IV

Typen uit de vallei van Olympia.Typen uit de vallei van Olympia.

Typen uit de vallei van Olympia.

Typen uit de vallei van Olympia.

De monniken van Megaspilion behooren, als die van alle grieksche kloosters, tot de orde van Sint-Basilius, die den veldarbeid voorschrijft en geene strenge kloosterlijke afzondering vordert. Maarde monniken arbeiden niet en lezen evenmin; doorgaans bepalen zij er zich toe, het oog te houden op de boeren, die de velden en akkers en wijngaarden van het klooster bearbeiden; voorts brengen zij hun tijd door met het nu en dan slordig en onachtzaam opdreunen van gebeden, waarvan zij de beteekenis zelfs niet trachten te begrijpen, met dommelend soezen, des winters in den zonneschijn, des zomers in de schaduw, neergehurkt op de galerijen. Rijst er eenige gedachte in hun slaperig brein op, dan is het wel die, dat voor hen de dagen zachtkens vervlieten in ongestoorde rust, zonder zorg of kommer, altijd even kalm, met denzelfden steeds wederkeerenden sleur, tot ook zij eindelijk ter ruste worden gelegd naast hunne broederen, die den eeuwigen slaap slapen daar beneden, op het kleine kerkhof, waar de vogelkens kwinkeleeren in de groote cypressen. Zulk een klooster is niets anders dan eene vereeniging van grondbezitters, die zich op zeer gebrekkige wijze van hunne taak kwijten, en voorbijgaan zonder eenig spoor achter te laten, zonder eenigen invloed, en wel het minst een godsdienstigen geestelijken invloed, op hunne omgeving te hebben uitgeoefend.

Megaspilion verlatende moeten wij tegen den berg opklauteren, die zich achter het klooster verheft, en achtervolgens al de noordelijke contreforten van den berg Khelmos bestijgen. Terwijl wij zoo langs het smalle en steile pad voortzwoegden, ontmoetten wij enkele monniken te paard, gemakkelijk gezeten op breede welgevulde pakzadels. Sommigen keeren terug van de wijngaarden, waar zij de arbeiders hebben gadegeslagen die de ranken opbinden; anderen zijn tegenwoordig geweest bij het dorschen van het koren in de vallei van Diakopto, waar de rijkste boerderijen van het klooster liggen. Een ander ging den berg op, om een bezoek te brengen aan vijfhonderd bijenzwermen, die uit het klooster naar het bosch waren overgebracht gedurende den tijd dat depevka-pijn bloeit, waarvan het zetmeel aan den honig een heerlijken geur geeft. Het is de gewoonte in Griekenland, aldus tot twee-, driemalen toe, de bijen naar verschillende plaatsen over te brengen, in verband met den aard en den overvloed der bloemen die zij daar kunnen vinden; de naburige dorpen moeten een zeker recht betalen aan den hegoumenos van Megaspilion, wanneer zij hunne korven naar de bosschen van het klooster overbrengen.

De weg wordt voortdurend slechter. Wij loopen inderdaad groot gevaar, den hals te breken, en onze lastdieren, wier vracht telkens tegen de uitstekende rotspunten stoot, dreigen elk oogenblik in den afgrond te rollen. Drie uren lang waren wij als verloren te midden van een baaiert van bergen, tegen de steile toppen opklauterende, in diepe ravijnen nederdalende om aanstonds weer naar boven te klimmen, tot wij eindelijk eene hoogvlakte bereikten, van waar wij de golf van Korinthe konden overzien en op den achtergrond de keten van den Parnassos, nog met sneeuw bedekt. Voor onze voeten ontrolde zich, afdalende naar de zee, eene aaneenschakeling van heuvelen en valleien, met donkere bosschen bedekt, bebouwd, bezaaid met dorpen, waarvan de roode pannendaken schilderachtig uitkwamen onder het loof der kastanjeboomen, en doorsneden door tallooze beken, welke zich door de maïsvelden slingeren.

Om te Peristera te komen, moesten wij eene steile helling bestijgen langs een pad, bezaaid met losse steenen, die telkens wegrolden onder de pooten onzer uitgeputte paarden. Alle plantengroei had nu weer opgehouden, en wij waren omringd door hooge, kale, roodachtige rotsen, voor welker schilderachtige vormen wij meer oog zouden gehad hebben, indien zij niet eene zoo ondragelijke hitte hadden uitgestraald en zoo verblindend het zonlicht weerkaatst.—Alvorens Solos te bereiken, moesten wij nu naar de vallei van de Krathis afdalen, langs eene zoo moeilijke en gevaarlijke helling, als wij nog zelden hadden gezien, glijdende en bij iederen voetstap vallende, terwijl onze paarden, ondanks de inspanning der geleiders, telkens uitgleden en ter aarde stortten. Ik heb niet dikwijls in mijn leven zulk een vermoeienden en gevaarlijken tocht gemaakt. Het was inderdaad eene uitkomst, toen wij eindelijk het dorp Solos bereikten, in eene bekoorlijke vallei, te midden van kastanjes en bloeiende vruchtboomen gelegen, aan de samenvloeiing van de Krathis en de Mavro Nero, ook Drako Nero genoemd, welke niet anders en niet minder is dan de Styx, de rivier van de onderwereld, wier sombere wateren dood en verderf verspreidden.

Op omstreeks een uur afstands van Solos voert een woeste, eenzame pas, waarvan de groene en donkerpaarse rotswanden een fantastischen indruk maken, naar een soort van circus, in de loodrechte wanden van den Khelmos uitgehouwen, en van welks top twee dunne waterstralen, als zilveren linten, naar beneden zweven en zich halverwege in damp en nevel oplossen. Als, in sommige gevallen, nevels en wolken willen medehelpen om het effect te verhoogen, en door speling en verdeeling van licht en schaduw de bergkloof in kille schemering is gedompeld, terwijl de toppen der rotsen schitteren in vlammenden gloed, dan is het schouwspel zeker aangrijpend en grootsch; maar toch is het moeilijk te begrijpen waarom de ouden juist deze plek hadden uitgekozen om daar den ingang der hel te plaatsen. Nog onder den indruk van onze klassieke herinneringen, verwachten wij geheel iets anders: een woest en huiveringwekkend tooneel; zwarte gapende afgronden, waaruit het dof geluid van rollenden donder u tegenklinkt; geheimzinnige duistere kloven, waarin de wind huilend en klagend ommegiert en vreeze des doods sidderend rondwaart...... Gij vraagt u af, waar hier de onderwereld is; waar de verschrikkingen van den noodlottigen Styx? waar de afgrond, aan welks donkeren rand Demeter, in ademlooze spanning, den terugkeer harer dochterafwachtte? Gij zijt teleurgesteld, en ge kunt een gevoel van wrevel niet onderdrukken jegens de dichters, die u zoo hebben beet gehad en in zoo hooge mate uwe belangstelling wisten te wekken voor iets, dat enkel in hunne verbeelding bestond.

Het water van den Styx, dat veeleer uit den hemel schijnt te dalen, dan uit het schimmenrijk van den Hades op te wellen, is frisch en helder. De ouden kenden aan dat water eene bijtende, invretende kracht toe, en beweerden dat men het uitsluitend in hoornen kruiken kon bewaren. Verwonderlijk inderdaad is, te dezen aanzien, de men zou haast zeggen kinderachtige naïeveteit, waarmede de beroemdste geleerden der oudheid in vollen ernst de vraag overwegen, van welk dier de hoef zulke merkwaardige eigenschappen bezit. Plutarchus hield het met den ezel; Aelianus was van hetzelfde gevoelen, maar met de nadere bepaling dat hier alleen van skythische ezels sprake kon zijn; Pausanias heeft alleen van het paard hooren spreken; Plinius zou aan de muilezelin de voorkeur geven; Vitruvius aan den muilezel: nog eens, het is schier onbegrijpelijk, hoe ernstige zeer ontwikkelde mannen zich met dergelijke kinderachtigheden kunnen bezig houden.

Na Solos verlaten te hebben, klimmen wij langzaam en met inspanning de steile hellingen van den Khelmos op, geheel van plantengroei ontbloot; maar aan de andere zijde, naar het zuiden, voert de weg midden door bosschen van hooge breedgetakte dennen, die ons aan de majesteit en den indrukwekkenden ernst van de wouden van het noorden herinneren. Bij eene plotselinge kromming van den weg bespeuren wij het meer van Pheneia, omgeven door een wijden kring van hooge bergen met bosschen bedekt, waarvan de steile hellingen bijna loodrecht naar het meer afdalen, in welks heldere wateren zij zich weerspiegelen. Ware de hemel niet zoo helder en vol licht, men zou kunnen wanen in Schotland te zijn, in het zoo schilderachtige en poëtische graafschap Ross. Deze groote waterkom, die tegenwoordig ruim negen kilometers lang en zeven breed is, bestond in de oudheid nog niet; maar daar de onderaardsche kanalen en buizen, langs welke het water van dezen reusachtigen trechter vroeger wegstroomde, door welke oorzaak dan ook, ten deele verstopt zijn geraakt, heeft zich langzamerhand een meer gevormd, waarvan de waterspiegel voortdurend rijst. Sedert lang reeds is de plaats waar het oude Pheneia stond onder het water bedolven; slechts de akropolis steekt nog als een rotsige kaap daarboven uit.

Tusschen Phonia en het meer Stymphalos voert onze weg over eene reeks van woeste en kale plateaux. Niet minder woest en doodsch is de aanblik van het meer zelf met zijne moerassige oevers, een broeinest van koortsen, en zijn gordel van kale bergen en vale rotsen. Het doodelijk zwijgen dat alomme heerscht; de verpeste dampen, die uit de kloof opstijgen, waarin zich het water van het meer uitstort; de zware drukkende lucht in deze bedompte, van alle kanten ingesloten kom:—alles maakt een pijnlijken, benauwenden indruk op de weinige reizigers, die deze plek bezoeken.—Daarom waren ook wij, ondanks den aandrang van onze agoyaten, en hoewel de dag reeds ten avond neigde, niet gezind om te Zaratia te overnachten, maar bleven bij ons besluit om tot Dousia te gaan. Wij allen waren tot uitputtens toe vermoeid van de bezwaarlijke reis; onverschilligheid en verveling maakten zich van ons meester bij dezen eindeloozen tocht door die eenzame, woeste, zwijgende landschappen, door kale vlakten blakerende in den zonnegloed, door vochtige valleien, kweekplaatsen van kwaadaardige koortsen. Wij zagen met ongeduldig verlangen uit naar de zee, naar een ruimer horizon, naar de beschaafde wereld, waarvan wij afgestorven schenen.

De eenige straat van het dorp Dousia was opgevuld met menschen. De Grieken zijn altijd uiterst beleefd en voorkomend jegens vreemdelingen die hun land bezoeken. Men kwam ons te gemoet; wij moesten afstijgen en in een koffiehuis binnengaan, waar een der notabelen van het dorp ons koffie aanbood. Wij vernamen dat de buitengewone drukte veroorzaakt werd door eene bruiloft; weldra kwam de bruidegom zelf, op de meest wellevende wijze, ons uitnoodigen bij de plechtigheid tegenwoordig te zijn, en deel te nemen aan het bruiloftsmaal, dat nog dien eigen avond zou gehouden worden. De kerkelijke plechtigheid was op morgen bepaald.

Deze maaltijd—zoo als alle dergelijke feestmaaltijden op het platte land in Griekenland—bestond uit lammeren, die in hun geheel gebraden en opgedischt worden, uit rauwe uien, uit harde eieren en schapenkaas; een met wijn gevulde groote kruik ging van hand tot hand, en tegen het einde van den maaltijd bracht men eene reusachtige kruik met yaourt, eene soort van gestremde melk, die men slechts in het Oosten vindt, veel fijner en vetter dan de onze, en waarin de gasten om strijd hunne houten lepels dompelden. De toebereidselen tot dit feest hadden gedurende drie dagen aanleiding gegeven tot allerlei symbolische plechtigheden en handelingen, waarin nog de flauwe herinnering leeft aan het oude heidendom, dat in het hart dezer naïeve en tegelijk romaneske bevolking nog niet geheel gestorven is.

Drie jonge meisjes, uit de schoonsten van het dorp gekozen en in haar feestgewaad gekleed, begeven zich naar de fontein, met haar groote kruiken op het hoofd en zonder een enkel woord te spreken, hetgeen voorzeker geene lichte zaak is. Aan de fontein gekomen werpen zij eenige muntstukjes in het water, als eene gave aan de feeën, en keeren na hare kruiken gevuld te hebben, in dezelfde orde en wederom zwijgend huiswaarts. Met het door haar geputte water bereiden zij dan het brood, dat bij het bruiloftsmaal gebruikt moet worden; terwijl de mannelijke en vrouwelijke bloedverwanten van den bruidegom liederen zingen, voor deze gelegenheid bestemd. Den volgenden dag is het de beurt der jongelieden, die naar het bosch gaan om het noodige hout te zoeken, dat met een nieuw hennepkoordwaarin geen knoopen mogen gelegd worden, moet worden saamgebonden. De takkebossen moeten onder muziek en zang naar het dorp gebracht worden.

Op den laatsten dag kiest men de vetste schapen van de kudde uit, verguldt hunne hoornen, en omkranst hen den kop met bloemen, even als weleer de offerdieren; vervolgens worden zij, onder begeleiding van muziek en zang, door het dorp rondgeleid en voor het huis van den bruidegom geslacht.

Na afloop van den maaltijd wordt het grootste gedeelte van den nacht met zingen en dansen doorgebracht, op het met flambouwen verlichte dorpsplein; de genoodigden vormen lange rijen van dansers en danseressen, die elkander bij de hand houden. De mannen zijn gekleed in geborduurde wambuizen met lange open mouwen, in driedubbele witte, netjes geplooide fustanella’s, en hooge roode, witte of blauwe geborduurde slobkousen; de vrouwen, gedost in het gewone kostuum van Argolis, met een kleine ronde fez op het hoofd, die geheel met zilveren en soms gouden muntstukken is bedekt, welke in dichte rijen van de kruin tot het voorhoofd reiken. Twee groote oorringen van geciseleerd zilver zijn onderling verbonden door drie of vier kettinkjes, die onder de kin doorgaan en eene niet onaardige omlijsting van het gelaat vormen.

In den omtrek van Megaspilion.In den omtrek van Megaspilion.

In den omtrek van Megaspilion.

In den omtrek van Megaspilion.

De keten der dansers en danseressen ontwikkelde zich telkens, met die eigenaardige beweging der beenen, waarin de danskunst der Grieken hoofdzakelijk bestaat. Het licht der flambouwen weerkaatste hier en daar in een gouden muntstuk, in de zilveren belegsels der gordels of de rijke borduursels der buizen. Aan het hoofd der rei sprong en huppelde de bruidegom, een groote flink gebouwde jonkman van twee- of drie-en-twintig jaren, met zware zwarte knevels en een paar vlammende oogen; hij danste onvermoeid, terwijl de muziekanten klagende, doffe klanken uit hunne fluiten te voorschijn brachten, nu en dan half overstemd door het gonzend geklepper der tamboerijnen.

De bruid bleef in haar huis met hare vriendinnen, die voor haar zongen. Zij moest, volgens het gebruik, op een lage tabouret zitten, het hoofd en de schouders met een dichten sluier omhuld. Haar gelaat was met een laag blanketsel bedekt; hare wenkbrauwen waren met eene fijne zwarte streep een weinig verlengd, en een dunne blauwachtige kring rondom de oogen deed die buiten verhouding groot schijnen. Boven de wenkbrauwen waren twee kleine gouden cirkeltjes geteekend; hare haren, haar hals en haar armen waren overladen met zware en plompe zilveren sieraden. Het was duidelijk, dat haar gedwongen stilzitten in de benauwde lucht van eene kleine kamer, doortrokken van scherpe onaangename geuren, haar hinderde en vermoeide; de groote zweetdroppels die van haar voorhoofd afvloeiden, teekenden grijsachtige sporen op haar sterk beschilderde wangen.

Een eilandbewoner van de Archipel.Een eilandbewoner van de Archipel.

Een eilandbewoner van de Archipel.

Een eilandbewoner van de Archipel.

Wij lieten deze brave lieden zingen en dansen en drinken naar hartelust, en begaven ons naar de kamers, die men ons had afgestaan; maar nauwelijks hadden wij omstreeks een paar uren onrustig op onze tapijten omgewoeld en nu endan geslapen, of wij werden plotseling door geweerschoten gewekt. Een der jongelieden van het dorp trad binnen en verwittigde ons dat de bruid en de bruidegom zich naar de kerk begaven. Te gelijkertijd gaf hij aan ieder onzer een klein rond taartje,klouriagenoemd, dat de plaats inneemt van onze uitnoodigingskaarten.

Reeds vormde zich de stoet. De bruid, steeds gesluierd en zoo overladen met kronen en sieraden dat zij nauwelijks gaan kon, trad met langzame schreden voort, ondersteund door hare moeder en eene harer naaste vrouwelijke bloedverwanten, voorafgegaan door muziek en gevolgd door een drom van verwanten, vrienden en vriendinnen. Aan het andere einde der straat vertoonde zich de stoet van den bruidegom, niet minder talrijk en luidruchtig. Beide partijen ontmoetten elkander voor de kerkdeur, waar de pappas wachtte. De kerkelijke ceremonie duurde zeer kort. Na de jonggehuwden te hebben gezegend, bood de priester hun een met wijn gevulde kelk aan, waaruit zij even dronken en die zij vervolgens aan hunne ouders en de getuigen overreikten.

Men begaf zich daarop naar het huis van den bruidegom, waarvan de deur met kransen van groen en bloemen was versierd. Op den drempel stonden drie bekers met honig, boter en korenzaad, als zinnebeelden van de zoetheid, de liefelijkheid en den overvloed, die in het huis steeds mogen wonen. De bruidegom tilde daarop zijne bruid in zijne armen en droeg haar in huis, zonder dat haar voet den drempel aanraakte, hetgeen als een ongelukkig voorteeken zou worden beschouwd.

Nu moest nog een groot feestmaal gehouden worden, gevolgd door dansen; maar ondanks aller vriendelijken aandrang om ook daarbij tegenwoordig te zijn, lieten wij onze paarden zadelen. De jonge man, door zijne vrienden omringd, kwam ons de hand drukken en goede reis wenschen, en ons nogmaals danken voor de eer, hem bewezen door onze tegenwoordigheid bij zijn huwelijk.

Wij hadden ongeveer een dag noodig om de bergketen over te trekken, die ons van de golf van Korinthe scheidde. De met eiken en dennenbosschen begroeide vallei, die naar de zee afdaalde, werd al breeder en breeder. Kleine gehuchten vertoonden hunne roode daken tusschen de met wijngaarden beplante heuvelen. Dit vroeger zoo arme land geniet thans, dank zij den uitvoer van krenten, eene groote mate van welvaart.

Eensklaps opende zich de horizon, en tusschen de boomen schitterde een metalen spiegel: dat was de zoo vurig begeerde golf!

Wij kwamen te Sikyon, waarvan het antieke theater een uitzicht biedt, zoo tooverachtig schoon, als men wenschen kan: de stralende zee; op den achtergrond de twee toppen van den Kitheron en den Helikon; ter rechterhand, de landengte van Korinthe met de Aegeïsche-zee, en in de verte het eiland Aegina.

Den volgenden dag waren wij weder te Athene, uitgerust van onze vermoeienissen, en van onzen tocht door den Peloponnesos geene andere herinnering bewarende dan die aan de prachtige landschappen welke wij hadden aanschouwd, de merkwaardige plekken welke wij hadden bezocht, en niet minder aan het vriendelijk en hartelijk onthaal, dat wij overal gevonden hadden.

Om mijne reis door Griekenland te voltooien, bleef mij nog slechts een bezoek te brengen aan de eilanden in de Aegeïsche-zee. Dit is een zeer gemakkelijk uitstapje, waarvoor men hoegenaamd geene toebereidselen heeft te maken: het komt er slechts op aan, zich te verzoenen met de slechte tafel aan boord der grieksche stoombooten en met de kakkerlakken, waarvan die booten wemelen. Dergelijke kleine onaangenaamheden, die van eene reis in het Oosten onafscheidelijk zijn, zouden mij niet afgeschrikt hebben; maar toch was ik zeer in mijn schik, dat mij vergund werd, de reis mede te maken met het fransche adviesjacht, dat in den Piraeus was gestationeerd en dat een kruistocht ging doen door de Cycladen. Ik had daardoor ook het groote voorrecht, niet aan een bepaalden tijd gebonden te zijn.

De vaart van den Piraeus naar Syra duurt hoogstens acht uren, als de machinist zuinig is met de kolen. Drie uren lang stoomt men langs de kale en dorre kusten van Attika, tot de beroemde kaap Sunium, waarvan de blanke zuilen zich met scherpe lijnen tegen den blauwen hemel afteekenen. Wij varen dicht langs de zuidpunt van het eiland Zea, en bijna onmiddellijk daarna langs de noordpunt van het eiland Thermia, zoo rijk aan patrijzen, dat men de vogels levend, in manden, naar de naburige eilanden en naar de markt te Athene brengt.

Heeft men Thermia achter den rug, dan bevindt men zich in eene soort van wijde kom, aan alle kanten door eilandengroepen omzoomd, die den horizon afsluiten en waartusschen zich schitterende kijkjes op de oneindige ruimte openen. Achter ons, ten oosten Zea, Thermia en Seriphos; links, ten noorden, het eilandje Ghioura, Andros, en verder de punt van Eubea met de zeëengte van Oro; rechts, ten zuiden, Siphnos, Milos, Paros; eindelijk voor ons, ten westen, Tinos en Syra. Boven de donkerblauwe wateren der zee, teekenen al die eilanden, tegen het schitterend azuur van den wolkeloozen hemel, hunne eindeloos verschillende omtrekken, in fijne, doorzichtige, licht-blauwe tinten, onuitsprekelijk schoon van effect. Het is een schouwspel, waarvan de wondervolle bekoring zich niet beschrijven laat: men meent, als in een hemelsch visioen, de eilanden der zaligen te aanschouwen. Waarom wijkt die illusie zoo spoedig als men nader komt?

Langzamerhand onderscheiden wij duidelijker de naakte en kale oevers van het eiland Syra, zonder eenig spoor van plantengroei of menschelijkewoning. Des te grooter is uwe verbazing, als ge, na eene rotsige kaap te zijn omgevaren, eensklaps eene groote stad voor u ziet, met fraaie op bogen rustende huizen, met scheepstimmerwerven en eene druk bezochte haven, waar stoombooten en schepen voortdurend in- en uitvaren, met kaaien en aanlegsteigers, waarop zich eene woelige, bontkleurige menigte beweegt. Dat is Hermoupolis, de nieuwe stad, met haar twintigduizend inwoners.—Daarachter, langs een vrij steilen rotskegel, klimmen de huizen eener oude stad omhoog naar de kathedraal, welke op den top der rots troont: dat is Syra, de oude stad, bewoond door nauwelijks vijfduizend Katholieken en zetel van een bisdom.

Het contrast tusschen deze beide steden, door een open terrein van ettelijke honderden ellen van elkaar gescheiden, is inderdaad treffend. Hier drukte, gewoel, rustelooze arbeid, lossen en laden van schepen, vervoer van goederen, koffiehuizen opgevuld met menschen; daar stilte en rust, met gras begroeide straten, waar geiten en varkens rondwandelen; beneden, kantoren waar belangrijke zaken worden verhandeld en waar ge voortdurend den klank van het geld op de toonbank hoort, prachtige weelderige woningen met al het comfort der europeesche beschaving, hooge fabriekschoorsteenen en werkplaatsen; boven, weinig welvaart en veel armoede, kleine leelijke huizen, waar alles van achteruitgang getuigt, en somwijlen, in de duistere diepte van een of ander krot, een weefgetouw, waarvan het eentonige langzame getik en geklepper alleen de stilte breekt.

Hermoupolis, in de wandeling Syra genaamd, is trouwens eene kunstmatige, als het ware toevallige schepping, door bijzondere omstandigheden in het leven geroepen. De oude stad Syra, het toevluchtsoord voor alle frankische familiën die door de Turken verdreven werden, stond vroeger onder bescherming van den Koning van Frankrijk, die door een consul vertegenwoordigd was; gedurende den onafhankelijkheidsoorlog werd de stad de wijkplaats der bewoners van de andere eilanden, die aan de verwoestende aanvallen der Turken waren blootgesteld. Chioten, Ipsarioten, Hydrioten vestigden zich daar onder de bescherming der fransche vlag en vormden eene kolonie, waaruit weldra eene nieuwe stad werd. In het midden van den Archipel gelegen, halverwege tusschen den Piraeus, Smyrna en de Dardanellen, werd deze stad de geliefde aanlegplaats voor de handelsvaartuigen uit alle havens van den Archipel, die hier hunne waren aanbrachten, vanwaar ze dan met de paketbooten naar Marseille, Triëst of Constantinopel werden gevoerd. Op dit waterlooze eiland, waar geen grasspriet groeit, vindt men thans vijfduizend huizen, kerken, een theater, hoogere en lagere scholen, gasthuizen, bibliotheken, uitgebreide werkplaatsen voor de vervaardiging van machines, en—natuurlijk—een aantal dagbladen. De over het algemeen nog vrij onregelmatige straten zijn omzoomd door welvoorziene winkels, waar men allerlei produkten van fransche, engelsche of duitsche nijverheid vinden kan. Syra is tegenwoordig, na Athene, de belangrijkste stad van het geheele koninkrijk; maar het is niet meer den een soort van stapelplaats, eene kosmopolitische markt, waarvan het bestaan geheel afhankelijk is van het bezoek der paketbooten, welke hier eenige malen in de week geregeld aankomen.

Een zeearm van omstreeks twintig kilometers scheidde ons van het eiland Tinos. Het is eene vaart van anderhalf uur; op het eerste gezicht schijnt de kust al even naakt en dor als die van Syra; maar bij nadere beschouwing ontdekt men toch enkele kleine valleien met een weinig groen, bebouwde velden en witte huisjes. Het vlak San-Nicolo, de hoofdplaats van het eiland, heeft, in plaats van eene haven, niets dan een open strand, geheel blootliggend voor de felle zuidenwinden. Wij moesten dan ook in zee, op vrij grooten afstand van den wal, het anker uitwerpen. Het stedeke ziet er vroolijk en netjes uit met zijn witte huizen met gekleurde zonneblinden, zijn kerken en vele torens.

Tegen den heuvel, achter de stad, ligt, te midden van geboomte, een groot klooster, waarvan de lange, op bogen rustende galerij naar zee is gekeerd. Het klooster van Maria-Boodschap, een der schoonste gebouwen van het hedendaagsche Griekenland, en de prachtige kerk aan de Panagia gewijd, zijn gesticht uit de opbrengst eener kollekte, die in alle orthodoxe landen gehouden werd, ten einde eene waardige verblijfplaats te kunnen bouwen voor het beeld der Madonna, dat bij eene opgraving in 1824 werd ontdekt. Telken jare stroomen, uit alle deelen van Griekenland en van Klein-Azië, de bedevaartgangers naar deze gewijde plek.

Nog maar weinige eeuwen geleden, bestond de bevolking der Cycladen voor een goed deel uit Katholieken, maar hun aantal is sedert veel verminderd en bedraagt nu niet meer dan omstreeks vijftienduizend. Op Tinos is de katholieke bevolking nog het talrijkst: van de twintigduizend inwoners zijn er zeven- à achtduizend katholiek. Zij zijn in vier dorpen verdeeld en onder het gezag van een bisschop geplaatst, die te San-Nicolo resideert.

Ruim een uur gaans van de stad, op den hoogsten top van het eiland, ziet men nog de overblijfselen van de oude venetiaansche vesting. Een zeer steil pad voert daarheen; men gaat eerst door een verlaten dorp, waarvan verscheidene huizen nog de gebeeldhouwde wapenschilden vertoonen der vroegere eigenaars. Van den top der rots overziet men een gedeelte van de groepen der Cycladen, tot aan de schemerende kust van Azië; voor onze voeten ligt het eiland uitgespreid, met zijn valleien en heuvelen, met vijgen- en moerbeziënboomen beplant. Tusschen het groen teekenen zich een aantal dorpjes met hunne witgepleisterde huizen en platte daken, die, onder dezen stralenden hemel, aan het landschap een echt oostersch cachet geven.

Na dit korte, maar alleszins voldoende bezoek aan Tinos, lichten wij het anker en zetten koersnaar het eiland Naxos, op drie-en-een-half uur afstands zuidwaarts gelegen. Wij varen langs een rotsachtig eilandje, een naakte verlaten klip:—dat is het wereldberoemde Delos, het aan Apollon gewijde eiland, dat, naar wij willen hopen, er vroeger heel anders moet hebben uitgezien.—Te zeven uren waren wij op de reede van Naxos, waarvan de amphitheatersgewijze oprijzende huizen, beschenen door de laatste stralen der ondergaande zon, welhaast eene pyramide van karbonkels geleken, schitterend uitkomend tegen den donker violetten achtergrond der omringende bergen. Naar het westen teekende het groote naburige eiland Paros tegen den in vuurgloed stralenden hemel zijne donkerblauwe silhouette. Griekenland en vooral de eilanden bieden van die licht- en kleureffecten, waarvan de herinnering u onuitwischbaar bijblijft. Die kale rotsen, die naakte vale bergen, nemen, juist omdat zij zelven zoo kaal en zonder kleur zijn, afwisselend al die onuitsprekelijk prachtige, oneindig geschakeerde tonen en tinten aan, die de oostersche hemel over hen uitgiet: de rozige glimlach van den dageraad, de vlammende gloed van den middag, de purperen avondglansen, het doorschijnende zachte blauw van den nacht:—al deze rijke, warme, fijne kleuren en tinten weerspiegelen zich in het landschap, waaraan zij eene bekoorlijkheid, eene majesteit, eene harmonie en een relief geven, waarvan men, zonder het gezien te hebben, zich geen denkbeeld vormen kan.

Even als de meeste zeesteden van het Oosten, maakt ook Naxos op het eerste gezicht een allergunstigsten indruk; maar nauwelijks heeft men den voet gezet op het met zeewier bedekte strand, of ook deze illusie vervliegt als een droom. Smalle, bochtige, steile straten, ten deele als trappen in de rots uitgehouwen, vol steenen, kuilen en vuiligheid, waarin honden en varkens rondzwerven; oude, bouvallige huizen, zonder licht en lucht, waarin eene ziekelijke bevolking is opeengehoopt; ziedaar, wat de hoofdstad van de parel der Cycladen ons te aanschouwen geeft. De nog geen drieduizend zielen sterke bevolking vermindert met den dag; meer dan tweehonderd personen per jaar verhuizen naar Athene, Salonika of Smyrna. Een groot deel van het land ligt onbebouwd, bij gebrek aan arbeidskrachten. Toch is het binnenland niet zulk eene wildernis als de naakte dorre kust zou doen verwachten; men vindt er liefelijke vruchtbare valleien, zoo als die van Drymali, waar groepen van schilderachtige witte huisjes wegschuilen te midden van een woud van olijven, eiken en noteboomen; of wel die van Melanes, minder blootgesteld aan den noordenwind, vol oranje- en granaatboomen en inderdaad beantwoordende aan de schoone beschrijvingen, welke de oude dichters ons van dit eiland hebben nagelaten.

Alvorens aan boord terug te keeren, gaan wij een vierkanten toren bezien, het eenige overblijfsel van het oude paleis der venetiaansche hertogen, die zich schier zonder uitzondering bij hunne onderdanen bemind wisten te maken. Binnen de nog bestaande omwalling woont de grootste helft van de vierhonderd Katholieken van Naxos, die allen beweren van de oude adellijke familiën af te stammen, en die het door hunne traagheid, hunne ijdelheid en hunne woelige natuur den paters Lazaristen, die daar op kosten der fransche regeering zijn gevestigd, zeer lastig maken. Boven hunne deuren prijken nog de wapenschilden hunner ware of vermeende voorouders; sommige familiën zijn nog in het bezit van echte dokumenten, die zij met groote zorg bewaren: zoo als bij voorbeeld de Coronello’s, die onder hunne voorvaderen in de zestiende eeuw een hertog van Naxos tellen.

De steile en bouwvallige trappen afdalende, die naar de Marina voeren, komen wij langs de grieksche kathedraal, want de latijnsche bisschop van Naxos heeft een orthodoxen collega: en de goede verstandhouding tusschen die beide herders laat soms wel eens wat te wenschen over. De kerk was vol menschen, mannen en vrouwen, die daar gekomen waren om te biechten. Men vindt hier niet, als in Europa, biechtstoelen, waar de biechteling, ongezien en met God en zijn geweten alleen, zijn hart voor den priester kan uitstorten. Hier staan de pappas en de biechteling, tegen een zuil geleund, tegenover elkander; ook is de biecht veel beknopter, eene soort van biechten bloc, eene algemeene schuldbelijdenis: “Ik ben een zondaar”; meer niet.—Zoo als ik zeide, de kerk was opgevuld met menschen, allen met eene kaars in de hand. Ieder trad op zijne beurt voor, knielde neder en maakte herhaaldelijk het teeken des kruises; vervolgens wisselde hij eenige woorden met den pappas, die haastig de absolutie uitsprak en hem een pand van zijn stool op het hoofd lei. De vrijgesprokene richtte zich weer op en stelde den pappas een geldstuk ter hand. In de grieksche kerk moet voor alle sakramenten worden betaald, voor de biecht en de communie zoo goed als voor de anderen. Dit is een noodzakelijk gevolg van de armoede van de geestelijkheid, die niet kan leven zonder deze inkomsten, waarvan dit wel het ergste is, dat zij de majesteit en den zedelijken invloed van de godsdienst in bedenkelijke mate ondermijnen. Er is geen vast tarief: ieder betaalt overeenkomstig zijn stand en zijn goedvinden, waarbij soms schuldbesef maar meer nog ijdelheid eene rol spelen. Zonder blikken of blozen steekt de pappas de hand uit om zijn loon te ontvangen; de arme priester zou geen mensch moeten zijn, indien hij zijne goede klanten niet met toegevendheid behandelde; ja, het is niets vreemds dat de biechtelingen vooraf over den prijs van de absolutie in onderhandeling treden, en hun uiterste best doen om, door hartstochtelijk loven en bieden, eenigen afslag te verkrijgen.

Wij verlaten de kerk om naar ons jacht terug te keeren, waarvan de stoomfluit ons reeds bij herhaling gewaarschuwd heeft. Want de dag begint te dalen en wij moeten gaan ankeren in eene der havens van het eiland Paros, waar wij den nacht veiliger kunnen doorbrengen dan op de zeer slechte reede van Naxos, die zelfs bijnoordenwind gevaarlijk kan zijn. Wij varen ten noorden langs het groote eiland Paros, volgen dan de westkust en werpen eindelijk het anker uit in de natuurlijke haven van Parikia, een dorp dat de plaats inneemt van de spoorloos verdwenen antieke stad. Het eiland Paros is kleiner en minder vruchtbaar dan het naburige Naxos; maar het was beroemd om het prachtige, fijne, min of meer doorschijnende marmer, dat daar gevonden werd en dat de stof heeft geleverd voor zoo vele meesterstukken der antieke beeldhouwkunst. De oude steengroeven bevinden zich op korten afstand van Parikia, maar leveren niets bijzonders op. Wij besloten dus, den volgenden morgen, onze reis te vervolgen naar het eilandje Antiparos, waarvan wij de vermaarde grot wilden bezoeken.

De toegang tot het eilandje is zeer moeilijk, door de vele klippen en ondiepten; het adviesjacht blijft onder stoom op onze terugkomst wachten. Wij nemen eenige matrozen mede, voorzien van touwen, fakkels en ladders; in het dorpje, op twee mijlen afstands van de zee, vinden wij een man, die onlangs met een russisch admiraal de grot heeft bezocht en die ook ons als gids wil dienen.

De ingang van de grot heeft niets romantisch af schrikwekkends: het is een laag gewelf gedragen door eene zware rots, waaraan wij een lang en stevig touw vastmaken, langs hetwelk wij ons een voor een naar beneden laten glijden. Na drie of vier el afgedaald te zijn, gaan wij langs eene zeer steile helling, die op eene ronde en glibberige rots uitloopt, welke boven een zeer diepen afgrond hangt. Dit is een gevaarlijk punt, waar het vooral noodig is, zijne koelbloedigheid te bewaren. Vijf el lager steekt een kleine rots, bij wijze van balkon, boven den afgrond uit. Wij laten ons afzakken langs een sterk touw met knoopen, en bevinden ons op nieuw op eene zeer steile en smalle helling, die rechts tegen den rotswand aanleunt, en waarlangs, ter linkerhand, diepe en duistere kloven en afgronden gapen, waarin het licht onzer flambouwen niet kan doordringen. Met groote behoedzaamheid voortgaande, steeds het touw vasthoudende, komen wij eindelijk op een meer vlak terrein; wij gaan langs eene groote rots, die den weg schijnt te versperren, en betreden dan eene groote zaal, van wier vijftig of zestig el hooge zoldering reusachtige, fantastisch gevormde stalaktiten afhangen; in het midden van de zaal verrijst eene agglomeratie van stalagmiten, ruim acht el hoog en het best te vergelijken bij een reusachtige bloemkorf.

De terugtocht viel ons minder moeilijk; toch zagen wij met groote blijdschap den zonnigen hemel weder en de eindelooze donkerblauwe zee, waarop ons schip een zwarte stip scheen.

Wij hebben vier uren noodig om het eiland Milos te bereiken. Halverwege varen wij langs de zuidpunt van het eiland Siphnos, welks klimaat, naar men zegt, zoo gezond is, dat grijsaards van honderd-twintig jaar hier niet zeldzaam zijn.—Weldra krijgen wij nu het eiland Milos met zijne twee bergtoppen, in het oog. Ten noordwesten opent zich eene baai, die eene prachtige haven vormt, waar eene gansche vloot zou kunnen ankeren, en die aan alle zijden door kale, woeste, gescheurde bergen is ingesloten. Op den achtergrond, tegen de helling der heuvelen, zien wij de ruïnen van een antiek amphitheater. In de nabijheid van dat amphitheater werd, door een boer, in een wijngaard de beroemde Venus van Milo gevonden, een der schoonste gewrochten van de antieke kunst. Zouden de armen van het heerlijke beeld wellicht nog onder het puin begraven zijn; of zijn ze, als zoo vele andere antieke beeldwerken, door een of anderen metselaar in kalk herschapen? Nauwkeurige onderzoekingen zouden misschien op deze vraag het antwoord kunnen geven.

Gedurende langen tijd was het eiland Milos vruchtbaar en bloeiend; het bracht koren, katoen en uitmuntenden wijn voort; in de boomgaarden vond men ceders, oranjes en citroenen; en er was overvloed van water. Sedert het laatst der vorige eeuw is dit alles veranderd. Deze vulkanische bodem is in alle richtingen gescheurd en gespleten, en kwaadaardige dampen en uitwasemingen verpesten den dampkring; zoute, zwavelachtige bronnen hebben bij het dorp en rondom de reede moerassen gevormd, waarvan de stilstaande wateren den omtrek vergiftigen. De inwoners dragen in hun voorkomen de sporen van deze vergiftiging: hunne vaal gele kleur, hun ziekelijk bol gelaat, hun opgezette buik en gezwollen beenen maken een allertreurigsten indruk. Zoo sleepen zij hun jammerlijk leven voort in ellendige krotten, en sloven zich af bij de bewerking van eenige steenachtige velden, die slechts een schraal gewas opleveren. De bevolking slinkt dan ook voortdurend, deels door ziekte, deels door emigratie. Vroeger telde het eiland zes-en-dertig-duizend inwoners; tegenwoordig vindt men er ter nauwernood drieduizend, die hun voornaamste middel van bestaan vinden in het bewerken van molensteenen.

Na een kort bezoek aan het vulkanische, als in rook en vlammen gehulde eiland Santorin, keerden wij naar Athene terug. Ons uitstapje naar de Cycladen was hiermede geëindigd en tevens onze reis door Griekenland, waarvan wij weldra afscheid namen om naar het vaderland weer te keeren.

1ZieDe Aarde, jaargang 1880, bladz. 343.

1ZieDe Aarde, jaargang 1880, bladz. 343.


Back to IndexNext