Het weder was thans omtrent zo gesteld als inZwedenin ’t begin van Augustus, zo dat de herfst in het noorden vanKanadaene maand later dan in het midden vanZwedenschynt intevallen.By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens wiessen, welken deFranscheBoeren op de vastendagen veel gebruikten.[184]Egter kan ik niet zeggen, dat deFranschenzo buitenmate stipt waren in het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk inKanadaeet zo veel uyen dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in die tuinen te vinden.Tabak.Ieder Boer had ook by zyn huis meer of minTabakgeplant, naar dat zyn huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden vanKanadagebruikte men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks vanMontreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,138sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak. De meeste tabak, die men hiergebruikte, was in ’t land gewassen. Sommigen agtten die boven deVirginische; dog die genen welken voor kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.Modes.Schoon de meeste volken vanEuropade modes derFranschengewoon zyn natevolgen, zag ik dog integendeel dat deFranscheninKanadazig in vele stukken naar de gebruiken derWilden, met welken zy dagelyks omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen, koussebanden, en gordels als deAmerikanen. Zy volgden hen na in ’t voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder.Boeren.MonsieurenMadamezyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden, hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden, hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als deEngelsche, en smaakte dikwyls naar talk. DeFranschen[185]hielden veel van melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten. Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken. Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by deEngelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje,Petite Rivièregenaamd, dat zig hier in deSt. Laurencewerpt. Men rekende van hier zestienFr.mylen totQuebec, en tien totTrois Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de bosschen, dog niet zeer talryk. DeFranschennoemden zeMouches à feu.Huizen.De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren, naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken. Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er een yzeren kacchel agter den schoorsteen.Den 13. reisden wy voort. ByChamplain, vyfFr.mylen vanTrois Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als men byTrois Rivièresheeft, ligt. Het was zonderling dat men hier zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter breedte van eneEng.myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.Tegens den avond kwamen wy teTrois Rivières, daar wy ons niet langer ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy vanQuebecmedegebragt hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog eneFr.myl verder eer wy ons nagtverblyf namen.Oude lieden.Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was eenJesuiet, genaamdJoseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerdeWildenteSt. Françoiswas, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening[186]vervuld. Hy ging derhalven naarQuebecom zyne gelofte alsJesuiette vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk. De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. inQuebecwas, toen het door deEngelschenbelegerd werd. De Bisschop had by die gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de soldaten aangemoedigd.Hette en koude.Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat opSt. Jande kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo gestrenge winter inKanadageweest dat ’er vele vogels dood gevroren waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan in vele jaren te voren.Grond.De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt waren garstenbrood te eten.Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na tweeFr.mylen gezeild te hebben kwamen wy opLac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden waterplanten, die in deZweedschemeren gemeen zyn, lagen hier in ’t water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort vanKreeft, gelykende veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar het groene.DePontederia cordatawies overvloedig aan de kanten van een lang smal water, op de zelve plaatsen als by ons deNymphææof waterlelies. Een hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.Zodra wyLac St. Pierreover waren veranderde het land geheel van aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit duurde tot byMontreal.[187]Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.Montreal.Om vier uur na den middag kwamen wy teMontrealaan. Men rekende dat onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschenQuebecenMontrealonder weg is.Wyngaarden.Verscheiden’ menschen teMontrealhadden wyngaarden, die uitFrankrykgekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van; het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot niet als inFrankryk.Watermeloenen.Men teelde hier ook veelWatermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte vanKanada. DeWildenplanten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook gedaan hebben is onzeker. Een oudeIroquoisteOneidaheeft my gezeid dat zy ze van deEuropeanengekregen hadden. Integendeel verzekerden my veleFranschendat deIllinoizenreeds ’er veel van hadden toen zy in hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eersteEuropeanen, die inNoord Amerikakwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van de spyzen derWildenspreken. Hoe heet de zomers in die delen vanNoord Amerikadie ikdoorreisdheb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by deIllinoizenen by deEngelschen, de twede vindt men meer inKanada. Men zait ze in het voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel vrugtbaar zyn. TeMontrealwaren zy nu meest ryp; maar in deEngelscheVolkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy minder tyd om ryp te worden[188]als de gemene meloenen. DeKanadaschenzyn zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen.Misschien komt dat van de sterkere hette. Die vanNew Yorkwerden voor de lekkersten gehouden.De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant inKanada, teAlbanyen inNew York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. DeFranschenzeggen dat als menschen, die inKanadageboren zyn, in ’t Land derIllinoizenkomen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven deIllinoizenhen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. DeIllinoizenzelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. InKanadabewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. DeEngelschenbewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. InPensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. DeIroquoizennoemen zeOnoheserakahtie.Kawoerden.Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door deEngelschenen deFranschenoveral geplant. InKanadamaakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder deEngelschenwas ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. DeZweden,DuitschersenHollandersteelden ’er ook zeer veel. DeWildenleefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meerSquashesdan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst derEuropersal gehad hadden. Ook gewagen de eersteEuropischeReisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys derWilden. De Franschen noemden zeCitrouillesen deEngelschenPumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten[189]is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. InKanadaworden zy in ’t begin van September ryp; dog in deEngelscheVolkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu teMontrealin het midden van September N. S. Dog inPensylvanieheb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. DeWildenkoken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. DeFranschenenEngelschensnyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er deWildendus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. DeWildeneten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben deEuropeanenvan hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. InMontrealwierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren,cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn.[190]Graan.Het graan dat dit jaar inKanadagewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het inNew Yorkslegt uit. Voor ’t overige was de herfst inKanadazeer schoon.Handel met deWilden.Kanadadryft enen sterken handel met deWilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van deAmerikanenbekomt, die van daar verzonden worden. DeWilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren denEngelschenverkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde deFranschenzelven naar hen toe reizen.Montrealin zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar deWilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder deWildengewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by deAmerikanenniet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van deFranschendie op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.De volgende waren zyn het voornamelyk die onder deWildenenen goeden aftrek vinden.Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle deWilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van deEuropersgeleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn deEuropersaantetasten. Geen van deWildenweet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van deEuropeanenlaten doen. In ’t begin dat deEuroperseerst inNoord Amerikakwamen droegen zy langen tyd zorg van denAmerikanengeen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die deFranschenmet deEngelschenenHollandersvoerden, deelden zy hunnenAmerikaanschenbondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. DeFranschenzeide dat deHollandersvanAlbanyde eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den[191]Wildenschietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig deFranschengenoodzaakt gezien den met hen in verbond staandenAmerikaneninsgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens deHollandersen deWildenvan derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die vanAlbanybeweerden daarentegen dat deFranschende eersten geweest waren die denWildenschietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om denEngelschenenHollanderenhet hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat deWildentegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van deEuropeanenkrygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel denEuropeanenalle jaren grote winsten aanbrengt.Kledenvan wit Laken, ofgrof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. DeWildendragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.Blauwofrood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.LinnenHembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als eenWildeeens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.Lakenom om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk deRussendoen.Bylen,Messen,Scharen,Naalden, enstalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by deWilden. Zy kopen ze allen van deEuropeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er inKanadaweinig meer vindt.Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden,[192]en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van deEuropeanenvermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat deFranschenin ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.Spaanschgroen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.Spiegels. DeWildenzyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.Brandglazen. Dit is in het oog derWildeneen zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.Tabak kopen deWildendie wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat deWilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.Wampums, of zo als zy ’t noemenPorcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.GlazenKralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.Koper enyzerdraadom verscheiden’ dingen van te maken.Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden denWildenbrandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.Dit zyn de voornaamste waren die deFranschendenWildentoevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.De waren die zy van deWildenterug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken[193]die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden139, Rendieren140, Wolflynxen141en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. DePichou du Nordzal misschien dat dier zyn ’t welk zig by deHudsonsbaiophoudt, en door deEngelschenWolverenegenoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters,Pichoux du sud, van de welken VaderCharlevoix142gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten,Rakoons, Katlynxen, en anderen.Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van deWildenmishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen inKanadaniet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder deWildenneder, trouwen daar, en keren noit te rug.De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. teMontrealwaren, heeft my de HeerCouagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.Grote en middelbareBerenhuidenkostten 5. Livres.Huiden van jongeBeren, 15. Sols.——— —Lynxen, 25. Sols.——— —Pichoux du sud, 35. Sols.——— —Vossenuit het Zuiden, 35. Sols.——— —Otters, 5. Livres.——— —Rakoons, 5. Livres.——— —Marters, 45. Sols.——— —Wolflynxen,Loup-cerviers, 4. Livres.——— —Wolven,40. Sols.——— —Carcajoux, een dier dat ik niet ken, 5. Livres.[194]Huiden vanVisons, een soort van Marter die zig in ’t water onthoudt, 25. Sols.——— — ruwe, vanElanden,Orignacs verts, 10. Livres.——— ——Herten,Cerfs verts.——— slegte, vanElandenenHerten,Orignacs&Cerfs passés, 3 Livres.———Reën, van 25. tot 30. Sols.———Rode Vossen, 3. Livres.———Bevers, 3. Livres.Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier inKanadagekoften naarEuropaverzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden inMontrealgekregen.Chevreuils passés,143bereide Reevellen.Chevreuils verts, onbereide Reevellen.Chevreuils tannés, getouwde Reevellen.Ours, Beren.Oursons, jonge Beren.Loutres, Otters.Pecans.Chats, Katten.Loups de bois, Wolven.Loup-cerviers, Lynxen.Pichoux du Nord.Pichoux du sud.Renards rouges, Rode Vossen.Renards croisés, Kruisvossen.Renards noirs, Zwarte Vossen.Renards argentés, Grauwe Vossen.Renards du sud,ou deVirginie,VirginischeVossen.Renards blancs deTadoussac, Witte Vossen vanTadoussak.Martres, Marters.VisonsouFoutreaux.Ecureuils noirs, Zwarte Eekhoorns.Cerfs verts, ruwe Hertenvellen.Cerfs passés, bereide Hertevellen.Originals verts, ruwe Elanden.Originals passés, bereide Elanden.Cariboux, Rendieren.Biches vertes, ruwe Hindevellen.Biches passées, bereide Hindevellen.Carcajoux.Rats musqués, Muskusratten.Castors gras d’hiver, vette Winterbevers.Castors gras d’été, vette Zomerbevers.Castors secs d’hiver, droge Winterbevers.Castors secs d’été, droge Zomerbevers.Castors vieux d’hiver, oude Winterbevers.Castors vieux d’été, oude Zomerbevers.Koper.Ik kreeg den 22. September een stuk louterKoper, dat vanLac Superieurgekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden[195]kan. VaderCharlevoix144spreekt ’er van in zyne Beschryving vanNieuw Frankryk. Een van deJesuietenteMontreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse deWildendat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.Looderts.De Opperste van de Priesters teMontrealgaf my ook dien dag een stukLooderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. DeWildendaaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.Rode Aarde.Ook kreeg ik enigeroodbruine Aarde, die gevonden was byLac des deux Montagnes, enige mylen vanMontreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.Vrouwen.Men vindt twederlei soort van Vrouwen inKanada. Het eerste bestaat uit zulken die inFrankrykgeboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat derFranschenatie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die vanQuebecen in die vanMontreal. Die vanQuebecgeven die inFrankrykgeboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naarFrankrykkeren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed derWildente hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van deFranschewellevendheid.[196]Het geen ik boven van de vrouwen vanMontrealgezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden inFrankrykreeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeftuitgediend. Noit heb ik zo zeer als teMontrealgezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. InKanadahoort men geenFranschspreken dan van geborenFranschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs deWildenhouden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed omFranschte spreken, en dwingen deFranschenom hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren derKanadaschevrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen inKanadabevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen vanQuebecenMontrealwas; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die teQuebeckwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die vanMontrealminder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren teQuebecniet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen[197]koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. TeMontrealzyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes teMontrealspytig dat die vanQuebecmerendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheidenFranschejonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes vanMontrealzelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.Reis naarSaut au Recollet.Den 23. Sept. ging ik naarSaut au Recollet, drieFr.mylen noordwaards vanMontreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik teSaut au Recolletkwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.Kalkovens.Omtrent eneFr.myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.DeKalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig[198]naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eilandMontreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol vanPectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggendePectinitesbestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van deThuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, deRhus glabra, hetPolygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik teSaut au Recolletaan.Saut au Recollet.Saut au Recolletis een klein kerspel, leggende aan enen arm van[199]deSt. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland vanMontrealenIsle de Jesusdoorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik,Nicolas Vielgeheten, had. Hy was met enen bekeerdenHuronin een schuitje gegaan om naarQuebecte varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat deWildenmet voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar deWildenzwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp vanHuronsgeweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst derFranschenhier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stadMontreallag. Dog deFranschenbewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor deWildengebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen deFranschenop het eilandMontrealmenigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven deWildenhun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben deFranschen, deWilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig byLac des deux Montagnesnedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk teSaut au Recolletwas van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van deFranschengebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.Vogtigheid.Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.Akkers.De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen[200]stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die inKanadagezaid wordt, zomerkoorn is. ByQuebecgebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen opIsle de Jesusin den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.Beuken.In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.Zoutbron.Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zevenFr.mylen van hier by deRivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met hetLuneburgscheovereenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.Vrugtbomen.Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeksMontreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. ByQuebecwillen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen byMontrealsomtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen[201]groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uitFrankrykovergebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-,moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.Landeryen.GantschKanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waaropQuebecenTrois Rivièresstaan den Koning; dog die waaropMontrealgebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order vanSt. SulpiciusteMontrealin eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drieArpentsin de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot tweeEcusbetalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop vanKanadaheeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning vanFrankrykgene inkomsten uitKanada.Molens.De Priesters vanMontrealhebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het EilandMontrealenen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders vanMontrealzyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.Suiker.Men kookt inKanadaveel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappyvoor ’t jaar 1751. beschreven.Terugreis naarMontreal.Den 26. September keerde ik weer terug naarMontreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen[202]aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten vanAsteres, witten en blauwen, deSolidagines, ’tAchillea millefolium, dePrunella vulgaris, deCarduus crispus, deOenothera biennis, deRudbeckia triloba, deViola Canadensis, deGentiana Saponaria.De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.Spys derWilden.Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder deWildengereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten dieWilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden,squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst derEuropersgehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort deZizania aquatica, die deFranschenFolle avoinenoemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien,acimine145,chinquapins146, hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst derEuropershier niet bekend geweest zyn; en dat deWilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die deEuropeanenvan deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.Bevers.VanBeverswordt ’er ene grote menigte inNoord Amerikagevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. DeWildenleven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch.[203]Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat deWildentegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst derEuropeanenvingen ’er deWildenniet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naarEuropa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. DeFranschenen deEngelschenzoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door deWildenrykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen inKanadazeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondomMontreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.Het vleesch der bevers wordt niet alleen van deWilden, maar ook van deEuropeanen, inzonderheid deFranschenop hunne vastendagen, veel gegeten, want deRoomschenhebben, gelyk velen uit deOuden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.Wyn.Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom147eenBier, dat des zomers gedronken wordt.[204]Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rodeFranschewyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veelFrankrykjaarlyks voor zyne wynen uitKanadatrekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, ofBarrique, tweehonderd en vyftigFrancs, of tweehonderdEcus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.Prys van verscheiden’ dingen.De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40.Francsen meer, een goed paard 100.Francs. Een koe werd gekost voor 50.Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10.Ecuskunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6.Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15.Francs. De HeerCouagnezeide dat hy by deWildeneen varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12.Sols, en een kalkoen 20. Eenminotweit wierd voorheen voor eenEcu, dog nu voor 40.Solsverkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder deWildengingen reizenopgekoftwierd. Eenminothaver kostte somtyds 15. of 20.Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10.Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16.Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3.Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20.Sols.Handwerken.Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wilFrankrykdat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit deFranschenhier te lande, zo wel als deWildenhunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.Huwelyken.Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming[205]van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.Reisje over het EilandMontreal.Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eilandMontreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen vanMontreallegt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep deSt. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die byFort Chamblais, en enigen die by het MeerChamplainleggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent eneFr.myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyfArpentsvan malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen vanKanadagaan zig hier door arbeiden.Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2.October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten[206]nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van deAmerikaanschelinden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.DeOenothera bienniswies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oudeFranschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.Soeurs de Congregation.Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, wordenSoeurs de congregationgenoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was teMontreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizendLivresbegrootten.La Chine.La Chinewas een frai Kerspel, drieFr.mylen zuidwest vanMontreal, op het Eiland van dien naam, aan deSt. Laurencegelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyfArpentsvan malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de HeerSalée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door deSt. LaurencenaarChinate vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naarChina. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit inChinakwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam vanLa Chine.Terug reis naarMontreal.Des avonds van den 2. October keerde ik naarMontrealte rug.[207]Regeering vanKanada.DeGouverneur GeneraalteQuebecis de voornaamste persoon inKanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt deIntendantteQuebec, en dan deGouverneurvanMontreal, en op dien die vanTrois Rivières. DeIntendantheeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Desnietteminkan hy de zaak tot nauwer onderzoek naarFrankrykoverbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is deGouverneurde eerste persoon, dan eenLuitenant Generaal, daarna eenMajor, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy teMontrealof teTrois Rivièreskomt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naarMontreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid teQuebecvoert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur vanMontrealzo lang teQuebeczyne stede vervullen. En als de Gouverneur vanMontrealuit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.Schepen uitFrankryk.Alle jaren komt ’er uitFrankrykeen of meer van ’s Konings schepen inKanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren inFrankrykhebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naarFrankrykkeren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening,Tollen.om ze onder deWildennu en dan uittedelen. De Inwoonders vanKanadabetalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uitFrankrykherwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naarFrankrykwerd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van deFranscheVolkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle deFranscheplaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die vanQuebecmogen insgelyks hunne koopwaren naar alleFranscheplaatsen[208]voeren. Dog die vanQuebechebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden inFrankrykzelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden inFrankrykdie den meesten handel opKanadadryven zynRochelleenBourdeaux, en na dieMarseille,Nantes,Havre de Grace,St. Maloen anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks opKanadavaren, komen of vanBrestof vanRochefort. Dog naar deFranscheeilanden in deWest Indienzenden de Kooplieden vanQuebeczelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren omMontrealwerden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizendLivresaf, waarvan de Priesters tweeduizendLivres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. TeQuebecheeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen derIndischeMaatschappy inFrankryktoe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen,Les Postesgenaamd, waar deFranschenhunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen inKanada, alsQuebec,Fort Chamblais,Fort St. Jean,Fort St. Frederic,Montreal,FrontenacenNiagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft teNiagarazelf den handel. Ieder mag niet naar deWildenreizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moetvyf-of zeshonderdLivresbetalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizendLivresbetalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.
Het weder was thans omtrent zo gesteld als inZwedenin ’t begin van Augustus, zo dat de herfst in het noorden vanKanadaene maand later dan in het midden vanZwedenschynt intevallen.By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens wiessen, welken deFranscheBoeren op de vastendagen veel gebruikten.[184]Egter kan ik niet zeggen, dat deFranschenzo buitenmate stipt waren in het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk inKanadaeet zo veel uyen dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in die tuinen te vinden.Tabak.Ieder Boer had ook by zyn huis meer of minTabakgeplant, naar dat zyn huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden vanKanadagebruikte men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks vanMontreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,138sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak. De meeste tabak, die men hiergebruikte, was in ’t land gewassen. Sommigen agtten die boven deVirginische; dog die genen welken voor kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.Modes.Schoon de meeste volken vanEuropade modes derFranschengewoon zyn natevolgen, zag ik dog integendeel dat deFranscheninKanadazig in vele stukken naar de gebruiken derWilden, met welken zy dagelyks omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen, koussebanden, en gordels als deAmerikanen. Zy volgden hen na in ’t voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder.Boeren.MonsieurenMadamezyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden, hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden, hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als deEngelsche, en smaakte dikwyls naar talk. DeFranschen[185]hielden veel van melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten. Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken. Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by deEngelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje,Petite Rivièregenaamd, dat zig hier in deSt. Laurencewerpt. Men rekende van hier zestienFr.mylen totQuebec, en tien totTrois Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de bosschen, dog niet zeer talryk. DeFranschennoemden zeMouches à feu.Huizen.De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren, naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken. Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er een yzeren kacchel agter den schoorsteen.Den 13. reisden wy voort. ByChamplain, vyfFr.mylen vanTrois Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als men byTrois Rivièresheeft, ligt. Het was zonderling dat men hier zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter breedte van eneEng.myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.Tegens den avond kwamen wy teTrois Rivières, daar wy ons niet langer ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy vanQuebecmedegebragt hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog eneFr.myl verder eer wy ons nagtverblyf namen.Oude lieden.Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was eenJesuiet, genaamdJoseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerdeWildenteSt. Françoiswas, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening[186]vervuld. Hy ging derhalven naarQuebecom zyne gelofte alsJesuiette vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk. De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. inQuebecwas, toen het door deEngelschenbelegerd werd. De Bisschop had by die gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de soldaten aangemoedigd.Hette en koude.Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat opSt. Jande kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo gestrenge winter inKanadageweest dat ’er vele vogels dood gevroren waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan in vele jaren te voren.Grond.De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt waren garstenbrood te eten.Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na tweeFr.mylen gezeild te hebben kwamen wy opLac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden waterplanten, die in deZweedschemeren gemeen zyn, lagen hier in ’t water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort vanKreeft, gelykende veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar het groene.DePontederia cordatawies overvloedig aan de kanten van een lang smal water, op de zelve plaatsen als by ons deNymphææof waterlelies. Een hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.Zodra wyLac St. Pierreover waren veranderde het land geheel van aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit duurde tot byMontreal.[187]Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.Montreal.Om vier uur na den middag kwamen wy teMontrealaan. Men rekende dat onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschenQuebecenMontrealonder weg is.Wyngaarden.Verscheiden’ menschen teMontrealhadden wyngaarden, die uitFrankrykgekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van; het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot niet als inFrankryk.Watermeloenen.Men teelde hier ook veelWatermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte vanKanada. DeWildenplanten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook gedaan hebben is onzeker. Een oudeIroquoisteOneidaheeft my gezeid dat zy ze van deEuropeanengekregen hadden. Integendeel verzekerden my veleFranschendat deIllinoizenreeds ’er veel van hadden toen zy in hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eersteEuropeanen, die inNoord Amerikakwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van de spyzen derWildenspreken. Hoe heet de zomers in die delen vanNoord Amerikadie ikdoorreisdheb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by deIllinoizenen by deEngelschen, de twede vindt men meer inKanada. Men zait ze in het voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel vrugtbaar zyn. TeMontrealwaren zy nu meest ryp; maar in deEngelscheVolkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy minder tyd om ryp te worden[188]als de gemene meloenen. DeKanadaschenzyn zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen.Misschien komt dat van de sterkere hette. Die vanNew Yorkwerden voor de lekkersten gehouden.De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant inKanada, teAlbanyen inNew York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. DeFranschenzeggen dat als menschen, die inKanadageboren zyn, in ’t Land derIllinoizenkomen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven deIllinoizenhen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. DeIllinoizenzelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. InKanadabewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. DeEngelschenbewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. InPensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. DeIroquoizennoemen zeOnoheserakahtie.Kawoerden.Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door deEngelschenen deFranschenoveral geplant. InKanadamaakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder deEngelschenwas ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. DeZweden,DuitschersenHollandersteelden ’er ook zeer veel. DeWildenleefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meerSquashesdan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst derEuropersal gehad hadden. Ook gewagen de eersteEuropischeReisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys derWilden. De Franschen noemden zeCitrouillesen deEngelschenPumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten[189]is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. InKanadaworden zy in ’t begin van September ryp; dog in deEngelscheVolkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu teMontrealin het midden van September N. S. Dog inPensylvanieheb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. DeWildenkoken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. DeFranschenenEngelschensnyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er deWildendus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. DeWildeneten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben deEuropeanenvan hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. InMontrealwierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren,cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn.[190]Graan.Het graan dat dit jaar inKanadagewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het inNew Yorkslegt uit. Voor ’t overige was de herfst inKanadazeer schoon.Handel met deWilden.Kanadadryft enen sterken handel met deWilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van deAmerikanenbekomt, die van daar verzonden worden. DeWilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren denEngelschenverkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde deFranschenzelven naar hen toe reizen.Montrealin zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar deWilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder deWildengewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by deAmerikanenniet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van deFranschendie op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.De volgende waren zyn het voornamelyk die onder deWildenenen goeden aftrek vinden.Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle deWilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van deEuropersgeleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn deEuropersaantetasten. Geen van deWildenweet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van deEuropeanenlaten doen. In ’t begin dat deEuroperseerst inNoord Amerikakwamen droegen zy langen tyd zorg van denAmerikanengeen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die deFranschenmet deEngelschenenHollandersvoerden, deelden zy hunnenAmerikaanschenbondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. DeFranschenzeide dat deHollandersvanAlbanyde eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den[191]Wildenschietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig deFranschengenoodzaakt gezien den met hen in verbond staandenAmerikaneninsgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens deHollandersen deWildenvan derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die vanAlbanybeweerden daarentegen dat deFranschende eersten geweest waren die denWildenschietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om denEngelschenenHollanderenhet hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat deWildentegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van deEuropeanenkrygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel denEuropeanenalle jaren grote winsten aanbrengt.Kledenvan wit Laken, ofgrof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. DeWildendragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.Blauwofrood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.LinnenHembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als eenWildeeens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.Lakenom om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk deRussendoen.Bylen,Messen,Scharen,Naalden, enstalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by deWilden. Zy kopen ze allen van deEuropeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er inKanadaweinig meer vindt.Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden,[192]en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van deEuropeanenvermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat deFranschenin ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.Spaanschgroen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.Spiegels. DeWildenzyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.Brandglazen. Dit is in het oog derWildeneen zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.Tabak kopen deWildendie wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat deWilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.Wampums, of zo als zy ’t noemenPorcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.GlazenKralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.Koper enyzerdraadom verscheiden’ dingen van te maken.Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden denWildenbrandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.Dit zyn de voornaamste waren die deFranschendenWildentoevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.De waren die zy van deWildenterug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken[193]die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden139, Rendieren140, Wolflynxen141en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. DePichou du Nordzal misschien dat dier zyn ’t welk zig by deHudsonsbaiophoudt, en door deEngelschenWolverenegenoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters,Pichoux du sud, van de welken VaderCharlevoix142gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten,Rakoons, Katlynxen, en anderen.Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van deWildenmishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen inKanadaniet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder deWildenneder, trouwen daar, en keren noit te rug.De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. teMontrealwaren, heeft my de HeerCouagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.Grote en middelbareBerenhuidenkostten 5. Livres.Huiden van jongeBeren, 15. Sols.——— —Lynxen, 25. Sols.——— —Pichoux du sud, 35. Sols.——— —Vossenuit het Zuiden, 35. Sols.——— —Otters, 5. Livres.——— —Rakoons, 5. Livres.——— —Marters, 45. Sols.——— —Wolflynxen,Loup-cerviers, 4. Livres.——— —Wolven,40. Sols.——— —Carcajoux, een dier dat ik niet ken, 5. Livres.[194]Huiden vanVisons, een soort van Marter die zig in ’t water onthoudt, 25. Sols.——— — ruwe, vanElanden,Orignacs verts, 10. Livres.——— ——Herten,Cerfs verts.——— slegte, vanElandenenHerten,Orignacs&Cerfs passés, 3 Livres.———Reën, van 25. tot 30. Sols.———Rode Vossen, 3. Livres.———Bevers, 3. Livres.Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier inKanadagekoften naarEuropaverzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden inMontrealgekregen.Chevreuils passés,143bereide Reevellen.Chevreuils verts, onbereide Reevellen.Chevreuils tannés, getouwde Reevellen.Ours, Beren.Oursons, jonge Beren.Loutres, Otters.Pecans.Chats, Katten.Loups de bois, Wolven.Loup-cerviers, Lynxen.Pichoux du Nord.Pichoux du sud.Renards rouges, Rode Vossen.Renards croisés, Kruisvossen.Renards noirs, Zwarte Vossen.Renards argentés, Grauwe Vossen.Renards du sud,ou deVirginie,VirginischeVossen.Renards blancs deTadoussac, Witte Vossen vanTadoussak.Martres, Marters.VisonsouFoutreaux.Ecureuils noirs, Zwarte Eekhoorns.Cerfs verts, ruwe Hertenvellen.Cerfs passés, bereide Hertevellen.Originals verts, ruwe Elanden.Originals passés, bereide Elanden.Cariboux, Rendieren.Biches vertes, ruwe Hindevellen.Biches passées, bereide Hindevellen.Carcajoux.Rats musqués, Muskusratten.Castors gras d’hiver, vette Winterbevers.Castors gras d’été, vette Zomerbevers.Castors secs d’hiver, droge Winterbevers.Castors secs d’été, droge Zomerbevers.Castors vieux d’hiver, oude Winterbevers.Castors vieux d’été, oude Zomerbevers.Koper.Ik kreeg den 22. September een stuk louterKoper, dat vanLac Superieurgekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden[195]kan. VaderCharlevoix144spreekt ’er van in zyne Beschryving vanNieuw Frankryk. Een van deJesuietenteMontreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse deWildendat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.Looderts.De Opperste van de Priesters teMontrealgaf my ook dien dag een stukLooderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. DeWildendaaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.Rode Aarde.Ook kreeg ik enigeroodbruine Aarde, die gevonden was byLac des deux Montagnes, enige mylen vanMontreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.Vrouwen.Men vindt twederlei soort van Vrouwen inKanada. Het eerste bestaat uit zulken die inFrankrykgeboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat derFranschenatie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die vanQuebecen in die vanMontreal. Die vanQuebecgeven die inFrankrykgeboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naarFrankrykkeren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed derWildente hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van deFranschewellevendheid.[196]Het geen ik boven van de vrouwen vanMontrealgezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden inFrankrykreeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeftuitgediend. Noit heb ik zo zeer als teMontrealgezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. InKanadahoort men geenFranschspreken dan van geborenFranschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs deWildenhouden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed omFranschte spreken, en dwingen deFranschenom hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren derKanadaschevrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen inKanadabevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen vanQuebecenMontrealwas; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die teQuebeckwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die vanMontrealminder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren teQuebecniet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen[197]koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. TeMontrealzyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes teMontrealspytig dat die vanQuebecmerendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheidenFranschejonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes vanMontrealzelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.Reis naarSaut au Recollet.Den 23. Sept. ging ik naarSaut au Recollet, drieFr.mylen noordwaards vanMontreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik teSaut au Recolletkwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.Kalkovens.Omtrent eneFr.myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.DeKalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig[198]naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eilandMontreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol vanPectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggendePectinitesbestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van deThuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, deRhus glabra, hetPolygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik teSaut au Recolletaan.Saut au Recollet.Saut au Recolletis een klein kerspel, leggende aan enen arm van[199]deSt. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland vanMontrealenIsle de Jesusdoorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik,Nicolas Vielgeheten, had. Hy was met enen bekeerdenHuronin een schuitje gegaan om naarQuebecte varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat deWildenmet voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar deWildenzwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp vanHuronsgeweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst derFranschenhier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stadMontreallag. Dog deFranschenbewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor deWildengebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen deFranschenop het eilandMontrealmenigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven deWildenhun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben deFranschen, deWilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig byLac des deux Montagnesnedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk teSaut au Recolletwas van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van deFranschengebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.Vogtigheid.Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.Akkers.De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen[200]stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die inKanadagezaid wordt, zomerkoorn is. ByQuebecgebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen opIsle de Jesusin den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.Beuken.In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.Zoutbron.Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zevenFr.mylen van hier by deRivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met hetLuneburgscheovereenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.Vrugtbomen.Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeksMontreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. ByQuebecwillen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen byMontrealsomtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen[201]groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uitFrankrykovergebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-,moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.Landeryen.GantschKanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waaropQuebecenTrois Rivièresstaan den Koning; dog die waaropMontrealgebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order vanSt. SulpiciusteMontrealin eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drieArpentsin de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot tweeEcusbetalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop vanKanadaheeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning vanFrankrykgene inkomsten uitKanada.Molens.De Priesters vanMontrealhebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het EilandMontrealenen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders vanMontrealzyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.Suiker.Men kookt inKanadaveel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappyvoor ’t jaar 1751. beschreven.Terugreis naarMontreal.Den 26. September keerde ik weer terug naarMontreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen[202]aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten vanAsteres, witten en blauwen, deSolidagines, ’tAchillea millefolium, dePrunella vulgaris, deCarduus crispus, deOenothera biennis, deRudbeckia triloba, deViola Canadensis, deGentiana Saponaria.De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.Spys derWilden.Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder deWildengereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten dieWilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden,squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst derEuropersgehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort deZizania aquatica, die deFranschenFolle avoinenoemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien,acimine145,chinquapins146, hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst derEuropershier niet bekend geweest zyn; en dat deWilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die deEuropeanenvan deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.Bevers.VanBeverswordt ’er ene grote menigte inNoord Amerikagevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. DeWildenleven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch.[203]Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat deWildentegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst derEuropeanenvingen ’er deWildenniet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naarEuropa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. DeFranschenen deEngelschenzoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door deWildenrykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen inKanadazeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondomMontreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.Het vleesch der bevers wordt niet alleen van deWilden, maar ook van deEuropeanen, inzonderheid deFranschenop hunne vastendagen, veel gegeten, want deRoomschenhebben, gelyk velen uit deOuden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.Wyn.Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom147eenBier, dat des zomers gedronken wordt.[204]Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rodeFranschewyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veelFrankrykjaarlyks voor zyne wynen uitKanadatrekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, ofBarrique, tweehonderd en vyftigFrancs, of tweehonderdEcus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.Prys van verscheiden’ dingen.De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40.Francsen meer, een goed paard 100.Francs. Een koe werd gekost voor 50.Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10.Ecuskunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6.Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15.Francs. De HeerCouagnezeide dat hy by deWildeneen varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12.Sols, en een kalkoen 20. Eenminotweit wierd voorheen voor eenEcu, dog nu voor 40.Solsverkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder deWildengingen reizenopgekoftwierd. Eenminothaver kostte somtyds 15. of 20.Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10.Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16.Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3.Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20.Sols.Handwerken.Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wilFrankrykdat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit deFranschenhier te lande, zo wel als deWildenhunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.Huwelyken.Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming[205]van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.Reisje over het EilandMontreal.Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eilandMontreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen vanMontreallegt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep deSt. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die byFort Chamblais, en enigen die by het MeerChamplainleggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent eneFr.myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyfArpentsvan malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen vanKanadagaan zig hier door arbeiden.Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2.October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten[206]nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van deAmerikaanschelinden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.DeOenothera bienniswies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oudeFranschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.Soeurs de Congregation.Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, wordenSoeurs de congregationgenoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was teMontreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizendLivresbegrootten.La Chine.La Chinewas een frai Kerspel, drieFr.mylen zuidwest vanMontreal, op het Eiland van dien naam, aan deSt. Laurencegelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyfArpentsvan malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de HeerSalée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door deSt. LaurencenaarChinate vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naarChina. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit inChinakwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam vanLa Chine.Terug reis naarMontreal.Des avonds van den 2. October keerde ik naarMontrealte rug.[207]Regeering vanKanada.DeGouverneur GeneraalteQuebecis de voornaamste persoon inKanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt deIntendantteQuebec, en dan deGouverneurvanMontreal, en op dien die vanTrois Rivières. DeIntendantheeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Desnietteminkan hy de zaak tot nauwer onderzoek naarFrankrykoverbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is deGouverneurde eerste persoon, dan eenLuitenant Generaal, daarna eenMajor, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy teMontrealof teTrois Rivièreskomt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naarMontreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid teQuebecvoert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur vanMontrealzo lang teQuebeczyne stede vervullen. En als de Gouverneur vanMontrealuit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.Schepen uitFrankryk.Alle jaren komt ’er uitFrankrykeen of meer van ’s Konings schepen inKanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren inFrankrykhebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naarFrankrykkeren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening,Tollen.om ze onder deWildennu en dan uittedelen. De Inwoonders vanKanadabetalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uitFrankrykherwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naarFrankrykwerd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van deFranscheVolkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle deFranscheplaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die vanQuebecmogen insgelyks hunne koopwaren naar alleFranscheplaatsen[208]voeren. Dog die vanQuebechebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden inFrankrykzelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden inFrankrykdie den meesten handel opKanadadryven zynRochelleenBourdeaux, en na dieMarseille,Nantes,Havre de Grace,St. Maloen anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks opKanadavaren, komen of vanBrestof vanRochefort. Dog naar deFranscheeilanden in deWest Indienzenden de Kooplieden vanQuebeczelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren omMontrealwerden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizendLivresaf, waarvan de Priesters tweeduizendLivres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. TeQuebecheeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen derIndischeMaatschappy inFrankryktoe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen,Les Postesgenaamd, waar deFranschenhunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen inKanada, alsQuebec,Fort Chamblais,Fort St. Jean,Fort St. Frederic,Montreal,FrontenacenNiagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft teNiagarazelf den handel. Ieder mag niet naar deWildenreizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moetvyf-of zeshonderdLivresbetalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizendLivresbetalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.
Het weder was thans omtrent zo gesteld als inZwedenin ’t begin van Augustus, zo dat de herfst in het noorden vanKanadaene maand later dan in het midden vanZwedenschynt intevallen.By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens wiessen, welken deFranscheBoeren op de vastendagen veel gebruikten.[184]Egter kan ik niet zeggen, dat deFranschenzo buitenmate stipt waren in het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk inKanadaeet zo veel uyen dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in die tuinen te vinden.Tabak.Ieder Boer had ook by zyn huis meer of minTabakgeplant, naar dat zyn huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden vanKanadagebruikte men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks vanMontreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,138sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak. De meeste tabak, die men hiergebruikte, was in ’t land gewassen. Sommigen agtten die boven deVirginische; dog die genen welken voor kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.Modes.Schoon de meeste volken vanEuropade modes derFranschengewoon zyn natevolgen, zag ik dog integendeel dat deFranscheninKanadazig in vele stukken naar de gebruiken derWilden, met welken zy dagelyks omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen, koussebanden, en gordels als deAmerikanen. Zy volgden hen na in ’t voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder.Boeren.MonsieurenMadamezyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden, hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden, hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als deEngelsche, en smaakte dikwyls naar talk. DeFranschen[185]hielden veel van melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten. Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken. Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by deEngelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje,Petite Rivièregenaamd, dat zig hier in deSt. Laurencewerpt. Men rekende van hier zestienFr.mylen totQuebec, en tien totTrois Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de bosschen, dog niet zeer talryk. DeFranschennoemden zeMouches à feu.Huizen.De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren, naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken. Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er een yzeren kacchel agter den schoorsteen.Den 13. reisden wy voort. ByChamplain, vyfFr.mylen vanTrois Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als men byTrois Rivièresheeft, ligt. Het was zonderling dat men hier zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter breedte van eneEng.myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.Tegens den avond kwamen wy teTrois Rivières, daar wy ons niet langer ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy vanQuebecmedegebragt hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog eneFr.myl verder eer wy ons nagtverblyf namen.Oude lieden.Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was eenJesuiet, genaamdJoseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerdeWildenteSt. Françoiswas, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening[186]vervuld. Hy ging derhalven naarQuebecom zyne gelofte alsJesuiette vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk. De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. inQuebecwas, toen het door deEngelschenbelegerd werd. De Bisschop had by die gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de soldaten aangemoedigd.Hette en koude.Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat opSt. Jande kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo gestrenge winter inKanadageweest dat ’er vele vogels dood gevroren waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan in vele jaren te voren.Grond.De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt waren garstenbrood te eten.Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na tweeFr.mylen gezeild te hebben kwamen wy opLac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden waterplanten, die in deZweedschemeren gemeen zyn, lagen hier in ’t water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort vanKreeft, gelykende veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar het groene.DePontederia cordatawies overvloedig aan de kanten van een lang smal water, op de zelve plaatsen als by ons deNymphææof waterlelies. Een hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.Zodra wyLac St. Pierreover waren veranderde het land geheel van aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit duurde tot byMontreal.[187]Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.Montreal.Om vier uur na den middag kwamen wy teMontrealaan. Men rekende dat onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschenQuebecenMontrealonder weg is.Wyngaarden.Verscheiden’ menschen teMontrealhadden wyngaarden, die uitFrankrykgekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van; het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot niet als inFrankryk.Watermeloenen.Men teelde hier ook veelWatermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte vanKanada. DeWildenplanten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook gedaan hebben is onzeker. Een oudeIroquoisteOneidaheeft my gezeid dat zy ze van deEuropeanengekregen hadden. Integendeel verzekerden my veleFranschendat deIllinoizenreeds ’er veel van hadden toen zy in hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eersteEuropeanen, die inNoord Amerikakwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van de spyzen derWildenspreken. Hoe heet de zomers in die delen vanNoord Amerikadie ikdoorreisdheb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by deIllinoizenen by deEngelschen, de twede vindt men meer inKanada. Men zait ze in het voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel vrugtbaar zyn. TeMontrealwaren zy nu meest ryp; maar in deEngelscheVolkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy minder tyd om ryp te worden[188]als de gemene meloenen. DeKanadaschenzyn zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen.Misschien komt dat van de sterkere hette. Die vanNew Yorkwerden voor de lekkersten gehouden.De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant inKanada, teAlbanyen inNew York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. DeFranschenzeggen dat als menschen, die inKanadageboren zyn, in ’t Land derIllinoizenkomen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven deIllinoizenhen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. DeIllinoizenzelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. InKanadabewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. DeEngelschenbewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. InPensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. DeIroquoizennoemen zeOnoheserakahtie.Kawoerden.Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door deEngelschenen deFranschenoveral geplant. InKanadamaakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder deEngelschenwas ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. DeZweden,DuitschersenHollandersteelden ’er ook zeer veel. DeWildenleefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meerSquashesdan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst derEuropersal gehad hadden. Ook gewagen de eersteEuropischeReisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys derWilden. De Franschen noemden zeCitrouillesen deEngelschenPumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten[189]is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. InKanadaworden zy in ’t begin van September ryp; dog in deEngelscheVolkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu teMontrealin het midden van September N. S. Dog inPensylvanieheb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. DeWildenkoken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. DeFranschenenEngelschensnyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er deWildendus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. DeWildeneten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben deEuropeanenvan hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. InMontrealwierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren,cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn.[190]Graan.Het graan dat dit jaar inKanadagewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het inNew Yorkslegt uit. Voor ’t overige was de herfst inKanadazeer schoon.Handel met deWilden.Kanadadryft enen sterken handel met deWilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van deAmerikanenbekomt, die van daar verzonden worden. DeWilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren denEngelschenverkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde deFranschenzelven naar hen toe reizen.Montrealin zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar deWilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder deWildengewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by deAmerikanenniet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van deFranschendie op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.De volgende waren zyn het voornamelyk die onder deWildenenen goeden aftrek vinden.Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle deWilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van deEuropersgeleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn deEuropersaantetasten. Geen van deWildenweet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van deEuropeanenlaten doen. In ’t begin dat deEuroperseerst inNoord Amerikakwamen droegen zy langen tyd zorg van denAmerikanengeen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die deFranschenmet deEngelschenenHollandersvoerden, deelden zy hunnenAmerikaanschenbondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. DeFranschenzeide dat deHollandersvanAlbanyde eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den[191]Wildenschietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig deFranschengenoodzaakt gezien den met hen in verbond staandenAmerikaneninsgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens deHollandersen deWildenvan derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die vanAlbanybeweerden daarentegen dat deFranschende eersten geweest waren die denWildenschietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om denEngelschenenHollanderenhet hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat deWildentegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van deEuropeanenkrygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel denEuropeanenalle jaren grote winsten aanbrengt.Kledenvan wit Laken, ofgrof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. DeWildendragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.Blauwofrood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.LinnenHembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als eenWildeeens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.Lakenom om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk deRussendoen.Bylen,Messen,Scharen,Naalden, enstalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by deWilden. Zy kopen ze allen van deEuropeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er inKanadaweinig meer vindt.Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden,[192]en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van deEuropeanenvermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat deFranschenin ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.Spaanschgroen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.Spiegels. DeWildenzyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.Brandglazen. Dit is in het oog derWildeneen zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.Tabak kopen deWildendie wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat deWilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.Wampums, of zo als zy ’t noemenPorcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.GlazenKralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.Koper enyzerdraadom verscheiden’ dingen van te maken.Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden denWildenbrandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.Dit zyn de voornaamste waren die deFranschendenWildentoevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.De waren die zy van deWildenterug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken[193]die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden139, Rendieren140, Wolflynxen141en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. DePichou du Nordzal misschien dat dier zyn ’t welk zig by deHudsonsbaiophoudt, en door deEngelschenWolverenegenoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters,Pichoux du sud, van de welken VaderCharlevoix142gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten,Rakoons, Katlynxen, en anderen.Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van deWildenmishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen inKanadaniet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder deWildenneder, trouwen daar, en keren noit te rug.De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. teMontrealwaren, heeft my de HeerCouagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.Grote en middelbareBerenhuidenkostten 5. Livres.Huiden van jongeBeren, 15. Sols.——— —Lynxen, 25. Sols.——— —Pichoux du sud, 35. Sols.——— —Vossenuit het Zuiden, 35. Sols.——— —Otters, 5. Livres.——— —Rakoons, 5. Livres.——— —Marters, 45. Sols.——— —Wolflynxen,Loup-cerviers, 4. Livres.——— —Wolven,40. Sols.——— —Carcajoux, een dier dat ik niet ken, 5. Livres.[194]Huiden vanVisons, een soort van Marter die zig in ’t water onthoudt, 25. Sols.——— — ruwe, vanElanden,Orignacs verts, 10. Livres.——— ——Herten,Cerfs verts.——— slegte, vanElandenenHerten,Orignacs&Cerfs passés, 3 Livres.———Reën, van 25. tot 30. Sols.———Rode Vossen, 3. Livres.———Bevers, 3. Livres.Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier inKanadagekoften naarEuropaverzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden inMontrealgekregen.Chevreuils passés,143bereide Reevellen.Chevreuils verts, onbereide Reevellen.Chevreuils tannés, getouwde Reevellen.Ours, Beren.Oursons, jonge Beren.Loutres, Otters.Pecans.Chats, Katten.Loups de bois, Wolven.Loup-cerviers, Lynxen.Pichoux du Nord.Pichoux du sud.Renards rouges, Rode Vossen.Renards croisés, Kruisvossen.Renards noirs, Zwarte Vossen.Renards argentés, Grauwe Vossen.Renards du sud,ou deVirginie,VirginischeVossen.Renards blancs deTadoussac, Witte Vossen vanTadoussak.Martres, Marters.VisonsouFoutreaux.Ecureuils noirs, Zwarte Eekhoorns.Cerfs verts, ruwe Hertenvellen.Cerfs passés, bereide Hertevellen.Originals verts, ruwe Elanden.Originals passés, bereide Elanden.Cariboux, Rendieren.Biches vertes, ruwe Hindevellen.Biches passées, bereide Hindevellen.Carcajoux.Rats musqués, Muskusratten.Castors gras d’hiver, vette Winterbevers.Castors gras d’été, vette Zomerbevers.Castors secs d’hiver, droge Winterbevers.Castors secs d’été, droge Zomerbevers.Castors vieux d’hiver, oude Winterbevers.Castors vieux d’été, oude Zomerbevers.Koper.Ik kreeg den 22. September een stuk louterKoper, dat vanLac Superieurgekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden[195]kan. VaderCharlevoix144spreekt ’er van in zyne Beschryving vanNieuw Frankryk. Een van deJesuietenteMontreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse deWildendat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.Looderts.De Opperste van de Priesters teMontrealgaf my ook dien dag een stukLooderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. DeWildendaaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.Rode Aarde.Ook kreeg ik enigeroodbruine Aarde, die gevonden was byLac des deux Montagnes, enige mylen vanMontreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.Vrouwen.Men vindt twederlei soort van Vrouwen inKanada. Het eerste bestaat uit zulken die inFrankrykgeboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat derFranschenatie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die vanQuebecen in die vanMontreal. Die vanQuebecgeven die inFrankrykgeboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naarFrankrykkeren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed derWildente hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van deFranschewellevendheid.[196]Het geen ik boven van de vrouwen vanMontrealgezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden inFrankrykreeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeftuitgediend. Noit heb ik zo zeer als teMontrealgezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. InKanadahoort men geenFranschspreken dan van geborenFranschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs deWildenhouden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed omFranschte spreken, en dwingen deFranschenom hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren derKanadaschevrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen inKanadabevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen vanQuebecenMontrealwas; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die teQuebeckwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die vanMontrealminder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren teQuebecniet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen[197]koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. TeMontrealzyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes teMontrealspytig dat die vanQuebecmerendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheidenFranschejonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes vanMontrealzelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.Reis naarSaut au Recollet.Den 23. Sept. ging ik naarSaut au Recollet, drieFr.mylen noordwaards vanMontreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik teSaut au Recolletkwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.Kalkovens.Omtrent eneFr.myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.DeKalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig[198]naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eilandMontreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol vanPectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggendePectinitesbestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van deThuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, deRhus glabra, hetPolygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik teSaut au Recolletaan.Saut au Recollet.Saut au Recolletis een klein kerspel, leggende aan enen arm van[199]deSt. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland vanMontrealenIsle de Jesusdoorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik,Nicolas Vielgeheten, had. Hy was met enen bekeerdenHuronin een schuitje gegaan om naarQuebecte varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat deWildenmet voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar deWildenzwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp vanHuronsgeweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst derFranschenhier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stadMontreallag. Dog deFranschenbewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor deWildengebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen deFranschenop het eilandMontrealmenigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven deWildenhun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben deFranschen, deWilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig byLac des deux Montagnesnedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk teSaut au Recolletwas van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van deFranschengebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.Vogtigheid.Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.Akkers.De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen[200]stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die inKanadagezaid wordt, zomerkoorn is. ByQuebecgebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen opIsle de Jesusin den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.Beuken.In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.Zoutbron.Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zevenFr.mylen van hier by deRivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met hetLuneburgscheovereenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.Vrugtbomen.Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeksMontreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. ByQuebecwillen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen byMontrealsomtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen[201]groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uitFrankrykovergebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-,moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.Landeryen.GantschKanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waaropQuebecenTrois Rivièresstaan den Koning; dog die waaropMontrealgebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order vanSt. SulpiciusteMontrealin eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drieArpentsin de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot tweeEcusbetalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop vanKanadaheeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning vanFrankrykgene inkomsten uitKanada.Molens.De Priesters vanMontrealhebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het EilandMontrealenen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders vanMontrealzyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.Suiker.Men kookt inKanadaveel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappyvoor ’t jaar 1751. beschreven.Terugreis naarMontreal.Den 26. September keerde ik weer terug naarMontreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen[202]aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten vanAsteres, witten en blauwen, deSolidagines, ’tAchillea millefolium, dePrunella vulgaris, deCarduus crispus, deOenothera biennis, deRudbeckia triloba, deViola Canadensis, deGentiana Saponaria.De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.Spys derWilden.Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder deWildengereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten dieWilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden,squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst derEuropersgehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort deZizania aquatica, die deFranschenFolle avoinenoemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien,acimine145,chinquapins146, hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst derEuropershier niet bekend geweest zyn; en dat deWilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die deEuropeanenvan deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.Bevers.VanBeverswordt ’er ene grote menigte inNoord Amerikagevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. DeWildenleven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch.[203]Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat deWildentegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst derEuropeanenvingen ’er deWildenniet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naarEuropa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. DeFranschenen deEngelschenzoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door deWildenrykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen inKanadazeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondomMontreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.Het vleesch der bevers wordt niet alleen van deWilden, maar ook van deEuropeanen, inzonderheid deFranschenop hunne vastendagen, veel gegeten, want deRoomschenhebben, gelyk velen uit deOuden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.Wyn.Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom147eenBier, dat des zomers gedronken wordt.[204]Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rodeFranschewyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veelFrankrykjaarlyks voor zyne wynen uitKanadatrekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, ofBarrique, tweehonderd en vyftigFrancs, of tweehonderdEcus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.Prys van verscheiden’ dingen.De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40.Francsen meer, een goed paard 100.Francs. Een koe werd gekost voor 50.Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10.Ecuskunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6.Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15.Francs. De HeerCouagnezeide dat hy by deWildeneen varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12.Sols, en een kalkoen 20. Eenminotweit wierd voorheen voor eenEcu, dog nu voor 40.Solsverkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder deWildengingen reizenopgekoftwierd. Eenminothaver kostte somtyds 15. of 20.Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10.Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16.Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3.Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20.Sols.Handwerken.Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wilFrankrykdat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit deFranschenhier te lande, zo wel als deWildenhunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.Huwelyken.Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming[205]van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.Reisje over het EilandMontreal.Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eilandMontreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen vanMontreallegt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep deSt. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die byFort Chamblais, en enigen die by het MeerChamplainleggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent eneFr.myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyfArpentsvan malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen vanKanadagaan zig hier door arbeiden.Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2.October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten[206]nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van deAmerikaanschelinden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.DeOenothera bienniswies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oudeFranschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.Soeurs de Congregation.Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, wordenSoeurs de congregationgenoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was teMontreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizendLivresbegrootten.La Chine.La Chinewas een frai Kerspel, drieFr.mylen zuidwest vanMontreal, op het Eiland van dien naam, aan deSt. Laurencegelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyfArpentsvan malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de HeerSalée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door deSt. LaurencenaarChinate vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naarChina. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit inChinakwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam vanLa Chine.Terug reis naarMontreal.Des avonds van den 2. October keerde ik naarMontrealte rug.[207]Regeering vanKanada.DeGouverneur GeneraalteQuebecis de voornaamste persoon inKanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt deIntendantteQuebec, en dan deGouverneurvanMontreal, en op dien die vanTrois Rivières. DeIntendantheeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Desnietteminkan hy de zaak tot nauwer onderzoek naarFrankrykoverbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is deGouverneurde eerste persoon, dan eenLuitenant Generaal, daarna eenMajor, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy teMontrealof teTrois Rivièreskomt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naarMontreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid teQuebecvoert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur vanMontrealzo lang teQuebeczyne stede vervullen. En als de Gouverneur vanMontrealuit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.Schepen uitFrankryk.Alle jaren komt ’er uitFrankrykeen of meer van ’s Konings schepen inKanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren inFrankrykhebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naarFrankrykkeren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening,Tollen.om ze onder deWildennu en dan uittedelen. De Inwoonders vanKanadabetalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uitFrankrykherwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naarFrankrykwerd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van deFranscheVolkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle deFranscheplaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die vanQuebecmogen insgelyks hunne koopwaren naar alleFranscheplaatsen[208]voeren. Dog die vanQuebechebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden inFrankrykzelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden inFrankrykdie den meesten handel opKanadadryven zynRochelleenBourdeaux, en na dieMarseille,Nantes,Havre de Grace,St. Maloen anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks opKanadavaren, komen of vanBrestof vanRochefort. Dog naar deFranscheeilanden in deWest Indienzenden de Kooplieden vanQuebeczelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren omMontrealwerden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizendLivresaf, waarvan de Priesters tweeduizendLivres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. TeQuebecheeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen derIndischeMaatschappy inFrankryktoe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen,Les Postesgenaamd, waar deFranschenhunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen inKanada, alsQuebec,Fort Chamblais,Fort St. Jean,Fort St. Frederic,Montreal,FrontenacenNiagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft teNiagarazelf den handel. Ieder mag niet naar deWildenreizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moetvyf-of zeshonderdLivresbetalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizendLivresbetalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.
Het weder was thans omtrent zo gesteld als inZwedenin ’t begin van Augustus, zo dat de herfst in het noorden vanKanadaene maand later dan in het midden vanZwedenschynt intevallen.
By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens wiessen, welken deFranscheBoeren op de vastendagen veel gebruikten.[184]Egter kan ik niet zeggen, dat deFranschenzo buitenmate stipt waren in het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk inKanadaeet zo veel uyen dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in die tuinen te vinden.
Tabak.
Ieder Boer had ook by zyn huis meer of minTabakgeplant, naar dat zyn huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden vanKanadagebruikte men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks vanMontreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,138sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak. De meeste tabak, die men hiergebruikte, was in ’t land gewassen. Sommigen agtten die boven deVirginische; dog die genen welken voor kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.
Modes.
Schoon de meeste volken vanEuropade modes derFranschengewoon zyn natevolgen, zag ik dog integendeel dat deFranscheninKanadazig in vele stukken naar de gebruiken derWilden, met welken zy dagelyks omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen, koussebanden, en gordels als deAmerikanen. Zy volgden hen na in ’t voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder.Boeren.MonsieurenMadamezyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden, hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden, hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.
Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als deEngelsche, en smaakte dikwyls naar talk. DeFranschen[185]hielden veel van melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten. Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken. Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by deEngelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.
Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje,Petite Rivièregenaamd, dat zig hier in deSt. Laurencewerpt. Men rekende van hier zestienFr.mylen totQuebec, en tien totTrois Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de bosschen, dog niet zeer talryk. DeFranschennoemden zeMouches à feu.
Huizen.
De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren, naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken. Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er een yzeren kacchel agter den schoorsteen.
Den 13. reisden wy voort. ByChamplain, vyfFr.mylen vanTrois Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als men byTrois Rivièresheeft, ligt. Het was zonderling dat men hier zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter breedte van eneEng.myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.
Tegens den avond kwamen wy teTrois Rivières, daar wy ons niet langer ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy vanQuebecmedegebragt hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog eneFr.myl verder eer wy ons nagtverblyf namen.
Oude lieden.
Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was eenJesuiet, genaamdJoseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerdeWildenteSt. Françoiswas, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening[186]vervuld. Hy ging derhalven naarQuebecom zyne gelofte alsJesuiette vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk. De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. inQuebecwas, toen het door deEngelschenbelegerd werd. De Bisschop had by die gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de soldaten aangemoedigd.
Hette en koude.
Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat opSt. Jande kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo gestrenge winter inKanadageweest dat ’er vele vogels dood gevroren waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan in vele jaren te voren.
Grond.
De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt waren garstenbrood te eten.
Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na tweeFr.mylen gezeild te hebben kwamen wy opLac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden waterplanten, die in deZweedschemeren gemeen zyn, lagen hier in ’t water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.
Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort vanKreeft, gelykende veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar het groene.
DePontederia cordatawies overvloedig aan de kanten van een lang smal water, op de zelve plaatsen als by ons deNymphææof waterlelies. Een hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.
Zodra wyLac St. Pierreover waren veranderde het land geheel van aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit duurde tot byMontreal.[187]
Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.
Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.
Montreal.
Om vier uur na den middag kwamen wy teMontrealaan. Men rekende dat onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschenQuebecenMontrealonder weg is.
Wyngaarden.
Verscheiden’ menschen teMontrealhadden wyngaarden, die uitFrankrykgekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van; het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot niet als inFrankryk.
Watermeloenen.
Men teelde hier ook veelWatermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte vanKanada. DeWildenplanten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook gedaan hebben is onzeker. Een oudeIroquoisteOneidaheeft my gezeid dat zy ze van deEuropeanengekregen hadden. Integendeel verzekerden my veleFranschendat deIllinoizenreeds ’er veel van hadden toen zy in hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eersteEuropeanen, die inNoord Amerikakwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van de spyzen derWildenspreken. Hoe heet de zomers in die delen vanNoord Amerikadie ikdoorreisdheb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by deIllinoizenen by deEngelschen, de twede vindt men meer inKanada. Men zait ze in het voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel vrugtbaar zyn. TeMontrealwaren zy nu meest ryp; maar in deEngelscheVolkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy minder tyd om ryp te worden[188]als de gemene meloenen. DeKanadaschenzyn zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen.Misschien komt dat van de sterkere hette. Die vanNew Yorkwerden voor de lekkersten gehouden.
De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant inKanada, teAlbanyen inNew York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. DeFranschenzeggen dat als menschen, die inKanadageboren zyn, in ’t Land derIllinoizenkomen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven deIllinoizenhen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. DeIllinoizenzelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. InKanadabewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. DeEngelschenbewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. InPensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. DeIroquoizennoemen zeOnoheserakahtie.
Kawoerden.
Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door deEngelschenen deFranschenoveral geplant. InKanadamaakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder deEngelschenwas ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. DeZweden,DuitschersenHollandersteelden ’er ook zeer veel. DeWildenleefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meerSquashesdan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst derEuropersal gehad hadden. Ook gewagen de eersteEuropischeReisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys derWilden. De Franschen noemden zeCitrouillesen deEngelschenPumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten[189]is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. InKanadaworden zy in ’t begin van September ryp; dog in deEngelscheVolkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu teMontrealin het midden van September N. S. Dog inPensylvanieheb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.
Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. DeWildenkoken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. DeFranschenenEngelschensnyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er deWildendus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. DeWildeneten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben deEuropeanenvan hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. InMontrealwierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren,cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn.[190]
Graan.
Het graan dat dit jaar inKanadagewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het inNew Yorkslegt uit. Voor ’t overige was de herfst inKanadazeer schoon.
Handel met deWilden.
Kanadadryft enen sterken handel met deWilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van deAmerikanenbekomt, die van daar verzonden worden. DeWilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren denEngelschenverkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde deFranschenzelven naar hen toe reizen.Montrealin zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar deWilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder deWildengewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by deAmerikanenniet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van deFranschendie op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.
De volgende waren zyn het voornamelyk die onder deWildenenen goeden aftrek vinden.
Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle deWilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van deEuropersgeleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn deEuropersaantetasten. Geen van deWildenweet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van deEuropeanenlaten doen. In ’t begin dat deEuroperseerst inNoord Amerikakwamen droegen zy langen tyd zorg van denAmerikanengeen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die deFranschenmet deEngelschenenHollandersvoerden, deelden zy hunnenAmerikaanschenbondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. DeFranschenzeide dat deHollandersvanAlbanyde eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den[191]Wildenschietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig deFranschengenoodzaakt gezien den met hen in verbond staandenAmerikaneninsgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens deHollandersen deWildenvan derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die vanAlbanybeweerden daarentegen dat deFranschende eersten geweest waren die denWildenschietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om denEngelschenenHollanderenhet hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat deWildentegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van deEuropeanenkrygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel denEuropeanenalle jaren grote winsten aanbrengt.
Kledenvan wit Laken, ofgrof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. DeWildendragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.
Blauwofrood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.
LinnenHembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als eenWildeeens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.
Lakenom om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk deRussendoen.
Bylen,Messen,Scharen,Naalden, enstalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by deWilden. Zy kopen ze allen van deEuropeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er inKanadaweinig meer vindt.
Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.
Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.
Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden,[192]en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van deEuropeanenvermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat deFranschenin ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.
Spaanschgroen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.
Spiegels. DeWildenzyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.
Brandglazen. Dit is in het oog derWildeneen zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.
Tabak kopen deWildendie wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat deWilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.
Wampums, of zo als zy ’t noemenPorcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.
GlazenKralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.
Koper enyzerdraadom verscheiden’ dingen van te maken.
Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden denWildenbrandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.
Dit zyn de voornaamste waren die deFranschendenWildentoevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.
De waren die zy van deWildenterug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken[193]die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.
Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden139, Rendieren140, Wolflynxen141en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. DePichou du Nordzal misschien dat dier zyn ’t welk zig by deHudsonsbaiophoudt, en door deEngelschenWolverenegenoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.
Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters,Pichoux du sud, van de welken VaderCharlevoix142gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten,Rakoons, Katlynxen, en anderen.
Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van deWildenmishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen inKanadaniet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder deWildenneder, trouwen daar, en keren noit te rug.
De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. teMontrealwaren, heeft my de HeerCouagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.
Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier inKanadagekoften naarEuropaverzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden inMontrealgekregen.
Koper.
Ik kreeg den 22. September een stuk louterKoper, dat vanLac Superieurgekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden[195]kan. VaderCharlevoix144spreekt ’er van in zyne Beschryving vanNieuw Frankryk. Een van deJesuietenteMontreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse deWildendat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.
Looderts.
De Opperste van de Priesters teMontrealgaf my ook dien dag een stukLooderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. DeWildendaaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.
Rode Aarde.
Ook kreeg ik enigeroodbruine Aarde, die gevonden was byLac des deux Montagnes, enige mylen vanMontreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.
Vrouwen.
Men vindt twederlei soort van Vrouwen inKanada. Het eerste bestaat uit zulken die inFrankrykgeboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat derFranschenatie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die vanQuebecen in die vanMontreal. Die vanQuebecgeven die inFrankrykgeboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naarFrankrykkeren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed derWildente hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van deFranschewellevendheid.[196]Het geen ik boven van de vrouwen vanMontrealgezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden inFrankrykreeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeftuitgediend. Noit heb ik zo zeer als teMontrealgezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. InKanadahoort men geenFranschspreken dan van geborenFranschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs deWildenhouden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed omFranschte spreken, en dwingen deFranschenom hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren derKanadaschevrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen inKanadabevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen vanQuebecenMontrealwas; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die teQuebeckwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die vanMontrealminder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren teQuebecniet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen[197]koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. TeMontrealzyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes teMontrealspytig dat die vanQuebecmerendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheidenFranschejonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes vanMontrealzelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.
Reis naarSaut au Recollet.
Den 23. Sept. ging ik naarSaut au Recollet, drieFr.mylen noordwaards vanMontreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik teSaut au Recolletkwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.
Kalkovens.
Omtrent eneFr.myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.
DeKalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig[198]naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eilandMontreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.
Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol vanPectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggendePectinitesbestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.
Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van deThuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.
Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.
De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, deRhus glabra, hetPolygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.
Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik teSaut au Recolletaan.
Saut au Recollet.
Saut au Recolletis een klein kerspel, leggende aan enen arm van[199]deSt. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland vanMontrealenIsle de Jesusdoorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik,Nicolas Vielgeheten, had. Hy was met enen bekeerdenHuronin een schuitje gegaan om naarQuebecte varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat deWildenmet voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar deWildenzwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp vanHuronsgeweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst derFranschenhier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stadMontreallag. Dog deFranschenbewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor deWildengebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen deFranschenop het eilandMontrealmenigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven deWildenhun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben deFranschen, deWilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig byLac des deux Montagnesnedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk teSaut au Recolletwas van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van deFranschengebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.
De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.
Vogtigheid.
Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.
Akkers.
De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen[200]stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.
Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die inKanadagezaid wordt, zomerkoorn is. ByQuebecgebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen opIsle de Jesusin den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.
Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.
Beuken.
In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.
Zoutbron.
Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zevenFr.mylen van hier by deRivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met hetLuneburgscheovereenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.
Vrugtbomen.
Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeksMontreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. ByQuebecwillen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen byMontrealsomtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen[201]groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uitFrankrykovergebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-,moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.
Landeryen.
GantschKanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waaropQuebecenTrois Rivièresstaan den Koning; dog die waaropMontrealgebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order vanSt. SulpiciusteMontrealin eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drieArpentsin de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot tweeEcusbetalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop vanKanadaheeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning vanFrankrykgene inkomsten uitKanada.
Molens.
De Priesters vanMontrealhebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het EilandMontrealenen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders vanMontrealzyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.
Suiker.
Men kookt inKanadaveel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappyvoor ’t jaar 1751. beschreven.
Terugreis naarMontreal.
Den 26. September keerde ik weer terug naarMontreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen[202]aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten vanAsteres, witten en blauwen, deSolidagines, ’tAchillea millefolium, dePrunella vulgaris, deCarduus crispus, deOenothera biennis, deRudbeckia triloba, deViola Canadensis, deGentiana Saponaria.
De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.
Spys derWilden.
Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder deWildengereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten dieWilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden,squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst derEuropersgehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort deZizania aquatica, die deFranschenFolle avoinenoemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien,acimine145,chinquapins146, hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst derEuropershier niet bekend geweest zyn; en dat deWilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die deEuropeanenvan deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.
Bevers.
VanBeverswordt ’er ene grote menigte inNoord Amerikagevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. DeWildenleven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch.[203]Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat deWildentegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst derEuropeanenvingen ’er deWildenniet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naarEuropa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. DeFranschenen deEngelschenzoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door deWildenrykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen inKanadazeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondomMontreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.
Het vleesch der bevers wordt niet alleen van deWilden, maar ook van deEuropeanen, inzonderheid deFranschenop hunne vastendagen, veel gegeten, want deRoomschenhebben, gelyk velen uit deOuden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.
Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.
Wyn.
Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom147eenBier, dat des zomers gedronken wordt.[204]Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rodeFranschewyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veelFrankrykjaarlyks voor zyne wynen uitKanadatrekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, ofBarrique, tweehonderd en vyftigFrancs, of tweehonderdEcus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.
Prys van verscheiden’ dingen.
De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40.Francsen meer, een goed paard 100.Francs. Een koe werd gekost voor 50.Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10.Ecuskunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6.Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15.Francs. De HeerCouagnezeide dat hy by deWildeneen varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12.Sols, en een kalkoen 20. Eenminotweit wierd voorheen voor eenEcu, dog nu voor 40.Solsverkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder deWildengingen reizenopgekoftwierd. Eenminothaver kostte somtyds 15. of 20.Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10.Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16.Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3.Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20.Sols.
Handwerken.
Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wilFrankrykdat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit deFranschenhier te lande, zo wel als deWildenhunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.
Huwelyken.
Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming[205]van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.
Reisje over het EilandMontreal.
Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eilandMontreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen vanMontreallegt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep deSt. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die byFort Chamblais, en enigen die by het MeerChamplainleggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent eneFr.myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyfArpentsvan malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen vanKanadagaan zig hier door arbeiden.
Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.
De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.
Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2.October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten[206]nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van deAmerikaanschelinden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.
DeOenothera bienniswies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oudeFranschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.
Soeurs de Congregation.
Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, wordenSoeurs de congregationgenoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was teMontreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizendLivresbegrootten.
La Chine.
La Chinewas een frai Kerspel, drieFr.mylen zuidwest vanMontreal, op het Eiland van dien naam, aan deSt. Laurencegelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyfArpentsvan malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de HeerSalée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door deSt. LaurencenaarChinate vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naarChina. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit inChinakwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam vanLa Chine.
Terug reis naarMontreal.
Des avonds van den 2. October keerde ik naarMontrealte rug.[207]
Regeering vanKanada.
DeGouverneur GeneraalteQuebecis de voornaamste persoon inKanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt deIntendantteQuebec, en dan deGouverneurvanMontreal, en op dien die vanTrois Rivières. DeIntendantheeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Desnietteminkan hy de zaak tot nauwer onderzoek naarFrankrykoverbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is deGouverneurde eerste persoon, dan eenLuitenant Generaal, daarna eenMajor, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy teMontrealof teTrois Rivièreskomt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naarMontreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid teQuebecvoert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur vanMontrealzo lang teQuebeczyne stede vervullen. En als de Gouverneur vanMontrealuit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.
Schepen uitFrankryk.
Alle jaren komt ’er uitFrankrykeen of meer van ’s Konings schepen inKanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren inFrankrykhebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naarFrankrykkeren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening,Tollen.om ze onder deWildennu en dan uittedelen. De Inwoonders vanKanadabetalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uitFrankrykherwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naarFrankrykwerd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van deFranscheVolkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle deFranscheplaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die vanQuebecmogen insgelyks hunne koopwaren naar alleFranscheplaatsen[208]voeren. Dog die vanQuebechebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden inFrankrykzelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden inFrankrykdie den meesten handel opKanadadryven zynRochelleenBourdeaux, en na dieMarseille,Nantes,Havre de Grace,St. Maloen anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks opKanadavaren, komen of vanBrestof vanRochefort. Dog naar deFranscheeilanden in deWest Indienzenden de Kooplieden vanQuebeczelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren omMontrealwerden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizendLivresaf, waarvan de Priesters tweeduizendLivres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. TeQuebecheeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen derIndischeMaatschappy inFrankryktoe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen,Les Postesgenaamd, waar deFranschenhunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen inKanada, alsQuebec,Fort Chamblais,Fort St. Jean,Fort St. Frederic,Montreal,FrontenacenNiagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft teNiagarazelf den handel. Ieder mag niet naar deWildenreizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moetvyf-of zeshonderdLivresbetalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizendLivresbetalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.