Chapter 10

Vergiftige Visschen.Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn, maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen. Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’ Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet, verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden te hebben.159[166]Rhode Islandvoor ene brilverkoft.De HeerFranklinen verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een rykeAmerikaan, die Heer vanRhode Islandgeweest was, het zelve voor ene bril aan deEngelschenverkofthad. Dat Eiland is groot genoeg voor een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. DezeAmerikaanwist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad, indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.Dienstboden.DeDienstboden, die men in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog twederhanden.Vrye Dienstboden.Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de twintig pondenPensylvanischemunt, dog op het land niet zo veel. Ene Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.Servings.Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks uitDuitschland,Engelanden andere landen overkomen. Dezen zyn alle jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat de prys der arme vreemdelingen inNoord Amerikaniet gelyk is, en dat de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den dienst. Velen van de[167]Duitschersbrengen gelds genoeg mede om hunne vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om dat zy niet zo duur zyn als dezwarteslaven, die wel eens zo veel kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk viertien pond st.Pensylvanischgeld voor enen persoon die vier jaar dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden noemen deEngelschen Servings. Als men zulk enenServingvoor enige jarengekoftheeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een verding met den tweden koper gemaakt hebbe. DeEngelschenenIerenverkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar deDuitscherskomen dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen, volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.Zwarten.DeZwartenmaken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in enen zekeren zin slaven, want als eens eenZwartgekoftis, is hy de slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men deZwartenuitAfrika, en byna iederkoftze, die vermogen daartoe had. DeQuakersalleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen het hebben van slaven strydig met hetChristendom. Ook zyn ’er tePhiladelphiaverscheiden’ vryeZwarten, die ’t geluk gehad hebben van enen yverigenQuakertot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk, na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.Tegenwoordig brengt men weinigZwartenmeer uitAfrika, want zy hebben zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander, zo hindert men hem daarin niet,[168]dog men heeft ’er geen voordeel van, want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er eenBlankeom deze oorzaak ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met hem te werk, op dat deZwartenhet genoegen niet mogten hebben van enen Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.DeZwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uitAfrikagehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit deAmerikaanscheEilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men deZwartenonmiddelyk uitAfrikanaar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en eerst uitAfrikanaar deWest Indien, en van daar naarNoord Amerikavervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat deZwartende koude niet zo wel kunnen verdragen als deBlanken, want schoon de laatsten niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls detonenen vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit opzigt, want die regelregt uitAfrikakomen kunnen de koude zo wel niet verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uitAfrikakomen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele voorbeelden dat deZwarten, wanneer zy des winters uitAfrikawierden overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hierZwartenhad gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.De prys derZwarteslaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom, hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassenZwartkost van veertig tot honderd pondenPensylvanischgeld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje van twee of drie jaar kan kwalykgekoft[169]worden voor minder dan agt of veertien pond. Niet alleen deQuakers, maar ook anderen, maken somtyds hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen getrouwenZwartheeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze vrygelateneZwartenworden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy vry zynde krygen zyn ook vry. DeZwartenworden inNoord Amerikaveel zagter behandeld en beter onderhouden dan in deWest Indien. Zy krygen even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In tegendeel worden zy in deWest Indien, en vooral in deSpaanscheEilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enenZwartgeen zwaarder bedreiging doen dan van hem naar deWest Indiente zenden, indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat, als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.EersteZwarten.In ’t jaar 1620. werden ’er enigeZwartenin eenHollandschSchip overgebragt, en inVirginiekoftmen ’er twintig van. Dezen houdt men voor de eersten die herwaards kwamen. Toen deAmerikanen, die in dien tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen, hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tydManitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te voren, toen zy het eerst eenEuropischSchip zagen, dagten zy dat God zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik vanAmerikanenzelfs, die het van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de aankomst derZwartenalles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert hebben zy zo ongunstig niet meer van deZwartengedagt, want thans wonen verscheiden’Zwartenonder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en deAmerikanensomtyds onder malkander huwen.DeZwartenwordennoit blank.DeZwartenzyn thans over de honderd en dertig jaar in dit Land geweest, en de winters zyn ’er, vooral inNieuw EngelandenNew York, al zo gestreng als inZweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk[170]of men niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur derZwartenhad gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat eenZwarthier geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren, tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet verschilde van deZwartendie lynregt uitAfrikakwamen. Hieruit besloten ’er velen, dat geenZwartof zyn nageslagt oit van kleur verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen deBlankenen deZwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er ene wet was die de huwelyken tusschen deBlankenen deZwartenverbood, en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat evenwel deBlankenen deZwartenzig vermengen, blykt uit de vermengde kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.Meest nog Heidenen.Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de meesteEngelscheVolkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunneZwartenverhinderen zouden van zig in denChristelykenGodsdienst te doen onderwyzen, ten dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden, als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke zagen.Vergift onder hun.Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten inZuid Amerikaeen vergift hebben, waarmede zy malkander om hals helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is onder deZwarteninNoord Amerikabekend, gelyk de ondervinding geleerd heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het middel daartegen. Om die reden wanneer eenZwartzig vergeven voelt, en enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft, gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te bewegen om hem van het vergift[171]te verlossen. Wanneer deze boosaardig is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven, maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy vergeven is. DeZwartenbedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden, en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen. Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden zyn. Ik heb veel vanZwartenhoren vertellen die op deze wys omgekomen waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf alhier gebeurde. Een man had enenZwartdie hem zeer getrouw was, en zo wel oppaste dat hy hem voor twintig andereZwartenniet zou gegeven hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van eenChristenknegt. Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van den mond nam, zeide hy,wat bier is dit? Het is vol van ——.Ik zegge met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardigeZwartenzo veel kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt worden. De overigeZwartenenZwartinnenbegonnen te lacchen om de klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen,[172]als of zy ene uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt hadden. De braveZwartging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.Reis naarRakoon.Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naarRakooninNew Jersey.Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier sterker vermenigvuldigen dan inEuropa. Zo dra een mensch den vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd, dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.Voorbeelden.Maons Keen, een derZwedenvanRakoon, was nu byna zeventig jaar oud. Hy had verscheiden kinderen, kindskinderen en kindskindskinderen, zo dat van de genen die nog in leven waren hy vyfenveertig personen monsteren kon. Behalven dat, verscheiden’ van zyne kinderen waren, het zy zeer jong of al tot zekere jaren gekomen zynde, reeds gestorven. Dus was hy ongemeen gezegend. Dog hy komt niet in vergelyking by de volgende voorbeelden, die ik uit dePhiladelphischekoerant getrokken heb.In ’t jaar 1732., den 24. Januari stierf teIpswichinNieuw Engeland,Sarah Tuthil, ene weduwe, oud zes en tagtig jaar. Zy had in de wereld gebragt zestien kinderen, en van maar zeven van dezelven had zy gezien honderd en zeven en zeventig kleinkinderen en kleinkleinkinderen.Den 30. Mai 1739. verzamelden zig in het huis vanRichard Buttington, in het kersspel vanChesterinPensylvanie, alle zyne afkomelingen, makende t’zamen honderd en vyftien personen. De vader van deze nakomelingschap,Richard Buttington, was geboren inEngeland, en toen in zyn vyf en tagtigste jaar. Hy was in volkomen’ gezondheid, kragt en levendigheid. Zyn oudste zoon, toen zestig jaar oud, was de eersteEngelschmandie inPensylvaniegeboren werd.Den 8. Januari 1742. overleed teTrentoninNew Jerseyde weduweSara Furman, geboortig uitNieuw Engeland, oud zynde zeven en negentig jaar, en nalatende vyf kinderen, een en zestig kindskinderen, honderd twee en tagtig kindskindskinderen, en twaalf kindskindskindskinderen, allen in ’t leven toen zy stierf.In ’t jaar 1739. den 28. Januari stierf teSouth KingstoninNieuw Engelandin haar honderdste jaar de weduweMaria Haszard. Zy was[173]geboren opRhode Island, en was grootmoeder van den toenmaligen Vice-Gouverneur van dat Eiland, den HeerGeorge Haszard. Zy kon vyfhonderd, zo kinderen, kindskinderen, kindskindskinderen als kindskindskindskinderen tellen. Toen zy stierf waren ’er tweehonderdenvyf van in ’t leven. Ene van hare kleindogters was alreeds sedert vyftien jaar grootmoeder.Of deze wys is de wensch in deEngelschehuwelyksformulieren gebruikelyk, dat het nieuwgetrouwde paar zyne kinderen moge zien tot in het vierde en vyfde nageslagt, in deze personen letterlyk genoeg vervuld geworden.Ongedierte.In ieder land vindt men ene menigte van Insekten, die, hoe klein en veragtelyk zy ook schynen, ene schrikkelyke schade kunnen veroorzaken. Van deze gevaarlyke diertjes zyn ’er ook enigen inNoord Amerika, sommigen alleen aan dat gewest eigen, en anderen heeft het gemeen metEuropa.Ik heb reeds gesproken vanMosquitosen van denBruchus Pisi, den vernieler der erwtlanden; hier zal ik ’er enige anderen byvoegen.Krekels.Daar is een soort van sprinkhanen of krekels, die omtrent allezeventien jareneens in ene ongelooflyke menigte wederkomen. Zy komen uit de aarde in het midden van Mai, en maken zes weken lang zulk een geweld in de bomen en de bosschen, dat men werk heeft van malkander te horen. Gedurende dien tyd boren zy met den angel hunner staarten gaten in de zagte schil der takken, waardoor die takken verdorren. Andere schade doen zy niet aan de bomen of gewassen. Tusschen de jaren dat zy zo talryk zyn hoort men ’er maar enen enkelden van. DeEngelschennoemen zeLocusts.Rupsen.Daar is ook een soort van rupsen in deze gewesten, die het loof der bomen eten, en in sommige jaren ontelbaar zyn. Dog tusschen die jaren in zyn zy zeldzaam. Wanneer zy menigvuldig zyn maken zy de bomen zo kaal dat die in ’t midden van den zomer ’er uitzien als in ’t midden van den winter. Zy vreten alle soorten van bladen, en laten weinige bomen onaangeroerd. En, gelyk op dien tyd de hette het geweldigst is, heeft het ontkleden van ’t geboomte dit noodlottige gevolg, dat het de hette niet weerstaan kan en sterft. DeZwedenvertoonden my hier en daar in de bosschen grote streken daar nu jonge bomen groeiden in plaats van de ouden, die enige jaren geleden door de rupsen vernield waren. Deze rupsen veranderen naderhand in kapellen, die op hare plaats zullen beschreven worden.Graswormen.DeGraswormdoet in sommige jaren ook veel kwaads op vele plaatsen, in de weiden en op koornlanden. Somtyds zyn de velden met gantsche heiren van dezelven en andere Insekten overdekt. Dog het is gelukkig dat alle die bezoekingen niet te gelyk komen, want op sommige[174]jaren, dat de sprinkhanen menigvuldig zyn, worden ’er niet veel rupsen en graswormen gevonden, en zo ook met de laatsten, zo dat ’er maar een van deze drie soorten van ongedierte te gelyk regeert. Ook zyn ’er vele jaren dat zy zeer schaarsch zyn. Van de graswormen heeft men opgemerkt dat zy zig vooral op enen vetten grond zetten. Dog zodra een nyverig Landman ze op zyne akkers verneemt, trekt hy ene smalle grup met steile kanten rondom het land daar de wormen op zyn, zo dat zy, als ze verder willen kruipen, in de grup vallen, daar zy niet weer uit kunnen. Verscheiden lieden verzekerden my dat deze drie soorten van insekten malkander zeer kort volgden, dat de krekels het eerste jaar kwamen, de rupsen in het twede en de graswormen in het derde. Ook heb ik dit ten dele waargevonden.Motten.DeMotten160die op de wollen stoffen zitten zyn hier ook menigvuldig. Ik heb klederen, wollen handschoenen en ander goed gezien, die den gantschen zomer in ene kast opgesloten gehangen hadden, zonder wel bezorgd geweest te zyn, door en doorgevreten, zo dat zy in stukken vielen, en veeltyds niet konden hersteld worden. Ook stelden zy de pelteryen somtyds zo toe, dat men ’er het hair met handen vol van kon afhalen. Ik weet niet of de Motten oorspronglyk aan dit Land eigen, dan uitEuropaovergebragt zyn.Vloyen.Vloyenvindt men ook in dit werelddeel. Vele duizenden wierden ’er ongetwyffeld van uit andere landen overgebragt, dog zekerlyk zyn hier ook ontelbare menigtens van dezelven geweest. Ik heb ze op grauwe Eekhoorns en Hazen gezien, die op woeste plaatsen gedood waren waar zeker noit eenEuropeaangewoond heeft. Toen ik naderhand verder in het Land kwam, en genoodzaakt werd in de hutten en op de bedden derWildente slapen, wierd ik zo gekweld van ontelbare vloyen, dat het was als of ik op de pynbank lag. Zy dreven my uit het bed, en ik was blyde van op de planken, die onder het dak der hut lagen, te mogen slapen. Dog het is ligt te begrypen dat de menigte van honden die deAmerikanenhouden ene oneindige menigte van vloyen fokken moeten. De honden en de menschen slapen door malkander in de hutten, en een vreemdeling kan kwalyk gaan leggen en de ogen een weinig toedoen of hy is in gevaar van door een hond of twaalf, en somtyds meer, plat gedrukt of versmoord te worden, die zig gedeeltelyk om hem heen, gedeeltelyk op hem te slapen leggen. Ik denk dat zy niet verwagten van dezelven weggejaagd of geklopt te worden, gelyk hun wel van hunne meesters overkomt.Krekels.Ik ben inPensylvanienog inNew Jerseygene van dat soort vanKrekels161het welk zulk een geweld maakt, en dat men inZweden[175]somtyds in de huizen vindt, gewaar geworden, en andere menschen, die ik ’er naar vroeg, wisten niet ze oit vernomen te hebben. Des zomers is ’er een soort van krekels162in het veld, die juist het zelve piepende geluid maken als onze huiskrekels; dog zy houden zig in het veld op, en zyn stil zodra de winter aankomt en het koud wordt. Men zegt dat het nu en dan gebeurt dat deze krekels daar onophoudelyk piepen als het warm weder is, of als de vertrekken warm zyn, maar zodra het koud wordt zwygen zy stil. Op sommige plaatsen vanNew YorkenKanadazyn ’er alle de landhuizen en zelfs de meeste huizen in de Stad vol van, en dan doen zy hun gezang den gantschen winter door horen.Wandluizen.DeWandluizen163zyn hier ook in menigtens. Ik ben ’er op vele plaatsen vanKanadagenoeg van geplaagd geworden, dog heb ’er by deWildengenen vernomen gedurende myn verblyf teFort Frederic. De Kommandant, de HeerDe Louisignan, verhaalde my, dat nog deIllinoizennog de andereWildenuit de wester delen vanNoord Amerikaiets van dit ongedierte wisten, gelyk hy zelf ondervonden had, zynde hy lang onder hun geweest. Egter kon ik niet beslissen of de Wandluizen hier reeds voor de aankomst derEuropersgeweest zyn, dan of die ze hebben mede gebragt. Velen hielden ze voor oorspronglyk uit dit Land, en, tot een bewys van deze mening zeiden zy, dat men ze dikwyls onder de vleugels der vleermuizen gevonden had, waar zy diep in het vleesch zig hadden ingevreten. Om die reden meende men dat de vleermuizen ze in enen hollen boom gekregen, en van daar in de huizen gebragt hadden, waar de vleermuizen zelven aan de muren blyven hangen, en in de reten, die zy ’er vinden, kruipen. Dog alzo ik noit Wandluizen op de Vleermuizen gezien heb, kan ik hier niets van zeggen. Misschien heeft men ene andere luis of een myt voor een Wandluis aangezien. Of indien ’er waarlyk een van dit gedierte onder de vleugels ener vleermuis gezeten heeft, kan zy die wel in een huis, daarEuropischeWandluizen in waren, gekregen hebben.Middelen tegens dezelven.Men tragtte hier dit ongedierte op verscheidene wyzen te verdryven. Ik heb reeds aangemerkt dat men ten dien einde de ledikanten van Sassafrashout maakte, dog dat het maar voor een tyd hielp. Sommige menschen hebben my uit eigene en meermalen herhaalde proeven verzekerd, dat ’er geen kragtiger middel tegens dit ongedierte was, dan kokend water in alle de reten te gieten daar zy in zitten,[176]en al het hout der ledikanten daarmede te wasschen, dit twee- of driemaal herhaald zynde, zouden alle de wandluizen zyn uitgeroeid. Maar als ’er in andere naburige huizen zyn gaan zy aan der menschen kleren zitten, en worden dus overgebragt.Ik kan niet zeggen of dit middel goed is dan niet, dewyl ik het niet beproefd heb; maar door herhaalde proeven heb ik bevonden dat de zwavel, wel gebruikt zynde, de wandluizen en hare eyeren volkomenlyk in de ledikanten en de muren vernielt, schoon zy tienmaal talryker waren dan de mieren in een mierennest.164Kakkerlakken.DeKakkerlakkenzyn ene plaag der nieuwe wereld, en worden in vele delen van dezelve gevonden. De geleerde DoctorColdenwas van mening, dat zy de eigenlyke inboorlingen derWest Indienwaren, en dat zy uit de Eilanden naarNoord Amerikawaren overgebragt. Dit bleek, dagt hy, uit de menigte van dit ongedierte die deWest Indischeschepen medebrengen. Dog ik meen reden te hebben van te geloven, dat zy reeds sedert onheuglyke tyden hier te lande geweest zyn, schoon ik egter niet ontkennen wil dat zy uit deWest Indienzyn overgebragt. TeNew Yorkzyn zy genoegzaam in ieder huis, en die zyn ongetwyffeld met de schepen overgekomen. Dog hoe kan men dit zeggen van die welken in het midden der bosschen en woestynen gevonden worden?DeKakkerlakkenworden door deEngelschenCockroaches, door deZwedenBrödätare, dat isBroodeters, ook welKakkerlak, en door den RidderLinnæusBlatta Orientalis, geheten, en onder het geslagt der Motten gerekend. Men verneemt ze niet alleen in de bosschen, daar zy op de omgekapte bomen lopen. Ik zag in Februari verscheiden kakkerlakken op stukken oud verrot hout zitten, dat men in huis bragt om te verbranden. In ’t eerst waren ze als dood, maar enigen tyd in de kamer zynde geweest kwamen zy by, en begonnen te lopen. Ik vond naderhand dat als men oud brandhout des winters in huis bragt en doorhakte, daar vele kakkerlakken als in enen staat van ongevoeligheid in waren. Dien zelven winter wierd ’er een grote dode boom omgehouwen, en om te branden doorgezaagd, en ik zag in ene spleet, enige vademen boven den grond, verscheiden kakkerlakken nevens vele gemene mieren. Het scheen dat zy opwaards gekropen waren om ene veilige schuilplaats tegens den winter te vinden. Op myne reis in het midden van October 1749. door de onbebouwde landen tusschen deEngelscheen deFranscheVolkplantingen, zag ik by het maken van een vuur, des nagts, digt by enen verrotten boom, op den[177]oever van het meerChamplain, ene menigte van kakkerlakken uit het hout kruipen, wordende door den rook en het vuur wakker gemaakt, en uit hunne gaten gejaagd. DeFranschen, die met my waren, kenden ze niet, en wisten ze niet te noemen. InKanadawisten deFranschenniet dat zy ze in de huizen gezien hadden. InPensylvanielopen zy in grote menigte langs de halmen van het koorn in den oogst, gelyk my gezegd wierd. Anders onthouden zy zig in deEngelscheVolkplantingen gemeenlyk in de huizen, en zitten in de reten, vooral in de balken die ’t digst by den schoorsteen zyn.Schadelykheid.Zy doen veel schade door het kruim van ’t brood op te vreten. Als zy eens door de korst heen gebeten zyn, weten zy in korten tyd het gehele brood van binnen uitteholen, zo dat men het opsnydende niets dan een ledige korst vindt. Ook zeide men dat zy andere eetwaren opvreten. Somtyds byten zy de menschen in den neus of de voeten, terwyl zy leggen te slapen. Een oudeZweedverhaalde my, dat hy eens in zyne jonger jaren door ene kakkerlak zeer verschrikt geworden was, die, terwyl hy sliep, in zyn oor was gekropen. Hy ontwaakte schielyk, sprong het bed uit, en voelde dat het dier, waarschynlyk uit vrees, alle kragten aanwendde om dieper in te kruipen. Deze pogingen van de kakkerlak veroorzaakten hem zo grote pyn, dat hem het hoofd als scheen aan stukken te breken, en hy byna zinneloos wierd; egter liep hy schielyk naar den put, en, een emmer met water geschept hebbende, smeet hy ’er wat van in ’t oor. Zo dra de kakkerlak dit voelde, stiet zy zig met hare poten te rug uit het oor, en verloste dus den man van zyne angst.Houtluizen.DeHoutluizenzyn zeer onaangename Insekten, en in een zeker opzigt erger dan de voorgaanden; maar gelyk ik ze reeds, in ene Verhandeling aan deKoninglyke Zweedsche Maatschappygezonden, beschreven heb, wyze ik den Lezer derwaards.165Penn’s neck.Den 11. December ging ik kort voor den middag op een klein togtje naarPenn’s neck, en verder over deDellawarenaarWilmington. Het land omstreeksPenn’s neckwas van dezelve hoedanigheid als in het overige vanNew Jersey. De grond bestaat meest uit zand met ene dunne laag zwarte aarde. Hy is niet zeer heuvelig, maar meest plat, en zeer vol van bosschen met afvallend blad, vooral eiken. Nu en dan ziet men ene enkelde boerdery met enige koornakkers rondom. Tusschen beiden zyn kleine poelen, en somtyds een stroompje, waarin weinig drift is.Geboomte.De bosschen bestaan uit allerhande soorten van bomen, dog meest Hikory en Eiken. Zekerlyk zyn zy noit geveld geweest, en altyd onverhinderd voortgegroeid. Men zoude dan verwagten dat ’er[178]bomen van enen zeer groten ouderdom in gevonden werden, dog het tegendeel is waar, en men ziet ’er weinig die drie honderd jaren gestaan hebben. De meesten zyn maar tweehonderd jaar oud. En dit deed my denken dat de bomen, zo wel als de dieren, sterven wanneer zy enen zekeren ouderdom bereikt hebben. Dus vinden wy hier zware bosschen; maar als de bomen honderdenvyftig, ofhonderd entagtig jaren gestaan hebben, beginnen zy of van binnen te vergaan, of verliezen hunne kronen, of hun hout wordt geheel week, of de wortels zyn niet langer in staat om een genoegzaam voedsel intezuigen, of zy sterven door enige andere oorzaak. Wanneer het dan stormt, het geen hier somwylen gebeurt, breken de bomen, of even boven den grond, of in het midden, of in den top, af. Sommige bomen worden zelfs met wortel en al door den wind uitgerukt. Dus regten de stormen in deze bosschen zware verwoestingen aan. Overal ziet men bomen omver leggen. Ook ontstaat ’er dikwyls brand in de bosschen, waardoor de bomen halverwege verteerd worden, zo dat een sterke wind ze gemakkelyk verder omversmyt.Winden.Ik tragtte, door waartenemen in welke streek de meeste omgewaide bomen lagen, optemaken, welke winden hier de geweldigste waren, dog kon niets met zekerheid vaststellen, want de bomen lagen naar alle de streken van het kompas. Ik oordeelde dan, dat elke wind, die van enen kant wait daar de wortels vergaan zyn en de boom weinig wederstand bieden kan, den boom omver moest werpen. Op deze wys raken de oude bomen geduriglyk weg, en worden door jonge opgevolgd. Die omgevallen zyn leggen op den grond te verrotten, en vermeerderen dus de zwarte aarde, waarin de bladen ook allengskens veranderd worden, die aan den gevallen boom zitten, of iederen herfst vallen. Het duurt enige jaren eer een boom geheel vergaan is. Als de wind ’er enen met wortelen al uit den grond rukt, komt ’er ene menigte van losse aarde mede, die ’er enigen tyd aanzitten blyft, dog eindelyk ’er afvalt, en een klein heuveltje maakt, dat naderhand nog verhoogd wordt door de bladeren.Dus worden ’er in de bosschen vele oneffenheden voortgebragt, hoogtens en laagtens, en dus moet de bovenste tuinaarde zig op sommige plaatsen ophopen.Welke bomen het eerst vergaan.Alle bomen verrotten niet even gauw. DeNyssa, de Tulpeboom enLiquidambarvergaan in korten tyd. De Hikory duurt ook niet lang, en de Zwarte Eik valt eerder van een dan de Witte. Dog de omstandigheden werken hier ook in mede. Indien de bast om het hout blyft zitten rot hy mede, en wordt van binnen geheel en al door de wormen opgegeten, zo dat in den tyd van zes, agt of tien jaren niets ’er van over is dan een roodagtige bruine stof. Maar als ’er de bast af was, konden de bomen dikwyls twintig jaar leggen eer zy vergaan waren. De spoedige[179]groei van enen boom, de grootte zyner poren, en de gedurige veranderingen van heet en nat weder in den zomer, maken dat een boom schielyker rot. Hier moet men by doen, dat allerhande soorten van gekorvenen gaten maken in de gevallene bomen, en dat dus de vogtigheid der lugt in de bomen indringt en de verrotting bevordert. De meeste bomen hier hebben jaarlyks afvallende bladeren. Velen van hun beginnen reeds te rotten terwyl zy nog staan en bloeyen. Dit maakt den boom hol, zo dat ’er vele dieren hunne nesten in komen maken.Breedte van deDellaware.DeDellawarewordt vlak overWilmingtongerekendanderhalveEng.myl breed te wezen, dog op het oog scheen zy zo breed niet. In ’t midden zegt men dat zy van vier tot zes vadem diep is.Schrynwerkershout.De schrynwerkers gebruiken, volgens hun zeggen, voornamelyk het zwart Walnoten, het wilde Kerssebomen en het gemarmelde Ahornhout. Van de zwarte Walnotebomen is hier ene genoegzame menigte. Evenwel worden zy van sommige onbedagtzame menschen uitgeroeid, en de Boeren maken ’er veeltyds hun brandhout van. Het hout van den wilden Kersseboom is goed en schoon voor ’t oog; het is geelagtig, en hoe ouder het werk is hoe frayer het ’er uitziet. Dog het is alreeds bezwaarlyk te vinden, want het wordt overal uitgeroeid, en nergens weder aangeplant. De Gemarmelde Ahorn is ene verscheidenheid van den gemenen Roodbloemigen Ahorn, dog ook al schaarsch. Men kan verscheiden bomen vellen, zonder dat men het gemarmelde hout vindt. Het hout van denLiquidambarwordt ook tot schrynwerk gebruikt, dog krimpt als men het wat digt by het vuur brengt. Van de Sparren en de zogenaamde Witte Ceders bedient men zig ook om verscheidene dingen te maken.Molens.De Molenaars van den molen, die hier stond, zeiden, dat de assen van de molenraderen uit den Witten Eik plegen gemaakt te worden, en dat zy drie of vier jaar goed bleven, dog de assen van Sparrenhout duurden zo lang niet. De tanden der raderen en rollen wierden gemaakt van Wit Walnotenhout, om dat men hier geen harder hout krygen kan. Het hout van den Moerbezieboom wordt het allerbest gehouden voor krammen en houvasten in schuiten en schepen.Des avonds voer ik vanWilmingtonaf naar de overzyde aan het veer, aan den kant vanNew Jersey.Rakoon.Den 13. keerde ik vroeg terug naarRakoon.Boomknoesten.Op vele bomen in de bosschen vindt men hier of op de ene zyde, of in het midden van enen tak, of rondom enen tak, meer of min grote knobbels of uitwassen. Somtyds is ’er maar een op enen boom. In de grootte is ’er een aanmerkelyk verschil, want sommigen van deze knobbels zyn zo groot als een manshoofd, anderen weder zyn klein. Somtyds is ’er een boom als geheel van bedekt. Dikwyls[180]zaten zy niet alleen aan enen kant, maar maakten een soort van ring rondom den boom of den tak. Kleine bomen, niet boven enen vadem hoog, hadden ook dikwyls zulke knobbels. De knobbels bestaan uit het zelve hout als de boom, en zien ’er van binnen uit omtrent als gemarmeld hout. Enigen waren egter ook hol. Als men enen knobbel op enen kleinen boom opensnydt, vindt men ’er gemeenlyk vele kleine wormen in, die somtyds ook gemeen zyn in de grote uitwassen. Dit wyst ons den oorsprong der knobbels in ’t algemeen aan. De boom wordt van een Insekt gestoken dat zyne eyeren onder den bast legt, en uit die eyeren komen wormen te voorschyn, welken het sap uit de vaten doen lopen, het welk allengskens hard en tot enen knobbel wordt. Alleen de bomen die hunne bladen jaarlyks vallen laten hebben deze knobbels, en onder dezen vooral de Eik, van de welken wederom deSpaanscheEik de meeste knobbels heeft. Ook vindt men ze op den Esscheboom en den Ahorn. Voorheen maakten de hier gezeteneZweden, dog nog meer deFinlanders, schotels, borden, en diergelyke dingen van die knobbels die op den Esch groeiden. Dit vaatwerk, zeide men my, was heel aardig, en zag ’er uit als of het van gemarmeld hout was gemaakt. Die van den Eik kunnen hiertoe niet gebruikt worden, als zynde gemeenlyk wormstekig en verrot van binnen. Tegenwoordig gebruiken deZwedendie soort van schotels en borden niet meer, maar hebben aardenwerk. Sommige knobbels zyn van ene ongemene grootte, en doen ’er enen boom gedrogtelyk uitzien. Diergelyke bomen, treft men hier in de bosschen veel aan.166Wegen.De wegen zyn hier, naar dat de grond is, goed of kwaad. In ’t zand zyn zy droog en goed, dog op de klei deugen zy niet. Men is hier zeer nalatig in het onderhouden derzelven. Als een beekje niet zeer breed is legt men ’er niet eens ene brug over, en de Reizigers mogen zien hoe zy ’er best overkomen. Dit maakt dat men op sommige plaatsen by sterke stortvlagen gevaar loopt van te verdrinken. Als ’er een[181]boom dwars over den weg valt, hakt men hem zelden door, maar rydt ’er rondom heen. Dit kan men ligt doen, dewyl de grond vry gelyk en zonder stenen is, ’er geen kreupelhout wast, en de bomen tamelyk ver van malkander staan. Dit maakt dat de wegen zo veel bogten hebben.Weinig dorpen.De Landhoeven leggen meest op haar zelven, en men vindt ’er zelden twee by malkander leggen, uitgenomen op zulke plaatsen die als steden worden aangezien. Dit maakt dat ’er weinig dorpen zyn. Elke hoeve heeft hare akkers, weilanden en bosschen. Zou dit ook iets hebben toegebragt om de wolven uitteroeyen, dat men byna overal huizen en menschen vindt? Twee of drie Landhoeven hebben gemeenlyk ene weide of een bosch in gemeenschap; dog de meesten hebben elke hare toebedeelde landen.Huwelyken.Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift, waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat ’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft, of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest, veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een verlofschrift betaalt men tePhiladelphiavyfentwintigPensylvanischeschellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aanProtestantscheGeestelyken. DeQuakerskrygen een byzonder verlofschrift. Maar, vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogtenin blancoin voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men[182]opmaken, dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van hunne post hebben.167Jaren van Mondigheid.Volgens deEngelschewetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste, en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo wel van zulken die onlangs uitEuropazyn overgekomen, als van zulken die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en zig hiermede met zyn wyf weg pakt,Bedrog hieruit ontstaande.zonder dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene gewoonte gegeven, die nu inMarylandgemeen is. Als ’er een arm paar getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier, en vraagtwaar is myn geldt?168Geeft dan de Bruidegom het geld, zo gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan deze onaangename vraag niet bloot.Wetten hieromtrent.Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die, niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftigPensylvanischeponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant vanEuropischeafkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten vanPensylvanie.[183]Kortswyliggebruik.Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven heeft. DeZweedschePredikanten hebben verscheiden bruids in zo een goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in deEngelscheKoeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in ’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen, onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.Europeanenhier te lande voor de aankomst derZweden.Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor deZwedenhier te lande alreedsEuropeanengeweest zyn, en in ’t vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen. De zelve oude man,Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb, verhaalde my meer dan eens, dat toen deZwedenin de voorleden euw zig hier nederzetteden, en ene Volkplanting,Helfingburggenoemd, op deDellawareaanleiden, iets beneden de plaatswaarnuSalemstaat, zy op de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon onmogelyk een werk derWildenwezen, die gene gebakken stenen voor de aankomst derEuropeanengekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op zulke plaatsen aan deDellawaredie somtyds onder water en somtyds droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te zien. Toen deZwedennaderhand op enigen afstand van de voorgaanden nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden vaatwerk, en nog[184]gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.En voorColumbustyd.Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, ofEuropeanenof een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met deAmerikanenvermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy allengskens door den omgang met deWildenderzelver zeden en denkingswyze aangenomen. Men heeft deZwedenzelfs beschuldigd, dat zy alreeds halveWildenwaren, toen deEngelschenhier in ’t jaar 1682. aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat deFranschen, deEngelschen, deDuitschers, deHollanders, en andereEuropers, die vele jaren in afgelegene landschappen, digt by deWilden, gewoond hebben, zo veel overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de geschiedenissen en overlevering derWildenverzekeren ons, dat de gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde vanColumbusonderneming of kort daarna, dewyl deAmerikanenzeggen dat zy veel ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my naderhand op nieuws door verscheiden’Zwedenverhaald.Tekens aangaande het weder.Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder, omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld geworden.Middelen tegens tandpyn.Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens dat ongemak aangewend worden.Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men ’t verdragen kan tegens de kies legt.De vrouw van KapiteinLindseyteOswegoheeft my verhaald, dat deIroquoizenin dit geval het volgende middel voor het beste houden, en zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van deVirginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken. Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en deAnemonezaden zyn insgelyks[185]scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk destaminaen depistillahebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben als deAmerikaansche Anemone.Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over, en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert, maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.Ik heb deIroquoizenden binnensten bast van denKanadaschenVlierboom zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.Onder deIroquoizen, of deVyf Volkenop de RivierMohawk, zag ik ene jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een soort van Myrteboom,169en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.Het yzer eertyds onbekend aan deWilden.Voor de aankomst van deEuropeanenonder het geleide vanColumbusinAmerika, waren deWildengeheel onkundig van het gebruik van ’t yzer, het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daarAmerikabyna overal zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy een armoedig leven moeten geleid hebben. De oudeZweden, die in hunne jeugd omgang met deAmerikanengehad hadden, toen zy hier nog vry talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog vindt men by toeval vele werktuigen die deWildenvoor de aankomst derZwedenof andereEuropersgebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken deAmerikaansche Wildengeen andere werktuigen als die van yzer of andere metalen gemaakt zyn, welken zy van deEuropeanenkrygen. Maar alzo ik gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen derAmerikanente zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.Werktuigen der oudeAmerikanen.Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die[186]van onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb, bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen harden, zwarten, fynen vuursteen. Als deWildenenen zwaren boom vellen wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in ’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen, lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden, schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen, vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken om.Messen.In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen, quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of een scherpgemaakt been.Pylen.Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast,[187]gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort. Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen, kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en wel gemaakt waren.Stampers.Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een molen was. OudeFranscheninKanadahebben my verteld, dat deAmerikanenten uitersten verbaasd stonden toen zy deFranschenden eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen, en om die reden gebruiken deEngelschenen deZwedendezelven, als zy ze vinden, om hunne messen te wetten.Ketels.De oude ketels derWildenwaren of van klei of van een soort van dufsteen.170De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige oudeZwedenkonden zig nog herinneren, dat zy deWildenin zulke potten hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte, somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls ruim een duim dik. Schoon deAmerikanengene kennis van yzer, staal, of enig ander metaal hadden,[188]wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer aardig uittehollen.Tabakspypen.De oude Tabakspypen derWildenwaren ook van klei, of van duf- en slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel gemaakt, schoon deWildennog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by deSachemsof Oudsten derWilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn, is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land derIngouezgevonden, die, volgens VaderCharlevoix,171aan de overzyde derMissisippiwonen. Ene pyp van dit soort wordt by deAmerikanenveeltyds hoger geagt als een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen bestaat gemeenlyk hunne zo genaamdePyp van vrede,172van de welke zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp, en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.Vischangels.In plaats van Vischangels gebruikten deWildenhoeken van been of vogelklauwen. Sommigen van de oudsteZwedenalhier vertelden my, dat in hunne jeugd zeer veleAmerikanenin het toen zo genaamdeNieuw Zwedengewoond hebben, die met zulke hoeken op deDellawarevischten.Wyze van vuur te maken.Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken en daarna in vlam vloog.Aanmerking.Dusdanig waren de werktuigen die deAmerikanenvoor de aankomst derEuropersgebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te bedienen.Noord Amerikaheeft overvloed van Yzermynen. DeWildenwoonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd jaren geleden grote dorpen vanWildengestaan hebben. Dus is het zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy woonden op plaatsen daar men naderhand[189]yzererts ontdekt heeft, en reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond, want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten. Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van nuttige konsten.Hazen.Men vindt hier een genoegzaam getal vanHazen, dog zy zyn veel kleinder dan deEuropischenen niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit, en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd, zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen.173[190]Muizen.Muizenvan het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op ’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere landen, zeer veel schade doen.Oldmixon174verhaalt dat ’er nog muizen nog ratten inNoord Amerikageweest zyn, eer zy met de schepen uitEuropaovergekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen, die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig wezen die uitEuropazyn overgebragt?Ratten.

Vergiftige Visschen.Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn, maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen. Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’ Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet, verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden te hebben.159[166]Rhode Islandvoor ene brilverkoft.De HeerFranklinen verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een rykeAmerikaan, die Heer vanRhode Islandgeweest was, het zelve voor ene bril aan deEngelschenverkofthad. Dat Eiland is groot genoeg voor een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. DezeAmerikaanwist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad, indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.Dienstboden.DeDienstboden, die men in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog twederhanden.Vrye Dienstboden.Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de twintig pondenPensylvanischemunt, dog op het land niet zo veel. Ene Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.Servings.Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks uitDuitschland,Engelanden andere landen overkomen. Dezen zyn alle jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat de prys der arme vreemdelingen inNoord Amerikaniet gelyk is, en dat de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den dienst. Velen van de[167]Duitschersbrengen gelds genoeg mede om hunne vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om dat zy niet zo duur zyn als dezwarteslaven, die wel eens zo veel kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk viertien pond st.Pensylvanischgeld voor enen persoon die vier jaar dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden noemen deEngelschen Servings. Als men zulk enenServingvoor enige jarengekoftheeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een verding met den tweden koper gemaakt hebbe. DeEngelschenenIerenverkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar deDuitscherskomen dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen, volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.Zwarten.DeZwartenmaken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in enen zekeren zin slaven, want als eens eenZwartgekoftis, is hy de slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men deZwartenuitAfrika, en byna iederkoftze, die vermogen daartoe had. DeQuakersalleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen het hebben van slaven strydig met hetChristendom. Ook zyn ’er tePhiladelphiaverscheiden’ vryeZwarten, die ’t geluk gehad hebben van enen yverigenQuakertot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk, na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.Tegenwoordig brengt men weinigZwartenmeer uitAfrika, want zy hebben zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander, zo hindert men hem daarin niet,[168]dog men heeft ’er geen voordeel van, want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er eenBlankeom deze oorzaak ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met hem te werk, op dat deZwartenhet genoegen niet mogten hebben van enen Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.DeZwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uitAfrikagehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit deAmerikaanscheEilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men deZwartenonmiddelyk uitAfrikanaar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en eerst uitAfrikanaar deWest Indien, en van daar naarNoord Amerikavervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat deZwartende koude niet zo wel kunnen verdragen als deBlanken, want schoon de laatsten niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls detonenen vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit opzigt, want die regelregt uitAfrikakomen kunnen de koude zo wel niet verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uitAfrikakomen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele voorbeelden dat deZwarten, wanneer zy des winters uitAfrikawierden overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hierZwartenhad gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.De prys derZwarteslaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom, hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassenZwartkost van veertig tot honderd pondenPensylvanischgeld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje van twee of drie jaar kan kwalykgekoft[169]worden voor minder dan agt of veertien pond. Niet alleen deQuakers, maar ook anderen, maken somtyds hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen getrouwenZwartheeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze vrygelateneZwartenworden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy vry zynde krygen zyn ook vry. DeZwartenworden inNoord Amerikaveel zagter behandeld en beter onderhouden dan in deWest Indien. Zy krygen even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In tegendeel worden zy in deWest Indien, en vooral in deSpaanscheEilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enenZwartgeen zwaarder bedreiging doen dan van hem naar deWest Indiente zenden, indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat, als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.EersteZwarten.In ’t jaar 1620. werden ’er enigeZwartenin eenHollandschSchip overgebragt, en inVirginiekoftmen ’er twintig van. Dezen houdt men voor de eersten die herwaards kwamen. Toen deAmerikanen, die in dien tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen, hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tydManitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te voren, toen zy het eerst eenEuropischSchip zagen, dagten zy dat God zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik vanAmerikanenzelfs, die het van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de aankomst derZwartenalles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert hebben zy zo ongunstig niet meer van deZwartengedagt, want thans wonen verscheiden’Zwartenonder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en deAmerikanensomtyds onder malkander huwen.DeZwartenwordennoit blank.DeZwartenzyn thans over de honderd en dertig jaar in dit Land geweest, en de winters zyn ’er, vooral inNieuw EngelandenNew York, al zo gestreng als inZweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk[170]of men niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur derZwartenhad gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat eenZwarthier geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren, tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet verschilde van deZwartendie lynregt uitAfrikakwamen. Hieruit besloten ’er velen, dat geenZwartof zyn nageslagt oit van kleur verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen deBlankenen deZwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er ene wet was die de huwelyken tusschen deBlankenen deZwartenverbood, en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat evenwel deBlankenen deZwartenzig vermengen, blykt uit de vermengde kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.Meest nog Heidenen.Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de meesteEngelscheVolkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunneZwartenverhinderen zouden van zig in denChristelykenGodsdienst te doen onderwyzen, ten dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden, als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke zagen.Vergift onder hun.Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten inZuid Amerikaeen vergift hebben, waarmede zy malkander om hals helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is onder deZwarteninNoord Amerikabekend, gelyk de ondervinding geleerd heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het middel daartegen. Om die reden wanneer eenZwartzig vergeven voelt, en enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft, gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te bewegen om hem van het vergift[171]te verlossen. Wanneer deze boosaardig is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven, maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy vergeven is. DeZwartenbedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden, en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen. Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden zyn. Ik heb veel vanZwartenhoren vertellen die op deze wys omgekomen waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf alhier gebeurde. Een man had enenZwartdie hem zeer getrouw was, en zo wel oppaste dat hy hem voor twintig andereZwartenniet zou gegeven hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van eenChristenknegt. Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van den mond nam, zeide hy,wat bier is dit? Het is vol van ——.Ik zegge met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardigeZwartenzo veel kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt worden. De overigeZwartenenZwartinnenbegonnen te lacchen om de klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen,[172]als of zy ene uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt hadden. De braveZwartging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.Reis naarRakoon.Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naarRakooninNew Jersey.Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier sterker vermenigvuldigen dan inEuropa. Zo dra een mensch den vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd, dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.Voorbeelden.Maons Keen, een derZwedenvanRakoon, was nu byna zeventig jaar oud. Hy had verscheiden kinderen, kindskinderen en kindskindskinderen, zo dat van de genen die nog in leven waren hy vyfenveertig personen monsteren kon. Behalven dat, verscheiden’ van zyne kinderen waren, het zy zeer jong of al tot zekere jaren gekomen zynde, reeds gestorven. Dus was hy ongemeen gezegend. Dog hy komt niet in vergelyking by de volgende voorbeelden, die ik uit dePhiladelphischekoerant getrokken heb.In ’t jaar 1732., den 24. Januari stierf teIpswichinNieuw Engeland,Sarah Tuthil, ene weduwe, oud zes en tagtig jaar. Zy had in de wereld gebragt zestien kinderen, en van maar zeven van dezelven had zy gezien honderd en zeven en zeventig kleinkinderen en kleinkleinkinderen.Den 30. Mai 1739. verzamelden zig in het huis vanRichard Buttington, in het kersspel vanChesterinPensylvanie, alle zyne afkomelingen, makende t’zamen honderd en vyftien personen. De vader van deze nakomelingschap,Richard Buttington, was geboren inEngeland, en toen in zyn vyf en tagtigste jaar. Hy was in volkomen’ gezondheid, kragt en levendigheid. Zyn oudste zoon, toen zestig jaar oud, was de eersteEngelschmandie inPensylvaniegeboren werd.Den 8. Januari 1742. overleed teTrentoninNew Jerseyde weduweSara Furman, geboortig uitNieuw Engeland, oud zynde zeven en negentig jaar, en nalatende vyf kinderen, een en zestig kindskinderen, honderd twee en tagtig kindskindskinderen, en twaalf kindskindskindskinderen, allen in ’t leven toen zy stierf.In ’t jaar 1739. den 28. Januari stierf teSouth KingstoninNieuw Engelandin haar honderdste jaar de weduweMaria Haszard. Zy was[173]geboren opRhode Island, en was grootmoeder van den toenmaligen Vice-Gouverneur van dat Eiland, den HeerGeorge Haszard. Zy kon vyfhonderd, zo kinderen, kindskinderen, kindskindskinderen als kindskindskindskinderen tellen. Toen zy stierf waren ’er tweehonderdenvyf van in ’t leven. Ene van hare kleindogters was alreeds sedert vyftien jaar grootmoeder.Of deze wys is de wensch in deEngelschehuwelyksformulieren gebruikelyk, dat het nieuwgetrouwde paar zyne kinderen moge zien tot in het vierde en vyfde nageslagt, in deze personen letterlyk genoeg vervuld geworden.Ongedierte.In ieder land vindt men ene menigte van Insekten, die, hoe klein en veragtelyk zy ook schynen, ene schrikkelyke schade kunnen veroorzaken. Van deze gevaarlyke diertjes zyn ’er ook enigen inNoord Amerika, sommigen alleen aan dat gewest eigen, en anderen heeft het gemeen metEuropa.Ik heb reeds gesproken vanMosquitosen van denBruchus Pisi, den vernieler der erwtlanden; hier zal ik ’er enige anderen byvoegen.Krekels.Daar is een soort van sprinkhanen of krekels, die omtrent allezeventien jareneens in ene ongelooflyke menigte wederkomen. Zy komen uit de aarde in het midden van Mai, en maken zes weken lang zulk een geweld in de bomen en de bosschen, dat men werk heeft van malkander te horen. Gedurende dien tyd boren zy met den angel hunner staarten gaten in de zagte schil der takken, waardoor die takken verdorren. Andere schade doen zy niet aan de bomen of gewassen. Tusschen de jaren dat zy zo talryk zyn hoort men ’er maar enen enkelden van. DeEngelschennoemen zeLocusts.Rupsen.Daar is ook een soort van rupsen in deze gewesten, die het loof der bomen eten, en in sommige jaren ontelbaar zyn. Dog tusschen die jaren in zyn zy zeldzaam. Wanneer zy menigvuldig zyn maken zy de bomen zo kaal dat die in ’t midden van den zomer ’er uitzien als in ’t midden van den winter. Zy vreten alle soorten van bladen, en laten weinige bomen onaangeroerd. En, gelyk op dien tyd de hette het geweldigst is, heeft het ontkleden van ’t geboomte dit noodlottige gevolg, dat het de hette niet weerstaan kan en sterft. DeZwedenvertoonden my hier en daar in de bosschen grote streken daar nu jonge bomen groeiden in plaats van de ouden, die enige jaren geleden door de rupsen vernield waren. Deze rupsen veranderen naderhand in kapellen, die op hare plaats zullen beschreven worden.Graswormen.DeGraswormdoet in sommige jaren ook veel kwaads op vele plaatsen, in de weiden en op koornlanden. Somtyds zyn de velden met gantsche heiren van dezelven en andere Insekten overdekt. Dog het is gelukkig dat alle die bezoekingen niet te gelyk komen, want op sommige[174]jaren, dat de sprinkhanen menigvuldig zyn, worden ’er niet veel rupsen en graswormen gevonden, en zo ook met de laatsten, zo dat ’er maar een van deze drie soorten van ongedierte te gelyk regeert. Ook zyn ’er vele jaren dat zy zeer schaarsch zyn. Van de graswormen heeft men opgemerkt dat zy zig vooral op enen vetten grond zetten. Dog zodra een nyverig Landman ze op zyne akkers verneemt, trekt hy ene smalle grup met steile kanten rondom het land daar de wormen op zyn, zo dat zy, als ze verder willen kruipen, in de grup vallen, daar zy niet weer uit kunnen. Verscheiden lieden verzekerden my dat deze drie soorten van insekten malkander zeer kort volgden, dat de krekels het eerste jaar kwamen, de rupsen in het twede en de graswormen in het derde. Ook heb ik dit ten dele waargevonden.Motten.DeMotten160die op de wollen stoffen zitten zyn hier ook menigvuldig. Ik heb klederen, wollen handschoenen en ander goed gezien, die den gantschen zomer in ene kast opgesloten gehangen hadden, zonder wel bezorgd geweest te zyn, door en doorgevreten, zo dat zy in stukken vielen, en veeltyds niet konden hersteld worden. Ook stelden zy de pelteryen somtyds zo toe, dat men ’er het hair met handen vol van kon afhalen. Ik weet niet of de Motten oorspronglyk aan dit Land eigen, dan uitEuropaovergebragt zyn.Vloyen.Vloyenvindt men ook in dit werelddeel. Vele duizenden wierden ’er ongetwyffeld van uit andere landen overgebragt, dog zekerlyk zyn hier ook ontelbare menigtens van dezelven geweest. Ik heb ze op grauwe Eekhoorns en Hazen gezien, die op woeste plaatsen gedood waren waar zeker noit eenEuropeaangewoond heeft. Toen ik naderhand verder in het Land kwam, en genoodzaakt werd in de hutten en op de bedden derWildente slapen, wierd ik zo gekweld van ontelbare vloyen, dat het was als of ik op de pynbank lag. Zy dreven my uit het bed, en ik was blyde van op de planken, die onder het dak der hut lagen, te mogen slapen. Dog het is ligt te begrypen dat de menigte van honden die deAmerikanenhouden ene oneindige menigte van vloyen fokken moeten. De honden en de menschen slapen door malkander in de hutten, en een vreemdeling kan kwalyk gaan leggen en de ogen een weinig toedoen of hy is in gevaar van door een hond of twaalf, en somtyds meer, plat gedrukt of versmoord te worden, die zig gedeeltelyk om hem heen, gedeeltelyk op hem te slapen leggen. Ik denk dat zy niet verwagten van dezelven weggejaagd of geklopt te worden, gelyk hun wel van hunne meesters overkomt.Krekels.Ik ben inPensylvanienog inNew Jerseygene van dat soort vanKrekels161het welk zulk een geweld maakt, en dat men inZweden[175]somtyds in de huizen vindt, gewaar geworden, en andere menschen, die ik ’er naar vroeg, wisten niet ze oit vernomen te hebben. Des zomers is ’er een soort van krekels162in het veld, die juist het zelve piepende geluid maken als onze huiskrekels; dog zy houden zig in het veld op, en zyn stil zodra de winter aankomt en het koud wordt. Men zegt dat het nu en dan gebeurt dat deze krekels daar onophoudelyk piepen als het warm weder is, of als de vertrekken warm zyn, maar zodra het koud wordt zwygen zy stil. Op sommige plaatsen vanNew YorkenKanadazyn ’er alle de landhuizen en zelfs de meeste huizen in de Stad vol van, en dan doen zy hun gezang den gantschen winter door horen.Wandluizen.DeWandluizen163zyn hier ook in menigtens. Ik ben ’er op vele plaatsen vanKanadagenoeg van geplaagd geworden, dog heb ’er by deWildengenen vernomen gedurende myn verblyf teFort Frederic. De Kommandant, de HeerDe Louisignan, verhaalde my, dat nog deIllinoizennog de andereWildenuit de wester delen vanNoord Amerikaiets van dit ongedierte wisten, gelyk hy zelf ondervonden had, zynde hy lang onder hun geweest. Egter kon ik niet beslissen of de Wandluizen hier reeds voor de aankomst derEuropersgeweest zyn, dan of die ze hebben mede gebragt. Velen hielden ze voor oorspronglyk uit dit Land, en, tot een bewys van deze mening zeiden zy, dat men ze dikwyls onder de vleugels der vleermuizen gevonden had, waar zy diep in het vleesch zig hadden ingevreten. Om die reden meende men dat de vleermuizen ze in enen hollen boom gekregen, en van daar in de huizen gebragt hadden, waar de vleermuizen zelven aan de muren blyven hangen, en in de reten, die zy ’er vinden, kruipen. Dog alzo ik noit Wandluizen op de Vleermuizen gezien heb, kan ik hier niets van zeggen. Misschien heeft men ene andere luis of een myt voor een Wandluis aangezien. Of indien ’er waarlyk een van dit gedierte onder de vleugels ener vleermuis gezeten heeft, kan zy die wel in een huis, daarEuropischeWandluizen in waren, gekregen hebben.Middelen tegens dezelven.Men tragtte hier dit ongedierte op verscheidene wyzen te verdryven. Ik heb reeds aangemerkt dat men ten dien einde de ledikanten van Sassafrashout maakte, dog dat het maar voor een tyd hielp. Sommige menschen hebben my uit eigene en meermalen herhaalde proeven verzekerd, dat ’er geen kragtiger middel tegens dit ongedierte was, dan kokend water in alle de reten te gieten daar zy in zitten,[176]en al het hout der ledikanten daarmede te wasschen, dit twee- of driemaal herhaald zynde, zouden alle de wandluizen zyn uitgeroeid. Maar als ’er in andere naburige huizen zyn gaan zy aan der menschen kleren zitten, en worden dus overgebragt.Ik kan niet zeggen of dit middel goed is dan niet, dewyl ik het niet beproefd heb; maar door herhaalde proeven heb ik bevonden dat de zwavel, wel gebruikt zynde, de wandluizen en hare eyeren volkomenlyk in de ledikanten en de muren vernielt, schoon zy tienmaal talryker waren dan de mieren in een mierennest.164Kakkerlakken.DeKakkerlakkenzyn ene plaag der nieuwe wereld, en worden in vele delen van dezelve gevonden. De geleerde DoctorColdenwas van mening, dat zy de eigenlyke inboorlingen derWest Indienwaren, en dat zy uit de Eilanden naarNoord Amerikawaren overgebragt. Dit bleek, dagt hy, uit de menigte van dit ongedierte die deWest Indischeschepen medebrengen. Dog ik meen reden te hebben van te geloven, dat zy reeds sedert onheuglyke tyden hier te lande geweest zyn, schoon ik egter niet ontkennen wil dat zy uit deWest Indienzyn overgebragt. TeNew Yorkzyn zy genoegzaam in ieder huis, en die zyn ongetwyffeld met de schepen overgekomen. Dog hoe kan men dit zeggen van die welken in het midden der bosschen en woestynen gevonden worden?DeKakkerlakkenworden door deEngelschenCockroaches, door deZwedenBrödätare, dat isBroodeters, ook welKakkerlak, en door den RidderLinnæusBlatta Orientalis, geheten, en onder het geslagt der Motten gerekend. Men verneemt ze niet alleen in de bosschen, daar zy op de omgekapte bomen lopen. Ik zag in Februari verscheiden kakkerlakken op stukken oud verrot hout zitten, dat men in huis bragt om te verbranden. In ’t eerst waren ze als dood, maar enigen tyd in de kamer zynde geweest kwamen zy by, en begonnen te lopen. Ik vond naderhand dat als men oud brandhout des winters in huis bragt en doorhakte, daar vele kakkerlakken als in enen staat van ongevoeligheid in waren. Dien zelven winter wierd ’er een grote dode boom omgehouwen, en om te branden doorgezaagd, en ik zag in ene spleet, enige vademen boven den grond, verscheiden kakkerlakken nevens vele gemene mieren. Het scheen dat zy opwaards gekropen waren om ene veilige schuilplaats tegens den winter te vinden. Op myne reis in het midden van October 1749. door de onbebouwde landen tusschen deEngelscheen deFranscheVolkplantingen, zag ik by het maken van een vuur, des nagts, digt by enen verrotten boom, op den[177]oever van het meerChamplain, ene menigte van kakkerlakken uit het hout kruipen, wordende door den rook en het vuur wakker gemaakt, en uit hunne gaten gejaagd. DeFranschen, die met my waren, kenden ze niet, en wisten ze niet te noemen. InKanadawisten deFranschenniet dat zy ze in de huizen gezien hadden. InPensylvanielopen zy in grote menigte langs de halmen van het koorn in den oogst, gelyk my gezegd wierd. Anders onthouden zy zig in deEngelscheVolkplantingen gemeenlyk in de huizen, en zitten in de reten, vooral in de balken die ’t digst by den schoorsteen zyn.Schadelykheid.Zy doen veel schade door het kruim van ’t brood op te vreten. Als zy eens door de korst heen gebeten zyn, weten zy in korten tyd het gehele brood van binnen uitteholen, zo dat men het opsnydende niets dan een ledige korst vindt. Ook zeide men dat zy andere eetwaren opvreten. Somtyds byten zy de menschen in den neus of de voeten, terwyl zy leggen te slapen. Een oudeZweedverhaalde my, dat hy eens in zyne jonger jaren door ene kakkerlak zeer verschrikt geworden was, die, terwyl hy sliep, in zyn oor was gekropen. Hy ontwaakte schielyk, sprong het bed uit, en voelde dat het dier, waarschynlyk uit vrees, alle kragten aanwendde om dieper in te kruipen. Deze pogingen van de kakkerlak veroorzaakten hem zo grote pyn, dat hem het hoofd als scheen aan stukken te breken, en hy byna zinneloos wierd; egter liep hy schielyk naar den put, en, een emmer met water geschept hebbende, smeet hy ’er wat van in ’t oor. Zo dra de kakkerlak dit voelde, stiet zy zig met hare poten te rug uit het oor, en verloste dus den man van zyne angst.Houtluizen.DeHoutluizenzyn zeer onaangename Insekten, en in een zeker opzigt erger dan de voorgaanden; maar gelyk ik ze reeds, in ene Verhandeling aan deKoninglyke Zweedsche Maatschappygezonden, beschreven heb, wyze ik den Lezer derwaards.165Penn’s neck.Den 11. December ging ik kort voor den middag op een klein togtje naarPenn’s neck, en verder over deDellawarenaarWilmington. Het land omstreeksPenn’s neckwas van dezelve hoedanigheid als in het overige vanNew Jersey. De grond bestaat meest uit zand met ene dunne laag zwarte aarde. Hy is niet zeer heuvelig, maar meest plat, en zeer vol van bosschen met afvallend blad, vooral eiken. Nu en dan ziet men ene enkelde boerdery met enige koornakkers rondom. Tusschen beiden zyn kleine poelen, en somtyds een stroompje, waarin weinig drift is.Geboomte.De bosschen bestaan uit allerhande soorten van bomen, dog meest Hikory en Eiken. Zekerlyk zyn zy noit geveld geweest, en altyd onverhinderd voortgegroeid. Men zoude dan verwagten dat ’er[178]bomen van enen zeer groten ouderdom in gevonden werden, dog het tegendeel is waar, en men ziet ’er weinig die drie honderd jaren gestaan hebben. De meesten zyn maar tweehonderd jaar oud. En dit deed my denken dat de bomen, zo wel als de dieren, sterven wanneer zy enen zekeren ouderdom bereikt hebben. Dus vinden wy hier zware bosschen; maar als de bomen honderdenvyftig, ofhonderd entagtig jaren gestaan hebben, beginnen zy of van binnen te vergaan, of verliezen hunne kronen, of hun hout wordt geheel week, of de wortels zyn niet langer in staat om een genoegzaam voedsel intezuigen, of zy sterven door enige andere oorzaak. Wanneer het dan stormt, het geen hier somwylen gebeurt, breken de bomen, of even boven den grond, of in het midden, of in den top, af. Sommige bomen worden zelfs met wortel en al door den wind uitgerukt. Dus regten de stormen in deze bosschen zware verwoestingen aan. Overal ziet men bomen omver leggen. Ook ontstaat ’er dikwyls brand in de bosschen, waardoor de bomen halverwege verteerd worden, zo dat een sterke wind ze gemakkelyk verder omversmyt.Winden.Ik tragtte, door waartenemen in welke streek de meeste omgewaide bomen lagen, optemaken, welke winden hier de geweldigste waren, dog kon niets met zekerheid vaststellen, want de bomen lagen naar alle de streken van het kompas. Ik oordeelde dan, dat elke wind, die van enen kant wait daar de wortels vergaan zyn en de boom weinig wederstand bieden kan, den boom omver moest werpen. Op deze wys raken de oude bomen geduriglyk weg, en worden door jonge opgevolgd. Die omgevallen zyn leggen op den grond te verrotten, en vermeerderen dus de zwarte aarde, waarin de bladen ook allengskens veranderd worden, die aan den gevallen boom zitten, of iederen herfst vallen. Het duurt enige jaren eer een boom geheel vergaan is. Als de wind ’er enen met wortelen al uit den grond rukt, komt ’er ene menigte van losse aarde mede, die ’er enigen tyd aanzitten blyft, dog eindelyk ’er afvalt, en een klein heuveltje maakt, dat naderhand nog verhoogd wordt door de bladeren.Dus worden ’er in de bosschen vele oneffenheden voortgebragt, hoogtens en laagtens, en dus moet de bovenste tuinaarde zig op sommige plaatsen ophopen.Welke bomen het eerst vergaan.Alle bomen verrotten niet even gauw. DeNyssa, de Tulpeboom enLiquidambarvergaan in korten tyd. De Hikory duurt ook niet lang, en de Zwarte Eik valt eerder van een dan de Witte. Dog de omstandigheden werken hier ook in mede. Indien de bast om het hout blyft zitten rot hy mede, en wordt van binnen geheel en al door de wormen opgegeten, zo dat in den tyd van zes, agt of tien jaren niets ’er van over is dan een roodagtige bruine stof. Maar als ’er de bast af was, konden de bomen dikwyls twintig jaar leggen eer zy vergaan waren. De spoedige[179]groei van enen boom, de grootte zyner poren, en de gedurige veranderingen van heet en nat weder in den zomer, maken dat een boom schielyker rot. Hier moet men by doen, dat allerhande soorten van gekorvenen gaten maken in de gevallene bomen, en dat dus de vogtigheid der lugt in de bomen indringt en de verrotting bevordert. De meeste bomen hier hebben jaarlyks afvallende bladeren. Velen van hun beginnen reeds te rotten terwyl zy nog staan en bloeyen. Dit maakt den boom hol, zo dat ’er vele dieren hunne nesten in komen maken.Breedte van deDellaware.DeDellawarewordt vlak overWilmingtongerekendanderhalveEng.myl breed te wezen, dog op het oog scheen zy zo breed niet. In ’t midden zegt men dat zy van vier tot zes vadem diep is.Schrynwerkershout.De schrynwerkers gebruiken, volgens hun zeggen, voornamelyk het zwart Walnoten, het wilde Kerssebomen en het gemarmelde Ahornhout. Van de zwarte Walnotebomen is hier ene genoegzame menigte. Evenwel worden zy van sommige onbedagtzame menschen uitgeroeid, en de Boeren maken ’er veeltyds hun brandhout van. Het hout van den wilden Kersseboom is goed en schoon voor ’t oog; het is geelagtig, en hoe ouder het werk is hoe frayer het ’er uitziet. Dog het is alreeds bezwaarlyk te vinden, want het wordt overal uitgeroeid, en nergens weder aangeplant. De Gemarmelde Ahorn is ene verscheidenheid van den gemenen Roodbloemigen Ahorn, dog ook al schaarsch. Men kan verscheiden bomen vellen, zonder dat men het gemarmelde hout vindt. Het hout van denLiquidambarwordt ook tot schrynwerk gebruikt, dog krimpt als men het wat digt by het vuur brengt. Van de Sparren en de zogenaamde Witte Ceders bedient men zig ook om verscheidene dingen te maken.Molens.De Molenaars van den molen, die hier stond, zeiden, dat de assen van de molenraderen uit den Witten Eik plegen gemaakt te worden, en dat zy drie of vier jaar goed bleven, dog de assen van Sparrenhout duurden zo lang niet. De tanden der raderen en rollen wierden gemaakt van Wit Walnotenhout, om dat men hier geen harder hout krygen kan. Het hout van den Moerbezieboom wordt het allerbest gehouden voor krammen en houvasten in schuiten en schepen.Des avonds voer ik vanWilmingtonaf naar de overzyde aan het veer, aan den kant vanNew Jersey.Rakoon.Den 13. keerde ik vroeg terug naarRakoon.Boomknoesten.Op vele bomen in de bosschen vindt men hier of op de ene zyde, of in het midden van enen tak, of rondom enen tak, meer of min grote knobbels of uitwassen. Somtyds is ’er maar een op enen boom. In de grootte is ’er een aanmerkelyk verschil, want sommigen van deze knobbels zyn zo groot als een manshoofd, anderen weder zyn klein. Somtyds is ’er een boom als geheel van bedekt. Dikwyls[180]zaten zy niet alleen aan enen kant, maar maakten een soort van ring rondom den boom of den tak. Kleine bomen, niet boven enen vadem hoog, hadden ook dikwyls zulke knobbels. De knobbels bestaan uit het zelve hout als de boom, en zien ’er van binnen uit omtrent als gemarmeld hout. Enigen waren egter ook hol. Als men enen knobbel op enen kleinen boom opensnydt, vindt men ’er gemeenlyk vele kleine wormen in, die somtyds ook gemeen zyn in de grote uitwassen. Dit wyst ons den oorsprong der knobbels in ’t algemeen aan. De boom wordt van een Insekt gestoken dat zyne eyeren onder den bast legt, en uit die eyeren komen wormen te voorschyn, welken het sap uit de vaten doen lopen, het welk allengskens hard en tot enen knobbel wordt. Alleen de bomen die hunne bladen jaarlyks vallen laten hebben deze knobbels, en onder dezen vooral de Eik, van de welken wederom deSpaanscheEik de meeste knobbels heeft. Ook vindt men ze op den Esscheboom en den Ahorn. Voorheen maakten de hier gezeteneZweden, dog nog meer deFinlanders, schotels, borden, en diergelyke dingen van die knobbels die op den Esch groeiden. Dit vaatwerk, zeide men my, was heel aardig, en zag ’er uit als of het van gemarmeld hout was gemaakt. Die van den Eik kunnen hiertoe niet gebruikt worden, als zynde gemeenlyk wormstekig en verrot van binnen. Tegenwoordig gebruiken deZwedendie soort van schotels en borden niet meer, maar hebben aardenwerk. Sommige knobbels zyn van ene ongemene grootte, en doen ’er enen boom gedrogtelyk uitzien. Diergelyke bomen, treft men hier in de bosschen veel aan.166Wegen.De wegen zyn hier, naar dat de grond is, goed of kwaad. In ’t zand zyn zy droog en goed, dog op de klei deugen zy niet. Men is hier zeer nalatig in het onderhouden derzelven. Als een beekje niet zeer breed is legt men ’er niet eens ene brug over, en de Reizigers mogen zien hoe zy ’er best overkomen. Dit maakt dat men op sommige plaatsen by sterke stortvlagen gevaar loopt van te verdrinken. Als ’er een[181]boom dwars over den weg valt, hakt men hem zelden door, maar rydt ’er rondom heen. Dit kan men ligt doen, dewyl de grond vry gelyk en zonder stenen is, ’er geen kreupelhout wast, en de bomen tamelyk ver van malkander staan. Dit maakt dat de wegen zo veel bogten hebben.Weinig dorpen.De Landhoeven leggen meest op haar zelven, en men vindt ’er zelden twee by malkander leggen, uitgenomen op zulke plaatsen die als steden worden aangezien. Dit maakt dat ’er weinig dorpen zyn. Elke hoeve heeft hare akkers, weilanden en bosschen. Zou dit ook iets hebben toegebragt om de wolven uitteroeyen, dat men byna overal huizen en menschen vindt? Twee of drie Landhoeven hebben gemeenlyk ene weide of een bosch in gemeenschap; dog de meesten hebben elke hare toebedeelde landen.Huwelyken.Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift, waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat ’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft, of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest, veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een verlofschrift betaalt men tePhiladelphiavyfentwintigPensylvanischeschellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aanProtestantscheGeestelyken. DeQuakerskrygen een byzonder verlofschrift. Maar, vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogtenin blancoin voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men[182]opmaken, dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van hunne post hebben.167Jaren van Mondigheid.Volgens deEngelschewetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste, en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo wel van zulken die onlangs uitEuropazyn overgekomen, als van zulken die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en zig hiermede met zyn wyf weg pakt,Bedrog hieruit ontstaande.zonder dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene gewoonte gegeven, die nu inMarylandgemeen is. Als ’er een arm paar getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier, en vraagtwaar is myn geldt?168Geeft dan de Bruidegom het geld, zo gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan deze onaangename vraag niet bloot.Wetten hieromtrent.Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die, niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftigPensylvanischeponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant vanEuropischeafkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten vanPensylvanie.[183]Kortswyliggebruik.Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven heeft. DeZweedschePredikanten hebben verscheiden bruids in zo een goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in deEngelscheKoeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in ’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen, onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.Europeanenhier te lande voor de aankomst derZweden.Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor deZwedenhier te lande alreedsEuropeanengeweest zyn, en in ’t vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen. De zelve oude man,Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb, verhaalde my meer dan eens, dat toen deZwedenin de voorleden euw zig hier nederzetteden, en ene Volkplanting,Helfingburggenoemd, op deDellawareaanleiden, iets beneden de plaatswaarnuSalemstaat, zy op de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon onmogelyk een werk derWildenwezen, die gene gebakken stenen voor de aankomst derEuropeanengekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op zulke plaatsen aan deDellawaredie somtyds onder water en somtyds droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te zien. Toen deZwedennaderhand op enigen afstand van de voorgaanden nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden vaatwerk, en nog[184]gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.En voorColumbustyd.Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, ofEuropeanenof een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met deAmerikanenvermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy allengskens door den omgang met deWildenderzelver zeden en denkingswyze aangenomen. Men heeft deZwedenzelfs beschuldigd, dat zy alreeds halveWildenwaren, toen deEngelschenhier in ’t jaar 1682. aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat deFranschen, deEngelschen, deDuitschers, deHollanders, en andereEuropers, die vele jaren in afgelegene landschappen, digt by deWilden, gewoond hebben, zo veel overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de geschiedenissen en overlevering derWildenverzekeren ons, dat de gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde vanColumbusonderneming of kort daarna, dewyl deAmerikanenzeggen dat zy veel ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my naderhand op nieuws door verscheiden’Zwedenverhaald.Tekens aangaande het weder.Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder, omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld geworden.Middelen tegens tandpyn.Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens dat ongemak aangewend worden.Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men ’t verdragen kan tegens de kies legt.De vrouw van KapiteinLindseyteOswegoheeft my verhaald, dat deIroquoizenin dit geval het volgende middel voor het beste houden, en zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van deVirginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken. Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en deAnemonezaden zyn insgelyks[185]scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk destaminaen depistillahebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben als deAmerikaansche Anemone.Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over, en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert, maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.Ik heb deIroquoizenden binnensten bast van denKanadaschenVlierboom zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.Onder deIroquoizen, of deVyf Volkenop de RivierMohawk, zag ik ene jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een soort van Myrteboom,169en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.Het yzer eertyds onbekend aan deWilden.Voor de aankomst van deEuropeanenonder het geleide vanColumbusinAmerika, waren deWildengeheel onkundig van het gebruik van ’t yzer, het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daarAmerikabyna overal zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy een armoedig leven moeten geleid hebben. De oudeZweden, die in hunne jeugd omgang met deAmerikanengehad hadden, toen zy hier nog vry talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog vindt men by toeval vele werktuigen die deWildenvoor de aankomst derZwedenof andereEuropersgebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken deAmerikaansche Wildengeen andere werktuigen als die van yzer of andere metalen gemaakt zyn, welken zy van deEuropeanenkrygen. Maar alzo ik gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen derAmerikanente zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.Werktuigen der oudeAmerikanen.Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die[186]van onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb, bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen harden, zwarten, fynen vuursteen. Als deWildenenen zwaren boom vellen wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in ’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen, lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden, schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen, vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken om.Messen.In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen, quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of een scherpgemaakt been.Pylen.Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast,[187]gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort. Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen, kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en wel gemaakt waren.Stampers.Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een molen was. OudeFranscheninKanadahebben my verteld, dat deAmerikanenten uitersten verbaasd stonden toen zy deFranschenden eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen, en om die reden gebruiken deEngelschenen deZwedendezelven, als zy ze vinden, om hunne messen te wetten.Ketels.De oude ketels derWildenwaren of van klei of van een soort van dufsteen.170De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige oudeZwedenkonden zig nog herinneren, dat zy deWildenin zulke potten hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte, somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls ruim een duim dik. Schoon deAmerikanengene kennis van yzer, staal, of enig ander metaal hadden,[188]wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer aardig uittehollen.Tabakspypen.De oude Tabakspypen derWildenwaren ook van klei, of van duf- en slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel gemaakt, schoon deWildennog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by deSachemsof Oudsten derWilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn, is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land derIngouezgevonden, die, volgens VaderCharlevoix,171aan de overzyde derMissisippiwonen. Ene pyp van dit soort wordt by deAmerikanenveeltyds hoger geagt als een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen bestaat gemeenlyk hunne zo genaamdePyp van vrede,172van de welke zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp, en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.Vischangels.In plaats van Vischangels gebruikten deWildenhoeken van been of vogelklauwen. Sommigen van de oudsteZwedenalhier vertelden my, dat in hunne jeugd zeer veleAmerikanenin het toen zo genaamdeNieuw Zwedengewoond hebben, die met zulke hoeken op deDellawarevischten.Wyze van vuur te maken.Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken en daarna in vlam vloog.Aanmerking.Dusdanig waren de werktuigen die deAmerikanenvoor de aankomst derEuropersgebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te bedienen.Noord Amerikaheeft overvloed van Yzermynen. DeWildenwoonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd jaren geleden grote dorpen vanWildengestaan hebben. Dus is het zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy woonden op plaatsen daar men naderhand[189]yzererts ontdekt heeft, en reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond, want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten. Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van nuttige konsten.Hazen.Men vindt hier een genoegzaam getal vanHazen, dog zy zyn veel kleinder dan deEuropischenen niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit, en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd, zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen.173[190]Muizen.Muizenvan het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op ’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere landen, zeer veel schade doen.Oldmixon174verhaalt dat ’er nog muizen nog ratten inNoord Amerikageweest zyn, eer zy met de schepen uitEuropaovergekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen, die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig wezen die uitEuropazyn overgebragt?Ratten.

Vergiftige Visschen.Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn, maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen. Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’ Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet, verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden te hebben.159[166]Rhode Islandvoor ene brilverkoft.De HeerFranklinen verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een rykeAmerikaan, die Heer vanRhode Islandgeweest was, het zelve voor ene bril aan deEngelschenverkofthad. Dat Eiland is groot genoeg voor een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. DezeAmerikaanwist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad, indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.Dienstboden.DeDienstboden, die men in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog twederhanden.Vrye Dienstboden.Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de twintig pondenPensylvanischemunt, dog op het land niet zo veel. Ene Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.Servings.Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks uitDuitschland,Engelanden andere landen overkomen. Dezen zyn alle jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat de prys der arme vreemdelingen inNoord Amerikaniet gelyk is, en dat de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den dienst. Velen van de[167]Duitschersbrengen gelds genoeg mede om hunne vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om dat zy niet zo duur zyn als dezwarteslaven, die wel eens zo veel kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk viertien pond st.Pensylvanischgeld voor enen persoon die vier jaar dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden noemen deEngelschen Servings. Als men zulk enenServingvoor enige jarengekoftheeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een verding met den tweden koper gemaakt hebbe. DeEngelschenenIerenverkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar deDuitscherskomen dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen, volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.Zwarten.DeZwartenmaken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in enen zekeren zin slaven, want als eens eenZwartgekoftis, is hy de slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men deZwartenuitAfrika, en byna iederkoftze, die vermogen daartoe had. DeQuakersalleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen het hebben van slaven strydig met hetChristendom. Ook zyn ’er tePhiladelphiaverscheiden’ vryeZwarten, die ’t geluk gehad hebben van enen yverigenQuakertot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk, na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.Tegenwoordig brengt men weinigZwartenmeer uitAfrika, want zy hebben zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander, zo hindert men hem daarin niet,[168]dog men heeft ’er geen voordeel van, want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er eenBlankeom deze oorzaak ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met hem te werk, op dat deZwartenhet genoegen niet mogten hebben van enen Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.DeZwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uitAfrikagehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit deAmerikaanscheEilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men deZwartenonmiddelyk uitAfrikanaar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en eerst uitAfrikanaar deWest Indien, en van daar naarNoord Amerikavervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat deZwartende koude niet zo wel kunnen verdragen als deBlanken, want schoon de laatsten niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls detonenen vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit opzigt, want die regelregt uitAfrikakomen kunnen de koude zo wel niet verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uitAfrikakomen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele voorbeelden dat deZwarten, wanneer zy des winters uitAfrikawierden overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hierZwartenhad gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.De prys derZwarteslaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom, hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassenZwartkost van veertig tot honderd pondenPensylvanischgeld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje van twee of drie jaar kan kwalykgekoft[169]worden voor minder dan agt of veertien pond. Niet alleen deQuakers, maar ook anderen, maken somtyds hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen getrouwenZwartheeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze vrygelateneZwartenworden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy vry zynde krygen zyn ook vry. DeZwartenworden inNoord Amerikaveel zagter behandeld en beter onderhouden dan in deWest Indien. Zy krygen even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In tegendeel worden zy in deWest Indien, en vooral in deSpaanscheEilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enenZwartgeen zwaarder bedreiging doen dan van hem naar deWest Indiente zenden, indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat, als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.EersteZwarten.In ’t jaar 1620. werden ’er enigeZwartenin eenHollandschSchip overgebragt, en inVirginiekoftmen ’er twintig van. Dezen houdt men voor de eersten die herwaards kwamen. Toen deAmerikanen, die in dien tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen, hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tydManitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te voren, toen zy het eerst eenEuropischSchip zagen, dagten zy dat God zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik vanAmerikanenzelfs, die het van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de aankomst derZwartenalles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert hebben zy zo ongunstig niet meer van deZwartengedagt, want thans wonen verscheiden’Zwartenonder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en deAmerikanensomtyds onder malkander huwen.DeZwartenwordennoit blank.DeZwartenzyn thans over de honderd en dertig jaar in dit Land geweest, en de winters zyn ’er, vooral inNieuw EngelandenNew York, al zo gestreng als inZweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk[170]of men niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur derZwartenhad gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat eenZwarthier geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren, tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet verschilde van deZwartendie lynregt uitAfrikakwamen. Hieruit besloten ’er velen, dat geenZwartof zyn nageslagt oit van kleur verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen deBlankenen deZwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er ene wet was die de huwelyken tusschen deBlankenen deZwartenverbood, en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat evenwel deBlankenen deZwartenzig vermengen, blykt uit de vermengde kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.Meest nog Heidenen.Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de meesteEngelscheVolkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunneZwartenverhinderen zouden van zig in denChristelykenGodsdienst te doen onderwyzen, ten dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden, als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke zagen.Vergift onder hun.Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten inZuid Amerikaeen vergift hebben, waarmede zy malkander om hals helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is onder deZwarteninNoord Amerikabekend, gelyk de ondervinding geleerd heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het middel daartegen. Om die reden wanneer eenZwartzig vergeven voelt, en enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft, gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te bewegen om hem van het vergift[171]te verlossen. Wanneer deze boosaardig is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven, maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy vergeven is. DeZwartenbedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden, en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen. Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden zyn. Ik heb veel vanZwartenhoren vertellen die op deze wys omgekomen waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf alhier gebeurde. Een man had enenZwartdie hem zeer getrouw was, en zo wel oppaste dat hy hem voor twintig andereZwartenniet zou gegeven hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van eenChristenknegt. Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van den mond nam, zeide hy,wat bier is dit? Het is vol van ——.Ik zegge met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardigeZwartenzo veel kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt worden. De overigeZwartenenZwartinnenbegonnen te lacchen om de klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen,[172]als of zy ene uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt hadden. De braveZwartging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.Reis naarRakoon.Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naarRakooninNew Jersey.Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier sterker vermenigvuldigen dan inEuropa. Zo dra een mensch den vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd, dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.Voorbeelden.Maons Keen, een derZwedenvanRakoon, was nu byna zeventig jaar oud. Hy had verscheiden kinderen, kindskinderen en kindskindskinderen, zo dat van de genen die nog in leven waren hy vyfenveertig personen monsteren kon. Behalven dat, verscheiden’ van zyne kinderen waren, het zy zeer jong of al tot zekere jaren gekomen zynde, reeds gestorven. Dus was hy ongemeen gezegend. Dog hy komt niet in vergelyking by de volgende voorbeelden, die ik uit dePhiladelphischekoerant getrokken heb.In ’t jaar 1732., den 24. Januari stierf teIpswichinNieuw Engeland,Sarah Tuthil, ene weduwe, oud zes en tagtig jaar. Zy had in de wereld gebragt zestien kinderen, en van maar zeven van dezelven had zy gezien honderd en zeven en zeventig kleinkinderen en kleinkleinkinderen.Den 30. Mai 1739. verzamelden zig in het huis vanRichard Buttington, in het kersspel vanChesterinPensylvanie, alle zyne afkomelingen, makende t’zamen honderd en vyftien personen. De vader van deze nakomelingschap,Richard Buttington, was geboren inEngeland, en toen in zyn vyf en tagtigste jaar. Hy was in volkomen’ gezondheid, kragt en levendigheid. Zyn oudste zoon, toen zestig jaar oud, was de eersteEngelschmandie inPensylvaniegeboren werd.Den 8. Januari 1742. overleed teTrentoninNew Jerseyde weduweSara Furman, geboortig uitNieuw Engeland, oud zynde zeven en negentig jaar, en nalatende vyf kinderen, een en zestig kindskinderen, honderd twee en tagtig kindskindskinderen, en twaalf kindskindskindskinderen, allen in ’t leven toen zy stierf.In ’t jaar 1739. den 28. Januari stierf teSouth KingstoninNieuw Engelandin haar honderdste jaar de weduweMaria Haszard. Zy was[173]geboren opRhode Island, en was grootmoeder van den toenmaligen Vice-Gouverneur van dat Eiland, den HeerGeorge Haszard. Zy kon vyfhonderd, zo kinderen, kindskinderen, kindskindskinderen als kindskindskindskinderen tellen. Toen zy stierf waren ’er tweehonderdenvyf van in ’t leven. Ene van hare kleindogters was alreeds sedert vyftien jaar grootmoeder.Of deze wys is de wensch in deEngelschehuwelyksformulieren gebruikelyk, dat het nieuwgetrouwde paar zyne kinderen moge zien tot in het vierde en vyfde nageslagt, in deze personen letterlyk genoeg vervuld geworden.Ongedierte.In ieder land vindt men ene menigte van Insekten, die, hoe klein en veragtelyk zy ook schynen, ene schrikkelyke schade kunnen veroorzaken. Van deze gevaarlyke diertjes zyn ’er ook enigen inNoord Amerika, sommigen alleen aan dat gewest eigen, en anderen heeft het gemeen metEuropa.Ik heb reeds gesproken vanMosquitosen van denBruchus Pisi, den vernieler der erwtlanden; hier zal ik ’er enige anderen byvoegen.Krekels.Daar is een soort van sprinkhanen of krekels, die omtrent allezeventien jareneens in ene ongelooflyke menigte wederkomen. Zy komen uit de aarde in het midden van Mai, en maken zes weken lang zulk een geweld in de bomen en de bosschen, dat men werk heeft van malkander te horen. Gedurende dien tyd boren zy met den angel hunner staarten gaten in de zagte schil der takken, waardoor die takken verdorren. Andere schade doen zy niet aan de bomen of gewassen. Tusschen de jaren dat zy zo talryk zyn hoort men ’er maar enen enkelden van. DeEngelschennoemen zeLocusts.Rupsen.Daar is ook een soort van rupsen in deze gewesten, die het loof der bomen eten, en in sommige jaren ontelbaar zyn. Dog tusschen die jaren in zyn zy zeldzaam. Wanneer zy menigvuldig zyn maken zy de bomen zo kaal dat die in ’t midden van den zomer ’er uitzien als in ’t midden van den winter. Zy vreten alle soorten van bladen, en laten weinige bomen onaangeroerd. En, gelyk op dien tyd de hette het geweldigst is, heeft het ontkleden van ’t geboomte dit noodlottige gevolg, dat het de hette niet weerstaan kan en sterft. DeZwedenvertoonden my hier en daar in de bosschen grote streken daar nu jonge bomen groeiden in plaats van de ouden, die enige jaren geleden door de rupsen vernield waren. Deze rupsen veranderen naderhand in kapellen, die op hare plaats zullen beschreven worden.Graswormen.DeGraswormdoet in sommige jaren ook veel kwaads op vele plaatsen, in de weiden en op koornlanden. Somtyds zyn de velden met gantsche heiren van dezelven en andere Insekten overdekt. Dog het is gelukkig dat alle die bezoekingen niet te gelyk komen, want op sommige[174]jaren, dat de sprinkhanen menigvuldig zyn, worden ’er niet veel rupsen en graswormen gevonden, en zo ook met de laatsten, zo dat ’er maar een van deze drie soorten van ongedierte te gelyk regeert. Ook zyn ’er vele jaren dat zy zeer schaarsch zyn. Van de graswormen heeft men opgemerkt dat zy zig vooral op enen vetten grond zetten. Dog zodra een nyverig Landman ze op zyne akkers verneemt, trekt hy ene smalle grup met steile kanten rondom het land daar de wormen op zyn, zo dat zy, als ze verder willen kruipen, in de grup vallen, daar zy niet weer uit kunnen. Verscheiden lieden verzekerden my dat deze drie soorten van insekten malkander zeer kort volgden, dat de krekels het eerste jaar kwamen, de rupsen in het twede en de graswormen in het derde. Ook heb ik dit ten dele waargevonden.Motten.DeMotten160die op de wollen stoffen zitten zyn hier ook menigvuldig. Ik heb klederen, wollen handschoenen en ander goed gezien, die den gantschen zomer in ene kast opgesloten gehangen hadden, zonder wel bezorgd geweest te zyn, door en doorgevreten, zo dat zy in stukken vielen, en veeltyds niet konden hersteld worden. Ook stelden zy de pelteryen somtyds zo toe, dat men ’er het hair met handen vol van kon afhalen. Ik weet niet of de Motten oorspronglyk aan dit Land eigen, dan uitEuropaovergebragt zyn.Vloyen.Vloyenvindt men ook in dit werelddeel. Vele duizenden wierden ’er ongetwyffeld van uit andere landen overgebragt, dog zekerlyk zyn hier ook ontelbare menigtens van dezelven geweest. Ik heb ze op grauwe Eekhoorns en Hazen gezien, die op woeste plaatsen gedood waren waar zeker noit eenEuropeaangewoond heeft. Toen ik naderhand verder in het Land kwam, en genoodzaakt werd in de hutten en op de bedden derWildente slapen, wierd ik zo gekweld van ontelbare vloyen, dat het was als of ik op de pynbank lag. Zy dreven my uit het bed, en ik was blyde van op de planken, die onder het dak der hut lagen, te mogen slapen. Dog het is ligt te begrypen dat de menigte van honden die deAmerikanenhouden ene oneindige menigte van vloyen fokken moeten. De honden en de menschen slapen door malkander in de hutten, en een vreemdeling kan kwalyk gaan leggen en de ogen een weinig toedoen of hy is in gevaar van door een hond of twaalf, en somtyds meer, plat gedrukt of versmoord te worden, die zig gedeeltelyk om hem heen, gedeeltelyk op hem te slapen leggen. Ik denk dat zy niet verwagten van dezelven weggejaagd of geklopt te worden, gelyk hun wel van hunne meesters overkomt.Krekels.Ik ben inPensylvanienog inNew Jerseygene van dat soort vanKrekels161het welk zulk een geweld maakt, en dat men inZweden[175]somtyds in de huizen vindt, gewaar geworden, en andere menschen, die ik ’er naar vroeg, wisten niet ze oit vernomen te hebben. Des zomers is ’er een soort van krekels162in het veld, die juist het zelve piepende geluid maken als onze huiskrekels; dog zy houden zig in het veld op, en zyn stil zodra de winter aankomt en het koud wordt. Men zegt dat het nu en dan gebeurt dat deze krekels daar onophoudelyk piepen als het warm weder is, of als de vertrekken warm zyn, maar zodra het koud wordt zwygen zy stil. Op sommige plaatsen vanNew YorkenKanadazyn ’er alle de landhuizen en zelfs de meeste huizen in de Stad vol van, en dan doen zy hun gezang den gantschen winter door horen.Wandluizen.DeWandluizen163zyn hier ook in menigtens. Ik ben ’er op vele plaatsen vanKanadagenoeg van geplaagd geworden, dog heb ’er by deWildengenen vernomen gedurende myn verblyf teFort Frederic. De Kommandant, de HeerDe Louisignan, verhaalde my, dat nog deIllinoizennog de andereWildenuit de wester delen vanNoord Amerikaiets van dit ongedierte wisten, gelyk hy zelf ondervonden had, zynde hy lang onder hun geweest. Egter kon ik niet beslissen of de Wandluizen hier reeds voor de aankomst derEuropersgeweest zyn, dan of die ze hebben mede gebragt. Velen hielden ze voor oorspronglyk uit dit Land, en, tot een bewys van deze mening zeiden zy, dat men ze dikwyls onder de vleugels der vleermuizen gevonden had, waar zy diep in het vleesch zig hadden ingevreten. Om die reden meende men dat de vleermuizen ze in enen hollen boom gekregen, en van daar in de huizen gebragt hadden, waar de vleermuizen zelven aan de muren blyven hangen, en in de reten, die zy ’er vinden, kruipen. Dog alzo ik noit Wandluizen op de Vleermuizen gezien heb, kan ik hier niets van zeggen. Misschien heeft men ene andere luis of een myt voor een Wandluis aangezien. Of indien ’er waarlyk een van dit gedierte onder de vleugels ener vleermuis gezeten heeft, kan zy die wel in een huis, daarEuropischeWandluizen in waren, gekregen hebben.Middelen tegens dezelven.Men tragtte hier dit ongedierte op verscheidene wyzen te verdryven. Ik heb reeds aangemerkt dat men ten dien einde de ledikanten van Sassafrashout maakte, dog dat het maar voor een tyd hielp. Sommige menschen hebben my uit eigene en meermalen herhaalde proeven verzekerd, dat ’er geen kragtiger middel tegens dit ongedierte was, dan kokend water in alle de reten te gieten daar zy in zitten,[176]en al het hout der ledikanten daarmede te wasschen, dit twee- of driemaal herhaald zynde, zouden alle de wandluizen zyn uitgeroeid. Maar als ’er in andere naburige huizen zyn gaan zy aan der menschen kleren zitten, en worden dus overgebragt.Ik kan niet zeggen of dit middel goed is dan niet, dewyl ik het niet beproefd heb; maar door herhaalde proeven heb ik bevonden dat de zwavel, wel gebruikt zynde, de wandluizen en hare eyeren volkomenlyk in de ledikanten en de muren vernielt, schoon zy tienmaal talryker waren dan de mieren in een mierennest.164Kakkerlakken.DeKakkerlakkenzyn ene plaag der nieuwe wereld, en worden in vele delen van dezelve gevonden. De geleerde DoctorColdenwas van mening, dat zy de eigenlyke inboorlingen derWest Indienwaren, en dat zy uit de Eilanden naarNoord Amerikawaren overgebragt. Dit bleek, dagt hy, uit de menigte van dit ongedierte die deWest Indischeschepen medebrengen. Dog ik meen reden te hebben van te geloven, dat zy reeds sedert onheuglyke tyden hier te lande geweest zyn, schoon ik egter niet ontkennen wil dat zy uit deWest Indienzyn overgebragt. TeNew Yorkzyn zy genoegzaam in ieder huis, en die zyn ongetwyffeld met de schepen overgekomen. Dog hoe kan men dit zeggen van die welken in het midden der bosschen en woestynen gevonden worden?DeKakkerlakkenworden door deEngelschenCockroaches, door deZwedenBrödätare, dat isBroodeters, ook welKakkerlak, en door den RidderLinnæusBlatta Orientalis, geheten, en onder het geslagt der Motten gerekend. Men verneemt ze niet alleen in de bosschen, daar zy op de omgekapte bomen lopen. Ik zag in Februari verscheiden kakkerlakken op stukken oud verrot hout zitten, dat men in huis bragt om te verbranden. In ’t eerst waren ze als dood, maar enigen tyd in de kamer zynde geweest kwamen zy by, en begonnen te lopen. Ik vond naderhand dat als men oud brandhout des winters in huis bragt en doorhakte, daar vele kakkerlakken als in enen staat van ongevoeligheid in waren. Dien zelven winter wierd ’er een grote dode boom omgehouwen, en om te branden doorgezaagd, en ik zag in ene spleet, enige vademen boven den grond, verscheiden kakkerlakken nevens vele gemene mieren. Het scheen dat zy opwaards gekropen waren om ene veilige schuilplaats tegens den winter te vinden. Op myne reis in het midden van October 1749. door de onbebouwde landen tusschen deEngelscheen deFranscheVolkplantingen, zag ik by het maken van een vuur, des nagts, digt by enen verrotten boom, op den[177]oever van het meerChamplain, ene menigte van kakkerlakken uit het hout kruipen, wordende door den rook en het vuur wakker gemaakt, en uit hunne gaten gejaagd. DeFranschen, die met my waren, kenden ze niet, en wisten ze niet te noemen. InKanadawisten deFranschenniet dat zy ze in de huizen gezien hadden. InPensylvanielopen zy in grote menigte langs de halmen van het koorn in den oogst, gelyk my gezegd wierd. Anders onthouden zy zig in deEngelscheVolkplantingen gemeenlyk in de huizen, en zitten in de reten, vooral in de balken die ’t digst by den schoorsteen zyn.Schadelykheid.Zy doen veel schade door het kruim van ’t brood op te vreten. Als zy eens door de korst heen gebeten zyn, weten zy in korten tyd het gehele brood van binnen uitteholen, zo dat men het opsnydende niets dan een ledige korst vindt. Ook zeide men dat zy andere eetwaren opvreten. Somtyds byten zy de menschen in den neus of de voeten, terwyl zy leggen te slapen. Een oudeZweedverhaalde my, dat hy eens in zyne jonger jaren door ene kakkerlak zeer verschrikt geworden was, die, terwyl hy sliep, in zyn oor was gekropen. Hy ontwaakte schielyk, sprong het bed uit, en voelde dat het dier, waarschynlyk uit vrees, alle kragten aanwendde om dieper in te kruipen. Deze pogingen van de kakkerlak veroorzaakten hem zo grote pyn, dat hem het hoofd als scheen aan stukken te breken, en hy byna zinneloos wierd; egter liep hy schielyk naar den put, en, een emmer met water geschept hebbende, smeet hy ’er wat van in ’t oor. Zo dra de kakkerlak dit voelde, stiet zy zig met hare poten te rug uit het oor, en verloste dus den man van zyne angst.Houtluizen.DeHoutluizenzyn zeer onaangename Insekten, en in een zeker opzigt erger dan de voorgaanden; maar gelyk ik ze reeds, in ene Verhandeling aan deKoninglyke Zweedsche Maatschappygezonden, beschreven heb, wyze ik den Lezer derwaards.165Penn’s neck.Den 11. December ging ik kort voor den middag op een klein togtje naarPenn’s neck, en verder over deDellawarenaarWilmington. Het land omstreeksPenn’s neckwas van dezelve hoedanigheid als in het overige vanNew Jersey. De grond bestaat meest uit zand met ene dunne laag zwarte aarde. Hy is niet zeer heuvelig, maar meest plat, en zeer vol van bosschen met afvallend blad, vooral eiken. Nu en dan ziet men ene enkelde boerdery met enige koornakkers rondom. Tusschen beiden zyn kleine poelen, en somtyds een stroompje, waarin weinig drift is.Geboomte.De bosschen bestaan uit allerhande soorten van bomen, dog meest Hikory en Eiken. Zekerlyk zyn zy noit geveld geweest, en altyd onverhinderd voortgegroeid. Men zoude dan verwagten dat ’er[178]bomen van enen zeer groten ouderdom in gevonden werden, dog het tegendeel is waar, en men ziet ’er weinig die drie honderd jaren gestaan hebben. De meesten zyn maar tweehonderd jaar oud. En dit deed my denken dat de bomen, zo wel als de dieren, sterven wanneer zy enen zekeren ouderdom bereikt hebben. Dus vinden wy hier zware bosschen; maar als de bomen honderdenvyftig, ofhonderd entagtig jaren gestaan hebben, beginnen zy of van binnen te vergaan, of verliezen hunne kronen, of hun hout wordt geheel week, of de wortels zyn niet langer in staat om een genoegzaam voedsel intezuigen, of zy sterven door enige andere oorzaak. Wanneer het dan stormt, het geen hier somwylen gebeurt, breken de bomen, of even boven den grond, of in het midden, of in den top, af. Sommige bomen worden zelfs met wortel en al door den wind uitgerukt. Dus regten de stormen in deze bosschen zware verwoestingen aan. Overal ziet men bomen omver leggen. Ook ontstaat ’er dikwyls brand in de bosschen, waardoor de bomen halverwege verteerd worden, zo dat een sterke wind ze gemakkelyk verder omversmyt.Winden.Ik tragtte, door waartenemen in welke streek de meeste omgewaide bomen lagen, optemaken, welke winden hier de geweldigste waren, dog kon niets met zekerheid vaststellen, want de bomen lagen naar alle de streken van het kompas. Ik oordeelde dan, dat elke wind, die van enen kant wait daar de wortels vergaan zyn en de boom weinig wederstand bieden kan, den boom omver moest werpen. Op deze wys raken de oude bomen geduriglyk weg, en worden door jonge opgevolgd. Die omgevallen zyn leggen op den grond te verrotten, en vermeerderen dus de zwarte aarde, waarin de bladen ook allengskens veranderd worden, die aan den gevallen boom zitten, of iederen herfst vallen. Het duurt enige jaren eer een boom geheel vergaan is. Als de wind ’er enen met wortelen al uit den grond rukt, komt ’er ene menigte van losse aarde mede, die ’er enigen tyd aanzitten blyft, dog eindelyk ’er afvalt, en een klein heuveltje maakt, dat naderhand nog verhoogd wordt door de bladeren.Dus worden ’er in de bosschen vele oneffenheden voortgebragt, hoogtens en laagtens, en dus moet de bovenste tuinaarde zig op sommige plaatsen ophopen.Welke bomen het eerst vergaan.Alle bomen verrotten niet even gauw. DeNyssa, de Tulpeboom enLiquidambarvergaan in korten tyd. De Hikory duurt ook niet lang, en de Zwarte Eik valt eerder van een dan de Witte. Dog de omstandigheden werken hier ook in mede. Indien de bast om het hout blyft zitten rot hy mede, en wordt van binnen geheel en al door de wormen opgegeten, zo dat in den tyd van zes, agt of tien jaren niets ’er van over is dan een roodagtige bruine stof. Maar als ’er de bast af was, konden de bomen dikwyls twintig jaar leggen eer zy vergaan waren. De spoedige[179]groei van enen boom, de grootte zyner poren, en de gedurige veranderingen van heet en nat weder in den zomer, maken dat een boom schielyker rot. Hier moet men by doen, dat allerhande soorten van gekorvenen gaten maken in de gevallene bomen, en dat dus de vogtigheid der lugt in de bomen indringt en de verrotting bevordert. De meeste bomen hier hebben jaarlyks afvallende bladeren. Velen van hun beginnen reeds te rotten terwyl zy nog staan en bloeyen. Dit maakt den boom hol, zo dat ’er vele dieren hunne nesten in komen maken.Breedte van deDellaware.DeDellawarewordt vlak overWilmingtongerekendanderhalveEng.myl breed te wezen, dog op het oog scheen zy zo breed niet. In ’t midden zegt men dat zy van vier tot zes vadem diep is.Schrynwerkershout.De schrynwerkers gebruiken, volgens hun zeggen, voornamelyk het zwart Walnoten, het wilde Kerssebomen en het gemarmelde Ahornhout. Van de zwarte Walnotebomen is hier ene genoegzame menigte. Evenwel worden zy van sommige onbedagtzame menschen uitgeroeid, en de Boeren maken ’er veeltyds hun brandhout van. Het hout van den wilden Kersseboom is goed en schoon voor ’t oog; het is geelagtig, en hoe ouder het werk is hoe frayer het ’er uitziet. Dog het is alreeds bezwaarlyk te vinden, want het wordt overal uitgeroeid, en nergens weder aangeplant. De Gemarmelde Ahorn is ene verscheidenheid van den gemenen Roodbloemigen Ahorn, dog ook al schaarsch. Men kan verscheiden bomen vellen, zonder dat men het gemarmelde hout vindt. Het hout van denLiquidambarwordt ook tot schrynwerk gebruikt, dog krimpt als men het wat digt by het vuur brengt. Van de Sparren en de zogenaamde Witte Ceders bedient men zig ook om verscheidene dingen te maken.Molens.De Molenaars van den molen, die hier stond, zeiden, dat de assen van de molenraderen uit den Witten Eik plegen gemaakt te worden, en dat zy drie of vier jaar goed bleven, dog de assen van Sparrenhout duurden zo lang niet. De tanden der raderen en rollen wierden gemaakt van Wit Walnotenhout, om dat men hier geen harder hout krygen kan. Het hout van den Moerbezieboom wordt het allerbest gehouden voor krammen en houvasten in schuiten en schepen.Des avonds voer ik vanWilmingtonaf naar de overzyde aan het veer, aan den kant vanNew Jersey.Rakoon.Den 13. keerde ik vroeg terug naarRakoon.Boomknoesten.Op vele bomen in de bosschen vindt men hier of op de ene zyde, of in het midden van enen tak, of rondom enen tak, meer of min grote knobbels of uitwassen. Somtyds is ’er maar een op enen boom. In de grootte is ’er een aanmerkelyk verschil, want sommigen van deze knobbels zyn zo groot als een manshoofd, anderen weder zyn klein. Somtyds is ’er een boom als geheel van bedekt. Dikwyls[180]zaten zy niet alleen aan enen kant, maar maakten een soort van ring rondom den boom of den tak. Kleine bomen, niet boven enen vadem hoog, hadden ook dikwyls zulke knobbels. De knobbels bestaan uit het zelve hout als de boom, en zien ’er van binnen uit omtrent als gemarmeld hout. Enigen waren egter ook hol. Als men enen knobbel op enen kleinen boom opensnydt, vindt men ’er gemeenlyk vele kleine wormen in, die somtyds ook gemeen zyn in de grote uitwassen. Dit wyst ons den oorsprong der knobbels in ’t algemeen aan. De boom wordt van een Insekt gestoken dat zyne eyeren onder den bast legt, en uit die eyeren komen wormen te voorschyn, welken het sap uit de vaten doen lopen, het welk allengskens hard en tot enen knobbel wordt. Alleen de bomen die hunne bladen jaarlyks vallen laten hebben deze knobbels, en onder dezen vooral de Eik, van de welken wederom deSpaanscheEik de meeste knobbels heeft. Ook vindt men ze op den Esscheboom en den Ahorn. Voorheen maakten de hier gezeteneZweden, dog nog meer deFinlanders, schotels, borden, en diergelyke dingen van die knobbels die op den Esch groeiden. Dit vaatwerk, zeide men my, was heel aardig, en zag ’er uit als of het van gemarmeld hout was gemaakt. Die van den Eik kunnen hiertoe niet gebruikt worden, als zynde gemeenlyk wormstekig en verrot van binnen. Tegenwoordig gebruiken deZwedendie soort van schotels en borden niet meer, maar hebben aardenwerk. Sommige knobbels zyn van ene ongemene grootte, en doen ’er enen boom gedrogtelyk uitzien. Diergelyke bomen, treft men hier in de bosschen veel aan.166Wegen.De wegen zyn hier, naar dat de grond is, goed of kwaad. In ’t zand zyn zy droog en goed, dog op de klei deugen zy niet. Men is hier zeer nalatig in het onderhouden derzelven. Als een beekje niet zeer breed is legt men ’er niet eens ene brug over, en de Reizigers mogen zien hoe zy ’er best overkomen. Dit maakt dat men op sommige plaatsen by sterke stortvlagen gevaar loopt van te verdrinken. Als ’er een[181]boom dwars over den weg valt, hakt men hem zelden door, maar rydt ’er rondom heen. Dit kan men ligt doen, dewyl de grond vry gelyk en zonder stenen is, ’er geen kreupelhout wast, en de bomen tamelyk ver van malkander staan. Dit maakt dat de wegen zo veel bogten hebben.Weinig dorpen.De Landhoeven leggen meest op haar zelven, en men vindt ’er zelden twee by malkander leggen, uitgenomen op zulke plaatsen die als steden worden aangezien. Dit maakt dat ’er weinig dorpen zyn. Elke hoeve heeft hare akkers, weilanden en bosschen. Zou dit ook iets hebben toegebragt om de wolven uitteroeyen, dat men byna overal huizen en menschen vindt? Twee of drie Landhoeven hebben gemeenlyk ene weide of een bosch in gemeenschap; dog de meesten hebben elke hare toebedeelde landen.Huwelyken.Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift, waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat ’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft, of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest, veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een verlofschrift betaalt men tePhiladelphiavyfentwintigPensylvanischeschellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aanProtestantscheGeestelyken. DeQuakerskrygen een byzonder verlofschrift. Maar, vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogtenin blancoin voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men[182]opmaken, dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van hunne post hebben.167Jaren van Mondigheid.Volgens deEngelschewetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste, en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo wel van zulken die onlangs uitEuropazyn overgekomen, als van zulken die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en zig hiermede met zyn wyf weg pakt,Bedrog hieruit ontstaande.zonder dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene gewoonte gegeven, die nu inMarylandgemeen is. Als ’er een arm paar getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier, en vraagtwaar is myn geldt?168Geeft dan de Bruidegom het geld, zo gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan deze onaangename vraag niet bloot.Wetten hieromtrent.Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die, niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftigPensylvanischeponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant vanEuropischeafkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten vanPensylvanie.[183]Kortswyliggebruik.Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven heeft. DeZweedschePredikanten hebben verscheiden bruids in zo een goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in deEngelscheKoeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in ’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen, onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.Europeanenhier te lande voor de aankomst derZweden.Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor deZwedenhier te lande alreedsEuropeanengeweest zyn, en in ’t vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen. De zelve oude man,Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb, verhaalde my meer dan eens, dat toen deZwedenin de voorleden euw zig hier nederzetteden, en ene Volkplanting,Helfingburggenoemd, op deDellawareaanleiden, iets beneden de plaatswaarnuSalemstaat, zy op de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon onmogelyk een werk derWildenwezen, die gene gebakken stenen voor de aankomst derEuropeanengekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op zulke plaatsen aan deDellawaredie somtyds onder water en somtyds droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te zien. Toen deZwedennaderhand op enigen afstand van de voorgaanden nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden vaatwerk, en nog[184]gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.En voorColumbustyd.Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, ofEuropeanenof een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met deAmerikanenvermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy allengskens door den omgang met deWildenderzelver zeden en denkingswyze aangenomen. Men heeft deZwedenzelfs beschuldigd, dat zy alreeds halveWildenwaren, toen deEngelschenhier in ’t jaar 1682. aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat deFranschen, deEngelschen, deDuitschers, deHollanders, en andereEuropers, die vele jaren in afgelegene landschappen, digt by deWilden, gewoond hebben, zo veel overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de geschiedenissen en overlevering derWildenverzekeren ons, dat de gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde vanColumbusonderneming of kort daarna, dewyl deAmerikanenzeggen dat zy veel ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my naderhand op nieuws door verscheiden’Zwedenverhaald.Tekens aangaande het weder.Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder, omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld geworden.Middelen tegens tandpyn.Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens dat ongemak aangewend worden.Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men ’t verdragen kan tegens de kies legt.De vrouw van KapiteinLindseyteOswegoheeft my verhaald, dat deIroquoizenin dit geval het volgende middel voor het beste houden, en zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van deVirginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken. Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en deAnemonezaden zyn insgelyks[185]scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk destaminaen depistillahebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben als deAmerikaansche Anemone.Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over, en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert, maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.Ik heb deIroquoizenden binnensten bast van denKanadaschenVlierboom zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.Onder deIroquoizen, of deVyf Volkenop de RivierMohawk, zag ik ene jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een soort van Myrteboom,169en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.Het yzer eertyds onbekend aan deWilden.Voor de aankomst van deEuropeanenonder het geleide vanColumbusinAmerika, waren deWildengeheel onkundig van het gebruik van ’t yzer, het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daarAmerikabyna overal zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy een armoedig leven moeten geleid hebben. De oudeZweden, die in hunne jeugd omgang met deAmerikanengehad hadden, toen zy hier nog vry talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog vindt men by toeval vele werktuigen die deWildenvoor de aankomst derZwedenof andereEuropersgebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken deAmerikaansche Wildengeen andere werktuigen als die van yzer of andere metalen gemaakt zyn, welken zy van deEuropeanenkrygen. Maar alzo ik gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen derAmerikanente zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.Werktuigen der oudeAmerikanen.Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die[186]van onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb, bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen harden, zwarten, fynen vuursteen. Als deWildenenen zwaren boom vellen wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in ’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen, lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden, schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen, vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken om.Messen.In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen, quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of een scherpgemaakt been.Pylen.Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast,[187]gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort. Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen, kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en wel gemaakt waren.Stampers.Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een molen was. OudeFranscheninKanadahebben my verteld, dat deAmerikanenten uitersten verbaasd stonden toen zy deFranschenden eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen, en om die reden gebruiken deEngelschenen deZwedendezelven, als zy ze vinden, om hunne messen te wetten.Ketels.De oude ketels derWildenwaren of van klei of van een soort van dufsteen.170De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige oudeZwedenkonden zig nog herinneren, dat zy deWildenin zulke potten hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte, somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls ruim een duim dik. Schoon deAmerikanengene kennis van yzer, staal, of enig ander metaal hadden,[188]wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer aardig uittehollen.Tabakspypen.De oude Tabakspypen derWildenwaren ook van klei, of van duf- en slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel gemaakt, schoon deWildennog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by deSachemsof Oudsten derWilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn, is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land derIngouezgevonden, die, volgens VaderCharlevoix,171aan de overzyde derMissisippiwonen. Ene pyp van dit soort wordt by deAmerikanenveeltyds hoger geagt als een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen bestaat gemeenlyk hunne zo genaamdePyp van vrede,172van de welke zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp, en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.Vischangels.In plaats van Vischangels gebruikten deWildenhoeken van been of vogelklauwen. Sommigen van de oudsteZwedenalhier vertelden my, dat in hunne jeugd zeer veleAmerikanenin het toen zo genaamdeNieuw Zwedengewoond hebben, die met zulke hoeken op deDellawarevischten.Wyze van vuur te maken.Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken en daarna in vlam vloog.Aanmerking.Dusdanig waren de werktuigen die deAmerikanenvoor de aankomst derEuropersgebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te bedienen.Noord Amerikaheeft overvloed van Yzermynen. DeWildenwoonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd jaren geleden grote dorpen vanWildengestaan hebben. Dus is het zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy woonden op plaatsen daar men naderhand[189]yzererts ontdekt heeft, en reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond, want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten. Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van nuttige konsten.Hazen.Men vindt hier een genoegzaam getal vanHazen, dog zy zyn veel kleinder dan deEuropischenen niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit, en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd, zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen.173[190]Muizen.Muizenvan het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op ’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere landen, zeer veel schade doen.Oldmixon174verhaalt dat ’er nog muizen nog ratten inNoord Amerikageweest zyn, eer zy met de schepen uitEuropaovergekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen, die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig wezen die uitEuropazyn overgebragt?Ratten.

Vergiftige Visschen.

Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn, maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen. Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’ Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet, verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden te hebben.159[166]

Rhode Islandvoor ene brilverkoft.

De HeerFranklinen verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een rykeAmerikaan, die Heer vanRhode Islandgeweest was, het zelve voor ene bril aan deEngelschenverkofthad. Dat Eiland is groot genoeg voor een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. DezeAmerikaanwist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad, indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.

Dienstboden.

DeDienstboden, die men in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog twederhanden.

Vrye Dienstboden.

Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de twintig pondenPensylvanischemunt, dog op het land niet zo veel. Ene Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.

Servings.

Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks uitDuitschland,Engelanden andere landen overkomen. Dezen zyn alle jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat de prys der arme vreemdelingen inNoord Amerikaniet gelyk is, en dat de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den dienst. Velen van de[167]Duitschersbrengen gelds genoeg mede om hunne vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om dat zy niet zo duur zyn als dezwarteslaven, die wel eens zo veel kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk viertien pond st.Pensylvanischgeld voor enen persoon die vier jaar dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden noemen deEngelschen Servings. Als men zulk enenServingvoor enige jarengekoftheeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een verding met den tweden koper gemaakt hebbe. DeEngelschenenIerenverkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar deDuitscherskomen dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen, volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.

Zwarten.

DeZwartenmaken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in enen zekeren zin slaven, want als eens eenZwartgekoftis, is hy de slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men deZwartenuitAfrika, en byna iederkoftze, die vermogen daartoe had. DeQuakersalleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen het hebben van slaven strydig met hetChristendom. Ook zyn ’er tePhiladelphiaverscheiden’ vryeZwarten, die ’t geluk gehad hebben van enen yverigenQuakertot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk, na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.

Tegenwoordig brengt men weinigZwartenmeer uitAfrika, want zy hebben zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander, zo hindert men hem daarin niet,[168]dog men heeft ’er geen voordeel van, want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er eenBlankeom deze oorzaak ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met hem te werk, op dat deZwartenhet genoegen niet mogten hebben van enen Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.

DeZwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uitAfrikagehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit deAmerikaanscheEilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men deZwartenonmiddelyk uitAfrikanaar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en eerst uitAfrikanaar deWest Indien, en van daar naarNoord Amerikavervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat deZwartende koude niet zo wel kunnen verdragen als deBlanken, want schoon de laatsten niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls detonenen vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit opzigt, want die regelregt uitAfrikakomen kunnen de koude zo wel niet verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uitAfrikakomen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele voorbeelden dat deZwarten, wanneer zy des winters uitAfrikawierden overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hierZwartenhad gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.

De prys derZwarteslaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom, hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassenZwartkost van veertig tot honderd pondenPensylvanischgeld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje van twee of drie jaar kan kwalykgekoft[169]worden voor minder dan agt of veertien pond. Niet alleen deQuakers, maar ook anderen, maken somtyds hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen getrouwenZwartheeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze vrygelateneZwartenworden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy vry zynde krygen zyn ook vry. DeZwartenworden inNoord Amerikaveel zagter behandeld en beter onderhouden dan in deWest Indien. Zy krygen even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In tegendeel worden zy in deWest Indien, en vooral in deSpaanscheEilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enenZwartgeen zwaarder bedreiging doen dan van hem naar deWest Indiente zenden, indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat, als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.

EersteZwarten.

In ’t jaar 1620. werden ’er enigeZwartenin eenHollandschSchip overgebragt, en inVirginiekoftmen ’er twintig van. Dezen houdt men voor de eersten die herwaards kwamen. Toen deAmerikanen, die in dien tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen, hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tydManitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te voren, toen zy het eerst eenEuropischSchip zagen, dagten zy dat God zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik vanAmerikanenzelfs, die het van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de aankomst derZwartenalles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert hebben zy zo ongunstig niet meer van deZwartengedagt, want thans wonen verscheiden’Zwartenonder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en deAmerikanensomtyds onder malkander huwen.

DeZwartenwordennoit blank.

DeZwartenzyn thans over de honderd en dertig jaar in dit Land geweest, en de winters zyn ’er, vooral inNieuw EngelandenNew York, al zo gestreng als inZweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk[170]of men niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur derZwartenhad gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat eenZwarthier geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren, tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet verschilde van deZwartendie lynregt uitAfrikakwamen. Hieruit besloten ’er velen, dat geenZwartof zyn nageslagt oit van kleur verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen deBlankenen deZwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er ene wet was die de huwelyken tusschen deBlankenen deZwartenverbood, en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat evenwel deBlankenen deZwartenzig vermengen, blykt uit de vermengde kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.

Meest nog Heidenen.

Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de meesteEngelscheVolkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunneZwartenverhinderen zouden van zig in denChristelykenGodsdienst te doen onderwyzen, ten dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden, als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke zagen.

Vergift onder hun.

Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten inZuid Amerikaeen vergift hebben, waarmede zy malkander om hals helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is onder deZwarteninNoord Amerikabekend, gelyk de ondervinding geleerd heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het middel daartegen. Om die reden wanneer eenZwartzig vergeven voelt, en enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft, gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te bewegen om hem van het vergift[171]te verlossen. Wanneer deze boosaardig is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven, maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy vergeven is. DeZwartenbedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden, en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen. Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.

Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden zyn. Ik heb veel vanZwartenhoren vertellen die op deze wys omgekomen waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf alhier gebeurde. Een man had enenZwartdie hem zeer getrouw was, en zo wel oppaste dat hy hem voor twintig andereZwartenniet zou gegeven hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van eenChristenknegt. Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van den mond nam, zeide hy,wat bier is dit? Het is vol van ——.Ik zegge met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardigeZwartenzo veel kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt worden. De overigeZwartenenZwartinnenbegonnen te lacchen om de klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen,[172]als of zy ene uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt hadden. De braveZwartging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.

Reis naarRakoon.

Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naarRakooninNew Jersey.

Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.

Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier sterker vermenigvuldigen dan inEuropa. Zo dra een mensch den vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd, dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.

Voorbeelden.

Maons Keen, een derZwedenvanRakoon, was nu byna zeventig jaar oud. Hy had verscheiden kinderen, kindskinderen en kindskindskinderen, zo dat van de genen die nog in leven waren hy vyfenveertig personen monsteren kon. Behalven dat, verscheiden’ van zyne kinderen waren, het zy zeer jong of al tot zekere jaren gekomen zynde, reeds gestorven. Dus was hy ongemeen gezegend. Dog hy komt niet in vergelyking by de volgende voorbeelden, die ik uit dePhiladelphischekoerant getrokken heb.

In ’t jaar 1732., den 24. Januari stierf teIpswichinNieuw Engeland,Sarah Tuthil, ene weduwe, oud zes en tagtig jaar. Zy had in de wereld gebragt zestien kinderen, en van maar zeven van dezelven had zy gezien honderd en zeven en zeventig kleinkinderen en kleinkleinkinderen.

Den 30. Mai 1739. verzamelden zig in het huis vanRichard Buttington, in het kersspel vanChesterinPensylvanie, alle zyne afkomelingen, makende t’zamen honderd en vyftien personen. De vader van deze nakomelingschap,Richard Buttington, was geboren inEngeland, en toen in zyn vyf en tagtigste jaar. Hy was in volkomen’ gezondheid, kragt en levendigheid. Zyn oudste zoon, toen zestig jaar oud, was de eersteEngelschmandie inPensylvaniegeboren werd.

Den 8. Januari 1742. overleed teTrentoninNew Jerseyde weduweSara Furman, geboortig uitNieuw Engeland, oud zynde zeven en negentig jaar, en nalatende vyf kinderen, een en zestig kindskinderen, honderd twee en tagtig kindskindskinderen, en twaalf kindskindskindskinderen, allen in ’t leven toen zy stierf.

In ’t jaar 1739. den 28. Januari stierf teSouth KingstoninNieuw Engelandin haar honderdste jaar de weduweMaria Haszard. Zy was[173]geboren opRhode Island, en was grootmoeder van den toenmaligen Vice-Gouverneur van dat Eiland, den HeerGeorge Haszard. Zy kon vyfhonderd, zo kinderen, kindskinderen, kindskindskinderen als kindskindskindskinderen tellen. Toen zy stierf waren ’er tweehonderdenvyf van in ’t leven. Ene van hare kleindogters was alreeds sedert vyftien jaar grootmoeder.

Of deze wys is de wensch in deEngelschehuwelyksformulieren gebruikelyk, dat het nieuwgetrouwde paar zyne kinderen moge zien tot in het vierde en vyfde nageslagt, in deze personen letterlyk genoeg vervuld geworden.

Ongedierte.

In ieder land vindt men ene menigte van Insekten, die, hoe klein en veragtelyk zy ook schynen, ene schrikkelyke schade kunnen veroorzaken. Van deze gevaarlyke diertjes zyn ’er ook enigen inNoord Amerika, sommigen alleen aan dat gewest eigen, en anderen heeft het gemeen metEuropa.

Ik heb reeds gesproken vanMosquitosen van denBruchus Pisi, den vernieler der erwtlanden; hier zal ik ’er enige anderen byvoegen.

Krekels.

Daar is een soort van sprinkhanen of krekels, die omtrent allezeventien jareneens in ene ongelooflyke menigte wederkomen. Zy komen uit de aarde in het midden van Mai, en maken zes weken lang zulk een geweld in de bomen en de bosschen, dat men werk heeft van malkander te horen. Gedurende dien tyd boren zy met den angel hunner staarten gaten in de zagte schil der takken, waardoor die takken verdorren. Andere schade doen zy niet aan de bomen of gewassen. Tusschen de jaren dat zy zo talryk zyn hoort men ’er maar enen enkelden van. DeEngelschennoemen zeLocusts.

Rupsen.

Daar is ook een soort van rupsen in deze gewesten, die het loof der bomen eten, en in sommige jaren ontelbaar zyn. Dog tusschen die jaren in zyn zy zeldzaam. Wanneer zy menigvuldig zyn maken zy de bomen zo kaal dat die in ’t midden van den zomer ’er uitzien als in ’t midden van den winter. Zy vreten alle soorten van bladen, en laten weinige bomen onaangeroerd. En, gelyk op dien tyd de hette het geweldigst is, heeft het ontkleden van ’t geboomte dit noodlottige gevolg, dat het de hette niet weerstaan kan en sterft. DeZwedenvertoonden my hier en daar in de bosschen grote streken daar nu jonge bomen groeiden in plaats van de ouden, die enige jaren geleden door de rupsen vernield waren. Deze rupsen veranderen naderhand in kapellen, die op hare plaats zullen beschreven worden.

Graswormen.

DeGraswormdoet in sommige jaren ook veel kwaads op vele plaatsen, in de weiden en op koornlanden. Somtyds zyn de velden met gantsche heiren van dezelven en andere Insekten overdekt. Dog het is gelukkig dat alle die bezoekingen niet te gelyk komen, want op sommige[174]jaren, dat de sprinkhanen menigvuldig zyn, worden ’er niet veel rupsen en graswormen gevonden, en zo ook met de laatsten, zo dat ’er maar een van deze drie soorten van ongedierte te gelyk regeert. Ook zyn ’er vele jaren dat zy zeer schaarsch zyn. Van de graswormen heeft men opgemerkt dat zy zig vooral op enen vetten grond zetten. Dog zodra een nyverig Landman ze op zyne akkers verneemt, trekt hy ene smalle grup met steile kanten rondom het land daar de wormen op zyn, zo dat zy, als ze verder willen kruipen, in de grup vallen, daar zy niet weer uit kunnen. Verscheiden lieden verzekerden my dat deze drie soorten van insekten malkander zeer kort volgden, dat de krekels het eerste jaar kwamen, de rupsen in het twede en de graswormen in het derde. Ook heb ik dit ten dele waargevonden.

Motten.

DeMotten160die op de wollen stoffen zitten zyn hier ook menigvuldig. Ik heb klederen, wollen handschoenen en ander goed gezien, die den gantschen zomer in ene kast opgesloten gehangen hadden, zonder wel bezorgd geweest te zyn, door en doorgevreten, zo dat zy in stukken vielen, en veeltyds niet konden hersteld worden. Ook stelden zy de pelteryen somtyds zo toe, dat men ’er het hair met handen vol van kon afhalen. Ik weet niet of de Motten oorspronglyk aan dit Land eigen, dan uitEuropaovergebragt zyn.

Vloyen.

Vloyenvindt men ook in dit werelddeel. Vele duizenden wierden ’er ongetwyffeld van uit andere landen overgebragt, dog zekerlyk zyn hier ook ontelbare menigtens van dezelven geweest. Ik heb ze op grauwe Eekhoorns en Hazen gezien, die op woeste plaatsen gedood waren waar zeker noit eenEuropeaangewoond heeft. Toen ik naderhand verder in het Land kwam, en genoodzaakt werd in de hutten en op de bedden derWildente slapen, wierd ik zo gekweld van ontelbare vloyen, dat het was als of ik op de pynbank lag. Zy dreven my uit het bed, en ik was blyde van op de planken, die onder het dak der hut lagen, te mogen slapen. Dog het is ligt te begrypen dat de menigte van honden die deAmerikanenhouden ene oneindige menigte van vloyen fokken moeten. De honden en de menschen slapen door malkander in de hutten, en een vreemdeling kan kwalyk gaan leggen en de ogen een weinig toedoen of hy is in gevaar van door een hond of twaalf, en somtyds meer, plat gedrukt of versmoord te worden, die zig gedeeltelyk om hem heen, gedeeltelyk op hem te slapen leggen. Ik denk dat zy niet verwagten van dezelven weggejaagd of geklopt te worden, gelyk hun wel van hunne meesters overkomt.

Krekels.

Ik ben inPensylvanienog inNew Jerseygene van dat soort vanKrekels161het welk zulk een geweld maakt, en dat men inZweden[175]somtyds in de huizen vindt, gewaar geworden, en andere menschen, die ik ’er naar vroeg, wisten niet ze oit vernomen te hebben. Des zomers is ’er een soort van krekels162in het veld, die juist het zelve piepende geluid maken als onze huiskrekels; dog zy houden zig in het veld op, en zyn stil zodra de winter aankomt en het koud wordt. Men zegt dat het nu en dan gebeurt dat deze krekels daar onophoudelyk piepen als het warm weder is, of als de vertrekken warm zyn, maar zodra het koud wordt zwygen zy stil. Op sommige plaatsen vanNew YorkenKanadazyn ’er alle de landhuizen en zelfs de meeste huizen in de Stad vol van, en dan doen zy hun gezang den gantschen winter door horen.

Wandluizen.

DeWandluizen163zyn hier ook in menigtens. Ik ben ’er op vele plaatsen vanKanadagenoeg van geplaagd geworden, dog heb ’er by deWildengenen vernomen gedurende myn verblyf teFort Frederic. De Kommandant, de HeerDe Louisignan, verhaalde my, dat nog deIllinoizennog de andereWildenuit de wester delen vanNoord Amerikaiets van dit ongedierte wisten, gelyk hy zelf ondervonden had, zynde hy lang onder hun geweest. Egter kon ik niet beslissen of de Wandluizen hier reeds voor de aankomst derEuropersgeweest zyn, dan of die ze hebben mede gebragt. Velen hielden ze voor oorspronglyk uit dit Land, en, tot een bewys van deze mening zeiden zy, dat men ze dikwyls onder de vleugels der vleermuizen gevonden had, waar zy diep in het vleesch zig hadden ingevreten. Om die reden meende men dat de vleermuizen ze in enen hollen boom gekregen, en van daar in de huizen gebragt hadden, waar de vleermuizen zelven aan de muren blyven hangen, en in de reten, die zy ’er vinden, kruipen. Dog alzo ik noit Wandluizen op de Vleermuizen gezien heb, kan ik hier niets van zeggen. Misschien heeft men ene andere luis of een myt voor een Wandluis aangezien. Of indien ’er waarlyk een van dit gedierte onder de vleugels ener vleermuis gezeten heeft, kan zy die wel in een huis, daarEuropischeWandluizen in waren, gekregen hebben.

Middelen tegens dezelven.

Men tragtte hier dit ongedierte op verscheidene wyzen te verdryven. Ik heb reeds aangemerkt dat men ten dien einde de ledikanten van Sassafrashout maakte, dog dat het maar voor een tyd hielp. Sommige menschen hebben my uit eigene en meermalen herhaalde proeven verzekerd, dat ’er geen kragtiger middel tegens dit ongedierte was, dan kokend water in alle de reten te gieten daar zy in zitten,[176]en al het hout der ledikanten daarmede te wasschen, dit twee- of driemaal herhaald zynde, zouden alle de wandluizen zyn uitgeroeid. Maar als ’er in andere naburige huizen zyn gaan zy aan der menschen kleren zitten, en worden dus overgebragt.

Ik kan niet zeggen of dit middel goed is dan niet, dewyl ik het niet beproefd heb; maar door herhaalde proeven heb ik bevonden dat de zwavel, wel gebruikt zynde, de wandluizen en hare eyeren volkomenlyk in de ledikanten en de muren vernielt, schoon zy tienmaal talryker waren dan de mieren in een mierennest.164

Kakkerlakken.

DeKakkerlakkenzyn ene plaag der nieuwe wereld, en worden in vele delen van dezelve gevonden. De geleerde DoctorColdenwas van mening, dat zy de eigenlyke inboorlingen derWest Indienwaren, en dat zy uit de Eilanden naarNoord Amerikawaren overgebragt. Dit bleek, dagt hy, uit de menigte van dit ongedierte die deWest Indischeschepen medebrengen. Dog ik meen reden te hebben van te geloven, dat zy reeds sedert onheuglyke tyden hier te lande geweest zyn, schoon ik egter niet ontkennen wil dat zy uit deWest Indienzyn overgebragt. TeNew Yorkzyn zy genoegzaam in ieder huis, en die zyn ongetwyffeld met de schepen overgekomen. Dog hoe kan men dit zeggen van die welken in het midden der bosschen en woestynen gevonden worden?

DeKakkerlakkenworden door deEngelschenCockroaches, door deZwedenBrödätare, dat isBroodeters, ook welKakkerlak, en door den RidderLinnæusBlatta Orientalis, geheten, en onder het geslagt der Motten gerekend. Men verneemt ze niet alleen in de bosschen, daar zy op de omgekapte bomen lopen. Ik zag in Februari verscheiden kakkerlakken op stukken oud verrot hout zitten, dat men in huis bragt om te verbranden. In ’t eerst waren ze als dood, maar enigen tyd in de kamer zynde geweest kwamen zy by, en begonnen te lopen. Ik vond naderhand dat als men oud brandhout des winters in huis bragt en doorhakte, daar vele kakkerlakken als in enen staat van ongevoeligheid in waren. Dien zelven winter wierd ’er een grote dode boom omgehouwen, en om te branden doorgezaagd, en ik zag in ene spleet, enige vademen boven den grond, verscheiden kakkerlakken nevens vele gemene mieren. Het scheen dat zy opwaards gekropen waren om ene veilige schuilplaats tegens den winter te vinden. Op myne reis in het midden van October 1749. door de onbebouwde landen tusschen deEngelscheen deFranscheVolkplantingen, zag ik by het maken van een vuur, des nagts, digt by enen verrotten boom, op den[177]oever van het meerChamplain, ene menigte van kakkerlakken uit het hout kruipen, wordende door den rook en het vuur wakker gemaakt, en uit hunne gaten gejaagd. DeFranschen, die met my waren, kenden ze niet, en wisten ze niet te noemen. InKanadawisten deFranschenniet dat zy ze in de huizen gezien hadden. InPensylvanielopen zy in grote menigte langs de halmen van het koorn in den oogst, gelyk my gezegd wierd. Anders onthouden zy zig in deEngelscheVolkplantingen gemeenlyk in de huizen, en zitten in de reten, vooral in de balken die ’t digst by den schoorsteen zyn.

Schadelykheid.

Zy doen veel schade door het kruim van ’t brood op te vreten. Als zy eens door de korst heen gebeten zyn, weten zy in korten tyd het gehele brood van binnen uitteholen, zo dat men het opsnydende niets dan een ledige korst vindt. Ook zeide men dat zy andere eetwaren opvreten. Somtyds byten zy de menschen in den neus of de voeten, terwyl zy leggen te slapen. Een oudeZweedverhaalde my, dat hy eens in zyne jonger jaren door ene kakkerlak zeer verschrikt geworden was, die, terwyl hy sliep, in zyn oor was gekropen. Hy ontwaakte schielyk, sprong het bed uit, en voelde dat het dier, waarschynlyk uit vrees, alle kragten aanwendde om dieper in te kruipen. Deze pogingen van de kakkerlak veroorzaakten hem zo grote pyn, dat hem het hoofd als scheen aan stukken te breken, en hy byna zinneloos wierd; egter liep hy schielyk naar den put, en, een emmer met water geschept hebbende, smeet hy ’er wat van in ’t oor. Zo dra de kakkerlak dit voelde, stiet zy zig met hare poten te rug uit het oor, en verloste dus den man van zyne angst.

Houtluizen.

DeHoutluizenzyn zeer onaangename Insekten, en in een zeker opzigt erger dan de voorgaanden; maar gelyk ik ze reeds, in ene Verhandeling aan deKoninglyke Zweedsche Maatschappygezonden, beschreven heb, wyze ik den Lezer derwaards.165

Penn’s neck.

Den 11. December ging ik kort voor den middag op een klein togtje naarPenn’s neck, en verder over deDellawarenaarWilmington. Het land omstreeksPenn’s neckwas van dezelve hoedanigheid als in het overige vanNew Jersey. De grond bestaat meest uit zand met ene dunne laag zwarte aarde. Hy is niet zeer heuvelig, maar meest plat, en zeer vol van bosschen met afvallend blad, vooral eiken. Nu en dan ziet men ene enkelde boerdery met enige koornakkers rondom. Tusschen beiden zyn kleine poelen, en somtyds een stroompje, waarin weinig drift is.

Geboomte.

De bosschen bestaan uit allerhande soorten van bomen, dog meest Hikory en Eiken. Zekerlyk zyn zy noit geveld geweest, en altyd onverhinderd voortgegroeid. Men zoude dan verwagten dat ’er[178]bomen van enen zeer groten ouderdom in gevonden werden, dog het tegendeel is waar, en men ziet ’er weinig die drie honderd jaren gestaan hebben. De meesten zyn maar tweehonderd jaar oud. En dit deed my denken dat de bomen, zo wel als de dieren, sterven wanneer zy enen zekeren ouderdom bereikt hebben. Dus vinden wy hier zware bosschen; maar als de bomen honderdenvyftig, ofhonderd entagtig jaren gestaan hebben, beginnen zy of van binnen te vergaan, of verliezen hunne kronen, of hun hout wordt geheel week, of de wortels zyn niet langer in staat om een genoegzaam voedsel intezuigen, of zy sterven door enige andere oorzaak. Wanneer het dan stormt, het geen hier somwylen gebeurt, breken de bomen, of even boven den grond, of in het midden, of in den top, af. Sommige bomen worden zelfs met wortel en al door den wind uitgerukt. Dus regten de stormen in deze bosschen zware verwoestingen aan. Overal ziet men bomen omver leggen. Ook ontstaat ’er dikwyls brand in de bosschen, waardoor de bomen halverwege verteerd worden, zo dat een sterke wind ze gemakkelyk verder omversmyt.

Winden.

Ik tragtte, door waartenemen in welke streek de meeste omgewaide bomen lagen, optemaken, welke winden hier de geweldigste waren, dog kon niets met zekerheid vaststellen, want de bomen lagen naar alle de streken van het kompas. Ik oordeelde dan, dat elke wind, die van enen kant wait daar de wortels vergaan zyn en de boom weinig wederstand bieden kan, den boom omver moest werpen. Op deze wys raken de oude bomen geduriglyk weg, en worden door jonge opgevolgd. Die omgevallen zyn leggen op den grond te verrotten, en vermeerderen dus de zwarte aarde, waarin de bladen ook allengskens veranderd worden, die aan den gevallen boom zitten, of iederen herfst vallen. Het duurt enige jaren eer een boom geheel vergaan is. Als de wind ’er enen met wortelen al uit den grond rukt, komt ’er ene menigte van losse aarde mede, die ’er enigen tyd aanzitten blyft, dog eindelyk ’er afvalt, en een klein heuveltje maakt, dat naderhand nog verhoogd wordt door de bladeren.Dus worden ’er in de bosschen vele oneffenheden voortgebragt, hoogtens en laagtens, en dus moet de bovenste tuinaarde zig op sommige plaatsen ophopen.

Welke bomen het eerst vergaan.

Alle bomen verrotten niet even gauw. DeNyssa, de Tulpeboom enLiquidambarvergaan in korten tyd. De Hikory duurt ook niet lang, en de Zwarte Eik valt eerder van een dan de Witte. Dog de omstandigheden werken hier ook in mede. Indien de bast om het hout blyft zitten rot hy mede, en wordt van binnen geheel en al door de wormen opgegeten, zo dat in den tyd van zes, agt of tien jaren niets ’er van over is dan een roodagtige bruine stof. Maar als ’er de bast af was, konden de bomen dikwyls twintig jaar leggen eer zy vergaan waren. De spoedige[179]groei van enen boom, de grootte zyner poren, en de gedurige veranderingen van heet en nat weder in den zomer, maken dat een boom schielyker rot. Hier moet men by doen, dat allerhande soorten van gekorvenen gaten maken in de gevallene bomen, en dat dus de vogtigheid der lugt in de bomen indringt en de verrotting bevordert. De meeste bomen hier hebben jaarlyks afvallende bladeren. Velen van hun beginnen reeds te rotten terwyl zy nog staan en bloeyen. Dit maakt den boom hol, zo dat ’er vele dieren hunne nesten in komen maken.

Breedte van deDellaware.

DeDellawarewordt vlak overWilmingtongerekendanderhalveEng.myl breed te wezen, dog op het oog scheen zy zo breed niet. In ’t midden zegt men dat zy van vier tot zes vadem diep is.

Schrynwerkershout.

De schrynwerkers gebruiken, volgens hun zeggen, voornamelyk het zwart Walnoten, het wilde Kerssebomen en het gemarmelde Ahornhout. Van de zwarte Walnotebomen is hier ene genoegzame menigte. Evenwel worden zy van sommige onbedagtzame menschen uitgeroeid, en de Boeren maken ’er veeltyds hun brandhout van. Het hout van den wilden Kersseboom is goed en schoon voor ’t oog; het is geelagtig, en hoe ouder het werk is hoe frayer het ’er uitziet. Dog het is alreeds bezwaarlyk te vinden, want het wordt overal uitgeroeid, en nergens weder aangeplant. De Gemarmelde Ahorn is ene verscheidenheid van den gemenen Roodbloemigen Ahorn, dog ook al schaarsch. Men kan verscheiden bomen vellen, zonder dat men het gemarmelde hout vindt. Het hout van denLiquidambarwordt ook tot schrynwerk gebruikt, dog krimpt als men het wat digt by het vuur brengt. Van de Sparren en de zogenaamde Witte Ceders bedient men zig ook om verscheidene dingen te maken.

Molens.

De Molenaars van den molen, die hier stond, zeiden, dat de assen van de molenraderen uit den Witten Eik plegen gemaakt te worden, en dat zy drie of vier jaar goed bleven, dog de assen van Sparrenhout duurden zo lang niet. De tanden der raderen en rollen wierden gemaakt van Wit Walnotenhout, om dat men hier geen harder hout krygen kan. Het hout van den Moerbezieboom wordt het allerbest gehouden voor krammen en houvasten in schuiten en schepen.

Des avonds voer ik vanWilmingtonaf naar de overzyde aan het veer, aan den kant vanNew Jersey.

Rakoon.

Den 13. keerde ik vroeg terug naarRakoon.

Boomknoesten.

Op vele bomen in de bosschen vindt men hier of op de ene zyde, of in het midden van enen tak, of rondom enen tak, meer of min grote knobbels of uitwassen. Somtyds is ’er maar een op enen boom. In de grootte is ’er een aanmerkelyk verschil, want sommigen van deze knobbels zyn zo groot als een manshoofd, anderen weder zyn klein. Somtyds is ’er een boom als geheel van bedekt. Dikwyls[180]zaten zy niet alleen aan enen kant, maar maakten een soort van ring rondom den boom of den tak. Kleine bomen, niet boven enen vadem hoog, hadden ook dikwyls zulke knobbels. De knobbels bestaan uit het zelve hout als de boom, en zien ’er van binnen uit omtrent als gemarmeld hout. Enigen waren egter ook hol. Als men enen knobbel op enen kleinen boom opensnydt, vindt men ’er gemeenlyk vele kleine wormen in, die somtyds ook gemeen zyn in de grote uitwassen. Dit wyst ons den oorsprong der knobbels in ’t algemeen aan. De boom wordt van een Insekt gestoken dat zyne eyeren onder den bast legt, en uit die eyeren komen wormen te voorschyn, welken het sap uit de vaten doen lopen, het welk allengskens hard en tot enen knobbel wordt. Alleen de bomen die hunne bladen jaarlyks vallen laten hebben deze knobbels, en onder dezen vooral de Eik, van de welken wederom deSpaanscheEik de meeste knobbels heeft. Ook vindt men ze op den Esscheboom en den Ahorn. Voorheen maakten de hier gezeteneZweden, dog nog meer deFinlanders, schotels, borden, en diergelyke dingen van die knobbels die op den Esch groeiden. Dit vaatwerk, zeide men my, was heel aardig, en zag ’er uit als of het van gemarmeld hout was gemaakt. Die van den Eik kunnen hiertoe niet gebruikt worden, als zynde gemeenlyk wormstekig en verrot van binnen. Tegenwoordig gebruiken deZwedendie soort van schotels en borden niet meer, maar hebben aardenwerk. Sommige knobbels zyn van ene ongemene grootte, en doen ’er enen boom gedrogtelyk uitzien. Diergelyke bomen, treft men hier in de bosschen veel aan.166

Wegen.

De wegen zyn hier, naar dat de grond is, goed of kwaad. In ’t zand zyn zy droog en goed, dog op de klei deugen zy niet. Men is hier zeer nalatig in het onderhouden derzelven. Als een beekje niet zeer breed is legt men ’er niet eens ene brug over, en de Reizigers mogen zien hoe zy ’er best overkomen. Dit maakt dat men op sommige plaatsen by sterke stortvlagen gevaar loopt van te verdrinken. Als ’er een[181]boom dwars over den weg valt, hakt men hem zelden door, maar rydt ’er rondom heen. Dit kan men ligt doen, dewyl de grond vry gelyk en zonder stenen is, ’er geen kreupelhout wast, en de bomen tamelyk ver van malkander staan. Dit maakt dat de wegen zo veel bogten hebben.

Weinig dorpen.

De Landhoeven leggen meest op haar zelven, en men vindt ’er zelden twee by malkander leggen, uitgenomen op zulke plaatsen die als steden worden aangezien. Dit maakt dat ’er weinig dorpen zyn. Elke hoeve heeft hare akkers, weilanden en bosschen. Zou dit ook iets hebben toegebragt om de wolven uitteroeyen, dat men byna overal huizen en menschen vindt? Twee of drie Landhoeven hebben gemeenlyk ene weide of een bosch in gemeenschap; dog de meesten hebben elke hare toebedeelde landen.

Huwelyken.

Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift, waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat ’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft, of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest, veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een verlofschrift betaalt men tePhiladelphiavyfentwintigPensylvanischeschellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aanProtestantscheGeestelyken. DeQuakerskrygen een byzonder verlofschrift. Maar, vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogtenin blancoin voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men[182]opmaken, dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van hunne post hebben.167

Jaren van Mondigheid.

Volgens deEngelschewetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste, en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.

Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.

Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo wel van zulken die onlangs uitEuropazyn overgekomen, als van zulken die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en zig hiermede met zyn wyf weg pakt,Bedrog hieruit ontstaande.zonder dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene gewoonte gegeven, die nu inMarylandgemeen is. Als ’er een arm paar getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier, en vraagtwaar is myn geldt?168Geeft dan de Bruidegom het geld, zo gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan deze onaangename vraag niet bloot.

Wetten hieromtrent.

Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die, niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftigPensylvanischeponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant vanEuropischeafkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten vanPensylvanie.[183]

Kortswyliggebruik.

Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven heeft. DeZweedschePredikanten hebben verscheiden bruids in zo een goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in deEngelscheKoeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in ’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen, onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.

Europeanenhier te lande voor de aankomst derZweden.

Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor deZwedenhier te lande alreedsEuropeanengeweest zyn, en in ’t vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen. De zelve oude man,Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb, verhaalde my meer dan eens, dat toen deZwedenin de voorleden euw zig hier nederzetteden, en ene Volkplanting,Helfingburggenoemd, op deDellawareaanleiden, iets beneden de plaatswaarnuSalemstaat, zy op de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon onmogelyk een werk derWildenwezen, die gene gebakken stenen voor de aankomst derEuropeanengekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op zulke plaatsen aan deDellawaredie somtyds onder water en somtyds droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te zien. Toen deZwedennaderhand op enigen afstand van de voorgaanden nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden vaatwerk, en nog[184]gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.

En voorColumbustyd.

Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, ofEuropeanenof een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met deAmerikanenvermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy allengskens door den omgang met deWildenderzelver zeden en denkingswyze aangenomen. Men heeft deZwedenzelfs beschuldigd, dat zy alreeds halveWildenwaren, toen deEngelschenhier in ’t jaar 1682. aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat deFranschen, deEngelschen, deDuitschers, deHollanders, en andereEuropers, die vele jaren in afgelegene landschappen, digt by deWilden, gewoond hebben, zo veel overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de geschiedenissen en overlevering derWildenverzekeren ons, dat de gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde vanColumbusonderneming of kort daarna, dewyl deAmerikanenzeggen dat zy veel ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my naderhand op nieuws door verscheiden’Zwedenverhaald.

Tekens aangaande het weder.

Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder, omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld geworden.

Middelen tegens tandpyn.

Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens dat ongemak aangewend worden.

Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men ’t verdragen kan tegens de kies legt.

De vrouw van KapiteinLindseyteOswegoheeft my verhaald, dat deIroquoizenin dit geval het volgende middel voor het beste houden, en zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van deVirginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken. Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en deAnemonezaden zyn insgelyks[185]scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk destaminaen depistillahebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben als deAmerikaansche Anemone.

Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over, en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert, maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.

Ik heb deIroquoizenden binnensten bast van denKanadaschenVlierboom zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.

Onder deIroquoizen, of deVyf Volkenop de RivierMohawk, zag ik ene jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een soort van Myrteboom,169en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.

Het yzer eertyds onbekend aan deWilden.

Voor de aankomst van deEuropeanenonder het geleide vanColumbusinAmerika, waren deWildengeheel onkundig van het gebruik van ’t yzer, het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daarAmerikabyna overal zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy een armoedig leven moeten geleid hebben. De oudeZweden, die in hunne jeugd omgang met deAmerikanengehad hadden, toen zy hier nog vry talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog vindt men by toeval vele werktuigen die deWildenvoor de aankomst derZwedenof andereEuropersgebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken deAmerikaansche Wildengeen andere werktuigen als die van yzer of andere metalen gemaakt zyn, welken zy van deEuropeanenkrygen. Maar alzo ik gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen derAmerikanente zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.

Werktuigen der oudeAmerikanen.

Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die[186]van onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb, bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen harden, zwarten, fynen vuursteen. Als deWildenenen zwaren boom vellen wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in ’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen, lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden, schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen, vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken om.

Messen.

In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen, quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of een scherpgemaakt been.

Pylen.

Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast,[187]gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort. Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen, kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en wel gemaakt waren.

Stampers.

Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een molen was. OudeFranscheninKanadahebben my verteld, dat deAmerikanenten uitersten verbaasd stonden toen zy deFranschenden eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen, en om die reden gebruiken deEngelschenen deZwedendezelven, als zy ze vinden, om hunne messen te wetten.

Ketels.

De oude ketels derWildenwaren of van klei of van een soort van dufsteen.170De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige oudeZwedenkonden zig nog herinneren, dat zy deWildenin zulke potten hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte, somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls ruim een duim dik. Schoon deAmerikanengene kennis van yzer, staal, of enig ander metaal hadden,[188]wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer aardig uittehollen.

Tabakspypen.

De oude Tabakspypen derWildenwaren ook van klei, of van duf- en slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel gemaakt, schoon deWildennog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by deSachemsof Oudsten derWilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn, is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land derIngouezgevonden, die, volgens VaderCharlevoix,171aan de overzyde derMissisippiwonen. Ene pyp van dit soort wordt by deAmerikanenveeltyds hoger geagt als een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen bestaat gemeenlyk hunne zo genaamdePyp van vrede,172van de welke zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp, en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.

Vischangels.

In plaats van Vischangels gebruikten deWildenhoeken van been of vogelklauwen. Sommigen van de oudsteZwedenalhier vertelden my, dat in hunne jeugd zeer veleAmerikanenin het toen zo genaamdeNieuw Zwedengewoond hebben, die met zulke hoeken op deDellawarevischten.

Wyze van vuur te maken.

Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken en daarna in vlam vloog.

Aanmerking.

Dusdanig waren de werktuigen die deAmerikanenvoor de aankomst derEuropersgebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te bedienen.Noord Amerikaheeft overvloed van Yzermynen. DeWildenwoonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd jaren geleden grote dorpen vanWildengestaan hebben. Dus is het zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy woonden op plaatsen daar men naderhand[189]yzererts ontdekt heeft, en reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond, want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten. Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van nuttige konsten.

Hazen.

Men vindt hier een genoegzaam getal vanHazen, dog zy zyn veel kleinder dan deEuropischenen niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit, en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd, zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen.173[190]

Muizen.

Muizenvan het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op ’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere landen, zeer veel schade doen.Oldmixon174verhaalt dat ’er nog muizen nog ratten inNoord Amerikageweest zyn, eer zy met de schepen uitEuropaovergekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen, die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig wezen die uitEuropazyn overgebragt?

Ratten.


Back to IndexNext