Chapter 4

Waarde der goederen jaarlyks uitEngelandnaarPensylvaniegezonden.Vreemde waren, waarvan de regten betaald zyn, enmaarde quitanties gevorderd worden.EngelscheHandwerken.Somme der twee kolommen t’zamengeteld.Jaren.L.S.D.L.S.D.L.S.D.1723.5199.13.5.10793.5.1.15992.19.4.1724.9373.15.8.20951.0.5.30324.16.1.1725.10301.12.6.31908.1.8.42209.14.2.1726.9371.11.6.28263.6.2.37634.17.8.1727.10243.0.7.21736.10.0.31979.10.7.1728.14073.13.9.23405.6.2.37478.19.11.1729.12948.8.5.16851.2.5.29799.10.10.1730.15660.10.11.32931.16.6.48592.7.5.1731.11838.17.4.32421.18.9.44260.16.1.1732.15240.14.4.26457.19.3.41698.13.7.1733.13187.0.8.27378.7.5.40565.8.1.1734.19648.15.9.34743.12.1.54392.7.10.1735.18078.4.3.30726.7.1.48804.11.4.1736.23456.15.11.38057.2.5.61513.18.4.1737.14517.4.3.42173.2.4.56690.6.7.1738.20320.19.3.41129.5.0.61450.4.3.1739.9041.4.5.45411.7.6.54452.11.11.1740.10280.2.0.46471.12.9.56751.14.9.1741.12977.18.10.78032.13.1.91010.11.11.1742.14458.6.3.60836.17.1.75295.3.4.1743.19220.1.6.60120.4.10.79340.6.4.1744.14681.8.4.47595.18.2.62214.6.6.1745.13043.8.8.41237.2.3.54280.10.11.1746.18103.12.7.55595.19.7.73699.12.2.1747.8585.14.11.73819.2.8.82404.17.7.Somme 343789.16.0.969049.1.6.1312838.17.6.[25]Hoe sterk de gehele handel inPensylvanieis kan men omtrent uit het getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart van het volgende jaar.’T jaar.Ingekomen Schepen.Uitgevaren Schepen.1735.199.212.1740.307.208.1741.292.309.1744.229.271.1745.280.301.1746.273.293.Maar het is zeer te vrezen dat de handel vanPhiladelphiaen al deEngelscheVolkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders vanPensylvanievan de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele menschen vanNew-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.Markten.Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden, ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren vanPensylvanieenNew-Jerseyallerhande eetwaren en voortbrengselen des Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in deZweedscheSteden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden. Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag. Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze markten gehouden worden, dog de voornaamste is by hetRaadhuis. Zy beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.[26]Gouverneurs.DeGouverneurvan het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de nakomelingen vanPenbenoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder door den Koning vanEngelandbevestigd te zyn.DeQuakersuit genoegzaam alle de delen vanNoord Amerikahouden hier eens in ’t jaar hunne grote vergadering.Maatschappy van Wetenschappen.In ’t jaar 1743. wierd hier eneMaatschappy van Wetenschappenopgerigt. Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur, de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken. Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.Afwyking der Naald.De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S.5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe middagslyn, die in den herfst van dat jaar tePhiladelphiagetrokken werd, en eneEng.myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.Hoogte van den Barometer.Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den HeerJames Logangedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.Boekdrukkeryen.Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er tweeEngelscheen eneHoog DuitscheKoerant uit.Aardbevingen.In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook teBostoninNieuw Engelanden teMontrealinKanadagewaar wierd, welke plaatsen meer dan zestigZweedschemylen van malkander leggen.Prins van den BergLibanon.In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den BergLibanon,Scheich Sedi, tePhiladelphia, bezig zynde een groot deel derEngelscheVolkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op den zelven tyd ook gevoeld teNewcastle,New-York,New London,Boston, en andere plaatsen inNieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen uitgestrekt.Graaf vanZinzendorf.De Graaf vanZinzendorflandde hier in December 1741. aan, en verbleef ’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de voornaamsteEngelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.Inwoonders.Ik heb het juiste getal van de Inwoonders vanPhiladelphianiet konnen te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend. Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit[27]de lysten der gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.1730.227.1741.345.1745.420.1738.250.1742.409.1748.672.1739.350.1743.425.1749.758.1740.290.1744.410.1750.716.Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen, borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. DeQuakers, die hier het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna twaalf duizendDuitschersover, waarvan ’er velen tePhiladelphiazig nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het getal te zyn twee duizend zes en zeventig.Verscheidenheid.De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland, van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn. Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele dingen worden hier zo goed gemaakt als inEngeland. Dog Fabrieken, byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de reden, dat men ze zo gemakkelyk uitEngelandkrygen kan, en dat de Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop. Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.Vryheid.Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne goederen in veiligheid, en geniet[28]zulk ene vryheid, dat men zeggen kan, dat een Borger vanPhiladelphiain zyn huis gelyk een Koning leeft.Luister.Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs van de oudste Steden inEuropa, ten opzigt van een schoon voorkomen, goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel, rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; enPensylvanie, dat in ’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor sommige Koningryken vanEuropa. Het heeft troepen van menschen opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of verstoten hadden.Oud Overblyfsel.Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten noorden deWeekacko Kerk, toebehorende aan enen van deSvenssons, wordt nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats, eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten, elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en kerkhoven vanPhiladelphiaverkeerden. In dit huis hoorde men reeds het geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert geoeffend zyn, dagt, en voor datPhiladelphiazelfs bestond. Maar met dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden vanAmerikain ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons dagverhaal hervatten.Een vogel door een slang betoverd.Den 7. September verhaalde my de HeerPeter Kock, een Koopman in deze Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw deKatvogelgenoemd,17vloog van den enen tak op den anderen, en maakte, naar[29]zyn gewoonte, een naar geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder, en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de HeerKockoverviel en doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang van de Ratelslang bekend geweest.Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond ’er verscheidenEuropischenzelfsZweedschen, maar zulken die aanAmerikaalleen eigen zyn, waren de talryksten.Bomenen planten.DeVirginische Ahorn18is zeer gemeen op de oevers van deDellaware. DeEngelschennoemen hemButtonwoodof ookWaterbeuk, welke laatste naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om ’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt zet men ’er wel banken onder. Sommigen van deZwedenhadden dozen, emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door deAmerikaansche Wildenuit den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele plaatsen in de lage weiden tusschenPhiladelphiaen het veer teGloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen teChelseabyLondengeplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.De Landstreek.Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met denZweedschenSchilder,[30]den HeerHesselius, naar het Landgoed van den HeerBartram, vierEng.mylen ten zuidenPhiladelphia, een weinig bezyden den groten weg naarMaryland,VirginieenKarolinagelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie- walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat die byna onder de zwaarte bogen. DePersimon,19een soort van Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De HeerHesseliusvergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynenJungstromvan de vrugten des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen, zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf inAmerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter al hare bitterheid verliezen.Bomen en planten.Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen welken in de bosschen het digst byPhiladelphia, in ’t wild groeijen. Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.1.Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.2.Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.3.Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.4.Juglans alba, deHickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie of vier soorten van.5.Rubus occidentalis, deAmerikaanscheBraamstruik.6.Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige gronden.[31]7.Rhus glabra, de gladbladigeSumach. Men vindt deze plant in de bosschen, en op oude koornvelden.8.Vitis Labrusca&Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.9.Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs de hagen en betuiningen.10.Quercus Phellos, de Moeras eik.11.Azalea lutea.Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.12.Crategus Crus galli.Men vindt hem in de bosschen.13.Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.14.Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.15.Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei gronden.16.Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.17.Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.18.Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond.19.Prinos verticillatus.Hy groeit in moerassen.20.Platanus occidentalis, deWaterbeuk.21.Nyssa aquatica,20groeijende op de velden en de bergen.22.Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.23.Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van denZweedschen. Het was maar een struik.24.Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden, weiden, en in kreupelbosschen.25.Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen als de voorgaande.26.Rhus radicans, de zig omwindendeSumach. Deze klimt tegens de bomen op.27.Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige plaatsen.28.Prunus domestica, de wilde Pruimboom.29.Ulmus Americana, de witte Olm.30.Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.[32]31.Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met zand gemengde aarde.32.Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en in moerassen.33.Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.34.Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.35.Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der bergen.36.Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de bergen, en by de huizen.37.Rhus vernix, de vergiftigeSumach, wassende op vogtige plaatsen.38.Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort.39.Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.40.Diospyros Virginiana, dePersimon, of Mispelboom.41.Pyrus coronaria, de Ankerboom.42.Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale gronden.43.Laurus æstivalis,Spicewoodby deEngelschen, groeijende overal.44.Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.45.Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.46.Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by deZwedengenoemdButternutstrae.2148.Pinus Americana, dePensylvanischePynboom, wassende op de noordelyke zyden der bergen en in de vallyen.2249.Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.50.Cephalantus occidentalis.Deze groeit op natte gronden.51.Pinus Taeda, de Den vanNew-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.52.Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.53.Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de koornvelden.54.Magnolia glauca, op natte gronden.55.Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.56.Gleditsia triacanthos.Hy wast in goede aarde.[33]57.Celtis occidentalis.Op vrye velden.58.Annona muricata, by deZwedenPapawtrae. Deze wast in ene vrugtbare aarde.De Landsdouwe.Wy bezogten enigeZweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als inZwedenin den zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun gezang deden weergalmen.Boomgaarden.DeBoomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat men hier niet zo veel zag op,een weinigje vrugten als in andere landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat de boeren inZwedenenFinlandhunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan men hier de keurigste vrugten doet.Dauw.Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat. Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren. Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren, uitgenomen die van hetVerbascum Thapsusof het witte wollenkruid, welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen hadden.Vrugten.By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken, appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam inEuropa, vooral inZweden, waar het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren, dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet[34]nuttigen. Een deel wordt in de Stadverkoft, en de overigen worden gegeten, niet alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.Persiken ingemaakt.Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen inEuropa. Sommige menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun persiken.De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door deEuropersgeplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of Peerboom.Andere vrugten.In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot23wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.De Okra.DeHibiscus esculentusof deOkra,24ene bloem, wast in deWest Indienin ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt, die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als bry.[35]Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor iets lekkers gehouden.Spaansche Peper.DeSpaansche Peper25wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp gelyk de gemene peper.Sumach.Men vindt hier verscheiden byzondere soorten van de plant, welkeLinnæusRhusnoemt. De gemeenste is die met gladde bladeren.26DeEngelschennoemen zeSumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen, groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt, geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg, welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den Vlierboom. DezeSumachgroeit digt by de heiningen rondom de koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden, en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste[36]bezigheid was. Wy zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling overEngelandnaarZweden.Vergiftboom.Een soort vanRhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door deEngelschenenZwedenden Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem welSwamp-sumach27. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft; zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven, het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk. Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.Toen ik in den Winter van 1750. mynenJungstromde vergiftige eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden, en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen,[37]en ’er vele zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen, waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte. Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort vansumach, maar nog van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo vergiftig niet is als de eerste.28Hier door wierd hy van de kragt desVergiftboomszo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een zwakkere, daar van kan worden aangedaan.Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met denVergiftboomgenomen, en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven, schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks ’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel ’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan. Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas[38]niet ondervonden, en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen gaan gemeenlyk na enige dagen over. DeWildenwaren voorheen gewoon hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn vergift de arbeidslieden niet hindere.Delfstoffen.Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit hetRyk der Delfstoffen, die in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynendBergkrystal.29Diergelyk vindt men veel inPensylvaniein verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy waren zo doorschynend niet als de kleinen.DeTeerlingsche Pyrites30van den BisschopBrowalliuswas van een zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze aan stukken sloeg vond men ’er den zuiverenPyritesin. Men vindt ze hier digt by de StadLancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van agt en meer voeten. De HeerHesseliusbezat verscheiden’ stukken van dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige bruine kleur.[39]Marmer.Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land levert meer dan een soort vanMarmer; byzonderlyk vindt men op den afstand van enigeEng.mylen vanPhiladelphiaeen wit Marmer, met bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels, schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit. Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden inAmerikaverzonden.Moskovisch glas.Het Marieglas31vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als hetRussischezyn kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. DeZwedengebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.Kalksteen.Een ligt grauwe en digteKalksteen, waaruit men enen goeden kalk brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de steenkalk, dog beter om wittepleisteren.Steenkolen.Steenkolenheeft men nog inPensylvanieniet gevonden. Men beweert ze egter verder landwaards in onder deWildengezien te hebben. Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrentKaap Breton32in overvloed gevonden.Wyn.Sommige Vrouwen makenWynuit enigen van de vrugten des lands. Daartoe worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls inNewfoundlandgeweest is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen. Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn, dog wat zuurder dan deZweedschen. Nog gebruikt men daartoe deAmerikaanscheBraam,33die overal op de koornvelden in zo grote menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam[40]is. InMarylandwordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe, die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat men inZwedenzelfs beter dan inAmerika.Ligustrum.Het gemeneLigustrumwast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uitEngelandovergebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken, zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt byPhiladelphiamogen gene varkens los lopen.Bomen.Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den KoopmanPeter Kock, geboortig vanKarlskroninZweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negenEng.mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt. De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory, Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.Landsdouwe.Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere[41]schone vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalenstroomdenheldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog watMais, andersTurksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes. Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen breder handelen.Germantown.Na zesEng.mylen ver gereden te zyn kwamen wy teGermantown. Deze Stad heeft maar ene straat, dog is byna tweeEng.mylen lang. Zy wordt voor ’t grootste deel bewoond doorDuitschers, die van tyd tot tyd overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uitEngelandzal behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden steen gebouwd, die naar den kant vanPhiladelphiaoveral gevonden wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante geleken zy naar de daken inZweden, maar de hoeken die zy boven aan maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons, waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken, eneLuthersche, eneHervormde, en eneQuakerkerk. Zy was zo volkryk dat de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier deMennonietenhunne vergaderplaats.Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.Putten.De HeerKockhad enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken, geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis heen liep, stonden kruiken enaarden vatenvol melk, welke zig in ’t koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.Heiningen.Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren[42]hier overal van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag, die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden omstreeksPhiladelphiadigt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon, bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hiergekoft, want digt byPhiladelphiawast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom die Stad vele tuinen van gemaakt.Brandhout.Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot. Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat tePhiladelphia, rondom in bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers, rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen. Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier hoog, agttien Schellingen,Pensylvanischgeld. Voor zulk enen stapel van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden.[43]Ook is het land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den tyd tePhiladelphiazeer duur worden moest.Braambessewyn.DeWyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat. By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet ’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De drank is dan goed.Wyn van kerssenmaakt men op dezelve manier; alleen moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.Persikebrandewyn.Uit depersikenmaakt menbrandewynop deze wys. Men snydt de vrugt in twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn. Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit, die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.Op dezelve wys maakt men brandewyn uitappelen. Hiertoe neemt men vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.Nachtschaduw.DeAmerikaansche Nagtschaduw34wast by de landhoeven, op de wegen, in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. EenDuitscher, zynde een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.Eekhoorns.Men vindt hier verscheiden’ soorten vanEekhoorns. De kleinen35worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden noit geheel mak. De groten36doen den landlieden veel schade op de akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen[44]der mais op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst vernielen. Om deze reden is ieder inMarylandverpligt ’s jaars vier eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor elken geschoten eekhoorn tweepence. Hun vleesch wordt gegeten en voor lekkerny gehouden. De huid wordtverkoft, dog niet veel geagt. De eekhoorns zynhier devoornaamste spys der ratel- en andere slangen. Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als dood te rusten.DeRakkoonofHespan.Het viervoetige dier, dat de HeerLinnæusin deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenonder den naam vanLanggestaarten Beer37beschreven heeft, noemt men hierRakkoon. Het wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys, gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus ook iets waard. DeRakkoonwordt ook veel van de slangen gegeten.Hopen van Schelpen.EnigeEngelschenverzekerden dat by de RivierPotemackinVirginieene grote menigte vanOesterschelpengevonden wordt, en dat zy ’er zelfs gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou tweeEng.mylen van zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk inNew York, by ’t graven gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van andere zeedieren, gekomen. Sommigen[45]waren van oordeel, dat deWildendaar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats zouden weggeworpen wezen.DeWilden.Allen stemden daarin over een, dat deWildenvan dit land goedaardige menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn, onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagtenkunnen. De HeerKockverhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het volgende geval. EenEngelschKoopman voor twee jaar onder deWildenreizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten deWildenwie het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy denmoordenaar; bonden hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naarPhiladelphiaaan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen booswigt, die zulk een stuk aan enenEngelschmanbegaan had, niet langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem volgens deEngelschewetten naar verdienste te straffen. De moordenaar werd daarop tePhiladelphiagehangen.Hunne natuurlyke vermogens.Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden naar deEngelscheVolkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft, zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.De HeerSleidornverhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel genoegen gaf. Hy had teNew Yorkonder andereWildeneen eerwaardig oud man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd liet zig in een gesprek metSleidornin, en beroemde zigEngelschte kunnen spreken en lezen.Sleidornvroeg hem daarop verlof hem ene vraag te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard antwoordde ten eersten,Vader Abraham. Toen[46]verzogt hy ook ene vraag te mogen doen.Sleidornbewilligde, en de vraag was, “wie de eersteQuakergeweest was.”Sleidornantwoordde dat de een dezen, en de ander genen daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechaiwas de eersteQuaker, want hy wilde den hoed voorHamanniet afnemen.” Velen van de nogHeidensche Wildenworden gezegd ene verwarde kennis van den zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf ondervonden heb.Reuzen.Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden.Beenderen.Lieden, die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naarHamburgaan enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder deWilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn, wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.De grond.De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd. Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven. Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist winnen kan.

Waarde der goederen jaarlyks uitEngelandnaarPensylvaniegezonden.Vreemde waren, waarvan de regten betaald zyn, enmaarde quitanties gevorderd worden.EngelscheHandwerken.Somme der twee kolommen t’zamengeteld.Jaren.L.S.D.L.S.D.L.S.D.1723.5199.13.5.10793.5.1.15992.19.4.1724.9373.15.8.20951.0.5.30324.16.1.1725.10301.12.6.31908.1.8.42209.14.2.1726.9371.11.6.28263.6.2.37634.17.8.1727.10243.0.7.21736.10.0.31979.10.7.1728.14073.13.9.23405.6.2.37478.19.11.1729.12948.8.5.16851.2.5.29799.10.10.1730.15660.10.11.32931.16.6.48592.7.5.1731.11838.17.4.32421.18.9.44260.16.1.1732.15240.14.4.26457.19.3.41698.13.7.1733.13187.0.8.27378.7.5.40565.8.1.1734.19648.15.9.34743.12.1.54392.7.10.1735.18078.4.3.30726.7.1.48804.11.4.1736.23456.15.11.38057.2.5.61513.18.4.1737.14517.4.3.42173.2.4.56690.6.7.1738.20320.19.3.41129.5.0.61450.4.3.1739.9041.4.5.45411.7.6.54452.11.11.1740.10280.2.0.46471.12.9.56751.14.9.1741.12977.18.10.78032.13.1.91010.11.11.1742.14458.6.3.60836.17.1.75295.3.4.1743.19220.1.6.60120.4.10.79340.6.4.1744.14681.8.4.47595.18.2.62214.6.6.1745.13043.8.8.41237.2.3.54280.10.11.1746.18103.12.7.55595.19.7.73699.12.2.1747.8585.14.11.73819.2.8.82404.17.7.Somme 343789.16.0.969049.1.6.1312838.17.6.[25]Hoe sterk de gehele handel inPensylvanieis kan men omtrent uit het getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart van het volgende jaar.’T jaar.Ingekomen Schepen.Uitgevaren Schepen.1735.199.212.1740.307.208.1741.292.309.1744.229.271.1745.280.301.1746.273.293.Maar het is zeer te vrezen dat de handel vanPhiladelphiaen al deEngelscheVolkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders vanPensylvanievan de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele menschen vanNew-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.Markten.Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden, ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren vanPensylvanieenNew-Jerseyallerhande eetwaren en voortbrengselen des Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in deZweedscheSteden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden. Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag. Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze markten gehouden worden, dog de voornaamste is by hetRaadhuis. Zy beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.[26]Gouverneurs.DeGouverneurvan het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de nakomelingen vanPenbenoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder door den Koning vanEngelandbevestigd te zyn.DeQuakersuit genoegzaam alle de delen vanNoord Amerikahouden hier eens in ’t jaar hunne grote vergadering.Maatschappy van Wetenschappen.In ’t jaar 1743. wierd hier eneMaatschappy van Wetenschappenopgerigt. Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur, de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken. Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.Afwyking der Naald.De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S.5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe middagslyn, die in den herfst van dat jaar tePhiladelphiagetrokken werd, en eneEng.myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.Hoogte van den Barometer.Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den HeerJames Logangedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.Boekdrukkeryen.Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er tweeEngelscheen eneHoog DuitscheKoerant uit.Aardbevingen.In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook teBostoninNieuw Engelanden teMontrealinKanadagewaar wierd, welke plaatsen meer dan zestigZweedschemylen van malkander leggen.Prins van den BergLibanon.In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den BergLibanon,Scheich Sedi, tePhiladelphia, bezig zynde een groot deel derEngelscheVolkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op den zelven tyd ook gevoeld teNewcastle,New-York,New London,Boston, en andere plaatsen inNieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen uitgestrekt.Graaf vanZinzendorf.De Graaf vanZinzendorflandde hier in December 1741. aan, en verbleef ’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de voornaamsteEngelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.Inwoonders.Ik heb het juiste getal van de Inwoonders vanPhiladelphianiet konnen te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend. Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit[27]de lysten der gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.1730.227.1741.345.1745.420.1738.250.1742.409.1748.672.1739.350.1743.425.1749.758.1740.290.1744.410.1750.716.Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen, borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. DeQuakers, die hier het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna twaalf duizendDuitschersover, waarvan ’er velen tePhiladelphiazig nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het getal te zyn twee duizend zes en zeventig.Verscheidenheid.De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland, van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn. Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele dingen worden hier zo goed gemaakt als inEngeland. Dog Fabrieken, byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de reden, dat men ze zo gemakkelyk uitEngelandkrygen kan, en dat de Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop. Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.Vryheid.Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne goederen in veiligheid, en geniet[28]zulk ene vryheid, dat men zeggen kan, dat een Borger vanPhiladelphiain zyn huis gelyk een Koning leeft.Luister.Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs van de oudste Steden inEuropa, ten opzigt van een schoon voorkomen, goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel, rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; enPensylvanie, dat in ’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor sommige Koningryken vanEuropa. Het heeft troepen van menschen opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of verstoten hadden.Oud Overblyfsel.Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten noorden deWeekacko Kerk, toebehorende aan enen van deSvenssons, wordt nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats, eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten, elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en kerkhoven vanPhiladelphiaverkeerden. In dit huis hoorde men reeds het geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert geoeffend zyn, dagt, en voor datPhiladelphiazelfs bestond. Maar met dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden vanAmerikain ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons dagverhaal hervatten.Een vogel door een slang betoverd.Den 7. September verhaalde my de HeerPeter Kock, een Koopman in deze Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw deKatvogelgenoemd,17vloog van den enen tak op den anderen, en maakte, naar[29]zyn gewoonte, een naar geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder, en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de HeerKockoverviel en doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang van de Ratelslang bekend geweest.Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond ’er verscheidenEuropischenzelfsZweedschen, maar zulken die aanAmerikaalleen eigen zyn, waren de talryksten.Bomenen planten.DeVirginische Ahorn18is zeer gemeen op de oevers van deDellaware. DeEngelschennoemen hemButtonwoodof ookWaterbeuk, welke laatste naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om ’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt zet men ’er wel banken onder. Sommigen van deZwedenhadden dozen, emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door deAmerikaansche Wildenuit den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele plaatsen in de lage weiden tusschenPhiladelphiaen het veer teGloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen teChelseabyLondengeplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.De Landstreek.Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met denZweedschenSchilder,[30]den HeerHesselius, naar het Landgoed van den HeerBartram, vierEng.mylen ten zuidenPhiladelphia, een weinig bezyden den groten weg naarMaryland,VirginieenKarolinagelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie- walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat die byna onder de zwaarte bogen. DePersimon,19een soort van Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De HeerHesseliusvergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynenJungstromvan de vrugten des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen, zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf inAmerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter al hare bitterheid verliezen.Bomen en planten.Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen welken in de bosschen het digst byPhiladelphia, in ’t wild groeijen. Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.1.Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.2.Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.3.Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.4.Juglans alba, deHickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie of vier soorten van.5.Rubus occidentalis, deAmerikaanscheBraamstruik.6.Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige gronden.[31]7.Rhus glabra, de gladbladigeSumach. Men vindt deze plant in de bosschen, en op oude koornvelden.8.Vitis Labrusca&Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.9.Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs de hagen en betuiningen.10.Quercus Phellos, de Moeras eik.11.Azalea lutea.Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.12.Crategus Crus galli.Men vindt hem in de bosschen.13.Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.14.Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.15.Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei gronden.16.Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.17.Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.18.Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond.19.Prinos verticillatus.Hy groeit in moerassen.20.Platanus occidentalis, deWaterbeuk.21.Nyssa aquatica,20groeijende op de velden en de bergen.22.Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.23.Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van denZweedschen. Het was maar een struik.24.Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden, weiden, en in kreupelbosschen.25.Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen als de voorgaande.26.Rhus radicans, de zig omwindendeSumach. Deze klimt tegens de bomen op.27.Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige plaatsen.28.Prunus domestica, de wilde Pruimboom.29.Ulmus Americana, de witte Olm.30.Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.[32]31.Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met zand gemengde aarde.32.Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en in moerassen.33.Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.34.Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.35.Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der bergen.36.Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de bergen, en by de huizen.37.Rhus vernix, de vergiftigeSumach, wassende op vogtige plaatsen.38.Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort.39.Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.40.Diospyros Virginiana, dePersimon, of Mispelboom.41.Pyrus coronaria, de Ankerboom.42.Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale gronden.43.Laurus æstivalis,Spicewoodby deEngelschen, groeijende overal.44.Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.45.Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.46.Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by deZwedengenoemdButternutstrae.2148.Pinus Americana, dePensylvanischePynboom, wassende op de noordelyke zyden der bergen en in de vallyen.2249.Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.50.Cephalantus occidentalis.Deze groeit op natte gronden.51.Pinus Taeda, de Den vanNew-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.52.Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.53.Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de koornvelden.54.Magnolia glauca, op natte gronden.55.Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.56.Gleditsia triacanthos.Hy wast in goede aarde.[33]57.Celtis occidentalis.Op vrye velden.58.Annona muricata, by deZwedenPapawtrae. Deze wast in ene vrugtbare aarde.De Landsdouwe.Wy bezogten enigeZweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als inZwedenin den zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun gezang deden weergalmen.Boomgaarden.DeBoomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat men hier niet zo veel zag op,een weinigje vrugten als in andere landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat de boeren inZwedenenFinlandhunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan men hier de keurigste vrugten doet.Dauw.Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat. Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren. Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren, uitgenomen die van hetVerbascum Thapsusof het witte wollenkruid, welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen hadden.Vrugten.By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken, appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam inEuropa, vooral inZweden, waar het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren, dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet[34]nuttigen. Een deel wordt in de Stadverkoft, en de overigen worden gegeten, niet alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.Persiken ingemaakt.Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen inEuropa. Sommige menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun persiken.De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door deEuropersgeplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of Peerboom.Andere vrugten.In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot23wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.De Okra.DeHibiscus esculentusof deOkra,24ene bloem, wast in deWest Indienin ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt, die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als bry.[35]Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor iets lekkers gehouden.Spaansche Peper.DeSpaansche Peper25wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp gelyk de gemene peper.Sumach.Men vindt hier verscheiden byzondere soorten van de plant, welkeLinnæusRhusnoemt. De gemeenste is die met gladde bladeren.26DeEngelschennoemen zeSumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen, groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt, geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg, welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den Vlierboom. DezeSumachgroeit digt by de heiningen rondom de koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden, en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste[36]bezigheid was. Wy zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling overEngelandnaarZweden.Vergiftboom.Een soort vanRhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door deEngelschenenZwedenden Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem welSwamp-sumach27. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft; zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven, het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk. Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.Toen ik in den Winter van 1750. mynenJungstromde vergiftige eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden, en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen,[37]en ’er vele zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen, waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte. Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort vansumach, maar nog van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo vergiftig niet is als de eerste.28Hier door wierd hy van de kragt desVergiftboomszo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een zwakkere, daar van kan worden aangedaan.Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met denVergiftboomgenomen, en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven, schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks ’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel ’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan. Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas[38]niet ondervonden, en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen gaan gemeenlyk na enige dagen over. DeWildenwaren voorheen gewoon hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn vergift de arbeidslieden niet hindere.Delfstoffen.Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit hetRyk der Delfstoffen, die in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynendBergkrystal.29Diergelyk vindt men veel inPensylvaniein verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy waren zo doorschynend niet als de kleinen.DeTeerlingsche Pyrites30van den BisschopBrowalliuswas van een zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze aan stukken sloeg vond men ’er den zuiverenPyritesin. Men vindt ze hier digt by de StadLancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van agt en meer voeten. De HeerHesseliusbezat verscheiden’ stukken van dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige bruine kleur.[39]Marmer.Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land levert meer dan een soort vanMarmer; byzonderlyk vindt men op den afstand van enigeEng.mylen vanPhiladelphiaeen wit Marmer, met bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels, schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit. Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden inAmerikaverzonden.Moskovisch glas.Het Marieglas31vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als hetRussischezyn kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. DeZwedengebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.Kalksteen.Een ligt grauwe en digteKalksteen, waaruit men enen goeden kalk brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de steenkalk, dog beter om wittepleisteren.Steenkolen.Steenkolenheeft men nog inPensylvanieniet gevonden. Men beweert ze egter verder landwaards in onder deWildengezien te hebben. Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrentKaap Breton32in overvloed gevonden.Wyn.Sommige Vrouwen makenWynuit enigen van de vrugten des lands. Daartoe worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls inNewfoundlandgeweest is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen. Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn, dog wat zuurder dan deZweedschen. Nog gebruikt men daartoe deAmerikaanscheBraam,33die overal op de koornvelden in zo grote menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam[40]is. InMarylandwordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe, die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat men inZwedenzelfs beter dan inAmerika.Ligustrum.Het gemeneLigustrumwast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uitEngelandovergebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken, zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt byPhiladelphiamogen gene varkens los lopen.Bomen.Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den KoopmanPeter Kock, geboortig vanKarlskroninZweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negenEng.mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt. De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory, Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.Landsdouwe.Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere[41]schone vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalenstroomdenheldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog watMais, andersTurksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes. Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen breder handelen.Germantown.Na zesEng.mylen ver gereden te zyn kwamen wy teGermantown. Deze Stad heeft maar ene straat, dog is byna tweeEng.mylen lang. Zy wordt voor ’t grootste deel bewoond doorDuitschers, die van tyd tot tyd overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uitEngelandzal behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden steen gebouwd, die naar den kant vanPhiladelphiaoveral gevonden wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante geleken zy naar de daken inZweden, maar de hoeken die zy boven aan maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons, waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken, eneLuthersche, eneHervormde, en eneQuakerkerk. Zy was zo volkryk dat de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier deMennonietenhunne vergaderplaats.Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.Putten.De HeerKockhad enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken, geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis heen liep, stonden kruiken enaarden vatenvol melk, welke zig in ’t koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.Heiningen.Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren[42]hier overal van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag, die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden omstreeksPhiladelphiadigt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon, bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hiergekoft, want digt byPhiladelphiawast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom die Stad vele tuinen van gemaakt.Brandhout.Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot. Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat tePhiladelphia, rondom in bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers, rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen. Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier hoog, agttien Schellingen,Pensylvanischgeld. Voor zulk enen stapel van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden.[43]Ook is het land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den tyd tePhiladelphiazeer duur worden moest.Braambessewyn.DeWyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat. By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet ’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De drank is dan goed.Wyn van kerssenmaakt men op dezelve manier; alleen moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.Persikebrandewyn.Uit depersikenmaakt menbrandewynop deze wys. Men snydt de vrugt in twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn. Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit, die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.Op dezelve wys maakt men brandewyn uitappelen. Hiertoe neemt men vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.Nachtschaduw.DeAmerikaansche Nagtschaduw34wast by de landhoeven, op de wegen, in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. EenDuitscher, zynde een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.Eekhoorns.Men vindt hier verscheiden’ soorten vanEekhoorns. De kleinen35worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden noit geheel mak. De groten36doen den landlieden veel schade op de akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen[44]der mais op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst vernielen. Om deze reden is ieder inMarylandverpligt ’s jaars vier eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor elken geschoten eekhoorn tweepence. Hun vleesch wordt gegeten en voor lekkerny gehouden. De huid wordtverkoft, dog niet veel geagt. De eekhoorns zynhier devoornaamste spys der ratel- en andere slangen. Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als dood te rusten.DeRakkoonofHespan.Het viervoetige dier, dat de HeerLinnæusin deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenonder den naam vanLanggestaarten Beer37beschreven heeft, noemt men hierRakkoon. Het wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys, gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus ook iets waard. DeRakkoonwordt ook veel van de slangen gegeten.Hopen van Schelpen.EnigeEngelschenverzekerden dat by de RivierPotemackinVirginieene grote menigte vanOesterschelpengevonden wordt, en dat zy ’er zelfs gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou tweeEng.mylen van zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk inNew York, by ’t graven gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van andere zeedieren, gekomen. Sommigen[45]waren van oordeel, dat deWildendaar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats zouden weggeworpen wezen.DeWilden.Allen stemden daarin over een, dat deWildenvan dit land goedaardige menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn, onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagtenkunnen. De HeerKockverhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het volgende geval. EenEngelschKoopman voor twee jaar onder deWildenreizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten deWildenwie het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy denmoordenaar; bonden hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naarPhiladelphiaaan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen booswigt, die zulk een stuk aan enenEngelschmanbegaan had, niet langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem volgens deEngelschewetten naar verdienste te straffen. De moordenaar werd daarop tePhiladelphiagehangen.Hunne natuurlyke vermogens.Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden naar deEngelscheVolkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft, zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.De HeerSleidornverhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel genoegen gaf. Hy had teNew Yorkonder andereWildeneen eerwaardig oud man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd liet zig in een gesprek metSleidornin, en beroemde zigEngelschte kunnen spreken en lezen.Sleidornvroeg hem daarop verlof hem ene vraag te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard antwoordde ten eersten,Vader Abraham. Toen[46]verzogt hy ook ene vraag te mogen doen.Sleidornbewilligde, en de vraag was, “wie de eersteQuakergeweest was.”Sleidornantwoordde dat de een dezen, en de ander genen daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechaiwas de eersteQuaker, want hy wilde den hoed voorHamanniet afnemen.” Velen van de nogHeidensche Wildenworden gezegd ene verwarde kennis van den zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf ondervonden heb.Reuzen.Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden.Beenderen.Lieden, die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naarHamburgaan enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder deWilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn, wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.De grond.De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd. Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven. Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist winnen kan.

Waarde der goederen jaarlyks uitEngelandnaarPensylvaniegezonden.Vreemde waren, waarvan de regten betaald zyn, enmaarde quitanties gevorderd worden.EngelscheHandwerken.Somme der twee kolommen t’zamengeteld.Jaren.L.S.D.L.S.D.L.S.D.1723.5199.13.5.10793.5.1.15992.19.4.1724.9373.15.8.20951.0.5.30324.16.1.1725.10301.12.6.31908.1.8.42209.14.2.1726.9371.11.6.28263.6.2.37634.17.8.1727.10243.0.7.21736.10.0.31979.10.7.1728.14073.13.9.23405.6.2.37478.19.11.1729.12948.8.5.16851.2.5.29799.10.10.1730.15660.10.11.32931.16.6.48592.7.5.1731.11838.17.4.32421.18.9.44260.16.1.1732.15240.14.4.26457.19.3.41698.13.7.1733.13187.0.8.27378.7.5.40565.8.1.1734.19648.15.9.34743.12.1.54392.7.10.1735.18078.4.3.30726.7.1.48804.11.4.1736.23456.15.11.38057.2.5.61513.18.4.1737.14517.4.3.42173.2.4.56690.6.7.1738.20320.19.3.41129.5.0.61450.4.3.1739.9041.4.5.45411.7.6.54452.11.11.1740.10280.2.0.46471.12.9.56751.14.9.1741.12977.18.10.78032.13.1.91010.11.11.1742.14458.6.3.60836.17.1.75295.3.4.1743.19220.1.6.60120.4.10.79340.6.4.1744.14681.8.4.47595.18.2.62214.6.6.1745.13043.8.8.41237.2.3.54280.10.11.1746.18103.12.7.55595.19.7.73699.12.2.1747.8585.14.11.73819.2.8.82404.17.7.Somme 343789.16.0.969049.1.6.1312838.17.6.[25]Hoe sterk de gehele handel inPensylvanieis kan men omtrent uit het getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart van het volgende jaar.’T jaar.Ingekomen Schepen.Uitgevaren Schepen.1735.199.212.1740.307.208.1741.292.309.1744.229.271.1745.280.301.1746.273.293.Maar het is zeer te vrezen dat de handel vanPhiladelphiaen al deEngelscheVolkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders vanPensylvanievan de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele menschen vanNew-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.Markten.Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden, ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren vanPensylvanieenNew-Jerseyallerhande eetwaren en voortbrengselen des Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in deZweedscheSteden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden. Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag. Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze markten gehouden worden, dog de voornaamste is by hetRaadhuis. Zy beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.[26]Gouverneurs.DeGouverneurvan het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de nakomelingen vanPenbenoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder door den Koning vanEngelandbevestigd te zyn.DeQuakersuit genoegzaam alle de delen vanNoord Amerikahouden hier eens in ’t jaar hunne grote vergadering.Maatschappy van Wetenschappen.In ’t jaar 1743. wierd hier eneMaatschappy van Wetenschappenopgerigt. Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur, de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken. Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.Afwyking der Naald.De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S.5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe middagslyn, die in den herfst van dat jaar tePhiladelphiagetrokken werd, en eneEng.myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.Hoogte van den Barometer.Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den HeerJames Logangedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.Boekdrukkeryen.Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er tweeEngelscheen eneHoog DuitscheKoerant uit.Aardbevingen.In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook teBostoninNieuw Engelanden teMontrealinKanadagewaar wierd, welke plaatsen meer dan zestigZweedschemylen van malkander leggen.Prins van den BergLibanon.In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den BergLibanon,Scheich Sedi, tePhiladelphia, bezig zynde een groot deel derEngelscheVolkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op den zelven tyd ook gevoeld teNewcastle,New-York,New London,Boston, en andere plaatsen inNieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen uitgestrekt.Graaf vanZinzendorf.De Graaf vanZinzendorflandde hier in December 1741. aan, en verbleef ’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de voornaamsteEngelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.Inwoonders.Ik heb het juiste getal van de Inwoonders vanPhiladelphianiet konnen te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend. Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit[27]de lysten der gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.1730.227.1741.345.1745.420.1738.250.1742.409.1748.672.1739.350.1743.425.1749.758.1740.290.1744.410.1750.716.Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen, borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. DeQuakers, die hier het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna twaalf duizendDuitschersover, waarvan ’er velen tePhiladelphiazig nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het getal te zyn twee duizend zes en zeventig.Verscheidenheid.De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland, van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn. Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele dingen worden hier zo goed gemaakt als inEngeland. Dog Fabrieken, byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de reden, dat men ze zo gemakkelyk uitEngelandkrygen kan, en dat de Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop. Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.Vryheid.Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne goederen in veiligheid, en geniet[28]zulk ene vryheid, dat men zeggen kan, dat een Borger vanPhiladelphiain zyn huis gelyk een Koning leeft.Luister.Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs van de oudste Steden inEuropa, ten opzigt van een schoon voorkomen, goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel, rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; enPensylvanie, dat in ’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor sommige Koningryken vanEuropa. Het heeft troepen van menschen opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of verstoten hadden.Oud Overblyfsel.Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten noorden deWeekacko Kerk, toebehorende aan enen van deSvenssons, wordt nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats, eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten, elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en kerkhoven vanPhiladelphiaverkeerden. In dit huis hoorde men reeds het geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert geoeffend zyn, dagt, en voor datPhiladelphiazelfs bestond. Maar met dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden vanAmerikain ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons dagverhaal hervatten.Een vogel door een slang betoverd.Den 7. September verhaalde my de HeerPeter Kock, een Koopman in deze Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw deKatvogelgenoemd,17vloog van den enen tak op den anderen, en maakte, naar[29]zyn gewoonte, een naar geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder, en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de HeerKockoverviel en doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang van de Ratelslang bekend geweest.Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond ’er verscheidenEuropischenzelfsZweedschen, maar zulken die aanAmerikaalleen eigen zyn, waren de talryksten.Bomenen planten.DeVirginische Ahorn18is zeer gemeen op de oevers van deDellaware. DeEngelschennoemen hemButtonwoodof ookWaterbeuk, welke laatste naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om ’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt zet men ’er wel banken onder. Sommigen van deZwedenhadden dozen, emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door deAmerikaansche Wildenuit den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele plaatsen in de lage weiden tusschenPhiladelphiaen het veer teGloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen teChelseabyLondengeplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.De Landstreek.Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met denZweedschenSchilder,[30]den HeerHesselius, naar het Landgoed van den HeerBartram, vierEng.mylen ten zuidenPhiladelphia, een weinig bezyden den groten weg naarMaryland,VirginieenKarolinagelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie- walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat die byna onder de zwaarte bogen. DePersimon,19een soort van Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De HeerHesseliusvergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynenJungstromvan de vrugten des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen, zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf inAmerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter al hare bitterheid verliezen.Bomen en planten.Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen welken in de bosschen het digst byPhiladelphia, in ’t wild groeijen. Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.1.Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.2.Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.3.Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.4.Juglans alba, deHickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie of vier soorten van.5.Rubus occidentalis, deAmerikaanscheBraamstruik.6.Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige gronden.[31]7.Rhus glabra, de gladbladigeSumach. Men vindt deze plant in de bosschen, en op oude koornvelden.8.Vitis Labrusca&Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.9.Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs de hagen en betuiningen.10.Quercus Phellos, de Moeras eik.11.Azalea lutea.Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.12.Crategus Crus galli.Men vindt hem in de bosschen.13.Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.14.Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.15.Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei gronden.16.Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.17.Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.18.Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond.19.Prinos verticillatus.Hy groeit in moerassen.20.Platanus occidentalis, deWaterbeuk.21.Nyssa aquatica,20groeijende op de velden en de bergen.22.Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.23.Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van denZweedschen. Het was maar een struik.24.Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden, weiden, en in kreupelbosschen.25.Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen als de voorgaande.26.Rhus radicans, de zig omwindendeSumach. Deze klimt tegens de bomen op.27.Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige plaatsen.28.Prunus domestica, de wilde Pruimboom.29.Ulmus Americana, de witte Olm.30.Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.[32]31.Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met zand gemengde aarde.32.Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en in moerassen.33.Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.34.Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.35.Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der bergen.36.Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de bergen, en by de huizen.37.Rhus vernix, de vergiftigeSumach, wassende op vogtige plaatsen.38.Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort.39.Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.40.Diospyros Virginiana, dePersimon, of Mispelboom.41.Pyrus coronaria, de Ankerboom.42.Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale gronden.43.Laurus æstivalis,Spicewoodby deEngelschen, groeijende overal.44.Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.45.Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.46.Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by deZwedengenoemdButternutstrae.2148.Pinus Americana, dePensylvanischePynboom, wassende op de noordelyke zyden der bergen en in de vallyen.2249.Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.50.Cephalantus occidentalis.Deze groeit op natte gronden.51.Pinus Taeda, de Den vanNew-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.52.Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.53.Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de koornvelden.54.Magnolia glauca, op natte gronden.55.Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.56.Gleditsia triacanthos.Hy wast in goede aarde.[33]57.Celtis occidentalis.Op vrye velden.58.Annona muricata, by deZwedenPapawtrae. Deze wast in ene vrugtbare aarde.De Landsdouwe.Wy bezogten enigeZweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als inZwedenin den zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun gezang deden weergalmen.Boomgaarden.DeBoomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat men hier niet zo veel zag op,een weinigje vrugten als in andere landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat de boeren inZwedenenFinlandhunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan men hier de keurigste vrugten doet.Dauw.Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat. Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren. Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren, uitgenomen die van hetVerbascum Thapsusof het witte wollenkruid, welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen hadden.Vrugten.By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken, appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam inEuropa, vooral inZweden, waar het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren, dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet[34]nuttigen. Een deel wordt in de Stadverkoft, en de overigen worden gegeten, niet alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.Persiken ingemaakt.Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen inEuropa. Sommige menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun persiken.De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door deEuropersgeplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of Peerboom.Andere vrugten.In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot23wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.De Okra.DeHibiscus esculentusof deOkra,24ene bloem, wast in deWest Indienin ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt, die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als bry.[35]Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor iets lekkers gehouden.Spaansche Peper.DeSpaansche Peper25wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp gelyk de gemene peper.Sumach.Men vindt hier verscheiden byzondere soorten van de plant, welkeLinnæusRhusnoemt. De gemeenste is die met gladde bladeren.26DeEngelschennoemen zeSumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen, groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt, geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg, welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den Vlierboom. DezeSumachgroeit digt by de heiningen rondom de koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden, en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste[36]bezigheid was. Wy zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling overEngelandnaarZweden.Vergiftboom.Een soort vanRhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door deEngelschenenZwedenden Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem welSwamp-sumach27. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft; zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven, het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk. Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.Toen ik in den Winter van 1750. mynenJungstromde vergiftige eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden, en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen,[37]en ’er vele zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen, waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte. Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort vansumach, maar nog van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo vergiftig niet is als de eerste.28Hier door wierd hy van de kragt desVergiftboomszo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een zwakkere, daar van kan worden aangedaan.Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met denVergiftboomgenomen, en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven, schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks ’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel ’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan. Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas[38]niet ondervonden, en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen gaan gemeenlyk na enige dagen over. DeWildenwaren voorheen gewoon hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn vergift de arbeidslieden niet hindere.Delfstoffen.Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit hetRyk der Delfstoffen, die in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynendBergkrystal.29Diergelyk vindt men veel inPensylvaniein verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy waren zo doorschynend niet als de kleinen.DeTeerlingsche Pyrites30van den BisschopBrowalliuswas van een zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze aan stukken sloeg vond men ’er den zuiverenPyritesin. Men vindt ze hier digt by de StadLancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van agt en meer voeten. De HeerHesseliusbezat verscheiden’ stukken van dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige bruine kleur.[39]Marmer.Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land levert meer dan een soort vanMarmer; byzonderlyk vindt men op den afstand van enigeEng.mylen vanPhiladelphiaeen wit Marmer, met bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels, schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit. Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden inAmerikaverzonden.Moskovisch glas.Het Marieglas31vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als hetRussischezyn kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. DeZwedengebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.Kalksteen.Een ligt grauwe en digteKalksteen, waaruit men enen goeden kalk brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de steenkalk, dog beter om wittepleisteren.Steenkolen.Steenkolenheeft men nog inPensylvanieniet gevonden. Men beweert ze egter verder landwaards in onder deWildengezien te hebben. Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrentKaap Breton32in overvloed gevonden.Wyn.Sommige Vrouwen makenWynuit enigen van de vrugten des lands. Daartoe worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls inNewfoundlandgeweest is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen. Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn, dog wat zuurder dan deZweedschen. Nog gebruikt men daartoe deAmerikaanscheBraam,33die overal op de koornvelden in zo grote menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam[40]is. InMarylandwordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe, die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat men inZwedenzelfs beter dan inAmerika.Ligustrum.Het gemeneLigustrumwast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uitEngelandovergebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken, zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt byPhiladelphiamogen gene varkens los lopen.Bomen.Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den KoopmanPeter Kock, geboortig vanKarlskroninZweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negenEng.mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt. De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory, Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.Landsdouwe.Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere[41]schone vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalenstroomdenheldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog watMais, andersTurksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes. Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen breder handelen.Germantown.Na zesEng.mylen ver gereden te zyn kwamen wy teGermantown. Deze Stad heeft maar ene straat, dog is byna tweeEng.mylen lang. Zy wordt voor ’t grootste deel bewoond doorDuitschers, die van tyd tot tyd overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uitEngelandzal behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden steen gebouwd, die naar den kant vanPhiladelphiaoveral gevonden wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante geleken zy naar de daken inZweden, maar de hoeken die zy boven aan maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons, waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken, eneLuthersche, eneHervormde, en eneQuakerkerk. Zy was zo volkryk dat de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier deMennonietenhunne vergaderplaats.Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.Putten.De HeerKockhad enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken, geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis heen liep, stonden kruiken enaarden vatenvol melk, welke zig in ’t koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.Heiningen.Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren[42]hier overal van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag, die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden omstreeksPhiladelphiadigt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon, bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hiergekoft, want digt byPhiladelphiawast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom die Stad vele tuinen van gemaakt.Brandhout.Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot. Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat tePhiladelphia, rondom in bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers, rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen. Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier hoog, agttien Schellingen,Pensylvanischgeld. Voor zulk enen stapel van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden.[43]Ook is het land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den tyd tePhiladelphiazeer duur worden moest.Braambessewyn.DeWyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat. By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet ’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De drank is dan goed.Wyn van kerssenmaakt men op dezelve manier; alleen moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.Persikebrandewyn.Uit depersikenmaakt menbrandewynop deze wys. Men snydt de vrugt in twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn. Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit, die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.Op dezelve wys maakt men brandewyn uitappelen. Hiertoe neemt men vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.Nachtschaduw.DeAmerikaansche Nagtschaduw34wast by de landhoeven, op de wegen, in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. EenDuitscher, zynde een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.Eekhoorns.Men vindt hier verscheiden’ soorten vanEekhoorns. De kleinen35worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden noit geheel mak. De groten36doen den landlieden veel schade op de akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen[44]der mais op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst vernielen. Om deze reden is ieder inMarylandverpligt ’s jaars vier eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor elken geschoten eekhoorn tweepence. Hun vleesch wordt gegeten en voor lekkerny gehouden. De huid wordtverkoft, dog niet veel geagt. De eekhoorns zynhier devoornaamste spys der ratel- en andere slangen. Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als dood te rusten.DeRakkoonofHespan.Het viervoetige dier, dat de HeerLinnæusin deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenonder den naam vanLanggestaarten Beer37beschreven heeft, noemt men hierRakkoon. Het wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys, gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus ook iets waard. DeRakkoonwordt ook veel van de slangen gegeten.Hopen van Schelpen.EnigeEngelschenverzekerden dat by de RivierPotemackinVirginieene grote menigte vanOesterschelpengevonden wordt, en dat zy ’er zelfs gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou tweeEng.mylen van zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk inNew York, by ’t graven gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van andere zeedieren, gekomen. Sommigen[45]waren van oordeel, dat deWildendaar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats zouden weggeworpen wezen.DeWilden.Allen stemden daarin over een, dat deWildenvan dit land goedaardige menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn, onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagtenkunnen. De HeerKockverhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het volgende geval. EenEngelschKoopman voor twee jaar onder deWildenreizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten deWildenwie het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy denmoordenaar; bonden hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naarPhiladelphiaaan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen booswigt, die zulk een stuk aan enenEngelschmanbegaan had, niet langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem volgens deEngelschewetten naar verdienste te straffen. De moordenaar werd daarop tePhiladelphiagehangen.Hunne natuurlyke vermogens.Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden naar deEngelscheVolkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft, zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.De HeerSleidornverhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel genoegen gaf. Hy had teNew Yorkonder andereWildeneen eerwaardig oud man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd liet zig in een gesprek metSleidornin, en beroemde zigEngelschte kunnen spreken en lezen.Sleidornvroeg hem daarop verlof hem ene vraag te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard antwoordde ten eersten,Vader Abraham. Toen[46]verzogt hy ook ene vraag te mogen doen.Sleidornbewilligde, en de vraag was, “wie de eersteQuakergeweest was.”Sleidornantwoordde dat de een dezen, en de ander genen daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechaiwas de eersteQuaker, want hy wilde den hoed voorHamanniet afnemen.” Velen van de nogHeidensche Wildenworden gezegd ene verwarde kennis van den zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf ondervonden heb.Reuzen.Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden.Beenderen.Lieden, die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naarHamburgaan enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder deWilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn, wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.De grond.De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd. Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven. Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist winnen kan.

Waarde der goederen jaarlyks uitEngelandnaarPensylvaniegezonden.Vreemde waren, waarvan de regten betaald zyn, enmaarde quitanties gevorderd worden.EngelscheHandwerken.Somme der twee kolommen t’zamengeteld.Jaren.L.S.D.L.S.D.L.S.D.1723.5199.13.5.10793.5.1.15992.19.4.1724.9373.15.8.20951.0.5.30324.16.1.1725.10301.12.6.31908.1.8.42209.14.2.1726.9371.11.6.28263.6.2.37634.17.8.1727.10243.0.7.21736.10.0.31979.10.7.1728.14073.13.9.23405.6.2.37478.19.11.1729.12948.8.5.16851.2.5.29799.10.10.1730.15660.10.11.32931.16.6.48592.7.5.1731.11838.17.4.32421.18.9.44260.16.1.1732.15240.14.4.26457.19.3.41698.13.7.1733.13187.0.8.27378.7.5.40565.8.1.1734.19648.15.9.34743.12.1.54392.7.10.1735.18078.4.3.30726.7.1.48804.11.4.1736.23456.15.11.38057.2.5.61513.18.4.1737.14517.4.3.42173.2.4.56690.6.7.1738.20320.19.3.41129.5.0.61450.4.3.1739.9041.4.5.45411.7.6.54452.11.11.1740.10280.2.0.46471.12.9.56751.14.9.1741.12977.18.10.78032.13.1.91010.11.11.1742.14458.6.3.60836.17.1.75295.3.4.1743.19220.1.6.60120.4.10.79340.6.4.1744.14681.8.4.47595.18.2.62214.6.6.1745.13043.8.8.41237.2.3.54280.10.11.1746.18103.12.7.55595.19.7.73699.12.2.1747.8585.14.11.73819.2.8.82404.17.7.Somme 343789.16.0.969049.1.6.1312838.17.6.

[25]

Hoe sterk de gehele handel inPensylvanieis kan men omtrent uit het getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart van het volgende jaar.

’T jaar.Ingekomen Schepen.Uitgevaren Schepen.1735.199.212.1740.307.208.1741.292.309.1744.229.271.1745.280.301.1746.273.293.

Maar het is zeer te vrezen dat de handel vanPhiladelphiaen al deEngelscheVolkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.

De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders vanPensylvanievan de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele menschen vanNew-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.

Markten.

Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden, ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren vanPensylvanieenNew-Jerseyallerhande eetwaren en voortbrengselen des Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in deZweedscheSteden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden. Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.

Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag. Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze markten gehouden worden, dog de voornaamste is by hetRaadhuis. Zy beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.

De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.[26]

Gouverneurs.

DeGouverneurvan het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de nakomelingen vanPenbenoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder door den Koning vanEngelandbevestigd te zyn.

DeQuakersuit genoegzaam alle de delen vanNoord Amerikahouden hier eens in ’t jaar hunne grote vergadering.

Maatschappy van Wetenschappen.

In ’t jaar 1743. wierd hier eneMaatschappy van Wetenschappenopgerigt. Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur, de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken. Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.

Afwyking der Naald.

De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S.5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe middagslyn, die in den herfst van dat jaar tePhiladelphiagetrokken werd, en eneEng.myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.

Hoogte van den Barometer.

Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den HeerJames Logangedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.

Boekdrukkeryen.

Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er tweeEngelscheen eneHoog DuitscheKoerant uit.

Aardbevingen.

In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook teBostoninNieuw Engelanden teMontrealinKanadagewaar wierd, welke plaatsen meer dan zestigZweedschemylen van malkander leggen.

Prins van den BergLibanon.

In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den BergLibanon,Scheich Sedi, tePhiladelphia, bezig zynde een groot deel derEngelscheVolkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op den zelven tyd ook gevoeld teNewcastle,New-York,New London,Boston, en andere plaatsen inNieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen uitgestrekt.

Graaf vanZinzendorf.

De Graaf vanZinzendorflandde hier in December 1741. aan, en verbleef ’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de voornaamsteEngelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.

Inwoonders.

Ik heb het juiste getal van de Inwoonders vanPhiladelphianiet konnen te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend. Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit[27]de lysten der gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.

In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.In ’t Jaar.Gestorven.1730.227.1741.345.1745.420.1738.250.1742.409.1748.672.1739.350.1743.425.1749.758.1740.290.1744.410.1750.716.

Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen, borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.

Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. DeQuakers, die hier het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.

Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna twaalf duizendDuitschersover, waarvan ’er velen tePhiladelphiazig nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het getal te zyn twee duizend zes en zeventig.

Verscheidenheid.

De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland, van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn. Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele dingen worden hier zo goed gemaakt als inEngeland. Dog Fabrieken, byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de reden, dat men ze zo gemakkelyk uitEngelandkrygen kan, en dat de Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.

Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop. Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.

Vryheid.

Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne goederen in veiligheid, en geniet[28]zulk ene vryheid, dat men zeggen kan, dat een Borger vanPhiladelphiain zyn huis gelyk een Koning leeft.

Luister.

Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs van de oudste Steden inEuropa, ten opzigt van een schoon voorkomen, goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel, rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; enPensylvanie, dat in ’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor sommige Koningryken vanEuropa. Het heeft troepen van menschen opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of verstoten hadden.

Oud Overblyfsel.

Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten noorden deWeekacko Kerk, toebehorende aan enen van deSvenssons, wordt nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats, eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten, elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en kerkhoven vanPhiladelphiaverkeerden. In dit huis hoorde men reeds het geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert geoeffend zyn, dagt, en voor datPhiladelphiazelfs bestond. Maar met dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden vanAmerikain ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons dagverhaal hervatten.

Een vogel door een slang betoverd.

Den 7. September verhaalde my de HeerPeter Kock, een Koopman in deze Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw deKatvogelgenoemd,17vloog van den enen tak op den anderen, en maakte, naar[29]zyn gewoonte, een naar geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder, en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de HeerKockoverviel en doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang van de Ratelslang bekend geweest.

Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond ’er verscheidenEuropischenzelfsZweedschen, maar zulken die aanAmerikaalleen eigen zyn, waren de talryksten.

Bomenen planten.

DeVirginische Ahorn18is zeer gemeen op de oevers van deDellaware. DeEngelschennoemen hemButtonwoodof ookWaterbeuk, welke laatste naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om ’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt zet men ’er wel banken onder. Sommigen van deZwedenhadden dozen, emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door deAmerikaansche Wildenuit den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele plaatsen in de lage weiden tusschenPhiladelphiaen het veer teGloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen teChelseabyLondengeplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.

De Landstreek.

Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met denZweedschenSchilder,[30]den HeerHesselius, naar het Landgoed van den HeerBartram, vierEng.mylen ten zuidenPhiladelphia, een weinig bezyden den groten weg naarMaryland,VirginieenKarolinagelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie- walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat die byna onder de zwaarte bogen. DePersimon,19een soort van Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De HeerHesseliusvergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynenJungstromvan de vrugten des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen, zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf inAmerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter al hare bitterheid verliezen.

Bomen en planten.

Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen welken in de bosschen het digst byPhiladelphia, in ’t wild groeijen. Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.

1.Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.

2.Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.

3.Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.

4.Juglans alba, deHickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie of vier soorten van.

5.Rubus occidentalis, deAmerikaanscheBraamstruik.

6.Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige gronden.[31]

7.Rhus glabra, de gladbladigeSumach. Men vindt deze plant in de bosschen, en op oude koornvelden.

8.Vitis Labrusca&Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.

9.Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs de hagen en betuiningen.

10.Quercus Phellos, de Moeras eik.

11.Azalea lutea.Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.

12.Crategus Crus galli.Men vindt hem in de bosschen.

13.Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.

14.Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.

15.Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei gronden.

16.Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.

17.Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.

18.Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond.

19.Prinos verticillatus.Hy groeit in moerassen.

20.Platanus occidentalis, deWaterbeuk.

21.Nyssa aquatica,20groeijende op de velden en de bergen.

22.Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.

23.Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van denZweedschen. Het was maar een struik.

24.Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden, weiden, en in kreupelbosschen.

25.Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen als de voorgaande.

26.Rhus radicans, de zig omwindendeSumach. Deze klimt tegens de bomen op.

27.Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige plaatsen.

28.Prunus domestica, de wilde Pruimboom.

29.Ulmus Americana, de witte Olm.

30.Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.[32]

31.Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met zand gemengde aarde.

32.Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en in moerassen.

33.Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.

34.Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.

35.Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der bergen.

36.Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de bergen, en by de huizen.

37.Rhus vernix, de vergiftigeSumach, wassende op vogtige plaatsen.

38.Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort.

39.Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.

40.Diospyros Virginiana, dePersimon, of Mispelboom.

41.Pyrus coronaria, de Ankerboom.

42.Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale gronden.

43.Laurus æstivalis,Spicewoodby deEngelschen, groeijende overal.

44.Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.

45.Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.

46.Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.

47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by deZwedengenoemdButternutstrae.21

48.Pinus Americana, dePensylvanischePynboom, wassende op de noordelyke zyden der bergen en in de vallyen.22

49.Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.

50.Cephalantus occidentalis.Deze groeit op natte gronden.

51.Pinus Taeda, de Den vanNew-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.

52.Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.

53.Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de koornvelden.

54.Magnolia glauca, op natte gronden.

55.Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.

56.Gleditsia triacanthos.Hy wast in goede aarde.[33]

57.Celtis occidentalis.Op vrye velden.

58.Annona muricata, by deZwedenPapawtrae. Deze wast in ene vrugtbare aarde.

De Landsdouwe.

Wy bezogten enigeZweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als inZwedenin den zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun gezang deden weergalmen.

Boomgaarden.

DeBoomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat men hier niet zo veel zag op,een weinigje vrugten als in andere landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat de boeren inZwedenenFinlandhunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan men hier de keurigste vrugten doet.

Dauw.

Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat. Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren. Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren, uitgenomen die van hetVerbascum Thapsusof het witte wollenkruid, welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen hadden.

Vrugten.

By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken, appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam inEuropa, vooral inZweden, waar het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren, dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet[34]nuttigen. Een deel wordt in de Stadverkoft, en de overigen worden gegeten, niet alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.

Persiken ingemaakt.

Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen inEuropa. Sommige menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun persiken.

De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door deEuropersgeplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of Peerboom.

Andere vrugten.

In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot23wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.

De Okra.

DeHibiscus esculentusof deOkra,24ene bloem, wast in deWest Indienin ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt, die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als bry.[35]Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor iets lekkers gehouden.

Spaansche Peper.

DeSpaansche Peper25wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp gelyk de gemene peper.

Sumach.

Men vindt hier verscheiden byzondere soorten van de plant, welkeLinnæusRhusnoemt. De gemeenste is die met gladde bladeren.26DeEngelschennoemen zeSumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen, groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt, geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg, welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den Vlierboom. DezeSumachgroeit digt by de heiningen rondom de koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden, en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.

Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste[36]bezigheid was. Wy zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling overEngelandnaarZweden.

Vergiftboom.

Een soort vanRhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door deEngelschenenZwedenden Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem welSwamp-sumach27. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft; zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven, het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk. Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.

Toen ik in den Winter van 1750. mynenJungstromde vergiftige eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden, en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen,[37]en ’er vele zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen, waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte. Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort vansumach, maar nog van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo vergiftig niet is als de eerste.28Hier door wierd hy van de kragt desVergiftboomszo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een zwakkere, daar van kan worden aangedaan.

Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met denVergiftboomgenomen, en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven, schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks ’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel ’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan. Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas[38]niet ondervonden, en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.

Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen gaan gemeenlyk na enige dagen over. DeWildenwaren voorheen gewoon hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn vergift de arbeidslieden niet hindere.

Delfstoffen.

Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit hetRyk der Delfstoffen, die in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynendBergkrystal.29Diergelyk vindt men veel inPensylvaniein verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy waren zo doorschynend niet als de kleinen.

DeTeerlingsche Pyrites30van den BisschopBrowalliuswas van een zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze aan stukken sloeg vond men ’er den zuiverenPyritesin. Men vindt ze hier digt by de StadLancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van agt en meer voeten. De HeerHesseliusbezat verscheiden’ stukken van dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige bruine kleur.[39]

Marmer.

Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land levert meer dan een soort vanMarmer; byzonderlyk vindt men op den afstand van enigeEng.mylen vanPhiladelphiaeen wit Marmer, met bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels, schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit. Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden inAmerikaverzonden.

Moskovisch glas.

Het Marieglas31vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als hetRussischezyn kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. DeZwedengebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.

Kalksteen.

Een ligt grauwe en digteKalksteen, waaruit men enen goeden kalk brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de steenkalk, dog beter om wittepleisteren.

Steenkolen.

Steenkolenheeft men nog inPensylvanieniet gevonden. Men beweert ze egter verder landwaards in onder deWildengezien te hebben. Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrentKaap Breton32in overvloed gevonden.

Wyn.

Sommige Vrouwen makenWynuit enigen van de vrugten des lands. Daartoe worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls inNewfoundlandgeweest is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen. Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn, dog wat zuurder dan deZweedschen. Nog gebruikt men daartoe deAmerikaanscheBraam,33die overal op de koornvelden in zo grote menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam[40]is. InMarylandwordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe, die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat men inZwedenzelfs beter dan inAmerika.

Ligustrum.

Het gemeneLigustrumwast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uitEngelandovergebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken, zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt byPhiladelphiamogen gene varkens los lopen.

Bomen.

Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den KoopmanPeter Kock, geboortig vanKarlskroninZweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negenEng.mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt. De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory, Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.

Landsdouwe.

Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere[41]schone vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalenstroomdenheldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog watMais, andersTurksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes. Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen breder handelen.

Germantown.

Na zesEng.mylen ver gereden te zyn kwamen wy teGermantown. Deze Stad heeft maar ene straat, dog is byna tweeEng.mylen lang. Zy wordt voor ’t grootste deel bewoond doorDuitschers, die van tyd tot tyd overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uitEngelandzal behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden steen gebouwd, die naar den kant vanPhiladelphiaoveral gevonden wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante geleken zy naar de daken inZweden, maar de hoeken die zy boven aan maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons, waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken, eneLuthersche, eneHervormde, en eneQuakerkerk. Zy was zo volkryk dat de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier deMennonietenhunne vergaderplaats.

Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.

Putten.

De HeerKockhad enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken, geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis heen liep, stonden kruiken enaarden vatenvol melk, welke zig in ’t koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.

Heiningen.

Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren[42]hier overal van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag, die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden omstreeksPhiladelphiadigt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon, bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hiergekoft, want digt byPhiladelphiawast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom die Stad vele tuinen van gemaakt.

Brandhout.

Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot. Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat tePhiladelphia, rondom in bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers, rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen. Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier hoog, agttien Schellingen,Pensylvanischgeld. Voor zulk enen stapel van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden.[43]Ook is het land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den tyd tePhiladelphiazeer duur worden moest.

Braambessewyn.

DeWyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat. By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet ’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De drank is dan goed.Wyn van kerssenmaakt men op dezelve manier; alleen moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.

Persikebrandewyn.

Uit depersikenmaakt menbrandewynop deze wys. Men snydt de vrugt in twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn. Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit, die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.

Op dezelve wys maakt men brandewyn uitappelen. Hiertoe neemt men vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.

Nachtschaduw.

DeAmerikaansche Nagtschaduw34wast by de landhoeven, op de wegen, in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. EenDuitscher, zynde een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.

Eekhoorns.

Men vindt hier verscheiden’ soorten vanEekhoorns. De kleinen35worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden noit geheel mak. De groten36doen den landlieden veel schade op de akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen[44]der mais op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst vernielen. Om deze reden is ieder inMarylandverpligt ’s jaars vier eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor elken geschoten eekhoorn tweepence. Hun vleesch wordt gegeten en voor lekkerny gehouden. De huid wordtverkoft, dog niet veel geagt. De eekhoorns zynhier devoornaamste spys der ratel- en andere slangen. Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als dood te rusten.

DeRakkoonofHespan.

Het viervoetige dier, dat de HeerLinnæusin deVerhandelingen der Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenonder den naam vanLanggestaarten Beer37beschreven heeft, noemt men hierRakkoon. Het wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys, gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus ook iets waard. DeRakkoonwordt ook veel van de slangen gegeten.

Hopen van Schelpen.

EnigeEngelschenverzekerden dat by de RivierPotemackinVirginieene grote menigte vanOesterschelpengevonden wordt, en dat zy ’er zelfs gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou tweeEng.mylen van zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk inNew York, by ’t graven gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van andere zeedieren, gekomen. Sommigen[45]waren van oordeel, dat deWildendaar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats zouden weggeworpen wezen.

DeWilden.

Allen stemden daarin over een, dat deWildenvan dit land goedaardige menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn, onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagtenkunnen. De HeerKockverhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het volgende geval. EenEngelschKoopman voor twee jaar onder deWildenreizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten deWildenwie het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy denmoordenaar; bonden hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naarPhiladelphiaaan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen booswigt, die zulk een stuk aan enenEngelschmanbegaan had, niet langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem volgens deEngelschewetten naar verdienste te straffen. De moordenaar werd daarop tePhiladelphiagehangen.

Hunne natuurlyke vermogens.

Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden naar deEngelscheVolkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft, zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.

De HeerSleidornverhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel genoegen gaf. Hy had teNew Yorkonder andereWildeneen eerwaardig oud man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd liet zig in een gesprek metSleidornin, en beroemde zigEngelschte kunnen spreken en lezen.Sleidornvroeg hem daarop verlof hem ene vraag te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard antwoordde ten eersten,Vader Abraham. Toen[46]verzogt hy ook ene vraag te mogen doen.Sleidornbewilligde, en de vraag was, “wie de eersteQuakergeweest was.”Sleidornantwoordde dat de een dezen, en de ander genen daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechaiwas de eersteQuaker, want hy wilde den hoed voorHamanniet afnemen.” Velen van de nogHeidensche Wildenworden gezegd ene verwarde kennis van den zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf ondervonden heb.

Reuzen.

Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden.Beenderen.Lieden, die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naarHamburgaan enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder deWilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn, wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.

De grond.

De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd. Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven. Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist winnen kan.


Back to IndexNext