Chapter 2

Gastmaal van Franschen.Gastmaal van Franschen.

Gastmaal van Franschen.

Gastmaal van Franschen.

Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney, Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie, als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.

Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op die zijner kolonisten.

Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van het grondgebied in bezit hebben.

De fransche kolonie te Port-Vila.De fransche kolonie te Port-Vila.

De fransche kolonie te Port-Vila.

De fransche kolonie te Port-Vila.

De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen, die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot een aardigen welstand opgewerkt.

Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.

Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft, Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn, moet nog nader worden onderzocht.

Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception- en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting; deLady Saint Aubynlegde met gemak acht knoopen in het uur af, en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland, waar drie stammen woonden, dieBladzijde 245ieder een eigen dialect spraken, en het eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.

Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust van Api; de engelsche bootHector, uit Maryborough in Queensland, lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd, op engelschen grond geboren.

Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn, hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten, wel te verstaan.

Inboorlingen van het eiland Paama.Inboorlingen van het eiland Paama.

Inboorlingen van het eiland Paama.

Inboorlingen van het eiland Paama.

Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.

De tegenwoordigheid van deHectorwas hinderlijk voor onze wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey, die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.

Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven en wenschte hem te verhuren voor denBladzijde 246arbeid te Nouméa. Het was een goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.

De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk, intelligent gezichtje straalde van blijdschap, en ieder had plezier in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.

’s Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden, en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden opgesloten.

Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had een engelsch schipAlice and Maryveertig inboorlingen, tot den stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden het de toovenaars van den stam beslist.

Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die steeds voldoende water had.

Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.

De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen, en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen mijn bereik.

In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij gelegenheid van een hunner feesten ofsinn-sinn. De mannen hadden om het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd; enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap katoen gehuld.

Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.

Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche maaltijden niet deelnemen.

Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman, die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem, in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel, een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.

De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.

Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden een tiental Kanaken recruteeren. DeLady Saint Aubynwendde zich daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan, die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.

Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het dorp Baap.

De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen aangelegd. Wat het klimaat en deBladzijde 247gezondheid betreft, deze verschillen naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen, nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd, zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven, allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander oordeel leiden.

Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong en bereikt wel een hoogte van 1650 M.

Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar wij konden in ’t voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt, namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die, van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden, bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van een duizendtal K.M. ongeveer.

Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in ’t Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken van het eiland Api, wier taal zij spreken.

We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot hen toen op in het ruim en doodde hen allen; “ze werden als ratten vermoord”, zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal van Nieuw Zuid-Wales.

Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was door het fransche adviesjachtD’Estrées. Van eenMan oui oui, zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als deMan oui ouiaangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het schot had gelost.

Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.

Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort, en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden, als ze te Nouméa wilden komen werken.

Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur ’s morgens. Terwijl ons schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.

Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er op gesteld, aan boord van deLady Saint Aubyniemand te hebben, die ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland, aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.

Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming, en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter, die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.

De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd;Bladzijde 248zij hebben een opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen, maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten, ze worden uitnemende arbeiders.

Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen, en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal, gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo, Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk eencopramaker, een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en die wel even nader mag worden beschreven.

Men vindt die copramakers op alle eilanden, maar vooral op Ambrym en Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren; dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa; soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over de langzaamheid van de rechtsspraak.

Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie.Bladzijde 297

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang, bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting, omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten, die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats, na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.

Personeel van een planter van Mallicolo.Personeel van een planter van Mallicolo.

Personeel van een planter van Mallicolo.

Personeel van een planter van Mallicolo.

Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden, met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken, doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders, sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan, die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.

Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den handel met de inboorlingen, toen er nog in ’t minst geen regel daarin was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die hij had met deBladzijde 298Caledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L., wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb hem dikwijls ontmoet.

Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden worden toegeschreven.

Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land; ’t is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever, tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.

Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai, één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de Fidsji-eilanden.

Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land, om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in ’t belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er, beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis kunnen uitwerken.

Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden zijn over ’t algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei, om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee, en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en wordt gevormd door kale rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.

In de baai in ’t Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na ’t passeeren van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen, die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen, of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen, luidruchtig op deLady Saint Aubynaanroeiend. De aanblik van die Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden, van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen, die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd, die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.

Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter, op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.

Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg, zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe, met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens wordt alles in de zon gedroogd.

Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn, ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen, die aan tetanus of spierkrampBladzijde 299overleden ten gevolge hunner wonden, zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.

De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling, die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.

Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken; de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen, mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden had gewoond.

Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken; maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf, waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der stamhoofden bevat.

Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij gebruiken bij de groote feesten ofsinn-sinn. Maar ik zou niet durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden dienen voor onze europeesche kunstenaars.

Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren, dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige mode op het eiland Mallicolo.

De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan, en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend, en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden, maar uiten een paar woorden, die “goed om te eten” beduiden en die u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.

Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten; er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen, terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.

Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren, dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het gerucht liep aan boord van deEtoile, dat de bediende van den heer de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich als knecht had verhuurd.

Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van deLady Saint Aubyn, maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.

Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen, een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier, bereid uit een plant van die streek.

Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wijBladzijde 300het anker er uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.

Booten van het eiland Vao.Booten van het eiland Vao.

Booten van het eiland Vao.

Booten van het eiland Vao.

Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in ’t voorbijgaan hunne aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen, om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen een gesprek beginnen.

Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een hermaphroditisch varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen en zelfs een vrouw koopen.

Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte, om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.Kreupelhout op Spiritu Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.

Wij voeren om de zuidpunt van het eiland MaloBladzijde 301heen en konden een fransche driekleur ontdekken, die ons in ’t voorbijgaan groette. Dat was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van Malo tot het Katholicisme te brengen.

Door een gunstigen wind gedreven, kwam deLady Saint Aubynin het Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.

Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde; de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken, schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in de haren.

Behaagzucht schijnt niet in ’t bijzonder eigen aan de vrouwen, want de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames; de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.

Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in ’t bijzonder aan Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2½ M. lengte, van hout; de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene van die wapens koopen.

Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan ook gehoopt, dat hetBladzijde 302eiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen met succes bekroond zijn geworden.

Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.

In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht, het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte, vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.

Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der vrouwen scheen hier over ’t algemeen beter dan in de andere deelen van den archipel.

Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau, in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die in den mond te steken.

Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer voedzaam moet zijn.

Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.

De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam, want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen, eigen alleen aan dit eiland.

Ofschoon ik het zelf niet heb gezien, kan ik den lust niet weerstaan, er van te vertellen naar de beschrijving, die de inboorlingen mij er van hebben gegeven. Het feest wordt geleid door het hoofd van den stam, welke man rood is gekleurd en met bloemen is behangen. Kleine speenvarkentjes worden vastgebonden en ingepakt neergelegd op de markt bij de op den grond gezeten jongelieden. Op een gegeven oogenblik loopen twee mannen naar de jongelieden toe en moeten blijven staan, om van ieder een zweepslag te ontvangen. Vaak bedekken zij hun bovenlijf met schors, om de gevoeligheid der slagen te keeren. Ieder man uit den stam moet aan de plechtigheid deelnemen. Al dien tijd dansen en springen vijf of zes inboorlingen op het feestterrein rond, en op dat oogenblik worden de kleine ingepakte varkentjes hoog in de lucht opgegooid en moeten op het hoofd der dansers terugvallen, die ze moeten vangen of oprapen.

Ik zou graag nog langer te Poussey zijn gebleven, om beter en langer de zeden dier inboorlingen te kunnen bestudeeren; maar ons werven had er geen succes. Wij moesten onzen weg dus vervolgen naar kaap Cumberland, de noordelijkste punt van den archipel. We voeren gemakkelijk er omheen, liepen in de Saint-Philippebaai binnen en ankerden dichtbij een rivier, die den naam van “de Jordaan” droeg. Daar had Quiros zijn Nieuw-Jeruzalem willen stichten, toen hij de eilanden in 1606 ontdekte. Hij hield processies aan den wal, liet het kruis rondom de baai voeren en maakte zich gereed om de fondamenten te leggen van zijn heilige stad, toen zijn metgezellen in opstand kwamen en hem dwongen naar Spanje terug te keeren.

Enkele reizigers hebben beweerd, dat de spaansche zeevaarder zijn plannen wel reeds ten uitvoer had gebracht, dat hij een stad had gesticht met muren er omheen, waarvan de sporen nog over zouden zijn. Maar ik vermoed, dat die inlichtingen alleen in het brein dergenen, die ze heetten te hebben ontvangen, waren ontstaan. Ik heb herhaaldelijk wandelingen op het eiland gedaan, en ik heb niet het minste spoor kunnen ontdekken van een oude stad. Bovendien behoeft men slechts het rapport van Quiros te lezen, om verzekerd te zijn, dat zijn plan niet werd volvoerd; ’t is dus noodelooze moeite naar sporen te zoeken van iets, dat niet heeft bestaan, en het moet iets van een tweede gezicht geweest zijn, als er personen geconstateerd hebben, dat ze muren van Nieuw-Jeruzalem hebben aanschouwd.

Ik zal niet zeggen, dat de plaats slecht gekozen zou zijn; integendeel ben ik er van overtuigd, dat een ernstige poging tot kolonisatie in de Saint-Philippebaai kans van slagen zou hebben. De haven is buitengewoon ruim en heeft talrijke ankerplaatsen,Bladzijde 303maar zij is ongelukkig niet beschut tegen de noordenwinden. Acht rivieren storten zich uit in de baai en stroomen door diepe, vruchtbare dalen; de kuststrook is met een weelderigen plantengroei bedekt, en op korten afstand ziet men reeds velden met humuslagen, die voor allerlei culturen geschikt zouden zijn.

De bewoners zijn nog al zacht en vreedzaam. De Saint-Philippe baai is een der weinige plaatsen op de Nieuwe-Hebriden, waar nooit aanvallen op Europeanen zijn voorgekomen; de inboorlingen komen ons vriendelijk bezoeken en zijn gelukkig, hun producten te verkoopen tegen kruit en lood. Zij houden veel van de jacht en zijn buitengewoon behendig in het dooden van de talrijke wilde eenden, die rondvliegen aan de oevers van de Jordaan.

Hier trekken, evenals te Mallicolo, de vrouwen zich de beide voortanden uit van de bovenkaak; zij dragen geen andere kleeding dan een gordel om de lendenen. De mannen dragen een band om het middel, waaraan een vlechtwerk hangt, dat de geslachtsorganen verbergt. De beide geslachten houden er van, zich het gelaat rood te verven, en enkelen doorboren zich het tusschenschot van den neus met een stukje koraal.

De Saint-Philippebaai ligt ten noorden van den archipel der Nieuwe-Hebriden; dus moeten wij ons wel weer zuidwaarts begeven, om met de werving op die eilanden voort te gaan, eer we ons tot de groep der Salomonseilanden wenden. De inlichtingen, die wij op reis hadden gekregen, gaven ons hoop, dat we op het eiland Aoba talrijke contracten zouden sluiten; daar, zoo heette het, wenschten de bewoners in Nouméa te werken, wanneer ze in betaling geweren kregen en ammunitie. Wij verlieten onze ankerplaats aan de Jordaan, en na kaap Quiros te zijn omgezeild, wendden wij den steven naar het eiland Aoba.

De zuidoostenwinden, die hevig bliezen, vertraagden onze vaart, en ondanks den geringen afstand tusschen Santo en Aoba deden wij er drie dagen over, eer we op de noordoostkust van laatstgenoemd eiland, te Naboekiriki, landden. We gingen een kleine baai voorbij, die in den laatsten tijd op Nieuw-Caledonië zeer bekend was geworden. Daar woonde namelijk een coprahandelaar van fransche afkomst, de heer M..., wel bekend te Nouméa; enkele weken geleden was hij door de inboorlingen vermoord geworden; zijn lijk werd teruggevonden, in den grond begraven.

Ofschoon zij in beschaving zich boven de andere eilanders verheffen, en ondanks hun nauwe aanraking met de weer hooger staande Polynesiërs, hebben de inboorlingen van Aoba toch niet geheel hun bloeddorstige neigingen overwonnen; ze zijn altijd gevaarlijk en verdienen in ’t geheel geen vertrouwen.

De bewoners van den oever der zee werpen alle verantwoordelijkheid voor zulke misdaden op de Kanaken uit het binnenland of van het bosch; zij zouden bijna van verontwaardiging blozen, als men hen van zulke wandaden beschuldigde, maar het is toch zaak, ook tegenover hen op zijn hoede te zijn.

Toch kan ik geen weerstand bieden van het verlangen, om het dorp Naboekiriki te bezoeken. Het hoofd van den stam is ons komen zien en inviteerde ons, om ten hunnent te verschijnen. Eenmaal aan land, volgden wij een smal pad door het bosch en kwamen weldra op een open plek, een plein, met hutten eromheen, die goed gebouwd waren, met matten uitgespreid op den vloer en zonder al te veel rook. In een hoekje stonden de trommels of liever holle boomstammen, die als muziekinstrumenten werden gebruikt, maar ze lagen op den grond en stonden niet overeind, zooals te Mélé.

Ik zag buiten het dorp een platform; daar troonde het hoofd van den stam op de dagen vansinn-sinnof groote feestelijkheden; zijn taak was het, bij die gelegenheden met zijn pijlen de varkens te dooden, die ieder inwoner moet leveren en die vervolgens worden gebruikt bij de feestmaaltijden van het volk.

Dit dorpshoofd ontving ons zeer vriendelijk; ik ontving een welkomstcadeau van hem, bestaande in een kip en veel bananen; ik gaf hem daarvoor tabak, een flesch jenever en daar ik wist, dat geweven stoffen te Aoba zeer op prijs werden gesteld, deed ik er mijn zijden halsdoek bij, waarmee hij prijken zal op de dagen der groote plechtigheden. De eenige kleeding van deze menschen bestaat in een lap katoen tot bedekking van hun naaktheid; als zij daarvoor geen europeesche weefsels hebben, nemen ze eigen gevlochten matjes, soms niet zonder smaak gefabriceerd.

Zooals ik boven zeide, de bewoners van Aoba verschillen vrijwat van de andere bewoners der Nieuwe Hebriden; dat hangt samen met de ligging van het eiland, die zeer gunstig voor vreemde immigratie is, met name van de Samoa-eilanden. In een betrekkelijk nog niet ver achter ons liggenden tijd moet Aoba Polynesiërs hebben opgenomen, komend van de naburige eilandengroepen. Die hebben zich vermengd met de oorspronkelijke bewoners, en zoo is dat bijzondere ras ontstaan, dat een eigenaardigen lichaamsbouw en eigen gewoonten en zeden kan aanwijzen. In een groep menschen van de Nieuwe-Hebriden zal ik altijd de Kanaken uit Aoba kunnen ontdekken aan hun groote gestalte, hun intelligent gelaat, het niet zeer geaccentueerde prognatisme, de krullende haren en vooral aan de lichte gelaatskleur. Evenals de Polynesiërs wonen deze Kanaken niet in kleine dorpen bijeen, maar vormen groote stammen of volken, wier hoofden eene absolute heerschappij uitoefenen. Hun taal bevat veel bestanddeelen, die aan de dialecten van Tahiti, Tonga en Samoa herinneren. Ik zal niet verder ingaan op de ethnologische verschillen; men zou veel ruimte noodig hebben, om ze nauwkeurig na te gaan. Maar ik ben blij, Aoba te hebben bezocht, want op dat eiland heb ik de ingewikkelde quaestie van de verhuizingen in de Stille Zuidzee kunnen bestudeeren.

Die vermenging met polynesisch bloed verklaart de groote losheid van zeden, die dit eiland kenmerkt; de Papoea is namelijk zeer jaloersch en onttrekt zijn vrouw liefst aan alle onbescheiden blikken; maar de bewoner van Aoba is niet zoo scrupuleus en aarzelt niet, zijn vrouw volle vrijheid te laten. De jonge meisjes zijn ook ver van beschroomd en vluchten niet bij de nadering van een vreemde, zooals op deBladzijde 304andere eilanden; met een lapje rood katoen of een parasol wordt haar deugd gemakkelijk op zij gezet.

Ik verliet het dorp Naboekiriki en alle bewoners deden mij uitgeleide tot op het strand. We liepen een groep jonge vrouwen voorbij, die in zee hadden gezwommen en zingend naar het dorp terugkeerden; zij groetten mij lachend en schenen zich vroolijk te maken over den vreemdeling.

Een kleine boot wachtte, om mij naar ons schip terug te brengen, en even later zette deLady Saint Aubynnaar Walhara koers.

Daarna gingen wij naar Duin-Dui, waar ik een Kanakeninboorling ontmoette, die eigendommen had in Queensland. Hij sprak zuiver Engelsch en had met parelvisscherij in de Torres-straat zich een groot fortuin verworven. Daarna was hij te Brisbane gaan wonen en had een Engelsche getrouwd. Hij was nu een paar maanden in zijn geboorteland komen doorbrengen en was voornemens, spoedig naar Australië terug te keeren. Zijn voorbeeld toont aan, hoe dit ras zich op kan werken en pleit voor de intelligentie der bewoners van Aoba.


Back to IndexNext