Hoofdstuk VII.

Hoofdstuk VII.Keulen.—Bonn.—Men ontmoet interessante levenden, maar nog interessanter dooden.In het hôtelBelle-vue, over de schipbrug te Keulen, zaten Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats voor deze deelen des aangezigts aan die “wil reysen door het lant,” voorschrijft, als hij zegt:“Hebt vooreerst een esels oyr,”en“Hebt dan nogh een verkensmuyl.”Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijkaan wereldsch goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde, en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aanbeaux restes, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn, dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu, in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat hare laatste en misschien eenige liefdede volmaakte Kokwas. Aan hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende, sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende, ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid; zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamschekalfskop of een goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de kenteekenen, dat zij “den mensch een volmaakbaar wezen” beschouwde.“De Heeren schijnen ook Hollanders?” zei Mijnheer Dufduin, zich tot Torteltak wendende, “maar zeker niet van Amsterdam.”Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend.“En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons plan. Ik zei in ’t voorjaar tegen mijne vrouw: “Kind! wij konden ook wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch, wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?”“Verleden Donderdag,” was het antwoord van een der Heeren: “wij komen nu van Aken.”“Te duiker!” riep Mijnheer Dufduin, “dat noem ik vlug reizen. Neen, wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat ’s wel een aardig stadje, dat Munster; maar ’t is Amsterdam niet.”“En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam,” zei de zuster, die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. “Verbeeld u eens, Mijnheer!” zich tot Pols wendende: “daar hadden wij slaboontjes, doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie gestoofd.En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer hadden, in dezen tijd van ’t jaar?”“Misschien doperwtjes,” zei Pols heel goedig.“Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik hier naast u zit,—witte kool, in de maand Juli!”Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden.“Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen, dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook, dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding.”“Wat lastig is,” zei Mijnheer, “dat je hier geenHandelsbladhebt.”“En geen nieuwe haring,” viel Juffrouw Dufduin in. “Hebt u daar ook iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van ’t jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten jager.—Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben.”Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediendebouilli.“En hebt u de Cathedrale gezien?” vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin: “vindt u die niet heerlijk mooi?”“Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,—let wel: voor zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid zijn. ’t Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk.”“Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?”“Ja wel, ’t is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt; maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid, en de preêkstoel is superber.”“En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de Pieterskerk?” vroeg Holstaff.“Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi.”Successivelijk maakte JuffrouwDufduin, die copieus dineerde, hare aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de pudding was zoo overheerlijk, dat zij denKellnerverzocht haar daarvan het recept te bezorgen.Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen, dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te zullen ontmoeten, alleraangenaamst.Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in het Hollandsche album van het logementZum Sternte Bonn geteekend, en den kastelein op hethart gedrukt om hetHandelsblad, dat zij daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie, die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden.“Dat zijn wij de Heeren voor geweest,” riep Mijnheer. “Kijk! dat moet je gaan zien, ’t is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben.”“En let eens,” fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, “op hetsoupervan dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar gebakken aardappelen met zuring en krenten.”“Tot weêrziens!” riep Mijnheer de vrienden na.Torteltak mompelde tot antwoord:“Fare thee well! and if for ever,Still for ever, fare thee well!”Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen grafkelder,waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen in het midden der dooden verplaatst vonden.De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: “Het is toch vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt.”“Maar het is niet vreemd,” zei Torteltak, “dat het gezigt van lijken alle stervelingen tot ernst stemt.”“Met uitzondering van lachende hyena’s en doodgravers,” viel Veervlug in.“Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen zie,” zei Holstaff; “maar toch, daar is iets zoets voor mij in die treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren.”“Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd doen afwenden,” zei De Morder.“Ja, daar is wel iets van aan,” merkte Pols op. “Hoort eens! ik kan wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het toch nog al akelig.”“Maar wat is hier dan akeligs?’ vroeg Veervlug: “zoo ergens, dan kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere koude dan die des doods gevoelen?”“Niet waar?” zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw naar de nabijzijnde doodenuitstrekte: “niet waar? zij rusten hier goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust kunnen verstoren.—Maar,” ging hij zuchtende voort, “niet altijd zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten, en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben, en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden.”De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een verzegeld pakje liggen.“Ziet gij hier,” ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, “deze drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar, broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden gestorven. En die laatste, broeder Bastiande Gartner, met den palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En toen zij nu als zijne bruidstierf en in de aarde is moeten begraven worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet, de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette, is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden.”“Leef nog lang, goede grijsaard!” wenschten de vrienden hem toe, daar zij het grafgewelf verlieten.“Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien,” antwoordde de oude man.In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld:De frissche Dooden het verwelkte Leven.Het is ongelukkigerwijze verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd kunnen worden, hem te hebben bestolen.Hoofdstuk VIII.Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk, een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met hetTe Deuminstemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen alles zondereenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen mond de aanmerking hoort; “te duiker! dat is nog een andere klim dan eene Amsterdamsche sluis!” dan zult gij met leedwezen bemerken, dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt; voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den uitval doet: “zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien hier in het wild groeien,” dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten, en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: “Daar zal een ontbijt op smaken!”“Dat zal het wel,” antwoordde zij. “Wij hebben ook thee met de machine besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker.”“Het uitzigt,” zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich slaande, “heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg, behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster aankomen.”Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het uitzigt op het Tolhuis te vinden.De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde zijne vrouw toe: “Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien.”Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug, terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, “dat dalen toch eigenlijk gaauwer ging dan klimmen.”Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de ossentong ontbroken had, maar door overheerlijkesaucissede Bolognegeremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van ontwijkende beweging, die dencavalierwat onverwacht voorkwam, en hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende gevolgen, en met een grootheid van ziel, aansommigen in het ongeluk eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken: “het is niets,” en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige; weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort, en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij het onaangename van hunnen toestand gevoelden.Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis, in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten, sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten, de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug, die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de teugels te grijpen, zouden zijgeen poot meer verzet hebben. Terwijl De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde, en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld, om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven; Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de aanmerking makende, “dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet ligt gebeuren zou.” Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen, dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om ’s middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot of vleugels hadden bekomen.Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.Eene onaangename positieEene onaangename positieNa de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander rijtuig voor. Pols, die, in zijnijver om de Amsterdamsche familie van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen, en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette, op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden, vonden zij de Dufduins en Pols in hetWirthshausaldaar, zeer op hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.“Welkom, Heeren!” riep de oude Heer hun toe: “wij zitten hier onder den kruiderwijn; maar ’t is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden.”“Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet,” zei de vette zuster van Dufduin; “maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend oudbakken.”De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken, omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekeloozevrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden, die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens, HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne toch ook allercharmantst was.Men keerde weldra naar hetWirthshausterug, om af te rekenen, en was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde overtuigen, datzijgelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan, dat deDrachenfelsnog met volle regt haren naam mogt behouden.Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende, een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche, levenslustige boerendeern voortkwam; en dat hetgeen lied was, uit het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk uit het refrein van ieder couplet:“Und er erwidert meine Küsse;Welche namelose Lust!”En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt, en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck eendinergebruikt, en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot ’s avonds bespaard, omdat men meerdelicesin het kleine logement vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag, schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.“Die Dufduins zijn toch verbazend duf,” zei Veervlug, toen zij de rots beklommen.“Zeg het zoo luid niet!” zei Torteltak: “ik geloof dat onze waardige Pols nog al van de dames gecharmeerd is.”“Neen maar waarlijk,” zei Pols, “de menschen zijn nog zoo kwaad niet.Zij zijn nu juist geen overvliegers.....”“Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen,” viel Veervlug in.Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De Morder maakte de galanteopmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje, met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte, tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken, maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren, dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitschechanteuse.Juist toen de vrienden naderden, was het lied geëindigd. “Bravo! bravo!Schön! wahrhaftig schön!” klonk het uit aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder, en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan zich zulke treurigesouvenirshechtten.“Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!” riep eene stem.“O ja, Toggenburg!” acclameerden allen.“Zou het mogelijk zijn? o Hemel!” zuchtte Holstaff, die zeer goed wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.“Wohlan! der Ritter!” riep het meisje. Zij stemde hare guitar, en zong de treurige ballade van Schiller.Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:“Und so sass er, eine Leiche,Eines Morgens da;Nach dem Fenster noch das bleicheStille Antlitz sah.”De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde zich dat hij nog leefde, toen het onstuimigbravovan het geheele gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.“’t Is waarlijk charmant,” zei Pols: “die dame zingt als een lijster.”“Kon jij maar zoo’n lijster strikken!” grinnikte Veervlug.Holstaff werd bleek van ergernis.“Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!” riep een oud Heer.“Und unsere schöne Sängerin!” riepen hare jonge landgenooten, terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten, op het hoofd plaatsten.De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond hem nog leelijker dan den eersten keer.Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende en zingende den berg af te dalen.“Dat hebben wij netjes getroffen,” zei Pols.“’t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht eindigt,” zuchtte Holstaff.“Dat meisje is vast eene actrice,” zei De Morder.“Erlauben Sie mir,” zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste aanmerking gehoord had.“Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor Essenleben zu Bonn.”Hoofdstuk IX.Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met het wedervinden van eenillustre rejetonder familie Van Schalen.“Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!” sprak Dionysius de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. “Ik dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen.”“Nu, het valt mij nog al heel wat meê,” viel Pols in; “je kunt toch niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is.”“Wat! een kwartier niet lang?” riep de Morder knorrig uit. “Het is vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien tijd aan de galg gehangen hadt.”Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd, dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt, speciaal indieneen ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij de manoeuvre van den strop om den hals had in ’t werk gesteld. Pols, die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking, “dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken.”“En om een togtje op het water te voelen,” antwoordde deze; “want hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij dezen middag zullen consumeren.”“Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb,” zeide Pols.“Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven,” zeide Veervlug. “Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben.”“Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te stoomen!” riep De Morder ongeduldig uit; “dan gaan onze trekschuiten toch nog gaauwer.”“Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren.”“Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga, is dat nu een gang voor eene stoomboot?”Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge vaartuig.De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote menigte passagiers, die zich, door de krachtvan een ketel kokend water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het voller op eenDampfschiffgeweest, dan nu het geval was. Niet alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon, om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op den boegspriet zaten caveliereen Engelschman onbewegelijk, met DelkerkampsPanorama of the Rhinein de hand en een lorgnet in de oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen, en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken waren kameniers enbonnesbezig om kinderen zoet te houden en de Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden, om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan; en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan, dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende, tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met hoeveel belangstelling zij derKellnersgangen gadesloegen wanneer deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen, en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot den Kapitein wendden; dochdeze had reeds met eene zelfopoffering, Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het der oproerige menigte aangeboden met de woorden: “Daar, zit op mijn eigen stoeltje!”—Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen, dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers, die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de voorzigtigheid, de twaalf PruissischeThalersvoor hun transport terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen.Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: “Die menschen moeten maar naast ons voortzwemmen!” riep Veervlug. “Laat er ons maar af!” riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in ’t haar, als kon hij daar plaats maken.Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van “de tot zinkens toe bezwaarde plank.”Een gedeelte der passagiers werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast; debonnesen kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.—Pols had in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel ballast, heel dragelijk op denFriedrich Wilhelm, en met statigen tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz.Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven, de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook niet wilde overgaan, bedankt had. “Hij had zoolang voor des Kapiteins plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder voor zijn eigen plaisir doen.” De Kapitein gunde hem het genoegen dezer wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de tevredenheid was op ’s mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was, maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veelvan in oogenschouw nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haarcavaliereen vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder soort vanembonpointhad geopenbaard, die hem onder duizenden als een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen; iets, waarin het voor hem liggendePanoramahem zeer behulpzaam was; voor het overigelettende dames nauwkeurig op alles wat er te zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of teleurstelling te kennen gaf.—Geheel anders was het met een Duitsch gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder “O, wie herrlich schön!” geen dorp, “o, wie ländlich!” geen woning zonder, “wie glücklich!” uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel, noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tothimmlische Gegendenirdisches Paradies. Ook de dames van déze groep waren blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan hetblond cendrévan hare Engelsche buren.—Een geleerde met eene talrijke familie, aan velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen eene beschrijving van devillavan Horatius, en vergat daardoor al devilla’saan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid deAmoresvan Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de Classische Autheurs openbaarde.—Niet ver van hem zat een opmerker met heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist te worden.—Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen, heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer, met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide, maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje, van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden, wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij haddenkennelijk veel plaisir in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het, dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam, waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden te zeggen: “Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk een compagnon liet ik u allen vier optrekken.”“Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk,” grinnikte Veervlug.“Met uw verlof!” sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot Polsbroekerwoud: “ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?”De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen, en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den overigen vacantietijd door te brengen.—Pols wasdoor de vraag, die door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde dus heel voorzigtig: “Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den Rijn verre.”“Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien nieuw?” zei de ander.Men behoefde geene sterkeDevinationsgabete bezitten, om te bemerken dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken.“Ik,” ging de oude Heer voort, “ken deze omstreken niet van van daag of gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft.”De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding te corrigeren.“Reizen is zeker niet kwaad,” antwoordde Pols, “indien men de middelen bezit.”“Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien men de middelen niet bezit.”“Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen,” vroeg Pols verbaasd, “indien alleen zij, die reizen kunnen, hunnekinderengoed opvoeden.”“Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en wereldwijsheid? Ik vraag uverder, wat moet er van kinderen worden, die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad, die zij bewonen?”“Wel,” viel Veervlug in, “dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil, in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden.”“Wat tevreden?” riep de Duitscher ongeduldig. “Misschien al te tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,—alles negative tevredenheid.”Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid.“Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer,” ging de oude Heer voort. “Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen, om met eigen verstand eene keus te kunnen doen.”Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken.“Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen zit. Laat ze kwaad doen, als zij geenbons sensgenoeg hebben om het goede te verkiezen; maar, in ’s Hemels naam geene vooroordeelen, geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen; dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in.”“Maar zou het dan nog niet beter zijn,” vroeg Veervlug, “om de kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn.”“Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid opvoedden?”Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben, indien al de vaders zoo wreed konden zijn.“Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de kinderen moeders moeten hebben.”De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden; want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld niet geschapen had.Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo liberaal opgevoed werden. “Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw tourtje?” vroeg hij aan de oudste.“Ach ja, vrij wel,” antwoordde zij: “het land was mooi genoeg; maar Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op mijzelve sta!”“Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?”“Datkan ik juist niet zeggen;” zei het meisje. “Ik harmonieer niet erg met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren; zij zijn meestal te zeurig.”“Ge prefereert dus jongere menschen?” glimlachte Torteltak.“Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligthet ook in den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen.”Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied nog al beviel.“Zoo, zoo!” antwoordde de twaalfjarige. “Eene school is altijd een noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen, en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten.”Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier van glimlagchen te onderdrukken.Hetdiner, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon deFriedrich Wilhelmbeter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier geen overvloed. DeKellnersweigerden den hongerigsten een tweede portie van het een of ander aan te brengen, enscheeptenhem met een “je hebt al gehad” af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak dacht niet om de thee, maar benijdde allede Heeren van dat gezelschap, zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voorJoostjesenPeccohield. De Morder wist niet, wat hij laffer vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende, ten 7 ure te Coblenz aan.Na in het logementzum Weissen Rossdat gelukkige oogenblik genoten te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is, behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt, waar de vriendelijke blik van deGastgeberinu het onvriendelijk aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is, voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt; na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden, was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins verzekering,de moeite der wandeling overwaardig was.De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes, met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie te vernietigen.Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde, maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch kan men aan een lief meisje vragen: “Is uw Papa en Mama wel? Ik meen uwe nichtPauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de lezing geweest?” Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was, dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten kan, enz. En wanneer men dan, ’s avonds te huis komende, de gehouden gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat, dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had, omdat daar zoo’n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde, dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is, en dat men in eene pauze praten kan.—Pols en zijne vrienden konden hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven eene passage uit Feith’sInez de Castrote reciteren.De ontmoeting in den Vauxhall.De ontmoeting in den Vauxhall.De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goedeman een paar malen moest verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig ontvallen: “Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig.”De Dame, deze binnen ’s monds geuite woorden verstaande, zeide op eens tot Pols: “Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland.”“Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?” vroeg Pols met vreugde.“Ja,” antwoordde de Dame: “oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is u ook toevallig in IJsselstein bekend?”“Neen, ik juist niet,” antwoordde Pols; “maar mijne moeder was van IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld.”“Zoo,” zei de Dame, “ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in Holland eene familie Polsbroekerwoud?”Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). “Hoe zegt u, Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf.”Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich bezinnende, zeide zij: “Neen, het kan niet zijn; gij zijt te jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van Schalen getrouwd is?”“Die was mijn vader,” zei Pols.“Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?”Een licht ging voor Pols op. “Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk....”“Ga voort—die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen voorstellen.”Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, wasspoedig gevonden; ook zijn zoon—een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op wiens vest veel gemaakt goud te vinden was—snelde toe. Pols werd aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik, om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen, alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde.Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt, toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en Och’s en Ha’s uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen, de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had, was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte, en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond, toen zij allen hetsouperbij de Blumengartens moesten gebruiken, bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrentMusikgartensenBlumengartensin het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten; doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden familie te komen doorbrengen.

Hoofdstuk VII.Keulen.—Bonn.—Men ontmoet interessante levenden, maar nog interessanter dooden.In het hôtelBelle-vue, over de schipbrug te Keulen, zaten Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats voor deze deelen des aangezigts aan die “wil reysen door het lant,” voorschrijft, als hij zegt:“Hebt vooreerst een esels oyr,”en“Hebt dan nogh een verkensmuyl.”Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijkaan wereldsch goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde, en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aanbeaux restes, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn, dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu, in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat hare laatste en misschien eenige liefdede volmaakte Kokwas. Aan hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende, sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende, ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid; zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamschekalfskop of een goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de kenteekenen, dat zij “den mensch een volmaakbaar wezen” beschouwde.“De Heeren schijnen ook Hollanders?” zei Mijnheer Dufduin, zich tot Torteltak wendende, “maar zeker niet van Amsterdam.”Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend.“En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons plan. Ik zei in ’t voorjaar tegen mijne vrouw: “Kind! wij konden ook wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch, wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?”“Verleden Donderdag,” was het antwoord van een der Heeren: “wij komen nu van Aken.”“Te duiker!” riep Mijnheer Dufduin, “dat noem ik vlug reizen. Neen, wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat ’s wel een aardig stadje, dat Munster; maar ’t is Amsterdam niet.”“En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam,” zei de zuster, die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. “Verbeeld u eens, Mijnheer!” zich tot Pols wendende: “daar hadden wij slaboontjes, doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie gestoofd.En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer hadden, in dezen tijd van ’t jaar?”“Misschien doperwtjes,” zei Pols heel goedig.“Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik hier naast u zit,—witte kool, in de maand Juli!”Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden.“Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen, dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook, dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding.”“Wat lastig is,” zei Mijnheer, “dat je hier geenHandelsbladhebt.”“En geen nieuwe haring,” viel Juffrouw Dufduin in. “Hebt u daar ook iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van ’t jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten jager.—Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben.”Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediendebouilli.“En hebt u de Cathedrale gezien?” vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin: “vindt u die niet heerlijk mooi?”“Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,—let wel: voor zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid zijn. ’t Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk.”“Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?”“Ja wel, ’t is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt; maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid, en de preêkstoel is superber.”“En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de Pieterskerk?” vroeg Holstaff.“Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi.”Successivelijk maakte JuffrouwDufduin, die copieus dineerde, hare aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de pudding was zoo overheerlijk, dat zij denKellnerverzocht haar daarvan het recept te bezorgen.Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen, dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te zullen ontmoeten, alleraangenaamst.Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in het Hollandsche album van het logementZum Sternte Bonn geteekend, en den kastelein op hethart gedrukt om hetHandelsblad, dat zij daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie, die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden.“Dat zijn wij de Heeren voor geweest,” riep Mijnheer. “Kijk! dat moet je gaan zien, ’t is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben.”“En let eens,” fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, “op hetsoupervan dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar gebakken aardappelen met zuring en krenten.”“Tot weêrziens!” riep Mijnheer de vrienden na.Torteltak mompelde tot antwoord:“Fare thee well! and if for ever,Still for ever, fare thee well!”Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen grafkelder,waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen in het midden der dooden verplaatst vonden.De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: “Het is toch vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt.”“Maar het is niet vreemd,” zei Torteltak, “dat het gezigt van lijken alle stervelingen tot ernst stemt.”“Met uitzondering van lachende hyena’s en doodgravers,” viel Veervlug in.“Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen zie,” zei Holstaff; “maar toch, daar is iets zoets voor mij in die treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren.”“Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd doen afwenden,” zei De Morder.“Ja, daar is wel iets van aan,” merkte Pols op. “Hoort eens! ik kan wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het toch nog al akelig.”“Maar wat is hier dan akeligs?’ vroeg Veervlug: “zoo ergens, dan kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere koude dan die des doods gevoelen?”“Niet waar?” zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw naar de nabijzijnde doodenuitstrekte: “niet waar? zij rusten hier goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust kunnen verstoren.—Maar,” ging hij zuchtende voort, “niet altijd zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten, en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben, en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden.”De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een verzegeld pakje liggen.“Ziet gij hier,” ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, “deze drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar, broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden gestorven. En die laatste, broeder Bastiande Gartner, met den palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En toen zij nu als zijne bruidstierf en in de aarde is moeten begraven worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet, de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette, is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden.”“Leef nog lang, goede grijsaard!” wenschten de vrienden hem toe, daar zij het grafgewelf verlieten.“Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien,” antwoordde de oude man.In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld:De frissche Dooden het verwelkte Leven.Het is ongelukkigerwijze verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd kunnen worden, hem te hebben bestolen.

Keulen.—Bonn.—Men ontmoet interessante levenden, maar nog interessanter dooden.

Keulen.—Bonn.—Men ontmoet interessante levenden, maar nog interessanter dooden.

In het hôtelBelle-vue, over de schipbrug te Keulen, zaten Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats voor deze deelen des aangezigts aan die “wil reysen door het lant,” voorschrijft, als hij zegt:

“Hebt vooreerst een esels oyr,”

“Hebt vooreerst een esels oyr,”

en

“Hebt dan nogh een verkensmuyl.”

“Hebt dan nogh een verkensmuyl.”

Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijkaan wereldsch goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde, en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aanbeaux restes, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn, dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu, in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat hare laatste en misschien eenige liefdede volmaakte Kokwas. Aan hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende, sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende, ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid; zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamschekalfskop of een goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de kenteekenen, dat zij “den mensch een volmaakbaar wezen” beschouwde.

“De Heeren schijnen ook Hollanders?” zei Mijnheer Dufduin, zich tot Torteltak wendende, “maar zeker niet van Amsterdam.”

Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend.

“En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons plan. Ik zei in ’t voorjaar tegen mijne vrouw: “Kind! wij konden ook wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch, wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?”

“Verleden Donderdag,” was het antwoord van een der Heeren: “wij komen nu van Aken.”

“Te duiker!” riep Mijnheer Dufduin, “dat noem ik vlug reizen. Neen, wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat ’s wel een aardig stadje, dat Munster; maar ’t is Amsterdam niet.”

“En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam,” zei de zuster, die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. “Verbeeld u eens, Mijnheer!” zich tot Pols wendende: “daar hadden wij slaboontjes, doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie gestoofd.En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer hadden, in dezen tijd van ’t jaar?”

“Misschien doperwtjes,” zei Pols heel goedig.

“Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik hier naast u zit,—witte kool, in de maand Juli!”

Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden.

“Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen, dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook, dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding.”

“Wat lastig is,” zei Mijnheer, “dat je hier geenHandelsbladhebt.”

“En geen nieuwe haring,” viel Juffrouw Dufduin in. “Hebt u daar ook iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van ’t jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten jager.—Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben.”

Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediendebouilli.

“En hebt u de Cathedrale gezien?” vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin: “vindt u die niet heerlijk mooi?”

“Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,—let wel: voor zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid zijn. ’t Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk.”

“Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?”

“Ja wel, ’t is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt; maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid, en de preêkstoel is superber.”

“En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de Pieterskerk?” vroeg Holstaff.

“Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi.”

Successivelijk maakte JuffrouwDufduin, die copieus dineerde, hare aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de pudding was zoo overheerlijk, dat zij denKellnerverzocht haar daarvan het recept te bezorgen.

Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen, dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te zullen ontmoeten, alleraangenaamst.

Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in het Hollandsche album van het logementZum Sternte Bonn geteekend, en den kastelein op hethart gedrukt om hetHandelsblad, dat zij daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie, die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden.

“Dat zijn wij de Heeren voor geweest,” riep Mijnheer. “Kijk! dat moet je gaan zien, ’t is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben.”

“En let eens,” fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, “op hetsoupervan dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar gebakken aardappelen met zuring en krenten.”

“Tot weêrziens!” riep Mijnheer de vrienden na.

Torteltak mompelde tot antwoord:

“Fare thee well! and if for ever,Still for ever, fare thee well!”

“Fare thee well! and if for ever,

Still for ever, fare thee well!”

Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen grafkelder,waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen in het midden der dooden verplaatst vonden.

De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: “Het is toch vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt.”

“Maar het is niet vreemd,” zei Torteltak, “dat het gezigt van lijken alle stervelingen tot ernst stemt.”

“Met uitzondering van lachende hyena’s en doodgravers,” viel Veervlug in.

“Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen zie,” zei Holstaff; “maar toch, daar is iets zoets voor mij in die treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren.”

“Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd doen afwenden,” zei De Morder.

“Ja, daar is wel iets van aan,” merkte Pols op. “Hoort eens! ik kan wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het toch nog al akelig.”

“Maar wat is hier dan akeligs?’ vroeg Veervlug: “zoo ergens, dan kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere koude dan die des doods gevoelen?”

“Niet waar?” zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw naar de nabijzijnde doodenuitstrekte: “niet waar? zij rusten hier goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust kunnen verstoren.—Maar,” ging hij zuchtende voort, “niet altijd zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten, en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben, en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden.”

De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een verzegeld pakje liggen.

“Ziet gij hier,” ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, “deze drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar, broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden gestorven. En die laatste, broeder Bastiande Gartner, met den palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En toen zij nu als zijne bruidstierf en in de aarde is moeten begraven worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet, de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette, is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden.”

“Leef nog lang, goede grijsaard!” wenschten de vrienden hem toe, daar zij het grafgewelf verlieten.

“Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien,” antwoordde de oude man.

In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld:De frissche Dooden het verwelkte Leven.Het is ongelukkigerwijze verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd kunnen worden, hem te hebben bestolen.

Hoofdstuk VIII.Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk, een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met hetTe Deuminstemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen alles zondereenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen mond de aanmerking hoort; “te duiker! dat is nog een andere klim dan eene Amsterdamsche sluis!” dan zult gij met leedwezen bemerken, dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt; voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den uitval doet: “zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien hier in het wild groeien,” dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten, en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: “Daar zal een ontbijt op smaken!”“Dat zal het wel,” antwoordde zij. “Wij hebben ook thee met de machine besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker.”“Het uitzigt,” zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich slaande, “heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg, behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster aankomen.”Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het uitzigt op het Tolhuis te vinden.De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde zijne vrouw toe: “Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien.”Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug, terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, “dat dalen toch eigenlijk gaauwer ging dan klimmen.”Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de ossentong ontbroken had, maar door overheerlijkesaucissede Bolognegeremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van ontwijkende beweging, die dencavalierwat onverwacht voorkwam, en hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende gevolgen, en met een grootheid van ziel, aansommigen in het ongeluk eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken: “het is niets,” en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige; weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort, en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij het onaangename van hunnen toestand gevoelden.Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis, in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten, sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten, de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug, die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de teugels te grijpen, zouden zijgeen poot meer verzet hebben. Terwijl De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde, en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld, om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven; Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de aanmerking makende, “dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet ligt gebeuren zou.” Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen, dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om ’s middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot of vleugels hadden bekomen.Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.Eene onaangename positieEene onaangename positieNa de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander rijtuig voor. Pols, die, in zijnijver om de Amsterdamsche familie van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen, en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette, op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden, vonden zij de Dufduins en Pols in hetWirthshausaldaar, zeer op hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.“Welkom, Heeren!” riep de oude Heer hun toe: “wij zitten hier onder den kruiderwijn; maar ’t is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden.”“Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet,” zei de vette zuster van Dufduin; “maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend oudbakken.”De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken, omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekeloozevrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden, die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens, HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne toch ook allercharmantst was.Men keerde weldra naar hetWirthshausterug, om af te rekenen, en was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde overtuigen, datzijgelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan, dat deDrachenfelsnog met volle regt haren naam mogt behouden.Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende, een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche, levenslustige boerendeern voortkwam; en dat hetgeen lied was, uit het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk uit het refrein van ieder couplet:“Und er erwidert meine Küsse;Welche namelose Lust!”En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt, en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck eendinergebruikt, en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot ’s avonds bespaard, omdat men meerdelicesin het kleine logement vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag, schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.“Die Dufduins zijn toch verbazend duf,” zei Veervlug, toen zij de rots beklommen.“Zeg het zoo luid niet!” zei Torteltak: “ik geloof dat onze waardige Pols nog al van de dames gecharmeerd is.”“Neen maar waarlijk,” zei Pols, “de menschen zijn nog zoo kwaad niet.Zij zijn nu juist geen overvliegers.....”“Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen,” viel Veervlug in.Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De Morder maakte de galanteopmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje, met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte, tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken, maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren, dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitschechanteuse.Juist toen de vrienden naderden, was het lied geëindigd. “Bravo! bravo!Schön! wahrhaftig schön!” klonk het uit aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder, en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan zich zulke treurigesouvenirshechtten.“Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!” riep eene stem.“O ja, Toggenburg!” acclameerden allen.“Zou het mogelijk zijn? o Hemel!” zuchtte Holstaff, die zeer goed wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.“Wohlan! der Ritter!” riep het meisje. Zij stemde hare guitar, en zong de treurige ballade van Schiller.Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:“Und so sass er, eine Leiche,Eines Morgens da;Nach dem Fenster noch das bleicheStille Antlitz sah.”De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde zich dat hij nog leefde, toen het onstuimigbravovan het geheele gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.“’t Is waarlijk charmant,” zei Pols: “die dame zingt als een lijster.”“Kon jij maar zoo’n lijster strikken!” grinnikte Veervlug.Holstaff werd bleek van ergernis.“Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!” riep een oud Heer.“Und unsere schöne Sängerin!” riepen hare jonge landgenooten, terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten, op het hoofd plaatsten.De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond hem nog leelijker dan den eersten keer.Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende en zingende den berg af te dalen.“Dat hebben wij netjes getroffen,” zei Pols.“’t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht eindigt,” zuchtte Holstaff.“Dat meisje is vast eene actrice,” zei De Morder.“Erlauben Sie mir,” zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste aanmerking gehoord had.“Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor Essenleben zu Bonn.”

Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.

Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.

Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk, een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met hetTe Deuminstemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen alles zondereenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen mond de aanmerking hoort; “te duiker! dat is nog een andere klim dan eene Amsterdamsche sluis!” dan zult gij met leedwezen bemerken, dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt; voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den uitval doet: “zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien hier in het wild groeien,” dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.

Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten, en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: “Daar zal een ontbijt op smaken!”

“Dat zal het wel,” antwoordde zij. “Wij hebben ook thee met de machine besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker.”

“Het uitzigt,” zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich slaande, “heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg, behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster aankomen.”

Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het uitzigt op het Tolhuis te vinden.

De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde zijne vrouw toe: “Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien.”

Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug, terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, “dat dalen toch eigenlijk gaauwer ging dan klimmen.”

Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de ossentong ontbroken had, maar door overheerlijkesaucissede Bolognegeremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van ontwijkende beweging, die dencavalierwat onverwacht voorkwam, en hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende gevolgen, en met een grootheid van ziel, aansommigen in het ongeluk eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken: “het is niets,” en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige; weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort, en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij het onaangename van hunnen toestand gevoelden.

Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis, in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten, sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten, de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug, die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de teugels te grijpen, zouden zijgeen poot meer verzet hebben. Terwijl De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde, en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld, om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven; Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de aanmerking makende, “dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet ligt gebeuren zou.” Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen, dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om ’s middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot of vleugels hadden bekomen.

Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.

Eene onaangename positieEene onaangename positie

Eene onaangename positie

Na de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander rijtuig voor. Pols, die, in zijnijver om de Amsterdamsche familie van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen, en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.

Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette, op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden, vonden zij de Dufduins en Pols in hetWirthshausaldaar, zeer op hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.

“Welkom, Heeren!” riep de oude Heer hun toe: “wij zitten hier onder den kruiderwijn; maar ’t is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden.”

“Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet,” zei de vette zuster van Dufduin; “maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend oudbakken.”

De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken, omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekeloozevrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden, die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens, HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne toch ook allercharmantst was.

Men keerde weldra naar hetWirthshausterug, om af te rekenen, en was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde overtuigen, datzijgelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan, dat deDrachenfelsnog met volle regt haren naam mogt behouden.

Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende, een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche, levenslustige boerendeern voortkwam; en dat hetgeen lied was, uit het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk uit het refrein van ieder couplet:

“Und er erwidert meine Küsse;Welche namelose Lust!”

“Und er erwidert meine Küsse;

Welche namelose Lust!”

En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt, en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.

Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck eendinergebruikt, en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot ’s avonds bespaard, omdat men meerdelicesin het kleine logement vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag, schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.

“Die Dufduins zijn toch verbazend duf,” zei Veervlug, toen zij de rots beklommen.

“Zeg het zoo luid niet!” zei Torteltak: “ik geloof dat onze waardige Pols nog al van de dames gecharmeerd is.”

“Neen maar waarlijk,” zei Pols, “de menschen zijn nog zoo kwaad niet.Zij zijn nu juist geen overvliegers.....”

“Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen,” viel Veervlug in.

Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De Morder maakte de galanteopmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje, met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte, tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken, maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren, dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitschechanteuse.

Juist toen de vrienden naderden, was het lied geëindigd. “Bravo! bravo!Schön! wahrhaftig schön!” klonk het uit aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder, en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.

De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan zich zulke treurigesouvenirshechtten.

“Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!” riep eene stem.

“O ja, Toggenburg!” acclameerden allen.

“Zou het mogelijk zijn? o Hemel!” zuchtte Holstaff, die zeer goed wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.

“Wohlan! der Ritter!” riep het meisje. Zij stemde hare guitar, en zong de treurige ballade van Schiller.

Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:

“Und so sass er, eine Leiche,Eines Morgens da;Nach dem Fenster noch das bleicheStille Antlitz sah.”

“Und so sass er, eine Leiche,

Eines Morgens da;

Nach dem Fenster noch das bleiche

Stille Antlitz sah.”

De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde zich dat hij nog leefde, toen het onstuimigbravovan het geheele gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.

“’t Is waarlijk charmant,” zei Pols: “die dame zingt als een lijster.”

“Kon jij maar zoo’n lijster strikken!” grinnikte Veervlug.

Holstaff werd bleek van ergernis.

“Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!” riep een oud Heer.

“Und unsere schöne Sängerin!” riepen hare jonge landgenooten, terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten, op het hoofd plaatsten.

De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond hem nog leelijker dan den eersten keer.

Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende en zingende den berg af te dalen.

“Dat hebben wij netjes getroffen,” zei Pols.

“’t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht eindigt,” zuchtte Holstaff.

“Dat meisje is vast eene actrice,” zei De Morder.

“Erlauben Sie mir,” zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste aanmerking gehoord had.“Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor Essenleben zu Bonn.”

Hoofdstuk IX.Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met het wedervinden van eenillustre rejetonder familie Van Schalen.“Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!” sprak Dionysius de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. “Ik dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen.”“Nu, het valt mij nog al heel wat meê,” viel Pols in; “je kunt toch niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is.”“Wat! een kwartier niet lang?” riep de Morder knorrig uit. “Het is vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien tijd aan de galg gehangen hadt.”Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd, dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt, speciaal indieneen ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij de manoeuvre van den strop om den hals had in ’t werk gesteld. Pols, die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking, “dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken.”“En om een togtje op het water te voelen,” antwoordde deze; “want hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij dezen middag zullen consumeren.”“Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb,” zeide Pols.“Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven,” zeide Veervlug. “Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben.”“Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te stoomen!” riep De Morder ongeduldig uit; “dan gaan onze trekschuiten toch nog gaauwer.”“Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren.”“Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga, is dat nu een gang voor eene stoomboot?”Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge vaartuig.De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote menigte passagiers, die zich, door de krachtvan een ketel kokend water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het voller op eenDampfschiffgeweest, dan nu het geval was. Niet alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon, om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op den boegspriet zaten caveliereen Engelschman onbewegelijk, met DelkerkampsPanorama of the Rhinein de hand en een lorgnet in de oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen, en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken waren kameniers enbonnesbezig om kinderen zoet te houden en de Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden, om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan; en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan, dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende, tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met hoeveel belangstelling zij derKellnersgangen gadesloegen wanneer deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen, en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot den Kapitein wendden; dochdeze had reeds met eene zelfopoffering, Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het der oproerige menigte aangeboden met de woorden: “Daar, zit op mijn eigen stoeltje!”—Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen, dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers, die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de voorzigtigheid, de twaalf PruissischeThalersvoor hun transport terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen.Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: “Die menschen moeten maar naast ons voortzwemmen!” riep Veervlug. “Laat er ons maar af!” riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in ’t haar, als kon hij daar plaats maken.Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van “de tot zinkens toe bezwaarde plank.”Een gedeelte der passagiers werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast; debonnesen kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.—Pols had in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel ballast, heel dragelijk op denFriedrich Wilhelm, en met statigen tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz.Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven, de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook niet wilde overgaan, bedankt had. “Hij had zoolang voor des Kapiteins plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder voor zijn eigen plaisir doen.” De Kapitein gunde hem het genoegen dezer wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de tevredenheid was op ’s mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was, maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veelvan in oogenschouw nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haarcavaliereen vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder soort vanembonpointhad geopenbaard, die hem onder duizenden als een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen; iets, waarin het voor hem liggendePanoramahem zeer behulpzaam was; voor het overigelettende dames nauwkeurig op alles wat er te zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of teleurstelling te kennen gaf.—Geheel anders was het met een Duitsch gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder “O, wie herrlich schön!” geen dorp, “o, wie ländlich!” geen woning zonder, “wie glücklich!” uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel, noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tothimmlische Gegendenirdisches Paradies. Ook de dames van déze groep waren blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan hetblond cendrévan hare Engelsche buren.—Een geleerde met eene talrijke familie, aan velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen eene beschrijving van devillavan Horatius, en vergat daardoor al devilla’saan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid deAmoresvan Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de Classische Autheurs openbaarde.—Niet ver van hem zat een opmerker met heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist te worden.—Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen, heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer, met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide, maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje, van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden, wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij haddenkennelijk veel plaisir in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het, dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam, waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden te zeggen: “Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk een compagnon liet ik u allen vier optrekken.”“Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk,” grinnikte Veervlug.“Met uw verlof!” sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot Polsbroekerwoud: “ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?”De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen, en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den overigen vacantietijd door te brengen.—Pols wasdoor de vraag, die door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde dus heel voorzigtig: “Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den Rijn verre.”“Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien nieuw?” zei de ander.Men behoefde geene sterkeDevinationsgabete bezitten, om te bemerken dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken.“Ik,” ging de oude Heer voort, “ken deze omstreken niet van van daag of gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft.”De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding te corrigeren.“Reizen is zeker niet kwaad,” antwoordde Pols, “indien men de middelen bezit.”“Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien men de middelen niet bezit.”“Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen,” vroeg Pols verbaasd, “indien alleen zij, die reizen kunnen, hunnekinderengoed opvoeden.”“Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en wereldwijsheid? Ik vraag uverder, wat moet er van kinderen worden, die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad, die zij bewonen?”“Wel,” viel Veervlug in, “dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil, in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden.”“Wat tevreden?” riep de Duitscher ongeduldig. “Misschien al te tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,—alles negative tevredenheid.”Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid.“Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer,” ging de oude Heer voort. “Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen, om met eigen verstand eene keus te kunnen doen.”Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken.“Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen zit. Laat ze kwaad doen, als zij geenbons sensgenoeg hebben om het goede te verkiezen; maar, in ’s Hemels naam geene vooroordeelen, geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen; dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in.”“Maar zou het dan nog niet beter zijn,” vroeg Veervlug, “om de kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn.”“Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid opvoedden?”Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben, indien al de vaders zoo wreed konden zijn.“Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de kinderen moeders moeten hebben.”De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden; want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld niet geschapen had.Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo liberaal opgevoed werden. “Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw tourtje?” vroeg hij aan de oudste.“Ach ja, vrij wel,” antwoordde zij: “het land was mooi genoeg; maar Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op mijzelve sta!”“Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?”“Datkan ik juist niet zeggen;” zei het meisje. “Ik harmonieer niet erg met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren; zij zijn meestal te zeurig.”“Ge prefereert dus jongere menschen?” glimlachte Torteltak.“Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligthet ook in den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen.”Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied nog al beviel.“Zoo, zoo!” antwoordde de twaalfjarige. “Eene school is altijd een noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen, en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten.”Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier van glimlagchen te onderdrukken.Hetdiner, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon deFriedrich Wilhelmbeter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier geen overvloed. DeKellnersweigerden den hongerigsten een tweede portie van het een of ander aan te brengen, enscheeptenhem met een “je hebt al gehad” af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak dacht niet om de thee, maar benijdde allede Heeren van dat gezelschap, zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voorJoostjesenPeccohield. De Morder wist niet, wat hij laffer vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende, ten 7 ure te Coblenz aan.Na in het logementzum Weissen Rossdat gelukkige oogenblik genoten te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is, behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt, waar de vriendelijke blik van deGastgeberinu het onvriendelijk aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is, voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt; na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden, was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins verzekering,de moeite der wandeling overwaardig was.De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes, met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie te vernietigen.Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde, maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch kan men aan een lief meisje vragen: “Is uw Papa en Mama wel? Ik meen uwe nichtPauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de lezing geweest?” Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was, dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten kan, enz. En wanneer men dan, ’s avonds te huis komende, de gehouden gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat, dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had, omdat daar zoo’n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde, dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is, en dat men in eene pauze praten kan.—Pols en zijne vrienden konden hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven eene passage uit Feith’sInez de Castrote reciteren.De ontmoeting in den Vauxhall.De ontmoeting in den Vauxhall.De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goedeman een paar malen moest verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig ontvallen: “Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig.”De Dame, deze binnen ’s monds geuite woorden verstaande, zeide op eens tot Pols: “Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland.”“Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?” vroeg Pols met vreugde.“Ja,” antwoordde de Dame: “oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is u ook toevallig in IJsselstein bekend?”“Neen, ik juist niet,” antwoordde Pols; “maar mijne moeder was van IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld.”“Zoo,” zei de Dame, “ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in Holland eene familie Polsbroekerwoud?”Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). “Hoe zegt u, Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf.”Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich bezinnende, zeide zij: “Neen, het kan niet zijn; gij zijt te jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van Schalen getrouwd is?”“Die was mijn vader,” zei Pols.“Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?”Een licht ging voor Pols op. “Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk....”“Ga voort—die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen voorstellen.”Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, wasspoedig gevonden; ook zijn zoon—een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op wiens vest veel gemaakt goud te vinden was—snelde toe. Pols werd aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik, om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen, alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde.Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt, toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en Och’s en Ha’s uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen, de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had, was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte, en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond, toen zij allen hetsouperbij de Blumengartens moesten gebruiken, bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrentMusikgartensenBlumengartensin het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten; doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden familie te komen doorbrengen.

Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met het wedervinden van eenillustre rejetonder familie Van Schalen.

Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met het wedervinden van eenillustre rejetonder familie Van Schalen.

“Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!” sprak Dionysius de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. “Ik dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen.”

“Nu, het valt mij nog al heel wat meê,” viel Pols in; “je kunt toch niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is.”

“Wat! een kwartier niet lang?” riep de Morder knorrig uit. “Het is vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien tijd aan de galg gehangen hadt.”

Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd, dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt, speciaal indieneen ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij de manoeuvre van den strop om den hals had in ’t werk gesteld. Pols, die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking, “dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken.”

“En om een togtje op het water te voelen,” antwoordde deze; “want hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij dezen middag zullen consumeren.”

“Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb,” zeide Pols.

“Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven,” zeide Veervlug. “Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben.”

“Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te stoomen!” riep De Morder ongeduldig uit; “dan gaan onze trekschuiten toch nog gaauwer.”

“Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren.”

“Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga, is dat nu een gang voor eene stoomboot?”

Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge vaartuig.

De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote menigte passagiers, die zich, door de krachtvan een ketel kokend water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het voller op eenDampfschiffgeweest, dan nu het geval was. Niet alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon, om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op den boegspriet zaten caveliereen Engelschman onbewegelijk, met DelkerkampsPanorama of the Rhinein de hand en een lorgnet in de oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen, en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken waren kameniers enbonnesbezig om kinderen zoet te houden en de Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden, om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan; en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan, dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende, tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met hoeveel belangstelling zij derKellnersgangen gadesloegen wanneer deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen, en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot den Kapitein wendden; dochdeze had reeds met eene zelfopoffering, Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het der oproerige menigte aangeboden met de woorden: “Daar, zit op mijn eigen stoeltje!”—Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen, dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers, die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de voorzigtigheid, de twaalf PruissischeThalersvoor hun transport terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen.

Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: “Die menschen moeten maar naast ons voortzwemmen!” riep Veervlug. “Laat er ons maar af!” riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in ’t haar, als kon hij daar plaats maken.

Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van “de tot zinkens toe bezwaarde plank.”Een gedeelte der passagiers werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast; debonnesen kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.—Pols had in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel ballast, heel dragelijk op denFriedrich Wilhelm, en met statigen tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz.

Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven, de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook niet wilde overgaan, bedankt had. “Hij had zoolang voor des Kapiteins plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder voor zijn eigen plaisir doen.” De Kapitein gunde hem het genoegen dezer wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de tevredenheid was op ’s mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was, maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veelvan in oogenschouw nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haarcavaliereen vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder soort vanembonpointhad geopenbaard, die hem onder duizenden als een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen; iets, waarin het voor hem liggendePanoramahem zeer behulpzaam was; voor het overigelettende dames nauwkeurig op alles wat er te zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of teleurstelling te kennen gaf.—Geheel anders was het met een Duitsch gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder “O, wie herrlich schön!” geen dorp, “o, wie ländlich!” geen woning zonder, “wie glücklich!” uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel, noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tothimmlische Gegendenirdisches Paradies. Ook de dames van déze groep waren blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan hetblond cendrévan hare Engelsche buren.—Een geleerde met eene talrijke familie, aan velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen eene beschrijving van devillavan Horatius, en vergat daardoor al devilla’saan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid deAmoresvan Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de Classische Autheurs openbaarde.—Niet ver van hem zat een opmerker met heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist te worden.—Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen, heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer, met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide, maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje, van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden, wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij haddenkennelijk veel plaisir in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het, dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam, waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden te zeggen: “Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk een compagnon liet ik u allen vier optrekken.”

“Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk,” grinnikte Veervlug.

“Met uw verlof!” sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot Polsbroekerwoud: “ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?”

De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen, en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den overigen vacantietijd door te brengen.—Pols wasdoor de vraag, die door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde dus heel voorzigtig: “Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den Rijn verre.”

“Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien nieuw?” zei de ander.

Men behoefde geene sterkeDevinationsgabete bezitten, om te bemerken dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken.

“Ik,” ging de oude Heer voort, “ken deze omstreken niet van van daag of gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft.”

De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding te corrigeren.

“Reizen is zeker niet kwaad,” antwoordde Pols, “indien men de middelen bezit.”

“Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien men de middelen niet bezit.”

“Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen,” vroeg Pols verbaasd, “indien alleen zij, die reizen kunnen, hunnekinderengoed opvoeden.”

“Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en wereldwijsheid? Ik vraag uverder, wat moet er van kinderen worden, die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad, die zij bewonen?”

“Wel,” viel Veervlug in, “dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil, in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden.”

“Wat tevreden?” riep de Duitscher ongeduldig. “Misschien al te tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,—alles negative tevredenheid.”

Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid.

“Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer,” ging de oude Heer voort. “Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen, om met eigen verstand eene keus te kunnen doen.”

Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken.

“Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen zit. Laat ze kwaad doen, als zij geenbons sensgenoeg hebben om het goede te verkiezen; maar, in ’s Hemels naam geene vooroordeelen, geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen; dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in.”

“Maar zou het dan nog niet beter zijn,” vroeg Veervlug, “om de kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn.”

“Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid opvoedden?”

Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben, indien al de vaders zoo wreed konden zijn.

“Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de kinderen moeders moeten hebben.”

De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden; want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld niet geschapen had.

Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo liberaal opgevoed werden. “Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw tourtje?” vroeg hij aan de oudste.

“Ach ja, vrij wel,” antwoordde zij: “het land was mooi genoeg; maar Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op mijzelve sta!”

“Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?”

“Datkan ik juist niet zeggen;” zei het meisje. “Ik harmonieer niet erg met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren; zij zijn meestal te zeurig.”

“Ge prefereert dus jongere menschen?” glimlachte Torteltak.

“Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligthet ook in den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen.”

Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied nog al beviel.

“Zoo, zoo!” antwoordde de twaalfjarige. “Eene school is altijd een noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen, en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten.”

Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier van glimlagchen te onderdrukken.

Hetdiner, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon deFriedrich Wilhelmbeter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier geen overvloed. DeKellnersweigerden den hongerigsten een tweede portie van het een of ander aan te brengen, enscheeptenhem met een “je hebt al gehad” af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak dacht niet om de thee, maar benijdde allede Heeren van dat gezelschap, zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voorJoostjesenPeccohield. De Morder wist niet, wat hij laffer vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende, ten 7 ure te Coblenz aan.

Na in het logementzum Weissen Rossdat gelukkige oogenblik genoten te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is, behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt, waar de vriendelijke blik van deGastgeberinu het onvriendelijk aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is, voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt; na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden, was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins verzekering,de moeite der wandeling overwaardig was.

De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes, met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie te vernietigen.

Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde, maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch kan men aan een lief meisje vragen: “Is uw Papa en Mama wel? Ik meen uwe nichtPauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de lezing geweest?” Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was, dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten kan, enz. En wanneer men dan, ’s avonds te huis komende, de gehouden gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat, dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had, omdat daar zoo’n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde, dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is, en dat men in eene pauze praten kan.—Pols en zijne vrienden konden hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven eene passage uit Feith’sInez de Castrote reciteren.

De ontmoeting in den Vauxhall.De ontmoeting in den Vauxhall.

De ontmoeting in den Vauxhall.

De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goedeman een paar malen moest verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig ontvallen: “Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig.”

De Dame, deze binnen ’s monds geuite woorden verstaande, zeide op eens tot Pols: “Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland.”

“Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?” vroeg Pols met vreugde.

“Ja,” antwoordde de Dame: “oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is u ook toevallig in IJsselstein bekend?”

“Neen, ik juist niet,” antwoordde Pols; “maar mijne moeder was van IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld.”

“Zoo,” zei de Dame, “ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in Holland eene familie Polsbroekerwoud?”

Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). “Hoe zegt u, Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf.”

Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich bezinnende, zeide zij: “Neen, het kan niet zijn; gij zijt te jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van Schalen getrouwd is?”

“Die was mijn vader,” zei Pols.

“Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?”

Een licht ging voor Pols op. “Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk....”

“Ga voort—die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen voorstellen.”

Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, wasspoedig gevonden; ook zijn zoon—een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op wiens vest veel gemaakt goud te vinden was—snelde toe. Pols werd aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik, om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen, alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde.

Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt, toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en Och’s en Ha’s uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen, de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had, was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte, en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond, toen zij allen hetsouperbij de Blumengartens moesten gebruiken, bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrentMusikgartensenBlumengartensin het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten; doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden familie te komen doorbrengen.


Back to IndexNext