Chapter 20

Gaten in den grond.Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men ’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want, als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte gestalte bekomen hadden.Vertrek vanRakoon.Den 19. Mai des morgens verliet ikRakoon, om myne reis noordwaards te vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de lente oplevert. Van deZwedenhad ik dezen winter wel het gebruik, zo in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen, welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t Noorden aantenemen.Zwarte Slangen.Nevens den weg lag ene van die Slangen welkenZwarte Slangengeheten worden.22Wy sloegen ze dood, en vonden ze drieZweedscheellen lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zyZwarte Slanggeheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene, zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik-23entweeënnegentighalve staartschilden.24Ene andere van negentien duim had[31]honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld.25.Talrykheid.Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort ’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys, leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen, dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare verschyning is het einde van Maart.Gezwindheid.Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of elders anders byt, en dan haren[32]weg vervolgt.Ik zal hier twee vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr.Coldenberigtte my, toen ik teNew Yorkwas, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uitEuropawas overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam, zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden. De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te komen. TeAlbanywierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald, dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had. Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen, toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was, of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen, zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te[33]goyen, en ’t dan op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had, beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft, of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.Toverkragt.Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft, blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen, dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt. Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der Slang zelf hen van het vergift[34]of de gekregene wonde verlossen?26Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De HeerBartramhad deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen, om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy altyd met den kop voor aan naar beneden. EenZweedverhaalde my dat hy eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen frisch en gezond.Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren. Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel, het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd aan het lyf draagt.De Rogge begon thans te bloeyen.Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van aarde.Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden, somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy[35]aan de ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een onderscheid ’er is tusschenNew JerseyenPensylvanie, twee landschappen alleen maar door deDellawarevan malkander gescheiden. InPensylvaniebestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei vermengd, die zeer vrugtbaar is; inNew Jerseyvindt men meest enen drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. InPensylvanieziet men zelden enen Dennenboom; inNew Jerseyvindt men ’er gantsche bosschen van.Philadelphia.Des avonds kwam ik tePhiladelphiaaan.Krekels.Den 22. Mai begonnen de by deEngelschenzo genaamdeLocusts, een soort van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In de verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappyvoor het jaar 1756. heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.De Tulpenboom.DeTulpenboomstond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.Kevers.Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen. Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren derMagnolia glaucazaten.Vrugten.DeAardbezienwaren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands oordelen.EenTravado.Den 26. Mai had men hier enen storm,TravadoofTravatgewoonlyk genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd ’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor de storm verdween, en alles[36]weder, stil wierd. ZulkeTravado’skomen hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is wordt de lugt weder zo helder als van te voren.De Beverboom.DeMagnolia glaucastond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren ’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke uitwaassemingen vervulden.DeKalmia.DeSmalbladerige Kalmiabloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort willen. InPensylvanie, maar nog meer inNew Jerseyen inNew York, is zy tamelyk gemeen, dog minder inKanada. Zy blyft den winter over groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig. De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen, zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. DeEngelschennoemen deze plantDwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster deBreedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut toe.DeBreedbladerige Kalmiastond ook in haren besten luister, en dong met hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig, gelyk deMagnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn deel.Hernhutters.In Mai waren een groot getalHernhuttersuitEuropateNew Yorkovergekomen, die twee bekeerdeGroenlandersmet zig bragten. De zig hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit deWildeninNoord Amerika, en twee die vanSurinamegekomen waren. Deze drie soorten van uit de Heidenen bekeerdeHernhuttersbevonden zig t’zamen teNew York. Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar malkander geleken,[37]alleen waren deGroenlanderswat kleinder. En hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven stamvader uitNoach’sgeslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening gegrond was kan ik niet zeggen.Karssen.Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.Jams.Jamsis de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen vanAmerikasterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met dePotatoesdoet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den HeerFranklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren uit deWest Indiengekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn wit, en smaken byna als dePotatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden voortkomen. Dit is deDioscorea alata.Kaas.Men maakt hier veelKaas, dog zo goed niet als inEngeland, hoewel sommigen van oordeel zyn dat dePensylvanischeKaas oud geworden zynde deEngelscheniet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’ soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als deEngelschenwaren. Een man vanBostoninNieuw Engelandberigtte dat sommigen daar uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt nader onderzoek.Vertrek vanPhiladelphia.Den 31. omtrent den middag nam ik de reis vanPhiladelphiain een klein Jagt aan, dat gestadig als deDellawareopen is tusschenPhiladelphiaenTrentonheen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt byTrentonwaren, daar wy deDellawareverlieten. Het land was aan de zyde vanPensylvanielaag, dog op die vanNew Jerseywas het wat verhevener, zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.Het weder.Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een weinig dog zonder regen.De oevers.De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de bosschen enige kleine huizen, en nuendan een enkeld matig stenen huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag zeilden wyBurlingtonvoorby.Burlington.Burlington, de Hoofdstad en de verblyfplaats van den Gouverneur[38]vanNew Jersey, is ene kleine plaats, twintigEng.mylen vanPhiladelphiaop den ooster oever derDellaware. De huizen waren merendeels van steen, dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging, dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. DogPhiladelphiais haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men vanPhiladelphiakomende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben derDellaware, het welk men tot byTrentongewaar wordt, is aan te merken, dat als by volle maan het water by KaapHinlopen, by voorbeeld, ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op de Rivier byChesterom een uur en tien minuten na den middag heeft, en tePhiladelphiaom twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik van den HeerEvans.Oevers.De Oevers aan den kant vanNew Jersywaren merendeels hoog en steil, en bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond ene zwartagtige vette aarde metglimmervermengd. Op de zyde vanNew Jerseyzag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere, uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uitNew Jerseywaren overgebragt.Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent zevenEng.mylen benedenTrentonvallen laten. Hier lagen wy den gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld, en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te zetten. Ook hoorde men denWhipperiwilloveral.Voortreis.Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. DeDellawarewas hier zeer smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den voorgaanden dag zagen voor dat wyBurlingtonbereikten. Des morgens om agt uur kwamen wy teTrenton.Trentonaan. Den volgenden dag vertrokken wy van daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge, mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte. Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren, dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur[39]der in de moerassen wassendeMagnolia’srook men reeds van verre, eer men zelfs den boom kon zien.DePhlox glaberrima, en andere bloemen.DePhlox glaberrimastond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden als inEuropadeLychnis viscariaen deLychnis dioica. DePhlox maculatagroeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode, welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons deLychnis flos cuculigroeit. Als men by deze bloemen deBartsia coccinea, deLobelia cardinalis, en deMonarda didymavoegt, heeft men de bloemen die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en boomgaarden.De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de welke men hier ook de bakovens maakt.Boekweit.DeBoekweithad zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier uit verstroide zaden is voortgekomen.Nieuw Brunswyk.Des avonds laat kwamen wy teNieuw Brunswykaan. Den 3. Juni gingen wy met een Jagt naarNew Yorkde Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb. Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden. Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve; dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om hetStaten Eilandheen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en kwamenDe StadNew York.des avonds om negen uren teNew Yorkaan, welke Stad ik al beschreven heb.Wyngaarden.Den 4. Juni vond ik hier in de tuinenWyngaarden, die uitEuropagekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.Aardbessen.DeAardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild.[40]Een jongeEngelschmanuitJamaikaberigtte dat daar gene Aardbezien groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed niet als die inZwedenenFinlandvallen.Klaver.Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtensKlavergezaid. Men was ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid, en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.Karssenbomen.Aan den weg tusschenPhiladelphiaenBrunswykvindt men vele Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar inNew YorkvoorbyStaten Eilandvond ik ze weder menigvuldiger. Dog daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als inPensylvanie. Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. TusschenBrunswykenStaten Eilandvond men vele Appelboomgaarden.Visch.Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.Rum.DeRum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide men, dat zy een stuk varsch vleesch inRumen een ander stuk in brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat ’t welk inRumgelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet van dejuistente wezen. DeMajor Roderfortverhaalde, dat, toen hy op den krygstogt naarKanadawas, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat deRumhun geen kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt hadden.27Long Island.Long Islandis de naam van een Eiland leggende vlak over de StadNew Yorkin zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond; ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks, vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en[41]velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom deWildenzig aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op ’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote menigte van allerlei schalen, die deWildenvoorheen daar gestroid hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier zeer vrugtbaar, lang en sterk.Vertrek.Den 10. Juni om den middag verlieten wyNew York, en zeilden met weinig winds de RivierHudsonnaarAlbanyop. Wy zagen zeer vele Schuiten, die vanNew Yorknaar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar ’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan den mond vyf vierden van eneEng.myl wezen. Sommige Bruinvisschen speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde, dat is die vanNew York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde. Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en daar. Omtrent tien of twaalf mylen vanNew Yorkkreeg het land aan den westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog, somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren28. Wat hoger op vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken kon. Omtrent twee en[42]twintigEng.mylen vanNew Yorkverlieten ons de hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt leggen.Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden voorby deHighlandMountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen, dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit gebergte vanNew Yorkrekende men op zesendertigEng.mylen.Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog bouwland.Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen hier het water donkerder dan meer naar beneden.De oorsprong der Rivieren.Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is, of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand[43]ontmoette. Dit is veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy deHudsonwel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my verwekken. Zy begint een goed stuk bovenAlbany, en loopt lynregt van ’t noorden naar het zuiden tot byNew York. Dit is ene langte van ten minsten honderd en zestigEng.mylen; want de kleine bogten die zy somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen tusschenNew YorkenAlbanyzyn ryen van bergen, lopende oost en west, en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort tot dat zy aan deHudsonsluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met steenagtige gronden?Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver noordwaards van ons, de zogenaamdeBlauwe Bergenzien. Ook scheen het land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen Karbonkelsteen hield.De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordtButterhillgenoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy[44]laveren moesten, het welk zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende, wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar merkwaardigs mogt te vinden wezen.Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog de bloemen waren wit.Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna eneEng.myl breed.Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier; maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal. Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen.29Op de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was, voorkwamen. Omtrent zes en vyftigEng.mylen vanNew Yorkwas het land niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. DeHighlandsMountainsliepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite, beklimmen konde.Kalk.Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enigeEng.mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan teAlbany.Dance.Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby datDancegenaamd wierd, omdat, zo als men zeide, deHollanderszig op die plaats voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte[45]Wilden, die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen. Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant wilde nederzetten. EnigeEng.mylen bleef het land zo, zonder dat men ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men ten halven wege tusschenNew YorkenAlbany. Het land was nevens den stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de zogenaamdeBlauwe Bergenover de eersten heen. Tegen den middag wierd het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeerStrasburg.zandig te zyn. Een der vlekken, die hier lagen, heetteStrasburg, het wierd van veleDuitschersbewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw ontgonnen akkers. DeBlauwe Bergenwaren hier van daan zeer duidelyk te zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen heen. De stroom was voorStrasburgeneEng.myl breed.Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam30, dat op de Ahornbomen wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn31wordt voor het beste gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn32komt.Campen Rheinbeck.Een weinig vanStrasburglegt ene plaatsCampen Rheinbeckgenoemd. Het is van de Rivier af, en wordt van veleDuitschersbewoond, die ’er ene kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar, dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen eneEng.myl breed.De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid[46]had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negenEng.mylen vanAlbany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras33bewassene weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen gene bergen. Wy haastten ons naarAlbanyen hadden aan weerskanten meest lage landen, die egter, hoe nader wy byAlbanykwamen, des te beter bebouwd waren.Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men kan laten ryzen en dalen.34De huizen die men van tyd tot tyd zag, waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgensAlbany.om agt uur gelukkig teAlbanyaan.Jagten.Alle de Jagten, die tusschenNew YorkenAlbanyvaren, horen in de laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is gestadig over en weer. VanAlbanyvervoeren zy voornamelyk planken, en ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van deWildenkoopt, of die ’er deFranschenin ’t geheim naar toe brengen. Zy keren byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan deRumde voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen vanAlbanyniet ontberen, dewyl zy daar door de ogen derWildenzo weten te verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten. Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken. Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en deHudsonop vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is staat zy niet zeer bloot aan verrotting.Kanoos.De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig, dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos[47]die teAlbanygemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en verw bestreken zyn. TeAlbanyheeft men geen ander hout dat ’er goed toe is dan het witte dennenhout; maar teNew Yorkmaakt men ze uit rood cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.Battoes.Battoes35noemden deEngelscheneen ander soort van schuiten, die men inAlbanyveel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang, somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren naar deWildente voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk inEuropagebruikt.Koude.De koude doet teAlbanyveeltyds grote schade. In den zomer gaat ’er nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest. De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan. Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden van November af tot in Maart of April36moet men het vee in de stallen houden, en met hoi voeden.Weder in den Zomer.In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls ondervonden.Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren[48]planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige bosschen en zaagmolens.Appelen.DeAppelbomenslagen hier zo wel als ergens inNoord Amerika. Men vond boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel, dien men in den herfst als iets zeldzaams naarNew Yorken elders verzent. Ik heb teAobouit de pitten van dezen appel verscheiden bomen gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen. Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de appelen. Ook slagen hier allerleiKarssenbomenvry wel, dog niet dePerenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg voor de zelven, aangezien men inPensylvaniegoede peren vindt?Persiken.Persikenbomenheeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft.Mais.Dog deMaiswort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tottweemaaltoe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het grootste soort van Mais wordt in September ryp.Weit.De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De LandliedenLandlieden.inAlbanyzyn ten deleHollanders, ten deleDuitschers. De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die naarAlbanyen van daar naarNew Yorkvervoerd wordt. Uitgenomen de Weit die bySopus, andersKing’s Town, gewonnen wordt, is die tusschenNew YorkenAlbanyvalt de beste van geheelNoord Amerika. Men eet hier niet dan weiten brood. TeNew Yorkwordt deAlbanischeWeit wat duurder dan andere betaald.Roggewordt hier ook, dog niet veel, gezaid.Garstwordt ’er weinig geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar omstreeksNew Yorkzag ik grote velden met Garst.Haverwordt hier maar zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.Erwtenworden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden[49]jaarlyks vele tonnen van naarNew Yorkgevoerd. Men is hier lang van den schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeelverkoftwierden. Voordezen liet men teKing’s Townen inNew Yorkerwten vanAlbanykomen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is weet ik niet.Potatoes.De meeste menschen planttenPotatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in plaats van in zand. InIerlandzyn vele lieden gewoon in den herfst dePotatoesin den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.DeBermudische Potatoes37zyn hier ook redelyk wel geslaagd. DeHommelvogelwordt hier, dog zeldzaam, gevonden.Daken.Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed en duurzaam agt als dat van denCupressus thyoides. Zulk eenWitte Dennen.dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. DezeWitte Dennenwassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog in het benedenste gedeelte vanNew Yorken inPensylvanieheb ik ’er geen ontmoet. Men voert velen van deze planken vanAlbanynaarNew York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.Wyngaarden.WildeWyngaardenwiessen in overvloed in de bosschen en op de steile oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond, zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want anders zyn zy zuur.Muggen.Muggenvindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen die tusschenAlbanyenKanadaleggen. De Reizigers worden ’er deerlyk van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren om de muggen door den rook te verdryven.Bruinvisschen.DeBruinvisschenkomen zelden hoger deHudsonop dan men[50]zout water heeft; dog daar nemen deSteurenhunne plaats in. Egter is ’er wel een enkelde Bruinvisch tot byAlbanygezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat eenWalvischeens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.Ligtgevende vliegen.LigtgevendeVliegen,38van ’t zelve soort als men inPensylvanieheeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. DeEngelschennoemen zeVuurvliegen.39Bomen die teAlbanyniet groeyen.Verscheiden’ bomen die inPensylvaniezeer gemeen zyn worden hier niet gevonden, als deBeverboom, deNyssa aquatica, deLiquadambar Styraciflua, dePersimon, deTulpenboom, deZwarte Walnoot, deMoeraseik, deCercis Canadensis, deRobinia pseudacacia, deGleditsia triacanthos, deAnnona muricata, deCeltis Occidentalis, en ene menigte van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking van hetBlauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die inPensylvaniegevonden worden.Een Eilandtje beschreven.Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent eneEng.myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten. DeRoodbloemige Ahornwies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. DeWaterbeukwies zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven; De zogenaamdeWaterpopulier40was hier de gemeenste van allen, kwam zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier ook deWaterbeukenen deOlmenvoort. De wildePruimbomenstonden hier ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men denSumachovervloedig.[51]Het zelve kan men van de wildeWyngaardenzeggen. De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot waren. DeAmerikaansche Olmmaakte hier en daar grote hagen. De grond van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden metPotatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pondNew Yorkschgeld verhuurd. De Huurderdeedweer kleine stukken aan anderen ter huur over, die ’er moeskruiden teelden. DePorceleinwies hier overvloedig, en zag ’er wel uit.Eb en vloed.De eb en vloed gaat ongevaar agt of tienEng.mylen in deHudsonbovenAlbany, dus wel honderd zes en vyftigEng.mylen ver van zee. Dog in ’t voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des zomers by zware en aanhoudende regens.De koude.De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys wordt in deHudsondrie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op, en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naarNew Yorkte varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.Water.Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlykMonoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t zwemmen. Dus zoude men depunchvan dit water bereid zeer sterk moeten maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk[52]bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar teAlbanyen op enige andere plaatsen.Jungstromkreeg ’er ene zware pyn van in de borst en een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon van zulk water te drinken. Ik heb dezeMonoculidikwyls in het yskoude water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde. Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot dat gebruik, dog het viel hier niet.Albany.Albanyis naNew Yorkde voornaamste of ten minsten de rykste Stad van de Provincie vanNew York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt aan den westeroever derHudson. Men rekent van hier totNew YorkhonderdzesenveertigEng.mylen. De Stad legt in de lengte langs de Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, eneHollandscheen eneEngelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. DeEngelschekerk staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de IngezetenenHollandschverstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd ponden uitEngeland’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden derHollandschekerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op enen vergulden klooteenweerwyzer.Huizen.DeHuizenin de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen voorzien, die men uitHollandhad doen komen, dewyl[53]men van gedagte was dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen teNieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle deNoord Amerikaanschesteden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren. Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’ hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt. De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.Handel.Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. DeHudsonloopt ’er vlak voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden. Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft inzonderheid opNew Yorkenen sterken handel in pelteryen, planken, koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle deEngelscheVolkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan deHudson’s[54]Bai, waar men zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naarOswego, eneEngelschehandelplaats, gelegen aan het grote MeerOntario, waar deWildenhunne waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier houden zig deAlbanischekooplieden den gantschen zomer op, en dryven enen sterken handel met velerlei soorten vanAmerikanen, die daar met hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy somtyds deWilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen, zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. DeAlbanischekooplieden zyn regteChinezen; en zy houden het voor iets frais deWildenmet brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje aftekopen. DeAmerikanenmerken dikwyls wel na het uitslapen van den roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus teOswegogedreven wordt, komen ’er veleWildenuitKanadateAlbanymet pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat inKanadaene zware straf op het voeren van bontwerk naar deEngelschen, dewyl de handel, vooral in Bevervellen, derFransche West Indische Maatschappytoekomt. Dog dit belet deKanadischekooplieden niet enen sterken sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met deWildenhunnen kennissen teAlbanytoe, die ze volgens den voorheen door brieven bedongenen prys van hun aannemen. DeWildenbrengen van hier verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren prys dan inKanada, waar zy uitFrankrykmoeten komen, te krygen zyn.41De meesteAlbanischekooplieden hebben ook grote goederen op het land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo vele Jagten den gantschen zomer over naarNew Yorkgaan meest met planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker soort vanWampums.schelpen totWampumsvoor deWilden, die dezelven als geld en tot opschik gebruiken, het welk denAlbanezeneen groot voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo aanmerkelyken handel dryven,[55]en daarenboven, volgens deHollandschewys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote sommen verzamelen.

Gaten in den grond.Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men ’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want, als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte gestalte bekomen hadden.Vertrek vanRakoon.Den 19. Mai des morgens verliet ikRakoon, om myne reis noordwaards te vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de lente oplevert. Van deZwedenhad ik dezen winter wel het gebruik, zo in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen, welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t Noorden aantenemen.Zwarte Slangen.Nevens den weg lag ene van die Slangen welkenZwarte Slangengeheten worden.22Wy sloegen ze dood, en vonden ze drieZweedscheellen lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zyZwarte Slanggeheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene, zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik-23entweeënnegentighalve staartschilden.24Ene andere van negentien duim had[31]honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld.25.Talrykheid.Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort ’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys, leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen, dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare verschyning is het einde van Maart.Gezwindheid.Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of elders anders byt, en dan haren[32]weg vervolgt.Ik zal hier twee vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr.Coldenberigtte my, toen ik teNew Yorkwas, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uitEuropawas overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam, zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden. De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te komen. TeAlbanywierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald, dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had. Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen, toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was, of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen, zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te[33]goyen, en ’t dan op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had, beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft, of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.Toverkragt.Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft, blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen, dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt. Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der Slang zelf hen van het vergift[34]of de gekregene wonde verlossen?26Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De HeerBartramhad deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen, om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy altyd met den kop voor aan naar beneden. EenZweedverhaalde my dat hy eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen frisch en gezond.Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren. Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel, het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd aan het lyf draagt.De Rogge begon thans te bloeyen.Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van aarde.Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden, somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy[35]aan de ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een onderscheid ’er is tusschenNew JerseyenPensylvanie, twee landschappen alleen maar door deDellawarevan malkander gescheiden. InPensylvaniebestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei vermengd, die zeer vrugtbaar is; inNew Jerseyvindt men meest enen drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. InPensylvanieziet men zelden enen Dennenboom; inNew Jerseyvindt men ’er gantsche bosschen van.Philadelphia.Des avonds kwam ik tePhiladelphiaaan.Krekels.Den 22. Mai begonnen de by deEngelschenzo genaamdeLocusts, een soort van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In de verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappyvoor het jaar 1756. heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.De Tulpenboom.DeTulpenboomstond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.Kevers.Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen. Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren derMagnolia glaucazaten.Vrugten.DeAardbezienwaren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands oordelen.EenTravado.Den 26. Mai had men hier enen storm,TravadoofTravatgewoonlyk genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd ’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor de storm verdween, en alles[36]weder, stil wierd. ZulkeTravado’skomen hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is wordt de lugt weder zo helder als van te voren.De Beverboom.DeMagnolia glaucastond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren ’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke uitwaassemingen vervulden.DeKalmia.DeSmalbladerige Kalmiabloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort willen. InPensylvanie, maar nog meer inNew Jerseyen inNew York, is zy tamelyk gemeen, dog minder inKanada. Zy blyft den winter over groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig. De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen, zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. DeEngelschennoemen deze plantDwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster deBreedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut toe.DeBreedbladerige Kalmiastond ook in haren besten luister, en dong met hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig, gelyk deMagnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn deel.Hernhutters.In Mai waren een groot getalHernhuttersuitEuropateNew Yorkovergekomen, die twee bekeerdeGroenlandersmet zig bragten. De zig hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit deWildeninNoord Amerika, en twee die vanSurinamegekomen waren. Deze drie soorten van uit de Heidenen bekeerdeHernhuttersbevonden zig t’zamen teNew York. Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar malkander geleken,[37]alleen waren deGroenlanderswat kleinder. En hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven stamvader uitNoach’sgeslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening gegrond was kan ik niet zeggen.Karssen.Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.Jams.Jamsis de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen vanAmerikasterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met dePotatoesdoet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den HeerFranklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren uit deWest Indiengekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn wit, en smaken byna als dePotatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden voortkomen. Dit is deDioscorea alata.Kaas.Men maakt hier veelKaas, dog zo goed niet als inEngeland, hoewel sommigen van oordeel zyn dat dePensylvanischeKaas oud geworden zynde deEngelscheniet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’ soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als deEngelschenwaren. Een man vanBostoninNieuw Engelandberigtte dat sommigen daar uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt nader onderzoek.Vertrek vanPhiladelphia.Den 31. omtrent den middag nam ik de reis vanPhiladelphiain een klein Jagt aan, dat gestadig als deDellawareopen is tusschenPhiladelphiaenTrentonheen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt byTrentonwaren, daar wy deDellawareverlieten. Het land was aan de zyde vanPensylvanielaag, dog op die vanNew Jerseywas het wat verhevener, zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.Het weder.Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een weinig dog zonder regen.De oevers.De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de bosschen enige kleine huizen, en nuendan een enkeld matig stenen huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag zeilden wyBurlingtonvoorby.Burlington.Burlington, de Hoofdstad en de verblyfplaats van den Gouverneur[38]vanNew Jersey, is ene kleine plaats, twintigEng.mylen vanPhiladelphiaop den ooster oever derDellaware. De huizen waren merendeels van steen, dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging, dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. DogPhiladelphiais haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men vanPhiladelphiakomende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben derDellaware, het welk men tot byTrentongewaar wordt, is aan te merken, dat als by volle maan het water by KaapHinlopen, by voorbeeld, ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op de Rivier byChesterom een uur en tien minuten na den middag heeft, en tePhiladelphiaom twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik van den HeerEvans.Oevers.De Oevers aan den kant vanNew Jersywaren merendeels hoog en steil, en bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond ene zwartagtige vette aarde metglimmervermengd. Op de zyde vanNew Jerseyzag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere, uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uitNew Jerseywaren overgebragt.Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent zevenEng.mylen benedenTrentonvallen laten. Hier lagen wy den gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld, en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te zetten. Ook hoorde men denWhipperiwilloveral.Voortreis.Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. DeDellawarewas hier zeer smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den voorgaanden dag zagen voor dat wyBurlingtonbereikten. Des morgens om agt uur kwamen wy teTrenton.Trentonaan. Den volgenden dag vertrokken wy van daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge, mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte. Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren, dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur[39]der in de moerassen wassendeMagnolia’srook men reeds van verre, eer men zelfs den boom kon zien.DePhlox glaberrima, en andere bloemen.DePhlox glaberrimastond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden als inEuropadeLychnis viscariaen deLychnis dioica. DePhlox maculatagroeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode, welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons deLychnis flos cuculigroeit. Als men by deze bloemen deBartsia coccinea, deLobelia cardinalis, en deMonarda didymavoegt, heeft men de bloemen die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en boomgaarden.De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de welke men hier ook de bakovens maakt.Boekweit.DeBoekweithad zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier uit verstroide zaden is voortgekomen.Nieuw Brunswyk.Des avonds laat kwamen wy teNieuw Brunswykaan. Den 3. Juni gingen wy met een Jagt naarNew Yorkde Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb. Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden. Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve; dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om hetStaten Eilandheen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en kwamenDe StadNew York.des avonds om negen uren teNew Yorkaan, welke Stad ik al beschreven heb.Wyngaarden.Den 4. Juni vond ik hier in de tuinenWyngaarden, die uitEuropagekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.Aardbessen.DeAardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild.[40]Een jongeEngelschmanuitJamaikaberigtte dat daar gene Aardbezien groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed niet als die inZwedenenFinlandvallen.Klaver.Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtensKlavergezaid. Men was ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid, en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.Karssenbomen.Aan den weg tusschenPhiladelphiaenBrunswykvindt men vele Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar inNew YorkvoorbyStaten Eilandvond ik ze weder menigvuldiger. Dog daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als inPensylvanie. Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. TusschenBrunswykenStaten Eilandvond men vele Appelboomgaarden.Visch.Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.Rum.DeRum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide men, dat zy een stuk varsch vleesch inRumen een ander stuk in brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat ’t welk inRumgelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet van dejuistente wezen. DeMajor Roderfortverhaalde, dat, toen hy op den krygstogt naarKanadawas, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat deRumhun geen kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt hadden.27Long Island.Long Islandis de naam van een Eiland leggende vlak over de StadNew Yorkin zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond; ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks, vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en[41]velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom deWildenzig aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op ’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote menigte van allerlei schalen, die deWildenvoorheen daar gestroid hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier zeer vrugtbaar, lang en sterk.Vertrek.Den 10. Juni om den middag verlieten wyNew York, en zeilden met weinig winds de RivierHudsonnaarAlbanyop. Wy zagen zeer vele Schuiten, die vanNew Yorknaar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar ’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan den mond vyf vierden van eneEng.myl wezen. Sommige Bruinvisschen speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde, dat is die vanNew York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde. Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en daar. Omtrent tien of twaalf mylen vanNew Yorkkreeg het land aan den westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog, somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren28. Wat hoger op vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken kon. Omtrent twee en[42]twintigEng.mylen vanNew Yorkverlieten ons de hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt leggen.Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden voorby deHighlandMountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen, dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit gebergte vanNew Yorkrekende men op zesendertigEng.mylen.Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog bouwland.Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen hier het water donkerder dan meer naar beneden.De oorsprong der Rivieren.Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is, of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand[43]ontmoette. Dit is veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy deHudsonwel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my verwekken. Zy begint een goed stuk bovenAlbany, en loopt lynregt van ’t noorden naar het zuiden tot byNew York. Dit is ene langte van ten minsten honderd en zestigEng.mylen; want de kleine bogten die zy somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen tusschenNew YorkenAlbanyzyn ryen van bergen, lopende oost en west, en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort tot dat zy aan deHudsonsluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met steenagtige gronden?Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver noordwaards van ons, de zogenaamdeBlauwe Bergenzien. Ook scheen het land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen Karbonkelsteen hield.De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordtButterhillgenoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy[44]laveren moesten, het welk zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende, wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar merkwaardigs mogt te vinden wezen.Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog de bloemen waren wit.Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna eneEng.myl breed.Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier; maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal. Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen.29Op de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was, voorkwamen. Omtrent zes en vyftigEng.mylen vanNew Yorkwas het land niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. DeHighlandsMountainsliepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite, beklimmen konde.Kalk.Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enigeEng.mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan teAlbany.Dance.Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby datDancegenaamd wierd, omdat, zo als men zeide, deHollanderszig op die plaats voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte[45]Wilden, die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen. Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant wilde nederzetten. EnigeEng.mylen bleef het land zo, zonder dat men ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men ten halven wege tusschenNew YorkenAlbany. Het land was nevens den stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de zogenaamdeBlauwe Bergenover de eersten heen. Tegen den middag wierd het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeerStrasburg.zandig te zyn. Een der vlekken, die hier lagen, heetteStrasburg, het wierd van veleDuitschersbewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw ontgonnen akkers. DeBlauwe Bergenwaren hier van daan zeer duidelyk te zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen heen. De stroom was voorStrasburgeneEng.myl breed.Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam30, dat op de Ahornbomen wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn31wordt voor het beste gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn32komt.Campen Rheinbeck.Een weinig vanStrasburglegt ene plaatsCampen Rheinbeckgenoemd. Het is van de Rivier af, en wordt van veleDuitschersbewoond, die ’er ene kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar, dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen eneEng.myl breed.De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid[46]had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negenEng.mylen vanAlbany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras33bewassene weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen gene bergen. Wy haastten ons naarAlbanyen hadden aan weerskanten meest lage landen, die egter, hoe nader wy byAlbanykwamen, des te beter bebouwd waren.Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men kan laten ryzen en dalen.34De huizen die men van tyd tot tyd zag, waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgensAlbany.om agt uur gelukkig teAlbanyaan.Jagten.Alle de Jagten, die tusschenNew YorkenAlbanyvaren, horen in de laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is gestadig over en weer. VanAlbanyvervoeren zy voornamelyk planken, en ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van deWildenkoopt, of die ’er deFranschenin ’t geheim naar toe brengen. Zy keren byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan deRumde voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen vanAlbanyniet ontberen, dewyl zy daar door de ogen derWildenzo weten te verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten. Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken. Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en deHudsonop vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is staat zy niet zeer bloot aan verrotting.Kanoos.De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig, dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos[47]die teAlbanygemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en verw bestreken zyn. TeAlbanyheeft men geen ander hout dat ’er goed toe is dan het witte dennenhout; maar teNew Yorkmaakt men ze uit rood cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.Battoes.Battoes35noemden deEngelscheneen ander soort van schuiten, die men inAlbanyveel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang, somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren naar deWildente voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk inEuropagebruikt.Koude.De koude doet teAlbanyveeltyds grote schade. In den zomer gaat ’er nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest. De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan. Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden van November af tot in Maart of April36moet men het vee in de stallen houden, en met hoi voeden.Weder in den Zomer.In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls ondervonden.Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren[48]planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige bosschen en zaagmolens.Appelen.DeAppelbomenslagen hier zo wel als ergens inNoord Amerika. Men vond boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel, dien men in den herfst als iets zeldzaams naarNew Yorken elders verzent. Ik heb teAobouit de pitten van dezen appel verscheiden bomen gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen. Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de appelen. Ook slagen hier allerleiKarssenbomenvry wel, dog niet dePerenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg voor de zelven, aangezien men inPensylvaniegoede peren vindt?Persiken.Persikenbomenheeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft.Mais.Dog deMaiswort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tottweemaaltoe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het grootste soort van Mais wordt in September ryp.Weit.De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De LandliedenLandlieden.inAlbanyzyn ten deleHollanders, ten deleDuitschers. De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die naarAlbanyen van daar naarNew Yorkvervoerd wordt. Uitgenomen de Weit die bySopus, andersKing’s Town, gewonnen wordt, is die tusschenNew YorkenAlbanyvalt de beste van geheelNoord Amerika. Men eet hier niet dan weiten brood. TeNew Yorkwordt deAlbanischeWeit wat duurder dan andere betaald.Roggewordt hier ook, dog niet veel, gezaid.Garstwordt ’er weinig geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar omstreeksNew Yorkzag ik grote velden met Garst.Haverwordt hier maar zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.Erwtenworden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden[49]jaarlyks vele tonnen van naarNew Yorkgevoerd. Men is hier lang van den schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeelverkoftwierden. Voordezen liet men teKing’s Townen inNew Yorkerwten vanAlbanykomen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is weet ik niet.Potatoes.De meeste menschen planttenPotatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in plaats van in zand. InIerlandzyn vele lieden gewoon in den herfst dePotatoesin den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.DeBermudische Potatoes37zyn hier ook redelyk wel geslaagd. DeHommelvogelwordt hier, dog zeldzaam, gevonden.Daken.Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed en duurzaam agt als dat van denCupressus thyoides. Zulk eenWitte Dennen.dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. DezeWitte Dennenwassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog in het benedenste gedeelte vanNew Yorken inPensylvanieheb ik ’er geen ontmoet. Men voert velen van deze planken vanAlbanynaarNew York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.Wyngaarden.WildeWyngaardenwiessen in overvloed in de bosschen en op de steile oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond, zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want anders zyn zy zuur.Muggen.Muggenvindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen die tusschenAlbanyenKanadaleggen. De Reizigers worden ’er deerlyk van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren om de muggen door den rook te verdryven.Bruinvisschen.DeBruinvisschenkomen zelden hoger deHudsonop dan men[50]zout water heeft; dog daar nemen deSteurenhunne plaats in. Egter is ’er wel een enkelde Bruinvisch tot byAlbanygezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat eenWalvischeens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.Ligtgevende vliegen.LigtgevendeVliegen,38van ’t zelve soort als men inPensylvanieheeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. DeEngelschennoemen zeVuurvliegen.39Bomen die teAlbanyniet groeyen.Verscheiden’ bomen die inPensylvaniezeer gemeen zyn worden hier niet gevonden, als deBeverboom, deNyssa aquatica, deLiquadambar Styraciflua, dePersimon, deTulpenboom, deZwarte Walnoot, deMoeraseik, deCercis Canadensis, deRobinia pseudacacia, deGleditsia triacanthos, deAnnona muricata, deCeltis Occidentalis, en ene menigte van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking van hetBlauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die inPensylvaniegevonden worden.Een Eilandtje beschreven.Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent eneEng.myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten. DeRoodbloemige Ahornwies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. DeWaterbeukwies zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven; De zogenaamdeWaterpopulier40was hier de gemeenste van allen, kwam zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier ook deWaterbeukenen deOlmenvoort. De wildePruimbomenstonden hier ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men denSumachovervloedig.[51]Het zelve kan men van de wildeWyngaardenzeggen. De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot waren. DeAmerikaansche Olmmaakte hier en daar grote hagen. De grond van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden metPotatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pondNew Yorkschgeld verhuurd. De Huurderdeedweer kleine stukken aan anderen ter huur over, die ’er moeskruiden teelden. DePorceleinwies hier overvloedig, en zag ’er wel uit.Eb en vloed.De eb en vloed gaat ongevaar agt of tienEng.mylen in deHudsonbovenAlbany, dus wel honderd zes en vyftigEng.mylen ver van zee. Dog in ’t voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des zomers by zware en aanhoudende regens.De koude.De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys wordt in deHudsondrie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op, en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naarNew Yorkte varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.Water.Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlykMonoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t zwemmen. Dus zoude men depunchvan dit water bereid zeer sterk moeten maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk[52]bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar teAlbanyen op enige andere plaatsen.Jungstromkreeg ’er ene zware pyn van in de borst en een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon van zulk water te drinken. Ik heb dezeMonoculidikwyls in het yskoude water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde. Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot dat gebruik, dog het viel hier niet.Albany.Albanyis naNew Yorkde voornaamste of ten minsten de rykste Stad van de Provincie vanNew York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt aan den westeroever derHudson. Men rekent van hier totNew YorkhonderdzesenveertigEng.mylen. De Stad legt in de lengte langs de Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, eneHollandscheen eneEngelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. DeEngelschekerk staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de IngezetenenHollandschverstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd ponden uitEngeland’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden derHollandschekerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op enen vergulden klooteenweerwyzer.Huizen.DeHuizenin de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen voorzien, die men uitHollandhad doen komen, dewyl[53]men van gedagte was dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen teNieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle deNoord Amerikaanschesteden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren. Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’ hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt. De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.Handel.Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. DeHudsonloopt ’er vlak voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden. Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft inzonderheid opNew Yorkenen sterken handel in pelteryen, planken, koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle deEngelscheVolkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan deHudson’s[54]Bai, waar men zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naarOswego, eneEngelschehandelplaats, gelegen aan het grote MeerOntario, waar deWildenhunne waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier houden zig deAlbanischekooplieden den gantschen zomer op, en dryven enen sterken handel met velerlei soorten vanAmerikanen, die daar met hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy somtyds deWilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen, zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. DeAlbanischekooplieden zyn regteChinezen; en zy houden het voor iets frais deWildenmet brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje aftekopen. DeAmerikanenmerken dikwyls wel na het uitslapen van den roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus teOswegogedreven wordt, komen ’er veleWildenuitKanadateAlbanymet pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat inKanadaene zware straf op het voeren van bontwerk naar deEngelschen, dewyl de handel, vooral in Bevervellen, derFransche West Indische Maatschappytoekomt. Dog dit belet deKanadischekooplieden niet enen sterken sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met deWildenhunnen kennissen teAlbanytoe, die ze volgens den voorheen door brieven bedongenen prys van hun aannemen. DeWildenbrengen van hier verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren prys dan inKanada, waar zy uitFrankrykmoeten komen, te krygen zyn.41De meesteAlbanischekooplieden hebben ook grote goederen op het land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo vele Jagten den gantschen zomer over naarNew Yorkgaan meest met planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker soort vanWampums.schelpen totWampumsvoor deWilden, die dezelven als geld en tot opschik gebruiken, het welk denAlbanezeneen groot voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo aanmerkelyken handel dryven,[55]en daarenboven, volgens deHollandschewys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote sommen verzamelen.

Gaten in den grond.Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men ’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want, als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte gestalte bekomen hadden.Vertrek vanRakoon.Den 19. Mai des morgens verliet ikRakoon, om myne reis noordwaards te vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de lente oplevert. Van deZwedenhad ik dezen winter wel het gebruik, zo in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen, welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t Noorden aantenemen.Zwarte Slangen.Nevens den weg lag ene van die Slangen welkenZwarte Slangengeheten worden.22Wy sloegen ze dood, en vonden ze drieZweedscheellen lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zyZwarte Slanggeheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene, zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik-23entweeënnegentighalve staartschilden.24Ene andere van negentien duim had[31]honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld.25.Talrykheid.Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort ’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys, leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen, dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare verschyning is het einde van Maart.Gezwindheid.Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of elders anders byt, en dan haren[32]weg vervolgt.Ik zal hier twee vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr.Coldenberigtte my, toen ik teNew Yorkwas, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uitEuropawas overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam, zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden. De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te komen. TeAlbanywierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald, dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had. Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen, toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was, of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen, zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te[33]goyen, en ’t dan op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had, beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft, of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.Toverkragt.Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft, blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen, dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt. Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der Slang zelf hen van het vergift[34]of de gekregene wonde verlossen?26Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De HeerBartramhad deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen, om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy altyd met den kop voor aan naar beneden. EenZweedverhaalde my dat hy eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen frisch en gezond.Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren. Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel, het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd aan het lyf draagt.De Rogge begon thans te bloeyen.Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van aarde.Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden, somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy[35]aan de ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een onderscheid ’er is tusschenNew JerseyenPensylvanie, twee landschappen alleen maar door deDellawarevan malkander gescheiden. InPensylvaniebestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei vermengd, die zeer vrugtbaar is; inNew Jerseyvindt men meest enen drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. InPensylvanieziet men zelden enen Dennenboom; inNew Jerseyvindt men ’er gantsche bosschen van.Philadelphia.Des avonds kwam ik tePhiladelphiaaan.Krekels.Den 22. Mai begonnen de by deEngelschenzo genaamdeLocusts, een soort van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In de verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappyvoor het jaar 1756. heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.De Tulpenboom.DeTulpenboomstond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.Kevers.Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen. Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren derMagnolia glaucazaten.Vrugten.DeAardbezienwaren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands oordelen.EenTravado.Den 26. Mai had men hier enen storm,TravadoofTravatgewoonlyk genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd ’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor de storm verdween, en alles[36]weder, stil wierd. ZulkeTravado’skomen hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is wordt de lugt weder zo helder als van te voren.De Beverboom.DeMagnolia glaucastond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren ’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke uitwaassemingen vervulden.DeKalmia.DeSmalbladerige Kalmiabloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort willen. InPensylvanie, maar nog meer inNew Jerseyen inNew York, is zy tamelyk gemeen, dog minder inKanada. Zy blyft den winter over groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig. De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen, zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. DeEngelschennoemen deze plantDwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster deBreedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut toe.DeBreedbladerige Kalmiastond ook in haren besten luister, en dong met hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig, gelyk deMagnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn deel.Hernhutters.In Mai waren een groot getalHernhuttersuitEuropateNew Yorkovergekomen, die twee bekeerdeGroenlandersmet zig bragten. De zig hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit deWildeninNoord Amerika, en twee die vanSurinamegekomen waren. Deze drie soorten van uit de Heidenen bekeerdeHernhuttersbevonden zig t’zamen teNew York. Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar malkander geleken,[37]alleen waren deGroenlanderswat kleinder. En hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven stamvader uitNoach’sgeslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening gegrond was kan ik niet zeggen.Karssen.Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.Jams.Jamsis de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen vanAmerikasterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met dePotatoesdoet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den HeerFranklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren uit deWest Indiengekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn wit, en smaken byna als dePotatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden voortkomen. Dit is deDioscorea alata.Kaas.Men maakt hier veelKaas, dog zo goed niet als inEngeland, hoewel sommigen van oordeel zyn dat dePensylvanischeKaas oud geworden zynde deEngelscheniet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’ soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als deEngelschenwaren. Een man vanBostoninNieuw Engelandberigtte dat sommigen daar uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt nader onderzoek.Vertrek vanPhiladelphia.Den 31. omtrent den middag nam ik de reis vanPhiladelphiain een klein Jagt aan, dat gestadig als deDellawareopen is tusschenPhiladelphiaenTrentonheen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt byTrentonwaren, daar wy deDellawareverlieten. Het land was aan de zyde vanPensylvanielaag, dog op die vanNew Jerseywas het wat verhevener, zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.Het weder.Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een weinig dog zonder regen.De oevers.De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de bosschen enige kleine huizen, en nuendan een enkeld matig stenen huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag zeilden wyBurlingtonvoorby.Burlington.Burlington, de Hoofdstad en de verblyfplaats van den Gouverneur[38]vanNew Jersey, is ene kleine plaats, twintigEng.mylen vanPhiladelphiaop den ooster oever derDellaware. De huizen waren merendeels van steen, dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging, dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. DogPhiladelphiais haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men vanPhiladelphiakomende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben derDellaware, het welk men tot byTrentongewaar wordt, is aan te merken, dat als by volle maan het water by KaapHinlopen, by voorbeeld, ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op de Rivier byChesterom een uur en tien minuten na den middag heeft, en tePhiladelphiaom twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik van den HeerEvans.Oevers.De Oevers aan den kant vanNew Jersywaren merendeels hoog en steil, en bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond ene zwartagtige vette aarde metglimmervermengd. Op de zyde vanNew Jerseyzag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere, uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uitNew Jerseywaren overgebragt.Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent zevenEng.mylen benedenTrentonvallen laten. Hier lagen wy den gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld, en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te zetten. Ook hoorde men denWhipperiwilloveral.Voortreis.Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. DeDellawarewas hier zeer smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den voorgaanden dag zagen voor dat wyBurlingtonbereikten. Des morgens om agt uur kwamen wy teTrenton.Trentonaan. Den volgenden dag vertrokken wy van daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge, mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte. Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren, dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur[39]der in de moerassen wassendeMagnolia’srook men reeds van verre, eer men zelfs den boom kon zien.DePhlox glaberrima, en andere bloemen.DePhlox glaberrimastond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden als inEuropadeLychnis viscariaen deLychnis dioica. DePhlox maculatagroeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode, welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons deLychnis flos cuculigroeit. Als men by deze bloemen deBartsia coccinea, deLobelia cardinalis, en deMonarda didymavoegt, heeft men de bloemen die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en boomgaarden.De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de welke men hier ook de bakovens maakt.Boekweit.DeBoekweithad zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier uit verstroide zaden is voortgekomen.Nieuw Brunswyk.Des avonds laat kwamen wy teNieuw Brunswykaan. Den 3. Juni gingen wy met een Jagt naarNew Yorkde Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb. Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden. Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve; dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om hetStaten Eilandheen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en kwamenDe StadNew York.des avonds om negen uren teNew Yorkaan, welke Stad ik al beschreven heb.Wyngaarden.Den 4. Juni vond ik hier in de tuinenWyngaarden, die uitEuropagekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.Aardbessen.DeAardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild.[40]Een jongeEngelschmanuitJamaikaberigtte dat daar gene Aardbezien groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed niet als die inZwedenenFinlandvallen.Klaver.Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtensKlavergezaid. Men was ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid, en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.Karssenbomen.Aan den weg tusschenPhiladelphiaenBrunswykvindt men vele Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar inNew YorkvoorbyStaten Eilandvond ik ze weder menigvuldiger. Dog daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als inPensylvanie. Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. TusschenBrunswykenStaten Eilandvond men vele Appelboomgaarden.Visch.Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.Rum.DeRum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide men, dat zy een stuk varsch vleesch inRumen een ander stuk in brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat ’t welk inRumgelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet van dejuistente wezen. DeMajor Roderfortverhaalde, dat, toen hy op den krygstogt naarKanadawas, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat deRumhun geen kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt hadden.27Long Island.Long Islandis de naam van een Eiland leggende vlak over de StadNew Yorkin zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond; ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks, vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en[41]velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom deWildenzig aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op ’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote menigte van allerlei schalen, die deWildenvoorheen daar gestroid hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier zeer vrugtbaar, lang en sterk.Vertrek.Den 10. Juni om den middag verlieten wyNew York, en zeilden met weinig winds de RivierHudsonnaarAlbanyop. Wy zagen zeer vele Schuiten, die vanNew Yorknaar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar ’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan den mond vyf vierden van eneEng.myl wezen. Sommige Bruinvisschen speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde, dat is die vanNew York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde. Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en daar. Omtrent tien of twaalf mylen vanNew Yorkkreeg het land aan den westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog, somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren28. Wat hoger op vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken kon. Omtrent twee en[42]twintigEng.mylen vanNew Yorkverlieten ons de hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt leggen.Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden voorby deHighlandMountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen, dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit gebergte vanNew Yorkrekende men op zesendertigEng.mylen.Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog bouwland.Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen hier het water donkerder dan meer naar beneden.De oorsprong der Rivieren.Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is, of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand[43]ontmoette. Dit is veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy deHudsonwel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my verwekken. Zy begint een goed stuk bovenAlbany, en loopt lynregt van ’t noorden naar het zuiden tot byNew York. Dit is ene langte van ten minsten honderd en zestigEng.mylen; want de kleine bogten die zy somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen tusschenNew YorkenAlbanyzyn ryen van bergen, lopende oost en west, en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort tot dat zy aan deHudsonsluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met steenagtige gronden?Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver noordwaards van ons, de zogenaamdeBlauwe Bergenzien. Ook scheen het land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen Karbonkelsteen hield.De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordtButterhillgenoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy[44]laveren moesten, het welk zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende, wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar merkwaardigs mogt te vinden wezen.Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog de bloemen waren wit.Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna eneEng.myl breed.Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier; maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal. Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen.29Op de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was, voorkwamen. Omtrent zes en vyftigEng.mylen vanNew Yorkwas het land niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. DeHighlandsMountainsliepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite, beklimmen konde.Kalk.Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enigeEng.mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan teAlbany.Dance.Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby datDancegenaamd wierd, omdat, zo als men zeide, deHollanderszig op die plaats voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte[45]Wilden, die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen. Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant wilde nederzetten. EnigeEng.mylen bleef het land zo, zonder dat men ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men ten halven wege tusschenNew YorkenAlbany. Het land was nevens den stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de zogenaamdeBlauwe Bergenover de eersten heen. Tegen den middag wierd het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeerStrasburg.zandig te zyn. Een der vlekken, die hier lagen, heetteStrasburg, het wierd van veleDuitschersbewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw ontgonnen akkers. DeBlauwe Bergenwaren hier van daan zeer duidelyk te zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen heen. De stroom was voorStrasburgeneEng.myl breed.Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam30, dat op de Ahornbomen wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn31wordt voor het beste gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn32komt.Campen Rheinbeck.Een weinig vanStrasburglegt ene plaatsCampen Rheinbeckgenoemd. Het is van de Rivier af, en wordt van veleDuitschersbewoond, die ’er ene kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar, dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen eneEng.myl breed.De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid[46]had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negenEng.mylen vanAlbany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras33bewassene weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen gene bergen. Wy haastten ons naarAlbanyen hadden aan weerskanten meest lage landen, die egter, hoe nader wy byAlbanykwamen, des te beter bebouwd waren.Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men kan laten ryzen en dalen.34De huizen die men van tyd tot tyd zag, waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgensAlbany.om agt uur gelukkig teAlbanyaan.Jagten.Alle de Jagten, die tusschenNew YorkenAlbanyvaren, horen in de laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is gestadig over en weer. VanAlbanyvervoeren zy voornamelyk planken, en ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van deWildenkoopt, of die ’er deFranschenin ’t geheim naar toe brengen. Zy keren byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan deRumde voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen vanAlbanyniet ontberen, dewyl zy daar door de ogen derWildenzo weten te verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten. Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken. Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en deHudsonop vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is staat zy niet zeer bloot aan verrotting.Kanoos.De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig, dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos[47]die teAlbanygemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en verw bestreken zyn. TeAlbanyheeft men geen ander hout dat ’er goed toe is dan het witte dennenhout; maar teNew Yorkmaakt men ze uit rood cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.Battoes.Battoes35noemden deEngelscheneen ander soort van schuiten, die men inAlbanyveel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang, somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren naar deWildente voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk inEuropagebruikt.Koude.De koude doet teAlbanyveeltyds grote schade. In den zomer gaat ’er nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest. De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan. Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden van November af tot in Maart of April36moet men het vee in de stallen houden, en met hoi voeden.Weder in den Zomer.In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls ondervonden.Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren[48]planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige bosschen en zaagmolens.Appelen.DeAppelbomenslagen hier zo wel als ergens inNoord Amerika. Men vond boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel, dien men in den herfst als iets zeldzaams naarNew Yorken elders verzent. Ik heb teAobouit de pitten van dezen appel verscheiden bomen gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen. Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de appelen. Ook slagen hier allerleiKarssenbomenvry wel, dog niet dePerenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg voor de zelven, aangezien men inPensylvaniegoede peren vindt?Persiken.Persikenbomenheeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft.Mais.Dog deMaiswort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tottweemaaltoe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het grootste soort van Mais wordt in September ryp.Weit.De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De LandliedenLandlieden.inAlbanyzyn ten deleHollanders, ten deleDuitschers. De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die naarAlbanyen van daar naarNew Yorkvervoerd wordt. Uitgenomen de Weit die bySopus, andersKing’s Town, gewonnen wordt, is die tusschenNew YorkenAlbanyvalt de beste van geheelNoord Amerika. Men eet hier niet dan weiten brood. TeNew Yorkwordt deAlbanischeWeit wat duurder dan andere betaald.Roggewordt hier ook, dog niet veel, gezaid.Garstwordt ’er weinig geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar omstreeksNew Yorkzag ik grote velden met Garst.Haverwordt hier maar zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.Erwtenworden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden[49]jaarlyks vele tonnen van naarNew Yorkgevoerd. Men is hier lang van den schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeelverkoftwierden. Voordezen liet men teKing’s Townen inNew Yorkerwten vanAlbanykomen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is weet ik niet.Potatoes.De meeste menschen planttenPotatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in plaats van in zand. InIerlandzyn vele lieden gewoon in den herfst dePotatoesin den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.DeBermudische Potatoes37zyn hier ook redelyk wel geslaagd. DeHommelvogelwordt hier, dog zeldzaam, gevonden.Daken.Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed en duurzaam agt als dat van denCupressus thyoides. Zulk eenWitte Dennen.dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. DezeWitte Dennenwassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog in het benedenste gedeelte vanNew Yorken inPensylvanieheb ik ’er geen ontmoet. Men voert velen van deze planken vanAlbanynaarNew York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.Wyngaarden.WildeWyngaardenwiessen in overvloed in de bosschen en op de steile oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond, zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want anders zyn zy zuur.Muggen.Muggenvindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen die tusschenAlbanyenKanadaleggen. De Reizigers worden ’er deerlyk van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren om de muggen door den rook te verdryven.Bruinvisschen.DeBruinvisschenkomen zelden hoger deHudsonop dan men[50]zout water heeft; dog daar nemen deSteurenhunne plaats in. Egter is ’er wel een enkelde Bruinvisch tot byAlbanygezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat eenWalvischeens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.Ligtgevende vliegen.LigtgevendeVliegen,38van ’t zelve soort als men inPensylvanieheeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. DeEngelschennoemen zeVuurvliegen.39Bomen die teAlbanyniet groeyen.Verscheiden’ bomen die inPensylvaniezeer gemeen zyn worden hier niet gevonden, als deBeverboom, deNyssa aquatica, deLiquadambar Styraciflua, dePersimon, deTulpenboom, deZwarte Walnoot, deMoeraseik, deCercis Canadensis, deRobinia pseudacacia, deGleditsia triacanthos, deAnnona muricata, deCeltis Occidentalis, en ene menigte van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking van hetBlauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die inPensylvaniegevonden worden.Een Eilandtje beschreven.Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent eneEng.myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten. DeRoodbloemige Ahornwies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. DeWaterbeukwies zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven; De zogenaamdeWaterpopulier40was hier de gemeenste van allen, kwam zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier ook deWaterbeukenen deOlmenvoort. De wildePruimbomenstonden hier ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men denSumachovervloedig.[51]Het zelve kan men van de wildeWyngaardenzeggen. De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot waren. DeAmerikaansche Olmmaakte hier en daar grote hagen. De grond van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden metPotatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pondNew Yorkschgeld verhuurd. De Huurderdeedweer kleine stukken aan anderen ter huur over, die ’er moeskruiden teelden. DePorceleinwies hier overvloedig, en zag ’er wel uit.Eb en vloed.De eb en vloed gaat ongevaar agt of tienEng.mylen in deHudsonbovenAlbany, dus wel honderd zes en vyftigEng.mylen ver van zee. Dog in ’t voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des zomers by zware en aanhoudende regens.De koude.De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys wordt in deHudsondrie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op, en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naarNew Yorkte varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.Water.Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlykMonoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t zwemmen. Dus zoude men depunchvan dit water bereid zeer sterk moeten maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk[52]bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar teAlbanyen op enige andere plaatsen.Jungstromkreeg ’er ene zware pyn van in de borst en een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon van zulk water te drinken. Ik heb dezeMonoculidikwyls in het yskoude water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde. Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot dat gebruik, dog het viel hier niet.Albany.Albanyis naNew Yorkde voornaamste of ten minsten de rykste Stad van de Provincie vanNew York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt aan den westeroever derHudson. Men rekent van hier totNew YorkhonderdzesenveertigEng.mylen. De Stad legt in de lengte langs de Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, eneHollandscheen eneEngelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. DeEngelschekerk staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de IngezetenenHollandschverstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd ponden uitEngeland’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden derHollandschekerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op enen vergulden klooteenweerwyzer.Huizen.DeHuizenin de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen voorzien, die men uitHollandhad doen komen, dewyl[53]men van gedagte was dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen teNieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle deNoord Amerikaanschesteden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren. Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’ hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt. De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.Handel.Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. DeHudsonloopt ’er vlak voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden. Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft inzonderheid opNew Yorkenen sterken handel in pelteryen, planken, koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle deEngelscheVolkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan deHudson’s[54]Bai, waar men zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naarOswego, eneEngelschehandelplaats, gelegen aan het grote MeerOntario, waar deWildenhunne waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier houden zig deAlbanischekooplieden den gantschen zomer op, en dryven enen sterken handel met velerlei soorten vanAmerikanen, die daar met hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy somtyds deWilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen, zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. DeAlbanischekooplieden zyn regteChinezen; en zy houden het voor iets frais deWildenmet brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje aftekopen. DeAmerikanenmerken dikwyls wel na het uitslapen van den roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus teOswegogedreven wordt, komen ’er veleWildenuitKanadateAlbanymet pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat inKanadaene zware straf op het voeren van bontwerk naar deEngelschen, dewyl de handel, vooral in Bevervellen, derFransche West Indische Maatschappytoekomt. Dog dit belet deKanadischekooplieden niet enen sterken sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met deWildenhunnen kennissen teAlbanytoe, die ze volgens den voorheen door brieven bedongenen prys van hun aannemen. DeWildenbrengen van hier verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren prys dan inKanada, waar zy uitFrankrykmoeten komen, te krygen zyn.41De meesteAlbanischekooplieden hebben ook grote goederen op het land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo vele Jagten den gantschen zomer over naarNew Yorkgaan meest met planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker soort vanWampums.schelpen totWampumsvoor deWilden, die dezelven als geld en tot opschik gebruiken, het welk denAlbanezeneen groot voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo aanmerkelyken handel dryven,[55]en daarenboven, volgens deHollandschewys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote sommen verzamelen.

Gaten in den grond.

Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men ’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want, als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte gestalte bekomen hadden.

Vertrek vanRakoon.

Den 19. Mai des morgens verliet ikRakoon, om myne reis noordwaards te vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de lente oplevert. Van deZwedenhad ik dezen winter wel het gebruik, zo in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen, welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t Noorden aantenemen.

Zwarte Slangen.

Nevens den weg lag ene van die Slangen welkenZwarte Slangengeheten worden.22Wy sloegen ze dood, en vonden ze drieZweedscheellen lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zyZwarte Slanggeheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene, zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik-23entweeënnegentighalve staartschilden.24Ene andere van negentien duim had[31]honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld.25.

Talrykheid.

Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort ’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys, leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen, dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare verschyning is het einde van Maart.

Gezwindheid.

Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of elders anders byt, en dan haren[32]weg vervolgt.Ik zal hier twee vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr.Coldenberigtte my, toen ik teNew Yorkwas, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uitEuropawas overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam, zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden. De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te komen. TeAlbanywierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald, dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had. Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen, toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was, of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen, zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te[33]goyen, en ’t dan op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had, beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft, of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.

Toverkragt.

Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft, blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen, dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt. Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der Slang zelf hen van het vergift[34]of de gekregene wonde verlossen?26Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.

De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De HeerBartramhad deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen, om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy altyd met den kop voor aan naar beneden. EenZweedverhaalde my dat hy eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen frisch en gezond.

Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren. Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel, het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd aan het lyf draagt.

De Rogge begon thans te bloeyen.

Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van aarde.

Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden, somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy[35]aan de ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een onderscheid ’er is tusschenNew JerseyenPensylvanie, twee landschappen alleen maar door deDellawarevan malkander gescheiden. InPensylvaniebestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei vermengd, die zeer vrugtbaar is; inNew Jerseyvindt men meest enen drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. InPensylvanieziet men zelden enen Dennenboom; inNew Jerseyvindt men ’er gantsche bosschen van.

Philadelphia.

Des avonds kwam ik tePhiladelphiaaan.

Krekels.

Den 22. Mai begonnen de by deEngelschenzo genaamdeLocusts, een soort van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In de verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappyvoor het jaar 1756. heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.

De Tulpenboom.

DeTulpenboomstond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.

Kevers.

Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen. Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren derMagnolia glaucazaten.

Vrugten.

DeAardbezienwaren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands oordelen.

EenTravado.

Den 26. Mai had men hier enen storm,TravadoofTravatgewoonlyk genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd ’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor de storm verdween, en alles[36]weder, stil wierd. ZulkeTravado’skomen hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is wordt de lugt weder zo helder als van te voren.

De Beverboom.

DeMagnolia glaucastond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren ’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke uitwaassemingen vervulden.

DeKalmia.

DeSmalbladerige Kalmiabloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort willen. InPensylvanie, maar nog meer inNew Jerseyen inNew York, is zy tamelyk gemeen, dog minder inKanada. Zy blyft den winter over groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig. De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen, zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. DeEngelschennoemen deze plantDwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster deBreedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut toe.

DeBreedbladerige Kalmiastond ook in haren besten luister, en dong met hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig, gelyk deMagnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn deel.

Hernhutters.

In Mai waren een groot getalHernhuttersuitEuropateNew Yorkovergekomen, die twee bekeerdeGroenlandersmet zig bragten. De zig hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit deWildeninNoord Amerika, en twee die vanSurinamegekomen waren. Deze drie soorten van uit de Heidenen bekeerdeHernhuttersbevonden zig t’zamen teNew York. Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar malkander geleken,[37]alleen waren deGroenlanderswat kleinder. En hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven stamvader uitNoach’sgeslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening gegrond was kan ik niet zeggen.

Karssen.

Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.

Jams.

Jamsis de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen vanAmerikasterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met dePotatoesdoet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den HeerFranklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren uit deWest Indiengekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn wit, en smaken byna als dePotatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden voortkomen. Dit is deDioscorea alata.

Kaas.

Men maakt hier veelKaas, dog zo goed niet als inEngeland, hoewel sommigen van oordeel zyn dat dePensylvanischeKaas oud geworden zynde deEngelscheniet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’ soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als deEngelschenwaren. Een man vanBostoninNieuw Engelandberigtte dat sommigen daar uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt nader onderzoek.

Vertrek vanPhiladelphia.

Den 31. omtrent den middag nam ik de reis vanPhiladelphiain een klein Jagt aan, dat gestadig als deDellawareopen is tusschenPhiladelphiaenTrentonheen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt byTrentonwaren, daar wy deDellawareverlieten. Het land was aan de zyde vanPensylvanielaag, dog op die vanNew Jerseywas het wat verhevener, zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.

Het weder.

Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een weinig dog zonder regen.

De oevers.

De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de bosschen enige kleine huizen, en nuendan een enkeld matig stenen huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag zeilden wyBurlingtonvoorby.

Burlington.

Burlington, de Hoofdstad en de verblyfplaats van den Gouverneur[38]vanNew Jersey, is ene kleine plaats, twintigEng.mylen vanPhiladelphiaop den ooster oever derDellaware. De huizen waren merendeels van steen, dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging, dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. DogPhiladelphiais haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men vanPhiladelphiakomende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben derDellaware, het welk men tot byTrentongewaar wordt, is aan te merken, dat als by volle maan het water by KaapHinlopen, by voorbeeld, ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op de Rivier byChesterom een uur en tien minuten na den middag heeft, en tePhiladelphiaom twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik van den HeerEvans.

Oevers.

De Oevers aan den kant vanNew Jersywaren merendeels hoog en steil, en bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond ene zwartagtige vette aarde metglimmervermengd. Op de zyde vanNew Jerseyzag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere, uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uitNew Jerseywaren overgebragt.

Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent zevenEng.mylen benedenTrentonvallen laten. Hier lagen wy den gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld, en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te zetten. Ook hoorde men denWhipperiwilloveral.

Voortreis.

Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. DeDellawarewas hier zeer smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den voorgaanden dag zagen voor dat wyBurlingtonbereikten. Des morgens om agt uur kwamen wy teTrenton.Trentonaan. Den volgenden dag vertrokken wy van daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge, mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte. Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren, dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur[39]der in de moerassen wassendeMagnolia’srook men reeds van verre, eer men zelfs den boom kon zien.

DePhlox glaberrima, en andere bloemen.

DePhlox glaberrimastond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden als inEuropadeLychnis viscariaen deLychnis dioica. DePhlox maculatagroeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode, welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons deLychnis flos cuculigroeit. Als men by deze bloemen deBartsia coccinea, deLobelia cardinalis, en deMonarda didymavoegt, heeft men de bloemen die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.

De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en boomgaarden.

De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de welke men hier ook de bakovens maakt.

Boekweit.

DeBoekweithad zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier uit verstroide zaden is voortgekomen.

Nieuw Brunswyk.

Des avonds laat kwamen wy teNieuw Brunswykaan. Den 3. Juni gingen wy met een Jagt naarNew Yorkde Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb. Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden. Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve; dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om hetStaten Eilandheen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en kwamenDe StadNew York.des avonds om negen uren teNew Yorkaan, welke Stad ik al beschreven heb.

Wyngaarden.

Den 4. Juni vond ik hier in de tuinenWyngaarden, die uitEuropagekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.

Aardbessen.

DeAardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild.[40]Een jongeEngelschmanuitJamaikaberigtte dat daar gene Aardbezien groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed niet als die inZwedenenFinlandvallen.

Klaver.

Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtensKlavergezaid. Men was ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid, en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.

Karssenbomen.

Aan den weg tusschenPhiladelphiaenBrunswykvindt men vele Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar inNew YorkvoorbyStaten Eilandvond ik ze weder menigvuldiger. Dog daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als inPensylvanie. Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. TusschenBrunswykenStaten Eilandvond men vele Appelboomgaarden.

Visch.

Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.

Rum.

DeRum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide men, dat zy een stuk varsch vleesch inRumen een ander stuk in brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat ’t welk inRumgelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet van dejuistente wezen. DeMajor Roderfortverhaalde, dat, toen hy op den krygstogt naarKanadawas, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat deRumhun geen kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt hadden.27

Long Island.

Long Islandis de naam van een Eiland leggende vlak over de StadNew Yorkin zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond; ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks, vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en[41]velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom deWildenzig aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op ’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote menigte van allerlei schalen, die deWildenvoorheen daar gestroid hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier zeer vrugtbaar, lang en sterk.

Vertrek.

Den 10. Juni om den middag verlieten wyNew York, en zeilden met weinig winds de RivierHudsonnaarAlbanyop. Wy zagen zeer vele Schuiten, die vanNew Yorknaar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar ’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan den mond vyf vierden van eneEng.myl wezen. Sommige Bruinvisschen speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde, dat is die vanNew York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde. Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en daar. Omtrent tien of twaalf mylen vanNew Yorkkreeg het land aan den westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog, somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren28. Wat hoger op vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken kon. Omtrent twee en[42]twintigEng.mylen vanNew Yorkverlieten ons de hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt leggen.

Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden voorby deHighlandMountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen, dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit gebergte vanNew Yorkrekende men op zesendertigEng.mylen.

Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog bouwland.

Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen hier het water donkerder dan meer naar beneden.

De oorsprong der Rivieren.

Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is, of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand[43]ontmoette. Dit is veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy deHudsonwel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my verwekken. Zy begint een goed stuk bovenAlbany, en loopt lynregt van ’t noorden naar het zuiden tot byNew York. Dit is ene langte van ten minsten honderd en zestigEng.mylen; want de kleine bogten die zy somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen tusschenNew YorkenAlbanyzyn ryen van bergen, lopende oost en west, en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort tot dat zy aan deHudsonsluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met steenagtige gronden?

Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver noordwaards van ons, de zogenaamdeBlauwe Bergenzien. Ook scheen het land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.

De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen Karbonkelsteen hield.

De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordtButterhillgenoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy[44]laveren moesten, het welk zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende, wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar merkwaardigs mogt te vinden wezen.

Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog de bloemen waren wit.

Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna eneEng.myl breed.

Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier; maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal. Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen.29Op de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was, voorkwamen. Omtrent zes en vyftigEng.mylen vanNew Yorkwas het land niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. DeHighlandsMountainsliepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite, beklimmen konde.

Kalk.

Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enigeEng.mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan teAlbany.

Dance.

Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby datDancegenaamd wierd, omdat, zo als men zeide, deHollanderszig op die plaats voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte[45]Wilden, die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.

Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen. Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.

Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant wilde nederzetten. EnigeEng.mylen bleef het land zo, zonder dat men ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men ten halven wege tusschenNew YorkenAlbany. Het land was nevens den stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de zogenaamdeBlauwe Bergenover de eersten heen. Tegen den middag wierd het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeerStrasburg.zandig te zyn. Een der vlekken, die hier lagen, heetteStrasburg, het wierd van veleDuitschersbewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw ontgonnen akkers. DeBlauwe Bergenwaren hier van daan zeer duidelyk te zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen heen. De stroom was voorStrasburgeneEng.myl breed.

Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam30, dat op de Ahornbomen wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn31wordt voor het beste gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn32komt.

Campen Rheinbeck.

Een weinig vanStrasburglegt ene plaatsCampen Rheinbeckgenoemd. Het is van de Rivier af, en wordt van veleDuitschersbewoond, die ’er ene kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.

Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar, dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen eneEng.myl breed.

De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid[46]had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negenEng.mylen vanAlbany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras33bewassene weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen gene bergen. Wy haastten ons naarAlbanyen hadden aan weerskanten meest lage landen, die egter, hoe nader wy byAlbanykwamen, des te beter bebouwd waren.

Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men kan laten ryzen en dalen.34De huizen die men van tyd tot tyd zag, waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgensAlbany.om agt uur gelukkig teAlbanyaan.

Jagten.

Alle de Jagten, die tusschenNew YorkenAlbanyvaren, horen in de laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is gestadig over en weer. VanAlbanyvervoeren zy voornamelyk planken, en ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van deWildenkoopt, of die ’er deFranschenin ’t geheim naar toe brengen. Zy keren byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan deRumde voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen vanAlbanyniet ontberen, dewyl zy daar door de ogen derWildenzo weten te verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten. Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken. Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en deHudsonop vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is staat zy niet zeer bloot aan verrotting.

Kanoos.

De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig, dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos[47]die teAlbanygemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en verw bestreken zyn. TeAlbanyheeft men geen ander hout dat ’er goed toe is dan het witte dennenhout; maar teNew Yorkmaakt men ze uit rood cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.

Battoes.

Battoes35noemden deEngelscheneen ander soort van schuiten, die men inAlbanyveel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang, somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren naar deWildente voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk inEuropagebruikt.

Koude.

De koude doet teAlbanyveeltyds grote schade. In den zomer gaat ’er nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest. De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan. Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden van November af tot in Maart of April36moet men het vee in de stallen houden, en met hoi voeden.

Weder in den Zomer.

In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls ondervonden.

Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren[48]planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige bosschen en zaagmolens.

Appelen.

DeAppelbomenslagen hier zo wel als ergens inNoord Amerika. Men vond boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel, dien men in den herfst als iets zeldzaams naarNew Yorken elders verzent. Ik heb teAobouit de pitten van dezen appel verscheiden bomen gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen. Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de appelen. Ook slagen hier allerleiKarssenbomenvry wel, dog niet dePerenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg voor de zelven, aangezien men inPensylvaniegoede peren vindt?

Persiken.

Persikenbomenheeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.

Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft.Mais.Dog deMaiswort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tottweemaaltoe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het grootste soort van Mais wordt in September ryp.

Weit.

De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De LandliedenLandlieden.inAlbanyzyn ten deleHollanders, ten deleDuitschers. De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die naarAlbanyen van daar naarNew Yorkvervoerd wordt. Uitgenomen de Weit die bySopus, andersKing’s Town, gewonnen wordt, is die tusschenNew YorkenAlbanyvalt de beste van geheelNoord Amerika. Men eet hier niet dan weiten brood. TeNew Yorkwordt deAlbanischeWeit wat duurder dan andere betaald.

Roggewordt hier ook, dog niet veel, gezaid.Garstwordt ’er weinig geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar omstreeksNew Yorkzag ik grote velden met Garst.Haverwordt hier maar zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.

Erwtenworden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden[49]jaarlyks vele tonnen van naarNew Yorkgevoerd. Men is hier lang van den schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeelverkoftwierden. Voordezen liet men teKing’s Townen inNew Yorkerwten vanAlbanykomen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is weet ik niet.

Potatoes.

De meeste menschen planttenPotatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in plaats van in zand. InIerlandzyn vele lieden gewoon in den herfst dePotatoesin den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.

DeBermudische Potatoes37zyn hier ook redelyk wel geslaagd. DeHommelvogelwordt hier, dog zeldzaam, gevonden.

Daken.

Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed en duurzaam agt als dat van denCupressus thyoides. Zulk eenWitte Dennen.dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. DezeWitte Dennenwassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog in het benedenste gedeelte vanNew Yorken inPensylvanieheb ik ’er geen ontmoet. Men voert velen van deze planken vanAlbanynaarNew York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.

Wyngaarden.

WildeWyngaardenwiessen in overvloed in de bosschen en op de steile oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond, zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want anders zyn zy zuur.

Muggen.

Muggenvindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen die tusschenAlbanyenKanadaleggen. De Reizigers worden ’er deerlyk van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren om de muggen door den rook te verdryven.

Bruinvisschen.

DeBruinvisschenkomen zelden hoger deHudsonop dan men[50]zout water heeft; dog daar nemen deSteurenhunne plaats in. Egter is ’er wel een enkelde Bruinvisch tot byAlbanygezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat eenWalvischeens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.

Ligtgevende vliegen.

LigtgevendeVliegen,38van ’t zelve soort als men inPensylvanieheeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. DeEngelschennoemen zeVuurvliegen.39

Bomen die teAlbanyniet groeyen.

Verscheiden’ bomen die inPensylvaniezeer gemeen zyn worden hier niet gevonden, als deBeverboom, deNyssa aquatica, deLiquadambar Styraciflua, dePersimon, deTulpenboom, deZwarte Walnoot, deMoeraseik, deCercis Canadensis, deRobinia pseudacacia, deGleditsia triacanthos, deAnnona muricata, deCeltis Occidentalis, en ene menigte van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking van hetBlauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die inPensylvaniegevonden worden.

Een Eilandtje beschreven.

Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent eneEng.myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten. DeRoodbloemige Ahornwies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. DeWaterbeukwies zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven; De zogenaamdeWaterpopulier40was hier de gemeenste van allen, kwam zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier ook deWaterbeukenen deOlmenvoort. De wildePruimbomenstonden hier ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men denSumachovervloedig.[51]Het zelve kan men van de wildeWyngaardenzeggen. De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot waren. DeAmerikaansche Olmmaakte hier en daar grote hagen. De grond van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden metPotatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pondNew Yorkschgeld verhuurd. De Huurderdeedweer kleine stukken aan anderen ter huur over, die ’er moeskruiden teelden. DePorceleinwies hier overvloedig, en zag ’er wel uit.

Eb en vloed.

De eb en vloed gaat ongevaar agt of tienEng.mylen in deHudsonbovenAlbany, dus wel honderd zes en vyftigEng.mylen ver van zee. Dog in ’t voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des zomers by zware en aanhoudende regens.

De koude.

De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys wordt in deHudsondrie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op, en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naarNew Yorkte varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.

Water.

Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlykMonoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t zwemmen. Dus zoude men depunchvan dit water bereid zeer sterk moeten maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk[52]bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar teAlbanyen op enige andere plaatsen.Jungstromkreeg ’er ene zware pyn van in de borst en een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon van zulk water te drinken. Ik heb dezeMonoculidikwyls in het yskoude water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde. Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.

Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot dat gebruik, dog het viel hier niet.

Albany.

Albanyis naNew Yorkde voornaamste of ten minsten de rykste Stad van de Provincie vanNew York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt aan den westeroever derHudson. Men rekent van hier totNew YorkhonderdzesenveertigEng.mylen. De Stad legt in de lengte langs de Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, eneHollandscheen eneEngelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. DeEngelschekerk staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de IngezetenenHollandschverstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd ponden uitEngeland’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden derHollandschekerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op enen vergulden klooteenweerwyzer.

Huizen.

DeHuizenin de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen voorzien, die men uitHollandhad doen komen, dewyl[53]men van gedagte was dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen teNieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle deNoord Amerikaanschesteden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.

De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren. Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’ hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt. De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.

Handel.

Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. DeHudsonloopt ’er vlak voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden. Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft inzonderheid opNew Yorkenen sterken handel in pelteryen, planken, koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle deEngelscheVolkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan deHudson’s[54]Bai, waar men zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naarOswego, eneEngelschehandelplaats, gelegen aan het grote MeerOntario, waar deWildenhunne waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier houden zig deAlbanischekooplieden den gantschen zomer op, en dryven enen sterken handel met velerlei soorten vanAmerikanen, die daar met hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy somtyds deWilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen, zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. DeAlbanischekooplieden zyn regteChinezen; en zy houden het voor iets frais deWildenmet brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje aftekopen. DeAmerikanenmerken dikwyls wel na het uitslapen van den roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus teOswegogedreven wordt, komen ’er veleWildenuitKanadateAlbanymet pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat inKanadaene zware straf op het voeren van bontwerk naar deEngelschen, dewyl de handel, vooral in Bevervellen, derFransche West Indische Maatschappytoekomt. Dog dit belet deKanadischekooplieden niet enen sterken sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met deWildenhunnen kennissen teAlbanytoe, die ze volgens den voorheen door brieven bedongenen prys van hun aannemen. DeWildenbrengen van hier verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren prys dan inKanada, waar zy uitFrankrykmoeten komen, te krygen zyn.41De meesteAlbanischekooplieden hebben ook grote goederen op het land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo vele Jagten den gantschen zomer over naarNew Yorkgaan meest met planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker soort vanWampums.schelpen totWampumsvoor deWilden, die dezelven als geld en tot opschik gebruiken, het welk denAlbanezeneen groot voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo aanmerkelyken handel dryven,[55]en daarenboven, volgens deHollandschewys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote sommen verzamelen.


Back to IndexNext