Mijnheeren en Mevrouwen,
Toen mij de gelegenheid aangeboden werd om in deze plechtige vergadering het woord te voeren, kende ik de namen en de uitmuntende welsprekendheid der redenaars, die mij moesten voorgaan. Ik begreep, dat uw geest zou vermoeid zijn, en ik onmogelijk nog de macht kon vinden om uwe aandacht te verdienen. Ik schrikte terug en aarzelde om den vermetelen stap te wagen.... Maar de geest der vaderlandsliefde ontvlamde in mij; zijne stem zeide tot mijn twijfelend gemoed: "Het is een feest ter herinnering van 's Lands alouden roem, van Vlaanderens macht, van Vlaanderens kunst; het wordt gevierd in een paleis, dat opgebouwd werd tot beoefening van vreemde kunst en taal, tot verspreiding van vreemde zeden.... En gij zoudt het Vlaamsche woord niet doen hergalmen tusschen de trotsche wanden, die nooit anders zagen dan uitheemsche praal?—Ga, spreek daar van eigen grootheid, beziel de geschiedenis der vaderen, toon hoe het voorgeslacht eeuwen lang de wereld verstommen deed door wonderen van moed, van nijverheid en van kunst.... Vrees niet; zij, tot wie gij de stemme zult richten, zijn landgenooten, wier hart gevoelig is voor alles, wat den geboortegrond vereeren kan. Zij zullen u aanhooren.... En mocht u de kunst ontbreken om de reeds zoo diep geroerde snaren huns gemoeds nog te treffen, zij zullen het u welwillend vergeven, in aanzien van uw lofbaar doel...." Ik heb den geest geloofd, op uwe goedheid mijn betrouwen gesteld en de taak aanvaard....
Het is nacht over de wereld.... Na eeuwenlange heerschappij is eindelijk het trotsche Rome gevallen. Onder de puinhoopen zijner uitgeputte grootheid heeft het alles verpletterd en begraven. Heldhaftige doch woeste volksstammen overstroomen het bezwijkend Europa, en doen de natiën bukken onder het juk der dientsbaarheid. Alle licht is uitgedoofd; de geslachten, onder het zwaard geboren, volgen elkander op zonder hoop op eene betere toekomst. In gansch Europa niets meer dan overwinnaars en overwonnenen, meesters en slaven, barbaarschheid en duisternis. Men is vergeten, dat een ander lot dan slavernij de bestemming der menschheid kan zijn....
Maar het baarkleed des zedelijken doods, ofschoon als een onmeetbare lijkdoek over de wereld verspreid, heeft niet alles overdekt. Er ligt bij den Westelijken zeekant een klein plekje gronds, dat nog, nog alleen! door de zon der toekomst wordt beschenen. Zijn naam is Vlaanderen.
Terwijl het overige der wereld niets hoort dan wapengeknars en wraakgeschreeuw, hulpgeroep en noodgehuil, hergalmt hier het blijde gerucht van den wordenden volksarbeid. De schietspoel ratelt over het getouw, de hamer bonst op het aanbeeld, de beitel knarst in den steen.... Men timmert schepen, men doorklieft den ongestuimen Oceaan; men handelt, men vaart, men reist naar verre streken, men arbeidt, men zwoegt, men slaaft. Geene verwarring: de werkers van elk ambacht, van elke kunst zijn aan elkander door eenen eed van getrouwheid en wederzijdsche hulp verbonden: hetGilde, dat raadselwoord van onzer vaderen grootheid, bevrucht hier den arbeid, stort burgerzin en gevoel van eigenwaarde in elks boezem en vereenigt aller krachten tot eenen wondermachtigen hefboom....
Hoort, na de afgedane taak hebben de Gilden zich nedergezet bij het vroolijk broedermaal; zij bezingen Vlaanderens onafhankelijkheid, zij juichen de toekomst tegen en zweren, dat nimmer een dwingeland den dierbaren grond ongestraft zal bezoeken. Zij hebben goud bij hoopen, zij hebben manhaftig bloed bij stroomen, zij bezitten geduld, onverschrokkenheid, betrouwen in Gods hulp.... Zou wel uit Vlaanderen de verlossing der volkeren uitgaan? Zouden wel de Gilden, bewusteloos nog, de ontslaving der wereld voorbereiden?...
Inderdaad, daar rijst de vrijheidskreet over het sluimerend Europa. De volkeren luisteren met verwondering op den blijden galm, doch begrijpen hem niet.
De meesters, de overwinnaars, de verdrukkers hebben het dreigend teeken evenwel verstaan. Sidderend van kommer en wraakzucht, roepen zij elkander toe: "Te wapen, te wapen! naar Vlaanderen! Verdelgd moet het nest, waar onze val wordt uitgebroeid; versmacht moet het vermetele ras, dat droomen durft van burgermacht en burgervrijheid!"
Boden draven van het eene land naar het andere, bazuinen schallen, keteltrommen donderen; een lange oorlogsschreeuw doorgalmt het Westelijk Europa. De meesters loopen te zamen, zij vergaderen tot ontzettende drommen, zij zijn zestigduizend in getal, overdekt met ijzer en staal.... De paarden steigeren onder den slag hunnergulden sporen, de bodem davert onder hunne vaart.... Zij zakken met zegevierend gejubel naar het kleine Vlaanderen af!...
Wat vermag een zwak volk, een volk van arbeiders en burgers, tegen zulke vreeselijke overmacht? Eilaas, het is dus beslist? de kiem der vrijheid zal versmacht worden in het Vlaamsche bloed? de baan der menschelijke toekomst zal voor eeuwig verbalkt worden met het zwaard der dwingelandij?
Maar wat zie ik? Vlaanderen durft de worsteling aanvaarden?... Waarlijk! Boven zijnen grond heerscht een zonderling gebruis als van een zwoegenden bijenzwerm: het zijn kreten van onversaagdheid en van moed. "Naar Kortrijk, naar Kortrijk!" galmt het; "ten strijde, ten strijde, voor vrijheid en voor land!"
De werkhuizen, de Hallen, de panden der Gilden spuwen dappere mannen; uit alle steden en dorpen loopen burgers en arbeiders naar Vlaanderens moederstad, naar Brugge, waar de dekens der machtigste Gilden, waar De Coninck en Breydel hen wachten.
Zonderling leger, wonderlijke strijders! De werktuigen, de gereedschappen hunner nijverheid zijn hunne oorlogswapens geworden! Op hunne vaandels prijken hamers, bijlen, truweelen, schietspoelen; geen ijzer beschut hunne borst; hun lichaam is slechts bedekt met de gewone kleederen des arbeids.... En toch, op het sein der dekens, op de stem van Breydel en De Coninck trekken zij juichend naar Kortrijks veld ... en stormen met blinden moed, als een losgebroken orkaan, tegen den overmachtigen vijand in....
Burgers en ridders, Vlamingen en vreemden vermengen zich tot eenen akeligen warklomp, en zwoegen en strijden, hakken en pletteren, huilen en slaan.... De lucht siddert, de aarde beeft, de zon verduistert onder het stof, dat uit het zwermend gevecht opstijgt; reeds heeft zij de helft harer hemelbaan doorloopen, en nog immer kaatst haar licht terug in stroomen vlietend bloed, nog immer ziet zij den ijselijken menschendrom over hoopen lijken heenvlotten.... Maar het gaat eindigen: de strijd vermindert, de meesters met de gulden sporen zijn gevallen. Hoort, daar rijst een reusachtige zegeschreeuw over het slagveld; de Gilden zwaaien hunne standaarden in de hoogte en doen de lucht hergalmen onder den vaderlandschen heilkreet: Vlaanderen den leeuw! Vlaanderen den leeuw!
De vrijheid onzes lands, de ontslaving, de toekomst der wereld zijn gered! De Vlaamsche Gilden hebben het burgerlijk recht aan de komende geslachten geschonken!
En nu, Vlaanderen, uitverkoren land, nu gij uwer bestemming en uwer macht bewust zijt, nu met vertrouwen vooruit in de baan der ontwikkeling en der volksgrootheid. Pheniciërs der nieuwe beschaving, doet uwe werkhallen daveren onder de geruchten des arbeids, doorklieft de wereldzee, voert de voortbrengsels uwer nijverheid naar de onbekendste gewesten, maakt alle volkeren u schatplichtig en doet het goud over uwen bodem stroomen. Voorloopers van den grooten Columbus, gaat, onderneemt de stoutste reizen, ontdekt de Azorische eilanden en plant het Vlaamsche vaandel te midden van den Amerikaanschen Oceaan. Zendt uwe stoute Gildebroeders, uwe kundige ambachtslieden naar Frankrijk, naar Duitschland, naar Engeland. Dat zij daar den volkeren leeren, hoe men den arbeid der samenspanning bevrucht; dat zij daar de gronden leggen van lateren rijkdom, van vrijheid en van burgermacht.... En zijt even groot op het gebied der kunst: geeft der wereld schilders als de gebroeders Van Eyk, als Van der Weyden, als Memlinck; schenkt haar dichters als Van Maerlant, Van Heelu, Van Velthem, Van Boendale: streeft alle natiën vooruit in beschaving, in arbeid en in kunst!
Roemrijk Vlaanderen, gij hebt uwe benijders niet gansch verplet; het groote ridderland, dat u beloert, is vruchtbaar en rijk aan dappere mannen; honderdmaal nog zal het Vlaamsche bloed voor de vrijheid vlieten.... Maar indien het gevaar u dreigt, indien de roem of het volksbestaan van Vlaanderen in de weegschaal wordt gelegd, dan zal uit den schoot uwer sterkmoedige Gilden wel een man ontstaan, die als een reus de wereld tot eerbied voor uwe onafhankelijkheid en voor uwen naam zal dwingen. Dan zal uit uwen grond het ontzaglijk beeld van Jacob van Artevelde oprijzen. Gesteund door de Gilden, machtig door kunde, door verstand, door onversaagdheid, zal hij—burger, arbeidsman, deken der Gentsche Gilden—de koningen om zijn raad en om Vlaanderens vriendschap doen smeeken.... Gruwelijk! Een dolk, door vreemden nijd gewet, zal den roemrijksten uwer zonen dooden, den grootsten burger der middeleeuwen aan de bewondering Europa's ontrooven. Dan zal voor u het tijdvak der beproeving zich openen; uw kroost zal zonder plooien voor het vaderland alles doorstaan, tot zelfs den schrikkelijksten hongerdood; gij zult helden op helden telen. Philips Van Artevelde, Jan Hyoens, Pieter Van den Bossche, Frans Ackerman, zonen uwer Gilden, zullen nog uwe vijanden doen verbleeken en de vrijheid steunen, waar zij wankelend wil nederstorten in eene zee van bloed....
Tevergeefs!--O, manmoedige maagd van Vlaanderen, gij hebt voor de wereld gestreden, gij moet voor de wereld boeten.... Verteerd door hongersnood, uitgeput van krachten, verbijsterd van het onophoudend kampen, ligt gij machteloos, kwijnend, stervend.... En toch, uwe ingewanden sidderen in den pijnlijksten barensnood. Wat zal de vrucht uws lichaams zijn? Uit u kan slechts ontstaan wat grootsch en ontzaglijk is.
Ah, gij hebt u willen wreken? Uw zoon is een held, gelijk er slechts op de uiteinden der eeuwen soms een enkele verschijnt. Zijn hoofd voert menige vorstenkroon; hij heerscht over Vlaanderen, over de Nederlanden, over Spanje, over Duitschland, over het Roomsche rijk. Hij drukt de volkeren neder onder zijnen machtigen arm; hij zegeviert over de Franschen en neemt hunnen ridderlijken koning gevangen; hij trekt naar het Oosten en drijft de woeste Turken uit Europa; hij vaart naar Afrika, verdelgt het rooversnest der Saracenen en verlost 22,000 Christenen aller natiën uit de gruwelijkste slavernij.... Zijn roem vervult de wereld, zijne heldendaden verstommen de menschheid.... En die oorlogsreus, o Vlaanderen, dat wonder van macht, van staatsbeleid, die Alexander der Christeneeuwen, die keizer der keizers, die koning der koningen, hij is uw zoon: een Vlaming, een Gentenaar, keizer Karel! Oh, gij bleeft groot, zelfs in de wraak, in de dwaling: eens baardet gij de vrijheid der volkeren, nu hebt gij de opperheerschappij der vorsten gebaard ... en bij uwe verkwijning zelve beslistet gij nog over de toekomst der wereld.
De tijden zijn veranderd. Gedurende eene gansche eeuw heeft de geest des oorlogs over de aarde gewoed; de natiën hebben zich uitgeput in eenen rusteloozen kamp; eene nieuwe godsdienstleer heeft zich over zekere gedeelten van Europa verspreid; brandstapels hebben geblaakt, galgen en schavotten hebben opgericht gestaan.... Eindelijk, uit de afgematheid ontstaat de vrede; het hijgend Europa zal adem scheppen, rust genieten.... Maar de Vlaamsche volksgrootheid is versmacht in bloed. Brugge, de rijke wereldstad, treurt op de puinhoopen zijner welvaart. Geene kunstenaars, geene dichters meer om zijnen roem te vieren.... Vlaanderen zwijgt en weent....
Zou de bestemming van der Leeuwen vaderland vervuld zijn? Zou de zon des roems hem nooit meer beschijnen, den Dietschen stam, die eens zoo glanzend aan het hoofd der volkeren stond? Eilaas, zou hij gedoemd zijn om te kwijnen en onvermeld het zwakke leven te dragen, totdat de vreemdeling den vergeten naam van het vervallen geslacht uit het boek der natiën wegvage?
O, neen! de geschiedenis van het Vlaamsche volk kan zoo niet breken!
Ziet, daar in eene andere streek van den Dietschen grond rijst eene prachtige stad. Haar binnenste zucht en bruist van de geruchten des arbeids, duizenden schepen gaan en keeren op haren breeden vloed; hare oevers hergalmen van het blijde zeemanslied. Een hemelhooge toren, als een reusachtig kantwerk gebeiteld, verheft zich uit haren schoot.... Alles verkondt, dat de kunst, de nijverheid, de koophandel—eenige nog mogelijke bronnen van 's volks verheffing—hier hunnen zetel hebben gevestigd. Antwerpen, redster van der vaderen naam, frissche, schoone, struische dochter van Vlaanderen, erfgename van den Vlaamschen roem, ik groet u! Met ontzag, met eerbiedige liefde stap ik uwe muren binnen....
Welk schouwspel! Uwe straten zijn vervuld met leden van alle landen, van alle talen, van alle spraken. Is het de koophandel alleen, die den vreemdeling dus in menigte binnen uwe trotsche wallen roept? Maar velen spreken van kunst, van wetenschap, van poëzie? Zij stroomen naar uwe tempels, knielen in godsdienstige bewondering neder voor de meesterstukken, door uwe zonen gewrocht, en roepen in geestdrift uit: "Roem en eerbied zij den Vlaamschen stam! Hij heeft eens Europa verbaasd door wonderen van onverschrokkenheid en van moed, nu verstomt hij de wereld door wonderen van kunst. Welk mag toch het raadselwoord van de altijd herlevende kracht dezes volks zijn?"
Dit raadselwoord, o wandelaar, het omringt u! Die honderd altaren, wier pracht, wier rijkdom uwe zinnen treft en uwen geest ontroert, zeggen zij u niet, wie ze heeft gesticht, wie ze door kunst zoo glansrijk heeft versierd? Voeren zij niet tot wapen dezelfde teekens, die weleer op Vlaanderens onverwinnelijke vaandels prijkten? Hamers, tangen, scharen, bijlen? De Gilden waren het raadselwoord van vroegere volksmacht, de Gilden zijn ook het raadselwoord van lateren kunstroem.
Kom met mij; ik zal u toonen waar het heilig vuur der kunst zijne bezielende stralen uitschiet.—Daar, vóór ons, verheft zich een prachtig gebouw; zijn voorgevel is overdekt met zwierig beeldwerk, en boven zijne ingangspoort glanst in gulden letters het opschrift:St.-Lucasgilde.
Treden wij binnen, werp eenen blik in deze wijde zaal. Welke levendigheid, welke vlijt, welke lust in het beoefenen der kunsten! Hier ziet gij Vlaanderens schilders elkander leeren, hoe men scheppen en tooveren kan met kleur en verf; daar hoort gij den beitel in het marmer knarsen, om een onbezield blok tot het goddelijk beeld des Zaligmakers te hervormen; ginds zweven de harmonische noten der toonkunst, verder zingen dichters in vaderlandsche taal, terzijde, in den stillen hoek, zitten vier wijzen te schrijven; zij groeten elkander met de namen van Ortelius, Mercator, Plantyn, Kiliaen; in het verschiet arbeiden drukkers en verlichters van boeken, plaatsnijders, versierders van allerlei stoffen.... Het is het Gilde in al zijne macht; de samenspanning van alle krachten tot één doel: het verheffen van den Vlaamschen naam door de kunst.
Te midden dezer heilige schaar staat een zetel: hij is nederig, overdekt met kalfsleder, slechts versierd met eenige koperen nagels.... maar rondom hem schittert een breede lichtkrans van roem en grootschheid. Eens rustte de godvruchtige, de gevoelvolle Quinten Massys in dien stoel; nu vervult de wereldberoemde Rubens hem met de Majesteit zijner wonderbare kunst.
En zoo zal uit dezen tempel, uit den schoot van het St.-Lucasgilde eene reeks doorluchtige mannen opstaan, wier werken den naam van het Vlaamsch geslacht immer verjongd, immer vernieuwd over de wereld zullen doen galmen. Het zal de bakermat worden van Van Dyck, van De Vos, van Seghers, van Quillyn, van Boeyermans, van Jordaens, van Teniers en van honderd anderen, wier faam de wereldberoemdheid van den grooten Rubens zelven niet zal doen vergeten.
En dan, na eeuwen roem en kunstmacht, zal Vlaanderens zonne weer verbleeken. Een tempeest van toomelooze driften zal in het Zuiden opstaan; eenen orkaan gelijk, zal een woedend volk zijne vernielzuchtige drommen over ons vaderland spuwen. Bevlekt met bloed, vergezeld van roof, van brand en moord, zal de vreemdeling ook zijne hand aan den stoel van Rubens slaan; den laatsten deken, den keurigen schilder Ommeganck uit dien zetel rukken en Vlaanderens kunstmacht breken door dit nijdig vonnis: "Het gilde van St.-Lucas zij vernietigd...."
En, eilaas, het is zoo geschied.... Nu zijn de volkeren eene andere baan ingestapt: men heeft den bijzonderen persoon met zijne eigenbaat in de plaats der verzamelde volkskrachten gesteld. Gunne God het menschdom de macht om ook in dezen weg hefboomen tot ware grootheid te vinden.
Wij evenwel, wij Belgen, wij Vlamingen, wij juichen de toekomst tegen, omdat de vrijheid weder over Vlaanderens bodem gloort, omdat de kunst, de moedertaal, de handel, de nijverheid op onzen grond mildelijk herbloeien; omdat wij nog het oude, krachtige bloed der vaderen door onze harten voelen bruisen.—Dat dit feest van het St.-Lucasgilde, deze vierhonderdjarige herinnering aan ons luisterrijk verleden ons den boezem doe zwellen van vertrouwen in onze bestemming, van hoogmoed over de edelheid van het bloed, waaruit wij gesproten zijn. Zweren wij in onze zielen, dat wij het kostbaar erfdeel zullen bewaren; sturen wij dwars door de eeuwen heen eenen dankbaren heilroep tot onze vaderen;—dat onze stem deze vreemde wanden doe sidderen, bij de macht van der Vlamingen zegekreet:
Vlaanderen den Leeuw! Vlaanderen den Leeuw!
AANSPRAAK
TOT DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD TUSSCHEN DE LEERLINGEN VAN 'S LANDS SCHOLEN (1854).
Het feestgedruisch doorklinkt deze zalen; ik zie blijdschap en geestdrift op ieders gelaat. Hebben wij weder eene worsteling doorstaan? heeft het Vlaamsche vaderland misschien eene overwinning behaald? Roemen wij eene nieuwe zegepraal?
Inderdaad.... En de strijd, hoe vreedzaam ook van aard, was veelbeduidend, indrukwekkend: het gansche land hield er met angst het oog op gericht; want ieder wist of ieder gevoelde, dat men hier beslissen ging, of wel het bloed der Vlaamsche Belgen nog zuiver genoeg in zijne bronnen was, om op de toekomst van een onverbasterd nageslacht te mogen hopen.
Het Staatsbestuur zou jaarlijks de jongelingschap oproepen, om in eenen prijskamp naar den lauwer van leerzucht en van vroegtijdige ontwikkeling te komen dingen; voor onze broeders, die zich van de Fransche taal bedienen, had zulke prijskamp geene andere beteekenis dan die van eenen wedstrijd over de leerstelsels in de scholen; meer waarde moest hij voor ons ook niet verkrijgen.
Maar de vijanden van ons volksbestaan zagen al spoedig, dat hierin een middel te vinden was om de Vlaamsche beweging eenen bloedigen slag te slaan, haar te verrassen en haar met schaamte te overladen.
Men zou in den prijskamp de Vlaamsche taal op den achtergrond schuiven, hinderpalen van allen aard haar in den weg stellen, verklaren, dat de wedstrijd in het Fransch verplichtend was; maar dat niemand gehouden was, zelfs niet de Vlaamsche scholen, om deel te nemen in den Vlaamschen prijskamp.
Wat moest daar nu het gevolg van zijn?
De onderwijzers weten wel, hoe zij de vijanden van onzen ouden volksaard kunnen believen: het wordt hun niet verborgen. Daarom, velen verwaarloozen het onderwijs der moedertaal. Zoo zouden dan de onderwijzers hunne leerlingen in het Fransch doen kampen, niet in het Vlaamsch; de wedstrijd in het Vlaamsch zou bij gebrek aan mededingers onderblijven, en men zou het Vlaamsche volk met den boozen lach der zegepralende slimheid toegeroepen hebben:
Verdwaalden, wat roemt gij op eigen zeden, eigen aard en eigen taal? Geeft op den zinneloozen strijd, het lot van Vlaanderen is beslist, overwonnen en vernietigd is de oude heldenstam; geene hoop meer voor u: het bloed der Artevelden is verbasterd tot in zijnen oorsprong; want ziet, de jongelingschap, de kinderen zelven verachten hunne moedertaal!
En zoo is het werkelijk geschied, en zoo heeft men inderdaad over onze nederlaag gejuicht....
Maar de vijand bedroog zich; te vroeg roemde hij op den uitslag van list en bedrog. Zoo verre toch is Vlaanderen nog niet gezonken, dat het koel kon blijven bij dat onrecht, bij dien hoon.
Brussel herinnerde zich, dat het de oude hoofdstad van het Vlaamsche Brabant is. Uit haren schoot klonk de oproep tot tegenstand over België. Zij wilde beproeven, of men met de Vlaamsche volkskrachten alleen de list der vijanden niet zou kunnen verijdelen, of de vaderlandsliefde van eenige onderwijzers tegen de lage streelzucht van velen niet zou opwegen; of de noodkreet, over Vlaanderen klinkend, geenen weergalm zou vinden in de harten van het jong geslacht; of het waar is, dat de laatste kroost onzer roemrijke vaderen, of de kinderen van Vlaanderen zelven hunnen volksaard en hunne moedertaal verachten.
Stoutmoedige poging, twijfelachtige proef! Want onbekend was ons die grond, en zoovele hinderpalen waren er te overwinnen! Weinige dagen bleven beschikbaar. En wie kan zeggen of alles zou gelukken? Er werd eene onmiddellijke samenwerking van ouders, onderwijzers jongelingen en kinderen, van alle vrienden der moedertaal vereischt ... en, ontbrak er iets van dit alles, zoo mislukte de poging onfeilbaar—en eene dubbele schande hadde onze heilige zaak getroffen, en de vijand hadde met schijnbaar recht over den val van ons geslacht gejuicht!
Ook, met welke vrees, met welken angst volgden wij de galmen van den hulproep, die uit Brussel opgestegen was. Zou hij onbeantwoord blijven?
Maar wat grootsch, wat schoon vertoog! Uit alle streken van onzen miskenden geboortegrond klinken eensklaps zoete, doch innig bezielde stemmen ons tegen:
"Hier zijn wij, zonen van Vlaanderen! Gij roept ons ten strijde voor de moedertaal: welaan, al wat wij bezitten, moed, leerzucht, vlijt, al de wapens, die onzen jaren gegund zijn, stellen wij ten dienste van het vaderland. Naar Brussel, naar Brussel, ten strijde voor het Vlaamsche volksbestaan, ten strijde voor der vaderen roem en naam!"
Ziet gij uit alle gewesten van België, uit groote steden, uit kleine dorpen die gelooven elk van zijnen kant ter bedevaart trekken; ziet gij die jonge helden, met het oog fonkelend van hoop en moed, ter hoofdstad gaan als pelgrims die, met overtuiging in de borst en vertrouwen in het hart, eenen heiligen plicht vervullen gaan? Geene overheid heeft hen geroepen, geene macht heeft hen gedwongen, geene bedreiging hun de baan gewezen. Wat hen leidt is het edelste gevoel, het besef dat zij, hoe jong ook, toch Vlamingen zijn en hun vaderland niet mogen laten vernederen.
Zij heeft gestreden, zij heeft moedig en zegerijk gestreden, de gewijde schaar, de voorwacht van Vlaanderens toekomst.
De zegepraal is den vijand ontroofd, het vaderland juicht; wat zijne schande worden kon, is de bron geworden van eer en roem.
Nu is het uit met die list ... en ieder zal weten, dat, zoo het onderwijs der moedertaal in de scholen wordt verwaarloosd, het de schuld van het Vlaamsche volk, het de schuld van Vlaanderens zonen niet is!
En gij, jongelingen, echte telgen van het heldengeslacht, waaruit wij gesproten zijn, gevoelt gij niet hoe schoon het is, voor het vaderland te strijden? Is uw jonge boezem niet verbreed, is geen helder licht in uwen geest gedaald, heeft een ongekend gevoel uwe ziel niet verheven tot het beseffen eener grootsche mannentaak?
Voorwaar, uwe jonge ziel is ontroerd, daar gij in de toekomst de glinsterende star aanblikt, die eensklaps voor uw oog is opgerezen; ja, het is zoo, gij zijt tot eene hoogere zending geroepen; wij, uwe voorgangers, wij worden allengskens oud; de dood zal ons treffen op het oogenblik, dat gij in de volle kracht des levens zult bloeien. Zouden het vaderland dan mannen ontbreken om het te verdedigen, zouden het dichters ontbreken om zijnen lof te zingen en der vaderen daden te roemen? O, neen, gij uitverkorenen tusschen het jonge geslacht, gij zult het heilig werk der wedereisching voortzetten en doen, wat wij hebben, gedaan. Ja, ja, miskent het nimmer, gij en uwe strijdgezellen moet u bereiden tot het volbrengen uwer edele zending: strijders voor het vaderland, verkondigers der wedereisching onzer rechten moet gij worden. God wil het; Hij heeft u daartoe met zijnen machtigen vinger geteekend en uwen jongen geest de noodige gaven ingestort.
Oh, wij beproefde mannen in die worsteling, afgesloofde soldaten van het Vlaamsche leger, wij vereeren u, wij danken u voor hetgeen gij hebt gedaan; uw voorbeeld heeft ons nog meer moed gegeven: wij weten nu dat het werk, waaraan wij ons leven hebben toegewijd, tegen den aanval des vijands ook na onzen dood met onversaagdheid zal worden verdedigd, met vlijt en moed zal worden voortgezet. Wij danken u, ouders en onderwijzers der jonge helden, dat gij hun toeliet het vaderland dit hoog bewijs van verkleefdheid te geven: aan u zijn wij grootendeels die zegepraal verschuldigd.
Gij ook, zonen van Vlaanderen, gij moet uwen ouders, uwen meesters dankbaar zijn. Blijft hunne vreugde op aarde: bemint en eert ze gedurende hunnen ganschen levensloop, niet omdat God u uit hen liet geboren worden, maar ook omdat zij in uwen boezem het heilig gevoel der vaderlandsliefde hebben gestort, dat u in de kinderjaren reeds heeft veredeld en uwe gansche toekomst veredelen moet.
Gij hebt te Brussel den zichtbaren prijs uwer vlijt en uwer liefde tot de moedertaal ontvangen. Wij ook, wij willen u in naam uwer geboortestad een zichtbaar teeken onzer vereering schenken. Het is slechts eene vergankelijke lauwerkroon; maar zij is het beeld van den roem, dien het vaderland u voorbewaart, het zinnebeeld van den wensch, dat het geluk uwe pogingen blijve vergezellen, het zinnebeeld van de zending des dichters, des kunstenaars die u schijnt voorbestemd.
Aanvaart dit eereloover, u geschonken door uwe medeburgers; maar geheugt terzelfder tijd dat een Belg, een Vlaming, een man in zijnen eigen boezem het schoonste loon zijner daden vindt; dat wie strijder en lijder wil zijn voor onze heilige zaak, zijne macht en zijn loon moet putten in de overtuiging, dat hij zijne plichten kwijt jegens volksbestaan, jegens moedertaal en jegens vaderland!
UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN EUG. ZETTERNAM DEN l3denOCTOBER 1855.
Wie onzer zou aan de droeve mare kunnen gelooven, indien de dood zelf niet in ons midden stond als een onverbiddelijke getuige dat Vlaanderen, onze moeder, alweder in een harer dapperste zonen werd getroffen?—Gisteren, ofschoon op het ziekbed uitgestrekt, sprak hij nog zoo liefdevol van het Vlaamsche volk, zoo hoopvol van toekomst, zoo moedig van strijd en rechtsherstelling.... Nu, nu ligt Zetternam daar, koud en zielloos, in den wreeden kuil; en onze broederlijke tranen drenken de aarde, die als de nacht der eeuwigheid over hem nederzakken gaat!
Moge God hem hierboven voor al zijn lijden en voor zijnen vroegen dood beloonen; want, vrienden, op aarde groeiden voor hem niets anders dan distels en doornen: zijn leven was een rustelooze strijd, eene verterende inspanning van krachten tegen de vijanden der moedertaal, tegen de kwale, die zijn lichaam ondermijnde, tegen de armoede, die onverjaagbaar bij zijne bedsponde huisde en hem zonder verpoozing den bitteren galbeker voor de lippen hield.
Nederige zoon van ditzelfde volk, voor wiens verdediging hij is gevallen, stond hij als arbeider op eene ladder, toen een straal van het vuur der kunst hem onbewust in den schedel zonk, toen iets in zijn binnenste hem toeriep: "Wees kunstenaar, leef door den geest, verhef het wapen des woords ten voordeele van uw lijdend vaderland!"
Zijne hersens ontgloeiden, in zijne ziel ontkiemde de hoop op eene betere toekomst. De jonge werkman, nadat hij aan de stoffelijken arbeid had gestaan, zoolang de zon aan den hemel scheen, keerde mijmerend huiswaarts, liet zijn bed onaangeroerd en schiep in de nachtelijke stilte zijn eerste boek. Het werd toegejuicht, want het bevatte de aankondiging van een schilderachtig en sterk gespierd vernuft.
Weinig tijds daarna werd hij tot den krijgsdienst gedwongen—de bloedwet spaart den zoon van den nederigen werkman niet;—maar het lastige, het verstrooide leven der Kazernen doofde in den jongen soldaat de eens ontvlamde begeestering niet uit; zijne vurige werkdadigheid vond nog tijd en plaats tot nieuwen arbeid, wanneer alle anderen hunne vermoeide leden ter ruste legden.
In de kazerne te Dendermonde, bij een klein en verborgen lichtje, schreef Zetternam een werk, om mede te dingen in den prijskamp, doorde Taal is gansch het Volkuitgeschreven.
Toen in het paleis der hoogeschool van Gent eene talrijke menigte vergaderd was, om de prijsuitreiking der Vlaamsche moedermaatschappij bij te wonen, daalde de lauwerkroon op het hoofd van eenen korporaal des legers; en de naam van Zetternam, door duizend monden uitgegalmd, klonk als een liefderijke gelukwensch door de gewelven van den prachtigen tempel der wetenschap....
Eindelijk, tot het burgerlijk leven wedergekeerd, hernam hij met zijn ambacht van huisschilder ook de taak van verdediger des volks en der moedertaal.
Slechts tien jaren heeft God hem gegund,—en nochtans, wanneer wij herdenken wat hij op dien korten tijd heeft gedaan, en welken arbeid hij op het veld der letterkunde heeft geleverd, dan schijnt het ons onmogelijk, dat de krachten van één mensch tot zulke taak toereikend waren.
Zetternam vraagt aan zijn ambacht, aan het zweet des arbeids het schaarsche onderhoud voor zijn huisgezin; des daags werkt hij voor een nederig loon en gaat gebogen onder zorgen en verdriet;—maar des avonds, des nachts roept zijn zwak lichaam te vergeefs om rust; de geest heerscht en gebiedt.... Hij schrijft zijneMargaretha, zijnBernhart De Laet, zijnLuchtervelde, zijneArme Bedelares, zijneKimrische Diluvie;hij verdedigt het Vlaamsche volk in talrijke bundels en vlugschriften; hij is medewerker veler dagbladen en schrijft in hetTaalverbond, in deBroedermin, in deGazette van Gent, in deVlaamsche School; hij geeft zijnen ambachtsgenooten een leerboek der Huisschildering; hij wreekt de Vlaamsche kunst in een stout gewrocht; hij deelt in de werkzaamheden van het Midden-Comiteit; hij onderhoudt briefwisselingen met honderden maatschappijen en taalminnaars van gansch Vlaamsch België;—is er gevaar of moet er iets gewichtigs tot stand gebracht worden, hij doorloopt de steden en dorpen van Vlaanderen en gaat de liefde tot de vaderlandsche zaak en de verontwaardiging over het onrecht aanvuren, waar deze gevoelens dreigen te verkoelen....
Zulke rustelooze, zulke vurige, zulke arbeidzame ziel hoefde in een stalen lichaam te wonen, anders moest zij onfeilbaar haar stoffelijk omkleedsel verbrijzelen of verteren. Eilaas, de vriend, wiens vroegtijdig afsterven wij betreuren, was niet met lichamelijke sterkte of met de krachten der gezondheid begiftigd....
Er kwam een dag, een noodlottig uur, dat de arme Zetternam onder het gewicht zijner opoffering, zijner vaderlandsliefde en zijner huiselijke zorgen het moedig hoofd moest plooien—en, geknakt, op het ziekbed nederviel.
De machtige springveer, zoolang tot Vlaanderens verdediging overspannen, was gebroken;—en wat van de vurigheid zijns geestes nog overbleef, verteerde met bliksemsnellen spoed zijn reeds uitgeput lichaam.
Zijne vrienden hebben gedurende zijne korte doch pijnlijke ziekte bij zijne bedsponde gewaakt en hem pogen te troosten over een lot, zoo ijselijk, dat het geenen troost meer toeliet. Hij, de goede, de edelmoedige Vlaming, hij sprak van het Dietsche vaderland, van 's volks gekrenkte rechten, van heeteren strijd, van meer arbeid, indien God hem nog eens de gezondheid wederschonk. Wij beproefden het zijnen moed te steunen tot het verduldig dragen van zijn lijden,—en hij, den naderenden dood vergetend, poogde ons den boezem met moed en met geloof in Vlaanderens bestemming te vervullen.
Dan toch, vrienden, glinsterden wel eens zijne oogen van stille tranen en liep zijn vaderhart van weedom over. Hij, die met zulke onbuigbare sterkmoedigheid zijn kruis op aarde had gedragen, kon misschien ongeroerd den blik in het graf slaan, dat voor hem gaapte; maar daarnevens toonde zijn geest hem zijne drie ongelukkige kinderkens en zijne echtgenoote, omsloten in de armen van het wreede spook, dat menEllendenoemt.... Niet lang echter bleef de zieke Zetternam in die ijselijke treurnis bedolven; telkens verlichtte een straal der hoop zijnen kwijnenden blik, en nog plooiden zijne dorre lippen zich tot eenen zoeten glimlach, als zag hij in het verschiet dingen, die hem zeiden, dat hij getroost en in vrede het hoofd in de eeuwige rust mocht nederleggen.
Herdacht hij wellicht de diensten, door hem aan het vaderland bewezen? Herinnerde hij zich de namen zijner vrienden uit Vlaanderen en Brabant? Sloot hij de oogen met de overtuiging, dat het Vlaamsche volk de weduwe en de weezen van den armen Zetternam niet hulpeloos in de wereld zou laten dwalen?
Het moet zijn; want de laatste verstaanbare klanken, die nog uit zijne borst opklommen, waren een zucht van vrede en vertrouwen. Als grepe hij zijn gansche leven in een enkel woord te zamen, suisde hij stervend nog: "Moed, ik heb moed!..."
O, broeders, gij, die uit alle streken van Vlaamsch België tot hier gekomen zijt om uwe tranen op het graf van den betreurden strijder te plengen, keert terug naar uwe gouwen, spreekt uwe vrienden van Zetternams kinderen en maakt, dat toch de laatste hoop zijner ziele geen ijdele droom zij geweest!
Hij, de schrijver, de werkman, de vader, heeft op aarde meer dan zijnen plicht gedaan: doen wij ook onzen plicht jegens hem!
En gij, Zetternam, arm slachtoffer, martelaar van uw geloof in Vlaanderens toekomst, rust zacht in den grond, dien gij tegen vreemde verbastering hebt verdedigd. Uwe ziele worde opgenomen in den schoot der Godheid. Leef daar het eeuwige leven, tusschen de dierbare schimmen, die u in den strijd en in den dood zijn voorgegaan: tusschen Willems, Van Ryswyck, Ledeganck, Delecourt!
Betreurde broeder, in naam van het Vlaamsche volk, in naam van de Vlaamsche kunst, vaarwel!...
BIJ DE UITDEELING DER PRIJZEN AAN DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD TUSSCHEN 'S RIJKS LAGERE SCHOLEN TE KORTRYK DEN 20stenJULI 1857.
Mijnheeren!
Het is met een gevoel van blijde ontroering, dat ik heden deze nederige doch in mijne oogen zeer gewichtige plechtigheid bijwoon. Als vaderlandsminnaar en als vriend des volks, zie ik het lager onderwijs aan voor de hoogste weldaad van ons maatschappelijk leven, voor den machtigsten hefboom tot beschaving en tot zedelijke verbetering van den mensch.
In ons land bevinden zich gedurig in de lagere scholen meer dan tien leerlingen op elke honderd inwoners. Men mag dus zeggen, dat de gansche natie door het lager onderwijs gaat als door eenen vorm, waarin iedereen wordt bereid om als Belg, als burger en als Christen de zending en de plichten te vervullen, die hem volgens zijne krachten en bestemming in de maatschappij zijn opgelegd. Want, men bedriege zich niet, de vruchten der lagere scholen zijn niet bepaald tot het eigenlijk onderwijs alleen: hun voornaamst en meest weldadig uitwerksel is deopvoeding, is de vorming van het hart en de veredeling van den geest.
Is het niet in de lagere school dat men den kinderen des volks allereerst een klaar denkbeeld geeft van de plichten jegens God en jegens den medemensch? Is het dáár niet, dat men hun met bewondering en eerbied verhaalt van de groote daden onzer vaderen, en hun liefde tot den geboortegrond inboezemt? Is het dáár niet, dat men hun de deugd om haar zelve leert beminnen, en hen bekwaam maakt tot dien edelmoed en die opoffering, zonder welke de menschelijke samenleving eene onmogelijkheid worden zou? Ja, het lager onderwijs is de milde bron van godsvrucht, van vaderlandsliefde en van burgerdeugd.
Welke toekomst ware den volken van Europa beschoren, indien een goed ingericht lager onderwijs niet elk aankomend lid der maatschappij opnieuw tegen dwaling en onvoldoenbare begeerten wapende door het innig gevoel van den plicht? Het is de overtuiging der oneindige gewichtigheid van het lager onderwijs, die vóór eenige jaren den beroemden Lord Brougham in de Engelsche Kamer deed uitroepen: "Voortaan zal niet meer het kanon, maar wel de onderwijzer over het lot der wereld beslissen!" Zooveel durven wij niet hopen; maar toch zijn wij van meening, dat in de zedelijke orde de samenleving zal zijn wat het lager onderwijs haar heeft gemaakt. En onder dit oogpunt mogen wij, Belgen, ons verblijden: staat ons land nevens de grootste en wijste natiën ten opzichte der uitbreiding van het volksonderwijs, het is misschien wel het eerste van alle ten opzichte van den zuiveren echt beschavenden geest, die het lager onderwijs bij ons bezielt.
Onze koning, de welbeminde vader des volks, en met hem onze staatslieden, onze provinciale en gemeentelijke overheden hebben wel begrepen, dat de hechtste band, dien men rond onze jonge nationaliteit kon slaan, de band van een doelmatig en overvloedig lager onderwijs moest zijn. Wat dankbaarheid zijn wij hun niet verschuldigd, wanneer wij overdenken, dat de kosten van allen aard voor het lager onderwijs jaarlijks 4 1/2 millioen franken bedragen, en dat op dien voet, sedert 1830, België aan de opvoeding des volks meer dan honderd millioen heeft besteed!
Men moge de gebreken der tegenwoordige samenleving met bitterheid gispen; men moge het goede vergeten om in het kwade te kunnen wanhopen, het is schoon toch, tot lof van onzen tijd en van ons land in het algemeen te kunnen zeggen, dat niemand in België van het brood der ziel, van het licht des geestes moet onterfd blijven, dan alleen door zijne of zijner ouderen schuld! Dat niemand, zelfs het kind des bedelaars niet, de middelen ontzegd worden, om de begaafdheden, die God hem heeft geschonken, te ontwikkelen en te doen gelden, en aldus in het Belgisch huisgezin de plaats in te nemen, waartoe zijne zedelijke waarde hem recht kan geven!
Gij, leerlingen, wien ik in naam des staatsbestuurs den prijs der vlijt en der werkzaamheid ga uitdeelen, gij zijt een slagend bewijs van de waarheid mijner gezegden. De meesten uwer behooren voorzeker tot de arbeidende burgerij, sommigen ook tot den nederigsten volksstand. De zegepraal, die gij nu hebt behaald, doet mij denken, dat de Voorzienigheid u heeft begaafd met eene bijzondere verstandelijke vatbaarheid; zij laat mij hopen, dat gij zult getrouw volharden in leerzucht en in vlijt, dat gij zult getrouw blijven aan de gevoelens van deugd en vaderlandsliefde, welke de lagere school u in den boezem heeft gestort. Indien het zoo is, dan zult gij u onderscheiden in de samenleving, u nuttig maken, u doen beminnen en eeren in uwen stand. En wie weet, wat gij zult worden, gij, die bij uitstek moedig schijnt en begaafd? Wie kan zeggen, of niet sommigen onder u hun vaderland zullen vereeren en eene luisterrijke loopbaan bewandelen?
Dit hangt af van den wil Gods en van uwe eigene volharding: maar hoe het zij, en welke uw stand in de samenleving ook worde, zonen des volks, gij zult het altijd blijven beminnen dit vaderland, dat u zoo edelmoedig de middelen schonk, om uwen geest te veredelen, uwe natuur te louteren en u waardig te maken van een beter lot op aarde. In uw gevoel van dankbaarheid zult gij den doorluchtigen weldoener van België, den koning, begrijpen; uwe erkentenis zal zich uitstrekken tot de staatslieden, die onze schoone nationaliteit hebben gesticht of gehandhaafd, tot de provinciale en gemeentelijke overheden, die voortdurend en met vaderlijke zorg de bron voeden, waaraan gij hebt geput. Aldus zult gij waardige burgers worden, nuttige menschen, en vooral verkleefde vrienden van de vrije instellingen, die België tusschen de staten van Europa tot een benijdenswaardig land hebben gemaakt.
Het is mij een plicht, te dezer gelegenheid eenige woorden te zeggen tot lof dier ootmoedige maar edelhartige mannen, die zich aan het onderwijs van de kinderen des volks hebben toegewijd;—die dikwijls ongekend en schier onbeloond, gedurende eenen ganschen levensloop zich opofferen, zonder rust of verpoozing, om de vaderlijke inzichten van het staatsbestuur te verwezenlijken.
Al wat ik tot lof der lagere scholen heb gezegd, is ook op u toepasselijk, heeren onderwijzers. Het is uw hart, dat er de jonge harten vormt; het is uw geest, die er de kinderlijke verstanden ontwikkelt; het is uwe liefde tot het goede, tot het schoone, tot het edele, die als eene weldadige sprankel, van uit uwen boezem in de gemoederen der leerlingen overgaat. En wie de overtuiging uitdrukt, dat het lager onderwijs een der schoonste eeretitels des vaderlands is, die zegt terzelfder tijd, in welke ruime mate de openbare dankbaarheid u toekomt.
Het is waar, gij zijt niet naar verdiensten beloond; maar deze toestand is een dier overblijfsels van vroegere tijden, waarvan de samenleving zich slechts langzaam kan ontdoen. Reeds hebt gij kunnen bemerken, dat er sedert vele jaren pogingen worden aangewend, om uw lot meer in verband te brengen met de hooge diensten, die gij bewijst; en, gij kunt het niet miskennen, onder dit opzicht is reeds veel gedaan. Zijt er van verzekerd, opdat het u sterk make tot het vervullen uwer moeilijke plichten; het staatsbestuur is doordrongen van al de gewichtigheid uwer zending en zal nimmer ophouden naar de verbetering van den onderwijzersstand te streven.
Zijn er nog menschen, die uw edel beroep niet ten volle begrijpen en het niet naar recht en rede hoogachten, het mistrooste u niet: alwie overweegt, alwie het vaderland en het volk met klaarheid in den geest bemint, denkt slechts met bewondering en eerbied aan het goede, dat gij sticht, en aan de belangelooze opoffering, die gij toont. Gaat voort en arbeidt met dezelfde vlijt op den akker der toekomst; leert den kinderen de deugd hoogschatten, het vaderland beminnen en God vreezen; en, weigert de tijd u voor alsnu nog het rechtmatig loon uwer lastige taak, zoekt sterkte en troost in de overtuiging, dat gij op aarde tusschen de edelste en nuttigste burgers gerekend wordt en dat gij de weldoeners van het menschdom zijt.
EINDE.
FOOTNOTES:
[1]
Van Maerlants eernaam, hier op Willems toegepast.
[2]
LedegancksTrilogie.
[3]
Ledeganck.
[4]
Willems en Ledeganck.
[5]
Van Ryswyck,Rederijkerslied, 1836.