Chapter 24

Het Hospitaal.Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen mogt.Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken, waarvan men in deEngelscheVolkplantingen niets weet. Op de straat neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met het krullen en poederen van ’t hair, daar zig deEngelschevrouwen in de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten rang, alleen[134]de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm. By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker inZwedenzulk een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor eneFlora Canadensisen diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van veleAmerikaanscheplanten maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten vanKanadaaanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar ’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook inZwedenin ’t wild wassen, zo dat ten noordenQuebecmeer dan het vierde deel der daar vallende plantenZweedschenzyn. Den enen of anderen boom evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.Rendiermos.HetRendiermos106wies vry overvloedig in de bosschen rondomQuebec. De HeerGaulthieren anderen zeiden dat deFranschen, wanneer zy op lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder deWildente dryven, hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het welk enigsins voedzaam zynzoude. VerscheidenFranschen, die inTerra Labradorgeweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken deFranschenen deWildenhier te landeCaribouxheten, verhaalden dat de gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit van uitziet.Jesuieten.Den 10. Augustus at ik by deJesuieten. Ik had twee dagen te voren hun een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel naar een Paleis. Het is van steen,[135]drie verdiepingen hoog, zonder de zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge lieden die tot aanstaandeJesuietengeschikt zyn, en daar opgebragt worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene bedienden worden hier niet toegelaten.Geestelyken.Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken,Jesuieten,Priesters,Barrevoeters, andersRecollects. DeJesuietenzyn voor zeker de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het beeld van enenBarrevoeterte maken men genoeg heeft aan ene byl, om enenPriesteraftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enenJesuiette schilderen moet men een pinceel hebben.107DeJesuietenzyn gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten. Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle deJesuietengevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. TeMontrealhebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen, dog laten dat gaarne[136]aan dePriestersover. Hun enige arbeid hier te Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerdenWildentoekomt, woont eenJesuietof twee, die op dezelven agt geven. Dus vindt menJesuietenby de bekeerde Heidenen teTadoussac, teLorette, teBesancourt, teSt.François, teSaut St. Louis, en overal waar zig bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp vanWildenenenJesuietvinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de lugt te moeten wezen, en in de hutten derWilden, waar het van vloyen en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan deJesuieten, ten dele om deWildente bekeren, en ten dele met inzigten van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van deJesuieten, dewyl zy deWildentot alles brengen kunnen, gelyk als om deEngelschente beoorlogen, alle hunne pelteryen aan deFranschente leveren, of deEngelschente beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit alles is niet geheel zonder gevaar; want als deWildendronken zyn gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy maar de drank denJesuietheeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige bezigheden derJesuietenhier te Lande. Zy gaan in de Steden gene kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om ’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog totPriestersneemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt ’er by het maken van enenMonnik. DeJesuieteninKanadazyn allen uitFrankrykovergekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn, die inKanadageboren waren, zyn naarFrankrykgegaan en daar onder deJesuietenaangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf teQuebeclag een derPriesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt neder, en ging tot deJesuietenover; het welk den overigenPriestersniet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel zyn ’erPriestersom dienst te doen by alle[137]de gemeentens die denJesuietenschattingen betalen. De Bisschop stelt diePriestersaan. Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.Na den middag bezogt ik het zogenaamdeSeminarium, of het huis waar alle dePriestersby malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren van hetSeminariumgaven in beleefdheid denJesuietenniet veel toe, en ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.DePriestersmaken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die der nieuw bekeerdeWildenuitgenomen, worden vanPriestersbediend. Ook hebben zy enige zendelingschappen. InKanadazyn tweeSeminaria, een teQuebecen een teMontreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van malkander afhangen. DePriestersvan ’tSeminariumteMontrealzyn allen van de order vanSt. Sulpicius, en bedienen alleen maar de gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de andere Kerken behoren tot hetSeminariumvanQuebec. DePriestersvanSt. Sulpiciuskomen allen uitFrankryk, en men verzekerde dat ’er noit een uitKanadageboortig was onder geweest. Dog in hetSeminariumvanQuebeczyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel teQuebecals teSt. Joachimscholen opgeregt, waarin de jeugd in hetLatynen andere wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten aan. In ’tLatynschynen velen het niet ver gebragt te hebben, want, schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks hetBreviariumin ’tLatynlezen, wisten egter de minsten het te spreken. Alle dePriestersuit hetSeminariumvanQuebecworden door den Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden denSeminariagrote inkomsten geschonken. Dat vanQuebecheeft jaarlyks meer dan dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde derSt. LaurencevanQuebecaf totBaïe St. Paultoe behoort datSeminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drieArpentsin de langte eenEcu’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. HetSeminariumvanMontrealis eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizendLivresaan renten trekt, zonder te rekenen wat dePriestersvan[138]hun ampt weten te maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan hetSeminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van krygen. En daar datSeminariummaar uit zestien Priesters bestaat, en meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er alle jaren grote sommen naarFrankrykaan hetHoofd-seminariumovergemaakt. De inkomsten van hetSeminariumteQuebecworden tot het onderhoud derPriestersin hetSeminariumen tot dat van sommige jongelingen, die totPriestersopgebragt worden, besteed. DePriestersten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is, wordt het hem somtyds vergund in hetSeminariumte komen, en daar zyne dagen te eindigen. ElkSeminariumstelt dePriestersop zyne landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de Priesters.Barrevoeters.DeBarrevoetersofRecollectsmaken het derde soort van Geestelyken uit. Zy worden ookFranciskaner Monnikkengenoemd, dewyl zy volgens den regel vanSt. Franciscusleven. Zy bezitten teQuebeceen tamelyk groot en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote schone tuin, dien zy zelven onderhouden. TeMontrealen teTrois Rivièresis hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy krygen. Ten dien einde hebben zy enigeFratres, of jonge Monnikken, die met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by deWilden. In elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en tweehonderdLivres’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars behorende worden aangezien. Als eenPasteurten platten lande sterft en de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer Monnikken derwaards tot[139]dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer Monnikken komt uitFrankrykover, dog een deel van hun zyn inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen, uitgenomen een enkeldeAugustyner, die met de schepen overkomt, dog ook weer henen gaat.Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den HeerGaulthierbuiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd. Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van ’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden, het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal even zo ingerigt als dat vanQuebec. Op verzoek van den Gouverneur Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den HeerGaulthierbragt my de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon ’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster. De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een paar kleinebureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel, dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag ’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet ’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen omtrent den middag by enen ouden eerwaardigenBarrevoeterspyzen, die het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was van een groot Heer. Ook schonk men ’er[140]verscheiden’ soorten van wyn. Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte goederen de Koning inKanadaaan alle die Geestelyken weggeschonken heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest hebben overgehouden.Brambozen.Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp, en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in suiker ingemaakt. DeSorbus aucupariais tamelyk gemeen in de bosschen.Winden.De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.Lugtsgesteldheid.Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschenQuebecenMontrealwordt als zeer groot beschreven. TeMontrealis het met de winden en het weer gantsch anders als teQuebecgesteld. Ook is daar de winter ver na zo koud niet. ByMontrealwassen schone Peren, dog teQuebeckomen die niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. TeQuebecvalt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook worden teMontrealde vrugten vroeger ryp.Den 12. Aug. ging ik na den middag metJungstromnaar buiten, om daar enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enenAmerikaanvanLorettelaten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te leren dat deWildenvan de planten maken. Deze man was een geborenEngelschman, die dertig jaren geleden van deWildenvanLorettenog een kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert altyd onder hun gebleven, had denRoomschenGodsdienst aangenomen, en was met eneAmerikaanschevrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andereWildengekleed, en sprakEngelsch,Fransch, nevens verscheiden onder deWildengebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen deFranschenen de[141]Engelschenhebben deWildendie bondgenoten der Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in deEngelscheVolkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft gemaakt dat het bloed derWildeninKanadazeer met dat derEuropersvermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel derEuropischegevangenen, die deWildendus onder hun ingelyfd hebben, vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen liever de losse levenswys derWildente blyven leiden dan weder by hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk deWilden, zodat men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden vanFranschendie tot deWildenovergegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben. Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een derWildenzig onder deEuropersbegeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer zy in den oorlog in de handen derEuropersgeraakt zyn hebben zy altyd gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy enige jaren onder deEuropeanengeweest, en al hadden zy alle de vryheden genoten welken deEuropeanenzelven bezitten.Landsgesteldheid.Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe, te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere. Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag menQuebec, en een deel derSt. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen. Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook evenwydig met de Rivier,[142]of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat dekalkleyeneven zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.Weilanden.De hoge weilanden inKanadazyn voortreffelyk goed, en hebben veel vooruit boven die genen welken ik in deEngelscheVolkplantingen gezien heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk dePoa angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje voortbrengt.108Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt voor eneAgrostiskonde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond digt en dik, en dePoawas tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den wortel derPoawas de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’ voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente te laat begint.Hoi.Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool, kawoerden enmeloenen. De braaklanden wierden[143]des zomers niet omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep ’er den gehelen zomer op.109Huizen.De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen, zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer, omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk byTrois Rivièresgegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid. Des zomers neemt men de kacchels weg.Lorette.Des avonds kwamen wy teLoretteaan, en namen ons verblyf by deJesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft van de gewassen die men hier ontmoet worden ook inZwedengevonden.Kerssenbomen.Men zag hier twee soorten van wildeKerssenbomen, die egter maar verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden inKanadazeer gemeen, en de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamdeKerssenbomenwaren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak.110[144]Nieswortel.DeDriebladerige Nieswortel111wies in grote menigte in de bosschen. Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren, en had gemeenlyk deOxalis Acetocellaen deCircæa Alpinatot gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen zaad. Dit gewas werd van deFranschenTissavoyanne jaunegeheten. DeWildengebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. DeFranschen, in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.Bomen.Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de vlaktens vanKanadagezien had. Ook belette ons het hout waarmede de berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of deCarpinus Ostrya, deAmerikaanscheOlm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven heb, de Beuk, deBetula nigra, de Sorberboom, deKanadaschePynboom,Perussegenaamd, deViburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven Kerssenboom, en deBesdragende Taxus.Muggen.Muggenvonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de huid met ene menigte van builen opzwellen. DeJesuietenteLorettezeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede wiessche.Des avonds kwamen wy weder teLoretteterug, na dat wy de planten, die aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig aangetekend en beschreven hadden.Lorette.Loretteis een dorp, drieFr.mylen ten westen vanQuebec. Het wierd byna alleen vanWilden, tot deHuronsbehorende, bewoond, welken denRoomschenGodsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de aankomst van den VaderJesuietalhier woonden deAmerikanenin hutten, gelyk die derLaplanders;[145]dog sedert hebben zy deFranschenin ’t bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens ’t gebruik vanKanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft naar die vanSanta CasateLoretteinItalie, naar welke plaats het dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor dePriesters, zynde twee VadersJesuieten, die hier altyd wonen. Men is hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel deWilden, en vooral derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De meesten dezerHuronsgaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog de mans hebben gaarn een vest aan gelyk deFranschen. De vrouwen egter houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de voorouders dezerWilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden enen beschonken ziet, schoon anders deWildenhun leven voor den brandewyn laten zouden.Behalven in het bouwen volgen dezeAmerikanendeFranschenin vele dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene Zonnebloemen112op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunneSagamiteof Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy ryp. De molens komen denJesuietentoe, die voor alles wat ’er gemaald wordt geld ontvangen.Men heeft tot ene proeve inKanadaenige van deZweedschewinterweit en winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn, dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men inFrankryktegens den winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr.Sarracin, gelyk my de oudste derJesuietenvertelde, een weinigZweedschwinterkoorn doen komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is waar, schenen wel zo zwaar niet als hetKanadaschgraan; dog in gewigt wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan[146]hier uit het zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als inFrankrykuit het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uitZwedenofNoorwegengekomen was. DeFranschenhadden ondervonden dat het wintergraan uitFrankrykhier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te worden. En dit deed hen in ’t beginKanadavoor een slegt en onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de noordelykste delen vanEuropate doen komen, en dit slaagde wel. Ik keerde den 14. terug naarQuebec, makende langs den weg enige kruidkundige aanmerkingen.Nieuwe Gouverneur.Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheelKanada, deMarquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S. uitFrankrykuitgezeild, en hadQuebecniet eerder dan nu konnen bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op deSt. Laurencevan wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest vanMaria’s Hemelvaart, dat in alleRoomscheLanden zeer stiptelyk gevierd wordt. Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize van den HeerDeVaudreuil, die onlangs tot Gouverneur vanTrois Rivièresbenoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader was Gouverneur Generaal geweest. DeMarquis de laGalissonièrekwam hier ook, die tot nog GouverneurGeneraalgeweest was, en thans op zyn vertrek naarFrankrykstond. Hy wierd begeleid door de voornaamste Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen. Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door denMarquis de laGalissonièreontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden[147]rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers. Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad, hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan tafel.DeMarquis de la Jonquièrewas lang van persoon, en iets boven de zestig jaren oud. Hy had in den laatstgeeindigdenoorlog enen hevigen zeeslag aan deEngelschengeleverd, dog was door de overmagt gedwongen geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.Middel om de dranken koel te houden.Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben. Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de flesschen in de zon.113[148]Omgang.De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw, dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den gantschen tyd al zingende.Thuya.DeThuya occidentaliswies zeer overvloedig inKanada, dog niet zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was inNew York, een weinig vanSaratoga, en byCasses, omtrent op de breedte van 42.gr.10.min.De HeerBartramhad ’er egter enen boom van inVirginiegezien, digt by de plaats op de RivierJamesdieThe Fallsgenoemd wordt. Ook verzekerde Dr.Coldendat hy hem op verscheiden plaatsen rondom zyn LandgoedColdingham, tusschenNew YorkenAlbany, omtrent op de breedte van 41.gr.30.min.gezien had. DeFranschendoor gantschKanada, zo wel als deEngelschenenHollandersteAlbanynoemen hem denWitten Ceder. DeEngelscheninVirginiehebben enen daar groeyendenThuyaden naam vanJeneverboomgegeven.Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er gemeenlyk ook enigeThuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de kloven der bergen vond men hem dikwyls[149]genoeg; dog hy wierd daar ook niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte had ’er honderd twee en veertig.114De Inwoonders vanKanadagebruiken dezen boom om heiningen te maken, dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De palissades voor de vestingwerken waren byna allen vanThuyahout. Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken. Zulke bezems komen deWildente koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt dat men andere soorten van bezems inKanadagebruikte. De varsche takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds de bezems van zig geven.In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De Kommandant vanFort St. Frederic, de Heerde Lusignan, wist zyne werking tegens de pynen van hetRhumatismusniet genoeg te pryzen. Men stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort vanPolypodium,115een vyfde van de zaadhuisjes derThuya, en maakt ’er een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen voortreffelyk goed gevonden. EenIroquoisvertelde ons dat het afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. OmstreeksSaratogadrinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst[150]van September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden andere bomen vanNoord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen, wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent denAhorn, denSassafras, denwitten Dennenboom, de zogenaamdePerusse, denMoerbezieboom, en anderen.Den 7. Aug. ging ik. hetUrseliner Nonnenkloosterbezigtigen. De inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters. Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van denMarquis de laGalissonière, verworven. Ik ging ’er met den HeerGaulthiernaar toe. De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de HeerGaulthier, en ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd, waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork, servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep stilzwygen[151]gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest; maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.Omtrent een vierde van eneZweedschemyl westwaards vanQuebecis ene minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk naar. De HeerGaulthierhad het met enen goeden uitslag in verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.Slangen.Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondomQuebecgene giftige slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte vanKanadamoet men omzigtiger zyn.Mieren.Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen, gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die denZweedschenvolkomen gelyk dog wat kleinder waren.Wilde Volken.Den 21. Augustus waren ’er enigen uit de drieAmerikaanscheVolken, namelyk deHurons, deMikmaks, en deAnies,116by den Gouverneur Generaal. DeAnieszyn een soort vanIroquoizen, en bondgenoten derEngelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.Hurons.DeHuronsbehoren tot die zelveAmerikanendie teLorettewonen, en den Christelyken Godsdienst aangenomen hebben. Zy zyn zeer lang, sterk, grof van leden, welgemaakt, en koperkleurig. Zy hadden kort zwart hair, dat op het voorhoofd van het ene oor tot het andere afgeschoren was. Geen van hun droeg hoed of muts. Enigen hadden oorringen, anderen niet. Verscheidenen hadden het gantsche aangezigt met vermilioen beschilderd; dog anderen hadden alleen maar enige dwarsstrepen op het voorhoofd en by de oren. Ook waren ’er die het hair met vermilioen besmeerd hadden. De rode kleur is het voornamelyk waar zy zig mede beschilderen; egter heb ik ’er enigen gezien die ’t aangezigt met zwart bestreken hadden. Velen hadden in ’t aangezigt en op het lyf verscheiden’ figuren, welken daar zo op gemaakt waren dat zy noit uitgingen. Hoe dit geschiedt zal ik in ’t vervolg melden. Deze figuren zyn allen zwart. Sommigen hadden op elke wang ene slang, anderen enige kruissen, wederom anderen enen pyl, ene zon, of iets anders, zo als het hun in ’t hoofd gekomen was. Diergelyke figuren hadden zy ook op de borst, en andere delen van het lichaam. Dog sommigen hadden ’er geen in ’t geheel. Zy droegen een hembd, wit[152]of blauw gestreept, en een hairig dek, blauw of wit, met ene rode of blauwe streep om den rand. Somtyds was het dek zelf rood. Die dek hadden zy altyd op de schouders, of lieten het afhangen, en sloegen het dan om de middel. Om den hals droegen sommigen ene ketting van violetteWampumsmet kleine witteWampumsdaar tusschen. DezeWampumswaren klein, van gedaante als ene langwerpige parel, en van die mosselen welken deEngelschenClams117noemen gemaakt. In ’t vervolg zal ik ’er meer van zeggen. Aan deze Wampumketting hadden velen voor op de borst een stukFranschzilvergeld hangen, met het beeld des Konings daarop. Anderen wederom droegen daaraan ene grote sneuwwitte mosselschaal, diergelyken zy zeer hoog schatten, en die zeer duur zyn. Daar waren ’er die niets om den hals hadden. Alleen gingen zy met de borst bloot. Voor het lyf hebben zy ene tabaksbeurs van beestenvellen gemaakt, met de hairige zyde buitenwaards. Hunne schoenen waren van vellen, en geleken veel naar de schoenen zonder hakken welken de Vrouwen inFinlanddragen. Sommigen hadden hunne schoenen met vermilioen beschilderd. In plaats van koussen hadden zy blauwe doeken om de benen en dyen gewonden, op de zelve wys als ik het wel by deRussischeboeren gezien heb.Mikmaks.DeMikmakswaren gelyk deHuronsgekleed, uitgenomen dat zy lange, ongekrulde, pekzwarte hairen hadden, die boven over de schouders afhingen. Byna alle deze Volken hebben pekzwart en ongekruld hair, enige weinigen heb ik ’er egter gezien wier hair tamelyk gekroest was. Dog men moet aanmerken dat het hier inKanadazeer moeilyk is van de wezenstrekken derAmerikanenwel te oordelen, dewyl hun bloed met dat derEuroperszeer vermengd is, het zy door middel van gevangen’ kinderen die zy onder zig aangenomen hebben, het zy van wegens veleFranschen, die op hunne reizen door het Land ook het hunne gedaan hebben tot de vermeerdering van de huisgezinnen derWilden, dewyl de vrouwen van dien landaard niet ongerieflyk zyn. DezeMikmakswaren door de bank zo groot en kloek niet als deHurons. Ik heb geneWildengezien die zo lang hair hadden als dezen. Hunne taal was ook van die derHuronsonderscheiden; en om die reden wordt ’er een tolk voor dezelve onderhouden.Anies.DeAniesmaakten het derde volk uit dat men hier zag. Van dezen, bondgenoten derEngelschen, waren in den laatsten oorlog vyftig man opgetrokken om rondomMontrealte plonderen. Dog deFranschen, van hun voornemen onderrigt, stelden ene hinderlaag toe, en schoten by ’t eerste vuurgeven ’er vierenveertig van over hoop, zo dat ’er maar de vier die nu hier waren, en twee anderen die thans ziek lagen, het[153]leven ’er van afbragten. Zy spraken dezelve taal als deHurons, en waren ook zo kloek. Dog deHuronsschenen langwerpige en deAniesrondagtige aangezigten te hebben. DezeAnieszagen ’er vry wreed uit; hunne kleding egter was als die der overigeWilden, alleen hadden zy agter in den nek een lang rondagtig stuk tin in ’t hair gebonden. Een van hun had ene bloem midden in ’t hair op den kop. Ieder byna van dezeWildenhad zyne tabakspyp by zig, die van grauwen kalksteen gemaakt was, en enen langen houten steel had. Hier waren niets dan manspersonen. Toen de Gouverneur Generaal hun gehoor verleende gingen deMikmaksop den grond in de zaal zitten, gelyk deLaplandersgewoon zyn. Dog de anderen zaten op stoelen.Boekdrukkery.InKanadawas thans gene Boekdrukkery, schoon ’er voor dezen ene geweest is. Alle de boeken kwamen uitFrankrykover, en alle wetten endiergelyke wierdengeschreven, het geen zig zelfs tot het papieren geld hier te lande toe uitstrekte. Men gaf voor dat men hier gene drukkery hebben wilde om voor te komen dat ’er kwade boeken, tegens den godsdienst, de regering of de goede zeden gedrukt en verspreid werden, als of dit niet door geschreven boeken konde geschieden. Dog de ware reden zal, denk ik, deze zyn, dat aangezien de armoede des lands een Drukker zyn bestaan hier niet zou kunnen winnen, en ten dele ook omFrankrykhet voordeel te geven van boeken herwaards te kunnen zenden.Maaltyden.De Maaltyden waren hier in vele stukken zeer verschillende van die men in deEngelscheVolkplantingen hield, het welk veelligt van het onderscheid dat ’er tusschen de twee volken in smaak, zeden, en godsdienst heerscht, afhangt. Men at hier driemaal daags, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Men ontbeet gemeenlyk tusschen zeven en agt uur. DeFranschenstonden hier meest vroeg op, zo dat men zelfs om zeven uur den Gouverneur reeds spreken kon. Ook was dat de tyd om hem zyne opwagting te maken, en enig verzoek te doen. Men ontbyt op velerhande wyzen. Sommige mans gebruiken een stuk broods in brandewyn gedoopt, anderen namen een slokje brandewyn met een stuk broods toe. Chokolade wordt ook veel gebruikt. De meeste vrouwen, en ook vele mans, drinken koffi met een weinig melks. Sommigen ontbyten in ’t geheel niet. Ik zag hier noit thee gebruiken, misschien om dat men koffi en chokolade uit deFranschezuidelykeAmerikaanscheProvincien krygen kan, dog de thee uitChinahalen moet, voor de welke men niet nutteloos het geld buiten het land zenden wil. Ook zag ik nergens boterhammen by ’t ontbyt gebruiken. De middagmaaltyd wierd gemeenlyk om twaalf uur gehouden. By de aanzienlyksten komen vele geregten op tafel, en de overigen volgen hen na als zy gasten hebben. De broden waren gemeenlyk van weit en langwerpig.[154]Voor elk mensch legt men een bord, ene vork, lepel, en servet. In deEngelschevolkplantingen heeft men zelden servetten op tafel. Op verscheiden’ plaatsen legt men ’er ook een mes by, dog op de meesten niet, en daar brengt ieder, vrouwen zo wel als mans, zyn eigen mes mede. De lepels en vorken waren gemeenlyk van zilver, en de borden meest vanDelfschporcelein. De maaltyd begint met soep vol van brood. Dan komt ’er vleesch, op velerlei wyze toebereid, ragouts, gevogelte, en diergelyken, te gelyk met salade. Over tafel drinkt men meest rodenFranschenwyn, gemeenlyk met water. Ook drinkt men ’er somtyds een zeker soort van bier, van sparrebomentakken gebrouwen. De vrouwen gebruiken meest water, ook wel een weinig wyns, dog geen bier. Men had vryheid in ’t drinken, en kreeg de flesschen by zig op tafel. Het nageregt bestond uit verscheiden’ konfituren, kaas, en melk, welke men met suiker op het laatst gebruikte. Vrydags en zaterdags at men geen vleesch, dog leed daarom geen honger. Men krygt dan allerlei moeskruiden en visch, welken laatsten men op andere dagen zelden eet. Men gebruikt veel konkommers in schyven gesneden in room, het geen zeer goed is. Ook eet men ze somtyds alleen gelyk radys. De meloenen gebruikt men altyd met suiker. In den wyn en den brandewyn doet men hier en by deEngelschennoit suiker, waarvan men inZwedenwel eens zoveel gebruikt dan hier. Men bidt nog dankt hier niet voor of na den maaltyd, dog maakt een kruis, het geen ook sommigen wel vergeten. Na het eten drinkt men ten eersten een kopje koffi zonder melk. Des avonds eet men meest om zeven uur en iets later, en de geregten zyn dan byna de zelven als des middags.Puddingenpunchontmoet men hier niet, schoon zy denpunchwel kennen.Honden die water halen.Men had hier op verscheiden plaatsen honden gewend water uit de Rivier te halen. Ik zag den 23. Aug. twee grote Honden voor een wagentje agter malkander gespannen. Zy hadden nette tuigen op het lyf, en enen toom in den bek, gelyk de paarden. Op het wagentje stond ene ton. Zy wierden van een jongetje geregeerd dat agter den wagen liep. Als zy aan de Rivier kwamen sprongen zy ’er van zelven in, en dan vult men de ton. Dit gedaan zynde trekken de honden het wagentje weer den berg op en naar huis. In ’t vervolg zag ik byna alle dagen teQuebechonden met wagentjes naar de Rivier lopen. Somtyds was ’er maar een hond voor. Die honden waren zelden groot. De jongens die ’er by zyn hebben lange zwepen in de hand. Ik zag op deze wys niet alleen water, maar ook hout en andere dingen halen. Des winters pleegt men dikwyls inKanada, als men op reis is, honden voor kleine daartoe gemaakte sleden te spannen, waarop men zyn reistuig en andere dingen legt. Gemene lieden gebruiken ze op deze wys gemeenlyk als zy des winters reizen, en gaan zelven te voet. Byna al het[155]hout, dat de arme menschen ’s winters uit de bosschen halen, wordt hun door honden toegevoerd, waarom men die honden ook de paarden der armen noemt. Zy spannen ’er dan meest twee agter malkander voor ieder voer. Ook vertoonde men my een paar daartoe met voordagt gemaakte nette sleden, waarin ene vrouw zitten kon, welken door twee honden getrokken werden, die ’er, als de baan glad was, groter spoed mede konden maken dan men wel denken zou. Een hond van middelmatige grootte is dan in staat een mensch te trekken. Oude lieden hebben my verhaald dat ’er in hunne kindschheid weinig paarden in het land waren, en de inwoonders toen des winters alle hunne vragten door honden deden trekken. VerscheidenFranschen, die ’s winters naarTerra Labradorgereisd waren, verhaalden, dat deEskimaus, welken dat land bewonen, niet alleen hunne goederen van honden op sleden trekken laten, maar dat zy zelven op sleden door honden getrokken op het ys ryden.Bronnen.De hoogtens ten westen buiten de Stad brengen vele bronnen voort. Alle deze heuvels bestaan uit de voorheen gemelde kalkleyen, en zyn aan den westkant tamelyk steil, zo dat het moeilyk is ze te beklimmen. Hunne loodregte hoogte bedraagt omtrent tien of twaalf vademen. Boven op zyn zy zonder hout, en met ene dunne korst van aarde, die men tot koornlanden of weiden gebruikt, bedekt. Het is onbegryplyk hoe deze naakte heuvels aan al dit water komen dat ’er van komt af vloeyen. Zouden deze heuvelen de eigenschap hebben van het water uit de lugt, het zy by dag of by nagt, aan te trekken; en zouden de bergen die uit leyen bestaan daar bekwamer toe zyn dan anderen?Paarden.De Paarden inKanada, oorspronglyk uitFrankrykherwaards gebragt, zyn van een goed soort, sterk, vlug, en zo groot als goede Ruiterspaarden. Men hakt hun hier, gelyk als inEngeland, de staarten af, waardoor men de arme dieren van hunne wapenen tegens de menigvuldige vliegen en ander ongedierte berooft. Als de paarden trekken moeten spant men ze agter malkander, dog zelden meer dan drie. En dit zal misschien de reden wezen waarom men den paarden de staarten kort, op dat het voorste het agterste daar mede niet in de ogen slaan mogte. Men ziet zelden wagens met vier wielen, maar meest karren. De Gouverneur en enigen weinigen der voornaamste Heren gebruiken hier koetsen; de overigen vergenoegen zig met open chaises. Men klaagde in ’t algemeen dat de Boeren te veel paarden begonnen aan te fokken, waardoor des winters het voeder voor de koeyen te kort schoot.Koeyen.De Koeyen waren hier ook uitFrankrykgebragt. Zy waren zo groot als onzeZweedschen. Men zeide dat het vee hier te lande kleinder wierd, en schreef het aan de koude der winters toe, gedurende den welken[156]men ze zes maanden lang genoodzaakt is opgesloten te houden, en ze matiglyk te voeren, uit vrees van gebrek. De meesten hadden hoornen, enigen alleen uitgenomen. Dog inPensylvaniewas het ene ongehoorde zaak ene koe zonder hoorns te zien. Zoude de koude hier iets toe doen? Melk geven de koeyen hier zo veel als inFrankryk. Het ossen- en kalfsvleesch teQuebecwordt voor beter dan dat teMontrealgehouden, het welk sommigen aan de brakagtige weiden die hier leggen toeschryven. Dog dit kan alleen de reden niet zyn, want het minste vee dat teQuebecverkoftwordt heeft op biezengras118geweid. InKanadatrokken de ossen met de hoorns; maar in deEngelschevolkplantingen met de schoften, gelyk de paarden doen. De koeyen waren hier van allerlei kleuren, dog de meesten egter zwart of ros.Schapen.Ieder Boer houdt hier gemeenlyk enige Schapen, van de welken hy zo veel wol wint als hy tot zyne kleding van noden heeft. De beste lakens evenwel komen uitFrankryk. De wol der schapen uitFrankrykhier gebragt wordt, als het vee enigen tyd is hier geweest, grof en harder dan zy geweest is. En dit is nog erger by de voorttelingen. Men schreef dit aan ’t gebrek toe dat de schapen des winters lyden moeten.Geiten.Geiten heb ik nergens inKanadagezien; ook zeide men dat ’er gene waren. In deEngelschevolkplantingen zag ik ’er ook maar enigen, en dat op maar ene plaats. Ook worden zy daar alleen maar gehouden om de melk in sommige ziektens te hebben.Eggen.De Eggen zyn hier driehoekig, met twee der zyden van zes, en de derde van vier voet breedte. De tanden en al het overige is van hout. De tanden zyn omtrent vyf duimen lang, en staan ook zo veel van malkander af.Schoon uitzicht.Het gezigt een vierde van ene myl ten noorden vanQuebecis verrukkelyk. Het land gaat afhellende naar de Rivier toe, en hoe verder men van dezelve afkomt des te hoger wordt het. Op vele plaatsen was het door de natuur in terrassen verdeeld, die de ene boven de andere leggen. Van deze hoogtens ken men ver rondom heen zien.Quebecvertoonde zig zeer duidelyk naar het zuiden. Ten oosten zag men de schepen op deSt. Laurencezeilen. Naar ’t westen lagen de hoge bergen in de welken zig deze hoogtens verliezen. Al het land was bebouwd of tot weiden gemaakt. Hier en daar zag men een klein boschje, dat ’er nog van de oude zware bosschen was overgebleven. De akkers waren merendeels met weit, dog ook tamelyk veel met witten haver, en op sommige plaatsen met erwten bezaid. Ander graan vond men hier niet. Men zag schone huizen en boerderyen, die egter allen van malkander afgescheiden lagen. De woonhuizen waren gemeenlyk van zwarte kalkleyen[157]gebouwd en van buiten gewit. Verscheiden beken stroomden van de hoge bergen van het ene terras op het andere naar beneden. Deze hoogtens onder de bergen gelegen bestonden geheel en al uit zwarte kalklei, die in de opene lugt in schyven splyt. Boven op de zelve lag de aarde ter dikte van ene halve tot drie ellen toe, welke aarde met kleine stukken van de lei vol was. De beken hadden zig gemeenlyk een diep bed uitgehold, en hare kanten bestonden merendeels louter uit lei. Nu en dan vond men in de dikker lagen enen donker grauwen kalksteen, die, aan stukken gebroken zynde, gelyk als stinksteen rook.Schepen getimmerd.Men was thans bezig, voor ’s Konings rekening alhier verscheiden schepen te bouwen; dog voor myn vertrek vanQuebeckwam ’er bevel gene nieuwen op stapel te brengen, en alleen die aftemaken welken men begonnen had. De reden hiervan was dat men ondervonden had dat de schepen vanAmerikaanscheiken hout getimmerd in verre na zo lang niet goed blyven als die vanEuropischhout gebouwd zyn. ByQuebecwast weinig eiken hout, en de eikenbomen die daar vallen zyn gemeenlyk zo klein dat zy tot weinig deugen. Men laat om die reden het timmerhout uit die oorden vanKanadahalen die aanNieuw Engelandgrenzen. Alle de eiken inNoord Amerikahebben die eigenschap, dat hoe meer noordelyk zy groeyen zy des te beter tegens de verrotting bestand zyn. Het hout wordt met vlotten langs de stromen, die van de grenzen vanNieuw Engelandkomen, en die omstreeks vanLac St. Pierrein deSt. Laurencevallen, naarQuebecgebragt. Ook komt ’er enig hout uit het land tusschenMontrealenFort St. Frederic. Dog dit hout wierd niet voor zo goed gehouden als het vorige; ook moest het van verder komen.Groene aarde.Den 26. Aug. vertoonde men my ene groene aarde, die denMarquis de laGalissonièrevan boven uitKanadagezonden was. Het was een soort van klei, die sterk aan een kleefde, en door en door de kleur had van kopergroen.119Kreeften.Door geheelKanadavindt menKreeftenin de beken en stromen, van den zelven aard als de onzen. DeFranschenhouden ’er veel van. Ook zeide men dat zy door de menigte die ’er van gevangen wordt zeer verminderd waren.Het gemene volk hier te lande scheen zeer arm te zyn. Zy hadden maar eventjes den kost. Weinig lieden van den lageren stand bezitten enige rykdommen. Zy waren meesten tyd te vreden als zy droog brood en water konden hebben. Het overige dat zy van levensmiddelen hadden, als vleesch, visch, eyeren, hoenders, boter, kaas en diergelyken, bragten zy in de Stad om te verkopen. Van dat geldkoftenzy klederen, brandewyn,[158]en opschik voor de vrouwen. Maar hoe mager zy het ook hadden waren zy dog altyd wel vergenoegd en vrolyk.Reis naarBaïe St. Paul.Op verzoek van den Gouverneur Generaal en denMarquis de laGalissonièrehad ik met enigeFranscheHeren party gemaakt om de zo genoemde zilver- of liever loodmyn byBaïe St. Paulte gaan bezigtigen. Ik aanvaarde deze gelegenheid om een groot deel van ’t Land te zien met vermaak. Wy gingen dan des morgens den 29. Aug. met ene schuit deSt. Laurenceaf op reis.

Het Hospitaal.Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen mogt.Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken, waarvan men in deEngelscheVolkplantingen niets weet. Op de straat neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met het krullen en poederen van ’t hair, daar zig deEngelschevrouwen in de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten rang, alleen[134]de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm. By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker inZwedenzulk een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor eneFlora Canadensisen diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van veleAmerikaanscheplanten maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten vanKanadaaanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar ’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook inZwedenin ’t wild wassen, zo dat ten noordenQuebecmeer dan het vierde deel der daar vallende plantenZweedschenzyn. Den enen of anderen boom evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.Rendiermos.HetRendiermos106wies vry overvloedig in de bosschen rondomQuebec. De HeerGaulthieren anderen zeiden dat deFranschen, wanneer zy op lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder deWildente dryven, hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het welk enigsins voedzaam zynzoude. VerscheidenFranschen, die inTerra Labradorgeweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken deFranschenen deWildenhier te landeCaribouxheten, verhaalden dat de gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit van uitziet.Jesuieten.Den 10. Augustus at ik by deJesuieten. Ik had twee dagen te voren hun een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel naar een Paleis. Het is van steen,[135]drie verdiepingen hoog, zonder de zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge lieden die tot aanstaandeJesuietengeschikt zyn, en daar opgebragt worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene bedienden worden hier niet toegelaten.Geestelyken.Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken,Jesuieten,Priesters,Barrevoeters, andersRecollects. DeJesuietenzyn voor zeker de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het beeld van enenBarrevoeterte maken men genoeg heeft aan ene byl, om enenPriesteraftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enenJesuiette schilderen moet men een pinceel hebben.107DeJesuietenzyn gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten. Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle deJesuietengevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. TeMontrealhebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen, dog laten dat gaarne[136]aan dePriestersover. Hun enige arbeid hier te Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerdenWildentoekomt, woont eenJesuietof twee, die op dezelven agt geven. Dus vindt menJesuietenby de bekeerde Heidenen teTadoussac, teLorette, teBesancourt, teSt.François, teSaut St. Louis, en overal waar zig bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp vanWildenenenJesuietvinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de lugt te moeten wezen, en in de hutten derWilden, waar het van vloyen en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan deJesuieten, ten dele om deWildente bekeren, en ten dele met inzigten van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van deJesuieten, dewyl zy deWildentot alles brengen kunnen, gelyk als om deEngelschente beoorlogen, alle hunne pelteryen aan deFranschente leveren, of deEngelschente beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit alles is niet geheel zonder gevaar; want als deWildendronken zyn gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy maar de drank denJesuietheeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige bezigheden derJesuietenhier te Lande. Zy gaan in de Steden gene kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om ’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog totPriestersneemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt ’er by het maken van enenMonnik. DeJesuieteninKanadazyn allen uitFrankrykovergekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn, die inKanadageboren waren, zyn naarFrankrykgegaan en daar onder deJesuietenaangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf teQuebeclag een derPriesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt neder, en ging tot deJesuietenover; het welk den overigenPriestersniet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel zyn ’erPriestersom dienst te doen by alle[137]de gemeentens die denJesuietenschattingen betalen. De Bisschop stelt diePriestersaan. Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.Na den middag bezogt ik het zogenaamdeSeminarium, of het huis waar alle dePriestersby malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren van hetSeminariumgaven in beleefdheid denJesuietenniet veel toe, en ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.DePriestersmaken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die der nieuw bekeerdeWildenuitgenomen, worden vanPriestersbediend. Ook hebben zy enige zendelingschappen. InKanadazyn tweeSeminaria, een teQuebecen een teMontreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van malkander afhangen. DePriestersvan ’tSeminariumteMontrealzyn allen van de order vanSt. Sulpicius, en bedienen alleen maar de gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de andere Kerken behoren tot hetSeminariumvanQuebec. DePriestersvanSt. Sulpiciuskomen allen uitFrankryk, en men verzekerde dat ’er noit een uitKanadageboortig was onder geweest. Dog in hetSeminariumvanQuebeczyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel teQuebecals teSt. Joachimscholen opgeregt, waarin de jeugd in hetLatynen andere wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten aan. In ’tLatynschynen velen het niet ver gebragt te hebben, want, schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks hetBreviariumin ’tLatynlezen, wisten egter de minsten het te spreken. Alle dePriestersuit hetSeminariumvanQuebecworden door den Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden denSeminariagrote inkomsten geschonken. Dat vanQuebecheeft jaarlyks meer dan dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde derSt. LaurencevanQuebecaf totBaïe St. Paultoe behoort datSeminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drieArpentsin de langte eenEcu’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. HetSeminariumvanMontrealis eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizendLivresaan renten trekt, zonder te rekenen wat dePriestersvan[138]hun ampt weten te maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan hetSeminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van krygen. En daar datSeminariummaar uit zestien Priesters bestaat, en meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er alle jaren grote sommen naarFrankrykaan hetHoofd-seminariumovergemaakt. De inkomsten van hetSeminariumteQuebecworden tot het onderhoud derPriestersin hetSeminariumen tot dat van sommige jongelingen, die totPriestersopgebragt worden, besteed. DePriestersten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is, wordt het hem somtyds vergund in hetSeminariumte komen, en daar zyne dagen te eindigen. ElkSeminariumstelt dePriestersop zyne landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de Priesters.Barrevoeters.DeBarrevoetersofRecollectsmaken het derde soort van Geestelyken uit. Zy worden ookFranciskaner Monnikkengenoemd, dewyl zy volgens den regel vanSt. Franciscusleven. Zy bezitten teQuebeceen tamelyk groot en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote schone tuin, dien zy zelven onderhouden. TeMontrealen teTrois Rivièresis hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy krygen. Ten dien einde hebben zy enigeFratres, of jonge Monnikken, die met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by deWilden. In elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en tweehonderdLivres’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars behorende worden aangezien. Als eenPasteurten platten lande sterft en de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer Monnikken derwaards tot[139]dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer Monnikken komt uitFrankrykover, dog een deel van hun zyn inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen, uitgenomen een enkeldeAugustyner, die met de schepen overkomt, dog ook weer henen gaat.Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den HeerGaulthierbuiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd. Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van ’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden, het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal even zo ingerigt als dat vanQuebec. Op verzoek van den Gouverneur Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den HeerGaulthierbragt my de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon ’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster. De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een paar kleinebureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel, dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag ’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet ’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen omtrent den middag by enen ouden eerwaardigenBarrevoeterspyzen, die het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was van een groot Heer. Ook schonk men ’er[140]verscheiden’ soorten van wyn. Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte goederen de Koning inKanadaaan alle die Geestelyken weggeschonken heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest hebben overgehouden.Brambozen.Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp, en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in suiker ingemaakt. DeSorbus aucupariais tamelyk gemeen in de bosschen.Winden.De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.Lugtsgesteldheid.Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschenQuebecenMontrealwordt als zeer groot beschreven. TeMontrealis het met de winden en het weer gantsch anders als teQuebecgesteld. Ook is daar de winter ver na zo koud niet. ByMontrealwassen schone Peren, dog teQuebeckomen die niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. TeQuebecvalt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook worden teMontrealde vrugten vroeger ryp.Den 12. Aug. ging ik na den middag metJungstromnaar buiten, om daar enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enenAmerikaanvanLorettelaten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te leren dat deWildenvan de planten maken. Deze man was een geborenEngelschman, die dertig jaren geleden van deWildenvanLorettenog een kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert altyd onder hun gebleven, had denRoomschenGodsdienst aangenomen, en was met eneAmerikaanschevrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andereWildengekleed, en sprakEngelsch,Fransch, nevens verscheiden onder deWildengebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen deFranschenen de[141]Engelschenhebben deWildendie bondgenoten der Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in deEngelscheVolkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft gemaakt dat het bloed derWildeninKanadazeer met dat derEuropersvermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel derEuropischegevangenen, die deWildendus onder hun ingelyfd hebben, vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen liever de losse levenswys derWildente blyven leiden dan weder by hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk deWilden, zodat men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden vanFranschendie tot deWildenovergegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben. Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een derWildenzig onder deEuropersbegeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer zy in den oorlog in de handen derEuropersgeraakt zyn hebben zy altyd gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy enige jaren onder deEuropeanengeweest, en al hadden zy alle de vryheden genoten welken deEuropeanenzelven bezitten.Landsgesteldheid.Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe, te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere. Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag menQuebec, en een deel derSt. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen. Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook evenwydig met de Rivier,[142]of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat dekalkleyeneven zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.Weilanden.De hoge weilanden inKanadazyn voortreffelyk goed, en hebben veel vooruit boven die genen welken ik in deEngelscheVolkplantingen gezien heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk dePoa angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje voortbrengt.108Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt voor eneAgrostiskonde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond digt en dik, en dePoawas tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den wortel derPoawas de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’ voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente te laat begint.Hoi.Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool, kawoerden enmeloenen. De braaklanden wierden[143]des zomers niet omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep ’er den gehelen zomer op.109Huizen.De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen, zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer, omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk byTrois Rivièresgegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid. Des zomers neemt men de kacchels weg.Lorette.Des avonds kwamen wy teLoretteaan, en namen ons verblyf by deJesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft van de gewassen die men hier ontmoet worden ook inZwedengevonden.Kerssenbomen.Men zag hier twee soorten van wildeKerssenbomen, die egter maar verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden inKanadazeer gemeen, en de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamdeKerssenbomenwaren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak.110[144]Nieswortel.DeDriebladerige Nieswortel111wies in grote menigte in de bosschen. Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren, en had gemeenlyk deOxalis Acetocellaen deCircæa Alpinatot gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen zaad. Dit gewas werd van deFranschenTissavoyanne jaunegeheten. DeWildengebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. DeFranschen, in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.Bomen.Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de vlaktens vanKanadagezien had. Ook belette ons het hout waarmede de berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of deCarpinus Ostrya, deAmerikaanscheOlm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven heb, de Beuk, deBetula nigra, de Sorberboom, deKanadaschePynboom,Perussegenaamd, deViburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven Kerssenboom, en deBesdragende Taxus.Muggen.Muggenvonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de huid met ene menigte van builen opzwellen. DeJesuietenteLorettezeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede wiessche.Des avonds kwamen wy weder teLoretteterug, na dat wy de planten, die aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig aangetekend en beschreven hadden.Lorette.Loretteis een dorp, drieFr.mylen ten westen vanQuebec. Het wierd byna alleen vanWilden, tot deHuronsbehorende, bewoond, welken denRoomschenGodsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de aankomst van den VaderJesuietalhier woonden deAmerikanenin hutten, gelyk die derLaplanders;[145]dog sedert hebben zy deFranschenin ’t bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens ’t gebruik vanKanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft naar die vanSanta CasateLoretteinItalie, naar welke plaats het dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor dePriesters, zynde twee VadersJesuieten, die hier altyd wonen. Men is hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel deWilden, en vooral derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De meesten dezerHuronsgaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog de mans hebben gaarn een vest aan gelyk deFranschen. De vrouwen egter houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de voorouders dezerWilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden enen beschonken ziet, schoon anders deWildenhun leven voor den brandewyn laten zouden.Behalven in het bouwen volgen dezeAmerikanendeFranschenin vele dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene Zonnebloemen112op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunneSagamiteof Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy ryp. De molens komen denJesuietentoe, die voor alles wat ’er gemaald wordt geld ontvangen.Men heeft tot ene proeve inKanadaenige van deZweedschewinterweit en winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn, dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men inFrankryktegens den winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr.Sarracin, gelyk my de oudste derJesuietenvertelde, een weinigZweedschwinterkoorn doen komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is waar, schenen wel zo zwaar niet als hetKanadaschgraan; dog in gewigt wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan[146]hier uit het zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als inFrankrykuit het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uitZwedenofNoorwegengekomen was. DeFranschenhadden ondervonden dat het wintergraan uitFrankrykhier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te worden. En dit deed hen in ’t beginKanadavoor een slegt en onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de noordelykste delen vanEuropate doen komen, en dit slaagde wel. Ik keerde den 14. terug naarQuebec, makende langs den weg enige kruidkundige aanmerkingen.Nieuwe Gouverneur.Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheelKanada, deMarquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S. uitFrankrykuitgezeild, en hadQuebecniet eerder dan nu konnen bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op deSt. Laurencevan wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest vanMaria’s Hemelvaart, dat in alleRoomscheLanden zeer stiptelyk gevierd wordt. Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize van den HeerDeVaudreuil, die onlangs tot Gouverneur vanTrois Rivièresbenoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader was Gouverneur Generaal geweest. DeMarquis de laGalissonièrekwam hier ook, die tot nog GouverneurGeneraalgeweest was, en thans op zyn vertrek naarFrankrykstond. Hy wierd begeleid door de voornaamste Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen. Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door denMarquis de laGalissonièreontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden[147]rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers. Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad, hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan tafel.DeMarquis de la Jonquièrewas lang van persoon, en iets boven de zestig jaren oud. Hy had in den laatstgeeindigdenoorlog enen hevigen zeeslag aan deEngelschengeleverd, dog was door de overmagt gedwongen geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.Middel om de dranken koel te houden.Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben. Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de flesschen in de zon.113[148]Omgang.De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw, dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den gantschen tyd al zingende.Thuya.DeThuya occidentaliswies zeer overvloedig inKanada, dog niet zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was inNew York, een weinig vanSaratoga, en byCasses, omtrent op de breedte van 42.gr.10.min.De HeerBartramhad ’er egter enen boom van inVirginiegezien, digt by de plaats op de RivierJamesdieThe Fallsgenoemd wordt. Ook verzekerde Dr.Coldendat hy hem op verscheiden plaatsen rondom zyn LandgoedColdingham, tusschenNew YorkenAlbany, omtrent op de breedte van 41.gr.30.min.gezien had. DeFranschendoor gantschKanada, zo wel als deEngelschenenHollandersteAlbanynoemen hem denWitten Ceder. DeEngelscheninVirginiehebben enen daar groeyendenThuyaden naam vanJeneverboomgegeven.Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er gemeenlyk ook enigeThuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de kloven der bergen vond men hem dikwyls[149]genoeg; dog hy wierd daar ook niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte had ’er honderd twee en veertig.114De Inwoonders vanKanadagebruiken dezen boom om heiningen te maken, dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De palissades voor de vestingwerken waren byna allen vanThuyahout. Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken. Zulke bezems komen deWildente koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt dat men andere soorten van bezems inKanadagebruikte. De varsche takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds de bezems van zig geven.In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De Kommandant vanFort St. Frederic, de Heerde Lusignan, wist zyne werking tegens de pynen van hetRhumatismusniet genoeg te pryzen. Men stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort vanPolypodium,115een vyfde van de zaadhuisjes derThuya, en maakt ’er een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen voortreffelyk goed gevonden. EenIroquoisvertelde ons dat het afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. OmstreeksSaratogadrinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst[150]van September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden andere bomen vanNoord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen, wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent denAhorn, denSassafras, denwitten Dennenboom, de zogenaamdePerusse, denMoerbezieboom, en anderen.Den 7. Aug. ging ik. hetUrseliner Nonnenkloosterbezigtigen. De inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters. Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van denMarquis de laGalissonière, verworven. Ik ging ’er met den HeerGaulthiernaar toe. De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de HeerGaulthier, en ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd, waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork, servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep stilzwygen[151]gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest; maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.Omtrent een vierde van eneZweedschemyl westwaards vanQuebecis ene minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk naar. De HeerGaulthierhad het met enen goeden uitslag in verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.Slangen.Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondomQuebecgene giftige slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte vanKanadamoet men omzigtiger zyn.Mieren.Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen, gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die denZweedschenvolkomen gelyk dog wat kleinder waren.Wilde Volken.Den 21. Augustus waren ’er enigen uit de drieAmerikaanscheVolken, namelyk deHurons, deMikmaks, en deAnies,116by den Gouverneur Generaal. DeAnieszyn een soort vanIroquoizen, en bondgenoten derEngelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.Hurons.DeHuronsbehoren tot die zelveAmerikanendie teLorettewonen, en den Christelyken Godsdienst aangenomen hebben. Zy zyn zeer lang, sterk, grof van leden, welgemaakt, en koperkleurig. Zy hadden kort zwart hair, dat op het voorhoofd van het ene oor tot het andere afgeschoren was. Geen van hun droeg hoed of muts. Enigen hadden oorringen, anderen niet. Verscheidenen hadden het gantsche aangezigt met vermilioen beschilderd; dog anderen hadden alleen maar enige dwarsstrepen op het voorhoofd en by de oren. Ook waren ’er die het hair met vermilioen besmeerd hadden. De rode kleur is het voornamelyk waar zy zig mede beschilderen; egter heb ik ’er enigen gezien die ’t aangezigt met zwart bestreken hadden. Velen hadden in ’t aangezigt en op het lyf verscheiden’ figuren, welken daar zo op gemaakt waren dat zy noit uitgingen. Hoe dit geschiedt zal ik in ’t vervolg melden. Deze figuren zyn allen zwart. Sommigen hadden op elke wang ene slang, anderen enige kruissen, wederom anderen enen pyl, ene zon, of iets anders, zo als het hun in ’t hoofd gekomen was. Diergelyke figuren hadden zy ook op de borst, en andere delen van het lichaam. Dog sommigen hadden ’er geen in ’t geheel. Zy droegen een hembd, wit[152]of blauw gestreept, en een hairig dek, blauw of wit, met ene rode of blauwe streep om den rand. Somtyds was het dek zelf rood. Die dek hadden zy altyd op de schouders, of lieten het afhangen, en sloegen het dan om de middel. Om den hals droegen sommigen ene ketting van violetteWampumsmet kleine witteWampumsdaar tusschen. DezeWampumswaren klein, van gedaante als ene langwerpige parel, en van die mosselen welken deEngelschenClams117noemen gemaakt. In ’t vervolg zal ik ’er meer van zeggen. Aan deze Wampumketting hadden velen voor op de borst een stukFranschzilvergeld hangen, met het beeld des Konings daarop. Anderen wederom droegen daaraan ene grote sneuwwitte mosselschaal, diergelyken zy zeer hoog schatten, en die zeer duur zyn. Daar waren ’er die niets om den hals hadden. Alleen gingen zy met de borst bloot. Voor het lyf hebben zy ene tabaksbeurs van beestenvellen gemaakt, met de hairige zyde buitenwaards. Hunne schoenen waren van vellen, en geleken veel naar de schoenen zonder hakken welken de Vrouwen inFinlanddragen. Sommigen hadden hunne schoenen met vermilioen beschilderd. In plaats van koussen hadden zy blauwe doeken om de benen en dyen gewonden, op de zelve wys als ik het wel by deRussischeboeren gezien heb.Mikmaks.DeMikmakswaren gelyk deHuronsgekleed, uitgenomen dat zy lange, ongekrulde, pekzwarte hairen hadden, die boven over de schouders afhingen. Byna alle deze Volken hebben pekzwart en ongekruld hair, enige weinigen heb ik ’er egter gezien wier hair tamelyk gekroest was. Dog men moet aanmerken dat het hier inKanadazeer moeilyk is van de wezenstrekken derAmerikanenwel te oordelen, dewyl hun bloed met dat derEuroperszeer vermengd is, het zy door middel van gevangen’ kinderen die zy onder zig aangenomen hebben, het zy van wegens veleFranschen, die op hunne reizen door het Land ook het hunne gedaan hebben tot de vermeerdering van de huisgezinnen derWilden, dewyl de vrouwen van dien landaard niet ongerieflyk zyn. DezeMikmakswaren door de bank zo groot en kloek niet als deHurons. Ik heb geneWildengezien die zo lang hair hadden als dezen. Hunne taal was ook van die derHuronsonderscheiden; en om die reden wordt ’er een tolk voor dezelve onderhouden.Anies.DeAniesmaakten het derde volk uit dat men hier zag. Van dezen, bondgenoten derEngelschen, waren in den laatsten oorlog vyftig man opgetrokken om rondomMontrealte plonderen. Dog deFranschen, van hun voornemen onderrigt, stelden ene hinderlaag toe, en schoten by ’t eerste vuurgeven ’er vierenveertig van over hoop, zo dat ’er maar de vier die nu hier waren, en twee anderen die thans ziek lagen, het[153]leven ’er van afbragten. Zy spraken dezelve taal als deHurons, en waren ook zo kloek. Dog deHuronsschenen langwerpige en deAniesrondagtige aangezigten te hebben. DezeAnieszagen ’er vry wreed uit; hunne kleding egter was als die der overigeWilden, alleen hadden zy agter in den nek een lang rondagtig stuk tin in ’t hair gebonden. Een van hun had ene bloem midden in ’t hair op den kop. Ieder byna van dezeWildenhad zyne tabakspyp by zig, die van grauwen kalksteen gemaakt was, en enen langen houten steel had. Hier waren niets dan manspersonen. Toen de Gouverneur Generaal hun gehoor verleende gingen deMikmaksop den grond in de zaal zitten, gelyk deLaplandersgewoon zyn. Dog de anderen zaten op stoelen.Boekdrukkery.InKanadawas thans gene Boekdrukkery, schoon ’er voor dezen ene geweest is. Alle de boeken kwamen uitFrankrykover, en alle wetten endiergelyke wierdengeschreven, het geen zig zelfs tot het papieren geld hier te lande toe uitstrekte. Men gaf voor dat men hier gene drukkery hebben wilde om voor te komen dat ’er kwade boeken, tegens den godsdienst, de regering of de goede zeden gedrukt en verspreid werden, als of dit niet door geschreven boeken konde geschieden. Dog de ware reden zal, denk ik, deze zyn, dat aangezien de armoede des lands een Drukker zyn bestaan hier niet zou kunnen winnen, en ten dele ook omFrankrykhet voordeel te geven van boeken herwaards te kunnen zenden.Maaltyden.De Maaltyden waren hier in vele stukken zeer verschillende van die men in deEngelscheVolkplantingen hield, het welk veelligt van het onderscheid dat ’er tusschen de twee volken in smaak, zeden, en godsdienst heerscht, afhangt. Men at hier driemaal daags, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Men ontbeet gemeenlyk tusschen zeven en agt uur. DeFranschenstonden hier meest vroeg op, zo dat men zelfs om zeven uur den Gouverneur reeds spreken kon. Ook was dat de tyd om hem zyne opwagting te maken, en enig verzoek te doen. Men ontbyt op velerhande wyzen. Sommige mans gebruiken een stuk broods in brandewyn gedoopt, anderen namen een slokje brandewyn met een stuk broods toe. Chokolade wordt ook veel gebruikt. De meeste vrouwen, en ook vele mans, drinken koffi met een weinig melks. Sommigen ontbyten in ’t geheel niet. Ik zag hier noit thee gebruiken, misschien om dat men koffi en chokolade uit deFranschezuidelykeAmerikaanscheProvincien krygen kan, dog de thee uitChinahalen moet, voor de welke men niet nutteloos het geld buiten het land zenden wil. Ook zag ik nergens boterhammen by ’t ontbyt gebruiken. De middagmaaltyd wierd gemeenlyk om twaalf uur gehouden. By de aanzienlyksten komen vele geregten op tafel, en de overigen volgen hen na als zy gasten hebben. De broden waren gemeenlyk van weit en langwerpig.[154]Voor elk mensch legt men een bord, ene vork, lepel, en servet. In deEngelschevolkplantingen heeft men zelden servetten op tafel. Op verscheiden’ plaatsen legt men ’er ook een mes by, dog op de meesten niet, en daar brengt ieder, vrouwen zo wel als mans, zyn eigen mes mede. De lepels en vorken waren gemeenlyk van zilver, en de borden meest vanDelfschporcelein. De maaltyd begint met soep vol van brood. Dan komt ’er vleesch, op velerlei wyze toebereid, ragouts, gevogelte, en diergelyken, te gelyk met salade. Over tafel drinkt men meest rodenFranschenwyn, gemeenlyk met water. Ook drinkt men ’er somtyds een zeker soort van bier, van sparrebomentakken gebrouwen. De vrouwen gebruiken meest water, ook wel een weinig wyns, dog geen bier. Men had vryheid in ’t drinken, en kreeg de flesschen by zig op tafel. Het nageregt bestond uit verscheiden’ konfituren, kaas, en melk, welke men met suiker op het laatst gebruikte. Vrydags en zaterdags at men geen vleesch, dog leed daarom geen honger. Men krygt dan allerlei moeskruiden en visch, welken laatsten men op andere dagen zelden eet. Men gebruikt veel konkommers in schyven gesneden in room, het geen zeer goed is. Ook eet men ze somtyds alleen gelyk radys. De meloenen gebruikt men altyd met suiker. In den wyn en den brandewyn doet men hier en by deEngelschennoit suiker, waarvan men inZwedenwel eens zoveel gebruikt dan hier. Men bidt nog dankt hier niet voor of na den maaltyd, dog maakt een kruis, het geen ook sommigen wel vergeten. Na het eten drinkt men ten eersten een kopje koffi zonder melk. Des avonds eet men meest om zeven uur en iets later, en de geregten zyn dan byna de zelven als des middags.Puddingenpunchontmoet men hier niet, schoon zy denpunchwel kennen.Honden die water halen.Men had hier op verscheiden plaatsen honden gewend water uit de Rivier te halen. Ik zag den 23. Aug. twee grote Honden voor een wagentje agter malkander gespannen. Zy hadden nette tuigen op het lyf, en enen toom in den bek, gelyk de paarden. Op het wagentje stond ene ton. Zy wierden van een jongetje geregeerd dat agter den wagen liep. Als zy aan de Rivier kwamen sprongen zy ’er van zelven in, en dan vult men de ton. Dit gedaan zynde trekken de honden het wagentje weer den berg op en naar huis. In ’t vervolg zag ik byna alle dagen teQuebechonden met wagentjes naar de Rivier lopen. Somtyds was ’er maar een hond voor. Die honden waren zelden groot. De jongens die ’er by zyn hebben lange zwepen in de hand. Ik zag op deze wys niet alleen water, maar ook hout en andere dingen halen. Des winters pleegt men dikwyls inKanada, als men op reis is, honden voor kleine daartoe gemaakte sleden te spannen, waarop men zyn reistuig en andere dingen legt. Gemene lieden gebruiken ze op deze wys gemeenlyk als zy des winters reizen, en gaan zelven te voet. Byna al het[155]hout, dat de arme menschen ’s winters uit de bosschen halen, wordt hun door honden toegevoerd, waarom men die honden ook de paarden der armen noemt. Zy spannen ’er dan meest twee agter malkander voor ieder voer. Ook vertoonde men my een paar daartoe met voordagt gemaakte nette sleden, waarin ene vrouw zitten kon, welken door twee honden getrokken werden, die ’er, als de baan glad was, groter spoed mede konden maken dan men wel denken zou. Een hond van middelmatige grootte is dan in staat een mensch te trekken. Oude lieden hebben my verhaald dat ’er in hunne kindschheid weinig paarden in het land waren, en de inwoonders toen des winters alle hunne vragten door honden deden trekken. VerscheidenFranschen, die ’s winters naarTerra Labradorgereisd waren, verhaalden, dat deEskimaus, welken dat land bewonen, niet alleen hunne goederen van honden op sleden trekken laten, maar dat zy zelven op sleden door honden getrokken op het ys ryden.Bronnen.De hoogtens ten westen buiten de Stad brengen vele bronnen voort. Alle deze heuvels bestaan uit de voorheen gemelde kalkleyen, en zyn aan den westkant tamelyk steil, zo dat het moeilyk is ze te beklimmen. Hunne loodregte hoogte bedraagt omtrent tien of twaalf vademen. Boven op zyn zy zonder hout, en met ene dunne korst van aarde, die men tot koornlanden of weiden gebruikt, bedekt. Het is onbegryplyk hoe deze naakte heuvels aan al dit water komen dat ’er van komt af vloeyen. Zouden deze heuvelen de eigenschap hebben van het water uit de lugt, het zy by dag of by nagt, aan te trekken; en zouden de bergen die uit leyen bestaan daar bekwamer toe zyn dan anderen?Paarden.De Paarden inKanada, oorspronglyk uitFrankrykherwaards gebragt, zyn van een goed soort, sterk, vlug, en zo groot als goede Ruiterspaarden. Men hakt hun hier, gelyk als inEngeland, de staarten af, waardoor men de arme dieren van hunne wapenen tegens de menigvuldige vliegen en ander ongedierte berooft. Als de paarden trekken moeten spant men ze agter malkander, dog zelden meer dan drie. En dit zal misschien de reden wezen waarom men den paarden de staarten kort, op dat het voorste het agterste daar mede niet in de ogen slaan mogte. Men ziet zelden wagens met vier wielen, maar meest karren. De Gouverneur en enigen weinigen der voornaamste Heren gebruiken hier koetsen; de overigen vergenoegen zig met open chaises. Men klaagde in ’t algemeen dat de Boeren te veel paarden begonnen aan te fokken, waardoor des winters het voeder voor de koeyen te kort schoot.Koeyen.De Koeyen waren hier ook uitFrankrykgebragt. Zy waren zo groot als onzeZweedschen. Men zeide dat het vee hier te lande kleinder wierd, en schreef het aan de koude der winters toe, gedurende den welken[156]men ze zes maanden lang genoodzaakt is opgesloten te houden, en ze matiglyk te voeren, uit vrees van gebrek. De meesten hadden hoornen, enigen alleen uitgenomen. Dog inPensylvaniewas het ene ongehoorde zaak ene koe zonder hoorns te zien. Zoude de koude hier iets toe doen? Melk geven de koeyen hier zo veel als inFrankryk. Het ossen- en kalfsvleesch teQuebecwordt voor beter dan dat teMontrealgehouden, het welk sommigen aan de brakagtige weiden die hier leggen toeschryven. Dog dit kan alleen de reden niet zyn, want het minste vee dat teQuebecverkoftwordt heeft op biezengras118geweid. InKanadatrokken de ossen met de hoorns; maar in deEngelschevolkplantingen met de schoften, gelyk de paarden doen. De koeyen waren hier van allerlei kleuren, dog de meesten egter zwart of ros.Schapen.Ieder Boer houdt hier gemeenlyk enige Schapen, van de welken hy zo veel wol wint als hy tot zyne kleding van noden heeft. De beste lakens evenwel komen uitFrankryk. De wol der schapen uitFrankrykhier gebragt wordt, als het vee enigen tyd is hier geweest, grof en harder dan zy geweest is. En dit is nog erger by de voorttelingen. Men schreef dit aan ’t gebrek toe dat de schapen des winters lyden moeten.Geiten.Geiten heb ik nergens inKanadagezien; ook zeide men dat ’er gene waren. In deEngelschevolkplantingen zag ik ’er ook maar enigen, en dat op maar ene plaats. Ook worden zy daar alleen maar gehouden om de melk in sommige ziektens te hebben.Eggen.De Eggen zyn hier driehoekig, met twee der zyden van zes, en de derde van vier voet breedte. De tanden en al het overige is van hout. De tanden zyn omtrent vyf duimen lang, en staan ook zo veel van malkander af.Schoon uitzicht.Het gezigt een vierde van ene myl ten noorden vanQuebecis verrukkelyk. Het land gaat afhellende naar de Rivier toe, en hoe verder men van dezelve afkomt des te hoger wordt het. Op vele plaatsen was het door de natuur in terrassen verdeeld, die de ene boven de andere leggen. Van deze hoogtens ken men ver rondom heen zien.Quebecvertoonde zig zeer duidelyk naar het zuiden. Ten oosten zag men de schepen op deSt. Laurencezeilen. Naar ’t westen lagen de hoge bergen in de welken zig deze hoogtens verliezen. Al het land was bebouwd of tot weiden gemaakt. Hier en daar zag men een klein boschje, dat ’er nog van de oude zware bosschen was overgebleven. De akkers waren merendeels met weit, dog ook tamelyk veel met witten haver, en op sommige plaatsen met erwten bezaid. Ander graan vond men hier niet. Men zag schone huizen en boerderyen, die egter allen van malkander afgescheiden lagen. De woonhuizen waren gemeenlyk van zwarte kalkleyen[157]gebouwd en van buiten gewit. Verscheiden beken stroomden van de hoge bergen van het ene terras op het andere naar beneden. Deze hoogtens onder de bergen gelegen bestonden geheel en al uit zwarte kalklei, die in de opene lugt in schyven splyt. Boven op de zelve lag de aarde ter dikte van ene halve tot drie ellen toe, welke aarde met kleine stukken van de lei vol was. De beken hadden zig gemeenlyk een diep bed uitgehold, en hare kanten bestonden merendeels louter uit lei. Nu en dan vond men in de dikker lagen enen donker grauwen kalksteen, die, aan stukken gebroken zynde, gelyk als stinksteen rook.Schepen getimmerd.Men was thans bezig, voor ’s Konings rekening alhier verscheiden schepen te bouwen; dog voor myn vertrek vanQuebeckwam ’er bevel gene nieuwen op stapel te brengen, en alleen die aftemaken welken men begonnen had. De reden hiervan was dat men ondervonden had dat de schepen vanAmerikaanscheiken hout getimmerd in verre na zo lang niet goed blyven als die vanEuropischhout gebouwd zyn. ByQuebecwast weinig eiken hout, en de eikenbomen die daar vallen zyn gemeenlyk zo klein dat zy tot weinig deugen. Men laat om die reden het timmerhout uit die oorden vanKanadahalen die aanNieuw Engelandgrenzen. Alle de eiken inNoord Amerikahebben die eigenschap, dat hoe meer noordelyk zy groeyen zy des te beter tegens de verrotting bestand zyn. Het hout wordt met vlotten langs de stromen, die van de grenzen vanNieuw Engelandkomen, en die omstreeks vanLac St. Pierrein deSt. Laurencevallen, naarQuebecgebragt. Ook komt ’er enig hout uit het land tusschenMontrealenFort St. Frederic. Dog dit hout wierd niet voor zo goed gehouden als het vorige; ook moest het van verder komen.Groene aarde.Den 26. Aug. vertoonde men my ene groene aarde, die denMarquis de laGalissonièrevan boven uitKanadagezonden was. Het was een soort van klei, die sterk aan een kleefde, en door en door de kleur had van kopergroen.119Kreeften.Door geheelKanadavindt menKreeftenin de beken en stromen, van den zelven aard als de onzen. DeFranschenhouden ’er veel van. Ook zeide men dat zy door de menigte die ’er van gevangen wordt zeer verminderd waren.Het gemene volk hier te lande scheen zeer arm te zyn. Zy hadden maar eventjes den kost. Weinig lieden van den lageren stand bezitten enige rykdommen. Zy waren meesten tyd te vreden als zy droog brood en water konden hebben. Het overige dat zy van levensmiddelen hadden, als vleesch, visch, eyeren, hoenders, boter, kaas en diergelyken, bragten zy in de Stad om te verkopen. Van dat geldkoftenzy klederen, brandewyn,[158]en opschik voor de vrouwen. Maar hoe mager zy het ook hadden waren zy dog altyd wel vergenoegd en vrolyk.Reis naarBaïe St. Paul.Op verzoek van den Gouverneur Generaal en denMarquis de laGalissonièrehad ik met enigeFranscheHeren party gemaakt om de zo genoemde zilver- of liever loodmyn byBaïe St. Paulte gaan bezigtigen. Ik aanvaarde deze gelegenheid om een groot deel van ’t Land te zien met vermaak. Wy gingen dan des morgens den 29. Aug. met ene schuit deSt. Laurenceaf op reis.

Het Hospitaal.Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen mogt.Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken, waarvan men in deEngelscheVolkplantingen niets weet. Op de straat neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met het krullen en poederen van ’t hair, daar zig deEngelschevrouwen in de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten rang, alleen[134]de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm. By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker inZwedenzulk een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor eneFlora Canadensisen diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van veleAmerikaanscheplanten maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten vanKanadaaanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar ’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook inZwedenin ’t wild wassen, zo dat ten noordenQuebecmeer dan het vierde deel der daar vallende plantenZweedschenzyn. Den enen of anderen boom evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.Rendiermos.HetRendiermos106wies vry overvloedig in de bosschen rondomQuebec. De HeerGaulthieren anderen zeiden dat deFranschen, wanneer zy op lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder deWildente dryven, hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het welk enigsins voedzaam zynzoude. VerscheidenFranschen, die inTerra Labradorgeweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken deFranschenen deWildenhier te landeCaribouxheten, verhaalden dat de gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit van uitziet.Jesuieten.Den 10. Augustus at ik by deJesuieten. Ik had twee dagen te voren hun een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel naar een Paleis. Het is van steen,[135]drie verdiepingen hoog, zonder de zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge lieden die tot aanstaandeJesuietengeschikt zyn, en daar opgebragt worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene bedienden worden hier niet toegelaten.Geestelyken.Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken,Jesuieten,Priesters,Barrevoeters, andersRecollects. DeJesuietenzyn voor zeker de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het beeld van enenBarrevoeterte maken men genoeg heeft aan ene byl, om enenPriesteraftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enenJesuiette schilderen moet men een pinceel hebben.107DeJesuietenzyn gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten. Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle deJesuietengevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. TeMontrealhebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen, dog laten dat gaarne[136]aan dePriestersover. Hun enige arbeid hier te Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerdenWildentoekomt, woont eenJesuietof twee, die op dezelven agt geven. Dus vindt menJesuietenby de bekeerde Heidenen teTadoussac, teLorette, teBesancourt, teSt.François, teSaut St. Louis, en overal waar zig bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp vanWildenenenJesuietvinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de lugt te moeten wezen, en in de hutten derWilden, waar het van vloyen en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan deJesuieten, ten dele om deWildente bekeren, en ten dele met inzigten van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van deJesuieten, dewyl zy deWildentot alles brengen kunnen, gelyk als om deEngelschente beoorlogen, alle hunne pelteryen aan deFranschente leveren, of deEngelschente beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit alles is niet geheel zonder gevaar; want als deWildendronken zyn gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy maar de drank denJesuietheeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige bezigheden derJesuietenhier te Lande. Zy gaan in de Steden gene kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om ’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog totPriestersneemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt ’er by het maken van enenMonnik. DeJesuieteninKanadazyn allen uitFrankrykovergekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn, die inKanadageboren waren, zyn naarFrankrykgegaan en daar onder deJesuietenaangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf teQuebeclag een derPriesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt neder, en ging tot deJesuietenover; het welk den overigenPriestersniet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel zyn ’erPriestersom dienst te doen by alle[137]de gemeentens die denJesuietenschattingen betalen. De Bisschop stelt diePriestersaan. Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.Na den middag bezogt ik het zogenaamdeSeminarium, of het huis waar alle dePriestersby malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren van hetSeminariumgaven in beleefdheid denJesuietenniet veel toe, en ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.DePriestersmaken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die der nieuw bekeerdeWildenuitgenomen, worden vanPriestersbediend. Ook hebben zy enige zendelingschappen. InKanadazyn tweeSeminaria, een teQuebecen een teMontreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van malkander afhangen. DePriestersvan ’tSeminariumteMontrealzyn allen van de order vanSt. Sulpicius, en bedienen alleen maar de gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de andere Kerken behoren tot hetSeminariumvanQuebec. DePriestersvanSt. Sulpiciuskomen allen uitFrankryk, en men verzekerde dat ’er noit een uitKanadageboortig was onder geweest. Dog in hetSeminariumvanQuebeczyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel teQuebecals teSt. Joachimscholen opgeregt, waarin de jeugd in hetLatynen andere wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten aan. In ’tLatynschynen velen het niet ver gebragt te hebben, want, schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks hetBreviariumin ’tLatynlezen, wisten egter de minsten het te spreken. Alle dePriestersuit hetSeminariumvanQuebecworden door den Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden denSeminariagrote inkomsten geschonken. Dat vanQuebecheeft jaarlyks meer dan dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde derSt. LaurencevanQuebecaf totBaïe St. Paultoe behoort datSeminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drieArpentsin de langte eenEcu’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. HetSeminariumvanMontrealis eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizendLivresaan renten trekt, zonder te rekenen wat dePriestersvan[138]hun ampt weten te maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan hetSeminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van krygen. En daar datSeminariummaar uit zestien Priesters bestaat, en meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er alle jaren grote sommen naarFrankrykaan hetHoofd-seminariumovergemaakt. De inkomsten van hetSeminariumteQuebecworden tot het onderhoud derPriestersin hetSeminariumen tot dat van sommige jongelingen, die totPriestersopgebragt worden, besteed. DePriestersten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is, wordt het hem somtyds vergund in hetSeminariumte komen, en daar zyne dagen te eindigen. ElkSeminariumstelt dePriestersop zyne landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de Priesters.Barrevoeters.DeBarrevoetersofRecollectsmaken het derde soort van Geestelyken uit. Zy worden ookFranciskaner Monnikkengenoemd, dewyl zy volgens den regel vanSt. Franciscusleven. Zy bezitten teQuebeceen tamelyk groot en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote schone tuin, dien zy zelven onderhouden. TeMontrealen teTrois Rivièresis hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy krygen. Ten dien einde hebben zy enigeFratres, of jonge Monnikken, die met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by deWilden. In elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en tweehonderdLivres’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars behorende worden aangezien. Als eenPasteurten platten lande sterft en de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer Monnikken derwaards tot[139]dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer Monnikken komt uitFrankrykover, dog een deel van hun zyn inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen, uitgenomen een enkeldeAugustyner, die met de schepen overkomt, dog ook weer henen gaat.Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den HeerGaulthierbuiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd. Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van ’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden, het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal even zo ingerigt als dat vanQuebec. Op verzoek van den Gouverneur Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den HeerGaulthierbragt my de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon ’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster. De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een paar kleinebureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel, dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag ’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet ’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen omtrent den middag by enen ouden eerwaardigenBarrevoeterspyzen, die het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was van een groot Heer. Ook schonk men ’er[140]verscheiden’ soorten van wyn. Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte goederen de Koning inKanadaaan alle die Geestelyken weggeschonken heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest hebben overgehouden.Brambozen.Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp, en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in suiker ingemaakt. DeSorbus aucupariais tamelyk gemeen in de bosschen.Winden.De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.Lugtsgesteldheid.Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschenQuebecenMontrealwordt als zeer groot beschreven. TeMontrealis het met de winden en het weer gantsch anders als teQuebecgesteld. Ook is daar de winter ver na zo koud niet. ByMontrealwassen schone Peren, dog teQuebeckomen die niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. TeQuebecvalt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook worden teMontrealde vrugten vroeger ryp.Den 12. Aug. ging ik na den middag metJungstromnaar buiten, om daar enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enenAmerikaanvanLorettelaten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te leren dat deWildenvan de planten maken. Deze man was een geborenEngelschman, die dertig jaren geleden van deWildenvanLorettenog een kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert altyd onder hun gebleven, had denRoomschenGodsdienst aangenomen, en was met eneAmerikaanschevrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andereWildengekleed, en sprakEngelsch,Fransch, nevens verscheiden onder deWildengebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen deFranschenen de[141]Engelschenhebben deWildendie bondgenoten der Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in deEngelscheVolkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft gemaakt dat het bloed derWildeninKanadazeer met dat derEuropersvermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel derEuropischegevangenen, die deWildendus onder hun ingelyfd hebben, vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen liever de losse levenswys derWildente blyven leiden dan weder by hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk deWilden, zodat men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden vanFranschendie tot deWildenovergegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben. Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een derWildenzig onder deEuropersbegeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer zy in den oorlog in de handen derEuropersgeraakt zyn hebben zy altyd gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy enige jaren onder deEuropeanengeweest, en al hadden zy alle de vryheden genoten welken deEuropeanenzelven bezitten.Landsgesteldheid.Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe, te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere. Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag menQuebec, en een deel derSt. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen. Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook evenwydig met de Rivier,[142]of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat dekalkleyeneven zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.Weilanden.De hoge weilanden inKanadazyn voortreffelyk goed, en hebben veel vooruit boven die genen welken ik in deEngelscheVolkplantingen gezien heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk dePoa angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje voortbrengt.108Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt voor eneAgrostiskonde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond digt en dik, en dePoawas tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den wortel derPoawas de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’ voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente te laat begint.Hoi.Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool, kawoerden enmeloenen. De braaklanden wierden[143]des zomers niet omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep ’er den gehelen zomer op.109Huizen.De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen, zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer, omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk byTrois Rivièresgegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid. Des zomers neemt men de kacchels weg.Lorette.Des avonds kwamen wy teLoretteaan, en namen ons verblyf by deJesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft van de gewassen die men hier ontmoet worden ook inZwedengevonden.Kerssenbomen.Men zag hier twee soorten van wildeKerssenbomen, die egter maar verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden inKanadazeer gemeen, en de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamdeKerssenbomenwaren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak.110[144]Nieswortel.DeDriebladerige Nieswortel111wies in grote menigte in de bosschen. Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren, en had gemeenlyk deOxalis Acetocellaen deCircæa Alpinatot gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen zaad. Dit gewas werd van deFranschenTissavoyanne jaunegeheten. DeWildengebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. DeFranschen, in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.Bomen.Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de vlaktens vanKanadagezien had. Ook belette ons het hout waarmede de berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of deCarpinus Ostrya, deAmerikaanscheOlm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven heb, de Beuk, deBetula nigra, de Sorberboom, deKanadaschePynboom,Perussegenaamd, deViburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven Kerssenboom, en deBesdragende Taxus.Muggen.Muggenvonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de huid met ene menigte van builen opzwellen. DeJesuietenteLorettezeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede wiessche.Des avonds kwamen wy weder teLoretteterug, na dat wy de planten, die aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig aangetekend en beschreven hadden.Lorette.Loretteis een dorp, drieFr.mylen ten westen vanQuebec. Het wierd byna alleen vanWilden, tot deHuronsbehorende, bewoond, welken denRoomschenGodsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de aankomst van den VaderJesuietalhier woonden deAmerikanenin hutten, gelyk die derLaplanders;[145]dog sedert hebben zy deFranschenin ’t bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens ’t gebruik vanKanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft naar die vanSanta CasateLoretteinItalie, naar welke plaats het dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor dePriesters, zynde twee VadersJesuieten, die hier altyd wonen. Men is hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel deWilden, en vooral derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De meesten dezerHuronsgaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog de mans hebben gaarn een vest aan gelyk deFranschen. De vrouwen egter houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de voorouders dezerWilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden enen beschonken ziet, schoon anders deWildenhun leven voor den brandewyn laten zouden.Behalven in het bouwen volgen dezeAmerikanendeFranschenin vele dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene Zonnebloemen112op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunneSagamiteof Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy ryp. De molens komen denJesuietentoe, die voor alles wat ’er gemaald wordt geld ontvangen.Men heeft tot ene proeve inKanadaenige van deZweedschewinterweit en winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn, dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men inFrankryktegens den winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr.Sarracin, gelyk my de oudste derJesuietenvertelde, een weinigZweedschwinterkoorn doen komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is waar, schenen wel zo zwaar niet als hetKanadaschgraan; dog in gewigt wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan[146]hier uit het zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als inFrankrykuit het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uitZwedenofNoorwegengekomen was. DeFranschenhadden ondervonden dat het wintergraan uitFrankrykhier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te worden. En dit deed hen in ’t beginKanadavoor een slegt en onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de noordelykste delen vanEuropate doen komen, en dit slaagde wel. Ik keerde den 14. terug naarQuebec, makende langs den weg enige kruidkundige aanmerkingen.Nieuwe Gouverneur.Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheelKanada, deMarquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S. uitFrankrykuitgezeild, en hadQuebecniet eerder dan nu konnen bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op deSt. Laurencevan wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest vanMaria’s Hemelvaart, dat in alleRoomscheLanden zeer stiptelyk gevierd wordt. Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize van den HeerDeVaudreuil, die onlangs tot Gouverneur vanTrois Rivièresbenoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader was Gouverneur Generaal geweest. DeMarquis de laGalissonièrekwam hier ook, die tot nog GouverneurGeneraalgeweest was, en thans op zyn vertrek naarFrankrykstond. Hy wierd begeleid door de voornaamste Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen. Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door denMarquis de laGalissonièreontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden[147]rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers. Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad, hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan tafel.DeMarquis de la Jonquièrewas lang van persoon, en iets boven de zestig jaren oud. Hy had in den laatstgeeindigdenoorlog enen hevigen zeeslag aan deEngelschengeleverd, dog was door de overmagt gedwongen geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.Middel om de dranken koel te houden.Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben. Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de flesschen in de zon.113[148]Omgang.De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw, dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den gantschen tyd al zingende.Thuya.DeThuya occidentaliswies zeer overvloedig inKanada, dog niet zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was inNew York, een weinig vanSaratoga, en byCasses, omtrent op de breedte van 42.gr.10.min.De HeerBartramhad ’er egter enen boom van inVirginiegezien, digt by de plaats op de RivierJamesdieThe Fallsgenoemd wordt. Ook verzekerde Dr.Coldendat hy hem op verscheiden plaatsen rondom zyn LandgoedColdingham, tusschenNew YorkenAlbany, omtrent op de breedte van 41.gr.30.min.gezien had. DeFranschendoor gantschKanada, zo wel als deEngelschenenHollandersteAlbanynoemen hem denWitten Ceder. DeEngelscheninVirginiehebben enen daar groeyendenThuyaden naam vanJeneverboomgegeven.Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er gemeenlyk ook enigeThuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de kloven der bergen vond men hem dikwyls[149]genoeg; dog hy wierd daar ook niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte had ’er honderd twee en veertig.114De Inwoonders vanKanadagebruiken dezen boom om heiningen te maken, dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De palissades voor de vestingwerken waren byna allen vanThuyahout. Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken. Zulke bezems komen deWildente koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt dat men andere soorten van bezems inKanadagebruikte. De varsche takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds de bezems van zig geven.In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De Kommandant vanFort St. Frederic, de Heerde Lusignan, wist zyne werking tegens de pynen van hetRhumatismusniet genoeg te pryzen. Men stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort vanPolypodium,115een vyfde van de zaadhuisjes derThuya, en maakt ’er een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen voortreffelyk goed gevonden. EenIroquoisvertelde ons dat het afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. OmstreeksSaratogadrinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst[150]van September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden andere bomen vanNoord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen, wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent denAhorn, denSassafras, denwitten Dennenboom, de zogenaamdePerusse, denMoerbezieboom, en anderen.Den 7. Aug. ging ik. hetUrseliner Nonnenkloosterbezigtigen. De inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters. Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van denMarquis de laGalissonière, verworven. Ik ging ’er met den HeerGaulthiernaar toe. De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de HeerGaulthier, en ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd, waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork, servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep stilzwygen[151]gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest; maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.Omtrent een vierde van eneZweedschemyl westwaards vanQuebecis ene minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk naar. De HeerGaulthierhad het met enen goeden uitslag in verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.Slangen.Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondomQuebecgene giftige slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte vanKanadamoet men omzigtiger zyn.Mieren.Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen, gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die denZweedschenvolkomen gelyk dog wat kleinder waren.Wilde Volken.Den 21. Augustus waren ’er enigen uit de drieAmerikaanscheVolken, namelyk deHurons, deMikmaks, en deAnies,116by den Gouverneur Generaal. DeAnieszyn een soort vanIroquoizen, en bondgenoten derEngelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.Hurons.DeHuronsbehoren tot die zelveAmerikanendie teLorettewonen, en den Christelyken Godsdienst aangenomen hebben. Zy zyn zeer lang, sterk, grof van leden, welgemaakt, en koperkleurig. Zy hadden kort zwart hair, dat op het voorhoofd van het ene oor tot het andere afgeschoren was. Geen van hun droeg hoed of muts. Enigen hadden oorringen, anderen niet. Verscheidenen hadden het gantsche aangezigt met vermilioen beschilderd; dog anderen hadden alleen maar enige dwarsstrepen op het voorhoofd en by de oren. Ook waren ’er die het hair met vermilioen besmeerd hadden. De rode kleur is het voornamelyk waar zy zig mede beschilderen; egter heb ik ’er enigen gezien die ’t aangezigt met zwart bestreken hadden. Velen hadden in ’t aangezigt en op het lyf verscheiden’ figuren, welken daar zo op gemaakt waren dat zy noit uitgingen. Hoe dit geschiedt zal ik in ’t vervolg melden. Deze figuren zyn allen zwart. Sommigen hadden op elke wang ene slang, anderen enige kruissen, wederom anderen enen pyl, ene zon, of iets anders, zo als het hun in ’t hoofd gekomen was. Diergelyke figuren hadden zy ook op de borst, en andere delen van het lichaam. Dog sommigen hadden ’er geen in ’t geheel. Zy droegen een hembd, wit[152]of blauw gestreept, en een hairig dek, blauw of wit, met ene rode of blauwe streep om den rand. Somtyds was het dek zelf rood. Die dek hadden zy altyd op de schouders, of lieten het afhangen, en sloegen het dan om de middel. Om den hals droegen sommigen ene ketting van violetteWampumsmet kleine witteWampumsdaar tusschen. DezeWampumswaren klein, van gedaante als ene langwerpige parel, en van die mosselen welken deEngelschenClams117noemen gemaakt. In ’t vervolg zal ik ’er meer van zeggen. Aan deze Wampumketting hadden velen voor op de borst een stukFranschzilvergeld hangen, met het beeld des Konings daarop. Anderen wederom droegen daaraan ene grote sneuwwitte mosselschaal, diergelyken zy zeer hoog schatten, en die zeer duur zyn. Daar waren ’er die niets om den hals hadden. Alleen gingen zy met de borst bloot. Voor het lyf hebben zy ene tabaksbeurs van beestenvellen gemaakt, met de hairige zyde buitenwaards. Hunne schoenen waren van vellen, en geleken veel naar de schoenen zonder hakken welken de Vrouwen inFinlanddragen. Sommigen hadden hunne schoenen met vermilioen beschilderd. In plaats van koussen hadden zy blauwe doeken om de benen en dyen gewonden, op de zelve wys als ik het wel by deRussischeboeren gezien heb.Mikmaks.DeMikmakswaren gelyk deHuronsgekleed, uitgenomen dat zy lange, ongekrulde, pekzwarte hairen hadden, die boven over de schouders afhingen. Byna alle deze Volken hebben pekzwart en ongekruld hair, enige weinigen heb ik ’er egter gezien wier hair tamelyk gekroest was. Dog men moet aanmerken dat het hier inKanadazeer moeilyk is van de wezenstrekken derAmerikanenwel te oordelen, dewyl hun bloed met dat derEuroperszeer vermengd is, het zy door middel van gevangen’ kinderen die zy onder zig aangenomen hebben, het zy van wegens veleFranschen, die op hunne reizen door het Land ook het hunne gedaan hebben tot de vermeerdering van de huisgezinnen derWilden, dewyl de vrouwen van dien landaard niet ongerieflyk zyn. DezeMikmakswaren door de bank zo groot en kloek niet als deHurons. Ik heb geneWildengezien die zo lang hair hadden als dezen. Hunne taal was ook van die derHuronsonderscheiden; en om die reden wordt ’er een tolk voor dezelve onderhouden.Anies.DeAniesmaakten het derde volk uit dat men hier zag. Van dezen, bondgenoten derEngelschen, waren in den laatsten oorlog vyftig man opgetrokken om rondomMontrealte plonderen. Dog deFranschen, van hun voornemen onderrigt, stelden ene hinderlaag toe, en schoten by ’t eerste vuurgeven ’er vierenveertig van over hoop, zo dat ’er maar de vier die nu hier waren, en twee anderen die thans ziek lagen, het[153]leven ’er van afbragten. Zy spraken dezelve taal als deHurons, en waren ook zo kloek. Dog deHuronsschenen langwerpige en deAniesrondagtige aangezigten te hebben. DezeAnieszagen ’er vry wreed uit; hunne kleding egter was als die der overigeWilden, alleen hadden zy agter in den nek een lang rondagtig stuk tin in ’t hair gebonden. Een van hun had ene bloem midden in ’t hair op den kop. Ieder byna van dezeWildenhad zyne tabakspyp by zig, die van grauwen kalksteen gemaakt was, en enen langen houten steel had. Hier waren niets dan manspersonen. Toen de Gouverneur Generaal hun gehoor verleende gingen deMikmaksop den grond in de zaal zitten, gelyk deLaplandersgewoon zyn. Dog de anderen zaten op stoelen.Boekdrukkery.InKanadawas thans gene Boekdrukkery, schoon ’er voor dezen ene geweest is. Alle de boeken kwamen uitFrankrykover, en alle wetten endiergelyke wierdengeschreven, het geen zig zelfs tot het papieren geld hier te lande toe uitstrekte. Men gaf voor dat men hier gene drukkery hebben wilde om voor te komen dat ’er kwade boeken, tegens den godsdienst, de regering of de goede zeden gedrukt en verspreid werden, als of dit niet door geschreven boeken konde geschieden. Dog de ware reden zal, denk ik, deze zyn, dat aangezien de armoede des lands een Drukker zyn bestaan hier niet zou kunnen winnen, en ten dele ook omFrankrykhet voordeel te geven van boeken herwaards te kunnen zenden.Maaltyden.De Maaltyden waren hier in vele stukken zeer verschillende van die men in deEngelscheVolkplantingen hield, het welk veelligt van het onderscheid dat ’er tusschen de twee volken in smaak, zeden, en godsdienst heerscht, afhangt. Men at hier driemaal daags, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Men ontbeet gemeenlyk tusschen zeven en agt uur. DeFranschenstonden hier meest vroeg op, zo dat men zelfs om zeven uur den Gouverneur reeds spreken kon. Ook was dat de tyd om hem zyne opwagting te maken, en enig verzoek te doen. Men ontbyt op velerhande wyzen. Sommige mans gebruiken een stuk broods in brandewyn gedoopt, anderen namen een slokje brandewyn met een stuk broods toe. Chokolade wordt ook veel gebruikt. De meeste vrouwen, en ook vele mans, drinken koffi met een weinig melks. Sommigen ontbyten in ’t geheel niet. Ik zag hier noit thee gebruiken, misschien om dat men koffi en chokolade uit deFranschezuidelykeAmerikaanscheProvincien krygen kan, dog de thee uitChinahalen moet, voor de welke men niet nutteloos het geld buiten het land zenden wil. Ook zag ik nergens boterhammen by ’t ontbyt gebruiken. De middagmaaltyd wierd gemeenlyk om twaalf uur gehouden. By de aanzienlyksten komen vele geregten op tafel, en de overigen volgen hen na als zy gasten hebben. De broden waren gemeenlyk van weit en langwerpig.[154]Voor elk mensch legt men een bord, ene vork, lepel, en servet. In deEngelschevolkplantingen heeft men zelden servetten op tafel. Op verscheiden’ plaatsen legt men ’er ook een mes by, dog op de meesten niet, en daar brengt ieder, vrouwen zo wel als mans, zyn eigen mes mede. De lepels en vorken waren gemeenlyk van zilver, en de borden meest vanDelfschporcelein. De maaltyd begint met soep vol van brood. Dan komt ’er vleesch, op velerlei wyze toebereid, ragouts, gevogelte, en diergelyken, te gelyk met salade. Over tafel drinkt men meest rodenFranschenwyn, gemeenlyk met water. Ook drinkt men ’er somtyds een zeker soort van bier, van sparrebomentakken gebrouwen. De vrouwen gebruiken meest water, ook wel een weinig wyns, dog geen bier. Men had vryheid in ’t drinken, en kreeg de flesschen by zig op tafel. Het nageregt bestond uit verscheiden’ konfituren, kaas, en melk, welke men met suiker op het laatst gebruikte. Vrydags en zaterdags at men geen vleesch, dog leed daarom geen honger. Men krygt dan allerlei moeskruiden en visch, welken laatsten men op andere dagen zelden eet. Men gebruikt veel konkommers in schyven gesneden in room, het geen zeer goed is. Ook eet men ze somtyds alleen gelyk radys. De meloenen gebruikt men altyd met suiker. In den wyn en den brandewyn doet men hier en by deEngelschennoit suiker, waarvan men inZwedenwel eens zoveel gebruikt dan hier. Men bidt nog dankt hier niet voor of na den maaltyd, dog maakt een kruis, het geen ook sommigen wel vergeten. Na het eten drinkt men ten eersten een kopje koffi zonder melk. Des avonds eet men meest om zeven uur en iets later, en de geregten zyn dan byna de zelven als des middags.Puddingenpunchontmoet men hier niet, schoon zy denpunchwel kennen.Honden die water halen.Men had hier op verscheiden plaatsen honden gewend water uit de Rivier te halen. Ik zag den 23. Aug. twee grote Honden voor een wagentje agter malkander gespannen. Zy hadden nette tuigen op het lyf, en enen toom in den bek, gelyk de paarden. Op het wagentje stond ene ton. Zy wierden van een jongetje geregeerd dat agter den wagen liep. Als zy aan de Rivier kwamen sprongen zy ’er van zelven in, en dan vult men de ton. Dit gedaan zynde trekken de honden het wagentje weer den berg op en naar huis. In ’t vervolg zag ik byna alle dagen teQuebechonden met wagentjes naar de Rivier lopen. Somtyds was ’er maar een hond voor. Die honden waren zelden groot. De jongens die ’er by zyn hebben lange zwepen in de hand. Ik zag op deze wys niet alleen water, maar ook hout en andere dingen halen. Des winters pleegt men dikwyls inKanada, als men op reis is, honden voor kleine daartoe gemaakte sleden te spannen, waarop men zyn reistuig en andere dingen legt. Gemene lieden gebruiken ze op deze wys gemeenlyk als zy des winters reizen, en gaan zelven te voet. Byna al het[155]hout, dat de arme menschen ’s winters uit de bosschen halen, wordt hun door honden toegevoerd, waarom men die honden ook de paarden der armen noemt. Zy spannen ’er dan meest twee agter malkander voor ieder voer. Ook vertoonde men my een paar daartoe met voordagt gemaakte nette sleden, waarin ene vrouw zitten kon, welken door twee honden getrokken werden, die ’er, als de baan glad was, groter spoed mede konden maken dan men wel denken zou. Een hond van middelmatige grootte is dan in staat een mensch te trekken. Oude lieden hebben my verhaald dat ’er in hunne kindschheid weinig paarden in het land waren, en de inwoonders toen des winters alle hunne vragten door honden deden trekken. VerscheidenFranschen, die ’s winters naarTerra Labradorgereisd waren, verhaalden, dat deEskimaus, welken dat land bewonen, niet alleen hunne goederen van honden op sleden trekken laten, maar dat zy zelven op sleden door honden getrokken op het ys ryden.Bronnen.De hoogtens ten westen buiten de Stad brengen vele bronnen voort. Alle deze heuvels bestaan uit de voorheen gemelde kalkleyen, en zyn aan den westkant tamelyk steil, zo dat het moeilyk is ze te beklimmen. Hunne loodregte hoogte bedraagt omtrent tien of twaalf vademen. Boven op zyn zy zonder hout, en met ene dunne korst van aarde, die men tot koornlanden of weiden gebruikt, bedekt. Het is onbegryplyk hoe deze naakte heuvels aan al dit water komen dat ’er van komt af vloeyen. Zouden deze heuvelen de eigenschap hebben van het water uit de lugt, het zy by dag of by nagt, aan te trekken; en zouden de bergen die uit leyen bestaan daar bekwamer toe zyn dan anderen?Paarden.De Paarden inKanada, oorspronglyk uitFrankrykherwaards gebragt, zyn van een goed soort, sterk, vlug, en zo groot als goede Ruiterspaarden. Men hakt hun hier, gelyk als inEngeland, de staarten af, waardoor men de arme dieren van hunne wapenen tegens de menigvuldige vliegen en ander ongedierte berooft. Als de paarden trekken moeten spant men ze agter malkander, dog zelden meer dan drie. En dit zal misschien de reden wezen waarom men den paarden de staarten kort, op dat het voorste het agterste daar mede niet in de ogen slaan mogte. Men ziet zelden wagens met vier wielen, maar meest karren. De Gouverneur en enigen weinigen der voornaamste Heren gebruiken hier koetsen; de overigen vergenoegen zig met open chaises. Men klaagde in ’t algemeen dat de Boeren te veel paarden begonnen aan te fokken, waardoor des winters het voeder voor de koeyen te kort schoot.Koeyen.De Koeyen waren hier ook uitFrankrykgebragt. Zy waren zo groot als onzeZweedschen. Men zeide dat het vee hier te lande kleinder wierd, en schreef het aan de koude der winters toe, gedurende den welken[156]men ze zes maanden lang genoodzaakt is opgesloten te houden, en ze matiglyk te voeren, uit vrees van gebrek. De meesten hadden hoornen, enigen alleen uitgenomen. Dog inPensylvaniewas het ene ongehoorde zaak ene koe zonder hoorns te zien. Zoude de koude hier iets toe doen? Melk geven de koeyen hier zo veel als inFrankryk. Het ossen- en kalfsvleesch teQuebecwordt voor beter dan dat teMontrealgehouden, het welk sommigen aan de brakagtige weiden die hier leggen toeschryven. Dog dit kan alleen de reden niet zyn, want het minste vee dat teQuebecverkoftwordt heeft op biezengras118geweid. InKanadatrokken de ossen met de hoorns; maar in deEngelschevolkplantingen met de schoften, gelyk de paarden doen. De koeyen waren hier van allerlei kleuren, dog de meesten egter zwart of ros.Schapen.Ieder Boer houdt hier gemeenlyk enige Schapen, van de welken hy zo veel wol wint als hy tot zyne kleding van noden heeft. De beste lakens evenwel komen uitFrankryk. De wol der schapen uitFrankrykhier gebragt wordt, als het vee enigen tyd is hier geweest, grof en harder dan zy geweest is. En dit is nog erger by de voorttelingen. Men schreef dit aan ’t gebrek toe dat de schapen des winters lyden moeten.Geiten.Geiten heb ik nergens inKanadagezien; ook zeide men dat ’er gene waren. In deEngelschevolkplantingen zag ik ’er ook maar enigen, en dat op maar ene plaats. Ook worden zy daar alleen maar gehouden om de melk in sommige ziektens te hebben.Eggen.De Eggen zyn hier driehoekig, met twee der zyden van zes, en de derde van vier voet breedte. De tanden en al het overige is van hout. De tanden zyn omtrent vyf duimen lang, en staan ook zo veel van malkander af.Schoon uitzicht.Het gezigt een vierde van ene myl ten noorden vanQuebecis verrukkelyk. Het land gaat afhellende naar de Rivier toe, en hoe verder men van dezelve afkomt des te hoger wordt het. Op vele plaatsen was het door de natuur in terrassen verdeeld, die de ene boven de andere leggen. Van deze hoogtens ken men ver rondom heen zien.Quebecvertoonde zig zeer duidelyk naar het zuiden. Ten oosten zag men de schepen op deSt. Laurencezeilen. Naar ’t westen lagen de hoge bergen in de welken zig deze hoogtens verliezen. Al het land was bebouwd of tot weiden gemaakt. Hier en daar zag men een klein boschje, dat ’er nog van de oude zware bosschen was overgebleven. De akkers waren merendeels met weit, dog ook tamelyk veel met witten haver, en op sommige plaatsen met erwten bezaid. Ander graan vond men hier niet. Men zag schone huizen en boerderyen, die egter allen van malkander afgescheiden lagen. De woonhuizen waren gemeenlyk van zwarte kalkleyen[157]gebouwd en van buiten gewit. Verscheiden beken stroomden van de hoge bergen van het ene terras op het andere naar beneden. Deze hoogtens onder de bergen gelegen bestonden geheel en al uit zwarte kalklei, die in de opene lugt in schyven splyt. Boven op de zelve lag de aarde ter dikte van ene halve tot drie ellen toe, welke aarde met kleine stukken van de lei vol was. De beken hadden zig gemeenlyk een diep bed uitgehold, en hare kanten bestonden merendeels louter uit lei. Nu en dan vond men in de dikker lagen enen donker grauwen kalksteen, die, aan stukken gebroken zynde, gelyk als stinksteen rook.Schepen getimmerd.Men was thans bezig, voor ’s Konings rekening alhier verscheiden schepen te bouwen; dog voor myn vertrek vanQuebeckwam ’er bevel gene nieuwen op stapel te brengen, en alleen die aftemaken welken men begonnen had. De reden hiervan was dat men ondervonden had dat de schepen vanAmerikaanscheiken hout getimmerd in verre na zo lang niet goed blyven als die vanEuropischhout gebouwd zyn. ByQuebecwast weinig eiken hout, en de eikenbomen die daar vallen zyn gemeenlyk zo klein dat zy tot weinig deugen. Men laat om die reden het timmerhout uit die oorden vanKanadahalen die aanNieuw Engelandgrenzen. Alle de eiken inNoord Amerikahebben die eigenschap, dat hoe meer noordelyk zy groeyen zy des te beter tegens de verrotting bestand zyn. Het hout wordt met vlotten langs de stromen, die van de grenzen vanNieuw Engelandkomen, en die omstreeks vanLac St. Pierrein deSt. Laurencevallen, naarQuebecgebragt. Ook komt ’er enig hout uit het land tusschenMontrealenFort St. Frederic. Dog dit hout wierd niet voor zo goed gehouden als het vorige; ook moest het van verder komen.Groene aarde.Den 26. Aug. vertoonde men my ene groene aarde, die denMarquis de laGalissonièrevan boven uitKanadagezonden was. Het was een soort van klei, die sterk aan een kleefde, en door en door de kleur had van kopergroen.119Kreeften.Door geheelKanadavindt menKreeftenin de beken en stromen, van den zelven aard als de onzen. DeFranschenhouden ’er veel van. Ook zeide men dat zy door de menigte die ’er van gevangen wordt zeer verminderd waren.Het gemene volk hier te lande scheen zeer arm te zyn. Zy hadden maar eventjes den kost. Weinig lieden van den lageren stand bezitten enige rykdommen. Zy waren meesten tyd te vreden als zy droog brood en water konden hebben. Het overige dat zy van levensmiddelen hadden, als vleesch, visch, eyeren, hoenders, boter, kaas en diergelyken, bragten zy in de Stad om te verkopen. Van dat geldkoftenzy klederen, brandewyn,[158]en opschik voor de vrouwen. Maar hoe mager zy het ook hadden waren zy dog altyd wel vergenoegd en vrolyk.Reis naarBaïe St. Paul.Op verzoek van den Gouverneur Generaal en denMarquis de laGalissonièrehad ik met enigeFranscheHeren party gemaakt om de zo genoemde zilver- of liever loodmyn byBaïe St. Paulte gaan bezigtigen. Ik aanvaarde deze gelegenheid om een groot deel van ’t Land te zien met vermaak. Wy gingen dan des morgens den 29. Aug. met ene schuit deSt. Laurenceaf op reis.

Het Hospitaal.

Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen mogt.

Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken, waarvan men in deEngelscheVolkplantingen niets weet. Op de straat neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met het krullen en poederen van ’t hair, daar zig deEngelschevrouwen in de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten rang, alleen[134]de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm. By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.

Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker inZwedenzulk een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor eneFlora Canadensisen diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van veleAmerikaanscheplanten maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten vanKanadaaanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar ’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook inZwedenin ’t wild wassen, zo dat ten noordenQuebecmeer dan het vierde deel der daar vallende plantenZweedschenzyn. Den enen of anderen boom evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.

Rendiermos.

HetRendiermos106wies vry overvloedig in de bosschen rondomQuebec. De HeerGaulthieren anderen zeiden dat deFranschen, wanneer zy op lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder deWildente dryven, hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het welk enigsins voedzaam zynzoude. VerscheidenFranschen, die inTerra Labradorgeweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken deFranschenen deWildenhier te landeCaribouxheten, verhaalden dat de gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit van uitziet.

Jesuieten.

Den 10. Augustus at ik by deJesuieten. Ik had twee dagen te voren hun een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel naar een Paleis. Het is van steen,[135]drie verdiepingen hoog, zonder de zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge lieden die tot aanstaandeJesuietengeschikt zyn, en daar opgebragt worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene bedienden worden hier niet toegelaten.

Geestelyken.

Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken,Jesuieten,Priesters,Barrevoeters, andersRecollects. DeJesuietenzyn voor zeker de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het beeld van enenBarrevoeterte maken men genoeg heeft aan ene byl, om enenPriesteraftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enenJesuiette schilderen moet men een pinceel hebben.107DeJesuietenzyn gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten. Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle deJesuietengevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. TeMontrealhebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen, dog laten dat gaarne[136]aan dePriestersover. Hun enige arbeid hier te Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerdenWildentoekomt, woont eenJesuietof twee, die op dezelven agt geven. Dus vindt menJesuietenby de bekeerde Heidenen teTadoussac, teLorette, teBesancourt, teSt.François, teSaut St. Louis, en overal waar zig bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp vanWildenenenJesuietvinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de lugt te moeten wezen, en in de hutten derWilden, waar het van vloyen en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan deJesuieten, ten dele om deWildente bekeren, en ten dele met inzigten van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van deJesuieten, dewyl zy deWildentot alles brengen kunnen, gelyk als om deEngelschente beoorlogen, alle hunne pelteryen aan deFranschente leveren, of deEngelschente beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit alles is niet geheel zonder gevaar; want als deWildendronken zyn gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy maar de drank denJesuietheeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige bezigheden derJesuietenhier te Lande. Zy gaan in de Steden gene kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om ’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog totPriestersneemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt ’er by het maken van enenMonnik. DeJesuieteninKanadazyn allen uitFrankrykovergekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn, die inKanadageboren waren, zyn naarFrankrykgegaan en daar onder deJesuietenaangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf teQuebeclag een derPriesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt neder, en ging tot deJesuietenover; het welk den overigenPriestersniet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel zyn ’erPriestersom dienst te doen by alle[137]de gemeentens die denJesuietenschattingen betalen. De Bisschop stelt diePriestersaan. Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.

Na den middag bezogt ik het zogenaamdeSeminarium, of het huis waar alle dePriestersby malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren van hetSeminariumgaven in beleefdheid denJesuietenniet veel toe, en ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.

DePriestersmaken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die der nieuw bekeerdeWildenuitgenomen, worden vanPriestersbediend. Ook hebben zy enige zendelingschappen. InKanadazyn tweeSeminaria, een teQuebecen een teMontreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van malkander afhangen. DePriestersvan ’tSeminariumteMontrealzyn allen van de order vanSt. Sulpicius, en bedienen alleen maar de gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de andere Kerken behoren tot hetSeminariumvanQuebec. DePriestersvanSt. Sulpiciuskomen allen uitFrankryk, en men verzekerde dat ’er noit een uitKanadageboortig was onder geweest. Dog in hetSeminariumvanQuebeczyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel teQuebecals teSt. Joachimscholen opgeregt, waarin de jeugd in hetLatynen andere wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten aan. In ’tLatynschynen velen het niet ver gebragt te hebben, want, schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks hetBreviariumin ’tLatynlezen, wisten egter de minsten het te spreken. Alle dePriestersuit hetSeminariumvanQuebecworden door den Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden denSeminariagrote inkomsten geschonken. Dat vanQuebecheeft jaarlyks meer dan dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde derSt. LaurencevanQuebecaf totBaïe St. Paultoe behoort datSeminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drieArpentsin de langte eenEcu’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. HetSeminariumvanMontrealis eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizendLivresaan renten trekt, zonder te rekenen wat dePriestersvan[138]hun ampt weten te maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan hetSeminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van krygen. En daar datSeminariummaar uit zestien Priesters bestaat, en meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er alle jaren grote sommen naarFrankrykaan hetHoofd-seminariumovergemaakt. De inkomsten van hetSeminariumteQuebecworden tot het onderhoud derPriestersin hetSeminariumen tot dat van sommige jongelingen, die totPriestersopgebragt worden, besteed. DePriestersten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is, wordt het hem somtyds vergund in hetSeminariumte komen, en daar zyne dagen te eindigen. ElkSeminariumstelt dePriestersop zyne landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de Priesters.

Barrevoeters.

DeBarrevoetersofRecollectsmaken het derde soort van Geestelyken uit. Zy worden ookFranciskaner Monnikkengenoemd, dewyl zy volgens den regel vanSt. Franciscusleven. Zy bezitten teQuebeceen tamelyk groot en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote schone tuin, dien zy zelven onderhouden. TeMontrealen teTrois Rivièresis hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy krygen. Ten dien einde hebben zy enigeFratres, of jonge Monnikken, die met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by deWilden. In elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en tweehonderdLivres’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars behorende worden aangezien. Als eenPasteurten platten lande sterft en de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer Monnikken derwaards tot[139]dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer Monnikken komt uitFrankrykover, dog een deel van hun zyn inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen, uitgenomen een enkeldeAugustyner, die met de schepen overkomt, dog ook weer henen gaat.

Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den HeerGaulthierbuiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd. Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van ’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden, het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal even zo ingerigt als dat vanQuebec. Op verzoek van den Gouverneur Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den HeerGaulthierbragt my de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon ’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster. De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een paar kleinebureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel, dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag ’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet ’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen omtrent den middag by enen ouden eerwaardigenBarrevoeterspyzen, die het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was van een groot Heer. Ook schonk men ’er[140]verscheiden’ soorten van wyn. Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte goederen de Koning inKanadaaan alle die Geestelyken weggeschonken heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest hebben overgehouden.

Brambozen.

Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp, en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in suiker ingemaakt. DeSorbus aucupariais tamelyk gemeen in de bosschen.

Winden.

De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.

Lugtsgesteldheid.

Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschenQuebecenMontrealwordt als zeer groot beschreven. TeMontrealis het met de winden en het weer gantsch anders als teQuebecgesteld. Ook is daar de winter ver na zo koud niet. ByMontrealwassen schone Peren, dog teQuebeckomen die niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. TeQuebecvalt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook worden teMontrealde vrugten vroeger ryp.

Den 12. Aug. ging ik na den middag metJungstromnaar buiten, om daar enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enenAmerikaanvanLorettelaten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te leren dat deWildenvan de planten maken. Deze man was een geborenEngelschman, die dertig jaren geleden van deWildenvanLorettenog een kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert altyd onder hun gebleven, had denRoomschenGodsdienst aangenomen, en was met eneAmerikaanschevrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andereWildengekleed, en sprakEngelsch,Fransch, nevens verscheiden onder deWildengebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen deFranschenen de[141]Engelschenhebben deWildendie bondgenoten der Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in deEngelscheVolkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft gemaakt dat het bloed derWildeninKanadazeer met dat derEuropersvermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel derEuropischegevangenen, die deWildendus onder hun ingelyfd hebben, vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen liever de losse levenswys derWildente blyven leiden dan weder by hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk deWilden, zodat men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden vanFranschendie tot deWildenovergegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben. Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een derWildenzig onder deEuropersbegeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer zy in den oorlog in de handen derEuropersgeraakt zyn hebben zy altyd gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy enige jaren onder deEuropeanengeweest, en al hadden zy alle de vryheden genoten welken deEuropeanenzelven bezitten.

Landsgesteldheid.

Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe, te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere. Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag menQuebec, en een deel derSt. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen. Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook evenwydig met de Rivier,[142]of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat dekalkleyeneven zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.

Weilanden.

De hoge weilanden inKanadazyn voortreffelyk goed, en hebben veel vooruit boven die genen welken ik in deEngelscheVolkplantingen gezien heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk dePoa angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje voortbrengt.108Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt voor eneAgrostiskonde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond digt en dik, en dePoawas tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den wortel derPoawas de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’ voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente te laat begint.

Hoi.

Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.

De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool, kawoerden enmeloenen. De braaklanden wierden[143]des zomers niet omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep ’er den gehelen zomer op.109

Huizen.

De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen, zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer, omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk byTrois Rivièresgegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid. Des zomers neemt men de kacchels weg.

Lorette.

Des avonds kwamen wy teLoretteaan, en namen ons verblyf by deJesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft van de gewassen die men hier ontmoet worden ook inZwedengevonden.

Kerssenbomen.

Men zag hier twee soorten van wildeKerssenbomen, die egter maar verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden inKanadazeer gemeen, en de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamdeKerssenbomenwaren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak.110[144]

Nieswortel.

DeDriebladerige Nieswortel111wies in grote menigte in de bosschen. Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren, en had gemeenlyk deOxalis Acetocellaen deCircæa Alpinatot gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen zaad. Dit gewas werd van deFranschenTissavoyanne jaunegeheten. DeWildengebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. DeFranschen, in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.

Bomen.

Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de vlaktens vanKanadagezien had. Ook belette ons het hout waarmede de berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of deCarpinus Ostrya, deAmerikaanscheOlm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven heb, de Beuk, deBetula nigra, de Sorberboom, deKanadaschePynboom,Perussegenaamd, deViburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven Kerssenboom, en deBesdragende Taxus.

Muggen.

Muggenvonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de huid met ene menigte van builen opzwellen. DeJesuietenteLorettezeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede wiessche.

Des avonds kwamen wy weder teLoretteterug, na dat wy de planten, die aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig aangetekend en beschreven hadden.

Lorette.

Loretteis een dorp, drieFr.mylen ten westen vanQuebec. Het wierd byna alleen vanWilden, tot deHuronsbehorende, bewoond, welken denRoomschenGodsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de aankomst van den VaderJesuietalhier woonden deAmerikanenin hutten, gelyk die derLaplanders;[145]dog sedert hebben zy deFranschenin ’t bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens ’t gebruik vanKanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft naar die vanSanta CasateLoretteinItalie, naar welke plaats het dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor dePriesters, zynde twee VadersJesuieten, die hier altyd wonen. Men is hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel deWilden, en vooral derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De meesten dezerHuronsgaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog de mans hebben gaarn een vest aan gelyk deFranschen. De vrouwen egter houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de voorouders dezerWilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden enen beschonken ziet, schoon anders deWildenhun leven voor den brandewyn laten zouden.

Behalven in het bouwen volgen dezeAmerikanendeFranschenin vele dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene Zonnebloemen112op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunneSagamiteof Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy ryp. De molens komen denJesuietentoe, die voor alles wat ’er gemaald wordt geld ontvangen.

Men heeft tot ene proeve inKanadaenige van deZweedschewinterweit en winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn, dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men inFrankryktegens den winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr.Sarracin, gelyk my de oudste derJesuietenvertelde, een weinigZweedschwinterkoorn doen komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is waar, schenen wel zo zwaar niet als hetKanadaschgraan; dog in gewigt wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan[146]hier uit het zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als inFrankrykuit het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uitZwedenofNoorwegengekomen was. DeFranschenhadden ondervonden dat het wintergraan uitFrankrykhier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te worden. En dit deed hen in ’t beginKanadavoor een slegt en onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de noordelykste delen vanEuropate doen komen, en dit slaagde wel. Ik keerde den 14. terug naarQuebec, makende langs den weg enige kruidkundige aanmerkingen.

Nieuwe Gouverneur.

Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheelKanada, deMarquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S. uitFrankrykuitgezeild, en hadQuebecniet eerder dan nu konnen bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op deSt. Laurencevan wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest vanMaria’s Hemelvaart, dat in alleRoomscheLanden zeer stiptelyk gevierd wordt. Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.

Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize van den HeerDeVaudreuil, die onlangs tot Gouverneur vanTrois Rivièresbenoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader was Gouverneur Generaal geweest. DeMarquis de laGalissonièrekwam hier ook, die tot nog GouverneurGeneraalgeweest was, en thans op zyn vertrek naarFrankrykstond. Hy wierd begeleid door de voornaamste Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen. Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door denMarquis de laGalissonièreontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden[147]rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers. Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad, hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan tafel.

DeMarquis de la Jonquièrewas lang van persoon, en iets boven de zestig jaren oud. Hy had in den laatstgeeindigdenoorlog enen hevigen zeeslag aan deEngelschengeleverd, dog was door de overmagt gedwongen geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.

Middel om de dranken koel te houden.

Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben. Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de flesschen in de zon.113[148]

Omgang.

De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw, dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den gantschen tyd al zingende.

Thuya.

DeThuya occidentaliswies zeer overvloedig inKanada, dog niet zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was inNew York, een weinig vanSaratoga, en byCasses, omtrent op de breedte van 42.gr.10.min.De HeerBartramhad ’er egter enen boom van inVirginiegezien, digt by de plaats op de RivierJamesdieThe Fallsgenoemd wordt. Ook verzekerde Dr.Coldendat hy hem op verscheiden plaatsen rondom zyn LandgoedColdingham, tusschenNew YorkenAlbany, omtrent op de breedte van 41.gr.30.min.gezien had. DeFranschendoor gantschKanada, zo wel als deEngelschenenHollandersteAlbanynoemen hem denWitten Ceder. DeEngelscheninVirginiehebben enen daar groeyendenThuyaden naam vanJeneverboomgegeven.

Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er gemeenlyk ook enigeThuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de kloven der bergen vond men hem dikwyls[149]genoeg; dog hy wierd daar ook niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte had ’er honderd twee en veertig.114

De Inwoonders vanKanadagebruiken dezen boom om heiningen te maken, dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De palissades voor de vestingwerken waren byna allen vanThuyahout. Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken. Zulke bezems komen deWildente koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt dat men andere soorten van bezems inKanadagebruikte. De varsche takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds de bezems van zig geven.

In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De Kommandant vanFort St. Frederic, de Heerde Lusignan, wist zyne werking tegens de pynen van hetRhumatismusniet genoeg te pryzen. Men stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort vanPolypodium,115een vyfde van de zaadhuisjes derThuya, en maakt ’er een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen voortreffelyk goed gevonden. EenIroquoisvertelde ons dat het afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. OmstreeksSaratogadrinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.

De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst[150]van September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden andere bomen vanNoord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen, wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent denAhorn, denSassafras, denwitten Dennenboom, de zogenaamdePerusse, denMoerbezieboom, en anderen.

Den 7. Aug. ging ik. hetUrseliner Nonnenkloosterbezigtigen. De inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters. Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van denMarquis de laGalissonière, verworven. Ik ging ’er met den HeerGaulthiernaar toe. De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de HeerGaulthier, en ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd, waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork, servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep stilzwygen[151]gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest; maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.

Omtrent een vierde van eneZweedschemyl westwaards vanQuebecis ene minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk naar. De HeerGaulthierhad het met enen goeden uitslag in verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.

Slangen.

Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondomQuebecgene giftige slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte vanKanadamoet men omzigtiger zyn.

Mieren.

Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen, gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die denZweedschenvolkomen gelyk dog wat kleinder waren.

Wilde Volken.

Den 21. Augustus waren ’er enigen uit de drieAmerikaanscheVolken, namelyk deHurons, deMikmaks, en deAnies,116by den Gouverneur Generaal. DeAnieszyn een soort vanIroquoizen, en bondgenoten derEngelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.

Hurons.

DeHuronsbehoren tot die zelveAmerikanendie teLorettewonen, en den Christelyken Godsdienst aangenomen hebben. Zy zyn zeer lang, sterk, grof van leden, welgemaakt, en koperkleurig. Zy hadden kort zwart hair, dat op het voorhoofd van het ene oor tot het andere afgeschoren was. Geen van hun droeg hoed of muts. Enigen hadden oorringen, anderen niet. Verscheidenen hadden het gantsche aangezigt met vermilioen beschilderd; dog anderen hadden alleen maar enige dwarsstrepen op het voorhoofd en by de oren. Ook waren ’er die het hair met vermilioen besmeerd hadden. De rode kleur is het voornamelyk waar zy zig mede beschilderen; egter heb ik ’er enigen gezien die ’t aangezigt met zwart bestreken hadden. Velen hadden in ’t aangezigt en op het lyf verscheiden’ figuren, welken daar zo op gemaakt waren dat zy noit uitgingen. Hoe dit geschiedt zal ik in ’t vervolg melden. Deze figuren zyn allen zwart. Sommigen hadden op elke wang ene slang, anderen enige kruissen, wederom anderen enen pyl, ene zon, of iets anders, zo als het hun in ’t hoofd gekomen was. Diergelyke figuren hadden zy ook op de borst, en andere delen van het lichaam. Dog sommigen hadden ’er geen in ’t geheel. Zy droegen een hembd, wit[152]of blauw gestreept, en een hairig dek, blauw of wit, met ene rode of blauwe streep om den rand. Somtyds was het dek zelf rood. Die dek hadden zy altyd op de schouders, of lieten het afhangen, en sloegen het dan om de middel. Om den hals droegen sommigen ene ketting van violetteWampumsmet kleine witteWampumsdaar tusschen. DezeWampumswaren klein, van gedaante als ene langwerpige parel, en van die mosselen welken deEngelschenClams117noemen gemaakt. In ’t vervolg zal ik ’er meer van zeggen. Aan deze Wampumketting hadden velen voor op de borst een stukFranschzilvergeld hangen, met het beeld des Konings daarop. Anderen wederom droegen daaraan ene grote sneuwwitte mosselschaal, diergelyken zy zeer hoog schatten, en die zeer duur zyn. Daar waren ’er die niets om den hals hadden. Alleen gingen zy met de borst bloot. Voor het lyf hebben zy ene tabaksbeurs van beestenvellen gemaakt, met de hairige zyde buitenwaards. Hunne schoenen waren van vellen, en geleken veel naar de schoenen zonder hakken welken de Vrouwen inFinlanddragen. Sommigen hadden hunne schoenen met vermilioen beschilderd. In plaats van koussen hadden zy blauwe doeken om de benen en dyen gewonden, op de zelve wys als ik het wel by deRussischeboeren gezien heb.

Mikmaks.

DeMikmakswaren gelyk deHuronsgekleed, uitgenomen dat zy lange, ongekrulde, pekzwarte hairen hadden, die boven over de schouders afhingen. Byna alle deze Volken hebben pekzwart en ongekruld hair, enige weinigen heb ik ’er egter gezien wier hair tamelyk gekroest was. Dog men moet aanmerken dat het hier inKanadazeer moeilyk is van de wezenstrekken derAmerikanenwel te oordelen, dewyl hun bloed met dat derEuroperszeer vermengd is, het zy door middel van gevangen’ kinderen die zy onder zig aangenomen hebben, het zy van wegens veleFranschen, die op hunne reizen door het Land ook het hunne gedaan hebben tot de vermeerdering van de huisgezinnen derWilden, dewyl de vrouwen van dien landaard niet ongerieflyk zyn. DezeMikmakswaren door de bank zo groot en kloek niet als deHurons. Ik heb geneWildengezien die zo lang hair hadden als dezen. Hunne taal was ook van die derHuronsonderscheiden; en om die reden wordt ’er een tolk voor dezelve onderhouden.

Anies.

DeAniesmaakten het derde volk uit dat men hier zag. Van dezen, bondgenoten derEngelschen, waren in den laatsten oorlog vyftig man opgetrokken om rondomMontrealte plonderen. Dog deFranschen, van hun voornemen onderrigt, stelden ene hinderlaag toe, en schoten by ’t eerste vuurgeven ’er vierenveertig van over hoop, zo dat ’er maar de vier die nu hier waren, en twee anderen die thans ziek lagen, het[153]leven ’er van afbragten. Zy spraken dezelve taal als deHurons, en waren ook zo kloek. Dog deHuronsschenen langwerpige en deAniesrondagtige aangezigten te hebben. DezeAnieszagen ’er vry wreed uit; hunne kleding egter was als die der overigeWilden, alleen hadden zy agter in den nek een lang rondagtig stuk tin in ’t hair gebonden. Een van hun had ene bloem midden in ’t hair op den kop. Ieder byna van dezeWildenhad zyne tabakspyp by zig, die van grauwen kalksteen gemaakt was, en enen langen houten steel had. Hier waren niets dan manspersonen. Toen de Gouverneur Generaal hun gehoor verleende gingen deMikmaksop den grond in de zaal zitten, gelyk deLaplandersgewoon zyn. Dog de anderen zaten op stoelen.

Boekdrukkery.

InKanadawas thans gene Boekdrukkery, schoon ’er voor dezen ene geweest is. Alle de boeken kwamen uitFrankrykover, en alle wetten endiergelyke wierdengeschreven, het geen zig zelfs tot het papieren geld hier te lande toe uitstrekte. Men gaf voor dat men hier gene drukkery hebben wilde om voor te komen dat ’er kwade boeken, tegens den godsdienst, de regering of de goede zeden gedrukt en verspreid werden, als of dit niet door geschreven boeken konde geschieden. Dog de ware reden zal, denk ik, deze zyn, dat aangezien de armoede des lands een Drukker zyn bestaan hier niet zou kunnen winnen, en ten dele ook omFrankrykhet voordeel te geven van boeken herwaards te kunnen zenden.

Maaltyden.

De Maaltyden waren hier in vele stukken zeer verschillende van die men in deEngelscheVolkplantingen hield, het welk veelligt van het onderscheid dat ’er tusschen de twee volken in smaak, zeden, en godsdienst heerscht, afhangt. Men at hier driemaal daags, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Men ontbeet gemeenlyk tusschen zeven en agt uur. DeFranschenstonden hier meest vroeg op, zo dat men zelfs om zeven uur den Gouverneur reeds spreken kon. Ook was dat de tyd om hem zyne opwagting te maken, en enig verzoek te doen. Men ontbyt op velerhande wyzen. Sommige mans gebruiken een stuk broods in brandewyn gedoopt, anderen namen een slokje brandewyn met een stuk broods toe. Chokolade wordt ook veel gebruikt. De meeste vrouwen, en ook vele mans, drinken koffi met een weinig melks. Sommigen ontbyten in ’t geheel niet. Ik zag hier noit thee gebruiken, misschien om dat men koffi en chokolade uit deFranschezuidelykeAmerikaanscheProvincien krygen kan, dog de thee uitChinahalen moet, voor de welke men niet nutteloos het geld buiten het land zenden wil. Ook zag ik nergens boterhammen by ’t ontbyt gebruiken. De middagmaaltyd wierd gemeenlyk om twaalf uur gehouden. By de aanzienlyksten komen vele geregten op tafel, en de overigen volgen hen na als zy gasten hebben. De broden waren gemeenlyk van weit en langwerpig.[154]Voor elk mensch legt men een bord, ene vork, lepel, en servet. In deEngelschevolkplantingen heeft men zelden servetten op tafel. Op verscheiden’ plaatsen legt men ’er ook een mes by, dog op de meesten niet, en daar brengt ieder, vrouwen zo wel als mans, zyn eigen mes mede. De lepels en vorken waren gemeenlyk van zilver, en de borden meest vanDelfschporcelein. De maaltyd begint met soep vol van brood. Dan komt ’er vleesch, op velerlei wyze toebereid, ragouts, gevogelte, en diergelyken, te gelyk met salade. Over tafel drinkt men meest rodenFranschenwyn, gemeenlyk met water. Ook drinkt men ’er somtyds een zeker soort van bier, van sparrebomentakken gebrouwen. De vrouwen gebruiken meest water, ook wel een weinig wyns, dog geen bier. Men had vryheid in ’t drinken, en kreeg de flesschen by zig op tafel. Het nageregt bestond uit verscheiden’ konfituren, kaas, en melk, welke men met suiker op het laatst gebruikte. Vrydags en zaterdags at men geen vleesch, dog leed daarom geen honger. Men krygt dan allerlei moeskruiden en visch, welken laatsten men op andere dagen zelden eet. Men gebruikt veel konkommers in schyven gesneden in room, het geen zeer goed is. Ook eet men ze somtyds alleen gelyk radys. De meloenen gebruikt men altyd met suiker. In den wyn en den brandewyn doet men hier en by deEngelschennoit suiker, waarvan men inZwedenwel eens zoveel gebruikt dan hier. Men bidt nog dankt hier niet voor of na den maaltyd, dog maakt een kruis, het geen ook sommigen wel vergeten. Na het eten drinkt men ten eersten een kopje koffi zonder melk. Des avonds eet men meest om zeven uur en iets later, en de geregten zyn dan byna de zelven als des middags.Puddingenpunchontmoet men hier niet, schoon zy denpunchwel kennen.

Honden die water halen.

Men had hier op verscheiden plaatsen honden gewend water uit de Rivier te halen. Ik zag den 23. Aug. twee grote Honden voor een wagentje agter malkander gespannen. Zy hadden nette tuigen op het lyf, en enen toom in den bek, gelyk de paarden. Op het wagentje stond ene ton. Zy wierden van een jongetje geregeerd dat agter den wagen liep. Als zy aan de Rivier kwamen sprongen zy ’er van zelven in, en dan vult men de ton. Dit gedaan zynde trekken de honden het wagentje weer den berg op en naar huis. In ’t vervolg zag ik byna alle dagen teQuebechonden met wagentjes naar de Rivier lopen. Somtyds was ’er maar een hond voor. Die honden waren zelden groot. De jongens die ’er by zyn hebben lange zwepen in de hand. Ik zag op deze wys niet alleen water, maar ook hout en andere dingen halen. Des winters pleegt men dikwyls inKanada, als men op reis is, honden voor kleine daartoe gemaakte sleden te spannen, waarop men zyn reistuig en andere dingen legt. Gemene lieden gebruiken ze op deze wys gemeenlyk als zy des winters reizen, en gaan zelven te voet. Byna al het[155]hout, dat de arme menschen ’s winters uit de bosschen halen, wordt hun door honden toegevoerd, waarom men die honden ook de paarden der armen noemt. Zy spannen ’er dan meest twee agter malkander voor ieder voer. Ook vertoonde men my een paar daartoe met voordagt gemaakte nette sleden, waarin ene vrouw zitten kon, welken door twee honden getrokken werden, die ’er, als de baan glad was, groter spoed mede konden maken dan men wel denken zou. Een hond van middelmatige grootte is dan in staat een mensch te trekken. Oude lieden hebben my verhaald dat ’er in hunne kindschheid weinig paarden in het land waren, en de inwoonders toen des winters alle hunne vragten door honden deden trekken. VerscheidenFranschen, die ’s winters naarTerra Labradorgereisd waren, verhaalden, dat deEskimaus, welken dat land bewonen, niet alleen hunne goederen van honden op sleden trekken laten, maar dat zy zelven op sleden door honden getrokken op het ys ryden.

Bronnen.

De hoogtens ten westen buiten de Stad brengen vele bronnen voort. Alle deze heuvels bestaan uit de voorheen gemelde kalkleyen, en zyn aan den westkant tamelyk steil, zo dat het moeilyk is ze te beklimmen. Hunne loodregte hoogte bedraagt omtrent tien of twaalf vademen. Boven op zyn zy zonder hout, en met ene dunne korst van aarde, die men tot koornlanden of weiden gebruikt, bedekt. Het is onbegryplyk hoe deze naakte heuvels aan al dit water komen dat ’er van komt af vloeyen. Zouden deze heuvelen de eigenschap hebben van het water uit de lugt, het zy by dag of by nagt, aan te trekken; en zouden de bergen die uit leyen bestaan daar bekwamer toe zyn dan anderen?

Paarden.

De Paarden inKanada, oorspronglyk uitFrankrykherwaards gebragt, zyn van een goed soort, sterk, vlug, en zo groot als goede Ruiterspaarden. Men hakt hun hier, gelyk als inEngeland, de staarten af, waardoor men de arme dieren van hunne wapenen tegens de menigvuldige vliegen en ander ongedierte berooft. Als de paarden trekken moeten spant men ze agter malkander, dog zelden meer dan drie. En dit zal misschien de reden wezen waarom men den paarden de staarten kort, op dat het voorste het agterste daar mede niet in de ogen slaan mogte. Men ziet zelden wagens met vier wielen, maar meest karren. De Gouverneur en enigen weinigen der voornaamste Heren gebruiken hier koetsen; de overigen vergenoegen zig met open chaises. Men klaagde in ’t algemeen dat de Boeren te veel paarden begonnen aan te fokken, waardoor des winters het voeder voor de koeyen te kort schoot.

Koeyen.

De Koeyen waren hier ook uitFrankrykgebragt. Zy waren zo groot als onzeZweedschen. Men zeide dat het vee hier te lande kleinder wierd, en schreef het aan de koude der winters toe, gedurende den welken[156]men ze zes maanden lang genoodzaakt is opgesloten te houden, en ze matiglyk te voeren, uit vrees van gebrek. De meesten hadden hoornen, enigen alleen uitgenomen. Dog inPensylvaniewas het ene ongehoorde zaak ene koe zonder hoorns te zien. Zoude de koude hier iets toe doen? Melk geven de koeyen hier zo veel als inFrankryk. Het ossen- en kalfsvleesch teQuebecwordt voor beter dan dat teMontrealgehouden, het welk sommigen aan de brakagtige weiden die hier leggen toeschryven. Dog dit kan alleen de reden niet zyn, want het minste vee dat teQuebecverkoftwordt heeft op biezengras118geweid. InKanadatrokken de ossen met de hoorns; maar in deEngelschevolkplantingen met de schoften, gelyk de paarden doen. De koeyen waren hier van allerlei kleuren, dog de meesten egter zwart of ros.

Schapen.

Ieder Boer houdt hier gemeenlyk enige Schapen, van de welken hy zo veel wol wint als hy tot zyne kleding van noden heeft. De beste lakens evenwel komen uitFrankryk. De wol der schapen uitFrankrykhier gebragt wordt, als het vee enigen tyd is hier geweest, grof en harder dan zy geweest is. En dit is nog erger by de voorttelingen. Men schreef dit aan ’t gebrek toe dat de schapen des winters lyden moeten.

Geiten.

Geiten heb ik nergens inKanadagezien; ook zeide men dat ’er gene waren. In deEngelschevolkplantingen zag ik ’er ook maar enigen, en dat op maar ene plaats. Ook worden zy daar alleen maar gehouden om de melk in sommige ziektens te hebben.

Eggen.

De Eggen zyn hier driehoekig, met twee der zyden van zes, en de derde van vier voet breedte. De tanden en al het overige is van hout. De tanden zyn omtrent vyf duimen lang, en staan ook zo veel van malkander af.

Schoon uitzicht.

Het gezigt een vierde van ene myl ten noorden vanQuebecis verrukkelyk. Het land gaat afhellende naar de Rivier toe, en hoe verder men van dezelve afkomt des te hoger wordt het. Op vele plaatsen was het door de natuur in terrassen verdeeld, die de ene boven de andere leggen. Van deze hoogtens ken men ver rondom heen zien.Quebecvertoonde zig zeer duidelyk naar het zuiden. Ten oosten zag men de schepen op deSt. Laurencezeilen. Naar ’t westen lagen de hoge bergen in de welken zig deze hoogtens verliezen. Al het land was bebouwd of tot weiden gemaakt. Hier en daar zag men een klein boschje, dat ’er nog van de oude zware bosschen was overgebleven. De akkers waren merendeels met weit, dog ook tamelyk veel met witten haver, en op sommige plaatsen met erwten bezaid. Ander graan vond men hier niet. Men zag schone huizen en boerderyen, die egter allen van malkander afgescheiden lagen. De woonhuizen waren gemeenlyk van zwarte kalkleyen[157]gebouwd en van buiten gewit. Verscheiden beken stroomden van de hoge bergen van het ene terras op het andere naar beneden. Deze hoogtens onder de bergen gelegen bestonden geheel en al uit zwarte kalklei, die in de opene lugt in schyven splyt. Boven op de zelve lag de aarde ter dikte van ene halve tot drie ellen toe, welke aarde met kleine stukken van de lei vol was. De beken hadden zig gemeenlyk een diep bed uitgehold, en hare kanten bestonden merendeels louter uit lei. Nu en dan vond men in de dikker lagen enen donker grauwen kalksteen, die, aan stukken gebroken zynde, gelyk als stinksteen rook.

Schepen getimmerd.

Men was thans bezig, voor ’s Konings rekening alhier verscheiden schepen te bouwen; dog voor myn vertrek vanQuebeckwam ’er bevel gene nieuwen op stapel te brengen, en alleen die aftemaken welken men begonnen had. De reden hiervan was dat men ondervonden had dat de schepen vanAmerikaanscheiken hout getimmerd in verre na zo lang niet goed blyven als die vanEuropischhout gebouwd zyn. ByQuebecwast weinig eiken hout, en de eikenbomen die daar vallen zyn gemeenlyk zo klein dat zy tot weinig deugen. Men laat om die reden het timmerhout uit die oorden vanKanadahalen die aanNieuw Engelandgrenzen. Alle de eiken inNoord Amerikahebben die eigenschap, dat hoe meer noordelyk zy groeyen zy des te beter tegens de verrotting bestand zyn. Het hout wordt met vlotten langs de stromen, die van de grenzen vanNieuw Engelandkomen, en die omstreeks vanLac St. Pierrein deSt. Laurencevallen, naarQuebecgebragt. Ook komt ’er enig hout uit het land tusschenMontrealenFort St. Frederic. Dog dit hout wierd niet voor zo goed gehouden als het vorige; ook moest het van verder komen.

Groene aarde.

Den 26. Aug. vertoonde men my ene groene aarde, die denMarquis de laGalissonièrevan boven uitKanadagezonden was. Het was een soort van klei, die sterk aan een kleefde, en door en door de kleur had van kopergroen.119

Kreeften.

Door geheelKanadavindt menKreeftenin de beken en stromen, van den zelven aard als de onzen. DeFranschenhouden ’er veel van. Ook zeide men dat zy door de menigte die ’er van gevangen wordt zeer verminderd waren.

Het gemene volk hier te lande scheen zeer arm te zyn. Zy hadden maar eventjes den kost. Weinig lieden van den lageren stand bezitten enige rykdommen. Zy waren meesten tyd te vreden als zy droog brood en water konden hebben. Het overige dat zy van levensmiddelen hadden, als vleesch, visch, eyeren, hoenders, boter, kaas en diergelyken, bragten zy in de Stad om te verkopen. Van dat geldkoftenzy klederen, brandewyn,[158]en opschik voor de vrouwen. Maar hoe mager zy het ook hadden waren zy dog altyd wel vergenoegd en vrolyk.

Reis naarBaïe St. Paul.

Op verzoek van den Gouverneur Generaal en denMarquis de laGalissonièrehad ik met enigeFranscheHeren party gemaakt om de zo genoemde zilver- of liever loodmyn byBaïe St. Paulte gaan bezigtigen. Ik aanvaarde deze gelegenheid om een groot deel van ’t Land te zien met vermaak. Wy gingen dan des morgens den 29. Aug. met ene schuit deSt. Laurenceaf op reis.


Back to IndexNext