Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!’t Was wreed, maar waar.En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!’t Was wreed, maar waar.En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!’t Was wreed, maar waar.En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!’t Was wreed, maar waar.En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!’t Was wreed, maar waar.En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.
Z. E. de Minister vertrekt in zijn draagstoel.
Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde, overhandigd.
Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.
De Keizerlijke dansacademie te Seoul.De Keizerlijke dansacademie te Seoul.
De Keizerlijke dansacademie te Seoul.
Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! ’t Was alsof men opeens met een schok terugviel in ’t prozaïsche leven van de twintigste eeuw!
’t Was wreed, maar waar.
En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding te weeg. Want ’t was een keizerlijke boodschap, waardoor de tegenwoordigheid vanZijneExcellentie op ’t paleis werd vereischt.
De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.
De lotoszaal in ’t Noord-Paleis. De groote troonzaal in ’t Noord-Paleis. Poort van ’t Noord-Paleis (Stadszijde). Paviljoen in ’t Zomer-Paleis. Theekoepel in ’t Zomer-Paleis.
Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koordom het middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men dat bij kleine kinderen doet, wil ’t jurkje netjes zitten. De hooge baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op ’t hoofd gezet.
Gedurende deze bezigheden hadZijneExcellentie zich laten begaan alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling vertoonde met zijn hulpeloosheid.
Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat pas leert loopen.
Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, ’t dakje werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip van ’t gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, ’t deksel werd dichtgeklapt, en onder ’t uiten van een lang aangehouden kreet van de dragers als teeken van vertrek, werdZijneExcellentie plechtig weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.
De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in (’t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht ’t „noblesse oblige” sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.
De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen, maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot de lagere klassen der maatschappij.
De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als ’t ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn ’t gewicht van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren omringd, dat deze voor hem moeten loopen.
Wordt in plaats van den draagstoel ’t rijpaard als vervoermiddel gekozen, dan kan men genieten van ’t verkwikkelijk schouwspel een hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die rechts en links van ’t kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.
Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten ernst op ’t gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere zaak waardig.
Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.
1. ’t Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale oppervlakte en heeft dertien poorten. ’t Paleis zelf bestaat uit een groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park, waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar ’t Hemelsche Huis, terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete Droomen voert.
Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.
2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. ’t Werd vijfhonderd jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal, een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.
Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met lotosbloemen gebouwd.
Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op ’t gebergte rondom Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels werden aangebracht.
3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes van ’t Zomerpaleis, benevens ’t verblijf der bedienden, waarheen de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond werd.
De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet thuis, want ’t woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk; hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare verdwijningen een groote rol.
Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld van de Russische vlag.
Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i), de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar ’t meest kenmerkende aan hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed, in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.
Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, ’t leven van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze hovelingen en bloedverwanten.
Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men noemde hem „de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden.”
Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels van ’t bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.
Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit, maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden, werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en naar Pao Ting Fu verbannen.
De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren, welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten en levend verbrand.
Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij den invloed der vreemdelingen aan.
Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in 1873. Zijn kundigheden zijn beneden ’t middelmatige, het haremleven en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt; daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd geen belang geacht.
Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen, nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën, oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken.
Aan ’t hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan ’t hoofd der belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers, tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.
Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een ware plaag voor ’t volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar ’t volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek aan ijver en werklust verklaart.
Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende wijze ’t zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi voor den belastinggaarder.
Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen handel gedreven.
Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn om ze te bewerken.
De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien ’t gelukt is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van rijk en arm.
Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De lijdensgeschiedenis van ’t geknoei met pasmunt en de pogingen tot ’t stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.
In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.
Sinds onheuglijke tijden is China’s macht groot geweest in Korea. Elk jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het voorschrift eischte dat hij zich voor hen in ’t stof wierp en den chineeschen groet, de kow-tow, maakte.
Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots voor Japan.
In ’t middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren, terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo, de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals „De Poort van de Verheven Menschheid”, die van „Eerwaardige Ceremonie” en die van „Schitterende Beminnelijkheid”. Zoowel binnen als buiten dezen muur strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.
Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt aan ’t licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in ’t voortbrengen van jammertonen.
In ’t stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag den geest hinderen wanneer hij ’t lichaam verlaat; de Koreaan gelooft n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij ’t sterven voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in ’t graf en de derde zetelt in ’t houten tabletje, dat ter gedachtenis van den overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor de deur van ’t sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.
In ’t gebergte achter Seoul.In ’t gebergte achter Seoul.
In ’t gebergte achter Seoul.
De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten, schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in ’t Koreaansche leven. ’t Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen, zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven in ’t rijk van sprookjes en legenden, waar ’t wemelt van goede en kwade geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.
De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant, die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.
Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van ’t vak vermeld zijn; het voornaamste heet „’t Groote Hemelinstrument”, dateert uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.
Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij hangt een schild met ’t opschrift „Tikuan”, d. i. „Dokter der Aarde” voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval berichten met ’t verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft hij zich onmiddellijk aan ’t werk. Hij vergezelt den client naar zijn woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.
Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in ’t gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig worden.
De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.
De hoofdtempel in het klooster van Pok Han.
Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men ’t over den prijs is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas de juiste richting te bepalen.
Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met ’t nieuwe graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn, ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.
Dan bepaalt de geomant de afmetingen van ’t graf, als ook de diepte daarvan. Verder regelt hij de plaats die defamilieledeninnemen bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet de ongenade van den bergdraak op den hals halen.
Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken aan de begraafplaats ontdekt.
Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft, omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een verborgen hoekje aan, waar men werkelijk ’t vermiste lijk vindt.
Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen ’t vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers, die de lijkbaar onmiddellijkvoorafgaan, daarachter de familieleden in rouwgewaad, luide jammerend.
Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.
Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden maken met ’t aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen, terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de tweede ziel, die met ’t lichaam in het graf blijft. In den omtrek van ’t graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met ’t verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert met de treurenden naar huis en zetelt in ’t gedenktabletje. Plechtig plaatst men het op ’t huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden, van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben, waardoor de geest binnen kan komen.
Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De lagere klassen uit ’t volk herdenken aldus hun vader, grootvader en overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in ’t vijfde geslacht.
Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor ’t Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om ’t lijf en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in ’t huwelijk te treden.
Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij door te brengen.
Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.
Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met spijs en drank voor ’t gedenktabletje te staan. De oudste zoon is verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.
De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats, waar deze ceremonie herhaald wordt.
Na ’t lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: „Hoe is ’t mogelijk dat dergelijke gewoonten gehandhaafdkunnenblijven in de twintigste eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen in de koortsachtige haast van den strijd om ’t bestaan hun vormen en ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging te hebben daarmede te breken.
Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van ’t Koreaansche volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of hoe men ’t noemen wil.
Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard, dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van een pantalon, achter ’t oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.
De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor, de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt; zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.
Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn; hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul, die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren dan van de kunstnijverheid van ’t Koreaansche volk heeft opgeleverd, houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot ons doordringen.
Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in een Koreaansche school.
Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine jongens, voor ’t meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet „Tong Mun Suna Sup” of „Eerste leesboek voor jongens”. De jongens schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.
Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten eruit volgen.
De inleiding vermeldt:„De man is ’t voornaamste schepsel, voor hem zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1oVerwantschap tusschen vader en zoon, 2oEtikette tusschen vorst en edelman, 3oVerschil tusschen man en vrouw, 4oVoorrang tusschen oud en jong, 5oTrouw onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.
Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in de hoogste klasse van een volksschool.
In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot ’t leeren van duizend chineesche letterteekens.
Neemt men verder in aanmerking dat ’t schoolgaan niet verplichtend is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de gezondheid kan zijn.
Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht ontvangen in ’t Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen, die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.
Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan ’t hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor de ontwikkeling der meisjes.
De Koreaansche taal bezit twee alphabets: ’t Nido, bestaande uit 250 chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde kringen) en ’t Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd en waarvan ’t volk zich bedient.
Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche, kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde letterteekens gebruiken.
Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.
Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland’s uitgebreide handelsverbindingen in ’t Oosten hebben overal ’t Piggin-engelsch ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van ’t woord in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze waarop vroeger met examens werd omgesprongen!
In vroeger jaren werden de examens afgenomen in ’t paleis. Dat examen heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.
In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land te zamen naar het terrein achter ’t paleis.
Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd, zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren, het lezen konden.
Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van den candidaat was aangebracht, zoodat deze als ’t ware als naamplaat dienst deed. Zoolang ’t examen duurde ging ’t er lustig toe; men ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid der candidaten plaats vonden.
De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam, rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in den muur van ’t Paleis, waar een menigte bedienden gereedstondom het op te vangen en naar den vorst te brengen.
De uitreiking der diploma’s geschiedde door den vorst. Men heeft twee graden: „Kupja” de hoogste en „Jinssa” de tweede.
Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten reserveert, is ’t niet te verwonderen dat bij ’t verleenen van de diploma’s rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met capaciteiten.
Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar ’t paleis. Voor aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend, in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd den weg vrij houdt.
Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen ’t recht heeft op straat voor niemand uitte wijken. De eerste gang is naar ’t huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd, waarbij ’t gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te laten uithalen.
Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze staatsexamens niet meer plaats.
Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort, zoo bezit het land toch een zij ’t dan ook onbeduidende verdediging.
Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon’s benaming de ware, wanneer hij dat „a standing joke” noemt. Zelfs de hulp van Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op militairen. ’s Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de Mapu’s of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.
Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in tijden van beroering.
Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in ’t gebergte achter Seoul.
Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote, miniatuur-rijpaardjes voor de rest van ’t gezelschap, staan reeds vroeg te wachten voor het nederige poortje van ’t Station Hotel. ’t Duurt nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat, wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop gelegd wordt, maakt ’t ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs ’t smalle pad, dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten tegelijk, worden afgelegd, maar ’t einddoel beloont al die moeite, want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend, en ’t jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken in kleurenrijkdom.
Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk alsof ’t godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.
De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over ’t algemeen munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.
Het Keizerlijk klooster van Pok Han.Het Keizerlijk klooster van Pok Han.
Het Keizerlijk klooster van Pok Han.
Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.
’t Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.
De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderenweg genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten ontrolt. ’t Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul, verderop glinstert de Hanrivier in ’t zonlicht. Wij kunnen haar bochten volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek opdaagt, met de zee als achtergrond.
Bereiding van papier in de Papiervallei.Bereiding van papier in de Papiervallei.
Bereiding van papier in de Papiervallei.
Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later overgaan in geelwitte tufsteen.
Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden, terwijl muziek ons tegenklinkt.
Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige pruik van paardenhaar op ’t hoofd voert allerlei wilde danspassen uit, terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat staren zij de opgewonden verschijning aan; ’t is geen bijeenkomst waar men zich vermaakt.
De „Mutang” of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten in betrekking te staan tot den duivel).
Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt, dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem te verjagen.
Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten, die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en ’t middel om deze te verdrijven bestaat in ’t nabootsen van kattengemiauw, want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel, bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert debooze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren voorwerpen terug te vinden.
’t Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp van de Mutang inroepen.
Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan, maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, „Papierdal” genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is ’t Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten, op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas, kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers, lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden maakt men er van. In Korea is ’t gebruik van regenschermen onbekend, maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier, dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het, dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed, bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch, doeltreffend en goedkoop regenscherm.
Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij, dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons ’t een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.
’t Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch ’t meisje is ’t gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar willekeur gehandeld wordt. ’t Gebeurt dikwijls dat twee familievaders met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan, zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als ’t huwelijk wordt voltrokken.
De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de geschenken en ’t financieele regelt en den dag bepaalt.
Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep) voor de bruid worden gemaakt. Bij ’t uitpakken zorgt men er voor, dat de rol roode zijde ’t eerst voor den dag komt, want dit beteekent dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.
Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht) met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea ’t symbool van huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar wilde ganzen ’t vrouwtje gedood wordt, ’t mannetje zich dood treurt.
Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken, dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard, omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.
Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een gevulden stroozak, welks inhoud later in ’t hoofdkussen van de jonge vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten aan alles wat van haar man komt, zelfs aan ’t geen hij met voeten getreden heeft.
Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt, eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid, die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster (de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid), drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken, bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning, waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.
Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.
O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!
Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosenwerd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.
Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.
Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.
(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).
De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.
Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.
Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.
Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.
Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.
Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.
Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.
Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.
Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.
De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.
Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.
Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.
Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.
Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.
Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.
Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.
Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.
Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.
Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.
Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.
En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.
Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.
Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.
Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.