1)Zie Lichtstralen: Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina, bldz. 13.
1)Zie Lichtstralen: Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina, bldz. 13.
Voordat wij Jerusalem zelve en de merkwaardigheden in en buiten de stad in oogenschouw namen, bezochten wij eerst de oude palmenstad Jericho, de Doode Zee en den Jordaan.
Aan de omstandigheid, dat er sedert eenigen tijd een uitnemende rijweg was aangelegd, dankten wij het, dat wij dezen tocht per rijtuig konden doen, hetgeen ons op een langen en stoffigen weg als deze bij een gestadig onbewolkten hemel en brandende hitte hoogst welkom was. Want, al levert Palestina weinig natuurschoon op en mist men, zooals ik reeds vroeger schreef, voortdurend het frissche groen der boomen, dat het oog zoo weldadig aandoet, in Galilea en Samaria zag men althans nog nu en dan in of bij de dorpen boomgaarden van citroenen, vijgen en olijven. Maartusschen Jerusalem en de Doode zee, een afstand van vijf uur per rijtuig, telde ik langs den geheelen weg slechts 2 boomen. Telkens kwamen mij dan ook de woorden voor den geest van den dichter van den 104denPsalm en van zoo menig ander lied, waarin de schoonheid der natuur wordt bezongen, en het kostte mij moeite om te gelooven, dat die dichters eenmaal woonden in dit land, waar thans alles even kaal en dor is. Gedurig kwam mij ook de droevige klacht van den wijzen Prediker in gedachte (Pred. X: 16): „Wee u land! welks Koning een kind is”, een klacht, die wel een profetie mag heeten, al heeft de dichter daarbij ook niet gedacht aan het tegenwoordig ellendig bestuur van den Sultan, in wien zij helaas! maar al te zeer vervuld is geworden. Intusschen mogen wij, die ook aan de vervulling van zoo menige andere betere profetie gelooven, vertrouwen dat God dit land nog niet heeft vergeten, blijkens den zegen op het werk, dat Protestantsche Christenen er deden en waardoor allengs betere toestanden in het leven geroepen worden.
Wij waren op weg van Jerusalem naar de Doode Zee, een weg, die, zooals ik reeds zeide, wel eentonig is, maar toch voor allen, die de schoone geschiedenissen des Bijbels kennen, in hooge mate belangwekkend blijft. Reeds het eerste plaatsje, waar men aankomt,wanneer men den Olijfberg heeft omgereden, is het welbekende Bethanië, waar de Heer zoo gaarne vertoefde ten huize vanMariaenMarthaen zijnen vriendLazarus, dien Hij uit den dood heeft opgewekt. Diens graf wordt nog getoond, maar heeft, evenals zoovele andere gewijde plaatsen na verloop van eeuwen zoovele veranderingen ondergaan, dat het schier onkenbaar is geworden. Men daalt langs een smalle trap van 25 treden af in een spelonk, waar dan nog eenige meters lager een ruim gewelf als het graf vanLazaruswordt aangewezen. Dit laatste is geenszins onmogelijk, mits men zich den ingang tot dit gewelf niet zoo diep maar onmiddellijk aan den openbaren weg denke, daar anders des Heeren bevel: „Neemt den steen weg en ontbindt hem” (Joh. XI: 39–44) onuitvoerbaar zou geweest zijn. Wanneer men echter in acht neemt, dat ter plaatse, waar het graf vanLazaruswas, later eene groote Christelijke kerk heeft gestaan; dat door den bouw daarvan de bodem stellig is opgehoogd, ten einde van het graf zelf eene krypt onder die kerk te kunnen maken, en men denkt zich dat alles voor een oogenblik weg, dan wordt de waarschijnlijkheid zeer groot, dat wij hier de juiste plaats voor ons hebben, waar het wonder geschiedde, dat gansch Jerusalem in zulk eene beroering bracht en eene profetie was van het groote wonder, dat in den Paaschmorgenzou plaats grijpen. Hoe het zij, wij staan te Bethanië op gewijden bodem en weten zeker dat ter plaatse, waar volgens zeggen het huis stond vanMariaenMarthaof enkele schreden er van daan, de Heiland dikwerf vertoefde, toen Hij op aarde was.
Hetzelfde geldt ook van de bron der Apostelen, langs welke de weg naar Jericho ons verder leidt. Ook hiervan kan men met onbetwistbare zekerheid zeggen, dat de Heer er vaak met Zijne discipelen vertoefde om te rusten en zich te laven aan het kostelijke water, dat daaruit opwelt, want zij is de eenige bron tusschen Bethanië en de Jordaanvlakte. Welk een voorrecht zou het wezen, wanneer in dit land meer zulke bronnen waren, die, zooals men nog ten huidigen dage zegt,levendwater houden, ter onderscheiding van het stilstaand water der regenbakken.
Na 2½ uur rijdens bereikt men het hoogst punt van den weg, waar den paarden eenige rusttijd wordt gegund. Hoewel aan deze plaats geen historische herinnering is verbonden, verlevendigt zij toch voor onzen geest een der schoonste tafereelen uit het Evangelie. Hier ziet men een van die Oostersche herbergen, waarop de Heer doelde in de bekende gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan (Luc. X: 34), die tegenwoordig den naam karavansera dragenZij bestaat uit een breed voorhuis, waarin twee lange gelagkamers zijn, met breede divans langs den muur, die des nachts tot rustbed dienen; daarachter bevindt zich een ruime vierkante plaats, door een hoogen muur omringd, waar kameelen, paarden en ezels vrij kunnen rondloopen. Daar deze plaats, juist op de helft van den weg van Jerusalem naar Jericho ligt en de eenige is, die zich tot zulk een pleisterplaats leent, is de veronderstelling gewettigd, dat zich hier reeds voor eeuwen een herberg bevond, waaraan de Heer dacht, toen Hij de schoone gelijkenis sprak van een zeker mensch, die onder de moordenaars viel, toen hij afkwam van Jeruzalem naar Jericho. Men ziet zelfs, enkele minuten van de tegenwoordige karavansera, nog de ruïnes van een oud gebouw.
Van hier daalt de weg af tot aan Jericho en in gestrekten draf wordt de reis voortgezet tot op eens het rijtuig ophoudt en onze dragoman ons verzoekt uit te stappen. Hij wijst ons een voetpad, dat om de kruin van een heuvel heenleidt en wij staan voor een diep ravijn, dat aan onze voeten gaapt. Daar beneden in de diepte stroomt de beek Krith en aan het groen geboomte is duidelijk te zien, dat zij ondanks de langdurige droogte nog water houdt. Aan den linkeroever van de beek ligt een klooster tergedachtenis aan den profeetElia, die hier tijdens den hongersnood zijn verblijf hield en door de raven werd gespijzigd. Het is als een zwaluwnest tegen een steilen muur genesteld en steekt door zijn groen geverfde vensters en deuren scherp af tegen de vale rotsen er om heen. Hoe gaarne waren wij in de diepte afgedaald om het van nabij te kunnen bezien en de plaats te bezoeken, waar de profeet drie jaren leefde uit de hand zijns Heeren, maar de tijd liet het niet toe, daar wij nog eenige uren te rijden hadden, voor wij aan de Doode Zee en den Jordaan waren.
Jericho zelf, de van ouds beroemde Palmenstad, is thans slechts een schamel dorp, dat uit eenige Bedouïenen-tenten bestaat. Van de oude stad wijst men nog eenige bouwvallen, waaraan echter niets te zien is. Enkele spichtige populieren hebben de plaats ingenomen der voormalige palmen.
Belangrijker is de bron, die geheel Jericho van drinkwater voorziet en volgens de overlevering dezelfde is, waarvan de profeetElisahet water, dat ondrinkbaar was, gezond maakte door er zout in te werpen. (II Kon. II: 19).
De vlakte rondom Jericho, geeft geenszins een denkbeeld van de vruchtbaarheid dezer landstreek, behoudens een klein gedeelte, waar de Krith doorstroomt,alvorens zich te storten in de Doode Zee. De eenige plant die er groeit doet denken aan onze erica, maar hoe dichter men de Zee nadert, hoe doodscher alles wordt. Eindelijk zijn wij aan het strand der Zee, die te recht een zee wordt genoemd, omdat zij zoo groot is, dat men haar in hare lengte onmogelijk kan overzien. Ter linkerzijde verheft zich de hoogte Machaerus, waarHerodeseen burcht had gebouwd enJohannesde Dooper zou onthoofd zijn; meer noordelijk het gebergte Nebo, van welks topMozeshet beloofde land overzag; ter rechterzijde de bergen van Juda en Engedi. Het water is donkergroen en sterk bewogen door den zuidenwind; het strand bestaat uit louter steenen zonder schelpen, want geen enkel levend dier, zelfs geen schelpdier kan in dit water leven. Het is veel zouter dan dat van den Oceaan en daarenboven zoo bitter, dat men den nasmaak er van nog langen tijd behoudt. Een bad is weinig verfrisschend, daar het water lauw is; men drijft er als een kurk boven op en wanneer men zich heeft gekleed en in de handen wrijft, voelt men nog kleine korreltjes zout als zand tusschen de vingers. Gelukkig zijn wij spoedig aan den Jordaan, waar een frisch zoetwaterbad ons bevrijdt van de zoutlaag, die ons lichaam overdekt.
DE DOODE ZEE.
DE DOODE ZEE.
De Jordaanoevers zijn als een liefelijke oase in dewoestijn; langzaam stroomt de rivier, die omstreeks 30 meter breed is, langs donker struikgewas en weelderig geboomte, dat den oever bekleedt. Een kluizenaar, die ergens in de nabijheid zijn eenzaam verblijf heeft, vaart met zijn bootje langs den oever om zijne netten in te halen. Zacht weerkaatst de volle maan haar zilverwit licht in het water en alles te zamen biedt een zeldzaam schouwspel, zoodat wij gerust mogen zeggen: wij hebben den Jordaan op zijn schoonst gezien.
De avond was reeds gevallen en bij maanlicht reden wij naar Jericho terug, de meesten voorzien van een flesch Jordaanwater, dat men als een aandenken medeneemt naar huis. Ik deed het niet. Voor mij waren er aan dezen dag genoeg schoone en blijvende herinneringen verbonden, die waarlijk niet door Jordaanwater behoeven opgefrischt te worden. De natuur zelve om ons heen was een commentaar geweest, die menige bladzijde der H. Schrift voor ons ophelderde en verstaanbaar maakte en wij eindigden dan ook dezen tocht met een gevoel van groote dankbaarheid aan Hem, Die ons zulk een heerlijken en onvergetelijken dag schonk.
Toen wij van de Doode Zee terugkwamen en Jerusalem naderden kondigde het kanongebulder ons reeds van verre aan, dat de Duitsche Keizer zijn intocht deed. Deze gebeurtenis, die de Duitschers voor de geschiedenis van het Oostenepochemachendnoemden, behoort thans reeds, wellicht voor altijd tot het verleden. Wij achten het daarom niet noodig er nog veel van te zeggen, te minder omdat zij in verschillende boeken breedvoerig werd beschreven.
Hierbij komt, dat Jerusalem, als classieke plaats der oudheid door dat bezoek van den Keizer veel van zijn eigenaardigheid had verloren. Men stelle zich voor die stad, dat eerbiedwaardige monument uithet grijs verleden, thans opgesmukt naar den nieuwsten stijl met eerebogen en vlaggen en getooid met lampions voor illuminatie! Welk een schril contrast met den heiligen eenvoud, die daar past. Het was dan ook alsof de maan, die juist vol was en zoo helder scheen alsof het dag was, de heiligschennis eener kunstverlichting niet gedoogde, zoodat hiervan niets te zien was. Bovendien was de stad opgepropt met reizigers vanStangen'senCook'sbureaux, die elkander telkens verdrongen om den Keizer nog eens en voor den zooveelsten keer te zien. Dat alles gaf aan de stad een gansch onnatuurlijk aanzien en karakter. Toch belette het ons niet om een wandeling te maken naar de kerk van het Heilige graf, de Verlosserskerk en de Tempelplaats.
Wij treden de Jaffapoort binnen. Rechts van ons ligt de Davidsburcht, thans een kazerne voor de Turksche wacht. De zware steenblokken, die er den grondslag van vormen, dagteekenen, naar men zegt, nog uit den tijd van KoningDavid, die in Jerusalem zijn zetel vestigde en den Westelijken en Oostelijken heuvel van een sterken muur voorzag.Eenige schreden verder treden wij een woonhuis binnen en zien uit een venster beneden in de diepte den vijver, die aanHiskiawordt toegeschreven en den naam draagt van het Patriarchenbad. Op den verderen weg naar de kerkvan het Heilige Graf speurt men duidelijk aan de op- en nedergaande straten, dat de stad op twee heuvels is gelegen, waar tusschen een dal ligt. De straten zelve zijn eigenlijk niet meer dan stegen, nauw en donker, verpest door een benauwde, vunzige lucht, die de vrije ademhaling belemmert. Tengevolge van het zeer ongelijke plaveisel ziet men er geen paarden of wagens, maar alleen kameelen en ezels, die met hun last zich met moeite een weg banen door de menigte, welke zich ophoopt bij de bazars om wat te koopen of te verkoopen.
Op het voorplein van de kerk van het Heilige Graf aangekomen worden ons door den HeerLisonnemet wien wij reisden, uitnemende plaatsen aangewezen, die hij voor ons heeft afgehuurd om de komst af te wachten van den Keizer en de Keizerin, die allereerst een bezoek brachten aan deze gedenkwaardige kerk. Van dien wachttijd maken wij gebruik om een en ander te vertellen van de kerk zelve en hare tegenwoordige eigenaars.
KERK VAN HET HEILIGE GRAF.
KERK VAN HET HEILIGE GRAF.
Zij bestaat uit een zeer onregelmatig geheel, een labyrinth van grootere en kleinere heiligdommen en kapellen, die alle afzonderlijke namen dragen naar de herinneringen, die de overlevering daaraan heeft vastgeknoopt en voornamelijk betrekking hebben op den dood des Heeren. Zij zijn het eigendom vanLatijnsche, Grieksche, Armenische, Koptische en andere Christenen, die in gemeenschappelijk overleg elkander vredelievend toestaan om de verschillende heilige plaatsen te vereeren.
Treedt men het voorportaal binnen, dan komt men het eerst aan den steen, waarop de vrouwen den Heer gezalfd hebben na de kruisiging, die het eigendom is der Grieksche Kerk. Daarachter zijn twee heiligdommen met hooge koepels overdekt, ter linkerzijde de eigenlijke kapel van het graf, die het gemeenschappelijk eigendom is van alle vijf genoemde afdeelingen der Christelijke Kerk; recht voor ons uit in het middenschip van het gebouw een Grieksche kerk met nog een afzonderlijk heiligdom. Rechts hiervan daalt men langs twee trappen af naar de kapel, waarHelenahet hout van het kruis zou gevonden hebben. Onmiddellijk rechts van den ingang beklimt men een trap van 20 treden en staat dan op eene hoogte, die geacht wordt de Calvariënberg te zijn geweest, waar het kruis des Heeren stond en die wederom het eigendom is der Grieksche Kerk. Hier wijst men in een rots die gespleten is onder een vergulde plaat eene opening, waar het kruis des Heeren stond. (Matth. XXVII: 51).
Wat zullen wij tot alle deze dingen zeggen? Men heeft deze kerk wel eens bij een Christelijkpanopticumvergeleken, eene vergelijking die wel niet verheven, maar helaas al te waar is, want het is ongeloofelijk, wat men hier te zien krijgt. Behalve de bovengenoemde bijzonderheden toch, die betrekking hebben op het lijden en sterven des Heeren, worden er nog tal van kapellen en altaren getoond, die betrekking hebben op bekende Bijbelsche personen en bovendien nog de graven vanAdamenEva,AbelenMelchisedeken tal van anderen. Reeds bij de enkele opsomming van dit alles, beseft men hoe weinig historisch deze plaatsen zijn. Het is zelfs zeer de vraag ofGolgothahier kan gelegen hebben; immers, zoo dit het geval is, dan moet de stad buiten wier muren de kruisiging plaats vond, wel uitermate smal geweest zijn, daar zij hier nauwelijks 600 meter breed kon wezen. Wanneer men alles leest, wat voor of tegen de bewering pleit, dat hier Golgotha ligt, komt men tot de slotsom dat daaromtrent niets met stellige zekerheid te zeggen valt.
Na deze algemeene opmerkingen laat het zich denken, dat er allicht moeilijkheden konden ontstaan tusschen de verschillende eigenaars der kerk omtrent den voorrang bij het bezoek van den Keizer. Toch schijnt men dit in der minne te hebben geschikt door de 3 patriarchen der Latijnsche, Grieksche en Armenische kerk in de gelegenheid te stellen hemelk afzonderlijk toe te spreken. Wij zagen ze allen in groot pontificaal de trappen afdalen, die naar het voorplein leiden en hun plaatsen in de kerk innemen. Voor aan den ingang stond de Latijnsche patriarch met zijn gevolg; eenige schreden verder bij den steen der zalving, de Armenische; terwijl de Grieksche zich bevond bij de eigenlijke kapel van het H. Graf, van welke verschillende plaatsen elk hunner hem in zijne eigene taal welkom heette.
Nadat het bezoek van den Keizer en zijn gevolg was afgeloopen en zij het kerkgebouw onder klokgelui hadden verlaten traden wij het binnen. Voor deze gelegenheid waren alle lampen evenals op groote feesten ontstoken; wij zagen dus de kerk als op een grooten feestdag uitgedoscht, maar zonder het ontzettend gedrang, dat er dan heerscht. Wij waren daar zeerdankbaarvoor, want, naar de beschrijvingen, die o. a. van de viering van het Paaschfeest worden gegeven zijn de tooneelen, die men dan ziet, inderdaad weêrzinwekkend. Wij kunnen ons dan ook volkomen begrijpen, dat een vroom man alsSamuel Gobateens tot den Koning van Pruissen zeide, dat hij niet geloofde noch hoopte, sedert hij eenmaal ooggetuige geweest was van zulk eene feestviering, waardoor zij voor hem alle wijding had verloren, dat hier de plaats was, waar men den Heer had gelegd.
Slechts enkele schreden van de kerk van het Heilige Graf ligt het Protestantsche kerkgebouw, dat juist was voltooid en den volgenden dag, den 31stenOctober, den Hervormingsdag, plechtig zou worden ingewijd.
Het werd gebouwd op de plaats waar het voormalige Muristan stond. De geschiedenis van het Muristan dagteekent van de dagen vanKarelden Groote, die, naar men zegt, hier een klooster zou gesticht hebben. Na verloop van tijd verrezen er een kerk, een hospitaal, en een pelgrimshuis, gesticht door de ordebroeders van St. Jan, die daar hun verblijf hielden. In 1869 werd de geheele plaatsruimte, waarvan nog slechts enkele ruïnes stonden van vroegere gebouwen, door den Sultan aan den toenmaligen kroonprins, den lateren KeizerFrederikten geschenke gegeven. Deze vatte aanstonds het plan op om hier een Duitsche kerk te bouwen op de fondamenten van de oude St. Maria Latina Majorkerk. De oude grondslagen bevonden zich echter 10–15 meter onder den grond en hieruit laat zich eenigszins afleiden, welk een reuzenwerk men te verrichten had, voordat er een vaste grondslag was verkregen voor den nieuwen bouw.Honderdduizendenmanden met puin moesten te dien einde eerst weggedragen worden buiten de stadspoort.
Na jarenlangen arbeid is dit werk voltooid en midden tusschen al de Mohammedaansche moskeeën, die boven Jerusalem uitsteken, verheft zich thans ook de sierlijke toren der Protestantsche kerk.
De Verlosserskerk, zooals zij genoemd wordt, is met veel smaak en toch zeer eenvoudig in rondboogstijl gebouwd. Zij heeft ongeveer 200 zitplaatsen; in het midden verheft zich een steenen kansel, aan het einde het altaar, links daarvan een keurig net orgel. Een der ingangen bestaat uit een voormalige poort, die er nog stond en toegang verleende tot het oude Muristan. Boven den anderen ingang bevindt zich een schild, waarop een lam is afgebeeld met een vlag, het symbool der overwinning van het Christelijk geloof, waarin de gemeente, die hier week aan week vergadert, hare kracht vindt.
De derde, tevens de eenige plaats in Jeruzalem, omtrent wier ligging nooit eenige twijfel is gerezen, is het tempelplein, dat thans Haram esch Scherif heet. Hier stond gedurende vijf eeuwen de tempel vanSalomoen later die vanHerodes. Thans bevinden er zich nog de Omar-moskee, El-Aksa en een aantal bijgebouwen, die alle toebehooren aan de Mohammedanen.
Deze Tempelplaats is uit een oudheidkundig oogpunt allerbelangrijkst. Ten einde het tegenwoordigeplateau, dat thans 470–490 meter lang en 280–320 meter breed is, maar oorspronkelijk slechts eene kleine ruimte bood, zoodanig te vergrooten, dat daarop de tempel met zijne bijgebouwen kon verrijzen, moest men òf den kalksteenen heuvel, die in een spits uitliep verlagen, waardoor hij echter gemakkelijker toegankelijk werd voor den vijand en als vesting in sterkte verminderde, òf daaromheen hooge muren optrekken en door opvulling der tusschenruimte de noodige bodem-oppervlakte verkrijgen.DavidenSalomoschijnen aan dit laatste de voorkeur te hebben gegeven. Zij lieten aan de Oost-, West- en Zuidzijde muren optrekken ter hoogte van 130 voet uit steenblokken, waarvan er sommige nog zichtbaar zijn en die eene lengte hebben van ruim 30 voet en dus eenig denkbeeld geven van de inspanning, die tot een dergelijk werk vereischt werd. Een gedeelte daarvan bestaat nog aan de Westzijde, de welbekende klaagmuur, dien men houdt voor afkomstig uit den tijd vanSalomo. Daar ziet men altijd, maar vooral op Vrijdagavond de Joden bijeen, die er bidden om herstel van tempel en stad en hoort men hen hun weemoedig klaaglied aanheffen over hun deerniswaardig lot.
DE OMARMOSKEE.
DE OMARMOSKEE.
Juist in het midden van de tempelplaats verheft zich ongeveer 3 meter daarboven, een vierkant plein,waarheen 8 trappen van 4 zijden toegang verleenen. Dit plein was voorheen de voorhof der Joden, dien de Heidenen in de dagen vanHerodesniet mochten betreden op straffe des doods. Men heeft nog een steen gevonden, waarop dat verbod geschreven stond, hetgeen naar men beweerde, de ApostelPauluszou overtreden hebben (Hand. XXI: 28).
Midden op dit plein staat thans de prachtigeachthoekigeOmar-moskee, een der schoonste die ik zag, met een hoogen koepel juist boven den steen es-Sachra dien de Mohammedanen als de heilige rots vereeren, omdat volgens henMohammedvan hier ten hemel zou gevaren zijn. Het is wel opmerkelijk, datMohammed, hier zoowel als te Mekka, waar zijne volgelingen den steen Kaäba vereeren, zijn nieuwen godsdienst heeft vastgeknoopt aan plaatsen, die om eene of andere reden bijzonder heilig geacht werden, hetgeen ons verklaart, hoe het mogelijk was, dat zijn godsdienst zoo spoedig ingang kon vinden. Immers deze heilige rots was volgens de overlevering der Joden ook de plaats, waar weleerAbrahamzijn zoon wilde offeren en waar later het brandofferaltaar voor den tempel vanSalomostond. Deze rots is echter niet anders dan de spits van den oorspronkelijken kalkberg, waaruit de berg Moria bestaat. Door grondboringen zijn de oudheidkundigen er zelfs in geslaagd,met volkomen juistheid aan te wijzen, waar de grond op verschillende plaatsen is opgehoogd, ten einde de tempelplaats tot een vlak plein te maken.
Terwijl men dus overal elders in het onzekere verkeert omtrent plaatsen, die men aanwijst, staat men hier op echt historischen bodem. Hierheen brachtMariahaar Kind bij de voorstelling in den tempel; hier ergens was de plaats, waar zij den twaalfjarigen Knaap vond; hier de plaats, waar de Heiland de schare zoo dikwerf leerde; hier de plaats, waar op het Pinksterfeest de discipelen bijeen waren, toen de Heilige Geest over hen werd uitgestort. Maar juist daarom gevoelt men zich bij de gedachte aan alle deze gebeurtenissen, die hier weleer plaats grepen, zoo droevig gestemd, wanneer men op dezen gewijden bodem, waaraan voor den Christen zoovele geheiligde herinneringen zijn verbonden, slechts als vreemdeling toegelaten wordt bij de gunst der Mohammedaansche overheid. Wij, die niet aan plaatsen hechten, misgunnen hun ook deze niet; maar er is toch iets weemoedigs in de gedachte, dat op deze merkwaardige plek zelfs geen Christelijk bedehuis staat en dat de schoone Christelijke kerk, de oudste in Jerusalem, die hier weleer door KeizerJustinianuswerd gebouwd, thans de Mohammedaansche moskee El-Aksa is.
Maar nog veel weemoediger moet het den vromenzoon van Gods oude volk Israël stemmen, die deze plaats nimmer durft betreden uit vrees, dat hij misschien zijn voet zal zetten op het voormalige Heilige der Heiligen, en die hier ziet, hoe dit zijn Heiligdom thans wordt ontheiligd door den Mohammedaan, die hem zoo diep veracht. Terwijl de Christenen der Oostersche en Westersche kerken hun gewijde plaats bezitten in de kerk van het Heilige Graf, de Mohammedaan in zijn Omar-moskee, de Protestantsche Christenheid in haar Verlosserskerk is de eenige gewijde plaats, die den zoon van Israël, den oorspronkelijken bewoner en eigenaar der stad werd gelaten daar beneden in de diepte, die oude muur, die doorSalomowerd opgetrokken, die klaagmuur waar hij weent en klaagt en bidt om den vrede van Jerusalem. Wie zal zeggen of en wanneer die bede ooit in verhooring zal gaan? Wij voor ons hopen het van harte en stemmen er gaarne mede in, maar kon het zijn zoo, dat eenmaal de zoon van Israël en de volgeling van Mohammed zich met ons buigen voor den Vredevorst, den grooten Koning van Zion.
Bij mijne verdere beschouwing van Jerusalem, onthoud ik mij opzettelijk van eene nadere beschrijving der zoogenoemde bezienswaardigheden. Zij is door anderen reeds zoo voortreffelijk gegeven, dat ik slechts in herhalingen zou vervallen, wanneer ik dat nog eens deed. Ik stel mij daarom voor eene wandeling te doen om de stad, ten einde dan hier en daar eens stil te staan bij datgene, wat in het bijzonder mijne aandacht trok, vooral uit een oudheidkundig oogpunt.
Men heeft namelijk op het gebied der oudheid ook in Jerusalem ontdekkingen gedaan, die op velerlei dingen een geheel nieuw licht hebben geworpen en waardoor men tot klaarheid kwam, omtrent velerlei waarover men tot nog toe in het onzekere verkeerde.Aangespoord door de belangrijke uitkomsten, welke men verkreeg bij een ingesteld onderzoek in andere wereldsteden als Ninive en Babel, Thebe en Memphis, Athene en Rome, Herculanum en Pompeï, werden in 1867 eene Engelsche en in 1877 eene Duitsche Vereeniging in het leven geroepen, die zich ten doel stelden alles te onderzoeken, wat in Palestina op het gebied der oudheidkunde van belang geacht kon worden. Ondanks menigerlei bezwaren, die daarbij in den weg stonden, kan men gerust zeggen, dat deze pogingen tamelijk welgeslaagd mogen heeten. Intusschen blijft er toch nog zeer veel over, waaromtrent men in het onzekere verkeert. Hiertoe behoort ook de ligging der oude stad.
Het oude Jerusalem,—eigenlijk zou men hier wel het meervoud kunnen bezigen, want de stad werd in den loop der eeuwen zevenmaal verwoest en herbouwd, waardoor zij natuurlijk allerlei veranderingen onderging,—de oorspronkelijke stad, dieDavidinnam, lag op een heuvel en droeg blijkens onlangs gevonden gedenktafels reeds eeuwen te voren den naam Oeroesalim. Na haar te hebben ingenomen, trok hij er een tweeden heuvel bij aan, dien hij verbond door een brug over het Tyropoeon- of Kaasmakersdal, welke dubbele stad daardoor den naam Jeruschalajim kreeg, een benaming, waardoorin de Hebreeuwsche taal nog dat tweeledige wordt uitgedrukt. Deze beide heuvels, waarvan de Oostelijke aanzienlijk lager is dan de Westelijke, vormen het uiteinde van den langwerpigen berg Scopus, die zich van het Noorden naar het Zuiden uitstrekt. Het Kaasmakersdal, waardoor zij van elkander gescheiden waren, liep wederom uit in het dal van Hinnom, dat beide heuvels aan de Zuidzijde insluit. Dit dal vereenigt zich aan de Oostzijde met dat van Josafat, thans het Kidrondal genoemd, dat den lageren heuvel en de daaraangrenzende tempelplaats afscheidt van den Olijfberg, die zich in het Noorden met den berg Scopus vereenigt.
In de dagen van haren grootsten bloei besloeg de stad den ganschen bergrug van den Scopus met de beide heuvels. Thans is zij wederom ingekrompen tot een vierkant, dat slechts vier kilometers in omtrek heeft, aan elke zijde ongeveer een kilometer. De beide heuvels aan de Zuidzijde en een groot gedeelte van den berg Scopus aan de Noordzijde behooren thans niet meer tot het ommuurde gedeelte der stad.
Nu is men er in geslaagd de fondamenten te vinden van den stadsmuur, die weleer de beide heuvels afsloot en heeft diens loop nauwkeurig kunnen bepalen; maar omtrent de grenzen der Noordelijkestad heeft men tot nog toe geen stellige zekerheid kunnen verkrijgen. Dit laat zich te beter begrijpen, wanneer men bedenkt, dat ten deze elke aanwijzing onder den grond moet gezocht worden, en daar deze grootendeels bebouwd is, dient men de gelegenheid af te wachten, dat er een herbouw plaats vindt, waardoor de grondslagen worden blootgelegd om dan op goed geluk af opgravingen te doen. Wanneer men nu hierbij in aanmerking neemt, dat Jerusalem in den loop der eeuwen zoo dikwijls herbouwd is en men hier dus te doen heeft met brokstukken van misschien zeven over elkander gebouwde steden, zal men eenigszins kunnen beseffen, hoe moeilijk het voor oudheidkundigen is om tot vaststaande resultaten te komen. Ik herinner mij, om een voorbeeld te noemen, op eene wandeling door een der straten midden in de stad, in een muur een boog gezien te hebben van een poort ter hoogte van een halven meter boven den beganen grond; een bewijs dus, dat de tegenwoordige straat verscheidene meters hooger ligt dan die, waartoe die boog toegang verleende. In een Russisch gebouw, grenzende aan de kerk van het Heilige Graf, ziet men, na eerst eenige trappen te zijn afgedaald, dus meters diep onder den beganen grond, muren en poorten van oude gebouwen, die men uitgegraven heeft. Zooals wij reeds opmerktenmoest men ook de fondamenten der Verlosserskerk, die daar vlak tegenover ligt, 16 meters diep uitdelven, alvorens vasten grondslag te krijgen voor den bouw.
Bij de gesteldheid van zulk een bodem, die het eenige punt van uitgang is voor den oudheidkundige bij zijn in te stellen onderzoek, kan men zich dus begrijpen, hoezeer de meeningen der geleerden moeten uiteenloopen over de ligging van Golgotha. De overlevering wijst daarvoor, zooals wij reeds hoorden, de plaats aan in de kerk van het Heilige Graf. Daar zoude KeizerinHelena, de moeder vanConstantijnden Groote, het hout van het kruis gevonden hebben. Anderen zoeken Golgotha niet binnen, maar buiten de muren der tegenwoordige stad, omdat, gelijk wij vroeger zeiden, de kerk van het Heilige Graf binnen de stad ligt en men het onmogelijk acht, dat deze plaats eertijds er buiten zou gelegen hebben. Natuurlijk hangt hiervan wederom af welke der beide wegen men houdt voor de eigenlijke „Via dolorosa”.
Evenzoo bestaat er verschil van gevoelen omtrent de ligging van Zion. Volgens sommigen zou daarmede de lagere, Oostelijke heuvel bedoeld zijn, ten Zuiden van de tempelplaats, volgens anderen is de hoogere, Westelijke heuvel de berg Zion geweest, die nog tot op denhuidigen dag dien naam draagt. Wanneer men echter die beide heuvels van de hoogte Hakeldama, aan de overzijde van het dal Hinnom ziet liggen, dan beteekent dat Oostelijke heuveltje niets vergeleken bij zijn Westelijken nabuur. Leest men daarbij de beschrijving van de sterkte van den burcht Zion in II Sam. V, dan krijgt men den indruk, dat die hoogte een onneembare vesting was, die als zoodanig voorDavidveel waarde had. Welnu, wanneer men daar staat en ziet rechts dat onaanzienlijk bultje en links die verheven hoogte, dan schijnt alles te pleiten tegen de bewering, hoezeer ook met degelijk wetenschappelijke gronden gestaafd, dat op die onaanzienlijke hoogte de burcht Zion zoû gelegen hebben, dienDavidinnam, omdat hij zich door zijne natuurlijke sterkte als vesting aanbeval en dien hij dan ook slechts door de stoutmoedige overrompeling vanJoabovermeesterde.
Meer en meer is men thans echter de overtuiging toegedaan, dat de naam Zion, die aanvankelijk den oorspronkelijken Davidsburcht gold, later ook voor de tempelplaats en eindelijk voor de geheele stad werd gebezigd, waarvan het hoogst gelegen gedeelte hem tot op den huidigen dag heeft behouden.
Onder het vriendelijk geleide van onzen gastheer PaterSchmidtzetten wij onze wandeling langs Hakeldama voort en maken van de ons aangeboden gelegenheidgebruik om de woning te bezichtigen van een Griekschen monnik, die gelegen is tegen den Zuidelijken rotswand van het dal Hinnom. De bezichtiging van zulk een huis was voor ons om verschillende redenen zeer belangwekkend. De voor- en zijgevel zijn meestal open en vormen een soort van veranda, waar men zeer aangenaam zit, wanneer de zon er niet op schijnt. Daarachter bevinden zich de voornaamste woonvertrekken, die tevens als werkplaatsen dienen. Zij zijn gewoonlijk in de rotsen uitgehouwen en daardoor uitermate koel. Hun licht ontvangen zij door eene kleine opening van boven in de rots. Achter deze vertrekken bevinden zich nog andere kamers, eveneens in de rotsen uitgehouwen, waar men de plaats aanwijst, waar men weleer zijne dooden begroef en waarin thans de monnik en zijn knecht hunne slaapstede hebben. Hij had zelfs de voorzorg genomen om hier ook zijn eigen begraafplaats in te richten.
Alle woningen rondom, ook in het kleine dorpje Siloa, dat rechts van ons ligt tegen de Westelijke helling van den Olijfberg boven het Kidrondal zijn evenzoo ingericht. Daardoor begrijpt men, hoe het mogelijk is bij eene tropische hitte als daar heerscht te kunnen leven en werken zonder eenigen overlast te hebben van de warmte. Ook het vertrek van den beroemden kerkvaderHieronymusteBethlehemwas geheel onderden grond uitgegraven in de rots en verlicht door een soort luchtkoker, waardoor licht en lucht naar binnen stroomden.
HET KIDRONDAL EN ABSALOM'S GRAF.
HET KIDRONDAL EN ABSALOM'S GRAF.
Zulk eene leefwijze werpt ook een eigenaardig licht op het leven in de graven, waarvan men onwillekeurig een rilling krijgt, wanneer er in de Evangeliën van wordt gesproken. Maar wanneer men iemand daar ziet wonen en leven, ja zelfs slapen bij de en in de graven als onze monnik, terwijl men daar zit onder zijn vriendelijke veranda onder het genot van een glas wijn met het uitzicht op den berg Scopus, die recht voor ons ligt en beschenen wordt door de laatste stralen der ondergaande zon, dan is de afschuw van zulk een leven in de graven waarlijk niet groot meer.
Een geheel ander karakter draagt het zoogenoemde graf vanAbsalomin het Kidrondal. Het is met nog twee andere graven, die er naast zijn, uitgehouwen uit de rots en maakt geheel den indruk van een monument uit lateren tijd. Hoe het zij, de overlevering heeft er den naam aan verbonden van den wederspannigen zoon, die zijn hand ophief tegen zijnen vader en zijn zondige daad met den dood moest bekoopen. Het dient daarom thans ook tot een waarschuwing voor kinderen, die hun ouders niet onderdanig zijn en die men hier een steen laat werpentegen dit graf ten teeken van berouw over en afkeer van hun zonde tegen het vijfde gebod.
Hoogst belangrijk waren ook nog andere begraafplaatsen, die wij zagen aan de Noordzijde van de stad. Hier liggen de bekende graven der Richteren en Koningen, die een bezoek overwaard zijn, omdat zij een helder licht werpen over verschillende Bijbelsche uitdrukkingen en het Israëlietisch geloof aan het Doodenrijk.
Langs een breeden trap van 24 treden in de rots daalt men af tot een groot vierkant plein 8 meter beneden den beganen grond. Het is omstreeks 28 meter lang en 25 meter breed en van boven geheel open. Aan eene zijde ziet men een gewelf, waarboven nog eene eenigszins geschondene inscriptie prijkt, waar wij binnen treden. Aan onze linkerhand bevindt zich eene vierkante opening ongeveer een meter hoog, welke kan worden afgesloten door een rolsteen, die er naast staat in een gleuf en ongeveer zoo groot is als een molensteen. Is men met veel moeite er in geslaagd om al bukkende door deze opening heen te kruipen, dan komt men in een donker vertrek, van waaruit verschillende zijgangen geleiden naar de eigenlijke grafkamers. Hier zijn in de zijwanden de rustbanken uitgehouwen, waarop de dooden werden bijgezet. In elk dezer kamers isplaats voor 6–12 dooden, die hier „vergaderd of verzameld worden tot hunne vaderen.” Deze eigenaardige uitdrukking verstaat men volkomen, wanneer men zulk een begraafplaats ziet. Immers in zulk eene grafkamer werden alle dooden van hetzelfde gezin, of van eenzelfde geslacht verzameld en zoo er plaatsruimte ontbrak behoefde men er slechts een nieuwe kamer aan toetevoegen.
Het is dan ook gansch natuurlijk, dat het oude Israël zich het Doodenrijk of den Hades dacht beneden in de aarde en niets zoo ontzettend vond, dan wanneer een zijner geliefde dooden niet vergaderd werd met zijne vaderen, maar onbegraven bleef liggen. Ongetwijfeld hangt het Israëlietisch geloof aan de lichamelijke opstanding der dooden, dat eenMarthazoo stellig en welsprekend beleed tegenover haren Heer, ten nauwste samen met de geheele wijze van begraven, die dan ook op mij een veel aangenamer indruk maakte dan het schoonste praalgraf, dat ik ooit zag op een Westersch kerkhof. Er was iets in dat onwillekeurig verzoende met de gedachte aan den dood. Dat vertrouwelijk verkeer en die voortdurende omgang met de dooden hadden voor mij zoo iets onuitsprekelijk liefelijks.
Zeerzeker, wij Christenen kunnen ons bij deze beschouwing niet losmaken van het heerlijk geloof inde opstanding der dooden, dat wij danken aan de overwinning van Christus onzen Heer op den dood. Maar daarom treft het ons te meer, dat niet alleen de Jood maar zelfs de Mohammedaan den machtigen invloed van dat geloof heeft gevoeld. Behoort het niet tot zijne liefste wenschen begraven te worden bij de muren of in de nabijheid van dat Jerusalem, waar eenmaal die overwinning op den dood werd behaald. Is niet dat Kidrondal, de vallei die Jerusalem van den Olijfberg scheidt, de plaats waar volgens hem deChristusenMohammedin den dag des oordeels het wereldgericht zullen houden.
Inderdaad, wanneer men daar rondom Jerusalem wandelt te midden van de graven dier duizenden, die hier den jongsten dag tegensluimeren en denkt aan het woord van Hem, die eenmaal sprak: „Ziet Ik ben dood geweest en wederom levend geworden,” dan is het alsof men zelf bij vernieuwing onder den indruk verkeert van en versterkt wordt in de gemeenschappelijke belijdenis aller Christenen, die gelooven in de wederopstanding des vleesches en in een eeuwig leven.
Menigeen, die Jerusalem bezocht, zal misschien verzuimen te letten op de kunstige waterwerken, die daar zijn en onze rechtmatige bewondering verdienen, omdat zij dagteekenen uit een tijd, van welken niemand zou gelooven, dat men toen reeds zoo op de hoogte was van de waterbouwkunde en daaraan verwante wetenschappen. Daarom wensch ik hier nog een en ander te vertellen van hetgeen wij daar op dit gebied zagen.
Toen wij op de Tempelplaats rondwandelden, trof het reeds mijne aandacht, dat men op verschillende plaatsen mannen zag, die water putten met emmers, die 10 en 20 meter diep werden neêrgelaten. Hoewel het gedurende meer dan een half jaar niet had geregend, was daar onder den bodem, op welkenwij wandelden, toch overvloedig water. Dit verschijnsel is te meer bevreemdend, wanneer men weet, dat de ondergrond van den berg Moria uit louter kalkrots bestaat en vereischt eene nadere verklaring, die mij aanleiding geeft om een en ander mede te deelen omtrent de wijze, waarop men Jerusalem van water heeft voorzien.
Het trok te allen tijde in hooge mate de aandacht, dat de inwoners der stad, zelfs bij de langdurigste belegeringen, zooals bij die van KoningNebukadnezar, die anderhalf jaar duurde, wel over hongersnood, maar nimmer over gebrek aan water te klagen hadden; terwijl daarentegen de belegeringslegers buiten de stad van dorst dreigden om te komen. Ook in de dagen der kruistochten werden de kruisridders door een hevigen dorst geplaagd en moest het water uren ver gehaald en tot hoogen prijs betaald worden; terwijl men, na de inneming der stad doorGodfried van Bouillon, daarbinnen overvloedig water vond.
Het schijnt, dat reedsSalomobij de ophooging van het tempelplateau bedacht geweest is op middelen om de stad, die geheel op kalkrots is gebouwd, van water te voorzien. Hij liet bij de ophooging van het terrein groote waterreservoirs in de rots uithouwen of metselen, waarin het water van het dak van den tempel zich verzamelde. Dit watermoest dienen voor de reiniging der vaten en der gereedschappen, die bij den tempel of den offerdienst in gebruik waren. Men is er in geslaagd 35 dezer cisternen of regenbakken te onderzoeken, die deels nog in gebruik, ten deele echter in onbruik zijn. Een daarvan wordt de groote zee genoemd, omdat zij millioenen liters water kan bevatten.
Toen de stad zich meer en meer uitbreidde en de behoefte aan water grooter werd naarmate het aantal inwoners vermeerderde, heeft men hierin voorzien door eene waterleiding. Men houdt dit voor het werk vanSalomo, naar wien de drie groote waterreservoirs nabij Bethlehem, twee uren ten zuiden van Jerusalem, nog de Salomo-vijvers worden genoemd. Een niet onbelangrijk aandeel in dit werk wordt aan KoningHiskiatoegekend, wiens naam nog verbonden is aan hetzoogenoemdePatriarchen-bad of den Hiskia-vijver, waarvan wijvroegermelding maakten. Deze vijver, die in de stad is gelegen, is 73 meter lang en 44 meter breed en lag, toen wij er waren, nagenoeg geheel droog. Hij wordt door een afvoerkanaal gevuld uit den Mamilla-vijver, die vijf minuten buiten de stad ligt, een waterreservoir, dat 89 meter lang, 59 meter breed en 6 meter diep en ten deele gemetseld, ten deele in de rots is uitgehouwen. Men houdt dezen voor denzelfden vijver, waarbij de profeetJesajaKoningAchazontmoette en die, omdat hij hooger lag dan de andere, de opperste vijver wordt genoemd (Jesaja VII: 3). Aan dezen vijver had ook het gesprek plaats tusschenRabsake, den veldoverste der Assyriërs, en de afgezanten van KoningHiskia(Jes.XXXVI: 2).
Deze Mamilla-vijver, die tijdens ons verblijf te Jerusalem geheel droog was, werd voorheen door de waterleiding van Bethlehem, toen deze nog in behoorlijken staat was, voortdurend van water voorzien. Van hier uit liep het dan verder langs den berg Sion naar den Tempelberg en door onderaardsche kanalen door de geheele stad.
De drie Salomo-vijvers bij Bethlehem vormen het eigenlijke middelpunt der geheele waterleiding. Twee toevoerkanalen uit nog zuidelijker gelegen dalen brengen het water in deze reservoirs, van welke twee andere aquaducten het naar de stad geleiden. Deze Salomo-vijvers liggen tegen de helling van een berg op 50 meters afstand van elkaar, de eene telkens 6 meter hooger dan de andere, zoodat de eene in de andere kan leegloopen. De bovenste is 116, de middenste 129 en de benedenvijver 177 meter lang en 15 meter diep. Elk reservoir kan een paar millioen vierk. meter water bevatten.
De eerste toevoer van water schijnt uit vier kunstigaangelegde bronnen te zijn verkregen, die in de rotsen zijn uitgehouwen en zich in de onmiddellijke nabijheid der vijvers bevinden. Toen echter deze voorraad onvoldoende was, werden twee kanalen uit hooger liggende dalen aangelegd, die heden nog de Salomo-vijvers van water voorzien. Het eene uit het bronrijke Bisardal is kort, maar zeer kunstig aangelegd; het andere, dat veel langer is, komt uit het Arrubdal en splitst zich bij de bron in twee armen, die te samen den eigenlijken ader der vijvers vormen. Dit kanaal maakt op sommige plaatsen zulke bochten, dat een afstand van 25 minuten hemelbreedte een kanaallengte van 3 uren vereischte om zonder kostbare viaducten op dezelfde hoogte te kunnen blijven.
Eveneens zijn er twee kanalen, die het water van deze reservoirs naar Jeruzalem afvoeren. Het eene, vermoedelijk het oudste, dat van den bovenste vergaarbak uitgaat, loopt bijna lijnrecht naar de stad. Daarbij verdient vermeld te worden, dat dit water in de nabijheid van het graf vanRacheleerst af en daarna weder oploopt door opzettelijk daartoe vervaardigde steenen buizen, waaruit blijkt, dat men destijds reeds kennis droeg van de wetten van den hevel. Deze leiding, die men tot nabij Jeruzalem kan volgen, liep over den Westelijken heuvel Sion naar den tempel van onder welks drempelEzechiëlin zijne profetieën(Ezech. XLVII) het water zag stroomen en aanwassen tot een beek, die het geheele land besproeide.
Een tweede leiding, die nog in haar geheel bestaat en volgens bevoegde beoordeelaars van jongeren datum is, voerde het water van alle drie vijvers naar de stad langs een kanaal ter lengte van 7 uren. Daar de afstand slechts 2 uren bedraagt, werd deze meerdere lengte veroorzaakt door tal van krommingen, die noodzakelijk waren ter vermijding van viaducten. Zij vereenigt zich bij de stad met het andere kanaal.
Het was natuurlijk een punt van langdurig onderzoek om te bepalen, wie de ontwerper en bouwmeester dezer grootsche waterwerken is geweest. Volgens eene overlevering, vermoedelijk gegrond op het woord Pred. II: 6: „Ik maakte mij vijvers van wateren”, werden zij aanSalomotoegeschreven. De waarschijnlijkheid pleit voor deze bewering, omdat het oudste kanaal in verbinding staat met de vergaarbakken op den doorSalomoaangelegden Tempelberg. Een zijner opvolgers, vermoedelijkHiskia, zou dit werk dan later verbeterd hebben door den aanleg van een nieuw aanvoerkanaal; terwijl men het tweede meer Oostelijk gelegen afvoerkanaal houdt voor het werk vanHerodesden Groote. Hiermede staat namelijk nog een zijkanaal in verbinding, dat de sporen draagt van Romeinschen oorsprong en naar het Herodium loopt. DitHerodium was een burcht met een lusthof op den Frankenberg bij Bethlehem, waarvan nog een ruïne bestaat. Aan den voet van dezen berg vindt men een droogliggend bassin, dat voorheen als vijver gediend heeft, ter lengte van 74 en ter breedte van 45 meter. Men ziet er duidelijk de overblijfsels eener waterleiding, die van de Salomo-vijvers komt. DoordienHerodesdus het water, dat voor zijn lusthof diende, aan de stad onttrok, was hij genoodzaakt een tweede kanaal aan te leggen, dat het water, hetwelk hij voor zijn doel niet van noode had, naar de stad geleidde.
Uit dit alles blijkt duidelijk, dat het volk Israël in zijn tijd op het gebied van waterbouwkunde niet achterstond bij zijn naburen, maar vooral ook uit een werk, dat hier nog bijzondere vermelding verdient en in hooge mate onze bewondering wekt.
Zooals ik zeide, was men er reeds vroegtijdig op bedacht om bij mogelijke belegeringen van Jerusalem het water aan den vijand te onttrekken en binnen de stad te brengen. Nu is er een bron buiten den voormaligen ouden stadsmuur aan de Z.-O.-zijde der stad in het Kidrondal, die de Mariabron heet. Zij ligt geheel verscholen in de kalkrots. Eerst daalt men langs een trap van 16 treden af tot een gewelf en komt dan nog 14 treden lager tot het waterbassin,dat een lengte van 3½ meter en eene breedte van 1½ meter heeft. Deze bron nu heeft men door een geheel in de rotsen uitgehouwen onderaardschen tunnel, die onder den voormaligen stadsmuur doorliep, verbonden met den Siloa-vijver, die binnen de oude stad lag. Wel had het reeds vaak de aandacht getrokken, dat het water zich door dit kanaal op geregelde tijden des winters 3–5 maal en des zomers 2maal daagsmet kracht in den vijver uitstortte, maar toch had men het nooit gewaagd naar de oorzaak daarvan een nauwkeurig onderzoek in te stellen, omdat dit nog al gevaar opleverde, doordien de tunnel op sommige plaatsen zeer nauw is. Later heeft men dit echter toch gedaan,—de aanleiding daartoe zal ik straks vermelden—en toen ontdekt, dat deze zich bij de bron verheft tot de hoogte, welke het water bereikt, wanneer het bassin der Mariabron geheel gevuld is. Zoo dikwijls dit het geval is, treedt hier dus de hevelwet in werking; want zoodra, de waterstand in het bassin zoo hoog is, dat het water de bocht van het kanaal bereikt, stroomt het met kracht door het kanaal, totdat het bassin geheel ledig is. Deze sterke doorspoeling moet dienen om eene opstopping in het kanaal te voorkomen, eene methode, die men ook nog bij andere onbekende kanalen in de stad schijnt toegepast te hebben. Somwijlentoch hoort men het water in de diepte onder den grond ruischen, zonder den loop der kanalen te kennen, hetgeen een helder licht werpt op de bekende interpolatie omtrent de beroering van het badwater Bethesda (Joh. V: 4).
Tot een onderzoek vond men aanleiding door eene ontdekking, die een knaap in 1880 deed aan de opening van den tunnel bij den vijver van Siloa. Een der jongens, die daar speelden, toevallig de zoon van den Duitschen ingenieurSchick, die op het gebied der oudheidkunde in Palestina zeer groote verdiensten heeft, zag daar tegen den wand, ongeveer 8 meter van den ingang van den tunnel, op eene gepolijste vlakte van circa 60 cm. eenige streepjes en recht daartegenover eene nis voor een lamp. Bij een nader onderzoek, dat zijn vader daarop instelde, bleek het eene inscriptie te zijn van 6 regels, ten deele onleesbaar, maar waarvan het leesbare gedeelte ongeveer luidt als volgt:
... de doorgraving. En deze was de geschiedenis der doorgraving. Toen nog....
... den beitel van den een tegenover den ander. En toen men tot op 3 ellen elkaar genaderd was... toen riep de stem van den eenen
den anderen toe, want er was... (vermoedelijk) water in de rots en aan den dag derdoorboring sloegen de mineurs de een tegenover den ander beitel op beitel en vloeiden
de wateren van het uitgangspunt in den vijver door een kanaal van 1200 ellen (533 meter) en
100 el was de rots hoog boven het hoofd der mineurs.
Uit deze inscriptie bleek dus duidelijk, dat de arbeiders aan dezen tunnel gelijktijdig van beide zijden waren begonnen. Deze bijzonderheid spoorde de oudheidkundigen aan terstond hieromtrent een plaatselijk onderzoek in te stellen en het kanaal door te kruipen, totdat men aan eene plaats kwam, waar men aan de holten der ingedreven beitels inderdaad kon zien, dat hier de arbeiders elkaar hadden ontmoet.
Welk eene onderneming dit werk dus geweest is, kan men zich nauwelijks voorstellen. Toen ik aan den ingang van het kanaal bij den Siloa-vijver stond, was ik vol bewondering voor den oudheidkundigen onderzoeker, die de moeite niet ontzag om zich door dat enge kanaal heen te wringen van de eene naar de andere zijde, ten einde dit gedenkwaardige kunstwerk der oudheid nauwkeurig te onderzoeken.
Maar wat is dit in vergelijking met het moeitevolle werk zelf, dat het voorgeslacht zoovele eeuwen geleden tot stand heeft gebracht?
Toen voor eenige jaren de tunnel gemaakt werd door den St. Gothart voor den spoorweg, die Zwitserland en Italië verbindt, werd er telkens met zekeren ophef vermeld, dat men dit werk van twee zijden had aangevangen en elkander in het midden van den tunnel had ontmoet. Men noemde dat toen het wonder der 19deeeuw; men stond verbaasd, men was er over verbijsterd!
En nu ontdekt men in Jerusalem, dat men daar reeds eeuwen voor onze jaartelling hetzelfde deed en onwillekeurig komt ons een glimlach op de lippen, als wij daarbij denken aan de wijze opmerking van den nog zooveel ouderen Koning te Jerusalem: „Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zoodat er niets nieuws is onder de zon. Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: ziet dat, het is nieuw? Is het er niet al geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn?” (Pred. I: 9, 10).