd dat ik haar maar dood moest slaan; hij wou 't wel doen, hij wist de huid te verkoopen voor zestien stuivers.

—„Kom, poes, gaap eres,” zei hij, in eens uit zijn onbewegelijkheid schietend, en met het gele borsteltje van een lampewisscher begon hij 't beest aan den neus te kittelen.

Ze schoof stom achteruit, bang voor het gele gedrocht.

—„Wil je het gauw laten, hè.”

Een wreed lachen schoof kort hortend den jongen den mond uit. Hij was voorover gevallen van plezier, den krulharigen blondkop met de ruige petkluit van oud bont vooruit, saâmgevallen schaterde hij 't uit, de handen op den buik, onder het blauwe gezwabber van het bijna plooilooze vest.

—„'k Mot altijd zoo lachen als u kwaad wordt,” zei hij, toen 't eindelijk gedaan was; „maar 't is toch een lief beest, 't is toch jammer.”

—„Eergisteren heb ik nog twee katten gevangen,” praatte de jongen voor zich uit met zijn spuugstem. „Eén heb ik er op zijn kop getrapt, daar kennen ze niet tegen.”

—„Niet?”

—„Nee, ziet u, ik schoot em eerst met een steen, hij liep in het land bij ons op het erf, bij de wagen van m'n zwager, ziet u, en daar begon ie te draaien, en toen dacht ik, wacht; en 'k liep naar em toe, en ratsch, mijn hiel op zijn kop. Kijkt u, zoó.... Ach, toen was ie toch meteen uit zijn lijen ook. Wat zegt ú nou?”

Zijn hals en krop was onder 't vertellen aan 't zwellen gegaan; zijn stem werd almaar natter, of 't water hem van achter kwam loopen in den mond; toen hij met zijn hiel draaide en stompen gaf in den grond op de denkbeeldige kat, had er een scheutje oogenwit woest geflikkerd, maar langzaam zakten zijn zware oogleden neêr, 't brutale smoel was weg en hij stond weêr onderworpen, 't hoofd sentimenteel op zij.

En toen zijn stem met een hap ophield was het stil, opnieuw werkstil. Beneden onder het raam trippelden kinderen voorbij, de school ging uit. Ik hoorde hun druk gekibbel, hun opgewonden-zijn in de langzaam vallen gaande sneeuw. Daar ginder kwam gillend een jongen hard aanloopen; achter in mijn werkend hoofd kwamen de frissche geluidjes, jubelend geklank, hoog lachjesgesteiger vol jonge onnoozelheid. Maar als bezeten arbeidde ikvoort, worstelend om het vliedende gezicht te vatten en te hervatten op dien jongen, dat ik me telkens en telkens, dagen lang, ontsnappen zag en verder weggaan en dan weêr even aankomen, in de wisseling van het geweldige leven dat uit hem spotten kwam. Beneden uit de steenhouwerswerkplaats bomde het onder me, het dof klopgeslaag der houten hamers gruizelend den steen.

Wat een wuft gegroeide neus en 't leek wel of die vagebond honderd monden had; zoo straks was zijn hals rank als een schooljongenshals en nu was 't een krop dien hij opblies, een zak dien hij volstopte met zijn opborrelende wilde neigingen.

Maar in een geslobber van zijn oude kleedij, lui staakbeenend in de afgerafelde broek en te vadsig nog om zijn handen uit den zak te halen, liep hij van zijn plaats zonder iets te zeggen, met de voeten sloffend en zakte neêr op 't matte stoeltje dat ik voor hem had klaargezet als hij rusten wou.

—„Je krijgt zoo'n pijn in je rug van dat staan.”—

—„Och kom, je hebt gisteravond zeker weêr te veel jenever gedronken, je kop is van morgen net zoo rood als een rooie kool.”—

—„Heere God nee, ik ben er af.”—

Hij zat al met de ellebogen op de knieën neêrgelaten, en met zijn bontpet als met een dood beest spelend, hing hij voorover, log, vierkant, een vracht op den vloer. En zoo liet hij me neêrkijken op zijn gemeenen rug, die bot kwam onder het opgestop van de vracht oude kleêren, welke arme menschen om de kou over elkander dragen. Onder het neêrstortende vallicht was die rug als een vlak stugheid, een hard klankbord, waar elke goede redeneering op afstuiten en stuk slaan zou. Er was iets zoo geweldig beestachtigs in het geglimmer van zijn ronden rug, iets zoo laags bij den grond in dien nederig gebogen slavenbast, hoe was het mogelijk dat ik in die kluit grofheid ooit had gezien en er telkens weêr inzag, eventjes,eventjes, het frissche van een openluchtskind, het losse van een vrijen lanterfanter die gaat zoo 't gaan maar wil.

Zoo had ik hem gezien en zoo was ik hem begonnen, dwalend van uitzicht, mak als een wilde zomervogel in den ontbering-brengenden winter; maar toen 't geld gekomen was, 't geregelde geld, toen verdween dat alles; dan kwam hij 's morgens aanzeulen, hunkerend naar meer geld, opgeblazen, met de uitspatting in de oogen van den vorigen avond, met het zwelgen nog zwellend in zijn wangen en hals. 'k Zou hem maar weêr een poosje de wei in sturen; maar hoe kreeg ik hem dan terug; hij woonde met zijn moeder in een kermiswagen en driemaal op een dag sprak hij er van om soldaat te worden en dan weêr naar zee, en dan weêr wat anders, uitvliegen, uitvliegen, 't was een ellende.

Stil zat voor me, toen ik mijn palet neêrlag, mijn poes met ingezakten rug, met de bekkenschonkjes en schouderplaten stekend door het vel, tot een bangelijk hoopje saâmgehurkt in het mousselien van het stoelkussen. Ze had de pootjes opgetrokken, weggeborgen onder het haarvel en de staart als kouwelijk om zich getrokken. En ze was zoo stil, men merkte niet dat ze er was; alles aan haar was stil, het kopje met den bleeken bloedloozen neus, stil; en de oortjes steil, aan de randen droog en dor, zonder een knipje beweging; ze was een doodstille zieke zóo; alleen achter in haar halftoeë oogen donkerde en schroeide de levende koortspijn. Ik had haar een legertje gemaakt bij de kachel, denkend dat ze 't koud had, maar sluipstappend en kleinlijk klagend was ze de warmte ontloopen en teruggekomen onder de frischheid van het raam. Toen had ik haar maar aan haar lot overgelaten, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.

—„Neen! 'k wil ze niet meer!” spuugstemde de jongen met zijn kop naar den grond.

Hij zat wat te frommelen met zijn zwarte vuilvingersaan het dotje van een rouwstrikje op zij van zijn pet, toen kwam hij overeind, eerst de eene arm, dan de andere.

—„Ik kan er anders wel teugen, ziet u, maar twintig borrels dat is toch te veul, wat zegt ú nou?”

—„Jij liever dan ik.”

—„Wat?” schoot hij snoeverig uit, zich ferm en recht makend, „de broer van Jan drinkt er wel dertig.”

—„Wie is Jan?”

—„Wel Jan, dat is de baas van het danshuis waar ik wel es speul, u weet wel.”

—„O ja.”

—„Een goeie man die Bram, die houdt veel van me, maar hij heeft al twee maal een toeval gehad; hebt u dat wel eens meer gehoord, menheer, de vlam sloeg hem de keel uit, van de hitte van binnen, van de brandende jenever!”

Er ging een ribbeling door het vel onder zijn oogen en zijn woorden kwamen uit zijn mondholte zacht en bang, toen hij nog eens zei:

—„Nee, 'k wil ze niet meer.”—

Maar dadelijk zijn angst verjagend, verzette hij zijn dunne beenen en kletste voort:

—„We hebben samen al wat een lol gehad, want 't is wat een goeie man. Hij mag me graag. Ze magge me allemaal graag. Weet u nou hoe dat komt?”

—„Nee? Ziet u, dat komt omdat ik altijd zoo vroolijk ben. Ik ben altijd vroolijk, ziet u. Ik maak m'n moeder altijd aan 't lachen, ziet u. Laatst toen mijn vader zaliger stierf, heb ik er nog aan 't lachen gemaakt. Ze zei teugen me: „Louis, wil je nou nog niet eres je ouwe vader voor 't laatst gedag zeggen”.... en ze huilde zoo.... ik zei, ja moeder.... en toen ben ik naar zijn bed gegaan bij ons in de wagen.... ziet u.... en ik heb gezegd, „nou dag, vader, 't ga je goed.” Toen is mijn moeder beginnen te lachen. O god, ze lachte zoo.... ik dacht dat ze mijn ouwe weêr heelemaal levendig lachte.Ziet u, daarom maggen ze me nou allemaal zoo graag.”

Ik was geduldig over hem gaan zitten en liet hem zijn praatzucht uitbuiën. 't Waren juist de dagen als hij den vorigen avond gezwendeld had dat hij zoo doorsloeg, om 't werken te ontkomen. En hij had een slag van verhalen doen, hij kon me soms aan 't luisteren zetten naar de echo van zijn wild leven. Uit zijn ongeleerd hoofd spon hij soms tafereelen, waarbij 'k mijn studie en mijn werk vergat.

Hij kon me vertellen hoe hij ging zoodra de kou voorbij was, met zijn wagen, zijn gewielde woning, en zijn moeder, die hij zijnkokkerolnoemde, zijn vader:stérestan, en met zijn hit, gaande van kermismarkt tot kermismarkt, levende in de groote lucht, in de groote zon. Hij kon me vertellen van zijn bivakken aan de straatwegen, met het paardje grazende aan den kant van een trekvaart, hij deed 't ho.o.o.... ho.... van de schippers tegen de schuitjagers na. Hij kon vertellen van warme zomerdagen met gestolen aardbeien verfrischt, en van zoel wasemende nachten met hooilucht vol. En hij vertelde graag, al snoevend, van zijn jongensvechtpartijen en van de groote die hij had gezien, nadruk leggend op het mooiste en bloedigste, in het meêgaan met zijn verhaal. En ze waren soms wel wat bont zijn geschiedenissen en vol van noodkreten uit houten reiswagens, angstkreten uitgestooten in den nacht, van onder de neêrgeslagen zeilen der veldtenten, om hulp roepend, en van onder de hangende nachthuiven om mallemolens, waar 's morgens vroeg, mannen met woeste nachtharen elkaâr nazaten met bloote messen om een vrouw, zoekend elkaâr te steken en te dooden in het morgendonker, tusschen de houten paarden door en tusschen het stijve geschommel der geel geverfde leeuwen van het caroussel.

En hij wist te verhalen, en hij deed het graag, van dichtbij geziene bacchanalen, van menschen in troepen en 't keurslijf uit. Dan leefde hij op, dan begon hij te stappenen met zijn armen te doen; met een ruk had hij zijn pet schuin gezet, en met grooter oogen kijkend naar mij om, riep hij, „kijkt u, zóo!” Hoe hij ging in den roodwalmenden kermisnacht, in de bolle opwinding van muziek overal vandaan, in het vette gegeur van goedkoop oliegebak, overal in de lucht, een lollenden menschentroep vooruit; bezetenen van vrijheid en jenever als hij, die op zijn harmonica zagend, in de ruimte zijn hoog heesche jongensstem voor zich uitstuurde, zingende: „Och meissie, wà bè je lief en skoon.” En dan zag ik hem weêr, dan sprong en rees er uit zijn afgestompten jeneverkop, uit zijn winterdofheid, zijn loutere jonkheid op, soms als een straal spattend uit een aangeslagen vuursteen, soms tot een breedheid van vlammende verbeelding gaande om hem, komend voor het geslobber uit van zijn luien gang; en er was iets heel ongewoons, iets heel frischs in zijn vuile stem, als hij dan neêrviel op zijn stoeltje en zijn groot verlangen naar den ruimen zomer uitzuchtte: „'k wou dat 't maar weêr voorjaar was.”

Maar als hij, zooals nu, aan 't vertellen sloeg van zijn gezwerf, van zijn nachtbraken en van zijn gauwdievenhistories uit de stad, dan schoof er vaak tusschen hem en zijn naar diefstal en jenever ruikende vertelling, plotseling als een staak uit den grond, zijn groote angst voor de politie; dan bleef hij in de war gebracht staan, stom, met nog pratenden mond, alsof een vuist hem had gegrepen van achteren in den nek, en hij zweeg, zweeg, begon nog eens stotterend, maar sloeg dan aan 't liegen dat hij 't zelve geloofde.

Och, liegen, dat wist hij niet wat het was, hij loog uit gewoonte en uit lust om te liegen; als een artist te midden van zijn materie, stond hij vaak midden in zijn jokkerijen. Dan verstrikte hij in zijn eigen verzinsels, en eer het verhaal gedaan was had hij zich wel tienmaal versproken. Deed ik dan maar, en dat was voor het werken het verstandigste, of ik alles geloofde, dan voelde hij dat niet, sloeg door,almaar meer meêgesleept door zijn fantasieën. Maar soms gebeurde het dat ik het kriebelen van den lust niet weêrstaan kon en hem zei hoe hij loog, dan werd hij kort en norsch, of wel lachte me driest in 't gezicht uit; of zooals meestal, hij maakte zich sentimenteel, lei het hoofd op zij, begon te klagen,schijnheiligewoorden, fraseerend zoo zijn grootste leugen, de leugen van zijn bestaan, de leugen die hij met de moedermelk had ingezogen en de leugen van zijn gansche ras en soort: „och een mensch mot al wat doen om zijn broodje te verdiénen; wat zegt ù nou?”

Het rusten had nu lang genoeg geduurd en ik zei:

—„Wil je?”

—„Ja, menheer,” maar hij bleef zitten.

—„Neen, ga nu staan. Als je 't goed doet krijg je een sigaar.”

—„Hè, twee, dan heb ik er van avond ook nog een.”

—„Twee.”

—„Ik geloof dat er maar weinig jongens zijn die 't bij u zoo goed hebben als ik.”

—„Kom, ga nu maar staan.”

—„U bent een goeie menheer.”

Hij hielp zich op, schokkend in een korten, als een plotselinge hoeststoot, hortenden lach, kwam heelemaal overeind en slobberde in alle vadsigheid vooruit.

En het werken werd hervat onder het luide gegeeuw van den jongen, die met een wijd kakengegaap omdraaide op zijn plaats en me toen kijken liet in zijn open mond met wreede, stompe tanden; als een apenbek, bleek-rood van binnen, klepte de holte toe.

—„Allemaal lust.”

Na het geworstel kwam al gauw het krachten slopende geploeter, om het leven te geven, het leven dat alleen leven voortbrengen zal. En het gewerk bezat me weêr, dat alleén maar mijne groote behoefte voldoen kan naar dadengeleef.

—„Kijk, kijk ze wil er af. Kan je wel, poes?” spotte de jongen. „Wil ik je een gatje geven?”

De kat was opgekomen en probeerde voorzichtig te dalen van het kussen, 't lijf stijf voorover geheld, den staart slap achter haar aan; zei haar instinkt haar dat ze er morgen niet meer zou kunnen afkomen? Ze aarzelde, tastte met de pootjes onder zich en liet zich eindelijk zoo gaan. De nagels haakten en krasten weêrstrevend langs 't afgezak van 't stoelkussen; maar ze viel zacht op den vloer, zonder geluid begon ze dadelijk te stappen, maar niet wankelend, de pootjes nog klauwend aan den grond.

En als een slaapwandelaar die niet ziet of hoort, maar recht voor zich uit gaat in de zekerheid van zijn droomen-visioenen, ging ze, op den grond bewegend, onder mijn hooge oogen voorbij, tusschen den jongen en mij door, den ezel langs, recht naar de deur.

—„Ze wil er uit,” zei hij.

—„Neen, ze zoekt de frischte.”

Ze was al bij de deur. Daar stonden twee schilderijkisten als armelui's doodkisten, wit houten plankenbakken, ruw en ongeschaafd. Ze stonden schuin geheld tegen den wand daar, met de losse deksels, geleund voor elkaâr. En zij schoof de donkere sleuf in, in de gaping er tusschen, de staart stak er nog uit, doch ook die verdween. Maar even daarna kwam haar kopje weêr schemeren, ze had zich omgedraaid, zooals een kat dat doet in zijn nest.

—„Laat haar maar met rust,” zei ik tot den jongen.

—„God ja, 't is wat een lief beest; 't is toch jammer.”

Ik zette een schoteltje water voor de kisten-opening, zieken zijn dorstig,—maar toen weêr aan 't werken, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.

Buiten voor het raam was de sneeuw aan 't dwarreldansen begonnen, in een schuin-gekruis, in een opgezweef en neêrgewemel van witte vlokken, en een bleek geschemer kwam schaduw sproeien in de ruimte van den zolder,sluierend het raam, als een scherm van dun gaasdoek dat doet voor de lichtschuwe oogen van een doodzieke.

Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen schouwende oogen die stom in zich zelve leden.

Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar geschud, en gemeend had ze: het zouen misschien de tanden zijn, daar gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend nu boven haar klein gestap, en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen de kisten, koppig saâmgehurkt in haar sterf hoek, norsch gesloten in al haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in den toorn om zijn lijden gesloten loopt.

En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meêneemt en de voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft. 't Was een Zondag, de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad lang gaan,rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand. En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar gerel; het kwam, zuiver klepelgeklank in de ruimte leêg van geluiden, als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land, wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.

En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte daken, doodsbaren onder witte lakens.

Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.

Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het dooiwater lekte en rikketikte om mijn huiswatergestraal en gesijpel klutsten kuiltjes in de sopperige brij van sneeuw en modder, en groeven de voegen tusschen de gele straatklinkers uit. En er was binnen een gezuig en gezucht van ontlatende kou, en op het dak en uit de boomen in den tuin was 't een voorjaarsleven alsof er veel katten leefden; maar met plomp geruisch, met den gedoofden slag van schoppen aarde op een kist, vielen de plakken sneeuw langs de pannen op de aarde neêr. En er was een lucht van ontbinding en overgang overal, de lauwe geuren van wegterend wintermooi, lucht van dooiwater en van rottend ijs en van sneeuw die vergaat. Nattig ook kwam het licht treuren naar binnen, blauwend als een waas om gebroken oogen, zóó de ruimte nemend voor haar week geschijn.

Nog leefde de poes; ze zat klein maar vast in haar hoek gehurkt, tusschen de kisten zonder een geluidje van lijden, den kop laag, de oogen in een booze doodstrakte, boven het schaaltje met gesmolten sneeuw.

't Was wel al twaalf uur toen de jongen schelde. 't Leven uitsnaterend kwam hij binnen, hij had niet vroeger kunnen komen, hij had zich moeten aangeven voor de militie. 't Dooiwater droop uit de rafels van zijn broekspijpen bij elken tred dien hij hooger klom achter me op de trap; hij droeg de modder neêr van zijn gedool door de slijkstraten, overal waar hij zijn slofvoeten schoof. Hij slobberde heelemaal naar binnen, als altijd met de handen in zijn zakken, duwde de deur met een achteromstoot van zijn elleboog dicht en schreeuwde toen dadelijk, mij bij de kisten ziende:

—„Heere Jezus, ze leeft nog; nou hoor, da's een taaie.”

Zijn blondkop slingerde op zijn schouders, hij droeg daarop een nieuwe pet, schuin, losjes op het rechteroor; 't was een blauwe zeemanspet met recht glimmende klep, met een glad gelakt stormriempje aan twee koperen knoopjes, waarin geel-glimmende ankertjes blonken. Ook zijn das was nieuw en niet als een touw meer om zijn halsgedraaid, maar met zorg behaagziek gevouwen en dan met een loopenden matrozenknoop onder het strottenhoofd dicht gehaald.

Dadelijk was hij thuis en neêrgevallen op zijn stoeltje.

—„Waar is je pet?”

—„Hier.”

Als een oud vel en dichtgevouwen in vieren kwam het ding zijn zak uit.

„'k Heb hard geloopen,” begon hij te liegen met een hik, „want 't was al laat; we hebben veel lol gehad, we waren wel met zijn twintigen jongens.... he.... maar die heeren die hebben altijd de tijd, ze hebben me lang laten wachten, wel.... wel.... drie uren. Ze mosten me opzoeken in de boeken, wanneer ik geboren was, ziet u. Nou weet ik 't meteen.... mijn ouwe vrouw wou 't nooit zeggen, dan hoeft ze niet te trakteeren als 'k jarig ben, ziet u.... maar nou weet 'kt.... den zeuvenentwintigste Mei van het jaar een en zeuventig.... Weet u nou hoe oud of ik ben?.... Nee?.... achttien.... de heeren hebben 't gezegd, van 't jaar één en zeuventig.... een mooie leeftijd.... as 't m'n ouwe maar wou, dan ging ik naar zee, naar den Oost.... maar 'k ben al twee keer teruggehaald.... m'n moeder geeft 't telkens an.... één keer was ik in Harderwijk. Je kan teugenswoordigs niks meer doen, wat zeg ú nou.... maar ik word toch afgekeurd, ik heb een springaar in mijn oog, hier in mijn rechter.... een springaar”....

Dat beloofde wat. Het geslenter van den ochtend, het de-held-zijn van een troep wilde jongens, allen dapper omdat ze zich hadden aangegeven voor den soldatendienst, het schetteren onder elkaâr over oost en zee en mooie kleêren, het getrakteer, het telkens er nog ééntje pakken, het luidruchtig geboemel van jeneverkroeg naar jeneverkroeg, had hem losgemaakt in het geontdooi van den winter en het leven in hem wakker gegeeseld.

En hij was dien middag onwederstaanbaar. Gelijk hetbruis op de lippen van een bezetene borrelde het leven over zijn lippen: het spoog uit zijn oogen, het schuimde in zijn mond, het leefde uit zijn losgeraakte armen en beenen; met zijn handen, niet lui meer, begeleidde hij in de lucht zijn vaag gevisionneer. En in het opgeblazen durven, in het zelfgevoel van zijn dapperheid was hij aan 't tabakspruimen begonnen.... „een man mot kenne pruimen wat zegt ú nou, ja.... want wie geen slokkie lust.... dat 's geen kerel.”.... En hij stond half te kauwen of dan weêr de heete pruim in zijn mond heen en weêr te gooien; er kwam een klein vies optrekken van het wangenvleesch om de neusvleugels, de mond viel een beetje open, want 't overvloedige sap kwelde hem en kwijlde zijn mond vol. Dan liep hij van zijn plaats, in 't fatsoensbegrip van bij een heer niet op de planken te mogen kwalsteren en hij spoot het tusschen zijn scherpe tanden door sissend in den kachelbak, of wel, dikwijls als hij niet durfde wegloopen van zijn plaats, slokte hij met een weêrstrevend gewring van zijn heele keel het bittere sap naar onder.

Zoo ging de middag voorbij, van werken geen sprake; telkens bovendien liep ik even kijken naar de kisten, in de spanning van het wachten op haar sterven. Zijn luidruchtigheid ging heel veel over mijn hoofd heen, ik was met mijn gedachten niet bij hem.

Dus deed hij wat ie wilde; met zijn wildebeesteninstinkt voelde hij dat hij de baas was; de enkele malen dat ik hem verbood, lachte hij slim of hield zich sentimenteel; maar dan rommelde op den zolder weêr zijn genot rond en zijn luidruchtige pretstem kletste voort; hij rakelde al zijn kennis en kunstjes bij elkaâr, opsnoevend tegen zich zelven bedacht hij nieuwe dingen, om mijn aandacht te hebben, om het werken, het stilstaan te ontkomen.

Hij keerde een brandend stompje sigaar met zijn lippen in den mond om en rookte met het vuur naar binnen, en flapte het dan weêr zijn natte lippen uit, en trok enhaalde met hol ingezuig van zijn elastieke wangen het natte en half uitgedoofde eindje weêr in rooden brand. Hij beet een cent door midden, het koper knauwend en wringend tusschen de klem van zijn wreede tanden. Hij maalde een stuk kool uit de kachel fijn, knersend liep het zwarte sap zijn mondhoeken uit. O.... maar hij kon nog wel wat anders.... Hij begon omgekeerd over den zolder te loopen, zijn handen met gesloten vingers als van een aap, plat op den grond, de beenen knieknikkend in de hoogte spartelend, het vuile jasje als een jak afhangend om zijn kop en handen. En daarna nam hij een stuk papier „pampier, genogt” en vouwde het in wel vijftig repen, langzaam, geduldig, als was het een gewichtig iets, precies, en begon toen: „kijkt u” er meê te draaien en te wringen, het uit te klappen en dicht te slaan, het te rimpelen en te plooien tot allerlei figuren als een volleerd goochelaar. Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon: „Dat is voor 't eerst, Heeren en Dames, een kleine hand-harmonica,” lijmde en zong zijn kermisstem als stond hij midden op de markt onder een hoop kijkers, of voor een deftig huis met veel kinderen om zich in een wijde straat. Figuur na figuur kwam en wrong hij van 't papier, dingen met stompe gelijkenis aan de dingen die zij verbeelden moesten. „Dàt is een tràp om meê naar bóven toe te gaan; kijk nou draait ie, dat is een kerkraam.... en dàt een kokarde die de heeren postiljons op de hoeden dragen en dat een ster voor kòningen en kèizers. Dat is een zonnewaaier om te verkoelen.... en dat een époulet die de heeren officieren op de schòuders dragen.... Dat is een klein schilderhuisje en dat een wijnglas waar de heeren graag sjampànje uit drinken.... en dat een kánapee en dat een voetenbankje en dat een kinderenwieg, Suja.... Suja....”

Het stijve papier ratelde tusschen zijn vingers, frommelend en friemelend en knijpend en rekkend: „ziet u, 't pampieris te stijf, 't mot olifant wezen”.... ontwikkelde hij met veel armgewerk en vingergeschik, het gevirtuoos een beetje ontwend, zijn reeks van papieren gelijkenissen. En hij liet de gewrichtjes der vingers knakken en kraken, als hij met een slag, een hokus-pokus-slag, het eene figuur uit het andere haalde, tot het vermaak der menschen die hij denkbeeldig om zich had. Het lesje liep af.... de letter K kwam, een Spaansche halskraag werd een preekstoel met een trap er aan.... en toen de raderen van een stoomboot die door het water vaart.... „Dat is een priëel,” zong hij.... „en dat het mussie dat mijn zalige grootmoeder droeg, is ze niet zàlig dan is ze ten minste gelukkig uit de vòeten.... en dat is een spùugbakkie.... en dat een kuipersschaaf.... en dat een koetslantaren.... en dat, Dames en Heeren, is een Engelsch zoutvat en als je nou allemaal wat geeft dan heb ik óók wat.”

Het gestrookte en beduimelde papier, grauw geworden onder het geknoei van zijn morsige vingers, had den vorm nu van twee lompe bekervaatjes met de punten vast aan elkaâr. In de kneep in 't midden hield hij de gelijkenis bijeengevat tusschen duim en vinger. Hij stak het bakje bedelend vooruit, nam met de andere hand zijn bontpet nederig af, hem van boven vattend aan den bol, als een pleister trok hij het ding van zijn kop en ging toen rond.

—„Nee, 't was maar gekheid, ziet u,” zei hij even bedremmeld.... „maar ziet u, u weet nou wel veel... maar ik ken ook een heele boel.... Och, mijnheertje lief, ik kan nog wel wat anders doen.... en ziet u, u hebt nou wel veul gezien van uw leven misschien, maar dat hebt u nog nooit gezien... geef u me nou eris een slok petroleum.”

—„Wat?”

Maar eer ik het beletten kon, had hij de oliekan van zijn plaats getild en ontstopt.

—„Och nee, geeft u me nou maar es een lucifertje.Nee,wees maar niet bang, 'k zal geen kwaad doen. Zet u de deur maar even open.... Toe, geef nou hier.... och bè je belazerd, 't is wat mooi.”

En toen zette hij de kan aan zijn mond en zoop met de lippen tot een tuit gehold een forschen slok van het vieze vocht. Zijne oogen lachten triomfantelijk boven zijn vetten mond, hij draaide met het gezicht naar de deur, vervolgens streek hij de lucifer aan. En langzaam, en nogmaals omkijkend, ging zijn arm met het brandende stokje tot vlak boven zijn kin, en toen spoot hij in eens, met een blaas van zijn wangen, met een klein voorover- en teruggeruk in de schouders, de olie met de lippen poederend, het stille geel en blauwe houtvlammetje in.

En als een garf van fijn vuur vloog er een roode vonkenvlam, een meer dan een meter lange pluim van vlammend gesprankel voor zijn mond uit. 't Was alsof het leven vuurlaaiend braken kwam uit zijn strot; met schrik om het hart, met kloppende keel stond ik het aan te staren. 'k Zag zijn wild dartele oogen blikkeren van genot, witlichten in het vuurleven boven den bundel van poederend vonkengoud.Hij kneep de lippen dicht alsof hij de vlam afbeet, ze was uit; ik hoorde het als ver lachen spoelen in zijn vollen mond, maar om hem was het een oogenblik donker.

Maar alweêr een sproeisel van laaiend licht, een schoof licht; een gulp van zijn heeten adem geleek het in brand gevlogen, zijn beestennatuur ontploft als een vuurpijl, uitsissend uit zijn kokende binnenste.

Had ik me vergist? Had ik onder de vonkenkolom dóor mijn poes niet zien schuiven uit haar sterfhoek? Had ik niet een klein donker geslinger gezien naar het open buiten? Maar de jongen bleef vlammen spuwen, zij vlogen en stoven de deur uit, want met een laatste inspanning van zijn longen en wangen spoot hij zijn bek leêg. In vonkengewervel, in kort gebrok van roode vlammetjes, flakkerend als vurige vlinders in het poeder van stuivendelichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door het gat tot in het kleine portaal.

En toen.... een gesmoord klots, klots, een dof bonkend gecadanseer van een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een trap, kwam stommelend naar binnen.

.... Doodsvlammen, doodsvlammen....

Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach, een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in zijn dol plezier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach, bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een triomf-blazende trompet.

—„O, o!” proestte hij. „O, God, o, Jezus, kijk nou, menheertje, ze wier levend, maar nou is z' er geweest. O, kijk toch, kijk”....

En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.

En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik weêr nu hoe ellendig klein en mager dat ze was.

En langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar op van het vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam over haar en mij, daar waar hij hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van heetschokkende ademstooten.

—„Ga maar weg, Louis,” zei ik, toen hij beneden was, „hier is je geld.”

—„Mot ik morgen weêrom komme, menheer?” vroeg hij, uit zijn nat gezicht nog lachend.


Back to IndexNext