The Project Gutenberg eBook ofReisindrukken in het Oosten

The Project Gutenberg eBook ofReisindrukken in het OostenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Reisindrukken in het OostenAuthor: Louis HeldringIllustrator: R. Julius HartmannRelease date: February 25, 2012 [eBook #38980]Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REISINDRUKKEN IN HET OOSTEN ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Reisindrukken in het OostenAuthor: Louis HeldringIllustrator: R. Julius HartmannRelease date: February 25, 2012 [eBook #38980]Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

Title: Reisindrukken in het Oosten

Author: Louis HeldringIllustrator: R. Julius Hartmann

Author: Louis Heldring

Illustrator: R. Julius Hartmann

Release date: February 25, 2012 [eBook #38980]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REISINDRUKKEN IN HET OOSTEN ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder extra tussen-e, e of ê, met of zonder koppelteken) zijn behouden.Een extra verduidelijking is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van eendunne groene stippellijn.Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met of zonder extra tussen-e, e of ê, met of zonder koppelteken) zijn behouden.Een extra verduidelijking is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van eendunne groene stippellijn.

Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Stoomdruk.—Drukkerij Doorgangshuis.—Hoenderloo.

VIA DOLOROSA.

VIA DOLOROSA.

Reisindrukkenin het OostenDOORDr. L. HELDRING.Ten voordeele van het Doorgangshuis te Hoenderloo.Geïllustreerd.RotterdamJ. M. BREDÉE.

Reisindrukkenin het Oosten

DOOR

Dr. L. HELDRING.

Ten voordeele van het Doorgangshuis te Hoenderloo.

Geïllustreerd.

RotterdamJ. M. BREDÉE.

Voorwoord.Deze reisindrukken, meerendeels onderweg door mij opgesteld, verschenen eerst alsBrieven uit het Oostenin hetNederlandsch Dagbladen dragen daardoor nog het karakter van afzonderlijke eenigszins op zich zelf staande gedeelten onzer reis. Toen zij daarna als Feuilleton in den Rotterdamschen Kerkbode waren opgenomen, werd door sommigen de wensch geuit, dat ik ze gezamelijk zou uitgeven. Te dien einde werden zij door mij hier en daar aangevuld en zooveel mogelijk tot een geheel gevormd om bij mijn vertrek uit Rotterdam voor mijne catechisanten te kunnen dienen als gedachtenis aan mijn zevenjarig verblijf in de Gemeente.Als zoodanig verschijnt dan dit boekje thans in het licht zonder eenige verdere pretensie. Het wil iets terug geven van hetgeen wij in het Oosten gezien hebben en in 't bijzonder datgene, wat in hooge mate mijne aandacht trof, maar biedt geen volledig beeld van het geheel.De plaatjes, die dit werkje bevat, zijn ontleend aaneen album van 24 chromolithographieën over Palestina die èn door gelijkenis èn door uitvoering boven alle andere, die ik zag, uitmunten. Zij werden onlangs in het licht gegeven door hetRauhe HausteHamburg, wier Directeur, mijn vriendDr.J. Wichernmet toestemming van den teekenaarR. J. Hartmanen den uitgeverJ. Benzingerden herdruk van dit twaalftal aquarellen, die dit boekje sieren, met de meeste welwillendheid heeft bevorderd, mede ook omdat de uitgaaf hiervan moest strekken ten voordeele van eene zusterinstelling, hetDoorgangshuisteHoenderloo, dat evenals hetRauhe Hausde opvoeding van verwaarloosde knapen beoogt. Moge deze proeve van illustratie menigeen uitlokken dat schoone album in zijn geheel aan te schaffen.Met een gevoel van dankbaarheid aan den Heer, die ons het voorrecht schonk deze reis te maken en ons op al onze wegen bewaarde, heb ik aan de samenstelling van dit boekje gewerkt. Daarbij mag ik niet verzuimen een woord van bijzonderen dank te betuigen aan mijne beide ambtsbroedersJ. KrayenbeltuitRotterdamenH. C. van LindonkuitOosterbeek. Heeft de eerste, door zijn herhaald bezoek aan Palestina volkomen van alles op de hoogte, ons allen vaak door zijn meerdere kennis voorgelicht en daardoor op velerlei onze aandacht gevestigd, dat anders daaraan wellicht zou zijn ontgaan; persoonlijk heeft hij en vooral deandere ambtsbroeder mij verplicht, met wien ik steeds alle lief en leed of beter gezegd, met wien ik het eerste en die met mij het laatste zoo vriendelijk deelde, toen ik onder minder gunstige omstandigheden de terugreis van Caïro naar huis moest aanvaarden.Moge het hun en de overige reisgenooten bij de lezing gaan als mij bij de samenstelling van dit boekje. Vaak toch was het mij alsof de oude indrukken opgefrischt en de heerlijke herinneringen weer verlevendigd werden aan zooveel schoone, maar ook enkele droeve dagen.Ben ik er in geslaagd aan anderen, die Palestina niet door eigene aanschouwing kennen, eene juiste voorstelling, kon het zijn een eenigszins sprekend beeld gegeven te hebben van het land, waar eenmaal de Heiland der wereld leefde, dan zal ik mijne moeite ruimschoots beloond achten.Moge dit boekje, welks uiterlijke vorm den uitgever tot eer strekt, hem voldoening geven, der stichting van Hoenderloo, wier drukkerij het aanbiedt als proeve van bewerking ter aanbeveling strekken en het Koninkrijk Gods, hetwelk deze inrichting in het werk der dienende liefde tracht te bevorderen ten goede komen.H.

Deze reisindrukken, meerendeels onderweg door mij opgesteld, verschenen eerst alsBrieven uit het Oostenin hetNederlandsch Dagbladen dragen daardoor nog het karakter van afzonderlijke eenigszins op zich zelf staande gedeelten onzer reis. Toen zij daarna als Feuilleton in den Rotterdamschen Kerkbode waren opgenomen, werd door sommigen de wensch geuit, dat ik ze gezamelijk zou uitgeven. Te dien einde werden zij door mij hier en daar aangevuld en zooveel mogelijk tot een geheel gevormd om bij mijn vertrek uit Rotterdam voor mijne catechisanten te kunnen dienen als gedachtenis aan mijn zevenjarig verblijf in de Gemeente.

Als zoodanig verschijnt dan dit boekje thans in het licht zonder eenige verdere pretensie. Het wil iets terug geven van hetgeen wij in het Oosten gezien hebben en in 't bijzonder datgene, wat in hooge mate mijne aandacht trof, maar biedt geen volledig beeld van het geheel.

De plaatjes, die dit werkje bevat, zijn ontleend aaneen album van 24 chromolithographieën over Palestina die èn door gelijkenis èn door uitvoering boven alle andere, die ik zag, uitmunten. Zij werden onlangs in het licht gegeven door hetRauhe HausteHamburg, wier Directeur, mijn vriendDr.J. Wichernmet toestemming van den teekenaarR. J. Hartmanen den uitgeverJ. Benzingerden herdruk van dit twaalftal aquarellen, die dit boekje sieren, met de meeste welwillendheid heeft bevorderd, mede ook omdat de uitgaaf hiervan moest strekken ten voordeele van eene zusterinstelling, hetDoorgangshuisteHoenderloo, dat evenals hetRauhe Hausde opvoeding van verwaarloosde knapen beoogt. Moge deze proeve van illustratie menigeen uitlokken dat schoone album in zijn geheel aan te schaffen.

Met een gevoel van dankbaarheid aan den Heer, die ons het voorrecht schonk deze reis te maken en ons op al onze wegen bewaarde, heb ik aan de samenstelling van dit boekje gewerkt. Daarbij mag ik niet verzuimen een woord van bijzonderen dank te betuigen aan mijne beide ambtsbroedersJ. KrayenbeltuitRotterdamenH. C. van LindonkuitOosterbeek. Heeft de eerste, door zijn herhaald bezoek aan Palestina volkomen van alles op de hoogte, ons allen vaak door zijn meerdere kennis voorgelicht en daardoor op velerlei onze aandacht gevestigd, dat anders daaraan wellicht zou zijn ontgaan; persoonlijk heeft hij en vooral deandere ambtsbroeder mij verplicht, met wien ik steeds alle lief en leed of beter gezegd, met wien ik het eerste en die met mij het laatste zoo vriendelijk deelde, toen ik onder minder gunstige omstandigheden de terugreis van Caïro naar huis moest aanvaarden.

Moge het hun en de overige reisgenooten bij de lezing gaan als mij bij de samenstelling van dit boekje. Vaak toch was het mij alsof de oude indrukken opgefrischt en de heerlijke herinneringen weer verlevendigd werden aan zooveel schoone, maar ook enkele droeve dagen.

Ben ik er in geslaagd aan anderen, die Palestina niet door eigene aanschouwing kennen, eene juiste voorstelling, kon het zijn een eenigszins sprekend beeld gegeven te hebben van het land, waar eenmaal de Heiland der wereld leefde, dan zal ik mijne moeite ruimschoots beloond achten.

Moge dit boekje, welks uiterlijke vorm den uitgever tot eer strekt, hem voldoening geven, der stichting van Hoenderloo, wier drukkerij het aanbiedt als proeve van bewerking ter aanbeveling strekken en het Koninkrijk Gods, hetwelk deze inrichting in het werk der dienende liefde tracht te bevorderen ten goede komen.

H.

Non cuivis contingit Corinthum adire.

Het bovenstaande spreekwoord, hetwelk in het Hollandsch beteekent, dat men het van oudsher een groot voorrecht achtte Corinthe te mogen bezoeken, kwam mij gedurig voor den geest, toen wij op onze reis naar het Oosten de klassieke plaatsen der oudheid naderden, waarvan Corinthe voor ons, wel niet in rang maar in volgorde de eerste was en waarvan wij met groote belangstelling kennis namen.

Het reizen toch is tegenwoordig niet meer zooveel bijzonders als in de dagen, toen dat spreekwoord nog algemeen was. Wat beteekent het thans nog met een trein, die u in een dag van de Noordzee naar Adriatische zee verplaatst en een volgenden dag gansch Italië doorbrengt tot Brindisi! Hier stapt men dan op een prachtige salonboot, die helaas alte snel, het donkerblauwe water der Adriatische zee doorklieft. Gelukkig wordt gedurende enkele uren het anker geworpen voor de haven van Corfoe, zoodat men gelegenheid heeft een rijtoer te maken over een klein gedeelte van het eiland, de geliefkoosde plek der voormalige Keizerin van Oostenrijk, wier lustoord, te midden van het altijd groen geboomte, het uitzicht heeft op de prachtige blauwe zee. Nog eenige uren stoomens en het anker valt in de Grieksche haven van Padras, waar men den klassieken bodem betreedt van den Peloponnesus. Hier staat een trein gereed, die u in eenige uren langs de schoone golf, die dit schier-eiland ten Noorden begrenst, naar Corinthe brengt.

Zoo iets gansch ongewoons is 't dus in onzen tijd waarlijk niet om naar Corinthe te gaan. Het oude spreekwoord doelde dan ook minder op de reis daarheen, dan op het verblijf zelf; doch dit is thans zoo eenvoudig, om niet te zeggen primitief, dat er wel eenige tegenstrijdigheid in schijnt om met zulk een deftig spreekwoord te beginnen.

Toch was er, althans voor mij, reden voor om het een groot voorrecht te achten iets van het oude Corinthe te mogen zien. Iets, zeg ik, want het is maar zeer weinig wat nog herinnert aan de voormalige grootheid dezer oude wereldstad. Doch wij bezochten haar dan ook niet allereerst als een monumentder klassieke oudheid, maar in gedachte aan de Christengemeente, welke de groote heidenapostel daar stichtte; waar hij zelf zoo lang vertoefde bijAquilaenPriscilla, evenals hij tentenmakers van beroep, bij welke hij te Kenchreën woonde, de Oostelijke haven der stad. Deze bijzonderheden wekten vooral onze belangstelling; en, al is datgene, wat men ziet, ook nog zoo weinig, toch hoop ik dat dit weinige, zoowel in dit als in de volgende opstellen, waarin onze reisindrukken in het Oosten worden beschreven, de belangstelling van den lezer verdienen en het spreekwoord zal bevestigen, dat het inderdaad een voorrecht is naar Corinthe te mogen gaan en straks naar die plaatsen, waar de Heer zelf heeft geleefd, waar Hij zijn lessen gaf en wonderen deed.

De juiste plaats der oude stad, weleer het middelpunt der hoogste weelde en grofste zinnelijkheid, die gemeenlijk hand aan hand gaan, is slechts bij benadering te bepalen, daar de plaats waar Corinthe gelegen moet hebben, thans een onafzienbaar akkerveld is geworden. Toch is het niet moeilijk zich voor te stellen, waar het eenmaal lag. Denk u een strook lands, die zacht glooiend oploopt van het strand tot aan een steil, koepelvormig gebergte ter hoogte van 575 meter, op een uur afstand van de zee. Daar tusschen in lag het oude Corinthe. Devoorstad Kenchreën, waarPauluswoonde, lag aan de andere zijde der landengte van den Istmus, door een muur met Corinthe verbonden, waarvan nog de overblijfsels te zien zijn. De eigenlijke stad strekte zich uit van den voet van het gebergte tot aan de Corinthische golf. Op het gebergte zelf ziet men nog duidelijk de overblijfsels van de oude vestingwerken van den burcht Akrocorinthe, die een geheel vormde met de stad. Aan den voet van den burcht verheffen zich 7 rijzige Corinthische zuilen van een ouden Griekschen tempel; daarnaast heeft men onlangs, enkele meters onder de aarde, de muren en gangen van eenige woonhuizen blootgelegd.

Ziedaar alles wat nog van het oude Corinthe te zien is. Weinig inderdaad, maar toch voldoende om zich een denkbeeld te vormen van de schoone ligging der stad, wier grondslag blijkbaar geheel terrasvormig opliep van de zee tot aan den burcht.

Men kan zich dus denken welk een schoonen aanblik de stad moet opgeleverd hebben voor hen, die haar naderden van de zee, van Westelijke zijde. Op den voorgrond de haven, met haar talrijke schepen; daarachter de stad met hare helderwitte huizen en slanke tempels met sierlijke Corinthische zuilen; en eindelijk hoog daarboven de burcht met den tempel van Aphrodite.

En welk schouwspel men genoot, wanneer men van den burcht de stad overzag, die daar lag in de vlakte aan de schoone donkerblauwe zee met het hoog gebergte daarachter en den beroemden Parnassus in het verschiet, daarvan hebben wij iets genoten, toen wij in den namiddag de hoogte Akrocorinthe bestegen en daar zaten op de ruïnen van den ouden tempel, terwijl de zon achter de bergen van den Peloponnesus onderging. Het was een onvergetelijk schouwspel; de bergen getint met paarsen gloed en de zee nog blauwer dan blauw. En terwijl ons oog zich niet kon verzadigen aan dit schoone tafereel in het Westen, keerden wij ons onwillekeurig naar het Oosten om een blik te slaan op de Aegeïsche zee aan de andere zijde van de landengte, met het gebergte van Attica, waarboven de maan in haar volle pracht opging, wier zilverwit licht weerkaatste in de spiegelgladde zee en de bergen van Attica daarachter bescheen. Het waren onvergetelijke oogenblikken, die wij doorbrachten, oogenblikken, waarin zich allerlei indrukken van ons meester maakten en die de grootste verwachtingen wekten van een land, dat ons reeds den eersten dag zooveel gaf te genieten van de heerlijke schepping van dien God, Die ook aan de bewoners van Corinthe onbekend was, totdat de apostelPaulusHem predikte.

Hoe anders zoude dat Corinthe er nu misschien uitzien, wanneer het die prediking had aangenomen en bewaard. Mogelijk zou dan zulk een oordeel Gods niet over haar zijn gekomen, zoodat men nu hare plaats nauwelijks meer kent.

Het was alsof dat schouwspel van die zon, die onderging, en van die maan, die opging, in weinige oogenblikken de geschiedenis van eeuwen in onze herinnering terugriep. Het was het beeld van het Evangelie, dat week voor den Islam; het was alsof dat tafereel tot ons sprak van de Zon der Gerechtigheid, die voor een wijle scheen, totdat de halve maan haar verving.

De avond was inmiddels gevallen. Wij daalden den berg af en zagen de avondster in een glans, schooner dan wij haar ooit in ons land aanschouwden. Een weinig verder ontmoetten wij een herder met zijne kudde, die gedurende den nacht de schapen ging weiden op de velden. Die ster in het Westen en die schapen op het veld voerden onze gedachten onwillekeurig terug naar Bethlehems velden en deden ons denken aan Hem, Die in nederigheid geboren, alle macht bezit in hemel en op aarde, bij Wien geen ding onmogelijk is. Zal Hij, zoo dachten wij onwillekeurig, ook hier nog eenmaal wederom het reine Evangelie van het heil der wereld brengen, dat thansverborgen ligt onder het deksel der Grieksche Kerk!

Wie zal het zeggen? Bij Hem zijn alle dingen mogelijk. Hij maakt het avondgesternte tot de morgenster. Moge dit ook in geestelijk opzicht van Corinthe gelden en hier nog eenmaal de nacht der nevelen wijken voor den dag des heils.

De spoortrein, die van Corinthe naar Athene leidt en dien weg in vier uren tijds aflegt, vertrekt maar tweemaal daags, de eerste om half twee in den namiddag, wel een bewijs, dat er op het gebied van handel en verkeer in Griekenland zeer weinig bedrijvigheid is. Hetzelfde merkt men op, wanneer men het kanaal passeert, dat de landengte van den Isthmus doorsnijdt en de golf van Corinthe met die van Aeginus verbindt en waarvan zoo weinig gebruik wordt gemaakt, dat wij gedurende twee volle dagen op geen der beide wateren een enkel schip zagen. Het reusachtige werk der doorgraving van het kanaal, dat 6 K.m. lang is en op sommige plaatsen een hoogte van 70–80 meter doorsnijdt, beantwoordtdus niet aan zijn doel, deels omdat de breedte van 23 of de diepte van 8 meter onvoldoende is voor groote schepen, deels omdat er noch aan de golf van Corinthe noch aan die van Aeginus een havenplaats van eenige beteekenis ligt.

De trein volgt de kust der Aeginische zee eerst door de vlakte, daarna langs de hoogte en biedt daardoor een verrukkelijk schoon uitzicht over de zee en op het eiland Salamis. Verder volgt Megara, een echt Oostersch stadje, waarvan de huizen als zwaluwnesten tegen de helling van den berg zijn gelegen en het vanwege zijne mysteriën weleer beroemde Eleusis, waar men echter slechts de fondamenten ziet van een voormaligen tempel.

Overigens bood de weg, althans in het najaar, weinig schoons. Sedert een half jaar had het niet geregend en daardoor was alles even dor en droog. Het vale groen der olijfboomen, die sprekend gelijken op onze knotwilligen, was grijs van het stof. Die Griekenland bezoekt enkel om natuurschoon ziet zich deerlijk teleurgesteld en doet beter een ander land te kiezen. Gelukkig werd ons echter veel vergoed door het prachtige weder, dat in den herfst bijzonder standvastig is.

Eindelijk bereikt de trein Athene, de stad, die reeds voor zoovele eeuwen het middelpunt was van beschaving,en kunst en wijsbegeerte, letterkunde en van den godsdienst, zoo zelfs datPaulusin zijn tijd den bewoners den roem gaf van alleszins godsdienstig te zijn. Inderdaad, men kan Athene niet zien zonder de waarheid van dat woord van den Apostel te beamen en te denken aan hetgeen hij sprak op den Areopagus, toen hij zeide: „Ik zie, dat gij in allen deele zeer godsdienstig zijt” (Hand. XVII: 22).

Natuurlijk denk ik daarbij niet aan het tegenwoordige Athene, al telt het ook, naar men ons verzekerde, meer dan honderd bedehuizen op eene bevolking van ruim 100.000 inwoners; maar wij denken aan het godsdienstig geloof der oude Atheners, dat weleerPaulustrof en dat nu nog tot ons spreekt uit allerlei overblijfselen van altaren en heiligdommen, die men vindt in de museums en aanwijst in de oude stad.

Van dit alles vormt de burcht Akropolis, die zich meer dan 100 meter boven de stad verheft, het middelpunt.

Daarheen richt dan ookelkevreemdeling, die Athene bezoekt, het eerst zijne schreden. Voor ons was er nog een bijzondere reden om het op den dag onzer aankomst te doen. Het was dien avond toch juist volle maan. Gedurende 5 dagen verleent de Regeering dan vergunning om den Akropolis met zijne gebouwen bij maanlicht te zien. De chef van het Hôteld' Angleterre was zoo voorkomend geweest voor ons, die zijne landslieden waren, zulk eene toestemming te vragen en ik ben er dankbaar voor, dat ik daardoor die oude heiligdommen eerstbijmaan- en later bij daglicht heb mogen aanschouwen. De bekoring daarvan ligt echter niet zoozeer in het zachte licht der maan, dat voor het oog minder hinderlijk is dan het schelle zonlicht, dat het oog bij dag schier verblindt; maar bovenal hierin, dat die oude gebouwen en heiligdommen, die bij dag ruïnes zijn, bij maanlicht nog geheel den indruk maken van ongeschonden te zijn gebleven. Terwijl men bij dag overal de schendende hand ziet van den mensch, die ook hier zooveel heeft verwoest, en de aandacht dikwerf wordt afgeleid door de schoone en fijn afgewerkte onderdeelen, die waarlijk geen mindere bewondering verdienen dan het geheel, is het bij avond, alsof niet zoozeer die deelen, maar het geheel veel meer spreekt. En juist dit geheel is zoo indrukwekkend grootsch en verheven. Langs majestueuze zuilen in Dorischen stijl bestijgt men de trappen van de voorgangen of Propyleën, die den toegang verleenen tot den Akropolis. Daar verheft zich ter rechterzijde het Parthenon en ter linkerzijde het Erechteion, beide scheppingen van den beroemden beeldhouwerPhidiasuit den tijd van den prachtlievendenPericles, die omstreeks450 v. C. leefde en die gewijd zijn aan Athena, de godin der Wijsheid, de beschermgodin van Athene. Wij gaan tusschen beide door, totdat wij ze op eenigen afstand achter ons hebben en keeren ons dan om, ten einde de voorgevels, die juist naar ons toegekeerd zijn, in het heldere licht der maan te bezien, waarin het grauwe marmer als zuiver wit weerkaatst. De zijgevels van het Parthenon, die toen de Turken er een kruitmagazijn van gemaakt hadden, dat bij een belegering in de lucht sprong, geheel verwoest zijn geworden, mist men bij avond niet zoo als bij dag. Dit juist verhoogt den indruk van het machtige heiligdom, dat uitdrukken moest, wat de Atheners weleer gevoelden voor hunne goden.

En wanneer men dan van dien hoogen Akropolis neerziet naar beneden en het oog ontdekt ter eener zijde de rijzige kolommen van den voormaligen tempel van Zeus, en ter andere zijde den prachtigen en bijna ongerepten tempel van Theseus en men denkt daarbij nog aan zoovele andere grootere en kleinere heiligdommen en altaren aan allerlei goden gewijd, dan beseft men, waarom de Apostel aan de toenmalige bewoners den roem gaf van alleszins godsdienstig te zijn.

En toch, die God, dien zij onwetende dienden door een altaar aan den onbekenden God gewijd, was enbleef voor hen de groote onbekende, in spijt van de prediking vanPaulus. Zijn woord van den Areopagus gesproken, eene breede rotshoogte tusschen den Akropolis en den tempel van Theseus gelegen, vond geen ingang, omdat men de goden van eigen vinding, tot welke men zichzelf zocht op te heffen door allerlei wijsgeerige beschouwingen en redeneeringen, hooger stelde dan den God der openbaring, Die tot ons gesproken heeft door Zijnen Zoon. Wanneer men daar staat te midden van al dien reuzenarbeid van menschenhanden, dan gevoelt men, dat al slaagt de mensch er in een schoon geheel samen te stellen, dat de bewondering wekt van voor- en nageslacht, het toch een streven blijft naar een ideaal, dat onbereikbaar is. Het is in weerwil van al het overweldigend schoone, toch het Parthenon bij avond, zonder het heldere licht der zon, waarbij men ziet wat er ontbreekt en men ontwaart, dat ondanks al het indrukwekkende en verhevene, het toch eene ruïne blijft.

Maar dit neemt niet weg, dat ook zulk eene ruïne getuigt van de diepgevoelde behoefte van des menschen ziel, die zoekt naar de hoogste waarheid en haar eert als de hoogste wijsheid. Daaraan herinneren ons de ruïnen van Athene's heiligdommen en tempels, die er nog bij menigte zijn gebleven; terwijl er van den zinnelijken en wellustigen Venusdienstin Corinthe nauwelijks een enkele is blijven staan.

Laat ons Christenen, die zoo bevoorrecht zijn boven de oude heidenen en die, dank zij de komst van Hem, Die voor ons tot Wijsheid is geworden van God, en Die ons den éénen waren God deed kennen, nooit vergeten, wat die heidenen over hadden voor hun goden, die zij niet kenden. Inderdaad, hun toewijding is in menig opzicht diep beschamend voor ons. Moge eenmaal in den dag des oordeels dat volk van Athene niet tegen ons getuigen, gelijk de Heer dat voorspelde van de Ninivieten, die hij stelde tegenover een Chorazin en Bethsaïda, waarin Hij zooveel krachten had gedaan om Zijne goddelijke zending te openbaren. Moge Hij voor ons steeds de hoogste Wijsheid in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid zijn.

Een zeereis heeft ontzaglijk veel bekoorlijks, wanneer de zee kalm en de boot goed is en te dezen opzichte troffen wij het bijzonder gelukkig bij onzen overtocht van de Middellandsche zee, van Piraeus, de havenstad van Athene, naar Alexandrië. De overtocht duurde twee volle dagen, maar bood ons veel afwisseling, vooral tengevolge van het groot aantal passagiers tusschendeks, meerendeels Russische pelgrims, die jaarlijks bij menigte van Odessa naar Palestina reizen en, naar men ons vertelde, voor die reis slechts enkele roebels betaalden. Op onze boot waren er eenige honderden. Gelukkig was het weer goed en de zee kalm, zoodat onze pelgrims zonder bezwaar den nacht konden doorbrengen onder den blooten hemel; terwijl zij over dag zich op het dek bevonden, waar men ze hun potje zag koken en maaltijden nemen.

Het was reeds tegen den avond, toen het stoomschip het anker lichtte in de haven van Piraeus. Zacht en schier onmerkbaar gleed het over de spiegelgladde vlakte van het kristalheldere water, terwijl de laatste stralen der ondergaande zon Athene met den Akropolis, den Lykabettos, Hymethos, Penelicon en de andere gebergte rondom de stad verlichtten. Nog even konden wij een blik werpen op het spits oploopend gebergte van het schoone eiland Aegina, dat donkerzwart afstak tegen den helderen hemel, toen de duisternis inviel van den nacht, gedurende welken de boot ons bracht in de haven van Suda op het eiland Kreta.

Het was voor ons inderdaad eene verrassing, toen wij hoorden dat de boot dit eiland zou aandoen, dat gedurende de laatste jaren een twistappel was tusschen Griekenland en Turkije en sedert ons bezoek door de groote Mogendheden aan Griekenland werd toegewezen. Ze lagen daar dan toch niet gansch te vergeefs, die groote, machtige oorlogbodems, 15 in getal, die, toen wij er waren, alleen dienden om de macht dierMogendhedente vertoonen, die zij vertegenwoordigden. Het was nog voor zonsopgang, toen de boot haar anker liet vallen in de haven van Suda midden tusschen die oorlogschepen, die, toen zij achtereenvolgens hun vroolijk volkslied deden hooren, ons onwillekeurigdeden denken aan het Europeesch concert. In onzen wensch om van den tijd, dien wij daar stillagen te mogen gebruik maken om voet aan wal te zetten en het eiland Creta te betreden, werden wij teleurgesteld. Niemand werd van of aan boord gelaten en wij moesten ons dus tevreden stellen met een blik op het eiland, dat wij gedurende den ganschen dag in zijn volle lengte voorbij stoomden. De aanblik, dien het uit de verte oplevert, is niet bekoorlijk. Het maakt den indruk van een onbewoond eiland. Ook hier evenals elders in het Oosten hooge bergen, maar kaal en doodsch zonder het frisch en groen geboomte, dat voor ons zooveel bekoorlijks heeft. Of en in hoeverre de aloude beschuldiging, welke de ApostelPaulusin zijn tijd reeds tegen de Cretensers inbracht, (Tit. II: 12) dat zij „luie buiken” zijn, daarvan de oorzaak is, laat ik in het midden; zeker is het, en wij zullen later nog wel eens de gelegenheid hebben dit nader aan te toonen, dat onder het ellendige Turksche bestuur geen enkel land kan gedijen; of dit onder het Grieksche veel beter zal wezen....? Hoe het zij, de verkregen oplossing is althans eene overwinning van het Christendom op den Islam en hierin liggen de gegevens voor eene betere toekomst voor de bewoners van Creta, waarover wij Christenen ons van harte mogen verblijden.

Het was reeds avond geworden toen wij de kust van Afrika naderden en de haven van Alexandrië binnenstoomden, hetgeen wij echter niet behoefden te betreuren, daar wij haar bij ons vertrek bij dag verlieten en nu konden genieten van den tooverachtigen aanblik, dien de duizenden lichtjes opleverden, die van schepen en kaden flikkerden in het donker van den nacht. Weldra hadden wij ons Hotel bereikt, in welks tuin wij voor het eerst in ons leven de rijzige palmboomen onder den blauwen hemel zagen staan, die ons verzekerden, dat wij waarlijk in het Oosten waren. Het is toch soms als een droom, wanneer men met een snelvarend voertuig binnen korten tijd verplaatst wordt van het eene werelddeel in het andere, waar alles zoozeer verschilt van hetgeen wij thuis gewoon zijn te zien.

Dat ondervonden wij den volgenden morgen, toen wij de merkwaardigheden der stad bezichtigden en kennis maakten met het bont gewemel eener Oostersche stad, die in het ochtenduur nog in een dikken mist gehuld lag, maar nadat deze was opgetrokken prijkte in den vollen gloed eener Oostersche zon, wier schitterend licht haast verblindend weêrkaatste tegen de helderwitte gebouwen, waartusschen zich telkens de slanke minarets verheffen, die de moskeeën versieren.

Alexandrië is een stad van circa 250.000 inwoners,waaronder 50.000 Europeanen, die een afzonderlijk gedeelte der stad bewonen. Zij strekt zich gedeeltelijk uit over een landtong in de zee en omsluit daardoor een groot gedeelte van de Westelijke haven. Langs de smallere en breedere straten en te midden van tallooze bazaars beweegt zich een verscheidenheid van landaard en volksklasse, zooals men ze in onze steden nimmer ziet. Pikzwarte Nubiërs, liefst in geheel witte, en donkerbruine Arabieren in scherp gekleurde kleeding; de fellahs, wier vrouwen bovendien nog getatouëerd zijn, in een lang, blauw gewaad, dat tot de voeten afdaalt; negers, sommige met een tulband, andere met den rooden fez op het hoofd; daartusschendoor Westerlingen in Europeesch kostuum; welk eene eindelooze afwisseling, inderdaad eenmundus in nuce, een geheele wereld in een klein bestek! Maar juist door dit gemengd karakter der bevolking gevoelt men zich hier geen vreemdeling, zooals in andere Oostersche steden. Daarvoor is de invloed der Engelschen te groot, die op geheel Egypte bijna de hand gelegd hebben en wier soldaten in grijs tenu en met een kakihelm op het hoofd, overal de aandacht trekken.

Onder hetgeen in en omAlexandriëte zien is, is er slechts weinig, dat aan de eeuwenoude wereldstad herinnert; hiertoe behoort de zuil van Pompejus,even buiten de stad gelegen, waarbij men juist opgravingen deed, in de hoop nog een en ander te vinden uit den ouden tijd. Onze weg leidde ons ook langs een der kanalen van den Nijl, waar zich de buitenverblijven bevinden van den Bey's en Pacha's, en waarvan de getraliede vensters de bewoneressen der harems voor het oog van den voorbijganger verbergen. Van een dezer buitenverblijven, het eigendom van een rijken Griek, dat tijdelijk onbewoond was, stond de tuin voor ons open. Daar zagen wij de Oostersche natuur in haar volle pracht, geheele bosschen van palmen, allerlei heesters en struikgewas, die de welriekendste geuren verspreidden. Te midden van dat alles bevond zich nog een oud Romeinsch grafgewelf, waarschijnlijk de rustplaats van een der bewoners van dit bekoorlijk paradijs uit de dagen der eerste eeuwen. De grafkelder was echter geheel vervallen en de plaats, waar eenmaal het stoffelijk overschot was bijgezet, onherkenbaar geworden. De schendende hand van den mensch had ook deze rustplaats der dooden niet ongerept gelaten en uit die ledige grafgewelven klonk ons de ernstige waarheid tegen, die men nergens zoo diep gevoelt als in Egypte, dat de wereld voorbijgaat en hare grootheid. Want in grootheid en luister stond eenmaal Egypte aan het hoofd der volkeren, getuigede eeuwenoude monumenten in de omstreken van Caïro. En wat is er geworden of gebleven van al die grootheid van weleer? Zij ging voorbij!

Zoo is het met alles, wat de wereld oplevert. Alleen het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid. Gode zij dank! ook in Egypte wordt de klank van dat Woord gehoord maar helaas al te zeer als eenvox clamans in deserto!

De spoorweg, die het Delta gebied in verschillende richtingen doorkruist, verbindt ook de beide hoofdsteden van dit wonderland aan den Nijl: Alexandrië, dat zich door haar wereldverkeer onderscheidt en Caïro, dat zich kenmerkt door de vele vreemdelingen, die er gaarne vertoeven. Inderdaad dat Egypte, dat zich op de kaart als een groene waaier voor ons uitspreidt, die bij Caïro begint en zich in zijn volle breedte ontplooit langs de Middellandsche zee en ter eener zijde wordt ingesloten door de woestijn van Lybië en ter andere door die van Arabië, dat Egypte is een wonderland. Of was het niet reeds in overoude tijden een voorraadschuur voor geheel het Oosten, ofschoon het er maar enkele dagen in het jaar regent, dank zij de wonderdoende vruchtbaarheid, die de Nijl er aanbrengt. Wanneermen ziet hoe de twee armen dezer rivier, die zich bij Caïro van elkander scheiden, verder zich splitsen in ontelbare riviertjes en kanaaltjes, die zich als een net over het gansche land uitbreiden en het herscheppen in eene vruchtbare oase, dan kan men er in komen, dat de oude Egyptenaar dien Nijl als een godheid vereerde. Wij hadden vaak gehoord van de overstroomingen van den Nijl, en dachten dan aan een strook lands langs de rivier evenals onze uiterwaarden, maar wanneer men het land doorreist, dan ziet men aan de dammen en dijken, die de kanalen insluiten en aan de kameelen en buffels, die op sommige plaatsen tot aan hun buik in den drassigen bodem staan, dat dit geheele land leeft niet bij den regen des hemels, maar bij de gunst van een godheid over wien de mensch vrijmachtig kan beschikken en wij kunnen het ons zoo goed begrijpen, hoe de trotsche Pharaos, die dat alles in hunne hand hadden er toe kwamen zich zelven voor een God te houden.

Caïro is een wereldstad, evenals Alexandrië, maar van een veel weelderiger karakter, vooral door den stroom van vreemdelingen, die er den winter komen doorbrengen. Deze moet inderdaad heerlijk zijn, een winter van louter schoone Meidagen, waarop de zon altijd helder schijnt, zonder ooit door een wolkje versluierd te worden; niet afmattend warm, maar aangenaamverkwikkend en die in vereeniging met den allesbesproeienden Nijl, alles doet groeien en bloeien. Kan het ons verwonderen, dat de oude Egyptenaar, die den Nijl aanbad ook aan de zon een eereplaats gaf onder zijne Goden.

De weelde, die in Caïro heerscht, wordt men aanstonds gewaar, zoodra men hetShepheard's Hotelbinnentreedt, dat in de stad ofGhesireh Palace Hotel, dat er buiten aan den oever van den Nijl is gelegen. De inrichting er van is zoo prachtig, dat zij ons soms aan een sprookje doet denken en men zich haast verbeeldt in een vorstelijk paleis te zijn. Trouwens was het laatste oorspronkelijk ook een paleis van den Onderkoning, waarin dikwijls vorsten hun intrek namen. HetShepheard's Hotel, waar wij logeerden, ligt in het westelijk en tegelijk een zeer westersch gedeelte der stad. Het is niet toevallig, dat het dit karakter draagt. Een der vorige Chediven wenschte de stad uit te breiden en van het nieuwe gedeelte een tweede Parijs te maken. Hij liet breede en rechthoekig op elkander uitloopende straten aanleggen, langs welke de grond gratis werd afgestaan aan elkeen, die er een huis op bouwde, dat aan zekere eischen voldeed. Zoo verrees hier in korten tijd een stad, die een geheel westersch karakter draagt, met het schoone Ezbekiyepark, waarin een vijver met allerlei tropischewaterplanten; terwijl het oostersch karakter der stad ongeschonden bewaard bleef in het Muski aan de andere zijde.

Caïro biedt meer dan eenige andere plaats in het Oosten een ongekenden rijkdom van allerlei bijzonderheden.

In de eerste plaats zijn het de tallooze moskeeën, van welke de voornaamste een bezoek overwaard zijn. Het zijn inderdaad kunstwerken van oosterschen bouwtrant, die, ofschoon vierhoekig van vorm toch rond schijnen door den wonderschoonen koepel, die als een blauw hemelgewelf het heiligdom van boven dekt. Bij dit kenmerk, dat zij allen gemeen hebben, heeft elke moskee nog iets bijzonders, dat men u aanwijst. Hier wordt ons oog aangetrokken door de prachtige kleuren der geschilderde glazen, waardoor het zonlicht wordt getemperd, dat het marmer der wanden en pilaren in allerlei tinten beschijnt; elders treft het kunstig uit ebbenhout en ivoor gesneden spreekgestoelte onze aandacht; ginds wijst men u onder honderden marmeren zuilen er een, waarop de geloovige Mohammedaan den naam leest van zijn Profeet, die deze zuil met een zweepslag van Mekka naar Caïro joeg; daar buiten de poort in de graven der Chalifen bewondert men de rijk versierde graftomben, die het stoffelijk overschot bevatten van hen, die hier vroeger regeerden.Jammer alleen, dat het thans levende geslacht geen zorg draagt voor het onderhoud dezer schoone monumenten der scheppende kunst van het voorgeslacht; want, terwijl men voor zich zelf telkens nieuwe bouwt, laat men het onderhoud der oude aan Allah over, die er niets aan doet!

Niet schoon, maar hoogst belangrijk is de Azhar moskee, de groote hoogeschool van Caïro, waaraan ruim 5000 studenten zijn ingeschreven. Daar ziet men ze op oostersche wijze op den vloer zitten met de beenen over elkaar, knapen, jongelingen en mannen met den Koran op de knieën, dien zij bijna geheel uit het hoofd moeten leeren, met een inktpot voor zich en een lei of manuscript in de hand, meestal 10 of 12 te samen met een Professor in het midden. Zoo ongeveer zaten wellicht de knapen, onder welke zich de twaalfjarigeJezusin den tempel in Jeruzalem bevond, maar zonder die eigenaardige, aanhoudend voor- en achterwaarts schommelende beweging van het bovenlijf, die deed denken aan een golvende zee. Die beweging, zeide men ons, moest dienen om het geleerde gemakkelijk in het geheugen te prenten. 't Is mogelijk, maar dan bevreemdt het mij, dat men dat nergens elders heeft toegepast. Zou het niet veeleer een uiting zijn van eerbiedige erkenning der waarheid, waarvoor men zich buigt of een betooning van Mohammedaanschepiëteit, dacht ik later, toen ik de huilende Derwischen had gezien.

Hetgeen men toch bij de studeerende jongelingschap ziet in het klein, ziet men hier in het groot. Minstens een half uur lang slingeren deze Derwischen het hoofd op en neer, of heen en weer; terwijl zij daarbij de maat houden door aanhoudend, al luider en hartstochtelijker te zuchten: La-il-la-Huh-Hah-Huh! Allah-Huh-Hah-Huh! d.w.z. Hij-Hij- Hij alleen God! Het is een allerakeligste vertooning, waarvan niemand de beteekenis verstaat, dan alleen de Derwisch zelf, die haar als een der vroomste handelingen beschouwt.

Aan de zuid-oostzijde van Caïro bevindt zich de Citadel, eene sterke vesting, die de geheele stad beheerscht. Van het terras naast de Alabasten moskee, die daar staat en zoo genoemd wordt naar de muren en pilaren daar binnen, die alle van alabast zijn, heeft men het schoonste uitzicht over de stad, die beneden ons ligt. Daar wijst men ons ook nog de gevangenis vanJozef. Het is een vierkante put, terdieptevan86 meter tot welke men afdaalt langs de zijwanden, waarin een gang is uitgehouwen, die zoo zacht glooiend afloopt, dat de ezels gemakkelijk op dien kunstig uitgedachten weg het water uit de diepte naar boven kunnen dragen.

Behalve deze put, waaraan nog de naam vanJozefis verbonden, zijn in Caïro nog enkele plaatsen met Bijbelsche herinneringen. Op den weg naar de oude beroemde Zonnestad, waarvan maar een enkele Obelisk is overgebleven, wijst men nog een boom, onder welkeMariatijdens haar vlucht naar Egypte gerust en in het Koptisch kwartier een spelonk, waarin zij zou gewoond hebben.

Deze Kopten, de oorspronkelijke bewoners des lands, waarvan er in OpperEgypte nog 500.000 wonen, zijn de eenige Christenen, die hier nog getrouw bleven aan hunne belijdenis, ondanks den machtigen tegenstand der Mohammedanen. Zij zijn meerendeels arm en hebben een klein kerkje, waarin zij hunne godsdienstoefeningen houden, waarbij zonderling genoeg althans voor Christenen, de vrouwen onzichtbaar verscholen zijn op een hooge galerij.

Wij kunnen natuurlijk niet bij alles stilstaan, wat men in Caïro te zien krijgt, maar het voornaamste zou ontbreken, wanneer wij zwegen van een tocht naar de Pyramiden van Giseh en Sakkara, die grootsche monumenten, die zoovele eeuwen bestaan en nog steeds aller bewondering wekken.

Ongeveer een uur van Caïro verwijderd op den linkeroever van den Nijl bevindt zich de woestijn van Lybië. Langs den hoogen rand dezer oneindige zee van golvend zand, begint de lange rij pyramiden,die zich naar het zuiden uitstrekt. Wij bezochten enkel die van Giseh en Sakkara.

Gemakkelijke landauers brachten ons over den ijzeren brug, die de beide Nijloevers verbindt voorbij het dorpje Giseh naar de Cheopspyramide. In een uur tijds reden wij over een door hooge boomen beschaduwden weg, die midden door het Nijldal leidt, dat een paar voet was overstroomd, zoodat de buffels er zich lustig in konden baden om zich van den overlast der vliegen te ontdoen, naar den kalen rand van de woestijn, die zich 30 meter boven het Nijldal verheft. Hier, boven op deze hoogte bevindt zich de majestueuse Cheopspyramide, die 147, daarachter een 2e die 138 en een 3e die 66 meter hoog is. Het verschil in hoogte wijst den tijd aan gedurende welken de Koning, die haar bouwde, regeerde. Elke vorst begon reeds bij zijn troonsbestijging met den bouw eener pyramide, die later zijn begraafplaats moest zijn, waaraan jaarlijks een nieuwe laag steenen werd toegevoegd. De Cheopspyramide, wiens ontwerper en bouwmeester dus het langst regeerde, is daardoor de hoogste.

Statig verheft zich de spits van dit machtig gevaarte ten hemel. De ontzettende steenmassa bestaat uit blokken van 1 tot 2 meter, waaraan volgensberekening100.000 menschen gedurende 20 jarenmoeten gearbeid hebben. De lust bekroop ons niet om de spits te bestijgen, van welke het uitzicht ter nauwernood schooner kon zijn, dan dat, wat wij van beneden genoten, zonder daarbij de inspanning eener moeilijke klimpartij en de gevaren eener duizelingwekkende afdaling te trotseeren. Evenmin waagden wij ons aan een bezoek der voormalige grafkamers binnen in de pyramide, waarin thans de vleermuizen huizen, maar weleer de gebalsemde lijken der koningen werden bijgezet, wier mummiën nu in het museum te Giseh zijn.

Op een kwartier afstand, nog meer naar den rand der woestijn, bevindt zich de beroemde Sphinx, met het aangezicht naar het Nijldal gekeerd. Dag en nacht houdt zij daar de wacht over het koninklijk graf. Het is alsof die geheimzinnige gestalte, samengesteld uit een leeuwenlichaam en een menschenhoofd daar ligt te peinzen over het raadsel van den dood. Ja, wie zal zeggen, wat de kunstenaar, die dat beeld schiep, heeft willen uitdrukken met die wonderbare samenvoeging van dierlijke kracht en menschlijk verstand, zooals zich die aan ons vertoont, in die majestueuse gestalte van den Koning der woestijn met het hoofd van een mensch, waarvan het stemmig gelaat, hoezeer ook geschonden door den Mammeluk, die het gebruikte als schietschijf voor zijne kanonnen, toch nog eenzeldzame schoonheid van wonderbare zachtheid en diepen ernst in zich vereenigt.

Van Giseh gaan wij met den trein het Nijldal nog een uur verder in en stappen aan het station Bedraschen uit. Gelukkig zijn wij door een stevig hek gevrijwaard voor de bestorming van een aantal jongens, die hier met hun ezels den reiziger opwachten. Een voor een worden zij binnengelaten met hun Keizer- enBismark-,Gladstone- enSalisburyezel of hoe ze allen heeten. Maar wat voor naam het grauwtje ook drage, te ontkennen valt het niet, dat het inderdaad een „goed ezel” is, zooals de jongen ons telkens nu eens vragend, dan bevestigend verzekert, een ezel die inderdaad een goed bakschisch verdient van den Baron, zooals de guitige drijver den ruiter noemt; waarlijk onze ezeltjes toonen door den flinken draf, dien zij houden, dat zij hun ministerieele namen met eere dragen.

Zoo draven wij voort over een dijk, die zich tusschen de palmboomen heenslingert, die allen met den voet in het water staan, daar al het land hier door den Nijl is overstroomd. Een zijweg geleidt ons naar een hooger gelegen palmenbosch, waar vroeger de stad Memphis en thans het armzalig dorpje Mitrahine ligt.

Hier staan wij onder de boomen voor een kolos uit harden kalksteen gebeiteld, die lang uitgestrekt ter aarde ligt. Het is het beeld van KoningRamses II,dat met den kroon en de beenen, die echter ontbreken, eene lengte van 13 meter heeft. Het oor alleen is een halven meter lang. Het vertoont ons het gelaat van den man, die weleer Israël verdrukte in de dagen vanMozesen diende vroeger tot versiering van het voorportaal van den Ptahtempel, die hier stond, maar met de stad Memphis door den stroom werd weggevoerd. Dit beeld kwam uit het slijk te voorschijn, waarin het eeuwen lang bewaard bleef. Thans ligt het daar met het starre oog ten hemel gericht, alsof het nog zocht naar het licht van de zon, die het weleer aanbad, maar die verduisterde, toen de God des Hemels sprak.

Wij rijden verder den dijk over, die aan beide zijden door het bruine, drassige Nijlwater wordt bespoeld. Hier en daar zijn de slanke fellah dochters, wier lange, blauwe kleed door den frisschen wind bewogen glooiend langs de leden glijdt, bezig met een soort van hark het dorre riet, dat tegen den dijk aandrijft uit het water op te halen. Het is het riet dat nog overal langs den Nijl groeit, waartusschen het biezenkistje dreef, waarin de kleineMozeslag, toen hij door Pharao's dochter uit het water werd getogen.


Back to IndexNext