X6 Januari.—Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever, waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.7 Januari.—De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane, welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft; daarna gaat ieder zijns weegs.Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen, waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien avond op een rots.9 Januari.—Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever, die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land stappen om te ontbijten.Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje, hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder, eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van het geboomte en de bergen.Indiaansche cueva bij Atures.Indiaanschecuevabij Atures.Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien, staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar werdeen pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet op den steenachtigen grond slapen.10 Januari—Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen; hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is, zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen Apatoe hem toeriep: “Een kaiman!”—Hij springt haastig aan land en jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn; de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd door de haar toegebrachte wonde.Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara, om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt, moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt, leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft om haar van den grond te tillen.Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemdeRacionales, dat zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en zijne meer dan onbescheiden vragen.11 Januari.—Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld—wij hebben niets meer dan goudstukken—panela en misschien ook rhum. Blijft de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen, waait het al te hard, dan komt gij er nooit.Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek te bereiken,die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel; voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen, ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut, eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan de zonnestralen zijn blootgesteld.Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt: iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi te verklaren.Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen, katoen en nog meer te koop.Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen, gelijk zij ons beloofd hebben.Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen, die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun kamp terugtrekken.11 Januari.—Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op, en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast te hebben van muskieten en andere insekten.13 Januari.—Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La Urbana, dat gedurendehet wintersaizoen slechts een dag reizens van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje, en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw, die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando, die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.Iguane-hagedissen.Iguane-hagedissen.15 Januari.—Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen, nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet laten ontsnappen.16 Januari.—Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in de goede richting.Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen, welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan, onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den Orinoco uitstort.Watervallen op den Orinoco.Watervallen op den Orinoco.Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs: zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan; ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen, intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad, en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.17 Januari.—Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op, en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton, dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet gezien had—wij zaten in de overdekte hut—en die vermoedelijk onze Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe, uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de verschansing weg.Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.18 Januari.—Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen, want op het midden van den dag is de wind te sterk.Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita—dat wil zeggen de Schoone—geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen, noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid; daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw: daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door, zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve; naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude, ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest, dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken: daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder hevige mate dan Burban.19 Januari.—Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien wij nu reeds sedert ons vertrekvan San-Fernando bevaren, is hier buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden, door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte, waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren: de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen zijn hier niet meer te zien.Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig op het grove zand.20 Januari.—Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen: ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten met de meeste voorkomendheid behandeld.Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt eene schets van deze interessante familie.Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel, langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango’s, sarrapia’s, oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte, om het hooge verdorde gras te verbranden.Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen, heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn, waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden, zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen en gezelligen avond door.XI22 Januari.—Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende: “Wat is dat?”Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkantvan den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit een weinig bloed.Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren, bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt, is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke, wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug, waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.Dr. Crevaux.Dr. Crevaux.23 Januari.—Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij rustigen nacht door.24 Januari.—Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen vermoeden: hij heet namelijk deInfierno, de Hel. De stroom is ons gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone inspanning, aan het andere einde van de engte.Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.In den loop van den namiddag heeft het koudvuurzich uitgebreid. De beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.Dood van François Durban.Dood van François Durban.De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.25 Januari.—Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft uitgeblazen.Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig met sterken golfslag.Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken, als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen, in het barnen van het gevecht. Maar—en deze gedachte is dubbel pijnlijk—zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt, hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd, staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven, die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden zich toch goed.Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid te brengen.Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe, op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart; en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige, in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld; toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en de abstracte begrippen van stof en kracht—die wij telkens gebruiken zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;—alle vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat hetgeen wij de stem der natuurnoemenmetterdaad niet anders is dan de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat duister besef, waarvan ik boven sprak en dat—wie weet het?—misschien op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe, en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land, ter ruste hebben gelegd.Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik te volgen.Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen burgers een schrik op het lijf te jagen.Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen aan zijn besten bordeaux.Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs te mijner beschikking stellen.Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan boord brengen van deHeroe de Abril, die den eersten Februari naar Port-of-Spain vertrekt.Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar, vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners, aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao, zijn de voornaamste handelsartikelen.Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd, die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune, welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig heerschende koortsen. De stad heeft—het behoeft eigenlijk niet gezegd—geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een standbeeld—wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld—van generaal Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs; maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van deHeroe de Abrilen vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt, waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes, zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.Eindelijk komen wij op de reede. Een aantalbootjes en vaartuigen, door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip, waarlangs zij zich scharen.Guaraouno-Indianen.Guaraouno-Indianen.Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen, maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet, zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor; dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen, die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen, die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.
X6 Januari.—Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever, waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.7 Januari.—De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane, welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft; daarna gaat ieder zijns weegs.Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen, waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien avond op een rots.9 Januari.—Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever, die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land stappen om te ontbijten.Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje, hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder, eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van het geboomte en de bergen.Indiaansche cueva bij Atures.Indiaanschecuevabij Atures.Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien, staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar werdeen pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet op den steenachtigen grond slapen.10 Januari—Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen; hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is, zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen Apatoe hem toeriep: “Een kaiman!”—Hij springt haastig aan land en jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn; de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd door de haar toegebrachte wonde.Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara, om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt, moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt, leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft om haar van den grond te tillen.Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemdeRacionales, dat zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en zijne meer dan onbescheiden vragen.11 Januari.—Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld—wij hebben niets meer dan goudstukken—panela en misschien ook rhum. Blijft de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen, waait het al te hard, dan komt gij er nooit.Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek te bereiken,die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel; voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen, ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut, eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan de zonnestralen zijn blootgesteld.Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt: iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi te verklaren.Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen, katoen en nog meer te koop.Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen, gelijk zij ons beloofd hebben.Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen, die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun kamp terugtrekken.11 Januari.—Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op, en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast te hebben van muskieten en andere insekten.13 Januari.—Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La Urbana, dat gedurendehet wintersaizoen slechts een dag reizens van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje, en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw, die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando, die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.Iguane-hagedissen.Iguane-hagedissen.15 Januari.—Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen, nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet laten ontsnappen.16 Januari.—Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in de goede richting.Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen, welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan, onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den Orinoco uitstort.Watervallen op den Orinoco.Watervallen op den Orinoco.Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs: zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan; ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen, intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad, en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.17 Januari.—Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op, en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton, dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet gezien had—wij zaten in de overdekte hut—en die vermoedelijk onze Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe, uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de verschansing weg.Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.18 Januari.—Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen, want op het midden van den dag is de wind te sterk.Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita—dat wil zeggen de Schoone—geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen, noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid; daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw: daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door, zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve; naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude, ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest, dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken: daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder hevige mate dan Burban.19 Januari.—Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien wij nu reeds sedert ons vertrekvan San-Fernando bevaren, is hier buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden, door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte, waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren: de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen zijn hier niet meer te zien.Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig op het grove zand.20 Januari.—Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen: ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten met de meeste voorkomendheid behandeld.Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt eene schets van deze interessante familie.Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel, langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango’s, sarrapia’s, oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte, om het hooge verdorde gras te verbranden.Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen, heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn, waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden, zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen en gezelligen avond door.XI22 Januari.—Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende: “Wat is dat?”Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkantvan den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit een weinig bloed.Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren, bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt, is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke, wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug, waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.Dr. Crevaux.Dr. Crevaux.23 Januari.—Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij rustigen nacht door.24 Januari.—Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen vermoeden: hij heet namelijk deInfierno, de Hel. De stroom is ons gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone inspanning, aan het andere einde van de engte.Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.In den loop van den namiddag heeft het koudvuurzich uitgebreid. De beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.Dood van François Durban.Dood van François Durban.De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.25 Januari.—Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft uitgeblazen.Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig met sterken golfslag.Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken, als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen, in het barnen van het gevecht. Maar—en deze gedachte is dubbel pijnlijk—zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt, hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd, staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven, die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden zich toch goed.Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid te brengen.Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe, op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart; en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige, in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld; toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en de abstracte begrippen van stof en kracht—die wij telkens gebruiken zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;—alle vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat hetgeen wij de stem der natuurnoemenmetterdaad niet anders is dan de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat duister besef, waarvan ik boven sprak en dat—wie weet het?—misschien op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe, en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land, ter ruste hebben gelegd.Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik te volgen.Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen burgers een schrik op het lijf te jagen.Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen aan zijn besten bordeaux.Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs te mijner beschikking stellen.Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan boord brengen van deHeroe de Abril, die den eersten Februari naar Port-of-Spain vertrekt.Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar, vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners, aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao, zijn de voornaamste handelsartikelen.Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd, die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune, welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig heerschende koortsen. De stad heeft—het behoeft eigenlijk niet gezegd—geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een standbeeld—wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld—van generaal Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs; maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van deHeroe de Abrilen vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt, waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes, zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.Eindelijk komen wij op de reede. Een aantalbootjes en vaartuigen, door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip, waarlangs zij zich scharen.Guaraouno-Indianen.Guaraouno-Indianen.Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen, maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet, zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor; dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen, die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen, die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.
X6 Januari.—Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever, waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.7 Januari.—De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane, welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft; daarna gaat ieder zijns weegs.Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen, waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien avond op een rots.9 Januari.—Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever, die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land stappen om te ontbijten.Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje, hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder, eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van het geboomte en de bergen.Indiaansche cueva bij Atures.Indiaanschecuevabij Atures.Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien, staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar werdeen pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet op den steenachtigen grond slapen.10 Januari—Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen; hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is, zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen Apatoe hem toeriep: “Een kaiman!”—Hij springt haastig aan land en jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn; de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd door de haar toegebrachte wonde.Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara, om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt, moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt, leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft om haar van den grond te tillen.Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemdeRacionales, dat zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en zijne meer dan onbescheiden vragen.11 Januari.—Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld—wij hebben niets meer dan goudstukken—panela en misschien ook rhum. Blijft de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen, waait het al te hard, dan komt gij er nooit.Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek te bereiken,die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel; voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen, ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut, eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan de zonnestralen zijn blootgesteld.Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt: iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi te verklaren.Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen, katoen en nog meer te koop.Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen, gelijk zij ons beloofd hebben.Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen, die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun kamp terugtrekken.11 Januari.—Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op, en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast te hebben van muskieten en andere insekten.13 Januari.—Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La Urbana, dat gedurendehet wintersaizoen slechts een dag reizens van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje, en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw, die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando, die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.Iguane-hagedissen.Iguane-hagedissen.15 Januari.—Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen, nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet laten ontsnappen.16 Januari.—Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in de goede richting.Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen, welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan, onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den Orinoco uitstort.Watervallen op den Orinoco.Watervallen op den Orinoco.Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs: zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan; ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen, intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad, en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.17 Januari.—Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op, en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton, dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet gezien had—wij zaten in de overdekte hut—en die vermoedelijk onze Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe, uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de verschansing weg.Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.18 Januari.—Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen, want op het midden van den dag is de wind te sterk.Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita—dat wil zeggen de Schoone—geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen, noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid; daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw: daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door, zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve; naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude, ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest, dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken: daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder hevige mate dan Burban.19 Januari.—Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien wij nu reeds sedert ons vertrekvan San-Fernando bevaren, is hier buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden, door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte, waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren: de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen zijn hier niet meer te zien.Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig op het grove zand.20 Januari.—Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen: ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten met de meeste voorkomendheid behandeld.Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt eene schets van deze interessante familie.Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel, langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango’s, sarrapia’s, oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte, om het hooge verdorde gras te verbranden.Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen, heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn, waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden, zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen en gezelligen avond door.
6 Januari.—Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever, waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.
7 Januari.—De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane, welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft; daarna gaat ieder zijns weegs.
Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen, waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien avond op een rots.
9 Januari.—Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever, die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land stappen om te ontbijten.
Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje, hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder, eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van het geboomte en de bergen.
Indiaansche cueva bij Atures.Indiaanschecuevabij Atures.
Indiaanschecuevabij Atures.
Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien, staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar werdeen pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.
Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet op den steenachtigen grond slapen.
10 Januari—Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen; hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.
Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is, zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen Apatoe hem toeriep: “Een kaiman!”—Hij springt haastig aan land en jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn; de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd door de haar toegebrachte wonde.
Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara, om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt, moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.
De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt, leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft om haar van den grond te tillen.
Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemdeRacionales, dat zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en zijne meer dan onbescheiden vragen.
11 Januari.—Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld—wij hebben niets meer dan goudstukken—panela en misschien ook rhum. Blijft de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen, waait het al te hard, dan komt gij er nooit.
Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek te bereiken,die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel; voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen, ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut, eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan de zonnestralen zijn blootgesteld.
Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt: iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi te verklaren.
Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen, katoen en nog meer te koop.
Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.
Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen, gelijk zij ons beloofd hebben.
Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.
De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen, die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.
De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun kamp terugtrekken.
11 Januari.—Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op, en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast te hebben van muskieten en andere insekten.
13 Januari.—Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La Urbana, dat gedurendehet wintersaizoen slechts een dag reizens van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje, en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw, die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.
La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando, die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.
Iguane-hagedissen.Iguane-hagedissen.
Iguane-hagedissen.
15 Januari.—Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen, nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet laten ontsnappen.
16 Januari.—Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in de goede richting.
Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen, welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan, onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.
Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den Orinoco uitstort.
Watervallen op den Orinoco.Watervallen op den Orinoco.
Watervallen op den Orinoco.
Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs: zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.
Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.
Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan; ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen, intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad, en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.
17 Januari.—Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op, en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.
Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.
Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton, dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet gezien had—wij zaten in de overdekte hut—en die vermoedelijk onze Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe, uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de verschansing weg.
Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.
18 Januari.—Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen, want op het midden van den dag is de wind te sterk.
Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita—dat wil zeggen de Schoone—geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen, noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid; daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.
Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw: daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door, zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve; naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.
Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude, ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest, dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.
Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken: daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder hevige mate dan Burban.
19 Januari.—Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien wij nu reeds sedert ons vertrekvan San-Fernando bevaren, is hier buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden, door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte, waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren: de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen zijn hier niet meer te zien.
Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig op het grove zand.
20 Januari.—Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen: ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten met de meeste voorkomendheid behandeld.
Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt eene schets van deze interessante familie.
Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.
De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel, langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango’s, sarrapia’s, oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte, om het hooge verdorde gras te verbranden.
Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen, heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn, waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden, zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen en gezelligen avond door.
XI22 Januari.—Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende: “Wat is dat?”Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkantvan den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit een weinig bloed.Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren, bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt, is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke, wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug, waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.Dr. Crevaux.Dr. Crevaux.23 Januari.—Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij rustigen nacht door.24 Januari.—Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen vermoeden: hij heet namelijk deInfierno, de Hel. De stroom is ons gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone inspanning, aan het andere einde van de engte.Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.In den loop van den namiddag heeft het koudvuurzich uitgebreid. De beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.Dood van François Durban.Dood van François Durban.De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.25 Januari.—Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft uitgeblazen.Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig met sterken golfslag.Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken, als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen, in het barnen van het gevecht. Maar—en deze gedachte is dubbel pijnlijk—zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt, hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd, staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven, die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden zich toch goed.Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid te brengen.Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe, op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart; en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige, in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld; toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en de abstracte begrippen van stof en kracht—die wij telkens gebruiken zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;—alle vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat hetgeen wij de stem der natuurnoemenmetterdaad niet anders is dan de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat duister besef, waarvan ik boven sprak en dat—wie weet het?—misschien op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe, en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land, ter ruste hebben gelegd.Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik te volgen.Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen burgers een schrik op het lijf te jagen.Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen aan zijn besten bordeaux.Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs te mijner beschikking stellen.Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan boord brengen van deHeroe de Abril, die den eersten Februari naar Port-of-Spain vertrekt.Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar, vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners, aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao, zijn de voornaamste handelsartikelen.Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd, die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune, welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig heerschende koortsen. De stad heeft—het behoeft eigenlijk niet gezegd—geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een standbeeld—wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld—van generaal Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs; maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van deHeroe de Abrilen vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt, waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes, zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.Eindelijk komen wij op de reede. Een aantalbootjes en vaartuigen, door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip, waarlangs zij zich scharen.Guaraouno-Indianen.Guaraouno-Indianen.Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen, maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet, zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor; dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen, die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen, die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.
22 Januari.—Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende: “Wat is dat?”
Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkantvan den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit een weinig bloed.
Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren, bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt, is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke, wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug, waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.
Dr. Crevaux.Dr. Crevaux.
Dr. Crevaux.
23 Januari.—Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.
Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij rustigen nacht door.
24 Januari.—Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen vermoeden: hij heet namelijk deInfierno, de Hel. De stroom is ons gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone inspanning, aan het andere einde van de engte.
Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.
In den loop van den namiddag heeft het koudvuurzich uitgebreid. De beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.
Dood van François Durban.Dood van François Durban.
Dood van François Durban.
De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.
25 Januari.—Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft uitgeblazen.
Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig met sterken golfslag.
Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken, als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen, in het barnen van het gevecht. Maar—en deze gedachte is dubbel pijnlijk—zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt, hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd, staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven, die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden zich toch goed.
Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid te brengen.
Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe, op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart; en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige, in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld; toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en de abstracte begrippen van stof en kracht—die wij telkens gebruiken zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;—alle vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat hetgeen wij de stem der natuurnoemenmetterdaad niet anders is dan de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat duister besef, waarvan ik boven sprak en dat—wie weet het?—misschien op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.
Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe, en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land, ter ruste hebben gelegd.
Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik te volgen.
Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.
Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen burgers een schrik op het lijf te jagen.
Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen aan zijn besten bordeaux.
Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs te mijner beschikking stellen.
Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.
Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan boord brengen van deHeroe de Abril, die den eersten Februari naar Port-of-Spain vertrekt.
Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar, vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners, aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao, zijn de voornaamste handelsartikelen.
Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd, die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune, welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig heerschende koortsen. De stad heeft—het behoeft eigenlijk niet gezegd—geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een standbeeld—wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld—van generaal Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs; maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.
Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van deHeroe de Abrilen vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.
Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt, waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.
Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes, zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.
Eindelijk komen wij op de reede. Een aantalbootjes en vaartuigen, door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip, waarlangs zij zich scharen.
Guaraouno-Indianen.Guaraouno-Indianen.
Guaraouno-Indianen.
Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen, maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet, zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor; dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen, die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen, die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.
Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.
Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.
Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.