Hoofdstuk III.

Hoofdstuk III.Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit, dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent, dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk, dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt, zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet, zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekendeKalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan, óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug, en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer hetsouperwerd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór hetsoupergebruikte, beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong, en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede, die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht; want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan haar denkende, wakker te worden.En Ambrosine?—Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad hebben, om slapelooze nachten door te brengen.Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring overliet.“Zeg eens, vriendje! wat moet dat?” zei Polsbroekerwoud, de deur van zijne kamer openende. “Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden.”“Wat vergissen!” zei de knecht: “ziet ge dan niet, dat het huis hiernaast in lichtelaaije vlam staat?”Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen een eenigzins suspecten gloed. “Dat is weergaês lastig,” zeide hij; “dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen.”“Dacht ik het niet!” riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: “nu zullen wij allen nog levend verbranden. ’t Is ongepermitteerd. Wij kunnen zeker de trappen niet meer af.”“Ik zeg immers niet, datdithuis in brand staat,” riep de knecht, steeds op kamerdeuren bonzende. “Kleed u maar aan. Ik kan voor niets instaan.”“Dat is anders niets,” zeide Pols, “al is de trap afgebrand. Ik heb een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken.”“Is er brand?” riep Torteltak. “Hemel, Jan! en die dames, daar van Numero 5?—Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?”“Wees bedaard, mijn vriend!” riep Pols. “Hier heb ik het koord al.” En waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw, van knoopen en een haak voorzien.“Loop naar den duivel met uwe koorden!” vloekte de ander, terwijl hij zijne elegantechamberloucomsloeg en in drift zijne lokken arrangeerde; “ik wil het lieve meisje redden.”Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen, waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen en zich niet te veel te agiteren.Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis verteerden. “Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!” riep zij wanhopig: “dat komt ook van die Kleefsche reizen.”“Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen hebt?”“Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast huizen die ’s nachts uitbranden.”Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: “Kleed u, in ’s Hemels naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw en uw arm kind verbranden?—Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!”“Wat is er, wat is er?” riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar eenneigetjeom de muts had.“Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel om.—Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in ’s Hemels naam!”Bons, bons! klonk het op de deur. “Mijnheer, sta spoedig op!” riep de knecht.“Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!” riep weldra eene andere stem, die door Ambrosine herkend werd.“Ja, wij komen!” riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes beladen, nog roepende: “Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je horologie niet.”Zonder hulp van veiligheidskoorden—want de trap stond nog zoo pal, alsof er in het geheel geen brand in de buurt was—kwamen al de reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed, behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden; het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op, waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet in den weg kwamen, en dan was het: “Wat ik u bidden mag, een weinigje plaats; maar wees toch bedaard! Op mijnwoord,die agitatie is meer hinderlijk dan nuttig.”Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte, die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg: “Waarheen?”“Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!”De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: “Wat jou goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed heenkomen.”Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg: “Wat is hier te doen?”De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus geene schitterende uniform droeg.“Eene schreeuwende onregtvaardigheid,” riep Pols. “Ikben Joachim Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil dat mij regt geschiede.”“Blijf maar hier bij uw goed,” zeî de Mijnheer, “of breng het naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan.”“Alderbest, Mijnheer!” zeî de serjant, die in het dagelijksch leven Stoffel scheen genaamd te worden.Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene klare denkbeelden van hetjus possessionisscheen te hebben, den last voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd, in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen, toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd, kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit, om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote steden,vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten, de schutters die hetpiquet hebben, de zakkenrollers,—in één woord, de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen, en de nachtwachts, wie het woordekebrandin de keel verroest is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand, dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd was, bleef in zijne woning; damesen négligé, zoo als zij zich anders alleen aan hare kameniers vertoonden,—kameniersen demi toilette, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien werden,—mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de hand vonden, gehuld,—snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige schepseltjes voorwaarts. “Het was op dien weg,” om in dagbladenstijl te spreken, “eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat was eivol.”—Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja ’s middags al, iets branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand, dat het huis veel te hoog geassureerd was.Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was, de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando’s,die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in ’t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig maakt, ontbrak ook nu niet.Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak, en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is, om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren, dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen beheerschte,—van massa’s water, die in vloeijende vuurstroomen werden opgelost,—en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep: “Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!”—Een zeer hardhandig Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepasthem in deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven, welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat defoulehen een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. “Ach! ach! hoe ijselijk!” riep hij uit. “Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen redden,—voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die ongelukkige kinderen, geheelomringddoor onmeêdoogende vlammen—den dood voor oogen—zonder hunne ouders—alleen—die arme, arme bloeden!”De gestoorde nachtrust.De gestoorde nachtrust.“Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!”gromde een burger hem toe. “Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene meid, en die zitten al een uur in veiligheid.”“Geen kinderen!” mompelde Holstaff: “een raar huisgezin zonder kinderen. “Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren.”Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam, bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa’s en stoelen insluimerden, terwijl anderen,onder een calmerend kopje thee, over den brand van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder hunner een of meer dergelijkescèneshad bijgewoond, zeer geschikt om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord, maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.Hoofdstuk IV.Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden HeerKorenaar.Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk besteedt, om ’s nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren, dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont, doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schadeblootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen, zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt, dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door Q is omvergeloopen, en Z hem in defoulezeer gevoelig op de teenen heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten, het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren; althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog kamersau premierte krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om delogéste bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want zij had aan detable d’hôtetoch reeds drie zeer solide gekleede Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche, op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust; althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten, niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak, zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken te hebben.De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas gearriveerd. Zij had dien morgen eenwandeling van een half uur gedaan; maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen: “Dragen—dragen—Jantje wou niet loopen,—Mama stout—Mama Jantje dragen.”—Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen, en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de Delftsche familie.Na hetdinerbegaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunneretour, van den goeden Holstaff niets hoorden dan: “Hoe akelig was dat voor de arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige nieuwsgierigheid te denken?” toen wenschten velen der reizigers, dat Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande, dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later was teruggekomen en eenmooi cadeauvoor zijne gemalin uit Keulen had meegebragt.Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan, en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat hijde vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne gade te zeggen: “Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok gaan.” En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende: “Neen, lieve! dat juist niet.” En alzoo werd er besloten, niet met de kippen op stok te gaan.De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam, had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander ineverlastingjas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen: “Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk.”“Dat was het wel,” zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen: “Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo’n groot stuk uit, dat er maar een klein stukje van hem overbleef.”“En onze dichters hebben hem bezongen,” zei de schoolmeester.“Dat is ook zoo,” zeiden de andere Goudenaars.“En daar was er een,” ging Veervlug voort, “die, toen hem gevraagd werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:“Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht.”Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij zingt in een liedje,Rood en zwart:”Die kleuren dekten eens het hart,Des eedlen Wees in Amstels wallen;Ach! weinig dacht dien Held toen nog,Als ’t geel (de kleur van snood bedrog),Zich daaraan paart, zal ik eens vallen.”’t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de heldweinigdacht; ik had liever geweten, wat hijveeldacht. Hij wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk’s gedicht:Aan ***, mij een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis vanVan Speyk. (Wit porselein met gouden rand).”Gewis men had geen ongelijkOm ’t beeld van dapperen Van Speyk,In wit, met goud omzet, te malen;Zijn ziel zoo rein als ’t zuiver wit,Is in ’t ontsterfelijk bezitVan ’t goud van ’s hemels zalen.”Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte, en één hunner zeide: “Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten.” Dit zeggende, sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.De schoolmeester zag naar Veervlug met eenveelbeteekenendgezigt; maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt, vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan te nemen.“Heden,Mijnheer!” zei de Delftsche dame: “watte mooije versjes zijn dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef, die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles,wat je wilt; laatst nog op een kip, die in ’t water gevallen was, bij ons op ’t Oud Delft. Ik meende te scheuren van ’t lagchen, toen hij ’t me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?” ging zij voort, haren man tot getuige roepende: “ik spreek van de versjes van neef Sander.”Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de familie. Maar gaan zij somtijds verder,—dichten zij nu en dan een wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,—rijmen zij ook wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid, of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.“Wel ja, wijfje!” antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale Delftsche wederhelft: “Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook niet van hem?“De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje.”“Abuis, Papa!” viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en eenen opmerkenden geest had; “abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in staat van de trekschuit.”“O ja, de trekschuit!” zei Mevrouw Van der Kaas; “dat is ook al heel aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit.”“Ik zit niet graag in trekschuiten,” antwoordde Veervlug.“Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir,” zei Polsbroekerwoud; “daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen;ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt.”“’t Is net of ik Sander hoor,” zei Mevrouw Van der Kaas.“Dan merk ik,” riep Veervlug verontwaardigd uit, “dat uw neef nog al niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel.”“Neen maar,” zei Mevrouw, “als het op stuk van zaken aankomt is hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was:Uitboezeming aan mijne overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje. De meid, die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij staan huilen als een kind.”“Ja, vaak doet ons de dichter weenen,” merkte Holstaff aan; “althans zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde, met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduardaan de Maannalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:“Teedre maan! gij kunt mijn hartNimmer weêr bekoren—Teedre maan! uw vriendlijk schoonIs voor mij verloren!”En dan verder, daar hij schreijende zegt:“En de beek ziet staâg een traan.Met een golfje vlugten.Zilte tranen! spoeit vrij voort,Fanny voelt u vlieden—Spoeit—een bleeke straal der maanZal u slechts bespieden.”Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt, dat haar ondermijnt, en hoop geeft,spoedig onder de groene zoden naast haren Eduard te rusten.”“Je spreekt er over als een doodgraver,” zeî Pols; “je zoudt alle menschen maar in het graf willen helpen.JuffrouwFanny zal zich naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel eens bij.”“IJskoude ongevoeligheid!” bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen avond geen woord meer te spreken.De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting, die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven, en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd, en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich weêr tot de Elberfelders:“Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben, zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die zaak afvallen.”“Dat is wel waar,” zeiden zijne mede-Goudenaars.“Zoo herinner ik mij,” ging hij voort, “een vers, door een onzer dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal; hoor slechts het begin;“’t Was nagt, toen u uw moeder baarde,Een nagt, zoo zwart als immer was.”....“Met uw verlof!” viel Polsbroekerwoud in: “dat vind ik niet bijzonder krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld.”“En,” voegde Veervlug er bij, “dat het een zwarte nacht was, bewijst alleen, dat het geen lichte maan was.”“Mijnheeren,” riep de schoolmeester verontwaardigd, “op zulk eene wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden.”“Dat kunt ge ook,” zeiden de twee andere Goudenaars.“Mits,” grinnikte Veervlug, “dat er eerst inkleeding heeft plaats gehad.”Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan; maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van “de helsche geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte engelen;” en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets meer van Hollands roem te hooren.De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om, na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren.Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenenzoeten slaap geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine’s eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden, bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel, soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt “aan den stroeven wijsgeer,” die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem, dat hij moeijelijk kon te pas brengen het:“Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:Wat heeft mijn ziel al ondervondenVan droefheid, smart en kommernis,Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is.”want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht, dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt, dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van dichters zou willen toeëigenen.”Ja, geen der wreedste folteringen,Die ooit den Stervling viel te beurt,Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,Als ’t oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!Helaas! wen eensbezielden voelenHoe zalig ze in elkander zijn:Wen al het heil dat zy bedoelen,Het deelen is van vreugde en pijn:Wen ’t hart niet langer voor zich-zelven,Maar voor zijn ander harte slaat;De zucht een afgrond schijnt te delven,Die zijns Geliefden borst ontgaat.”Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog tusschen hem en Ambrosine bestond.De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken af, die anders misschien ook nog onder hetsouperzouden hebben voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers, die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord.De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap te zeggen: “Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch en onbeleefd.”“Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien,” zeiden de andere Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen van zoo nabij zagen.Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had, en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden.“Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet,” zeî de schoolmeester; “maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem van hunne natie.”“En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?” vroeg de Elberfelder.De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragthetsouperbinnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman, die, aan het einde der tafel gezeten,tea for Myladyen voor zichzelven een glasbrandy hotbesteld had, en eenige aanteekeningen in een zakboekje maakte, terwijl Mylady eenguidedoorbladerde.“Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen,” zeide de schoolmeester; “maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen ze dan te reizen?”“Maar als ze nu geen honger hebben,” zei Pols.“Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je ’s avonds om tien ure geen honger zoudt hebben. ’t Is te gek om van te spreken. Ik kan ’s avonds wel een pond vleesch aan.”“Ik ook,” zeiden de andere Goudenaars.De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen; vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: “Mama! ik heb nog geen cotelettes,” en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij, en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had, mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: “Die Evert is toch een olijke gast van een jongen.”Toen hetsouperafgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken, omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd van het gezelschap reeds op weg waren,ontmoetten zij den knecht, die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen.“Ik wou meer bessen,” riep Pietje.“Ik heb geen suiker genoeg,” riep Geertje.“Nou heb ik geen een trosje witte,” griende Aernout.De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd, had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren schreeuwen.“Aw, Aw, je doet me zeer!” huilde Antje.“Is ’t niet lekker, Pietje?” zei Polsbroekerwoud in eene heel kinderlievende bui.“Daar heb jij ook wat,” antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje toe.“Foei, Pietje!” zei Mama, en kreeg eene kleur.“’t Wordt ook al een gannefje,” zei Papa glimlachend.“Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!” zeî Pols; “dat is gezond voor kinderen.”“Ja,” zei Veervlug, “gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode aan de aalbes, van een onzer dichters:“’t Lust mij zingend u te loven,Ed’le bes, gezond en frisch!Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,Sieraad van der burgren disch!Mijne zangster, die haar toonenAan ’t eenvoudig-ed’le wijdt,Zal ook met een lied u kroonen,Die eenvoudig edel zijt.Andren zingen abrikozen;Perzik, uw verheven zoet!..”“’t Is of ik Sander hoor,” riep Mevrouw Van der Kaas.“Ja,” zeî Veervlug, “ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog ééne passage klinkt zeer schoon.“Juich, verhef u vrij, Germanje!Roem uw, druivenrijken Rijn!Juich Bourgonje, bral Champagne!De aalbes schenkt ons ed’len wijn.”“Mooi, mooi,” riep een der Elberfelders. “Kellner! hebt ge ook aalbessenwijn?”“Ja wel, Mijnheer!” zeî deKellner.“Geefmijdan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren.”Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn.De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: “Papa meê!” en Papa ging als een gehoorzaam vader meê naar boven.Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg.“Ik ook,” zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite geeuwingen voort.Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijnrétourhet geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze gelegenheid hoorbaar.“Ik heb hoofdpijn, Mama!” zeî Ambrosine, bovenkomende; “ik ga dadelijk slapen.”Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk.Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap, en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche, Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet, werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: “Ja, zoo heb ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet wien, meêdeelde,” (Torteltak wist wel aan wien, maar ’t was hem nu om ’t even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) “die waarlijk nog al interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?”“Heel gaarne,” riepen de vrienden.De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een boord, en deelde de volgende geschiedenis mede.

Hoofdstuk III.Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit, dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent, dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk, dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt, zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet, zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekendeKalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan, óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug, en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer hetsouperwerd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór hetsoupergebruikte, beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong, en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede, die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht; want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan haar denkende, wakker te worden.En Ambrosine?—Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad hebben, om slapelooze nachten door te brengen.Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring overliet.“Zeg eens, vriendje! wat moet dat?” zei Polsbroekerwoud, de deur van zijne kamer openende. “Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden.”“Wat vergissen!” zei de knecht: “ziet ge dan niet, dat het huis hiernaast in lichtelaaije vlam staat?”Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen een eenigzins suspecten gloed. “Dat is weergaês lastig,” zeide hij; “dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen.”“Dacht ik het niet!” riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: “nu zullen wij allen nog levend verbranden. ’t Is ongepermitteerd. Wij kunnen zeker de trappen niet meer af.”“Ik zeg immers niet, datdithuis in brand staat,” riep de knecht, steeds op kamerdeuren bonzende. “Kleed u maar aan. Ik kan voor niets instaan.”“Dat is anders niets,” zeide Pols, “al is de trap afgebrand. Ik heb een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken.”“Is er brand?” riep Torteltak. “Hemel, Jan! en die dames, daar van Numero 5?—Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?”“Wees bedaard, mijn vriend!” riep Pols. “Hier heb ik het koord al.” En waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw, van knoopen en een haak voorzien.“Loop naar den duivel met uwe koorden!” vloekte de ander, terwijl hij zijne elegantechamberloucomsloeg en in drift zijne lokken arrangeerde; “ik wil het lieve meisje redden.”Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen, waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen en zich niet te veel te agiteren.Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis verteerden. “Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!” riep zij wanhopig: “dat komt ook van die Kleefsche reizen.”“Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen hebt?”“Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast huizen die ’s nachts uitbranden.”Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: “Kleed u, in ’s Hemels naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw en uw arm kind verbranden?—Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!”“Wat is er, wat is er?” riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar eenneigetjeom de muts had.“Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel om.—Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in ’s Hemels naam!”Bons, bons! klonk het op de deur. “Mijnheer, sta spoedig op!” riep de knecht.“Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!” riep weldra eene andere stem, die door Ambrosine herkend werd.“Ja, wij komen!” riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes beladen, nog roepende: “Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je horologie niet.”Zonder hulp van veiligheidskoorden—want de trap stond nog zoo pal, alsof er in het geheel geen brand in de buurt was—kwamen al de reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed, behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden; het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op, waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet in den weg kwamen, en dan was het: “Wat ik u bidden mag, een weinigje plaats; maar wees toch bedaard! Op mijnwoord,die agitatie is meer hinderlijk dan nuttig.”Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte, die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg: “Waarheen?”“Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!”De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: “Wat jou goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed heenkomen.”Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg: “Wat is hier te doen?”De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus geene schitterende uniform droeg.“Eene schreeuwende onregtvaardigheid,” riep Pols. “Ikben Joachim Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil dat mij regt geschiede.”“Blijf maar hier bij uw goed,” zeî de Mijnheer, “of breng het naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan.”“Alderbest, Mijnheer!” zeî de serjant, die in het dagelijksch leven Stoffel scheen genaamd te worden.Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene klare denkbeelden van hetjus possessionisscheen te hebben, den last voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd, in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen, toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd, kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit, om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote steden,vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten, de schutters die hetpiquet hebben, de zakkenrollers,—in één woord, de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen, en de nachtwachts, wie het woordekebrandin de keel verroest is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand, dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd was, bleef in zijne woning; damesen négligé, zoo als zij zich anders alleen aan hare kameniers vertoonden,—kameniersen demi toilette, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien werden,—mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de hand vonden, gehuld,—snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige schepseltjes voorwaarts. “Het was op dien weg,” om in dagbladenstijl te spreken, “eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat was eivol.”—Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja ’s middags al, iets branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand, dat het huis veel te hoog geassureerd was.Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was, de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando’s,die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in ’t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig maakt, ontbrak ook nu niet.Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak, en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is, om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren, dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen beheerschte,—van massa’s water, die in vloeijende vuurstroomen werden opgelost,—en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep: “Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!”—Een zeer hardhandig Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepasthem in deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven, welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat defoulehen een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. “Ach! ach! hoe ijselijk!” riep hij uit. “Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen redden,—voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die ongelukkige kinderen, geheelomringddoor onmeêdoogende vlammen—den dood voor oogen—zonder hunne ouders—alleen—die arme, arme bloeden!”De gestoorde nachtrust.De gestoorde nachtrust.“Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!”gromde een burger hem toe. “Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene meid, en die zitten al een uur in veiligheid.”“Geen kinderen!” mompelde Holstaff: “een raar huisgezin zonder kinderen. “Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren.”Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam, bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa’s en stoelen insluimerden, terwijl anderen,onder een calmerend kopje thee, over den brand van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder hunner een of meer dergelijkescèneshad bijgewoond, zeer geschikt om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord, maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.

Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.

Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.

De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit, dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent, dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk, dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt, zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet, zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekendeKalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan, óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug, en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer hetsouperwerd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór hetsoupergebruikte, beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong, en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.

Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede, die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht; want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan haar denkende, wakker te worden.

En Ambrosine?—Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad hebben, om slapelooze nachten door te brengen.

Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring overliet.

“Zeg eens, vriendje! wat moet dat?” zei Polsbroekerwoud, de deur van zijne kamer openende. “Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden.”

“Wat vergissen!” zei de knecht: “ziet ge dan niet, dat het huis hiernaast in lichtelaaije vlam staat?”

Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen een eenigzins suspecten gloed. “Dat is weergaês lastig,” zeide hij; “dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen.”

“Dacht ik het niet!” riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: “nu zullen wij allen nog levend verbranden. ’t Is ongepermitteerd. Wij kunnen zeker de trappen niet meer af.”

“Ik zeg immers niet, datdithuis in brand staat,” riep de knecht, steeds op kamerdeuren bonzende. “Kleed u maar aan. Ik kan voor niets instaan.”

“Dat is anders niets,” zeide Pols, “al is de trap afgebrand. Ik heb een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken.”

“Is er brand?” riep Torteltak. “Hemel, Jan! en die dames, daar van Numero 5?—Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?”

“Wees bedaard, mijn vriend!” riep Pols. “Hier heb ik het koord al.” En waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw, van knoopen en een haak voorzien.

“Loop naar den duivel met uwe koorden!” vloekte de ander, terwijl hij zijne elegantechamberloucomsloeg en in drift zijne lokken arrangeerde; “ik wil het lieve meisje redden.”

Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen, waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen en zich niet te veel te agiteren.

Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis verteerden. “Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!” riep zij wanhopig: “dat komt ook van die Kleefsche reizen.”

“Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen hebt?”

“Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast huizen die ’s nachts uitbranden.”

Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: “Kleed u, in ’s Hemels naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw en uw arm kind verbranden?—Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!”

“Wat is er, wat is er?” riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar eenneigetjeom de muts had.

“Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel om.—Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in ’s Hemels naam!”

Bons, bons! klonk het op de deur. “Mijnheer, sta spoedig op!” riep de knecht.

“Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!” riep weldra eene andere stem, die door Ambrosine herkend werd.

“Ja, wij komen!” riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes beladen, nog roepende: “Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je horologie niet.”

Zonder hulp van veiligheidskoorden—want de trap stond nog zoo pal, alsof er in het geheel geen brand in de buurt was—kwamen al de reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed, behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden; het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op, waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet in den weg kwamen, en dan was het: “Wat ik u bidden mag, een weinigje plaats; maar wees toch bedaard! Op mijnwoord,die agitatie is meer hinderlijk dan nuttig.”

Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte, die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg: “Waarheen?”

“Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!”

De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: “Wat jou goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed heenkomen.”

Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg: “Wat is hier te doen?”

De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus geene schitterende uniform droeg.

“Eene schreeuwende onregtvaardigheid,” riep Pols. “Ikben Joachim Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil dat mij regt geschiede.”

“Blijf maar hier bij uw goed,” zeî de Mijnheer, “of breng het naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan.”

“Alderbest, Mijnheer!” zeî de serjant, die in het dagelijksch leven Stoffel scheen genaamd te worden.

Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene klare denkbeelden van hetjus possessionisscheen te hebben, den last voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd, in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen, toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd, kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit, om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.

Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote steden,vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten, de schutters die hetpiquet hebben, de zakkenrollers,—in één woord, de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen, en de nachtwachts, wie het woordekebrandin de keel verroest is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand, dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd was, bleef in zijne woning; damesen négligé, zoo als zij zich anders alleen aan hare kameniers vertoonden,—kameniersen demi toilette, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien werden,—mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de hand vonden, gehuld,—snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige schepseltjes voorwaarts. “Het was op dien weg,” om in dagbladenstijl te spreken, “eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat was eivol.”—Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja ’s middags al, iets branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand, dat het huis veel te hoog geassureerd was.

Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was, de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando’s,die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in ’t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig maakt, ontbrak ook nu niet.

Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak, en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is, om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren, dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen beheerschte,—van massa’s water, die in vloeijende vuurstroomen werden opgelost,—en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep: “Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!”—Een zeer hardhandig Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepasthem in deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven, welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat defoulehen een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. “Ach! ach! hoe ijselijk!” riep hij uit. “Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen redden,—voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die ongelukkige kinderen, geheelomringddoor onmeêdoogende vlammen—den dood voor oogen—zonder hunne ouders—alleen—die arme, arme bloeden!”

De gestoorde nachtrust.De gestoorde nachtrust.

De gestoorde nachtrust.

“Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!”gromde een burger hem toe. “Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene meid, en die zitten al een uur in veiligheid.”

“Geen kinderen!” mompelde Holstaff: “een raar huisgezin zonder kinderen. “Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren.”

Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam, bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa’s en stoelen insluimerden, terwijl anderen,onder een calmerend kopje thee, over den brand van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder hunner een of meer dergelijkescèneshad bijgewoond, zeer geschikt om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord, maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.

Hoofdstuk IV.Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden HeerKorenaar.Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk besteedt, om ’s nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren, dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont, doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schadeblootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen, zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt, dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door Q is omvergeloopen, en Z hem in defoulezeer gevoelig op de teenen heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten, het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren; althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog kamersau premierte krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om delogéste bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want zij had aan detable d’hôtetoch reeds drie zeer solide gekleede Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche, op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust; althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten, niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak, zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken te hebben.De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas gearriveerd. Zij had dien morgen eenwandeling van een half uur gedaan; maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen: “Dragen—dragen—Jantje wou niet loopen,—Mama stout—Mama Jantje dragen.”—Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen, en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de Delftsche familie.Na hetdinerbegaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunneretour, van den goeden Holstaff niets hoorden dan: “Hoe akelig was dat voor de arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige nieuwsgierigheid te denken?” toen wenschten velen der reizigers, dat Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande, dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later was teruggekomen en eenmooi cadeauvoor zijne gemalin uit Keulen had meegebragt.Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan, en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat hijde vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne gade te zeggen: “Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok gaan.” En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende: “Neen, lieve! dat juist niet.” En alzoo werd er besloten, niet met de kippen op stok te gaan.De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam, had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander ineverlastingjas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen: “Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk.”“Dat was het wel,” zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen: “Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo’n groot stuk uit, dat er maar een klein stukje van hem overbleef.”“En onze dichters hebben hem bezongen,” zei de schoolmeester.“Dat is ook zoo,” zeiden de andere Goudenaars.“En daar was er een,” ging Veervlug voort, “die, toen hem gevraagd werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:“Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht.”Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij zingt in een liedje,Rood en zwart:”Die kleuren dekten eens het hart,Des eedlen Wees in Amstels wallen;Ach! weinig dacht dien Held toen nog,Als ’t geel (de kleur van snood bedrog),Zich daaraan paart, zal ik eens vallen.”’t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de heldweinigdacht; ik had liever geweten, wat hijveeldacht. Hij wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk’s gedicht:Aan ***, mij een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis vanVan Speyk. (Wit porselein met gouden rand).”Gewis men had geen ongelijkOm ’t beeld van dapperen Van Speyk,In wit, met goud omzet, te malen;Zijn ziel zoo rein als ’t zuiver wit,Is in ’t ontsterfelijk bezitVan ’t goud van ’s hemels zalen.”Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte, en één hunner zeide: “Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten.” Dit zeggende, sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.De schoolmeester zag naar Veervlug met eenveelbeteekenendgezigt; maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt, vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan te nemen.“Heden,Mijnheer!” zei de Delftsche dame: “watte mooije versjes zijn dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef, die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles,wat je wilt; laatst nog op een kip, die in ’t water gevallen was, bij ons op ’t Oud Delft. Ik meende te scheuren van ’t lagchen, toen hij ’t me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?” ging zij voort, haren man tot getuige roepende: “ik spreek van de versjes van neef Sander.”Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de familie. Maar gaan zij somtijds verder,—dichten zij nu en dan een wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,—rijmen zij ook wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid, of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.“Wel ja, wijfje!” antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale Delftsche wederhelft: “Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook niet van hem?“De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje.”“Abuis, Papa!” viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en eenen opmerkenden geest had; “abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in staat van de trekschuit.”“O ja, de trekschuit!” zei Mevrouw Van der Kaas; “dat is ook al heel aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit.”“Ik zit niet graag in trekschuiten,” antwoordde Veervlug.“Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir,” zei Polsbroekerwoud; “daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen;ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt.”“’t Is net of ik Sander hoor,” zei Mevrouw Van der Kaas.“Dan merk ik,” riep Veervlug verontwaardigd uit, “dat uw neef nog al niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel.”“Neen maar,” zei Mevrouw, “als het op stuk van zaken aankomt is hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was:Uitboezeming aan mijne overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje. De meid, die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij staan huilen als een kind.”“Ja, vaak doet ons de dichter weenen,” merkte Holstaff aan; “althans zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde, met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduardaan de Maannalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:“Teedre maan! gij kunt mijn hartNimmer weêr bekoren—Teedre maan! uw vriendlijk schoonIs voor mij verloren!”En dan verder, daar hij schreijende zegt:“En de beek ziet staâg een traan.Met een golfje vlugten.Zilte tranen! spoeit vrij voort,Fanny voelt u vlieden—Spoeit—een bleeke straal der maanZal u slechts bespieden.”Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt, dat haar ondermijnt, en hoop geeft,spoedig onder de groene zoden naast haren Eduard te rusten.”“Je spreekt er over als een doodgraver,” zeî Pols; “je zoudt alle menschen maar in het graf willen helpen.JuffrouwFanny zal zich naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel eens bij.”“IJskoude ongevoeligheid!” bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen avond geen woord meer te spreken.De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting, die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven, en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd, en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich weêr tot de Elberfelders:“Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben, zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die zaak afvallen.”“Dat is wel waar,” zeiden zijne mede-Goudenaars.“Zoo herinner ik mij,” ging hij voort, “een vers, door een onzer dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal; hoor slechts het begin;“’t Was nagt, toen u uw moeder baarde,Een nagt, zoo zwart als immer was.”....“Met uw verlof!” viel Polsbroekerwoud in: “dat vind ik niet bijzonder krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld.”“En,” voegde Veervlug er bij, “dat het een zwarte nacht was, bewijst alleen, dat het geen lichte maan was.”“Mijnheeren,” riep de schoolmeester verontwaardigd, “op zulk eene wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden.”“Dat kunt ge ook,” zeiden de twee andere Goudenaars.“Mits,” grinnikte Veervlug, “dat er eerst inkleeding heeft plaats gehad.”Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan; maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van “de helsche geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte engelen;” en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets meer van Hollands roem te hooren.De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om, na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren.Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenenzoeten slaap geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine’s eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden, bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel, soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt “aan den stroeven wijsgeer,” die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem, dat hij moeijelijk kon te pas brengen het:“Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:Wat heeft mijn ziel al ondervondenVan droefheid, smart en kommernis,Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is.”want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht, dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt, dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van dichters zou willen toeëigenen.”Ja, geen der wreedste folteringen,Die ooit den Stervling viel te beurt,Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,Als ’t oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!Helaas! wen eensbezielden voelenHoe zalig ze in elkander zijn:Wen al het heil dat zy bedoelen,Het deelen is van vreugde en pijn:Wen ’t hart niet langer voor zich-zelven,Maar voor zijn ander harte slaat;De zucht een afgrond schijnt te delven,Die zijns Geliefden borst ontgaat.”Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog tusschen hem en Ambrosine bestond.De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken af, die anders misschien ook nog onder hetsouperzouden hebben voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers, die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord.De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap te zeggen: “Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch en onbeleefd.”“Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien,” zeiden de andere Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen van zoo nabij zagen.Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had, en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden.“Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet,” zeî de schoolmeester; “maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem van hunne natie.”“En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?” vroeg de Elberfelder.De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragthetsouperbinnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman, die, aan het einde der tafel gezeten,tea for Myladyen voor zichzelven een glasbrandy hotbesteld had, en eenige aanteekeningen in een zakboekje maakte, terwijl Mylady eenguidedoorbladerde.“Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen,” zeide de schoolmeester; “maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen ze dan te reizen?”“Maar als ze nu geen honger hebben,” zei Pols.“Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je ’s avonds om tien ure geen honger zoudt hebben. ’t Is te gek om van te spreken. Ik kan ’s avonds wel een pond vleesch aan.”“Ik ook,” zeiden de andere Goudenaars.De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen; vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: “Mama! ik heb nog geen cotelettes,” en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij, en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had, mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: “Die Evert is toch een olijke gast van een jongen.”Toen hetsouperafgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken, omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd van het gezelschap reeds op weg waren,ontmoetten zij den knecht, die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen.“Ik wou meer bessen,” riep Pietje.“Ik heb geen suiker genoeg,” riep Geertje.“Nou heb ik geen een trosje witte,” griende Aernout.De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd, had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren schreeuwen.“Aw, Aw, je doet me zeer!” huilde Antje.“Is ’t niet lekker, Pietje?” zei Polsbroekerwoud in eene heel kinderlievende bui.“Daar heb jij ook wat,” antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje toe.“Foei, Pietje!” zei Mama, en kreeg eene kleur.“’t Wordt ook al een gannefje,” zei Papa glimlachend.“Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!” zeî Pols; “dat is gezond voor kinderen.”“Ja,” zei Veervlug, “gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode aan de aalbes, van een onzer dichters:“’t Lust mij zingend u te loven,Ed’le bes, gezond en frisch!Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,Sieraad van der burgren disch!Mijne zangster, die haar toonenAan ’t eenvoudig-ed’le wijdt,Zal ook met een lied u kroonen,Die eenvoudig edel zijt.Andren zingen abrikozen;Perzik, uw verheven zoet!..”“’t Is of ik Sander hoor,” riep Mevrouw Van der Kaas.“Ja,” zeî Veervlug, “ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog ééne passage klinkt zeer schoon.“Juich, verhef u vrij, Germanje!Roem uw, druivenrijken Rijn!Juich Bourgonje, bral Champagne!De aalbes schenkt ons ed’len wijn.”“Mooi, mooi,” riep een der Elberfelders. “Kellner! hebt ge ook aalbessenwijn?”“Ja wel, Mijnheer!” zeî deKellner.“Geefmijdan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren.”Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn.De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: “Papa meê!” en Papa ging als een gehoorzaam vader meê naar boven.Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg.“Ik ook,” zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite geeuwingen voort.Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijnrétourhet geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze gelegenheid hoorbaar.“Ik heb hoofdpijn, Mama!” zeî Ambrosine, bovenkomende; “ik ga dadelijk slapen.”Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk.Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap, en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche, Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet, werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: “Ja, zoo heb ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet wien, meêdeelde,” (Torteltak wist wel aan wien, maar ’t was hem nu om ’t even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) “die waarlijk nog al interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?”“Heel gaarne,” riepen de vrienden.De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een boord, en deelde de volgende geschiedenis mede.

Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden HeerKorenaar.

Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden HeerKorenaar.

Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk besteedt, om ’s nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren, dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont, doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schadeblootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen, zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt, dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door Q is omvergeloopen, en Z hem in defoulezeer gevoelig op de teenen heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.

Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten, het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren; althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog kamersau premierte krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om delogéste bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want zij had aan detable d’hôtetoch reeds drie zeer solide gekleede Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche, op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust; althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten, niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak, zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken te hebben.

De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas gearriveerd. Zij had dien morgen eenwandeling van een half uur gedaan; maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen: “Dragen—dragen—Jantje wou niet loopen,—Mama stout—Mama Jantje dragen.”—Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen, en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de Delftsche familie.

Na hetdinerbegaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunneretour, van den goeden Holstaff niets hoorden dan: “Hoe akelig was dat voor de arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige nieuwsgierigheid te denken?” toen wenschten velen der reizigers, dat Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande, dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later was teruggekomen en eenmooi cadeauvoor zijne gemalin uit Keulen had meegebragt.

Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan, en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat hijde vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne gade te zeggen: “Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok gaan.” En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende: “Neen, lieve! dat juist niet.” En alzoo werd er besloten, niet met de kippen op stok te gaan.

De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam, had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander ineverlastingjas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen: “Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk.”

“Dat was het wel,” zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen: “Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo’n groot stuk uit, dat er maar een klein stukje van hem overbleef.”

“En onze dichters hebben hem bezongen,” zei de schoolmeester.

“Dat is ook zoo,” zeiden de andere Goudenaars.

“En daar was er een,” ging Veervlug voort, “die, toen hem gevraagd werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:

“Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht.”

“Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht.”

Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij zingt in een liedje,Rood en zwart:

”Die kleuren dekten eens het hart,Des eedlen Wees in Amstels wallen;Ach! weinig dacht dien Held toen nog,Als ’t geel (de kleur van snood bedrog),Zich daaraan paart, zal ik eens vallen.”

”Die kleuren dekten eens het hart,

Des eedlen Wees in Amstels wallen;

Ach! weinig dacht dien Held toen nog,

Als ’t geel (de kleur van snood bedrog),

Zich daaraan paart, zal ik eens vallen.”

’t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de heldweinigdacht; ik had liever geweten, wat hijveeldacht. Hij wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk’s gedicht:Aan ***, mij een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis vanVan Speyk. (Wit porselein met gouden rand).

”Gewis men had geen ongelijkOm ’t beeld van dapperen Van Speyk,In wit, met goud omzet, te malen;Zijn ziel zoo rein als ’t zuiver wit,Is in ’t ontsterfelijk bezitVan ’t goud van ’s hemels zalen.”

”Gewis men had geen ongelijk

Om ’t beeld van dapperen Van Speyk,

In wit, met goud omzet, te malen;

Zijn ziel zoo rein als ’t zuiver wit,

Is in ’t ontsterfelijk bezit

Van ’t goud van ’s hemels zalen.”

Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte, en één hunner zeide: “Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten.” Dit zeggende, sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.

De schoolmeester zag naar Veervlug met eenveelbeteekenendgezigt; maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt, vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan te nemen.

“Heden,Mijnheer!” zei de Delftsche dame: “watte mooije versjes zijn dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef, die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles,wat je wilt; laatst nog op een kip, die in ’t water gevallen was, bij ons op ’t Oud Delft. Ik meende te scheuren van ’t lagchen, toen hij ’t me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?” ging zij voort, haren man tot getuige roepende: “ik spreek van de versjes van neef Sander.”

Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de familie. Maar gaan zij somtijds verder,—dichten zij nu en dan een wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,—rijmen zij ook wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid, of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.

“Wel ja, wijfje!” antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale Delftsche wederhelft: “Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook niet van hem?

“De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje.”

“De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje.”

“Abuis, Papa!” viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en eenen opmerkenden geest had; “abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in staat van de trekschuit.”

“O ja, de trekschuit!” zei Mevrouw Van der Kaas; “dat is ook al heel aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit.”

“Ik zit niet graag in trekschuiten,” antwoordde Veervlug.

“Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir,” zei Polsbroekerwoud; “daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen;ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt.”

“’t Is net of ik Sander hoor,” zei Mevrouw Van der Kaas.

“Dan merk ik,” riep Veervlug verontwaardigd uit, “dat uw neef nog al niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel.”

“Neen maar,” zei Mevrouw, “als het op stuk van zaken aankomt is hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was:Uitboezeming aan mijne overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje. De meid, die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij staan huilen als een kind.”

“Ja, vaak doet ons de dichter weenen,” merkte Holstaff aan; “althans zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde, met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduardaan de Maannalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:

“Teedre maan! gij kunt mijn hartNimmer weêr bekoren—Teedre maan! uw vriendlijk schoonIs voor mij verloren!”

“Teedre maan! gij kunt mijn hart

Nimmer weêr bekoren—

Teedre maan! uw vriendlijk schoon

Is voor mij verloren!”

En dan verder, daar hij schreijende zegt:

“En de beek ziet staâg een traan.Met een golfje vlugten.

“En de beek ziet staâg een traan.

Met een golfje vlugten.

Zilte tranen! spoeit vrij voort,Fanny voelt u vlieden—Spoeit—een bleeke straal der maanZal u slechts bespieden.”

Zilte tranen! spoeit vrij voort,

Fanny voelt u vlieden—

Spoeit—een bleeke straal der maan

Zal u slechts bespieden.”

Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt, dat haar ondermijnt, en hoop geeft,spoedig onder de groene zoden naast haren Eduard te rusten.”

“Je spreekt er over als een doodgraver,” zeî Pols; “je zoudt alle menschen maar in het graf willen helpen.JuffrouwFanny zal zich naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel eens bij.”

“IJskoude ongevoeligheid!” bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen avond geen woord meer te spreken.

De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting, die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven, en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd, en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich weêr tot de Elberfelders:

“Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben, zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die zaak afvallen.”

“Dat is wel waar,” zeiden zijne mede-Goudenaars.

“Zoo herinner ik mij,” ging hij voort, “een vers, door een onzer dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal; hoor slechts het begin;

“’t Was nagt, toen u uw moeder baarde,Een nagt, zoo zwart als immer was.”....

“’t Was nagt, toen u uw moeder baarde,

Een nagt, zoo zwart als immer was.”....

“Met uw verlof!” viel Polsbroekerwoud in: “dat vind ik niet bijzonder krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld.”

“En,” voegde Veervlug er bij, “dat het een zwarte nacht was, bewijst alleen, dat het geen lichte maan was.”

“Mijnheeren,” riep de schoolmeester verontwaardigd, “op zulk eene wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden.”

“Dat kunt ge ook,” zeiden de twee andere Goudenaars.

“Mits,” grinnikte Veervlug, “dat er eerst inkleeding heeft plaats gehad.”

Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan; maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van “de helsche geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte engelen;” en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets meer van Hollands roem te hooren.

De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om, na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren.

Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenenzoeten slaap geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine’s eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden, bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel, soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt “aan den stroeven wijsgeer,” die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem, dat hij moeijelijk kon te pas brengen het:

“Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:Wat heeft mijn ziel al ondervondenVan droefheid, smart en kommernis,Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is.”

“Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:

Wat heeft mijn ziel al ondervonden

Van droefheid, smart en kommernis,

Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is.”

want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht, dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt, dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van dichters zou willen toeëigenen.

”Ja, geen der wreedste folteringen,Die ooit den Stervling viel te beurt,Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,Als ’t oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!

”Ja, geen der wreedste folteringen,

Die ooit den Stervling viel te beurt,

Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,

Als ’t oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!

Helaas! wen eensbezielden voelenHoe zalig ze in elkander zijn:Wen al het heil dat zy bedoelen,Het deelen is van vreugde en pijn:

Helaas! wen eensbezielden voelen

Hoe zalig ze in elkander zijn:

Wen al het heil dat zy bedoelen,

Het deelen is van vreugde en pijn:

Wen ’t hart niet langer voor zich-zelven,Maar voor zijn ander harte slaat;De zucht een afgrond schijnt te delven,Die zijns Geliefden borst ontgaat.”

Wen ’t hart niet langer voor zich-zelven,

Maar voor zijn ander harte slaat;

De zucht een afgrond schijnt te delven,

Die zijns Geliefden borst ontgaat.”

Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog tusschen hem en Ambrosine bestond.

De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken af, die anders misschien ook nog onder hetsouperzouden hebben voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers, die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord.

De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap te zeggen: “Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch en onbeleefd.”

“Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien,” zeiden de andere Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen van zoo nabij zagen.

Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had, en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden.

“Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet,” zeî de schoolmeester; “maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem van hunne natie.”

“En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?” vroeg de Elberfelder.

De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragthetsouperbinnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman, die, aan het einde der tafel gezeten,tea for Myladyen voor zichzelven een glasbrandy hotbesteld had, en eenige aanteekeningen in een zakboekje maakte, terwijl Mylady eenguidedoorbladerde.

“Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen,” zeide de schoolmeester; “maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen ze dan te reizen?”

“Maar als ze nu geen honger hebben,” zei Pols.

“Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je ’s avonds om tien ure geen honger zoudt hebben. ’t Is te gek om van te spreken. Ik kan ’s avonds wel een pond vleesch aan.”

“Ik ook,” zeiden de andere Goudenaars.

De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen; vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: “Mama! ik heb nog geen cotelettes,” en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij, en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had, mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: “Die Evert is toch een olijke gast van een jongen.”

Toen hetsouperafgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken, omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd van het gezelschap reeds op weg waren,ontmoetten zij den knecht, die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen.

“Ik wou meer bessen,” riep Pietje.

“Ik heb geen suiker genoeg,” riep Geertje.

“Nou heb ik geen een trosje witte,” griende Aernout.

De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd, had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren schreeuwen.

“Aw, Aw, je doet me zeer!” huilde Antje.

“Is ’t niet lekker, Pietje?” zei Polsbroekerwoud in eene heel kinderlievende bui.

“Daar heb jij ook wat,” antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje toe.

“Foei, Pietje!” zei Mama, en kreeg eene kleur.

“’t Wordt ook al een gannefje,” zei Papa glimlachend.

“Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!” zeî Pols; “dat is gezond voor kinderen.”

“Ja,” zei Veervlug, “gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode aan de aalbes, van een onzer dichters:

“’t Lust mij zingend u te loven,Ed’le bes, gezond en frisch!Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,Sieraad van der burgren disch!Mijne zangster, die haar toonenAan ’t eenvoudig-ed’le wijdt,Zal ook met een lied u kroonen,Die eenvoudig edel zijt.

“’t Lust mij zingend u te loven,

Ed’le bes, gezond en frisch!

Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,

Sieraad van der burgren disch!

Mijne zangster, die haar toonen

Aan ’t eenvoudig-ed’le wijdt,

Zal ook met een lied u kroonen,

Die eenvoudig edel zijt.

Andren zingen abrikozen;Perzik, uw verheven zoet!..”

Andren zingen abrikozen;

Perzik, uw verheven zoet!..”

“’t Is of ik Sander hoor,” riep Mevrouw Van der Kaas.

“Ja,” zeî Veervlug, “ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog ééne passage klinkt zeer schoon.

“Juich, verhef u vrij, Germanje!Roem uw, druivenrijken Rijn!Juich Bourgonje, bral Champagne!De aalbes schenkt ons ed’len wijn.”

“Juich, verhef u vrij, Germanje!

Roem uw, druivenrijken Rijn!

Juich Bourgonje, bral Champagne!

De aalbes schenkt ons ed’len wijn.”

“Mooi, mooi,” riep een der Elberfelders. “Kellner! hebt ge ook aalbessenwijn?”

“Ja wel, Mijnheer!” zeî deKellner.

“Geefmijdan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren.”

Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn.

De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: “Papa meê!” en Papa ging als een gehoorzaam vader meê naar boven.

Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg.

“Ik ook,” zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite geeuwingen voort.

Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijnrétourhet geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze gelegenheid hoorbaar.

“Ik heb hoofdpijn, Mama!” zeî Ambrosine, bovenkomende; “ik ga dadelijk slapen.”

Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk.

Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap, en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche, Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet, werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: “Ja, zoo heb ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet wien, meêdeelde,” (Torteltak wist wel aan wien, maar ’t was hem nu om ’t even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) “die waarlijk nog al interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?”

“Heel gaarne,” riepen de vrienden.

De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een boord, en deelde de volgende geschiedenis mede.


Back to IndexNext