XI.

XI.Brief uit Florence.De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere olijven—en deze even stoer als die van Corfu—met tintelende looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche damesstroomden er heen met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de kerkmuziek is er een rage; van halfacht ’s morgens tot ’s middags laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de’ Monti, met die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort, naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozartmoetmen hooren, Maureschimoetmen hooren zingen.... Dan gaat men omdat hetmoet, en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem, die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten, zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch, al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook, maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen, zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen, schijnen zij genomen tehebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet, dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik:Italianen zijn hartelijk en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont de liefde voor hun naasten...En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb, kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn zijne stallen.Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen, in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts de Via de’ Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de’ Fossi, waar iets van fresco’s schemert, geen kunststukken, maar toch kleur van bekoring voor mij; en dan de daken,waarvan de lijnen zich verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust, en ikherinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik las TöpffersBibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag, een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine, dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen, als ze wist, dat ikNoodlotgeschreven had.... Maar nu weet ze alleen maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus’ en morbide’s zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit zijn, want het isvan een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk, dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug keer, wie weet, nooit meer...Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de Piazza de’ Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto’s marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza, maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondereemotie; ik meen in de kapel der Medici’s, die Benozzo Gozzoli beschilderd heeft. Die fresco’s behooren voor mij tot het schoonste, dat men in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming, maar het schoonste van mondain vertoon.Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo’s hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden, witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen der Kerk.1De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges; in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige Medici’smet ook dat van den schilder zelven.Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid.Het geheel heeft niets orientalisch’, maar is een schitterende afspiegeling van het Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren, terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want waar nu het venster is,was vroeger Maria’s Aanbidding van het Kind door Filippo Lippi—nu in de Academia,—op de vierde muur dus, waarheen de optocht zich scheen te begeven.Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen—éen engel voedert er een pauw—zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën, met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven, en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen dekoningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici’s er mimeeren het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en geschenken bieden aan het Kind.Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden, bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce; uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en ookop de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt men zich geheel Florence...Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt:de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen, dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine, achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en, misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche Venus, gevonden in de villavan Hadrianus bij Tivoli; een sater, die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars; een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino; een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo; een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr; het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten, en het is er heel moeilijk zuivere impressie’s te krijgen, ook al keert men er nog zoo dikwijls terug.Om de Tribuna heen schitteren de zalenderToskaansche, Venetiaansche en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche scholen; de zaal van Botticelli...In deze laatste, Botticelli’s hemelschoone Madonna met het Kind. Een ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der moeder en ophet heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk zal de Maagd letten en de engelen ook...En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op, want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood, blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid—fijne neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen—van Botticelli.Maar de Uffizië heeft nog een tweede byouteriekist, behalve de Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici’s hebben toebehoord: kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker van goud-geëmailleerd rotskristal, dien BenvenutoCellini voor Diane de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret van Cosimo II. in Florentijnschmozaïekvan louter edelsteen; japis beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel, waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven der Renaissance, van het leven der Medici’s. En in het midden van dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste: eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid, want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit Jezus’ leven geëtst als met een feeënnaald, zooklein, zoo fijn, zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes, dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein artistje onder de elven...Er is misschien geene stad in Italië—en ik zonder Rome zelfs niet uit—waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella, schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in processie deze kerk werd binnengevoerd. Giottois prachtig in Santa Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool, achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, enomstuwddoor legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen enmonnikenmeêsleepen, en rechts het paradijs....En men moet Il Beato niet te veel vragennaar zijne hel en zijn duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans, en wie gescheiden waren op aardeontmoetener elkaâr, en omhelzen er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden, in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen, de poort in, het paradijs binnen....In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er gaarne aan zoû willen gelóoven...In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en juist heeft de Zoon zijne Moedergekroond tot Koningin der Hemelen, en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen, schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen, der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren, instille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in zijne wat morbide fragiliteit van madonna’s en expressieve waarheid van kinderen—de Apparitie aan St. Bernard in de Badia—; Andrea del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet: in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid van geheel Florentijnsche types: de choorfresco’s van St. Maria Novella—en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar Perugino heiliger,waar Botticelli schitterender en magistraler dan te Florence? Waar zag ik in Siena—en de Flagellatie niet uitgezonderd—zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook—als schilder—om zijne H. Familie van de Tribuna....De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst; in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweeléen geconcentreerden straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid in éens verlicht....Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici’s in hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der 17deeeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost, en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco’s onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de—eene slechts vergulde—statuen der doode vorsten. De edelsteenen der kronen waren eensecht, maar zijn door de Franschen weggenomen en nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel beneden en vertoont inmozaïekeene afwisseling van urnen met de wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico, het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië, koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur, en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie’s zijn voor het oog ofvoor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen: Giotto’s marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant—uit hare: Makers of Florence—de lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap: de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve, de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten, die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk eenweêrgalooswonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello is heel mooi, maar datvan Luca della Robbia is een wonder. Een wonder van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes: dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand, met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen, op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen, en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek, en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang, en sommige slaande de maat met een hand of een vinger...Heeft Luca della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk op die antieke groep!Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16deeeuw gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap, die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus, dronkenen spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit, op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager, maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem; en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne twee Davids. De eene, de marmeren,heeft iets vreemds in de houding, iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch,een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons, dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,—die zijner overwinning—naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is heerlijk, zijn buik verrast door een ietwatvrouwelijke lijn. De ronde herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker- rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.Dan de H. George van Or San Michele—in deze zaal kopie—een jonge held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild, den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch magere halsje en dien ascetischenblik, type, dat men weêr terug vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat, dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in brons; watdankbaarheidvooral om dat zoo allerschoonste van Florence, dien lieveling van mijn oogen, dien David!1Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.

XI.Brief uit Florence.De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere olijven—en deze even stoer als die van Corfu—met tintelende looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche damesstroomden er heen met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de kerkmuziek is er een rage; van halfacht ’s morgens tot ’s middags laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de’ Monti, met die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort, naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozartmoetmen hooren, Maureschimoetmen hooren zingen.... Dan gaat men omdat hetmoet, en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem, die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten, zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch, al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook, maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen, zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen, schijnen zij genomen tehebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet, dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik:Italianen zijn hartelijk en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont de liefde voor hun naasten...En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb, kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn zijne stallen.Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen, in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts de Via de’ Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de’ Fossi, waar iets van fresco’s schemert, geen kunststukken, maar toch kleur van bekoring voor mij; en dan de daken,waarvan de lijnen zich verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust, en ikherinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik las TöpffersBibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag, een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine, dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen, als ze wist, dat ikNoodlotgeschreven had.... Maar nu weet ze alleen maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus’ en morbide’s zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit zijn, want het isvan een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk, dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug keer, wie weet, nooit meer...Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de Piazza de’ Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto’s marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza, maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondereemotie; ik meen in de kapel der Medici’s, die Benozzo Gozzoli beschilderd heeft. Die fresco’s behooren voor mij tot het schoonste, dat men in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming, maar het schoonste van mondain vertoon.Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo’s hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden, witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen der Kerk.1De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges; in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige Medici’smet ook dat van den schilder zelven.Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid.Het geheel heeft niets orientalisch’, maar is een schitterende afspiegeling van het Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren, terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want waar nu het venster is,was vroeger Maria’s Aanbidding van het Kind door Filippo Lippi—nu in de Academia,—op de vierde muur dus, waarheen de optocht zich scheen te begeven.Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen—éen engel voedert er een pauw—zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën, met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven, en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen dekoningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici’s er mimeeren het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en geschenken bieden aan het Kind.Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden, bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce; uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en ookop de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt men zich geheel Florence...Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt:de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen, dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine, achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en, misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche Venus, gevonden in de villavan Hadrianus bij Tivoli; een sater, die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars; een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino; een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo; een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr; het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten, en het is er heel moeilijk zuivere impressie’s te krijgen, ook al keert men er nog zoo dikwijls terug.Om de Tribuna heen schitteren de zalenderToskaansche, Venetiaansche en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche scholen; de zaal van Botticelli...In deze laatste, Botticelli’s hemelschoone Madonna met het Kind. Een ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der moeder en ophet heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk zal de Maagd letten en de engelen ook...En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op, want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood, blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid—fijne neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen—van Botticelli.Maar de Uffizië heeft nog een tweede byouteriekist, behalve de Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici’s hebben toebehoord: kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker van goud-geëmailleerd rotskristal, dien BenvenutoCellini voor Diane de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret van Cosimo II. in Florentijnschmozaïekvan louter edelsteen; japis beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel, waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven der Renaissance, van het leven der Medici’s. En in het midden van dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste: eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid, want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit Jezus’ leven geëtst als met een feeënnaald, zooklein, zoo fijn, zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes, dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein artistje onder de elven...Er is misschien geene stad in Italië—en ik zonder Rome zelfs niet uit—waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella, schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in processie deze kerk werd binnengevoerd. Giottois prachtig in Santa Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool, achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, enomstuwddoor legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen enmonnikenmeêsleepen, en rechts het paradijs....En men moet Il Beato niet te veel vragennaar zijne hel en zijn duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans, en wie gescheiden waren op aardeontmoetener elkaâr, en omhelzen er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden, in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen, de poort in, het paradijs binnen....In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er gaarne aan zoû willen gelóoven...In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en juist heeft de Zoon zijne Moedergekroond tot Koningin der Hemelen, en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen, schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen, der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren, instille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in zijne wat morbide fragiliteit van madonna’s en expressieve waarheid van kinderen—de Apparitie aan St. Bernard in de Badia—; Andrea del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet: in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid van geheel Florentijnsche types: de choorfresco’s van St. Maria Novella—en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar Perugino heiliger,waar Botticelli schitterender en magistraler dan te Florence? Waar zag ik in Siena—en de Flagellatie niet uitgezonderd—zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook—als schilder—om zijne H. Familie van de Tribuna....De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst; in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweeléen geconcentreerden straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid in éens verlicht....Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici’s in hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der 17deeeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost, en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco’s onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de—eene slechts vergulde—statuen der doode vorsten. De edelsteenen der kronen waren eensecht, maar zijn door de Franschen weggenomen en nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel beneden en vertoont inmozaïekeene afwisseling van urnen met de wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico, het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië, koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur, en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie’s zijn voor het oog ofvoor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen: Giotto’s marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant—uit hare: Makers of Florence—de lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap: de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve, de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten, die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk eenweêrgalooswonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello is heel mooi, maar datvan Luca della Robbia is een wonder. Een wonder van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes: dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand, met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen, op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen, en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek, en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang, en sommige slaande de maat met een hand of een vinger...Heeft Luca della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk op die antieke groep!Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16deeeuw gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap, die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus, dronkenen spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit, op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager, maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem; en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne twee Davids. De eene, de marmeren,heeft iets vreemds in de houding, iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch,een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons, dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,—die zijner overwinning—naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is heerlijk, zijn buik verrast door een ietwatvrouwelijke lijn. De ronde herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker- rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.Dan de H. George van Or San Michele—in deze zaal kopie—een jonge held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild, den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch magere halsje en dien ascetischenblik, type, dat men weêr terug vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat, dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in brons; watdankbaarheidvooral om dat zoo allerschoonste van Florence, dien lieveling van mijn oogen, dien David!1Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.

De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere olijven—en deze even stoer als die van Corfu—met tintelende looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche damesstroomden er heen met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de kerkmuziek is er een rage; van halfacht ’s morgens tot ’s middags laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de’ Monti, met die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort, naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozartmoetmen hooren, Maureschimoetmen hooren zingen.... Dan gaat men omdat hetmoet, en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem, die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.

En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten, zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch, al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook, maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen, zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen, schijnen zij genomen tehebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet, dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik:Italianen zijn hartelijk en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont de liefde voor hun naasten...

En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb, kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn zijne stallen.Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen, in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts de Via de’ Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de’ Fossi, waar iets van fresco’s schemert, geen kunststukken, maar toch kleur van bekoring voor mij; en dan de daken,waarvan de lijnen zich verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust, en ikherinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik las TöpffersBibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag, een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine, dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen, als ze wist, dat ikNoodlotgeschreven had.... Maar nu weet ze alleen maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus’ en morbide’s zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....

En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit zijn, want het isvan een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk, dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug keer, wie weet, nooit meer...

Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de Piazza de’ Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto’s marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza, maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondereemotie; ik meen in de kapel der Medici’s, die Benozzo Gozzoli beschilderd heeft. Die fresco’s behooren voor mij tot het schoonste, dat men in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming, maar het schoonste van mondain vertoon.

Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo’s hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden, witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen der Kerk.1De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges; in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige Medici’smet ook dat van den schilder zelven.

Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid.Het geheel heeft niets orientalisch’, maar is een schitterende afspiegeling van het Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren, terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.

Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want waar nu het venster is,was vroeger Maria’s Aanbidding van het Kind door Filippo Lippi—nu in de Academia,—op de vierde muur dus, waarheen de optocht zich scheen te begeven.

Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen—éen engel voedert er een pauw—zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën, met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven, en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen dekoningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici’s er mimeeren het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en geschenken bieden aan het Kind.

Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden, bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce; uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en ookop de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt men zich geheel Florence...

Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt:de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen, dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.

Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine, achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en, misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche Venus, gevonden in de villavan Hadrianus bij Tivoli; een sater, die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars; een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino; een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo; een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr; het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten, en het is er heel moeilijk zuivere impressie’s te krijgen, ook al keert men er nog zoo dikwijls terug.

Om de Tribuna heen schitteren de zalenderToskaansche, Venetiaansche en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche scholen; de zaal van Botticelli...

In deze laatste, Botticelli’s hemelschoone Madonna met het Kind. Een ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der moeder en ophet heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk zal de Maagd letten en de engelen ook...

En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op, want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood, blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid—fijne neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen—van Botticelli.

Maar de Uffizië heeft nog een tweede byouteriekist, behalve de Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici’s hebben toebehoord: kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker van goud-geëmailleerd rotskristal, dien BenvenutoCellini voor Diane de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret van Cosimo II. in Florentijnschmozaïekvan louter edelsteen; japis beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel, waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven der Renaissance, van het leven der Medici’s. En in het midden van dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste: eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid, want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit Jezus’ leven geëtst als met een feeënnaald, zooklein, zoo fijn, zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes, dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein artistje onder de elven...

Er is misschien geene stad in Italië—en ik zonder Rome zelfs niet uit—waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella, schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in processie deze kerk werd binnengevoerd. Giottois prachtig in Santa Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....

Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool, achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, enomstuwddoor legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen enmonnikenmeêsleepen, en rechts het paradijs....

En men moet Il Beato niet te veel vragennaar zijne hel en zijn duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans, en wie gescheiden waren op aardeontmoetener elkaâr, en omhelzen er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden, in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen, de poort in, het paradijs binnen....

In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er gaarne aan zoû willen gelóoven...

In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en juist heeft de Zoon zijne Moedergekroond tot Koningin der Hemelen, en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen, schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen, der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....

Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren, instille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....

En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in zijne wat morbide fragiliteit van madonna’s en expressieve waarheid van kinderen—de Apparitie aan St. Bernard in de Badia—; Andrea del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet: in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid van geheel Florentijnsche types: de choorfresco’s van St. Maria Novella—en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar Perugino heiliger,waar Botticelli schitterender en magistraler dan te Florence? Waar zag ik in Siena—en de Flagellatie niet uitgezonderd—zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?

Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook—als schilder—om zijne H. Familie van de Tribuna....

De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst; in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweeléen geconcentreerden straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid in éens verlicht....

Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici’s in hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der 17deeeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost, en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco’s onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de—eene slechts vergulde—statuen der doode vorsten. De edelsteenen der kronen waren eensecht, maar zijn door de Franschen weggenomen en nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel beneden en vertoont inmozaïekeene afwisseling van urnen met de wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico, het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië, koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur, en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.

Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie’s zijn voor het oog ofvoor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen: Giotto’s marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant—uit hare: Makers of Florence—de lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap: de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve, de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten, die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk eenweêrgalooswonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello is heel mooi, maar datvan Luca della Robbia is een wonder. Een wonder van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes: dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand, met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen, op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen, en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek, en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang, en sommige slaande de maat met een hand of een vinger...Heeft Luca della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk op die antieke groep!

Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16deeeuw gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap, die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus, dronkenen spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit, op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager, maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem; en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...

Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne twee Davids. De eene, de marmeren,heeft iets vreemds in de houding, iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch,een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons, dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...

Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,—die zijner overwinning—naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is heerlijk, zijn buik verrast door een ietwatvrouwelijke lijn. De ronde herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker- rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.

Dan de H. George van Or San Michele—in deze zaal kopie—een jonge held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild, den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch magere halsje en dien ascetischenblik, type, dat men weêr terug vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat, dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in brons; watdankbaarheidvooral om dat zoo allerschoonste van Florence, dien lieveling van mijn oogen, dien David!

1Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.

1Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.


Back to IndexNext