Hoofdstuk XII.

Hoofdstuk XII.Vermeldende hoeVeervlugnaar zijn pas zoekt, hoe hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te Darmstadt plaisir krijgt.Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was Veervlug genoodzaakt voor detweede maalde beroemdeBergstrassete aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases metniet van pasenzonder pasenongepastte construëren; maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam, en de togt wat zwaar op een plaisirreis.Zoo arriveerde hij te Weinheim. “Al terug?” riep deKellnerhem toe, die hem ’s morgens bediend had. “Gij kunt naauwelijks te Heidelberg geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven, dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen.”Verrukt staart Veervlug denKellneraan. “Dat is al te gelukkig,” zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den knecht uit de kast zag te voorschijn brengen—een roodgeruiten katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.Teleurgesteld stapte hij weêr in ’t rijtuig en reed verder. Nu had hij een langen tour te maken tot Heppenheim.Hij had niemand om meê te praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel alleen bevond, kwamen hem als van zelve velescènesuit zijn vroeger leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud, op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad; toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend, op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die ’s morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie, de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.—Van deze akelige tooneelen werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken; hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij ’s avonds met luider stemme langs ’s heeren straten zong en zelfs de nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita, als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jongestudentenstreken dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door iederen middag inde Paauwte komen, en door bijna elken avond drie gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner ware vrienden verzamelde hij zichsouvenirs, die ook heden menigen glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet, waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat de begenadigde, met een brandmerk en delitteekenenvan eene gestrenge geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?—Het is het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer der Leydsche jagers voor het eerst ’s morgens in de kerk waar hun het eermetaal werd uitgereikt, en ’s avonds in de komedie had gezien; hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was, en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in ’t gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt: hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte; en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen, terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.En nu,—daar waren jaren verloopen na deze gelukkigescènes, die weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes schijnen er trouwensop gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet, vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen, dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak’s zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo’n mooi meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar geweest!—neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.Terwijl dit een en ander in Veervlug’s ziel opkwam, was de zomerzon druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam, waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken reiziger, die zoo alleen per post reed. Het “Gnädiger Herr Baron” vloeide reeds liefelijk van desGastgeberslippen, terwijl hij het portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent den postiljon, die hem heden nacht gereden haden die misschien een Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze buigingen uitwisschen, en eenKellnerroepende, zei hij op een barschen toon: “Johann! brengt hem bij den stalknecht.”De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het roepen van den postiljon, en dezen een dito voor hetneenzeggen had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. “Halt!” roept hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit het rijtuig. “Ja wel,” zegt hij in zichzelven, “ik ben er nog uit geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen.” En daar was het hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr weg,—maar neen! Hij wil het toch meênemen. “Ik moet toch eens zien, wat het waagde mij zoo te duperen,” riep hij uit, terwijl hij weêr in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:....“Toen sprak de oude man tot hem: “Mijn zoon! wees sterk, en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen doen. Neem mijnen zegen met u op reis.”“Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel sloeg.“Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde zij zich om den hals haars minnaars.“‘Lisette!’ gilde de jongeling in vertwijfeling.“Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des doods overtogen.“‘O Hemel, wees haar en hem genadig!’ riep de oude man.“Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het meisje bleef roerloos.“‘Lisette!’ riep hij nog eens, met zooveel teederheid en kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou hebben teruggeroepen.“Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien—dat haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.“Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch, hij deed het.“Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?—“Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn liefje aan een oud man had moeten overlaten.“Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen verscheurende dieren.“En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.“De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren, en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten, zijne broeders.“Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij, dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.“De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard, en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat, dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat, dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.“Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel te bidden.“Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van zijne bruid.“En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.“En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid te deelen.“En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.“‘Waart gij nog eene bruid als deze!’ riep hij uit, terwijl hij het medaillon te voorschijn bragt: “die smartelijke glimlach zou u voegen.” En hij wierp haar het vrouweportret toe.“‘O mijn God!’ riep zij uit: ‘hoe komt dit in uwe handen?’“‘Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk trof.’“‘Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!’ riep zij in hevige smart.“De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.“‘Het was de krijgskans,’ zeide hij koeltjes;—‘maar men zal mij wachten op de parade.’“‘Hoe was de bruid?’ vroeg hem een zijner vrienden: ‘zeker wonder in haar schik?’“‘Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,’ antwoordde hij.“‘Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,’ kondigde de kommandant aan.“‘Bravo!’ riepen al de officieren, en ook Karel riep: “bravo!”“Twee jaren later werd het leger van den overweldiger geslagen.Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd, en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar zijn vader. Lisette’s ziel had haar bleeke hulsel afgelegd, en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde.Deze slag had de verwildering van den jongeling doen ophouden.“‘Vader!’ riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:‘de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!’“‘Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!’“En ’s avonds knielden beiden bij Lisette’s graf, en zij weenden.”“Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?” vroeg de koetsier, terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven was, nog ontcijferde.“Ja, maar niet lang,” zei de ander.“Dat is wel jammer,” zei de voerman, die nu voor ’t eerst spraakzaam werd; “ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien, zoo mooi als ze in ’t laagland durven denken. En dan had ik meteen mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan ’t verkeeren ben.”“Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt; maar ik zal de ossen maar daarlaten.”“Uwe Genade is wel goed,” zei de koetsier; “maar ’tis anders een mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van ’t wachten.”Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën, maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met zijne flaauwheid wedijvert.“Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,” zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.“Kellner, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden verwisselt; maar eerst nog—heb ik hier ook gisteren avond een Hollandschen reispas laten liggen?”“Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren.”“Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien,” sprak een jong mensch, die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.“Veervlug—o ja, Mijnheer!” zei de ander verwonderd.“Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te Frankfort geven?”“Hoe?” riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. “Hoe, mijn pas? Maar ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb, die hier en van u te ontvangen?”“De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg vertrokken waart.”Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen, en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag geweest zou zijn, datde overbrenger van het papier dank verschuldigd was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.Hoofdstuk XIII.De nieuwe vriend vanVeervlugkomt op het tooneel, en legt veel Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!—Vroeg opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot eene morgenwandeling uitnoodigt.—Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs, landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoodikwijls ten onregte! Ik weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen, die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden, vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?—Helaas! ook gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat, onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen, daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren, en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren, die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt, den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad nedervalt.—Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit; niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in dewateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden, waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in hetHôtel de HollandePolsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne oude vrienden voor.De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met angstige naauwkeurigheid naar ’t model van den Apollo vanBelvédèrete hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde voorhoofden, deftige neuzen,geestige uitdrukkingen om den mond; maar vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar.Pols vond, dat hij wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein, die hij uit Wagenaar’s elfde deel kende; maar wij zouden misschien met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water op den anderen, op den Therese uitthe Byron Beautiesgeleek.—Hoe dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis, die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn, dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden, die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest, en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met bitterheid en wrevel hadden vervuld.Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht, te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn, die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden namen in deze conditiën genoegen.Men besloot den dag door te brengen met de omstrekenvan Heidelberg te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich dus geheel aan zijn geleide toe.DeKoningsstuhlis de hoogste berg van de keten, die zich achter en ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen, den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden, en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd, en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen, die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekensheerlijkenhemelschgebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten, van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten, konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij vlijden zichop den bemosten grond neder, onder de schaduw van het nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete mijmeringen over.“’t Is jammer, dat hier nergens een logementje is,” zei eindelijk Pols, het lange zwijgen moede; “’t zou hier anders eene charmante gelegenheid zijn om in de open lucht hetdinerte gebruiken. En in allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken.”“Maar ook zonder dat,” zei Van Aartheim, “is deze plaats zeer gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen.”“Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie,” gromde De Morder.“Toen,” vervolgde Van Aartheim, “ging hier menig lijdende in eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele wereld buiten elkander vergaten.”“Zoodat,” glimlachte Torteltak,“Indien dit bosje klappen kon,Wat melde ’t al vrijaadje?”“’t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot dergelijkescènesgebruikt,” zei Van Aartheim. “Mijnheer Holstaff zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen.”“Zoo?” vroeg Holstaff: “is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?”“DeWolfsbrunnen,” zei de ander.“Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord,” viel Veervlug in.“En aan den anderen kant misschien weêr wel,” zei VanAartheim. “De overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig met den naam zal verzoenen.”Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top desKaiserstuhlsvoort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het uitzigt ruimer, maar op den minder hoogenGeissbergaangenamer is; en toen men van daar langs den grooten weg naar denJettebühelwandelde, om deSchlossruïnente gaan bezoeken, merkten niet alleen Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en iets anders dan bronwater te drinken.Ons gezelschap scheen in dit soort vanWirthshausvolstrekt de aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten, die bezig waren, zich in verschillende groepen onder ’t gebruik van dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed, en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje, dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd, maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan; iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden; maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks hadden deze drie ons gezelschapin het oog gekregen, of hunne blikken begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets, waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame tot een der heeren hoorde zeggen: “C’est lui.” Hij begreep van het geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit, waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of eenvraiment!kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met deFrançaiseop denJettenbühelarriveerde.De zeergnädiger-Herr-rijke en buigende portier was terstond bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden, eetzalen, kapellen, wapenzalen enmuren van het oude slot werden met naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige, dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook aan dendicken Thurmen den daaraan verbonden slotwal, waarvan de aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining, die de oudeElisabethsgartenomringde, zijn slechts wankelende overblijfsels te vinden.“Ik bezoek nooit dit punt,” zei Van Aartheim, “zonder met weemoed te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof herschiep.”“O ja,” viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAEA. C. MDCXV F. C.“En wat was haar lot?” ging van Aartheim voort. “Voordat nog de lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen.”“In Rhenen?” riep Veervlug uit. “Ongelukkige Vorstin!”“The ton, I’ll see the ton!” riep een Engelschman, die mede tot het gezelschap behoorde, ongeduldig.“En bleef zij altijd te Rhenen wonen?” vroeg Pols nieuwsgierig. “Dat is toch ook wel een lief plaatsje.”“Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom; en toch zij vond er een graf.”“The ton, the ton!” riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.Men verliet dus denElisabethsgarten, en daalde in den slotkelder neêr; Pols nog altijd met zijneFrançaiseaan den arm, en vol van kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen: “Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid.” Het zou gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman evenwel lachte niet, maar keekthe toneenige oogenblikken strak aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met eenvery wellom, zich haastende den kelder weêr te verlaten.“Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden,” merkte deFrançaiseaan, zich tot Pols wendende.“Hij is mijn landgenoot niet,” antwoordde deze, “want ik ben een Hollander.”“Hoe!” riep de dame, op eens zijn arm loslatende: “dat is een schandelijk bedrog.”“Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is nu niet gevuld....” vervolgde de portier op zijnen ouden toon.DeFrançaisevlugtte tot hare oudecavaliers, en riep hun toe: “Mais ce n’est pas Milord.”“Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten,” ging de gids voort.Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij begreep niets meer van de zaak.“Mijnheer!” sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig opstrijkende: “gij hebt het vertrouwen vanmijne nicht schandelijk misbruikt en u laag gedragen.”“Hoe? wat? ik?” riep Pols in toenemende verbazing.“Mijnheer! ik eisch 1000francsschâvergoeding voor de beleediging, mijne familie aangedaan.”“Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist.”“Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000francsschâvergoeding of eenduel à mort. Gij hebt de keus.”Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe, waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.“Va te faire pendre!” brulde een der heeren hem toe, zijn knevel woedend opstrijkende.De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen; maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: “Ik begrijp mij volstrekt niet, hoe zoo’n meisje met zulke lomperts reizen kan!”De vrienden glimlachten. “Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?” vroeg Veervlug aan Van Aartheim.“Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,” antwoordde deze. “Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te komen.”Hoofdstuk XIV.De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel onopgemerkt.Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen, die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen, wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken.Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen, kon profiteren. Een koetsier vanRastadt bood zijne calèche aan, om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent denzelfden prijs, dien men vooreenpostrijtuig betaalt. De wagen was breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen morgen de oude Akademiestad.Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig; en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen, na een weldoorgebragten nacht en een genuttigdfrühstück, stemden hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: “Wat heeft men toch al aangename afwisselingen op reis!”“Dat dacht ik eergisteren ook,” zei Torteltak, “toen ik je aan den rand van den vijver den mac-intosh aantrok.”“Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling,” viel Veervlug in, “als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd.”“Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!” riep de Morder.“Dan hebben wij lang genot voor ons geld,” grinnikte zijn buurman.“Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!” riep de koetsier op vrolijken toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne opgewondenheid schenen te deelen,en zich weinig in hunne carrière als paarden te verlustigen.“Maar wij hebben immers zoo’n groote haast niet,” zei Van Aartheim, om De Morder wat tevreden te stellen; “wij kunnen toch gemakkelijk vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?”“Ja, ’t is charmant,” zei Pols; “’t zou mij niet kunnen schelen, om zoo’n mooien weg te wandelen.”Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier, misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor.Ook “het jonge goedje” scheen dit uitstapje niet onaangenaam te wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en dan de groepreizigersvan ter zijde met eene uitdrukking op het gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: “Als die er allen inzaten, verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was.”“Voort, die Turken!” riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij onuitputtelijk scheen.“Nicht zu reich und nicht zu arm,Nicht zu kalt und nicht zu warm,Nicht zu gross und nicht zu klein—Kein’s von diesen möcht’ ich seyn.”“Dat is wel een aardig liedje,” zei Pols; “wie heeft dat gemaakt?”“Gemaakt?” vroeg het boertje verwonderd; “wel, ik heb het van mijn vader geleerd.”“’t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,” zei Pols tot Torteltak.“Zoudt gij dat denken?” zei deze; “de toon is toch wat populair.”“Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!” riep de koetsier zijne paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen; nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred.Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu denMont blancoverrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem:“Schön ist mein Mädchen,Schlank wie ein Dräthchen,Fein wie ein FädchenWonnig und warm.”“Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had,” zei Holstaff, door dit begin teleurgesteld.“Ik vind het heel aardig,” zei Pols.“Misschien wordt het straks wel treuriger,” troostte Veervlug.“Mir in das LebenFreude zu weben,Ward sie gegebenMir in den Arm.”ging de zanger voort.“Dat draait al wat naar het sentimentele,” zei Torteltak.“Wacht maar!” zei Veervlug: “’t is een echt Duitsch liedje; straks zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen.”Het boertje ging voort:“Ursel im Röckchen,Rund wie ein Glöckchen,Springt wie ein BöckchenFröhlich im Tanz.”“Dathebje vast op je liefje gemaakt!”“Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij trouwden, en toen zij nog zoo’n dampige knol niet was.”“Wat meent ge daarmeê?” vroeg onze vriend verwonderd.“Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is heel uit haar adem en droezig.”“Dan zal ze ook nu niet meer springenwie ein Böckchen,” merkte Veervlug aan.“Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet zij aan ’t maaijen. Maar van dien kant had ik ’t wel beter kunnen treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst slecht binnen.”“Ik merk,” zeide Torteltak, “dat de levenswijs der dames hier niet bijzonder comfortable is.”“Neen,waarlijk niet,” antwoordde Van Aartheim: “hoe verder men in dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid, dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt.“In den gindschen elzenschaâuwLigt de maaier, mat en flaauw.”Maar ’t is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid en frischheid der vrouwen is ’t juist niet precies zoo als bij den dichter:“’t Meisjen veegt met purpren handen,Gloeiend van het zonnebranden,’t Druipend voorhoofd lachend droog.Laat de lucht haar frischheid rooven,Fier van aan zijn zij’ te sloven,Raapt zy aren, bindt zy schoven,Het genoegen in het oog.”“Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen,” zei het boertje; “’t spijt mij, dat ik het niet best begrijpen kan.”Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken, en stapte in een logement af, om hetdinerte gebruiken. Na afloop des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden voor den heerlijken “Kartoffeln Magenpflaster”, en niet bevreesd dat “Pasteien und Leckerbrod” hem spoedig in het graf zouden helpen, had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij vernamen van denGastgeber, dat Langenbrücken eene zeer beroemde badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte, dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn, laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam; en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde, en hij kreeg er langzamerhandhet gebruik van terug. Op gelijke wijze wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd werd, en deed het haar, gemengd metsulphas quininae, gebruiken; en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen, zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uitde Zonte Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven, adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe; en toen eenigen tijd daarna bij de bron eenConversationshauswas aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater, met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had.Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan nemen. Het was in het drokste van ’t saizoen; vijfendertig reizigers stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen, waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met dehanden in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize, zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten in de uitspraak te maken,PapaenMamankonden zeggen. Al deze personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost, courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden, dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek der zaal, waarbij een oud man met eenigethalersen een schopje zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden.“Doet Mijnheer ook aan ’t snuiven?” sprak een zwaarlijvig heer, in een zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen, tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield, omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje.“Met plaisir,” zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij: “dat is waarlijk een lekker snuifje.”“Neem dan nog eene prise,” zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op nieuw openende; “’t is u van harte gegund.”“Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen.”“Als Mijnheer eens stoppen wil,” zei dezelfde heer tot Torteltak, “ik heb voorraad van tabak.” En om dit te bewijzen, bragt hij uit zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden.“Ik dank u, Mijnheer!” antwoordde deze; “ik heb mijne pijp in ’t rijtuig gelaten.”“O, dat is niets,” viel de gulle Duitscher in; “ik zal u de mijne wel leenen.—Kellner!krijg mijn oliekop eens!”“Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed,” zei Torteltak haastig. “Eigenlijk rook ik maar heel zelden.”“Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd,” zei de spichtige gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw.“Dat is wel waar,” antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende.Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale blondines in ’t lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa te vragen had.“’t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man,” zei juffrouw Glimbaum aan eendandymet eene roozenroode das en hooggeel vest. “Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die vrouw te converseren.”Dedandystak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide zeer lieftallig glimlachende: “Ma foi, Mevrouw! u hebt wel gelijk, men moet zich niet encanailleren.”Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde.“Hoe gaat het, lieve?” vroeg zijne vrouw: “hebt gij een aangenaam tourtje gemaakt?”“Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;—achttien baarden geschrapt en zes koppen geknipt.”Dedandyverliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken.Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het geluk diende hem: hij won—verdubbelde—won meer en meer. Hij kreeg een geheelen stapel klein geld voor zich.—“Mijnheer is ongehoord gelukkig!” riep de oude Blacken in verbazing.—“Ongehoord!” herhaalde de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter dan de kas der bank. “Va banque!” riep hij op eens, al het geld oprougeplaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil—“onze, rouge!” zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend uitstortende.—“Ik krijg zes kreutzers,” riep eene dame, die nog in ’t geheel niet meêgespeeld had; “ik heb immers ook oprougegezet.”Pols maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som.Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer dan zeven Pruisischethalers. “Dat is toch waarlijk zonderling,” zei hij tot De Morder; “ik had er volstrekt geen gedachte op.”—“Dat zult gealtijd zien,” zei deze; “maar ik had eens moeten spelen, dan was het wel anders geloopen.”—“Maar wat zullen wij met dat geld aanvangen?” vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor: hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden.Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit, waar “die freundliche Najade die heil’gen Fluthen ausgieszt,” en waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden, die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt.Het was in ’t best van den tijd; dus waren van alle kanten vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols opgemerkt, dater hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was; de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug, dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande genoegens kon baden.Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te treffen; en toen men nu in het HotelZum Zäringer Hofwas afgestapt, verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten; doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten.Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames, die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes dercroupiersblootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien, slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vromekerkgangstersin hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Franschedanseusehare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer:“Chaque faute est un plaisir,Et l’on a pour s’en repentirLe temps ou l’on n’en peut commettre.”luid en met toejuiching gepredikt wordt.Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagtde dwazen, die zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men, na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in hetConversationshauste Baden neêrzit, en ’s avonds in een wulpschen dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar den Tempel des Heeren rigtte.Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde, dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen, zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren, dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten.Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt, met uitstapjes in hetMourgthalen met een bezoek naar hetNeueenAlte Schloss, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens zeer laat uit hetHôtel d’Angleterreterug. Hij was overigens zeer geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen,in een zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan hij niets had verstaan, dan dat het in ’t Engelsch werd gevoerd.Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen.

Hoofdstuk XII.Vermeldende hoeVeervlugnaar zijn pas zoekt, hoe hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te Darmstadt plaisir krijgt.Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was Veervlug genoodzaakt voor detweede maalde beroemdeBergstrassete aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases metniet van pasenzonder pasenongepastte construëren; maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam, en de togt wat zwaar op een plaisirreis.Zoo arriveerde hij te Weinheim. “Al terug?” riep deKellnerhem toe, die hem ’s morgens bediend had. “Gij kunt naauwelijks te Heidelberg geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven, dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen.”Verrukt staart Veervlug denKellneraan. “Dat is al te gelukkig,” zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den knecht uit de kast zag te voorschijn brengen—een roodgeruiten katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.Teleurgesteld stapte hij weêr in ’t rijtuig en reed verder. Nu had hij een langen tour te maken tot Heppenheim.Hij had niemand om meê te praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel alleen bevond, kwamen hem als van zelve velescènesuit zijn vroeger leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud, op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad; toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend, op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die ’s morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie, de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.—Van deze akelige tooneelen werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken; hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij ’s avonds met luider stemme langs ’s heeren straten zong en zelfs de nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita, als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jongestudentenstreken dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door iederen middag inde Paauwte komen, en door bijna elken avond drie gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner ware vrienden verzamelde hij zichsouvenirs, die ook heden menigen glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet, waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat de begenadigde, met een brandmerk en delitteekenenvan eene gestrenge geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?—Het is het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer der Leydsche jagers voor het eerst ’s morgens in de kerk waar hun het eermetaal werd uitgereikt, en ’s avonds in de komedie had gezien; hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was, en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in ’t gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt: hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte; en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen, terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.En nu,—daar waren jaren verloopen na deze gelukkigescènes, die weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes schijnen er trouwensop gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet, vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen, dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak’s zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo’n mooi meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar geweest!—neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.Terwijl dit een en ander in Veervlug’s ziel opkwam, was de zomerzon druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam, waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken reiziger, die zoo alleen per post reed. Het “Gnädiger Herr Baron” vloeide reeds liefelijk van desGastgeberslippen, terwijl hij het portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent den postiljon, die hem heden nacht gereden haden die misschien een Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze buigingen uitwisschen, en eenKellnerroepende, zei hij op een barschen toon: “Johann! brengt hem bij den stalknecht.”De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het roepen van den postiljon, en dezen een dito voor hetneenzeggen had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. “Halt!” roept hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit het rijtuig. “Ja wel,” zegt hij in zichzelven, “ik ben er nog uit geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen.” En daar was het hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr weg,—maar neen! Hij wil het toch meênemen. “Ik moet toch eens zien, wat het waagde mij zoo te duperen,” riep hij uit, terwijl hij weêr in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:....“Toen sprak de oude man tot hem: “Mijn zoon! wees sterk, en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen doen. Neem mijnen zegen met u op reis.”“Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel sloeg.“Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde zij zich om den hals haars minnaars.“‘Lisette!’ gilde de jongeling in vertwijfeling.“Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des doods overtogen.“‘O Hemel, wees haar en hem genadig!’ riep de oude man.“Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het meisje bleef roerloos.“‘Lisette!’ riep hij nog eens, met zooveel teederheid en kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou hebben teruggeroepen.“Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien—dat haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.“Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch, hij deed het.“Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?—“Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn liefje aan een oud man had moeten overlaten.“Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen verscheurende dieren.“En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.“De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren, en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten, zijne broeders.“Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij, dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.“De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard, en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat, dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat, dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.“Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel te bidden.“Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van zijne bruid.“En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.“En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid te deelen.“En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.“‘Waart gij nog eene bruid als deze!’ riep hij uit, terwijl hij het medaillon te voorschijn bragt: “die smartelijke glimlach zou u voegen.” En hij wierp haar het vrouweportret toe.“‘O mijn God!’ riep zij uit: ‘hoe komt dit in uwe handen?’“‘Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk trof.’“‘Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!’ riep zij in hevige smart.“De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.“‘Het was de krijgskans,’ zeide hij koeltjes;—‘maar men zal mij wachten op de parade.’“‘Hoe was de bruid?’ vroeg hem een zijner vrienden: ‘zeker wonder in haar schik?’“‘Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,’ antwoordde hij.“‘Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,’ kondigde de kommandant aan.“‘Bravo!’ riepen al de officieren, en ook Karel riep: “bravo!”“Twee jaren later werd het leger van den overweldiger geslagen.Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd, en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar zijn vader. Lisette’s ziel had haar bleeke hulsel afgelegd, en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde.Deze slag had de verwildering van den jongeling doen ophouden.“‘Vader!’ riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:‘de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!’“‘Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!’“En ’s avonds knielden beiden bij Lisette’s graf, en zij weenden.”“Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?” vroeg de koetsier, terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven was, nog ontcijferde.“Ja, maar niet lang,” zei de ander.“Dat is wel jammer,” zei de voerman, die nu voor ’t eerst spraakzaam werd; “ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien, zoo mooi als ze in ’t laagland durven denken. En dan had ik meteen mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan ’t verkeeren ben.”“Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt; maar ik zal de ossen maar daarlaten.”“Uwe Genade is wel goed,” zei de koetsier; “maar ’tis anders een mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van ’t wachten.”Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën, maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met zijne flaauwheid wedijvert.“Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,” zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.“Kellner, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden verwisselt; maar eerst nog—heb ik hier ook gisteren avond een Hollandschen reispas laten liggen?”“Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren.”“Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien,” sprak een jong mensch, die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.“Veervlug—o ja, Mijnheer!” zei de ander verwonderd.“Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te Frankfort geven?”“Hoe?” riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. “Hoe, mijn pas? Maar ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb, die hier en van u te ontvangen?”“De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg vertrokken waart.”Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen, en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag geweest zou zijn, datde overbrenger van het papier dank verschuldigd was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.

Vermeldende hoeVeervlugnaar zijn pas zoekt, hoe hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te Darmstadt plaisir krijgt.

Vermeldende hoeVeervlugnaar zijn pas zoekt, hoe hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te Darmstadt plaisir krijgt.

Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was Veervlug genoodzaakt voor detweede maalde beroemdeBergstrassete aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases metniet van pasenzonder pasenongepastte construëren; maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam, en de togt wat zwaar op een plaisirreis.

Zoo arriveerde hij te Weinheim. “Al terug?” riep deKellnerhem toe, die hem ’s morgens bediend had. “Gij kunt naauwelijks te Heidelberg geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven, dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen.”

Verrukt staart Veervlug denKellneraan. “Dat is al te gelukkig,” zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den knecht uit de kast zag te voorschijn brengen—een roodgeruiten katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.

Teleurgesteld stapte hij weêr in ’t rijtuig en reed verder. Nu had hij een langen tour te maken tot Heppenheim.Hij had niemand om meê te praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel alleen bevond, kwamen hem als van zelve velescènesuit zijn vroeger leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud, op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad; toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend, op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die ’s morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie, de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.—Van deze akelige tooneelen werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken; hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij ’s avonds met luider stemme langs ’s heeren straten zong en zelfs de nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita, als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.

Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jongestudentenstreken dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door iederen middag inde Paauwte komen, en door bijna elken avond drie gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.

Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner ware vrienden verzamelde hij zichsouvenirs, die ook heden menigen glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet, waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat de begenadigde, met een brandmerk en delitteekenenvan eene gestrenge geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.

Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?—Het is het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer der Leydsche jagers voor het eerst ’s morgens in de kerk waar hun het eermetaal werd uitgereikt, en ’s avonds in de komedie had gezien; hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was, en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in ’t gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt: hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte; en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen, terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.

En nu,—daar waren jaren verloopen na deze gelukkigescènes, die weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes schijnen er trouwensop gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet, vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen, dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak’s zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo’n mooi meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar geweest!—neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.

Terwijl dit een en ander in Veervlug’s ziel opkwam, was de zomerzon druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam, waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.

Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken reiziger, die zoo alleen per post reed. Het “Gnädiger Herr Baron” vloeide reeds liefelijk van desGastgeberslippen, terwijl hij het portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent den postiljon, die hem heden nacht gereden haden die misschien een Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze buigingen uitwisschen, en eenKellnerroepende, zei hij op een barschen toon: “Johann! brengt hem bij den stalknecht.”

De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het roepen van den postiljon, en dezen een dito voor hetneenzeggen had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.

Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. “Halt!” roept hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit het rijtuig. “Ja wel,” zegt hij in zichzelven, “ik ben er nog uit geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen.” En daar was het hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr weg,—maar neen! Hij wil het toch meênemen. “Ik moet toch eens zien, wat het waagde mij zoo te duperen,” riep hij uit, terwijl hij weêr in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:

....“Toen sprak de oude man tot hem: “Mijn zoon! wees sterk, en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen doen. Neem mijnen zegen met u op reis.”“Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel sloeg.“Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde zij zich om den hals haars minnaars.“‘Lisette!’ gilde de jongeling in vertwijfeling.“Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des doods overtogen.“‘O Hemel, wees haar en hem genadig!’ riep de oude man.“Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het meisje bleef roerloos.“‘Lisette!’ riep hij nog eens, met zooveel teederheid en kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou hebben teruggeroepen.“Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien—dat haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.“Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch, hij deed het.“Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?—“Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn liefje aan een oud man had moeten overlaten.“Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen verscheurende dieren.“En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.“De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren, en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten, zijne broeders.“Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij, dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.“De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard, en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat, dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat, dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.“Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel te bidden.“Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van zijne bruid.“En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.“En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid te deelen.“En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.“‘Waart gij nog eene bruid als deze!’ riep hij uit, terwijl hij het medaillon te voorschijn bragt: “die smartelijke glimlach zou u voegen.” En hij wierp haar het vrouweportret toe.“‘O mijn God!’ riep zij uit: ‘hoe komt dit in uwe handen?’“‘Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk trof.’“‘Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!’ riep zij in hevige smart.“De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.“‘Het was de krijgskans,’ zeide hij koeltjes;—‘maar men zal mij wachten op de parade.’“‘Hoe was de bruid?’ vroeg hem een zijner vrienden: ‘zeker wonder in haar schik?’“‘Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,’ antwoordde hij.“‘Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,’ kondigde de kommandant aan.“‘Bravo!’ riepen al de officieren, en ook Karel riep: “bravo!”“Twee jaren later werd het leger van den overweldiger geslagen.Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd, en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar zijn vader. Lisette’s ziel had haar bleeke hulsel afgelegd, en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde.Deze slag had de verwildering van den jongeling doen ophouden.“‘Vader!’ riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:‘de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!’“‘Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!’“En ’s avonds knielden beiden bij Lisette’s graf, en zij weenden.”

....“Toen sprak de oude man tot hem: “Mijn zoon! wees sterk, en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen doen. Neem mijnen zegen met u op reis.”

“Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel sloeg.

“Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde zij zich om den hals haars minnaars.

“‘Lisette!’ gilde de jongeling in vertwijfeling.

“Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des doods overtogen.

“‘O Hemel, wees haar en hem genadig!’ riep de oude man.

“Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het meisje bleef roerloos.

“‘Lisette!’ riep hij nog eens, met zooveel teederheid en kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou hebben teruggeroepen.

“Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien—dat haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.

“Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch, hij deed het.

“Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?—

“Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn liefje aan een oud man had moeten overlaten.

“Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen verscheurende dieren.

“En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.

“De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren, en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten, zijne broeders.

“Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij, dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.

“De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard, en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat, dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat, dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.

“Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel te bidden.

“Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van zijne bruid.

“En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.

“En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid te deelen.

“En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.

“‘Waart gij nog eene bruid als deze!’ riep hij uit, terwijl hij het medaillon te voorschijn bragt: “die smartelijke glimlach zou u voegen.” En hij wierp haar het vrouweportret toe.

“‘O mijn God!’ riep zij uit: ‘hoe komt dit in uwe handen?’

“‘Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk trof.’

“‘Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!’ riep zij in hevige smart.

“De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.

“‘Het was de krijgskans,’ zeide hij koeltjes;—‘maar men zal mij wachten op de parade.’

“‘Hoe was de bruid?’ vroeg hem een zijner vrienden: ‘zeker wonder in haar schik?’

“‘Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,’ antwoordde hij.

“‘Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,’ kondigde de kommandant aan.

“‘Bravo!’ riepen al de officieren, en ook Karel riep: “bravo!”

“Twee jaren later werd het leger van den overweldiger geslagen.Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd, en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar zijn vader. Lisette’s ziel had haar bleeke hulsel afgelegd, en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde.Deze slag had de verwildering van den jongeling doen ophouden.

“‘Vader!’ riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:‘de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!’

“‘Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!’

“En ’s avonds knielden beiden bij Lisette’s graf, en zij weenden.”

“Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?” vroeg de koetsier, terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven was, nog ontcijferde.

“Ja, maar niet lang,” zei de ander.

“Dat is wel jammer,” zei de voerman, die nu voor ’t eerst spraakzaam werd; “ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien, zoo mooi als ze in ’t laagland durven denken. En dan had ik meteen mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan ’t verkeeren ben.”

“Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt; maar ik zal de ossen maar daarlaten.”

“Uwe Genade is wel goed,” zei de koetsier; “maar ’tis anders een mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van ’t wachten.”

Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën, maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met zijne flaauwheid wedijvert.

“Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,” zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.

“Kellner, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden verwisselt; maar eerst nog—heb ik hier ook gisteren avond een Hollandschen reispas laten liggen?”

“Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren.”

“Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien,” sprak een jong mensch, die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.

“Veervlug—o ja, Mijnheer!” zei de ander verwonderd.

“Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te Frankfort geven?”

“Hoe?” riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. “Hoe, mijn pas? Maar ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb, die hier en van u te ontvangen?”

“De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg vertrokken waart.”

Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen, en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag geweest zou zijn, datde overbrenger van het papier dank verschuldigd was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.

Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.

Hoofdstuk XIII.De nieuwe vriend vanVeervlugkomt op het tooneel, en legt veel Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!—Vroeg opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot eene morgenwandeling uitnoodigt.—Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs, landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoodikwijls ten onregte! Ik weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen, die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden, vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?—Helaas! ook gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat, onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen, daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren, en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren, die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt, den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad nedervalt.—Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit; niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in dewateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden, waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in hetHôtel de HollandePolsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne oude vrienden voor.De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met angstige naauwkeurigheid naar ’t model van den Apollo vanBelvédèrete hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde voorhoofden, deftige neuzen,geestige uitdrukkingen om den mond; maar vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar.Pols vond, dat hij wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein, die hij uit Wagenaar’s elfde deel kende; maar wij zouden misschien met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water op den anderen, op den Therese uitthe Byron Beautiesgeleek.—Hoe dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis, die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn, dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden, die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest, en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met bitterheid en wrevel hadden vervuld.Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht, te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn, die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden namen in deze conditiën genoegen.Men besloot den dag door te brengen met de omstrekenvan Heidelberg te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich dus geheel aan zijn geleide toe.DeKoningsstuhlis de hoogste berg van de keten, die zich achter en ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen, den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden, en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd, en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen, die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekensheerlijkenhemelschgebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten, van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten, konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij vlijden zichop den bemosten grond neder, onder de schaduw van het nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete mijmeringen over.“’t Is jammer, dat hier nergens een logementje is,” zei eindelijk Pols, het lange zwijgen moede; “’t zou hier anders eene charmante gelegenheid zijn om in de open lucht hetdinerte gebruiken. En in allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken.”“Maar ook zonder dat,” zei Van Aartheim, “is deze plaats zeer gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen.”“Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie,” gromde De Morder.“Toen,” vervolgde Van Aartheim, “ging hier menig lijdende in eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele wereld buiten elkander vergaten.”“Zoodat,” glimlachte Torteltak,“Indien dit bosje klappen kon,Wat melde ’t al vrijaadje?”“’t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot dergelijkescènesgebruikt,” zei Van Aartheim. “Mijnheer Holstaff zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen.”“Zoo?” vroeg Holstaff: “is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?”“DeWolfsbrunnen,” zei de ander.“Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord,” viel Veervlug in.“En aan den anderen kant misschien weêr wel,” zei VanAartheim. “De overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig met den naam zal verzoenen.”Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top desKaiserstuhlsvoort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het uitzigt ruimer, maar op den minder hoogenGeissbergaangenamer is; en toen men van daar langs den grooten weg naar denJettebühelwandelde, om deSchlossruïnente gaan bezoeken, merkten niet alleen Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en iets anders dan bronwater te drinken.Ons gezelschap scheen in dit soort vanWirthshausvolstrekt de aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten, die bezig waren, zich in verschillende groepen onder ’t gebruik van dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed, en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje, dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd, maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan; iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden; maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks hadden deze drie ons gezelschapin het oog gekregen, of hunne blikken begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets, waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame tot een der heeren hoorde zeggen: “C’est lui.” Hij begreep van het geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit, waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of eenvraiment!kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met deFrançaiseop denJettenbühelarriveerde.De zeergnädiger-Herr-rijke en buigende portier was terstond bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden, eetzalen, kapellen, wapenzalen enmuren van het oude slot werden met naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige, dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook aan dendicken Thurmen den daaraan verbonden slotwal, waarvan de aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining, die de oudeElisabethsgartenomringde, zijn slechts wankelende overblijfsels te vinden.“Ik bezoek nooit dit punt,” zei Van Aartheim, “zonder met weemoed te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof herschiep.”“O ja,” viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAEA. C. MDCXV F. C.“En wat was haar lot?” ging van Aartheim voort. “Voordat nog de lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen.”“In Rhenen?” riep Veervlug uit. “Ongelukkige Vorstin!”“The ton, I’ll see the ton!” riep een Engelschman, die mede tot het gezelschap behoorde, ongeduldig.“En bleef zij altijd te Rhenen wonen?” vroeg Pols nieuwsgierig. “Dat is toch ook wel een lief plaatsje.”“Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom; en toch zij vond er een graf.”“The ton, the ton!” riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.Men verliet dus denElisabethsgarten, en daalde in den slotkelder neêr; Pols nog altijd met zijneFrançaiseaan den arm, en vol van kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen: “Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid.” Het zou gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman evenwel lachte niet, maar keekthe toneenige oogenblikken strak aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met eenvery wellom, zich haastende den kelder weêr te verlaten.“Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden,” merkte deFrançaiseaan, zich tot Pols wendende.“Hij is mijn landgenoot niet,” antwoordde deze, “want ik ben een Hollander.”“Hoe!” riep de dame, op eens zijn arm loslatende: “dat is een schandelijk bedrog.”“Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is nu niet gevuld....” vervolgde de portier op zijnen ouden toon.DeFrançaisevlugtte tot hare oudecavaliers, en riep hun toe: “Mais ce n’est pas Milord.”“Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten,” ging de gids voort.Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij begreep niets meer van de zaak.“Mijnheer!” sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig opstrijkende: “gij hebt het vertrouwen vanmijne nicht schandelijk misbruikt en u laag gedragen.”“Hoe? wat? ik?” riep Pols in toenemende verbazing.“Mijnheer! ik eisch 1000francsschâvergoeding voor de beleediging, mijne familie aangedaan.”“Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist.”“Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000francsschâvergoeding of eenduel à mort. Gij hebt de keus.”Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe, waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.“Va te faire pendre!” brulde een der heeren hem toe, zijn knevel woedend opstrijkende.De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen; maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: “Ik begrijp mij volstrekt niet, hoe zoo’n meisje met zulke lomperts reizen kan!”De vrienden glimlachten. “Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?” vroeg Veervlug aan Van Aartheim.“Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,” antwoordde deze. “Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te komen.”

De nieuwe vriend vanVeervlugkomt op het tooneel, en legt veel Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.

De nieuwe vriend vanVeervlugkomt op het tooneel, en legt veel Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.

Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!—Vroeg opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot eene morgenwandeling uitnoodigt.—Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs, landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoodikwijls ten onregte! Ik weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen, die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden, vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?—Helaas! ook gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat, onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen, daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren, en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren, die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt, den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad nedervalt.—Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit; niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in dewateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden, waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!

En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in hetHôtel de HollandePolsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.

Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne oude vrienden voor.

De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met angstige naauwkeurigheid naar ’t model van den Apollo vanBelvédèrete hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde voorhoofden, deftige neuzen,geestige uitdrukkingen om den mond; maar vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar.Pols vond, dat hij wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein, die hij uit Wagenaar’s elfde deel kende; maar wij zouden misschien met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water op den anderen, op den Therese uitthe Byron Beautiesgeleek.—Hoe dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis, die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn, dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden, die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest, en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met bitterheid en wrevel hadden vervuld.

Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht, te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn, die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden namen in deze conditiën genoegen.

Men besloot den dag door te brengen met de omstrekenvan Heidelberg te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich dus geheel aan zijn geleide toe.

DeKoningsstuhlis de hoogste berg van de keten, die zich achter en ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen, den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden, en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd, en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.

Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen, die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekensheerlijkenhemelschgebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten, van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten, konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij vlijden zichop den bemosten grond neder, onder de schaduw van het nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete mijmeringen over.

“’t Is jammer, dat hier nergens een logementje is,” zei eindelijk Pols, het lange zwijgen moede; “’t zou hier anders eene charmante gelegenheid zijn om in de open lucht hetdinerte gebruiken. En in allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken.”

“Maar ook zonder dat,” zei Van Aartheim, “is deze plaats zeer gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen.”

“Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie,” gromde De Morder.

“Toen,” vervolgde Van Aartheim, “ging hier menig lijdende in eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele wereld buiten elkander vergaten.”

“Zoodat,” glimlachte Torteltak,

“Indien dit bosje klappen kon,Wat melde ’t al vrijaadje?”

“Indien dit bosje klappen kon,

Wat melde ’t al vrijaadje?”

“’t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot dergelijkescènesgebruikt,” zei Van Aartheim. “Mijnheer Holstaff zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen.”

“Zoo?” vroeg Holstaff: “is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?”

“DeWolfsbrunnen,” zei de ander.

“Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord,” viel Veervlug in.

“En aan den anderen kant misschien weêr wel,” zei VanAartheim. “De overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig met den naam zal verzoenen.”

Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top desKaiserstuhlsvoort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het uitzigt ruimer, maar op den minder hoogenGeissbergaangenamer is; en toen men van daar langs den grooten weg naar denJettebühelwandelde, om deSchlossruïnente gaan bezoeken, merkten niet alleen Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en iets anders dan bronwater te drinken.

Ons gezelschap scheen in dit soort vanWirthshausvolstrekt de aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten, die bezig waren, zich in verschillende groepen onder ’t gebruik van dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed, en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje, dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd, maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan; iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden; maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks hadden deze drie ons gezelschapin het oog gekregen, of hunne blikken begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets, waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame tot een der heeren hoorde zeggen: “C’est lui.” Hij begreep van het geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit, waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of eenvraiment!kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met deFrançaiseop denJettenbühelarriveerde.

De zeergnädiger-Herr-rijke en buigende portier was terstond bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden, eetzalen, kapellen, wapenzalen enmuren van het oude slot werden met naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige, dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook aan dendicken Thurmen den daaraan verbonden slotwal, waarvan de aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining, die de oudeElisabethsgartenomringde, zijn slechts wankelende overblijfsels te vinden.

“Ik bezoek nooit dit punt,” zei Van Aartheim, “zonder met weemoed te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof herschiep.”

“O ja,” viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:

FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAEA. C. MDCXV F. C.

FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAEA. C. MDCXV F. C.

“En wat was haar lot?” ging van Aartheim voort. “Voordat nog de lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen.”

“In Rhenen?” riep Veervlug uit. “Ongelukkige Vorstin!”

“The ton, I’ll see the ton!” riep een Engelschman, die mede tot het gezelschap behoorde, ongeduldig.

“En bleef zij altijd te Rhenen wonen?” vroeg Pols nieuwsgierig. “Dat is toch ook wel een lief plaatsje.”

“Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom; en toch zij vond er een graf.”

“The ton, the ton!” riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.

Men verliet dus denElisabethsgarten, en daalde in den slotkelder neêr; Pols nog altijd met zijneFrançaiseaan den arm, en vol van kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen: “Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid.” Het zou gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman evenwel lachte niet, maar keekthe toneenige oogenblikken strak aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met eenvery wellom, zich haastende den kelder weêr te verlaten.

“Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden,” merkte deFrançaiseaan, zich tot Pols wendende.

“Hij is mijn landgenoot niet,” antwoordde deze, “want ik ben een Hollander.”

“Hoe!” riep de dame, op eens zijn arm loslatende: “dat is een schandelijk bedrog.”

“Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is nu niet gevuld....” vervolgde de portier op zijnen ouden toon.

DeFrançaisevlugtte tot hare oudecavaliers, en riep hun toe: “Mais ce n’est pas Milord.”

“Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten,” ging de gids voort.

Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij begreep niets meer van de zaak.

“Mijnheer!” sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig opstrijkende: “gij hebt het vertrouwen vanmijne nicht schandelijk misbruikt en u laag gedragen.”

“Hoe? wat? ik?” riep Pols in toenemende verbazing.

“Mijnheer! ik eisch 1000francsschâvergoeding voor de beleediging, mijne familie aangedaan.”

“Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist.”

“Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000francsschâvergoeding of eenduel à mort. Gij hebt de keus.”

Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe, waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.

“Va te faire pendre!” brulde een der heeren hem toe, zijn knevel woedend opstrijkende.

De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.

Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen; maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: “Ik begrijp mij volstrekt niet, hoe zoo’n meisje met zulke lomperts reizen kan!”

De vrienden glimlachten. “Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?” vroeg Veervlug aan Van Aartheim.

“Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,” antwoordde deze. “Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te komen.”

Hoofdstuk XIV.De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel onopgemerkt.Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen, die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen, wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken.Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen, kon profiteren. Een koetsier vanRastadt bood zijne calèche aan, om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent denzelfden prijs, dien men vooreenpostrijtuig betaalt. De wagen was breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen morgen de oude Akademiestad.Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig; en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen, na een weldoorgebragten nacht en een genuttigdfrühstück, stemden hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: “Wat heeft men toch al aangename afwisselingen op reis!”“Dat dacht ik eergisteren ook,” zei Torteltak, “toen ik je aan den rand van den vijver den mac-intosh aantrok.”“Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling,” viel Veervlug in, “als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd.”“Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!” riep de Morder.“Dan hebben wij lang genot voor ons geld,” grinnikte zijn buurman.“Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!” riep de koetsier op vrolijken toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne opgewondenheid schenen te deelen,en zich weinig in hunne carrière als paarden te verlustigen.“Maar wij hebben immers zoo’n groote haast niet,” zei Van Aartheim, om De Morder wat tevreden te stellen; “wij kunnen toch gemakkelijk vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?”“Ja, ’t is charmant,” zei Pols; “’t zou mij niet kunnen schelen, om zoo’n mooien weg te wandelen.”Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier, misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor.Ook “het jonge goedje” scheen dit uitstapje niet onaangenaam te wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en dan de groepreizigersvan ter zijde met eene uitdrukking op het gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: “Als die er allen inzaten, verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was.”“Voort, die Turken!” riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij onuitputtelijk scheen.“Nicht zu reich und nicht zu arm,Nicht zu kalt und nicht zu warm,Nicht zu gross und nicht zu klein—Kein’s von diesen möcht’ ich seyn.”“Dat is wel een aardig liedje,” zei Pols; “wie heeft dat gemaakt?”“Gemaakt?” vroeg het boertje verwonderd; “wel, ik heb het van mijn vader geleerd.”“’t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,” zei Pols tot Torteltak.“Zoudt gij dat denken?” zei deze; “de toon is toch wat populair.”“Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!” riep de koetsier zijne paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen; nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred.Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu denMont blancoverrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem:“Schön ist mein Mädchen,Schlank wie ein Dräthchen,Fein wie ein FädchenWonnig und warm.”“Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had,” zei Holstaff, door dit begin teleurgesteld.“Ik vind het heel aardig,” zei Pols.“Misschien wordt het straks wel treuriger,” troostte Veervlug.“Mir in das LebenFreude zu weben,Ward sie gegebenMir in den Arm.”ging de zanger voort.“Dat draait al wat naar het sentimentele,” zei Torteltak.“Wacht maar!” zei Veervlug: “’t is een echt Duitsch liedje; straks zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen.”Het boertje ging voort:“Ursel im Röckchen,Rund wie ein Glöckchen,Springt wie ein BöckchenFröhlich im Tanz.”“Dathebje vast op je liefje gemaakt!”“Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij trouwden, en toen zij nog zoo’n dampige knol niet was.”“Wat meent ge daarmeê?” vroeg onze vriend verwonderd.“Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is heel uit haar adem en droezig.”“Dan zal ze ook nu niet meer springenwie ein Böckchen,” merkte Veervlug aan.“Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet zij aan ’t maaijen. Maar van dien kant had ik ’t wel beter kunnen treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst slecht binnen.”“Ik merk,” zeide Torteltak, “dat de levenswijs der dames hier niet bijzonder comfortable is.”“Neen,waarlijk niet,” antwoordde Van Aartheim: “hoe verder men in dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid, dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt.“In den gindschen elzenschaâuwLigt de maaier, mat en flaauw.”Maar ’t is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid en frischheid der vrouwen is ’t juist niet precies zoo als bij den dichter:“’t Meisjen veegt met purpren handen,Gloeiend van het zonnebranden,’t Druipend voorhoofd lachend droog.Laat de lucht haar frischheid rooven,Fier van aan zijn zij’ te sloven,Raapt zy aren, bindt zy schoven,Het genoegen in het oog.”“Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen,” zei het boertje; “’t spijt mij, dat ik het niet best begrijpen kan.”Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken, en stapte in een logement af, om hetdinerte gebruiken. Na afloop des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden voor den heerlijken “Kartoffeln Magenpflaster”, en niet bevreesd dat “Pasteien und Leckerbrod” hem spoedig in het graf zouden helpen, had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij vernamen van denGastgeber, dat Langenbrücken eene zeer beroemde badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte, dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn, laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam; en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde, en hij kreeg er langzamerhandhet gebruik van terug. Op gelijke wijze wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd werd, en deed het haar, gemengd metsulphas quininae, gebruiken; en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen, zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uitde Zonte Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven, adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe; en toen eenigen tijd daarna bij de bron eenConversationshauswas aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater, met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had.Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan nemen. Het was in het drokste van ’t saizoen; vijfendertig reizigers stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen, waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met dehanden in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize, zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten in de uitspraak te maken,PapaenMamankonden zeggen. Al deze personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost, courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden, dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek der zaal, waarbij een oud man met eenigethalersen een schopje zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden.“Doet Mijnheer ook aan ’t snuiven?” sprak een zwaarlijvig heer, in een zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen, tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield, omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje.“Met plaisir,” zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij: “dat is waarlijk een lekker snuifje.”“Neem dan nog eene prise,” zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op nieuw openende; “’t is u van harte gegund.”“Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen.”“Als Mijnheer eens stoppen wil,” zei dezelfde heer tot Torteltak, “ik heb voorraad van tabak.” En om dit te bewijzen, bragt hij uit zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden.“Ik dank u, Mijnheer!” antwoordde deze; “ik heb mijne pijp in ’t rijtuig gelaten.”“O, dat is niets,” viel de gulle Duitscher in; “ik zal u de mijne wel leenen.—Kellner!krijg mijn oliekop eens!”“Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed,” zei Torteltak haastig. “Eigenlijk rook ik maar heel zelden.”“Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd,” zei de spichtige gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw.“Dat is wel waar,” antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende.Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale blondines in ’t lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa te vragen had.“’t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man,” zei juffrouw Glimbaum aan eendandymet eene roozenroode das en hooggeel vest. “Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die vrouw te converseren.”Dedandystak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide zeer lieftallig glimlachende: “Ma foi, Mevrouw! u hebt wel gelijk, men moet zich niet encanailleren.”Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde.“Hoe gaat het, lieve?” vroeg zijne vrouw: “hebt gij een aangenaam tourtje gemaakt?”“Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;—achttien baarden geschrapt en zes koppen geknipt.”Dedandyverliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken.Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het geluk diende hem: hij won—verdubbelde—won meer en meer. Hij kreeg een geheelen stapel klein geld voor zich.—“Mijnheer is ongehoord gelukkig!” riep de oude Blacken in verbazing.—“Ongehoord!” herhaalde de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter dan de kas der bank. “Va banque!” riep hij op eens, al het geld oprougeplaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil—“onze, rouge!” zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend uitstortende.—“Ik krijg zes kreutzers,” riep eene dame, die nog in ’t geheel niet meêgespeeld had; “ik heb immers ook oprougegezet.”Pols maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som.Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer dan zeven Pruisischethalers. “Dat is toch waarlijk zonderling,” zei hij tot De Morder; “ik had er volstrekt geen gedachte op.”—“Dat zult gealtijd zien,” zei deze; “maar ik had eens moeten spelen, dan was het wel anders geloopen.”—“Maar wat zullen wij met dat geld aanvangen?” vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor: hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden.Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit, waar “die freundliche Najade die heil’gen Fluthen ausgieszt,” en waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden, die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt.Het was in ’t best van den tijd; dus waren van alle kanten vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols opgemerkt, dater hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was; de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug, dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande genoegens kon baden.Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te treffen; en toen men nu in het HotelZum Zäringer Hofwas afgestapt, verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten; doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten.Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames, die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes dercroupiersblootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien, slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vromekerkgangstersin hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Franschedanseusehare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer:“Chaque faute est un plaisir,Et l’on a pour s’en repentirLe temps ou l’on n’en peut commettre.”luid en met toejuiching gepredikt wordt.Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagtde dwazen, die zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men, na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in hetConversationshauste Baden neêrzit, en ’s avonds in een wulpschen dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar den Tempel des Heeren rigtte.Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde, dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen, zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren, dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten.Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt, met uitstapjes in hetMourgthalen met een bezoek naar hetNeueenAlte Schloss, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens zeer laat uit hetHôtel d’Angleterreterug. Hij was overigens zeer geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen,in een zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan hij niets had verstaan, dan dat het in ’t Engelsch werd gevoerd.Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen.

De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel onopgemerkt.

De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel onopgemerkt.

Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen, die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen, wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken.

Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen, kon profiteren. Een koetsier vanRastadt bood zijne calèche aan, om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent denzelfden prijs, dien men vooreenpostrijtuig betaalt. De wagen was breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen morgen de oude Akademiestad.

Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig; en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen, na een weldoorgebragten nacht en een genuttigdfrühstück, stemden hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: “Wat heeft men toch al aangename afwisselingen op reis!”

“Dat dacht ik eergisteren ook,” zei Torteltak, “toen ik je aan den rand van den vijver den mac-intosh aantrok.”

“Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling,” viel Veervlug in, “als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd.”

“Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!” riep de Morder.

“Dan hebben wij lang genot voor ons geld,” grinnikte zijn buurman.

“Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!” riep de koetsier op vrolijken toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne opgewondenheid schenen te deelen,en zich weinig in hunne carrière als paarden te verlustigen.

“Maar wij hebben immers zoo’n groote haast niet,” zei Van Aartheim, om De Morder wat tevreden te stellen; “wij kunnen toch gemakkelijk vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?”

“Ja, ’t is charmant,” zei Pols; “’t zou mij niet kunnen schelen, om zoo’n mooien weg te wandelen.”

Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier, misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor.

Ook “het jonge goedje” scheen dit uitstapje niet onaangenaam te wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en dan de groepreizigersvan ter zijde met eene uitdrukking op het gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: “Als die er allen inzaten, verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was.”

“Voort, die Turken!” riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij onuitputtelijk scheen.

“Nicht zu reich und nicht zu arm,Nicht zu kalt und nicht zu warm,Nicht zu gross und nicht zu klein—Kein’s von diesen möcht’ ich seyn.”

“Nicht zu reich und nicht zu arm,

Nicht zu kalt und nicht zu warm,

Nicht zu gross und nicht zu klein—

Kein’s von diesen möcht’ ich seyn.”

“Dat is wel een aardig liedje,” zei Pols; “wie heeft dat gemaakt?”

“Gemaakt?” vroeg het boertje verwonderd; “wel, ik heb het van mijn vader geleerd.”

“’t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,” zei Pols tot Torteltak.

“Zoudt gij dat denken?” zei deze; “de toon is toch wat populair.”

“Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!” riep de koetsier zijne paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen; nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred.

Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu denMont blancoverrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem:

“Schön ist mein Mädchen,Schlank wie ein Dräthchen,Fein wie ein FädchenWonnig und warm.”

“Schön ist mein Mädchen,

Schlank wie ein Dräthchen,

Fein wie ein Fädchen

Wonnig und warm.”

“Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had,” zei Holstaff, door dit begin teleurgesteld.

“Ik vind het heel aardig,” zei Pols.

“Misschien wordt het straks wel treuriger,” troostte Veervlug.

“Mir in das LebenFreude zu weben,Ward sie gegebenMir in den Arm.”

“Mir in das Leben

Freude zu weben,

Ward sie gegeben

Mir in den Arm.”

ging de zanger voort.

“Dat draait al wat naar het sentimentele,” zei Torteltak.

“Wacht maar!” zei Veervlug: “’t is een echt Duitsch liedje; straks zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen.”

Het boertje ging voort:

“Ursel im Röckchen,Rund wie ein Glöckchen,Springt wie ein BöckchenFröhlich im Tanz.”

“Ursel im Röckchen,

Rund wie ein Glöckchen,

Springt wie ein Böckchen

Fröhlich im Tanz.”

“Dathebje vast op je liefje gemaakt!”

“Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij trouwden, en toen zij nog zoo’n dampige knol niet was.”

“Wat meent ge daarmeê?” vroeg onze vriend verwonderd.

“Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is heel uit haar adem en droezig.”

“Dan zal ze ook nu niet meer springenwie ein Böckchen,” merkte Veervlug aan.

“Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet zij aan ’t maaijen. Maar van dien kant had ik ’t wel beter kunnen treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst slecht binnen.”

“Ik merk,” zeide Torteltak, “dat de levenswijs der dames hier niet bijzonder comfortable is.”

“Neen,waarlijk niet,” antwoordde Van Aartheim: “hoe verder men in dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid, dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt.

“In den gindschen elzenschaâuwLigt de maaier, mat en flaauw.”

“In den gindschen elzenschaâuw

Ligt de maaier, mat en flaauw.”

Maar ’t is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid en frischheid der vrouwen is ’t juist niet precies zoo als bij den dichter:

“’t Meisjen veegt met purpren handen,Gloeiend van het zonnebranden,’t Druipend voorhoofd lachend droog.Laat de lucht haar frischheid rooven,Fier van aan zijn zij’ te sloven,Raapt zy aren, bindt zy schoven,Het genoegen in het oog.”

“’t Meisjen veegt met purpren handen,

Gloeiend van het zonnebranden,

’t Druipend voorhoofd lachend droog.

Laat de lucht haar frischheid rooven,

Fier van aan zijn zij’ te sloven,

Raapt zy aren, bindt zy schoven,

Het genoegen in het oog.”

“Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen,” zei het boertje; “’t spijt mij, dat ik het niet best begrijpen kan.”

Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken, en stapte in een logement af, om hetdinerte gebruiken. Na afloop des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden voor den heerlijken “Kartoffeln Magenpflaster”, en niet bevreesd dat “Pasteien und Leckerbrod” hem spoedig in het graf zouden helpen, had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij vernamen van denGastgeber, dat Langenbrücken eene zeer beroemde badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte, dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn, laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam; en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde, en hij kreeg er langzamerhandhet gebruik van terug. Op gelijke wijze wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd werd, en deed het haar, gemengd metsulphas quininae, gebruiken; en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen, zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uitde Zonte Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven, adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe; en toen eenigen tijd daarna bij de bron eenConversationshauswas aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater, met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had.

Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan nemen. Het was in het drokste van ’t saizoen; vijfendertig reizigers stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen, waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met dehanden in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize, zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten in de uitspraak te maken,PapaenMamankonden zeggen. Al deze personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost, courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden, dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek der zaal, waarbij een oud man met eenigethalersen een schopje zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden.

“Doet Mijnheer ook aan ’t snuiven?” sprak een zwaarlijvig heer, in een zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen, tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield, omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje.

“Met plaisir,” zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij: “dat is waarlijk een lekker snuifje.”

“Neem dan nog eene prise,” zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op nieuw openende; “’t is u van harte gegund.”

“Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen.”

“Als Mijnheer eens stoppen wil,” zei dezelfde heer tot Torteltak, “ik heb voorraad van tabak.” En om dit te bewijzen, bragt hij uit zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden.

“Ik dank u, Mijnheer!” antwoordde deze; “ik heb mijne pijp in ’t rijtuig gelaten.”

“O, dat is niets,” viel de gulle Duitscher in; “ik zal u de mijne wel leenen.—Kellner!krijg mijn oliekop eens!”

“Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed,” zei Torteltak haastig. “Eigenlijk rook ik maar heel zelden.”

“Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd,” zei de spichtige gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw.

“Dat is wel waar,” antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende.

Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale blondines in ’t lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa te vragen had.

“’t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man,” zei juffrouw Glimbaum aan eendandymet eene roozenroode das en hooggeel vest. “Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die vrouw te converseren.”

Dedandystak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide zeer lieftallig glimlachende: “Ma foi, Mevrouw! u hebt wel gelijk, men moet zich niet encanailleren.”

Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde.

“Hoe gaat het, lieve?” vroeg zijne vrouw: “hebt gij een aangenaam tourtje gemaakt?”

“Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;—achttien baarden geschrapt en zes koppen geknipt.”

Dedandyverliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken.

Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het geluk diende hem: hij won—verdubbelde—won meer en meer. Hij kreeg een geheelen stapel klein geld voor zich.—“Mijnheer is ongehoord gelukkig!” riep de oude Blacken in verbazing.—“Ongehoord!” herhaalde de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter dan de kas der bank. “Va banque!” riep hij op eens, al het geld oprougeplaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil—“onze, rouge!” zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend uitstortende.—“Ik krijg zes kreutzers,” riep eene dame, die nog in ’t geheel niet meêgespeeld had; “ik heb immers ook oprougegezet.”Pols maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som.

Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer dan zeven Pruisischethalers. “Dat is toch waarlijk zonderling,” zei hij tot De Morder; “ik had er volstrekt geen gedachte op.”—“Dat zult gealtijd zien,” zei deze; “maar ik had eens moeten spelen, dan was het wel anders geloopen.”—“Maar wat zullen wij met dat geld aanvangen?” vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor: hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden.

Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit, waar “die freundliche Najade die heil’gen Fluthen ausgieszt,” en waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden, die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt.

Het was in ’t best van den tijd; dus waren van alle kanten vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols opgemerkt, dater hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was; de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug, dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande genoegens kon baden.

Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te treffen; en toen men nu in het HotelZum Zäringer Hofwas afgestapt, verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten; doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten.

Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames, die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes dercroupiersblootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien, slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vromekerkgangstersin hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Franschedanseusehare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer:

“Chaque faute est un plaisir,Et l’on a pour s’en repentirLe temps ou l’on n’en peut commettre.”

“Chaque faute est un plaisir,

Et l’on a pour s’en repentir

Le temps ou l’on n’en peut commettre.”

luid en met toejuiching gepredikt wordt.

Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagtde dwazen, die zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men, na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in hetConversationshauste Baden neêrzit, en ’s avonds in een wulpschen dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar den Tempel des Heeren rigtte.

Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde, dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen, zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren, dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten.

Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt, met uitstapjes in hetMourgthalen met een bezoek naar hetNeueenAlte Schloss, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens zeer laat uit hetHôtel d’Angleterreterug. Hij was overigens zeer geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen,in een zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan hij niets had verstaan, dan dat het in ’t Engelsch werd gevoerd.

Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen.


Back to IndexNext